CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 11 maart 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Broekstraat D 1258, Broekhuizenvorst.17.433 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 Inbreiding (ontwikkelen binnen bebouwd gebied) waar mogelijk, uitbreiding (ontwikkelen aan de rand van bebouwd gebied) indien nodig. Ontwikkelen in het buitengebied heeft niet onze voorkeur; woningbouw op industrieterreinen is niet toegestaan.  Kwalitatief goede, tijdelijke woonconcepten worden omarmd. Deze wordt, indien geschikt, ingezet om snel voor extra aanbod te zorgen.  In het plan is goed nagedacht over de kwaliteit van de woonomgeving.  Elk initiatief wordt getoetst op basis van gemeentelijk beleid (onder andere Structuurvisie Horst aan de Maas), bestemmingsplannen, stedenbouwkundige visies, het bouwbesluit en financiële haalbaarheid.

Hoofdstuk 4

27

Nieuwbouwplannen worden getoetst op basis van bovenstaand afwegingskader. Plannen die passen bij de ambitie, die voorzien in een behoefte en voldoen aan kwaliteitseisen, kunnen rekenen op medewerking van de gemeente. Anders dan voorheen is dit afwegingskader geen ‘toets achter de schermen’, maar een vrij beschikbaar en inspirerend document, dat gemeente, corporaties en ontwikkelaars motiveert om al in de eerste, prille fase van conceptontwikkeling de juiste keuzes te maken. De woningbouwambitie is gebaseerd op de woningmarkt anno nu (vraag en aanbod), gecombineerd met prognoses (CBS, Stec) en signalen uit de markt. Met onderhavig planvoornemen wordt voorzien in een kwalitatief goede woning op een plek waar in een eerder stadium al een woning heeft gestaan. Hierdoor is sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Vanuit het Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 zijn geen belemmeringen voor het planvoornemen. 4.4.3

Welstandsnota

De gemeente Horst aan de Maas heeft op 20 november 2012 de ‘Welstandsnota gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. Deze nota is opgesteld om een welstandstoets te kunnen uitvoeren bij aanvragen om omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen. De vereenvoudigde welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden. De gemeente onderscheid twee niveaus van welstand: ‘normaal’ en streng’. Voor reguliere woongebieden geldt het niveau ‘normaal’ en aangezien binnen het plangebied sprake zal zijn van een regulier woongebied, zal hiervoor het welstandsniveau ‘normaal’ gaan gelden. Bij het normaal niveau van welstand wordt getoetst op aspecten die te maken hebben met de situering van het bouwwerk, de hoofdvormen van het bouwwerk, de schaal en geleding van het gebouw, het materiaalgebruik en de gebruikte kleurstelling. Ook de gevelaanzichten worden beoordeeld. De toets is vooral gericht op het gebouw als geheel en het welstandstoezicht is in deze gebieden beperkt tot het handhaven van basiskwaliteiten. Onderhavig bestemmingsplan voorziet in de kaders voor het bouwen van bouwwerken ten aanzien van situering en afmetingen. Voor het overige zullen vergunningaanvragen op basis van dit plan moeten voldoen aan de welstandsnota. 4.4.4

Nota parkeernormen

Op 3 juli 2019 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Nota Parkeernormen Horst aan de Maas vastgesteld. In deze Nota zijn de nieuwste richtlijnen ten aanzien van het aantal benodigde parkeerplaatsen bij diverse typen voorzieningen opgenomen. Voor het merendeel zijn deze richtlijnen gebaseerd op landelijke kencijfers (CROW-publicatie 317 Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). In afwijking van de CROW-publicatie is in de Nota Parkeernormen voor alle type appartementen en woonhuizen, ongeacht de prijsklasse en eigendomssituatie, één parkeernorm opgenomen. Vanwege de landelijke ‘setting’ van de gemeente Horst aan de Maas heeft het type woning en prijsklasse van de woning nauwelijks invloed op het autobezit. Wel is onderscheid gemaakt tussen woonhuizen en appartementen. Op het voorliggende initiatief is de categorie ‘woonhuis’ van toepassing. Basis blijft dat ontwikkelingen moeten voorzien in voldoende parkeerruimte op eigen terrein. Door middel van het voorliggende bestemmingsplan wordt één woning mogelijk gemaakt. Hierbij dient conform de Nota Parkeernormen te worden voorzien in twee parkeerplaatsen per woning. In totaal zijn (1 x 2 =) twee

Hoofdstuk 4

28

parkeerplaatsen benodigd voor de woning. De parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op eigen terrein. 4.4.5

Beleidslijn Groter bouwen in het buitengebied (2014)

Dit beleidsstuk heeft betrekking op nieuw te bouwen woningen in het buitengebied, of bestaande burgerwoningen in het buitengebied, die worden uitgebreid naar een inhoud, die de maatvoering van het bestemmingsplan Buitengebied van Horst aan de Maas overstijgen. Het beleidsstuk is in 2011 opgesteld, maar in 2014 heeft een actualisatie plaatsgevonden om bepaalde regelingen nader uit te werken door middel van de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied'. In de Beleidslijn Groter bouwen in het buitengebied zijn zes uitgangspunten geformuleerd voor grotere nieuwbouw van woningen, of uitbreiding van woningen. Het gaat in het kort om de volgende zes uitgangspunten: 1. Omvang kavel Bij nieuwbouw van woningen in het buitengebied is minimaal sprake van een kavel van 1.500 m² oppervlakte; 2. Kwaliteit en omvang hoofdgebouw Het hoofdgebouw mag zonder extra compenserende maatregelen maximaal 1.300 m³ groot zijn; 3. Kwaliteit bouwwerken Bijbehorende bouwwerken zijn niet wenselijk bij een hoofdgebouw met een omvang van 1.300 m³ groot, tenzij een ruimtelijke tegenprestatie wordt geleverd; 4. Tegenprestatie uitbreiding hoofdgebouw boven de 1.000 m³ Voor de extra omvang van de bebouwing dient een sloopverhouding van 1:3 m² aan bebouwing uit het buitengebied te verdwijnen. 5.

Tegenprestatie bijbehorende bouwwerken Wanneer initiatiefnemers toch bijbehorende bouwwerken willen realiseren bij een hoofdgebouw van 1.300 m³, dan geldt een verhouding van 1:3 in m² aan bebouwing gesloopt moet worden. Op de plek waar de bebouwing gesloopt wordt, wordt een aanduiding op de verbeelding opgenomen, zodat ter plekke in de toekomst niet opnieuw gebouwd kan worden. Bestaande woningen in het buitengebied die meer bijgebouwen wensen dan die mogelijkheden die het bestemmingsplan nu biedt, kunnen ook gebruik maken van deze regeling. 6. Kwaliteit van de kavel Naast de kwaliteit van de bebouwing is ook de kwaliteit van het erf van groot belang. Bij elk initiatief moet daarom een landschappelijk inrichtingsplan worden aangeleverd. In de 'Maatwerknotitie bijgebouwen in het buitengebied' zijn hierop de volgende aanvullingen gedaan: 1. Maximum aantal m² bebouwing Bijgebouwen tot maximaal 150 m² zijn zonder meer toegestaan (ook bij (bedrijfs-)woningen met een omvang van 1.300 m³ of groter). Voor een initiatiefnemer die meer dan 150 m² aan bijgebouwen wil hebben, geldt: a. Maximaal 600 m² is toegestaan, mits op het moment van de aanvraag reeds 600 m² of meer bebouwing legaal aanwezig is op hetzelfde perceel; b. Hetgeen gesloopt wordt of kan worden mag voor 1/3 worden ingezet. Hierover wordt geen bijdrage gerekend; c.

Wanneer meer wordt teruggebouwd of wordt behouden dan 1/3 van het gesloopte geldt een bijdrage van € 45,- per m².

Hoofdstuk 4

29

2. Enkel bestaand en legaal en op eigen perceel De 600 m² geldt voor het totaal aantal bijgebouwen op hetzelfde perceel. Voor sloop elders voorziet de Integrale Structuurvisie in een sloopvergoeding. Bovendien kan enkel wat legaal is en bestaand is worden ingezet. Bouwwerken die eerder zijn gesloopt, zonder specifieke afspraak, kunnen in principe niet alsnog worden ingezet, met uitzondering van hetgeen hierna is uitgewerkt; 3. Sloop in het verleden Eerder gesloopte bebouwing kan worden meegenomen in de bepaling van het maximaal toegestane aantal m² bijgebouwen onder de volgende voorwaarden: a. De gesloopte bebouwing door dezelfde eigenaar uitgevoerd als de aanvragen en b. De sloop heeft aantoonbaar niet langer dan 5 jaar geleden plaatsgevonden en c. Het gesloopte telt enkel mee voor de berekening van het aantal m² dat (terug)gebouwd mag worden. Dit wil zeggen dat voor de bijdrage aansluiting wordt gezocht bij de bestaande bebouwing. Onderhavig bestemmingsplan staat een woning toe met een maximale inhoud van 1.000 m 3. Derhalve is de Beleidslijn Groter Bouwen in het buitengebied (2014) niet van toepassing.

4.5 Conclusie De gewenste woningbouwontwikkeling binnen het plangebied past binnen de beleidskaders van zowel het Rijk, de provincie, de regio als de gemeente Horst aan de Maas zelf.

Hoofdstuk 4

30

5.

ONDERZOEK Bij de toekenning van de nieuwe bestemming aan de locatie dient rekening gehouden te worden met (milieu-)aspecten vanuit de omgeving en op de omgeving. Het onderzoek naar de milieuaspecten bodem, geluid, lucht, geur, externe veiligheid en milieuzonering voor de locatie wordt in de navolgende paragrafen beschreven. Eveneens is gekeken naar de gevolgen van de gewenste ingreep voor de aspecten archeologie en cultuurhistorie, leidingen en infrastructuur, ecologie, waterhuishouding, verkeer, duurzaamheid en economische uitvoerbaarheid. De hieruit voortgekomen bevindingen worden in onderstaande paragrafen toegelicht. Per paragraaf wordt de achtergrond uiteengezet, waarna wordt aangegeven wat de onderzoeksresultaten en/of conclusies zijn.

5.1 Economische uitvoerbaarheid Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie in werking getreden. In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in artikel 6.12, eerste lid, onder a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van één woningbouwkavel, waarop een vrijstaande woning gebouwd mag worden. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Het kostenverhaal is reeds geregeld op basis van in het verleden gemaakte afspraken. Er wordt dan ook uitsluitend een planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem Formeel gezien dient in het kader van een bestemmingswijziging (over het algemeen middels een bodemonderzoek) aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Middels voorgenomen ontwikkeling wordt een woning mogelijk gemaakt op een perceel in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas met gedeeltelijk de bestemming ‘Agrarisch’ en gedeeltelijk de bestemming ‘Woondoeleinden’. Dit betreft een bestemmingswijziging naar een voor de bodem gevoeliger gebruik. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, waarvan de rapportage is opgenomen als bijlage bij deze toelichting. Onderstaand wordt kort ingegaan op de onderzoeksresultaten. Voor meer informatie wordt verwezen naar het volledige onderzoeksrapport3.

3

HMB BV, Verkennend bodemonderzoek Broekstraat (ong.) Broekhuizenvorst rapportnr.: 20276301A, d.d. 3 juli 2020.

Hoofdstuk 5

31

Onderzoeksresultaten Op basis van de resultaten van het uitgevoerde vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onverdacht is ten aanzien van bodemverontreiniging. De opzet van het bodemonderzoek is gebaseerd op de onderzoeksstrategie voor een onverdachte nietlijnvormige locatie (ONV-NL). Geconcludeerd wordt dat de hypothese “onverdachte locatie” geen standhoudt. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten kobalt, cadmium, nikkel, zink en PCB aangetoond en in de ondergrond is een licht verhoogd gehalte kobalt aangetoond. Het grondwater bevat licht verhoogde gehalten nikkel en minerale olie. In de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten PFAS boven de toepassingsnormen landbouw/ natuur aangetoond. De vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het gebruik van de onderzoekslocatie voor woondoeleinden. Conclusie Vanuit de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem zijn geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling van de woningbouwkavel. De bodem ter plaatse is geschikt voor woondoeleinden. 5.2.2 Geluid Verkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van wegen, spoorwegen, gezoneerde industrieterreinen en luchthavens.

Voor 30 km/h wegen geldt dat in het kader van de Wet geluidhinder geen akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai noodzakelijk is. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Broekstraat is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai nodig. De overige wegen in de directe omgeving het plangebied zijn ingericht als 30 km/h zone. Door Econsultancy is in het kader van onderhavig planvoornemen een akoestisch onderzoek 4 uitgevoerd naar de geluidimmissie ter plaatse van de nieuwe woning. Onderstaand worden de conclusies uit dit rapport weergegeven. Het volledige onderzoek is als separate bijlage aan onderhavige toelichting toegevoegd. Onderzoeksresultaten De geluidsbelasting op de nieuw te bouwen woning bedraagt ten hoogste 45 dB. Er vindt geen overschrijding van de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 48 dB plaats. Er gelden vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. Spoorwegverkeer Bij de ontwikkeling van geluidgevoelige objecten nabij een spoorlijn dient het spoorwegverkeerslawaai betrokken te worden. Wat betreft spoorwegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat in de wijde omgeving van het plangebied geen spoorwegen zijn gelegen. Vanuit dit kader zijn er dan ook geen belemmeringen.

Conclusie Concluderend kan gesteld worden dat vanuit geluid van spoor- en wegverkeer geen belemmeringen bestaan voor de voorliggende ontwikkeling. In de woning zal derhalve sprake zijn van een goed woonen leefklimaat. 4

Econsultancy, ‘Onderzoek wegverkeerslawaai Broekstraat te Broekhuizenvorst’, rapportnr.: 15896.003, d.d. 6 december 2021.

Hoofdstuk 5

32

5.2.3 Luchtkwaliteit De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Artikel 5.16 Wm (lid 1) geeft weer, onder welke voorwaarden bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (uit lid 2) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering: a. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project leidt – al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; c. Een project draagt “niet in betekenende mate” (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging; d. Een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. Besluit NIBM Deze AMvB legt vast, wanneer een project niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van een bepaalde stof. Binnen de getalsmatige grenzen van de Regeling NIBM draagt een project altijd niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Voor woningen gelden in de Regeling NIBM de volgende getalsmatige grenzen:

Woningen (maximaal)

Minimaal 1 ontsluitingsweg

Minimaal 2 ontsluitingswegen

3%-norm

3%-norm

1.500

3.000

Getalsmatige grenzen Regeling NIBM

De realisatie van één woning leidt slechts tot een zeer beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en daarmee niet in betekenende mate tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.16, lid 1, onder b.

Achtergrondwaarden In aanvulling op het bovenstaande is tevens bekeken of de kwaliteit van de lucht ter plaatse goed genoeg is voor de realisatie van de gewenste ontwikkeling. Volgens de NSL-monitoringstool is de concentratie fijnstof (PM10) ter plaatse in 2020 gelegen beneden de 18 µg/m³, de concentratie stikstof (PM2,5) µg/m³ beneden de 10 µg/m³ en de concentratie stikstofdioxide (NO2) tussen de 10 en 15 µg/m³. In de Wet milieubeheer is de jaargemiddelde grenswaarde voor PM 10 en NO2 40 µg/m³. Voor PM2,5 bedraagt de jaargemiddelde grenswaarde 25 µg/m³. Volgens de NSL Monitoringstool is de

Hoofdstuk 5

33

luchtkwaliteit ter plaatse in de huidige situatie daarom voldoende voor de realisatie van de nieuwe functie. Conclusie Gezien de bestaande concentraties is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde en wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm lid 1 onder a. Daarnaast draagt het project niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging, waarmee wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.16 Wm, lid 1 onder c. Uit bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet bezwaarlijk is in het kader van de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer. 5.2.4 Externe veiligheid Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op twee maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Risicovolle activiteiten Het voorliggende bestemmingsplan maakt de realisatie van één woning mogelijk. Op basis van paragraaf 1, artikel 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zijn woningen kwetsbare objecten. In het kader van dit plan moet daarom bekeken worden of er sprake is van risicovolle activiteiten

Hoofdstuk 5

34

in de nabijheid (zoals Bevi-inrichtingen, BRZO-bedrijven en/of transportroutes) of dat in het plangebied zelf risicovolle activiteiten worden toegestaan. Toetsing Door het IPO is een risicokaart samengesteld waarop de meest belangrijke risico veroorzakende bedrijven, objecten en transportroutes zijn aangegeven. Het gaat hierbij onder meer om risico’s van opslag van patronen, stofexplosies, opslag van gasflessen, ammoniakinstallaties, lpg-tankstations enzovoorts. Risicovolle inrichtingen Op basis van de risicokaart van het IPO zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen risicovolle inrichtingen gelegen die van invloed zijn op het plangebied. De meest dichtbijgelegen risicovolle inrichting betreft een propaantank van een recreatiepark (Kasteel Ooijen) aan de Blitterswijckseweg 2 te Broekhuizenvorst. De terreingrens van deze inrichting ligt op circa 1,3 kilometer ten noorden van het plangebied. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 van deze installatie is 25 meter en reikt bij lange na niet tot het plangebied. Gezien de tussenliggende afstand ligt het plangebied daarnaast ook niet het invloedsgebied van deze inrichting. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen waarvan het invloedsgebied tot het plangebied reikt.

Buisleidingen Het plangebied ligt niet in de nabijheid van buisleidingen waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over wegen en spoorwegen Het plangebied ligt niet in de nabijheid van wegen of spoorwegen waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen over vaarwegen Op circa 210 meter ten oosten van onderhavig projectlocatie is de Maas gelegen. Uit het Basisnet Water blijkt dat de 10-6 contour niet buiten de oever van de Maas is gelegen. Verder wordt de oriënterende waarde voor het groepsrisico van het vervoer over de Maas niet overschreden. Gezien het vervoer van verschillende type gevaarlijke stoffen over deze waterweg, waaronder stofcategorie GT3, is het besluitgebied wel gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas. Derhalve is op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt een verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Verantwoording groepsrisico Zoals hierboven is beschreven is voor de Maas een beperkte verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Bij een dergelijke verantwoording dient op basis van artikel 7 en 8 van het Bevt aandacht besteed te worden aan de volgende items: 1.

De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval. 2. De mogelijkheden van personen binnen het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (zelfredzaamheid).

Hoofdstuk 5

35

In de onderstaande tabel is deze beperkte verantwoording weergegeven: Aspect De mogelijkheden ter voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval.

Verantwoording Voor wat betreft de weg Maas bestaan er met name risico’s in verband met ongelukken met giftige gassen (toxisch scenario). Gezien de grote tussenliggende afstand hebben calamiteiten met giftige vloeistoffen en brandbare vloeistoffen of gassen geen effect in het plangebied. De kans op overlijden ten gevolge van een incident met gevaarlijke stoffen binnen het plangebied is zeer klein. Er bestaan geen feitelijke mogelijkheden om middels dit bestemmingsplan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp direct te beïnvloeden.

De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp voordoet (zelfredzaamheid).

De bestrijding vindt voor zover mogelijk plaats bij de risicobron. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het plangebied bij eventuele calamiteiten over het algemeen goed bereikbaar is voor de hulpdiensten. Bij het beschrijven van de mogelijkheden tot zelfredzaamheid is het van belang om in te gaan op de verschillende soorten calamiteiten, zijnde calamiteiten met giftige gassen en vloeistoffen (toxisch scenario). Voor blootstelling aan een toxische gaswolk (het bepalende scenario), biedt “schuilen” in combinatie met het sluiten van ramen en deuren de eerste wijze van zelfredzaamheid. Schuilen vindt plaats binnen bouwwerken. De mate waarin deze bouwwerken afsluitbaar zijn tegen de indringing van toxisch gas en de tijdsduur dat deze bouwwerken worden blootgesteld zijn hierbij parameters. Bij nieuwe bouwwerken is sprake van een steeds betere isolatie, welke zorgt voor een goede bescherming tegen het binnendringen van het toxische gas. Nieuwe gebouwen die voorzien zijn van een luchtbehandelingsinstallatie, waardoor het toxisch gas naar binnen kan worden gezogen dienen voorzien te zijn van mogelijkheden om dit systeem met één druk op de knop uit te schakelen. Vluchten is een andere wijze van zelfredzaamheid bij een toxische gaswolk. Het plangebied is goed ontsloten en er zijn meestal vluchtroutes in meerdere richtingen aanwezig.

Van belang is verder dat bewoners tijdig gewaarschuwd worden. Dit gebeurt door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwing- en AlarmeringSysteem) als onderdeel van de algemene Rampenbestrijding en via NL-alert. Verder informeert de veiligheidsregio c.q. gemeente haar inwoners over de handelingsstrategie bij calamiteiten.

Conform artikel 9 van het Bevt dient de veiligheidsregio in de gelegenheid te worden gesteld om advies uit te brengen. Conclusie Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour van een risicovolle inrichting, buisleiding, wegen of spoorwegen. Wel is het gelegen binnen het invloedsgebied van de Maas, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Er is echter aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling geen nadelige gevolgen met zich meebrengt en tevens is invulling gegeven aan de beperkte verantwoording van het groepsrisico. Vanuit externe veiligheid zijn er dan ook geen belemmeringen voor de ontwikkeling van het plangebied.

Hoofdstuk 5

36

5.2.5 Milieuzonering De beoogde woningbouw vormt volgens de (indicatieve) brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’, uitgegeven door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) in 2009, geen milieubelastende functie. Medewerking aan de realisatie van woningbouw is echter pas mogelijk indien blijkt dat een goed woon- en leefklimaat in een woning gegarandeerd is en dat daarnaast bedrijven in de omgeving door de nieuwe woonfunctie niet in hun activiteiten worden belemmerd. Daarom dient getoetst te worden of in de omgeving van het plangebied functies voorkomen die een belemmering kunnen vormen voor de voorgenomen nieuwbouw en of de nieuwe woning een belemmering kan vormen voor in de omgeving gelegen bedrijvigheid. De enige inrichting in de directe omgeving betreft een basisschool (De Schakel). Voor deze inrichting van milieucategorie 2 wordt een richtafstand van minimaal 30 meter geadviseerd. De afstand tot deze school is ruim 230 meter, waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Aangezien er eveneens woningen dichterbij de inrichting gelegen zijn dan de toekomstig te realiseren woning, wordt de inrichting niet in het functioneren beperkt als gevolg van de realisatie van de woning.

Verder zijn er in de nabije omgeving geen bedrijven gelegen die invloed die het woon- en leefklimaat van de woning negatief zouden kunnen beïnvloeden en worden eveneens bedrijven niet gehinderd in hun bedrijfsactiviteiten als gevolg van de realisatie van de woning. Conclusie Vanuit het aspect milieuzonering bestaan er kortom geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling binnen het plangebied. 5.2.6 Geur Op basis van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geldt voor een gebied dat binnen een concentratiegebied is gelegen (zoals het voorliggende plangebied) een geurnorm van 3,0 OU/m³ op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom en 14,0 OU/m³ op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Voor veehouderijen zonder geuremissiefactor geldt dat een vaste afstand tot geurgevoelige objecten in acht genomen moet worden. Deze afstand bedraagt 50 meter ten opzichte van geurgevoelige objecten gelegen buiten de bebouwde komen en 100 meter voor geurgevoelige objecten gelegen binnen de bebouwde kom. Gemeenten hebben onder de Wgv de bevoegdheid gekregen om binnen de kaders die deze wet stelt eigen normen te stellen. Deze kunnen worden vastgelegd in een geurverordening. De normstelling in de geurverordening dient te worden gemotiveerd aan de hand van een gebiedsvisie geurhinder en veehouderij.

Op 25 mei 2020 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Horst aan de Maas’ vastgesteld. In afwijking van artikel 3, lid 1 van de Wet bedraagt de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object in het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en gewaarmerkte kaart, als volgt:  Plangebied bij Meerlo: 6,0 odour units.  Bedrijventerreinen Klavertje 4-gebied: 14,0 odour units.  Overige bebouwde kom: conform wettelijke norm, momenteel 3,0 odour units.  Buitengebied: conform wettelijke norm, momenteel 14,0 odour units

Hoofdstuk 5

37

Het onderhavige plangebied is gelegen in het buitengebied. Op basis van het bovenstaande geldt voor het plangebied een maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij norm van 14,0 odour units.

Uitsnede kaart Gemeentelijke normstelling Verordening Wet geurhinder en veehouderij met plangebied bij rode pijl

Verder zijn in de directe nabijheid van het plangebied geen intensieve veehouderijen gelegen. De meest dichtbijgelegen intensieve veehouderij betreft een melkveehouderij, en ligt op circa 1,1 kilometer. Op basis van de grote tussenliggende afstand vormt het aspect geur geen belemmering voor het onderhavige planvoornemen. Daarnaast blijkt uit de navolgende afbeelding dat de achterliggende geurbelasting minder is dan 3 OU/m³. Voor het aspect geurhinder kan daarmee worden aangetoond dat er sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Voor wat betreft het aspect geurhinder van veehouderijen zal in de woning sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat.

Hoofdstuk 5

38

Uitsnede kaart achtergrondbelasting met plangebied bij rode pijl

5.3 Archeologie en cultuurhistorie In de Erfgoedwet is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen. De uitgangspunten van de Erfgoedwet zijn als volgt:  De archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;  Er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect archeologie. De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag waar het gaat om het toetsen van bestemmingsplannen op het aspect archeologie en de uit onderzoek voortkomende rapporten. Archeologie Op basis van het vigerende inpassingsplan Ooijen-Wanssum heeft de locatie de dubbelbestemming ’Waarde – Archeologie 1’ en ’Waarde – Archeologie 5’ gekregen. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Bij de realisatie van bouwwerken met een verstoringsoppervlakte van 250 m² of meer en een diepteverstoring van 30 centimeter of meer, dient een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de omgevingsvergunningaanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. De voor 'Waarde - Archeologie 5' aangewezen gronden zijn,

Hoofdstuk 5

39

behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de realisatie van bouwwerken met een verstoringsoppervlakte van 100 m² of meer en een diepteverstoring van 50 centimeter of meer, dient een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de omgevingsvergunningaanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. Aangezien ten aanzien van het planvoornemen de grenswaarden worden overschreden en de locatie in een zone ligt waar vermoedelijk ontgrondingen hebben plaatsgevonden, dient een archeologische quickscan te worden uitgevoerd. Derhalve is er een archeologische quickscan5 opgesteld. Het doel van de archeologische quickscan is het inzichtelijk maken van de mogelijkheid dat er al dan niet archeologische resten verwacht kunnen worden op de locatie, gebaseerd op eerder onderzoek op de belendende percelen. Hieronder zullen beknopt de bevindingen worden weergegeven. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar de bijlagen. Onderzoek Onder het ophogingspakket (vanaf 150 centimeter beneden maaiveld) kunnen mogelijk archeologische waarden worden aangetroffen.

Inclusief een buffer van 30 centimeter, wordt op een diepte vanaf 120 centimeter beneden maaiveld een archeologische dubbelbestemming gehandhaafd. Indien graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw dieper reiken dan dit niveau dan geldt op basis van de gemeentelijke archeologische beleidskaart een onderzoeksplicht. Aangezien de werkzaamheden voor het beoogde planvoornemen de grens van 120 centimeter niet overschrijden zal nader onderzoek niet noodzakelijk zijn. Cultuurhistorie Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Limburg zijn binnen het plangebied en de directe omgeving geen monumenten of overige cultuurhistorisch waardevolle elementen aangeduid. Vanuit dit kader bestaan er dan ook geen belemmeringen. Conclusie Vanuit archeologisch en cultuurhistorisch oogpunt bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Ecologie De bescherming van de natuur is per 1 januari 2017 in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet vormt voor wat betreft soortenbescherming en gebiedsbescherming een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming heeft voor wat betreft gebiedsbescherming betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. De Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebieden worden in Nederland

5

AERES Milieu B.V., Rapport Archeologische quickscan Broekstraat (ong.) te Broekhuizenvorst (gemeente Horst aan de Maas), rapportnummer AM21091, d.d. 8 april 2022

Hoofdstuk 5

40

gecombineerd als Natura 2000-gebieden aangewezen. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden. Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig. Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden. Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen. Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime.

Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen. Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming Soortenbescherming vanuit de Wet natuurbescherming heeft betrekking op alle in Nederland in het wild voorkomende zoogdieren, (trek)vogels, reptielen en amfibieën, een aantal vissen, libellen en vlinders, enkele bijzondere en min of meer zeldzame ongewervelde dierensoorten en een aantal vaatplanten. Voor alle soorten, dus ook voor de soorten die niet onder de aangewezen bescherming vallen, of die zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht, geldt de zogenaamde ‘algemene zorgplicht’ (art. 1.10 Wnb). Deze zorgplicht houdt in dat de initiatiefnemer passende maatregelen neemt om schade aan aanwezige soorten te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om het niet verontrusten of verstoren in de kwetsbare perioden zoals de winterslaap, de voortplantingstijd en de periode van afhankelijkheid van de jongen. De zorgplicht geldt altijd en voor alle planten en dieren, of ze beschermd zijn of niet, en in het geval dat ze beschermd zijn ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend. Gebiedsbescherming Het projectgebied ligt niet binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ bevindt zich op circa 1,2 kilometer ten noordoosten van het projectgebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toename van geluid, licht of depositie van stikstof. Mede gezien de afstand tot het projectgebied zijn externe effecten als licht en geluid uitgesloten. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling de realisatie van één woning betreft, kan een significante toename aan stikstofdepositie tijdens de gebruiksfase op omliggende Natura 2000-gebieden niet op voorhand worden uitgesloten. Om op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uit te sluiten is een AERIUS-berekening6 uitgevoerd. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat bij de gebruiksfase

6

BRO, AERIUS-berekening Broekstraat Broekhuizenvorst, projectnummer P04354, 15 mei 2023

Hoofdstuk 5

41

geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Daarmee kunnen op voorhand negatieve effecten op Natura 2000-gebieden vanwege stikstofdepositie uitgesloten worden. Voor meer informatie wordt verwezen naar de volledige onderzoeksrapportage. Het plangebied gelegen binnen een bronsgroene landschapszone op basis van de geconsolideerde omgevingsverordening Limburg. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van de bronsgroene landschapszone niet worden aangetast. Daarnaast is er in een eerder stadium reeds een woning aanwezig geweest op onderhavige projectlocatie. Derhalve kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er geen onevenredige effecten worden uitgeoefend op de bronsgroene landschapszone en dat de ligging in dit beschermingsgebied dan ook geen belemmering is voor het onderhavige planvoornemen voor het realiseren van één woningbouwkavel. Het dichtstbijzijnde onderdeel van de zilvergroene natuurzone is daarnaast op ongeveer 75 meter ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van het initiatief (realisatie van één woningbouwkavel) en deze afstand, zijn negatieve effecten op deze natuurgebieden uitgesloten. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.

Houtopstanden Gezien er binnen het plangebied geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn, is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde. Soortenbescherming De aanwezigheid van beschermde soorten is hier niet verwacht. Het uitvoeren van een flora- en fauna-onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Met de ontwikkeling binnen het besluitgebied is er geen sprake van inbreuk op de gunstige staat van instandhouding van lokale populaties. Het uitvoeren van een nader (veld)onderzoek naar flora en fauna in het besluitgebied is dan ook niet aan de orde, met uitzondering van een controle op een broedgeval bij start van de werkzaamheden in het broedseizoen. Indien tijdens de werkzaamheden onverhoopt individuen worden aangetroffen, geldt hiervoor de algemene zorgplicht. Conclusie Vanuit het aspect ecologie zijn er geen belemmeringen voor de voorliggende ontwikkeling van de woningbouwkavel.

5.5 Leidingen en infrastructuur In (of in de directe omgeving van) het plangebied komen blijkens de provinciale risicokaart en blijkens de verbeelding van het geldende bestemmingsplan geen leidingen of kabels voor met een dusdanige planologische-juridische beschermingszone dat zij een belemmering vormen voor de beoogde woningbouw.

5.6 Verkeerskundige aspecten De ontsluiting van het plangebied vindt plaats aan de noordwestzijde. Hier is reeds een fietspad c.q. onderhoudspad gerealiseerd, met een aansluiting op de nieuwe woonkavel. Dit pad sluit via twee

Hoofdstuk 5

42

verbindingswegen aan op de doorgaande weg de Broekstraat. Gezien het profiel van de Broekstraat, zal deze weg de geringe toename van het aantal verkeersbewegingen7 zonder problemen kunnen verwerken. Via de Broekstraat is de planlocatie goed ontsloten naar andere omliggende dorpen, alsmede het centrum van de kern Broekhuizenvorst. De Nota Parkeernormen Horst aan de Maas (vastgesteld op 3 juli 2019) gaat voor een woonhuis buiten de bebouwde kom uit van een parkeernorm van twee parkeerplaatsen per woning. Het parkeren zal plaatsvinden op het eigen terrein. Gezien de omvang van de kavel kan eenvoudig worden voorzien in minimaal 2 parkeerplaatsen op het eigen terrein. Hiermee wordt voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen.

5.7 Duurzaamheid Het Bouwbesluit stelt eisen aan de energiezuinigheid van nieuwe woningen. Voor alle nieuwbouwwoningen geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning moeten voldoen aan de eisen voor ‘bijna energie neutrale gebouwen’ (BENG). In BENG wordt de energieprestatie van een gebouw uitgedrukt met drie indicatoren:  De energiebehoefte van het gebouw.  Het primair fossiele energiegebruik.  Het aandeel hernieuwbare energie. Hieraan zal ook de woning binnen het plangebied moeten voldoen. Naast BENG zijn in het Bouwbesluit eisen opgenomen ten aanzien van de ventilatie, luchtdichtheid en isolatie van woningen. Ook deze aspecten zijn van belang in het kader van duurzaamheid. Zo zorgt een goed ventilatiesysteem voor de juiste balans in luchtkwaliteit, comfort en energieprestatie van gebouwen en wordt door ‘kierdicht’ te bouwen voorkomen dat lucht, vocht of warmte ongewenst het gebouw binnenkomt of verlaat. Een goede isolatie zorgt daarnaast voor meer comfort en lagere energiekosten. Verder stelt het Bouwbesluit eisen aan de milieuprestaties van een gebouw. Hierbij geldt als voorwaarde dat bij nieuwbouw de belasting van het milieu wordt beperkt door de in het bouwwerk toe te passen materialen. Voor nieuwbouwwoningen groter dan 100 m² geldt dat een zogeheten Milieuprestatieberekening (MPG) bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning dient te worden ingediend.

Tot slot is op basis van de ‘Wet voortgang energietransitie’ de gasaansluitplicht komen te vervallen. Dit volgt uit het nieuwe lid 7 van artikel 10 van de Gaswet, waarin is bepaald dat de aansluittaak van de netbeheerders niet van toepassing is op het aansluiten van (onder meer) nieuwbouwwoningen. Dit betekent in de praktijk dat de te realiseren woning niet zal worden aangesloten op het gasnet.

7

Op basis van de CROW-rekentool ontstaat een maximale toename van circa 9 voertuigbewegingen per etmaal.

Hoofdstuk 5

43

5.8 Waterparagraaf In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied opgebouwd is en hoe rekening is gehouden met de (ruimtelijk) relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Een beknopte beschrijving van de kenmerken van het watersysteem kan het benodigde inzicht geven in het functioneren van dit systeem. Beleidskader Relevante beleidsstukken op het gebied van water zijn het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 van Waterschap Limburg, het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027, het Nationaal Waterplan, WB21, Nationaal Bestuursakkoord Water en de Europese Kaderrichtlijn Water. Belangrijkste gezamenlijke punt uit deze beleidsstukken is dat water een belangrijk sturend element is in de ruimtelijke ordening. Water legt een ruimteclaim op het (stads)landschap waaraan voldaan moet worden. De bekende drietrapsstrategieën zijn leidend:  Vasthouden-bergen-afvoeren (waterkwantiteit);  Voorkomen-scheiden-zuiveren (waterkwaliteit). Daarnaast is de Beleidsbrief regenwater en riolering nog relevant. Hierin staat hoe het best omgegaan kan worden met het hemelwater en het afkoppelen daarvan. Ook hier gelden de driestapsstrategieën.

Kenmerken van het watersysteem De kenmerken van de watersystemen, zoals die voorkomen in het plangebied (en omgeving), kunnen het beste beschreven worden door een onderverdeling te maken in de soorten van water die in het gebied aanwezig zijn. De belangrijkste zijn: grondwater, oppervlaktewater, hemelwater en afvalwater. Grondwater Het plangebied is gelegen in grondwaterbeschermingsgebied ‘Venlo Schol’, zoals vastgelegd in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Het aanwezig hebben van bepaalde stoffen kan de grondwaterkwaliteit aantasten. Overeenkomstig met het provinciaal beleid geldt een vergunningsplicht voor het uitvoeren van bepaalde werken en werkzaamheden, die van invloed kunnen zijn op de grondwaterstand of op de kwaliteit van het grondwater of het aanwezig hebben van bepaalde stoffen. Met de ontwikkeling van het plangebied zijn dergelijke werken en werkzaamheden en het aanwezig hebben van bepaalde stoffen niet aan de orde. Oppervlaktewater In het plangebied zelf is geen primair oppervlaktewater aanwezig. Daarnaast wordt in de toekomstige situatie ook niet voorzien in nieuw oppervlaktewater binnen het plangebied. Echter is het plangebied wel in de nabijheid van de Maas gelegen. Onderhavige ontwikkeling zorgt niet voor negatieve gevlogen voor de Maas. Uit de kaarten van de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijken geen belemmeringen voor het plangebied.

Afvalwater en hemelwater Het (huishoudelijk) afvalwater dient te worden aangesloten op de riolering. Het hemelwater dat terechtkomt op de nieuw op te richten bebouwing wordt niet afgevoerd via het riool, maar afgekoppeld. Via daken en dakgoten wordt het hemelwater van de woning naar een infiltratievoorziening op eigen terrein geleid en geïnfiltreerd in de bodem.

Hoofdstuk 5

44

Conform richtlijnen van Waterschap Limburg en het gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) dienen de, nog nader te bepalen, infiltratievoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm in 24 uur. De manier waarop het hemelwater wordt geïnfiltreerd is in dit stadium nog niet voldoende uitgewerkt om dit uitgebreid te kunnen beschrijven. De richtlijnen, zoals hierboven beschreven, dienen in elk geval in acht te worden genomen, zodat de infiltratievoorzieningen voldoende capaciteit hebben om de maatgevende buien op te vangen en te infiltreren in de bodem. De exacte wijze waarop het hemelwater zal worden geïnfiltreerd, zal nader worden uitgewerkt in het kader van de aanvraag voor de omgevingsvergunning voor het bouwen. Overleg waterbeheerder In het kader van vooroverleg zal het initiatief worden voorgelegd aan het Waterschap Limburg. De reactie van Waterschap Limburg wordt besproken in paragraaf 6.3. Conclusie Op basis van het bovenstaande bestaan er vanuit de wateraspecten geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

5.9 M.e.r.-beoordeling Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Daarin is een nieuwe procedure voor de m.e.r.-beoordeling opgenomen. Die geldt nu voor iedere activiteit die is opgenomen op de D-lijst, ongeacht of de activiteit onder of boven de drempelwaarde van de D-lijst valt. Woningbouw kan vallen onder onderdeel D (11.2): “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.” Het voorliggende initiatief betreft de realisatie van slechts één woningbouwkavel. Een dergelijk kleinschalig initiatief betreft geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit milieueffectrapportage. In paragraaf 5.2 tot en met 5.8 is daarnaast aangetoond dat de ontwikkeling geen significante milieu-invloed heeft op de omgeving. Als gevolg hiervan hoeft voor de ontwikkeling van de woning geen milieueffectrapport te worden opgesteld en hoeft ook geen m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen.

Hoofdstuk 5

45

6.

UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid In afdeling 6.4 van de Wro is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan, zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer middels een exploitatieplan of anterieure overeenkomst. De gemeente kan hiervan afzien indien:  Het kostenverhaal anderszins is verzekerd;  Het bepalen van een tijdvak of fasering niet noodzakelijk is; en  Het stellen van eisen, regels of een uitwerking van regels aan werken en werkzaamheden met betrekking tot bouwrijp maken, aanleg van nutsvoorzieningen, inrichten van de openbare ruimte en uitvoerbaarheid niet noodzakelijk is. De voorgenomen ontwikkeling omvat de realisatie van één woningbouwkavel, waarop een vrijstaande woning gebouwd mag worden. Dit betreft een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1, onder a. Het kostenverhaal is reeds geregeld op basis van in het verleden gemaakte afspraken. Er wordt dan ook uitsluitend een planschadeovereenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer.

6.2 Handhaving De gemeenten Horst aan de Maas en Venray hebben sinds 1 april 2005 via een gemeenschappelijke regeling hun handhavingscapaciteit gebundeld. Beleidsuitgangspunten voor toezicht en handhaving zijn vastgelegd in de Nota Integraal Handhavingsbeleid Horst aan de Maas en Venray (2012 - 2015). Het beleidsplan bevat naast visie, doelstellingen en prioriteiten ook de werkwijzen hoe met geconstateerde overtredingen wordt om gegaan en welke strategieën daarbij worden gevolgd. Ook wordt invulling gegeven aan de vele eisen die wet- en regelgeving aan de gemeentelijke taakuitvoering stelt. De gemeenten Horst aan de Maas en Venray voeren hun handhavingstaken uit op basis van de volgende visie: De gemeenten Horst aan de Maas en Venray stellen een gezonde, veilige, leefbare en groene leefomgeving centraal. Handhaving is één van de middelen om de kwaliteit van wonen, leven en werken te behouden en te versterken. Het bestuur streeft naar een gestructureerd en integraal handhavingsbeleid waarbij preventief beleid voorop staat. De betrokkenheid en het eigen verantwoordelijkheidsbesef van de burgers, bedrijven en instellingen moeten daarbij worden vergroot. Als de preventieve inzet (informatievoorziening) niet werkt en het geschonken vertrouwen wordt beschaamd, volgt daadwerkelijke handhavend optreden. Zo krijgt iedereen de aanpak die hij/zij verdient.

De uit deze visie voorvloeiende doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het handhavingsbeleid zijn: 1. Appelleren aan de eigen verantwoordelijkheid. 2. Preventie gaat boven repressie.

Hoofdstuk 6

46

3. Draagvlak creëren. 4. Klantgericht handelen. 5. Alleen noodzakelijke en handhaafbare kaders stellen. Concreet betekent dit dat nadrukkelijk wordt ingezet op preventie. Leidend uitgangspunt is dat burgers, bedrijven en instellingen worden vertrouwd in een rechtmatige uitoefening van hun activiteiten. Er wordt daarbij van uitgegaan dat het maatschappelijk veld, met gerichte voorlichting en communicatie, verantwoordelijk kan worden gemaakt (en gehouden) voor de naleving van voor hen geldende wet- en regelgeving. Daarbij past een bewuste differentiatie van de handhavingsinzet. In een jaarlijks op te stellen handhavingsuitvoeringsprogramma (HUP) worden de prioriteiten vertaald naar actie. Het jaarlijkse HUP wordt vastgesteld door de colleges van burgemeester en wethouders van beide gemeenten en ter kennis gebracht van de gemeenteraden.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog In het kader van het project Ooijen-Wanssum heeft een uitgebreide omgevingsdialoog plaatsgevonden waarbij de achtergronden van het project zijn toegelicht en tevens is aangegeven waar woningbouw zou terugkomen. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan moeten burgemeester en wethouders overleg plegen met het waterschap, met andere gemeenten van wie de belangen bij het plan betrokken zijn, en met de betrokken rijks- en provinciale diensten. Van het vooroverleg kan worden afgezien indien de betrokken diensten aangeven dat overleg niet noodzakelijk is. Het bestemmingsplan is aan de vooroverlegpartners ter beoordeling toegezonden. Er zijn geen belangen van het Rijk in het geding, waardoor vooroverleg met de rijksoverheid niet noodzakelijk is. Rijkswaterstaat heeft naar aanleiding van de ontvangen stukken verzocht regels op te nemen voor aanlegactiviteiten binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – stroomvoerend deel rivierbed’. Derhalve is dit artikel uitgebreid. Ook is er door Rijkswaterstaat op gewezen dat op grond van het landschappelijk inpassingsplan mogelijk enkele bomen binnen de dubbelbestemming ‘Waterstaat – stroomvoerend deel rivierbed’ zijn beoogd. Voor de aanplant van deze bomen geldt een meldingsplicht.

Voor het overige bestaan vanuit deze instanties geen bezwaar tegen onderhavige ontwikkeling. Waterschap heeft eveneens een advies afgegeven. Voor het waterschap zijn de huisaansluitingen en de bouw van de woning in de beschermingszone vergunningsplichting. Voor de bouw van de met grondlichaam buitendijks is Rijkswaterstaat bevoegd gezag. Ze adviseren in een vroegtijdig stadium met het waterschap en Rijkswaterstaat om tafel te gaan. Daarbij is naast de huisaansluiting en de bouw ook het aspect hemelwaterinfiltratie van belang (waar gaat dit plaatsvinden). Hemelwater dient normaliter op eigen terrein plaats te vinden. De exacte uitwerking hiervan zal plaatsvinden bij de omgevingsvergunningaanvraag. Daarnaast zal initiatiefnemer in een vroeg stadium met de bevoegde gezagen om tafel gaan ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag.

Hoofdstuk 6

47

Inspraak Voor dit bestemmingsplan wordt géén inspraakprocedure gevolgd. Het plan wordt direct als ontwerp ter inzage gelegd, waarbij voor eenieder de mogelijkheid bestaat een zienswijze op het plan in te dienen. Zienswijzenprocedure ontwerp bestemmingsplan Het ontwerp bestemmingsplan wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.8 Wro gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eenieder heeft in deze periode de mogelijkheid zienswijzen in te dienen. Voor een weergave van de zienswijze en voor een inhoudelijke standpuntbepaling naar aanleiding van de zienswijze wordt verwezen naar de Nota zienswijzen, welke als bijlage bij het vaststellingsbesluit is gevoegd.

Hoofdstuk 6

48

7.

PLANSTUKKEN 7.1 Planstukken Het voorliggende bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de regels betreffende de bestemmingen en de voorliggende toelichting.

7.2 Toelichting op de verbeelding De verbeelding is getekend op een bijgewerkte en digitale kadastrale ondergrond, schaal 1:500, conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Hierbij dient te worden opgemerkt dat de kadastrale ondergrond geen juridische status heeft.

7.3 Toelichting op de regels Voor de regels bij het bestemmingsplan is overwegend aangesloten bij de SVBP 2012 en overige recente bestemmingsplannen ten behoeve van de realisatie van Ruimte voor Ruimte kavels in het buitengebied van Horst aan de Maas. De planregels zijn verdeeld in 4 hoofdstukken, te weten: Hoofdstuk 1: Hoofdstuk 2: Hoofdstuk 3:

Hoofdstuk 4:

Inleidende regels met daarin de begrippen en de wijze van meten. Bestemmingsregels. Hiermee worden de op de verbeelding opgenomen bestemmingen geregeld. Algemene regels, waaronder onder andere zijn opgenomen de anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en overige regels. Overgangs- en slotregels, waarin het overgangsrecht en de slotregel zijn opgenomen.

Het belangrijkste doel van de planregels is om de bouw- en gebruiksregels van de verschillende bestemmingen aan te geven. Inleidende regels Begrippen In dit artikel zijn bepalingen (begrippen) opgenomen welke in het algemeen spraakgebruik onvoldoende vastliggen en waarbij verschillen in interpretatie bij toepassing van de planregels mogelijk zijn. Voor het gemak zijn enkele begrippen uit de Woningwet/ Bouwverordening overgenomen. Verder zijn enkele begrippen afkomstig van de SVBP 2012. Wijze van meten Hierin wordt aangegeven op welke manier hoogte, lengte, breedte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken/ percelen gemeten moeten worden. Bij de wijze van meten is aangesloten bij de SVBP 2012.

Hoofdstuk 7

49

Bestemmingsregels Bestemmingen De regels van een bestemming worden als volgt opgebouwd en benoemd: 1. Bestemmingsomschrijving; 2. Bouwregels; 3. Nadere eisen; 4. Afwijken van de bouwregels; 5. Specifieke gebruiksregels; 6. Afwijken van de gebruiksregels; 7. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden; 8. Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; 9. Wijzigingsbevoegdheid. Duidelijk zal zijn dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten. Dit kan per bestemming verschillen. In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functies. Als eerste wordt de hoofdfunctie aangegeven. In de bouwregels wordt bepaald aan welke voorwaarden de bebouwing moet voldoen. Voor zover nodig wordt een onderscheid gemaakt in hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waardoor de toetsing van aanvragen voor een omgevingsvergunning aanmerkelijk vereenvoudigd en inzichtelijker is. Onderstaand zijn de regels van de opgenomen bestemmingen nader toegelicht. Waarde – Archeologie 1 De voor ‘Waarde - Archeologie hoog’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

Waarde – Archeologie 5 De voor ‘Waarde - Archeologie hoog’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van het stroomvoerend vermogen van het rivierbed, waaronder het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, van sediment en van ijs en het vergroten van de afvoercapaciteit van de rivier en de waterhuishouding. Waterstaat – Waterkering De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:  De aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkering;

Hoofdstuk 7

50

    

voorzieningen ten behoeve van de waterkering; wegen voor langzaam verkeer; ontsluitingswegen ten behoeve van agrarische percelen en calamiteitenwegen; waterhuishoudkundige voorzieningen; kloosterpoortje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kloosterpoortje'.

Algemene regels In de Anti-dubbeltelregel wordt bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, deze bij de beoordeling van latere plannen buiten beschouwing blijft. Het nog overgebleven terrein mag dus niet nog eens meegenomen worden bij het toestaan van een ander bouwwerk. In de algemene bouwregels zijn regels opgenomen ten behoeve van onder meer ondergrondse bouwwerken. In de algemene gebruiksregels is aangegeven wat in ieder geval wordt verstaan onder strijdig gebruik. De algemene afwijkings- en algemene wijzigingsregels verschaffen burgemeester en wethouders c.q. het bevoegd gezag de gewenste beleidsruimte om bij de uitvoering van het plan te kunnen inspelen op gegevens of situaties die vooraf niet bekend kunnen zijn. In de overige regels is onder meer een verwijzing naar de wettelijke regelingen opgenomen. Overgangs- en slotregels In de bepaling Overgangsrecht is geregeld in hoeverre en onder welke voorwaarden bestaande gebouwen en het bestaand gebruik van gronden en bouwwerken mogen afwijken van het plan. In de Slotregel is aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7

51

8.

PROCEDURE De Wet ruimtelijke ordening (Wro) is in werking getreden op 1 juli 2008. De wettelijke procedure start met het moment van ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan. De volledige procedure ziet er als volgt uit: - Openbare kennisgeving van het ontwerp bestemmingsplan. - Terinzagelegging van het ontwerp en bijbehorende stukken gedurende 6 weken en toezending aan gedeputeerde staten en de betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten; - Gedurende de termijn van terinzagelegging kunnen door eenieder schriftelijk of mondeling zienswijzen worden ingebracht; - Vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad binnen 12 weken indien zienswijzen zijn ingediend; - Algemene bekendmaking van het bestemmingsplan door terinzagelegging met voorafgaande kennisgeving en toezending aan gedeputeerde staten en betrokken rijksdiensten, waterschappen en gemeenten: binnen 2 weken dan wel, indien gedeputeerde staten of de inspecteur zienswijzen hebben ingebracht of het bestemmingsplan gewijzigd is vastgesteld, vanaf 6 weken na vaststelling; - Mogelijkheid tot beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen 6 weken na bekendmaking voor belanghebbenden; - Inwerkingtreding op de dag na afloop van de beroepstermijn, zijnde 6 weken na de bekendmaking, tenzij binnen deze termijn een verzoek om een voorlopige voorziening is ingediend bij de Voorzitter

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15137969/1