02c Toelichting
Tekst van het document
5.3 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundig systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan de benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
23
Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Limburg. In het kader van het beleid van zowel de gemeente Horst aan de Maas als het waterschap dient binnen het plangebied een duurzaam waterhuishoudkundig systeem gerealiseerd te worden. 5.3.1 Beleidskader Relevante beleidstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerplan 2016-2021 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014), het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend: ▪ vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit); ▪ voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën. De meest relevante beleidsstukken zijn hieronder verder toegelicht. Het waterbeleid in het POL2014 sluit aan op de Europese Kaderrichtlijn Water en het Nationaal Waterplan.
Het provinciaal waterbeleid omvat de volgende strategische doelen: ▪ herstel sponswerking: het voorkomen van wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem, anticiperend op veranderde klimatologische omstandigheden; ▪ herstel van de natte natuur: het bereiken van ecologisch gezonde watersystemen en grondwaterafhankelijk natuur; ▪ schoon water: het bereiken van een goede chemische kwaliteit voor water en sediment; ▪ duurzame watervoorziening: het beschermen van water voor menselijke consumptie, zodanig dat voldoende water van de vereiste kwaliteit via eenvoudige zuiveringstechnieken beschikbaar is; ▪ een veilige Maas: het streven naar een acceptabel risico voor overstromingen in het rivierbed van de Maas. De waterkundige waarden zijn in het POL2014 weergegeven op de kaarten ‘Regionaal Water’ en ‘Ondergrond’. Conform de kaart ‘Regionaal water’ ligt het plangebied deels in een ‘Natte parel’. Conform de kaart ‘Ondergrond’ ligt het plangebied in de ‘Boringsvrije Zone’ van de Venloschol en is het gebied aangemerkt als Archeologisch aandachtsgebied. De Venloschol is als boringsvrije zone aangewezen, aangezien diepe boringen de natuurlijke geologische bescherming van onderliggende grondwaterreservoirs kunnen aantasten. In de Venloschol worden alleen (nieuwe) diepe onttrekkingen voor menselijke consumptie via vergunningverlening toegestaan.
Met de ontwikkeling van het bedrijf zijn dergelijke diepe onttrekkingen niet aan de orde en worden ook uitgesloten door het opnemen van de gebiedsaanduiding ‘Milieuzone – grondwaterbeschermingsgebied Venloschol’. Ten aanzien van het archeologisch aandachtsgebied is aan de locatie in het bestemmingsplan de dubbelbestemming “Waarde – Archeologie 4” toegekend. Op gronden met deze bestemming mag niet worden gebouwd tenzij de bebouwing minder diep reikt dan 50 centimeter en zonder heiwerkzaamheden wordt uitgevoerd. Met de ontwikkeling van het bedrijf is een dergelijk diepe bebouwing niet aan de orde. 5.3.2 Kenmerken van het watersysteem (huidige situatie) Bodemgesteldheid en grondwater De bodem in het plangebied is tamelijk vlak. De maaiveldhoogte varieert tussen 19,0 en 19,4 meter +NAP. De originele bodem bestaat volgens de digitale bodemkaart van Nederland uit een hoge bruine enkeerdgrond, die voornamelijk is opgebouwd uit lemig fijn zand. Conform de algemene gegevens van het Waterschap Limburg blijkt het plangebied een redelijke bodemdoorlatendheid te hebben van 0,45 tot 0,75 m/dag. Ter plaatse van het plangebied bedraagt de
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
24
grondwatertrap VII. Op basis van de kaarten behorende bij het Nieuw Limburgs Peil blijkt dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand voor het grootste deel tussen 80-120 cm-mv is gelegen. Oppervlaktewater In het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ten westen ligt de Molenbeek van Lottum op een afstand van circa 460 meter. Afvalwater / riolering Het vuilwater is aangesloten op het gemeentelijk rioleringssysteem. Grondwaterbescherming Het plangebied is gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied Venloschol, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Binnen het plangebied bevinden zich drie geregistreerde grondwaterputten. 5.3.3 Water in relatie tot de ontwikkeling (nieuwe situatie) Dit bestemmingplan heeft tot doel het veranderen van vorm van het agrarisch bouwvlak zodat de gewenste ontwikkelingen op de gewenste locatie kunnen worden opgericht. Daarnaast heeft het bestemmingsplan tot doel teeltondersteunende voorzieningen mogelijk te maken. De vormwijziging van het agrarisch bouwvlak leidt niet tot een toename van het verhard oppervlak, de oprichting van teeltondersteunende voorzieningen kan wel leiden tot een toename van het verhard oppervlak. Iedere toename van verhard oppervlak dient zoveel mogelijk ‘hydrologisch neutraal’ te geschieden.
Het waterschap hanteert hiervoor vuistregels waarmee op basis van de toename van verharding een wateropgave kan worden bepaald. Hydrologisch neutraal ontwikkelen houdt onder andere in dat het versneld afvloeiende hemelwater (als gevolg van extra bebouwd oppervlak en / of verhardingen) dient te worden gecompenseerd door middel van extra waterberging. Via deze (tijdelijke) berging kan water vertraagd de bodem worden ingebracht, of vertraagd worden afgevoerd naar het bestaande watersysteem. Bij de laatste optie mag de bestaande landbouwkundige afvoernorm van 1 l/s/ha niet worden overschreden. Bij een hydrologisch neutrale ontwikkeling wordt dus geborgd dat extra afvloeiend hemelwater niet wordt afgewenteld op de omgeving. Daarnaast is het van belang dat bestaande waterhuishoudkundige functies niet mogen worden geschaad of beperkt. Eveneens mag, als gevolg van een ontwikkeling, geen sprake zijn van een structurele verlaging van de grondwaterstand. In de nieuwe situatie is er sprake van een bouwvlak met een omvang van 3,41 hectare. Daarnaast is er een aanduidingsvlak “agrarische voorziening” met een oppervlak van 3,95 hectare. Containervelden: Volgens de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer dient er bij een bui een “firstflush” opgevangen te kunnen worden van 50 m3 per hectare.
Bij een maximaal oppervlak van 3,95 hectare dient de firstflush opvang ten minste 198 m3 te bedragen. Hiervoor zal initiatiefnemer zorgdragen. De containervelden zijn voorzien van een onderlaag van lava met een dikte van 10 cm. Uitgaande dat in deze laag ongeveer 50% ruimte is voor berging van hemelwater kan er hier in totaal 1975 m3 water opgevangen worden. Bij een maatgevende bui van T=100 (100 mm met overloop naar oppervlaktewater) dient er voor de containervelden een opvang beschikbaar te zijn van 3.950 m3. Hiervan is er in dit geval 198 m3 ingericht als
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
25
firstflush opvang en 1.975 m3 als ruimte in het lavaveld. Er dient daarom nog 1.777 m3 op een andere wijze opgevangen te worden. Bouwvlak: Het bouwvlak heeft in de beoogde situatie een oppervlak van 3.41 hectare. Bij een maatgevende bui van T=100 (100 mm met overloop naar oppervlaktewater) dient er voor het bouwvlak (indien volledig bebouwd) een opvang beschikbaar te zijn van 3.410 m3. Waterschap Limburg schrijft voor dat per elke hectare verharding minimaal 500 m3 geborgen dient te worden in het hemelwaterbassin. Bij een bouwvlak van 3.41 hectare dient er daarom 1.705 m3 in een bassin opgevangen te worden van waaruit het water hergebruikt kan worden binnen het bedrijf. Aan de achterzijde van het perceel is een buffer aanwezig voor de opvang van hemelwater. Het hemelwater binnen het plangebied wordt hierin geborgen. De buffer is voorzien van een overloop met een capaciteit van het 1 l/s/ha. Deze buffer zal vergroot worden om te kunnen voldoen aan de eisen van het Waterschap Limburg. De mate van vergroting is afhankelijk van de oppervlakte aan bebouwing in het bouwvlak en het oppervlak aan containerveld. Bij een maximale invulling van de locatie moet er 5187 m3 (1777 + 3410) in de buffer opgevangen kunnen worden. De gemeente Horst aan de Maas streeft naar het terugdringen van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen.
Dit aspect is als aanbeveling opgenomen in het pakket duurzaam bouwen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht, voor zover relevant, geen gebruik te maken van uitlogende bouwmaterialen. Concluderend kan gesteld worden dat door de ontwikkeling geen knelpunten ontstaan tussen grondgebruik en de waterhuishouding.
5.4 Kabels en leidingen Grotere kabels en leidingen krijgen in een bestemmingsplan veelal een planologische beschermingszone door middel van een dubbelbestemming. Hiermee wordt de bedrijfszekerheid en de veiligheid van de betreffende leiding gewaarborgd. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is er geen sprake van een dergelijke dubbelbestemming in of in de nabijheid van het plangebied. Blijkens kaarten van Gasunie, TenneT en Waterschapsbedrijf Limburg bevinden er zich in of in de nabijheid van het plangebied geen belangrijke (ondergrondse) leidingen.
5.5 Natuur De Europese natuurwetgeving is in Nederland, op het gebied van soort- en gebiedsbescherming, uitgewerkt in de Wet natuurbescherming (Wn). Deze wet heeft tot doel alle in Nederland in het wild voorkomende planten- en diersoorten en natuurgebieden (Natura2000-gebieden) te beschermen en in stand te houden. Flora en fauna Ter plaatse is een quickscan flora & fauna (bijlage 3) uitgevoerd om de effecten van de beoogde ontwikkelingen op het voorkomen van beschermde dier- en plantensoorten te onderzoeken.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
26
Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Natura2000 Binnen een straal van 10 km rondom het plangebied is alleen de Maasduinen gelegen op een afstand van ongeveer 1700 meter. De Wet natuurbescherming voorziet in een verplichte ecologische Natura2000-toets voor alle ruimtelijke plannen. De wet verplicht om de gevolgen van een ontwikkeling voor het van toepassing zijnde Natura2000gebied te boordelen. Gezien de ruime afstand heeft de doorontwikkeling van het bedrijf geen directe nadelige gevolgen (bijvoorbeeld door oppervlakteverlies, verstoring door licht, etc.) voor de Natura2000-gebieden. Wel kan het bedrijf schadelijke effecten veroorzaken in de vorm van stikstofdepositie. Ten aanzien van de aanlegfase geldt dat sinds inwerkingtreding van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering bouw- en sloopactiviteiten vrijgesteld zijn, in het kort de bouwvrijstelling. Dit betekent dat voor het aspect stikstof alleen nog de neerslag (depositie) in de gebruiksfase een rol speelt.
Voor de gebruiksfase is een berekening gemaakt met het voorgeschreven programma Aerius (bijlage 4). Hieruit blijkt dat de stikstofdepositie ter plaatse van Natura2000-gebieden ten opzichte van de referentiesituatie gelijk blijft op zelfs licht afneemt in de beoogde situatie. Op basis van de uitspraak “Logtsebaan” is er daarmee sprake van intern salderen en hoeft er geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het aspect stikstof geen beperkende factor is voor de wijziging van het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect natuur vormt geen beperking voor onderhavig initiatief.
5.6 Archeologie en cultuurhistorie 5.6.1 Cultuurhistorie De provincie Limburg hecht veel waarde aan de cultuurhistorie van de provincie. De provincie wil dan ook dat er verstandig omgegaan wordt met cultuurhistorische bouwwerken en landschappen. In het POL2014 is derhalve aangegeven dat gestreefd wordt naar het behouden, ontwikkelen en beheren van beschermde historische bouwwerken, hoofdlijnen van jonge en oude cultuurlandschappen en historische landschapselementen. Het beleid ten aanzien van cultuurhistorie zoals dit in het POL2014 is weergegeven, is gestoeld op de Nota Belvédère. Het POL2014 schrijft dan ook voor een beschrijving in het bestemmingsplan mee te nemen, betreffende de omgang met de cultuurhistorische elementen in relatie tot de hiervoor geldende wettelijke bepalingen. Volgens de provinciale kaart ‘Cultuurhistorische Waardenkaart Limburg’ liggen er binnen of in de nabijheid van het plangebied geen cultuurhistorische waarden. Met de ontwikkeling gaan derhalve geen cultuurhistorische waarden verloren.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
27
5.6.2 Archeologie Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. De Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta (1992). De wet is een raamwet die regelt hoe rijk, provincie en gemeente bij hun ruimtelijke plannen rekening moeten houden met het erfgoed in de bodem. Om te kunnen voldoen aan het gestelde in de Wet op de Archeologische Monumentenzorg dienen de gemeenten te beschikken over archeologiebeleid en een archeologische beleidskaart. De gemeente Horst aan de Maas heeft voor haar grondgebied een Archeologische Maatregelenkaart ontwikkeld welke op 26 mei 2015 is vastgesteld. Conform deze kaart is het plangebied gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachting. In gebieden met een hoge archeologische verwachting hoeft pas archeologisch onderzoek plaats te vinden indien het terrein voor een oppervlakte van 2500 m2 dieper dan 0,5 m verstoord wordt. Om te voorkomen dat meer dan 2.500 m² verstoord kan worden, zonder dat gekeken is naar eventuele archeologische waarden ter plaatse, is aan het plangebied in het vigerende bestemmingsplan de archeologische dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4‘ toegekend. Zodra bodemingrepen plaatsvinden die de gestelde ondergrens overschrijden is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.
Afbeelding 11. Uitsnede archeologische waardenkaart
De nieuw te bouwen tunnelkassen hebben een oppervlak van 11.750 m2. Het oppervlak van de bodem dat verstoord wordt is vele malen kleiner. De tunnelkassen worden namelijk op poeren gebouwd. Voor het bouwen van de tunnelkas worden er in het veld 396 poeren geplaatst. Elke poer heeft een afmeting van 24 x 24 centimeter. In totaal wordt er voor de poeren 23 m2 aan bodem verstoord. Daarnaast wordt er aan de voor-en achterzijde van de tunnelkas een leiding gelegd voor de afvoer van hemelwater. De lengte bedraagt 2 x 165 meter. De sleuf die hiervoor uitgegraven wordt krijgt een breedte van 30 centimeter. Daarmee bedraagt de
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
28
verstoring voor de leiding maximaal 100 m2. De totale verstoring, dieper dan 50 centimeter, door het bouwplan bedraagt daarmee 123 m2. Daarmee wordt de ondergrens van 2.500 m2 niet overschreden. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is daarmee niet nodig. Mocht uit de Wabo aanvraag voor het onderdeel bouwen blijken dat de verstoring de ondergrens overschrijdt, dan is alsnog een archeologisch onderzoek benodigd.
5.8 Verkeer en parkeren Het plangebied blijft ontsloten via de Grubbenvorsterweg. Door het uitbreiden van het bouwvlak zal er een beperkte toename zijn van het aantal verkeersbewegingen op de Grubbenvorsterweg en omringende wegen. Via de Grubbenvorsterweg is het plangebied uitstekend bereikbaar. Parkeren, laden en lossen geschiedt volledig op eigen terrein.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
29
6 UITVOERBAARHEID
6.1 Economische uitvoerbaarheid De kosten verbonden aan de bestemmingswijziging zijn geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Afspraken tussen gemeente en initiatiefnemer over ambtelijke apparaatskosten, planschade en landschappelijke inpassing, zijn vastgelegd in een anterieure overeenkomst. Voor de gemeente Horst aan de Maas zal het initiatief kostenneutraal verlopen.
6.2 Handhaving Sinds 1 april 2005 werkt de gemeente Horst aan de Maas samen met de gemeente Venray als het gaat om handhaving. Onder deze samenwerking valt niet alleen de uitvoering, maar ook alle juridische, administratieve en beleidsmatige ondersteuning. In 2012 is het eerste integraal handhavingsbeleid in werking getreden. Inmiddels is het Beleidsplan VTH Horst aan de Maas 2017-2020 in werking getreden. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: de gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid, waarbij preventief belang voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijk handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient. In dit integrale handhavingsbeleid is één van de speerpunten hoe in de economische situatie van de afgelopen jaren met minder middelen net zo veel of meer aan handhaving gedaan kan worden.
In dit kader zijn de volgende uitgangspunten geformuleerd: 1. appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid; 2. preventie gaat boven repressie; 3. draagvlak creëren; 4. servicegericht handelen, en 5. alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. 1. “Appelleren aan eigen verantwoordelijkheid” wil zeggen dat de verantwoordelijkheid bij de burgers, bedrijven en instellingen terecht komt, dit is ten slotte ook waar hij thuishoort. Dit vergt wel een bepaald vertrouwen van de gemeente over de burgers, bedrijven en instellingen binnen hun gemeente. Wordt dit vertrouwen geschaad dan treedt de gemeente consequent hard op. Er kan nu meer op risicogroepen of zwakke schakels ingezet worden, de capaciteit van de handhaving is dus beter in te delen en kan efficiënter gebruikt worden. 2. ''Preventie gaat boven repressie'' wil zeggen dat meer aandacht besteedt wordt aan het voorkomen van overtredingen dan het aanpakken van bestaande overtredingen. Hierdoor hoeven er niet zoveel tijdrovende en geldverslindende, bestuursrechtelijke procedures doorlopen te worden. Er wordt dus met zo min mogelijk inzet zoveel mogelijk resultaat behaald. 3. Verder is “draagvlak creëren” een van de uitgangspunten. Dit houdt in dat er duidelijk over handhaving wordt gecommuniceerd en dat er ook daadwerkelijk gedaan wordt wat er gezegd wordt. Belangrijk is ook
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
30
om dingen die spelen bij burgers, ondernemers, instellingen, scholen en verenigingen mee te nemen in het uitvoeringsprogramma en dat rechtsgelijkheid wordt nagestreefd. 4. Het vierde uitgangspunt is “servicegericht handelen”. Dit houdt in dat de overheid zich dienstbaar opstelt. De gemeente denkt mee en speelt in op ongewenste situaties. Ook is de gemeente 24 uur per dag bereikbaar. Zo wordt een gevoel van veiligheid en een leefbare omgeving gecreëerd. Er is dus meer aandacht nodig voor de aanpak van overlastfeiten in de openbare ruimte. 5. Het laatste uitgangspunt is “alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen”. Er worden dus alleen besluiten genomen en regels ingesteld die ook daadwerkelijk handhaafbaar zijn. Overbodige regels worden geschrapt om alles overzichtelijk te houden en er wordt zorg gedragen voor voldoende deskundige capaciteit, op deze manier kan gedogen geminimaliseerd worden. Bij handhaving staat de nalevingsstrategie centraal. Hierin is opgenomen welke activiteiten worden ondernomen om te komen tot naleving van de regels. De nalevingsstrategie kan op zijn beurt worden onderverdeeld in de volgende strategieën: 1. preventiestrategie; 2. toezichtstrategie; 3. sanctiestrategie, en 4. gedoogstrategie. Vaak wordt er gekozen voor een combinatie van deze strategieën om het resultaat te vergroten.
Bij deze strategieën passen verschillende handhavingsinstrumenten. Onder de preventieve handhavingsinstrumenten vallen onder andere deregulering, kritisch zijn op het formuleren van regels, handhaafbaarheid van de regels en communicatie en voorlichting. De regels moeten bekend zijn bij de doelgroep, er dient dus duidelijk gecommuniceerd te worden over handhavingsactiviteiten en de gemeentelijke prioriteiten. Naast de preventieve handhavingsinstrumenten zijn er ook nog de repressieve handhavingsinstrumenten. Dit zijn onder andere het betalen van een dwangsom, bestuursdwang en intrekking van begunstigde beschikking. Bij een dwangsom wordt er een geldbedrag per overtreding of tijdseenheid dat de overtreding voortduurt betaald aan de gemeente. Bestuursdwang houdt in dat een overtreding op kosten van de overtreder ongedaan gemaakt wordt. Als laatste kan een begunstigde beschikking worden ingetrokken, op deze manier wordt een activiteit juridisch onmogelijk gemaakt. Het kan hierbij ook gaan om een gedeeltelijke ontheffing. Vaak volgt op het intrekken van een begunstigde beschikking nog het opleggen van een dwangsom of bestuursdwang. Naast bestuursrechtelijk aanpakken van overtreders kan het soms ook de voorkeur hebben om een overtreder strafrechtelijk aan te pakken.
Op deze manier kunnen de vaak langdurende juridische procedures die gemoeid zijn met de bestuursrechtelijk aanpak ontlopen worden. Bij strafrechtelijke aanpak moet gedacht worden aan bestuurlijke strafbeschikking en een proces-verbaal. Wanneer er een privaatrechtelijke overeenkomst met de gemeente is aangegaan kan ook voor de privaatrechtelijke worden gekozen. Hierbij gaat, wanneer het mogelijk is, de bestuursrechtelijke aanpak wel voor. Ten slotte kan er voor een gedoogbeschikking gekozen worden. Dit gebeurt uitsluitend voor gevallen die veroorzaakt zijn door onvoorziene omstandigheden of overgangssituaties.
6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien is het noodzakelijk dat belanghebbenden de
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
31
gelegenheid hebben om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan. Vooroverleg Artikel 3.1.1 van het Besluit geeft aan dat het college van Burgemeester van Wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, waar nodig, overleg dienen te plegen met betrokken instanties. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 27 mei 2022 voor een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Er zijn tegen het ontwerpbestemmingsplan geen zienswijzen ingediend.
6.4 Procedure De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden met ingang van 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De procedure ziet er als volgt uit: ▪ Vooroverleg met betrokken instanties; ▪ Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan; ▪ Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; ▪ Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door een ieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; ▪ Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken; ▪ Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; ▪ Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; ▪ Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij
de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
32
7 JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het plangebied in dit wijzigingsplan juridisch is vertaald. Het juridische deel van het wijzigingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van het bestemmingsvlak. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het wijzigingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het planvoornemen.
7.2 Toelichting op de verbeelding Op de verbeelding is het nieuwe agrarische bouwvlak weergegeven, waarbij aan de achterzijde van het bouwvlak de gewenste uitbreiding gelegen is. Alle dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen zoals die in het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” gelden voor het plangebied zijn eveneens overgenomen op de verbeelding.
7.3 Toelichting op de regels De planregels van de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ uit het bestemmingsplan “Buitengebied Horst aan de Maas” zijn van toepassing verklaard voor het plangebied. Toegevoegd is de voorwaardelijke bepaling tot uitvoering van het landschappelijk inpassingsplan.
Bestemmingsplan “Grubbenvorsterweg 44 Lottum”
33