CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Toelichting

Gemeenteraad 11 maart 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Broekstraat D 1258, Broekhuizenvorst.17.433 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerp bestemmingsplan Broekstraat D 1258 in Broekhuizenvorst NL.IMRO.1507.BVBROEKSTRAATD1258-BPO1

Bestemmingsplan “Broekstraat Broekhuizenvorst” Gemeente Horst aan de Maas Ontwerp

Rapportnummer BRO:

P04354

Identificatienummer:

NL.IMRO.1507.BVBROEKSTRAATD1258-BPO1

Datum:

29 november 2023

Opdrachtgever:

Ruimte voor Ruimte Limburg C.V.

Projectteam BRO:

IMo, PvK, DEe

Concept:

Juni 2023, 16 februari 2022, november 2023

Voorontwerp: Ontwerp: Vaststelling: Trefwoorden:

Woningbouwkavel, Broekstraat, Broekhuizenvorst, gemeente Horst aan de Maas

Bron foto kaft:

Hollandse Hoogte 4

Beknopte inhoud:

Nieuw bestemmingsplan ten behoeve van de ontwikkeling van één woningbouwkavel aan de Broekstraat in Broekhuizenvorst, in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas.

BRO Vestiging Venlo Industriestraat 94 5931 PK Tegelen T +31 (0)77 373 06 01 E info@bro.nl

TOELICHTING

2

Inhoudsopgave

pagina

1. INLEIDING

3

2. BESTAANDE SITUATIE

5

3. PLANBESCHRIJVING

10

4. UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID 4.1 Rijksbeleid

13 13

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) 4.2 Provinciaal beleid

13 16

4.2.1 Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg 4.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2021 4.2.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie van 16 december 2022) 4.2.4 Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM) 4.3 Regionaal beleid

16 17

4.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 4.4 Gemeentelijk beleid

21 23

4.4.1 Structuurvisie Horst aan de Maas 4.4.2 Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025 4.4.3 Welstandsnota 4.4.4 Nota parkeernormen 4.4.5 Beleidslijn Groter bouwen in het buitengebied (2014) 4.5 Conclusie

23 26 28 28 29 30

18 21 21

5. ONDERZOEK 5.1 Economische uitvoerbaarheid 5.2 Milieuaspecten

31 31 31

5.2.1 Bodem 5.2.2 Geluid 5.2.3 Luchtkwaliteit 5.2.4 Externe veiligheid 5.2.5 Milieuzonering 5.2.6 Geur 5.3 Archeologie en cultuurhistorie 5.4 Ecologie 5.5 Leidingen en infrastructuur 5.6 Verkeerskundige aspecten 5.7 Duurzaamheid 5.8 Waterparagraaf

31 32 33 34 37 37 39 40 42 42 43 44

Inhoudsopgave

1

5.9 M.e.r.-beoordeling

45

6. UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Handhaving 6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

46 46 46 47

7. PLANSTUKKEN 7.1 Planstukken 7.2 Toelichting op de verbeelding 7.3 Toelichting op de regels

49 49 49 49

8. PROCEDURE

52

SEPARATE BIJLAGEN Bijlage 1: Bodemonderzoek Bijlage 2: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 3: Archeologische quickscan Bijlage 4: Stikstofonderzoek

Inhoudsopgave

2

1.

INLEIDING Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de ontwikkeling van een woonkavel die vanuit het project gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum door Ruimte voor Ruimte Limburg is aangekocht. Op de voorliggende woonkavel zal middels het beoogde planvoornemen de realisatie van één woning plaatsvinden, ter plaatse van de Broekstraat (tegenover huisnummer 16) te Broekhuizenvorst, in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Het perceel waartoe het plangebied behoort staat kadastraal bekend als Broekhuizen, sectie D, nummer 1258 en heeft een oppervlakte van circa 1.500 m2.

Globale ligging plangebied bij rode pijl

Volgens het geldende inpassingsplan ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’ is de gewenste ontwikkeling niet mogelijk. In het voorliggende bestemmingsplan wordt de nieuwe bestemming voor de gronden wettelijk geregeld, waardoor nieuwe bouw- en gebruiksmogelijkheden ontstaan. Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, de bijbehorende regels en gaat vergezeld van voorliggende toelichting met bijlagen.

Hoofdstuk 1

3

Leeswijzer De toelichting van dit bestemmingsplan is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3 vindt een beschrijving van het plangebied plaats. In hoofdstuk 4 volgen de uitgangspunten uit het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid, die betrekking hebben op de locatie en wordt tevens ingegaan op het wettelijke onderzoekskader. Hoofdstuk 5 bevat een verantwoording van de diverse sectorale aspecten. In hoofdstuk 6 is de wijze van bestemmen opgenomen. In hoofdstuk 7 worden tot slot de procedurele aspecten beschreven en toegelicht.

Hoofdstuk 1

4

2.

BESTAANDE SITUATIE Het plangebied is gelegen aan de Broekstraat, in het buitengebied aan de oostzijde van de kern Broekhuizenvorst in de gemeente Horst aan de Maas. In de huidige situatie is het perceel gelegen op een terp dat onderdeel uitmaakt van een afgraving. Ter plaatse van de projectlocatie heeft vroeger een boerderij gestaan, die is gesloopt in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum.

Ligging plangebied op luchtfoto (in het rode kader)

Globaal gezien ligt het plangebied aan de rand in het oosten van de kern Broekhuizenvorst. Meer specifiek wordt het plangebied aan de westzijde begrensd door een doorgaande weg met aan de overkant reeds bestaande bebouwing van de kern Broekhuizenvorst. Ten noorden, zuiden en oosten van het perceel ligt afgegraven grond. Iets verder ten oosten gelegen ligt de rivier de Maas. Het plangebied maakt onderdeel uit van het project ‘Maaspark Ooijen-Wanssum’. De planlocatie wordt ontsloten via de Broekstraat, de hoofdweg rond de kern Broekhuizenvorst. Via de Broekstraat wordt Broekhuizenvorst verbonden met omliggende kernen Broekhuizen en Ooijen. Vanuit deze kernen is er vervolgens aansluiting met de autosnelweg A73.

Hoofdstuk 2

5

Vigerend juridisch-planologisch kader Voor het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Horst 2009 (deelgebied 3) het geldend juridisch-planologisch kader. Daarnaast vigeert ook het provinciaal inpassingsplan (PIP) ‘Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum’ op onderhavige projectlocatie. Dit inpassingsplan is vastgesteld op 1 maart 2017 door de provincie Limburg. Op basis van het PIP zijn een aantal dubbelbestemmingen toegekend aan de projectlocatie. Wat betreft de enkelbestemming op onderhavige projectlocatie vigeert het bestemmingsplan Buitengebied Horst 2009 (deelgebied 3).

Uitsnede vigerend juridisch-planologisch kader met projectgebied in het rode kader

Op basis van dit provinciaal inpassingsplan (PIP) rust er dus geen enkelbestemming op de gronden van het onderhavige projectlocatie. Voor gronden waaraan in het plan geen enkelbestemming is toegekend gelden voor die gronden de geldende bestemmingen en planregels uit het voormalige bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ van de gemeente Horst aan de Maas. De overige dubbelbestemmingen en (gebieds-)aanduidingen gelden wel op basis van het PIP, te weten de dubbelbestemming 'Stroomvoerend rivierbed', de dubbelbestemming 'Bergend Rivierbed', de dubbelbestemming 'Archeologisch gebied', de aanduiding 'waterkering' en de dubbelbestemming 'Waterkering' en de bij deze dubbelbestemmingen en aanduiding behorende planregels. Derhalve is het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ nog steeds geldend voor de projectlocatie.

Hoofdstuk 2

6

In het bestemmingsplan Buitengebied Horst 2009 (deelgebied 3) staan de bestemmingen ‘woondoeleinden’ en ‘agrarische doeleinden met natuurlandschappelijke waarden’ opgenomen voor onderhavige projectlocatie.

Uitsnede voormalig bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ met projectlocatie in het rode kader

De voor “woondoeleinden” aangegeven gronden zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen, en met de bijbehorende bouwwerken en bijbehorende voorzieningen, zoals tuinen en erven. Het meest noordelijke deel van het plangebied kent een agrarische bestemming. De als ‘agrarische doeleinden met natuurlandschappelijke waarden’ aangegeven gronden zijn onder andere bestemd voor duurzaam agrarisch (bedrijfsmatig) grondgebruik en het behoud en ontwikkeling van landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Daarnaast zijn voor onderhavige projectlocatie (gedeeltelijk) de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 5’ ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’ en ‘Waterstaat – Waterkering’ van toepassing en is voor het plangebied de gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ opgenomen. De voor 'Waarde – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de realisatie van (ondergrondse) bouwwerken met een oppervlakte van 250 m² of een ondergrondse bouwdiepte van 25 centimeter of meer, dient

Hoofdstuk 2

7

een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de omgevingsvergunningaanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan. De voor 'Waarde – Archeologie 5’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden. Bij de realisatie van (ondergrondse) bouwwerken met een oppervlakte van 1000 m² of een ondergrondse bouwdiepte van 50 centimeter of meer, dient een rapport overlegd te worden waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de omgevingsvergunningaanvraag zal worden verstoord, in voldoende mate is vastgesteld. In paragraaf 5.5 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie bij het voorliggende plan. Een smalle strook langs de noordelijke en noordoostelijke rand van het plangebied kent de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Stroomvoerend deel rivierbed’.

De voor 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van het stroomvoerend vermogen van het rivierbed, waaronder het waarborgen van een veilige afvoer van en berging van rivierwater onder normale en maatgevende hoogwaterstanden, van sediment en van ijs en het vergroten van de afvoercapaciteit van de rivier en de waterhuishouding. Ter plaatse van deze dubbelbestemming geldt in principe een bouwverbod, waarvan onder voorwaarden kan worden afgeweken. Het nieuwe bouwvlak komt niet ter plaatse van deze dubbelbestemming te liggen, waardoor het genoemde bouwverbod geen belemmering vormt voor de beoogde woningbouw. Op basis van het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de dubbelbestemming 'Waterstaat - Stroomvoerend deel rivierbed', die geldt voor een klein deel van het plangebied, geen belemmeringen oplevert voor het beoogde planvoornemen.

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:  De aanleg, het onderhoud en de instandhouding van waterkering;  voorzieningen ten behoeve van de waterkering;  wegen voor langzaam verkeer;  ontsluitingswegen ten behoeve van agrarische percelen en calamiteitenwegen;  waterhuishoudkundige voorzieningen;  kloosterpoortje ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kloosterpoortje'. Op of in de voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden opgericht ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat:  De bouwhoogte van een harde waterkering niet meer mag bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum hoogte (m)' is aangegeven minus 20 cm;  de bouwhoogte van het kloosterpoortje niet meer mag bedragen dan 2 m. Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 24.2 voor het bouwen op basis van de onderliggende enkelbestemming, met dien verstande dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering. Aangezien op een gedeelte van onderhavige planlocatie reeds een woning heeft gestaan kan worden geconcludeerd dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de waterkering.

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' vormt derhalve geen belemmering voor het planvoornemen.

Hoofdstuk 2

8

Tot slot zijn er ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' gronden mede bestemd voor de bescherming van de waterkerende functie van waterkeringen. Op deze gronden mag geen bebouwing worden gerealiseerd. Dit bepaalde is niet van toepassing op de herbouw van gesloopte of anderszins tenietgegane bestaande bebouwing, mits het bebouwd grondoppervlak niet wordt vergroot. Aangezien op een gedeelte van het onderhavige plangebied vroeger een woning heeft gestaan, is er sprake van herbouw van een gesloopte woning. Daarmee vormt de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' geen belemmering voor het planvoornemen. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het nieuwe planologisch-juridische kader voor het plangebied waarin is aangetoond dat het initiatief voldoet aan de planologische-, beleidsmatige- en milieuhygiënische voorwaarden. Samen met de bij dit plan horende regels en verbeelding vormt dit het bestemmingsplan waarmee de procedure kan worden doorlopen. Het gewenste plan past niet binnen het vigerende bestemmingsplan aangezien er sprake is van een groter bouwvlak en een grotere woonbestemming. Daarnaast is op verzoek van de gemeente een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat een plek heeft gekregen in het voorliggende bestemmingsplan. Daarnaast past het planvoornemen niet geheel binnen het bouwvlak en wijzigt voor een gedeelte de ligging van de bestemming.

Het realiseren van een woning is dus op basis van meerdere strijdigheden niet direct toegestaan op basis van het vigerende bestemmingsplan, derhalve dient een herziening van het juridisch-planologisch kader te worden gemaakt.

Hoofdstuk 2

9

3.

PLANBESCHRIJVING In dit hoofdstuk wordt het beoogde project beschreven en worden de stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten hiervan weergegeven. De ontwikkeling Op het perceel, kadastraal bekend als gemeente Broekhuizen, sectie D, nummer 1258 wordt één woningbouwkavel mogelijk gemaakt met een oppervlakte van 1.500 m². Aan het gehele plangebied wordt de bestemming ‘Wonen’ toegekend. De begrenzing van de kavel en het bouwvlak waarbinnen de woning mag worden gebouwd zijn op de onderstaande afbeelding weergegeven.

Verbeelding planvoornemen Broekstraat Broekhuizenvorst

Voor wat betreft de bouw- en gebruiksregels wordt overwegend aangesloten bij overige recente bestemmingsplannen voor Ruimte voor Ruimte woningen in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. Zo mag een hoofdgebouw uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd en mag de inhoud van een woning maximaal 1.000 m³ bedragen. De maximale goot- en bouwhoogte van de woning bedragen respectievelijk 5 en 8 meter. De ontsluiting van het plangebied vindt plaats aan de noordwestzijde. Hier is reeds een fietspad c.q. onderhoudspad gerealiseerd. Dit pad sluit via twee verbindingswegen aan op de doorgaande weg de

Hoofdstuk 3

10

Broekstraat. Vanaf het pad is tevens een aansluiting gerealiseerd op de nieuwe woonkavel, zoals in de navolgende luchtfoto zichtbaar is. Door middel van een recht van overpad wordt formeel geregeld dat de woonkavel via het pad toegankelijk is. Op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Horst 2009 (deelgebied 3) gelden ter plaatse van deze ontsluiting de enkelbestemmingen ‘woondoeleinden’ en ‘agrarische doeleinden met natuurlandschappelijke waarden’. Binnen deze bestemmingen is de ontsluiting reeds toegestaan.

Luchtfoto plangebied met ontsluiting

Het plangebied wordt daarnaast landschappelijk ingepast. Door BRO is een landschappelijk inpassingsplan1 opgesteld. Het volledige plan is als bijlage aan de regels van onderhavig bestemmingsplan toegevoegd. Het plangebied ligt op de overgang van de open uiterwaarden naar het hoger gelegen gebied met afwisselend oude bouwlanden. De inpassing speelt in op de kwaliteiten van beide gebieden. De voorzijde van de woning sluit aan bij de kern van Broekhuizenvorst met maatregelen die passend zijn bij het straatbeeld. Zo wordt een lage knip- en scheerhaag toegevoegd aan de voorzijde van het bouwvlak. Dit is veel terug te vinden in de omgeving. Ter aansluiting op de bestaande bomenlaan aan de Broekstraat wordt een bomenrij toegevoegd. Wat ook veelvoorkomend is rond het plangebied zijn fruitboomgaarden. Deze zijn aan de noordzijde van het perceel toegepast. Aan de achterzijde sluit de inpassing aan op het karakter van de uiterwaarde. De openheid wordt zoveel mogelijk behouden. Er wordt struweelbeplanting aan het zuiden toegevoegd en rondom de woning aan de noord-, oosten zuidkant van het bouwvlak. Concreet zijn de volgende ingrepen voorgesteld: 1. Aanplant lage knip- en scheerhaag; 2. Aanplant bomenrij;

1

BRO, ‘Landschappelijke inpassing, Broekstraat’, projectnr.: P04354, d.d. 27 juni 2023.

Hoofdstuk 3

11

3. Aanplant struweel; 4. Aanplant fruitbomengaard; 5. Optioneel inzaaien met bloem- en kruidenrijk grasland.

Landschappelijk inpassingsplan

Stedenbouwkundige- en ruimtelijke effecten De nieuw te realiseren woning sluit in de toekomstige situatie aan bij bestaand stedelijk gebied. Bovendien heeft op onderhavige planlocatie in een eerder stadium een woning gestaan die reeds is gesaneerd. Met onderhavig planvoornemen wordt een kwalitatief gezien betere woning toegevoegd op de planlocatie. Vanuit ruimtelijk-stedenbouwkundig opzicht is hier dan ook sprake van een kwalitatieve verbetering ten opzichte van de oude situatie. Voor wat betreft de situering van de voorgevelrooilijn van de woning en de goot- en bouwhoogte van de woning en de bijgebouwen is aangesloten bij de omliggende woningen in de kern Broekhuizenvorst. Hierdoor past de nieuwe woning qua situering en maatvoering goed in de omgeving. Daarnaast wordt het plangebied landschappelijk ingepast. Dit is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting in de regels horende bij dit bestemmingsplan. Hierdoor is eveneens het perceel passend in de omgeving. Er ligt echter nog geen uitgewerkt bouwplan voor de nieuwe woonkavel. De stedenbouwkundige kwaliteit wordt in het kader van de vergunningprocedure voor de bouw nader afgestemd met de gemeente Horst aan de Maas. Samengevat zijn er geen negatieve stedenbouwkundige of ruimtelijke effecten voor de omgeving te verwachten en ook wordt geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving.

Hoofdstuk 3

12

4.

UITGANGSPUNTEN VAN HET BELEID

In dit hoofdstuk wordt achtereenvolgens ingegaan op het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

4.1 Rijksbeleid 4.1.1

Nationale omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo’n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak.

Dit streven naar integraliteit valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten:  Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;  Duurzaam economisch groeipotentieel;  Sterke en gezonde steden en regio’s;  Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Binnen de NOVI worden drie afwegingsprincipes gehanteerd om te komen tot weloverwogen beleidskeuzes. Die zouden moeten helpen bij het afwegen en prioriteren van verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Op basis van de vier verschillende prioriteiten en de drie afwegingsprincipes zijn 21 nationale belangen geformuleerd, waarmee het Rijk aangeeft waarvoor het verantwoordelijk is en waarop het resultaten wil boeken. Relevante nationale belangen voor onderhavig project zijn als volgt:  Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;  Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit;  Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

Hoofdstuk 4

13

Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften.

Voor het plangebied geldt uiteraard dat voldaan dient te worden aan de voorwaarden van zorgvuldige afwegingen en integrale besluitvorming bij ruimtelijke plannen. Nieuwe (ruimtelijke) projecten dienen daarom in lijn te zijn met het beleid zoals dat is opgesteld in de NOVI. Het voorliggende planvoornemen betreft een dermate kleinschalige en lokale ontwikkeling, dat er geen belangen uit de NOVI worden geschaad. Bovendien zijn de uitgangspunten van deze ontwikkeling conform de visie zoals geschetst in de NOVI. Ladder voor duurzame verstedelijking In de (voormalige) Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ geïntroduceerd. Het doel is een goede ruimtelijke ordening te bereiken door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden en daarnaast ondersteunt het gemeente en provincie in de vraaggerichte programmering van hun grondgebied. Per 1 juli 2017 is een nieuwe versie van de ladder van kracht.

Het tweede lid van artikel 3.1.6 luidt met de inwerkingtreding van de aangepaste ladder als volgt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R42 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het voorliggende plan voor de realisatie van één woningbouwkavel is een dergelijk klein initiatief. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing. Desondanks dient wel de behoefte aan een ruimtelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Hiertoe wordt verwezen naar paragraaf 4.3. AMvB Ruimte De AMvB Ruimte wordt in juridische termen aangeduid als Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het besluit is op 30 december 2011 in werking getreden. Hierna zijn nog enkele aanvullingen/ wijzigingen in werking getreden. In de AMvB zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. De AMvB Ruimte is gericht op doorwerking van de nationale belangen in bestemmingsplannen.

De onderwerpen in het Barro betreffen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nationaal Natuurnetwerk, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, primaire waterkeringen buiten het kustfundament en het IJsselmeergebied.

2

ABRS, Uitspraak 201302867/1/R4, ECLI:NL:RVS:2013:2471, 18 december 2013

Hoofdstuk 4

14

Uitsnede kaart Barro met plangebied gedeeltelijk in stroomvoerend deel van het rivierbed

Het plangebied ligt voor een klein gedeelte binnen het stroomvoerend deel van het rivierbed van de Maas, zoals aangegeven in het Barro. Het bouwvlak waarin de woning geprojecteerd zal worden ligt echter buiten het stroomvoerend rivierbed. Bestemmingsplannen die ruimtelijke ontwikkelingen regelen in een dergelijk gebied, moeten volgens het Barro aan bepaalde eisen voldoen. Artikel 2.4.3 (rivierbed) Barro stelt dat een bestemmingsplan alleen nieuwe bestemmingen in een rivierbed aanwijst in het geval er sprake is van: a) Een zodanige situering van de bestemming dat het veilig en doelmatig gebruik van het oppervlaktewaterlichaam gewaarborgd blijft; b) geen feitelijke belemmering voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier; c) een zodanige situering van de bestemming dat de waterstandverhoging of de afname van het bergend vermogen zo gering mogelijk is, en d) een zodanige situering van de bestemming dat de ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam niet verslechtert. Verder dienen resterende waterstandeffecten of afname van het bergend vermogen te worden gecompenseerd. Tenslotte moet in het bestemmingsplan worden vastgelegd hoe de effecten op de waterstand en de afname van het bergend vermogen worden gecompenseerd. De toekomstige woning zal buiten het rivierbed worden gesitueerd. De tuin is het deel van het plangebied dat binnen het rivierbed is gelegen.

Hier wordt geen bebouwing opgericht en/of worden geen werken of werkzaamheden verricht die consequenties kunnen hebben voor de afvoercapaciteit van de

Hoofdstuk 4

15

rivier c.q. die kunnen leiden tot waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen. Vanuit het Barro bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen.

4.2 Provinciaal beleid 4.2.1

Provinciale Omgevingsvisie (POVI) Limburg

Met de komst en invoering van de Omgevingswet dient elke provincie haar eigen provinciale omgevingsvisie op te stellen. Op 1 oktober 2021 heeft de provincie Limburg de provinciale omgevingsvisie vastgesteld: ‘de Provinciale omgevingsvisie Limburg’ (hierna te noemen: POVI Limburg). De POVI Limburg is een lange termijnvisie, met als doelstelling invulling geven over hoe de provincie Limburg in de periode 2030-2050 op een integrale en toekomstbestendige manier kan doorontwikkelen. De omgevingsvisie is dynamisch en flexibel, aangezien dit mogelijkheden biedt om het document te actualiseren met het oog op toekomstige veranderingen. De POVI is op 25 oktober 2021 in werking getreden en vervangt daarmee het Provinciaal Omgevingsplan Limburg uit 2014 (POL2014). Daarnaast wordt een omgevingsverordening uitgewerkt om het beleid juridisch te verankeren. Deze ontwerp-omgevingsverordening wordt besproken in de paragraaf ‘Ontwerp-omgevingsverordening Limburg’. Hoofdopgaven In de provinciale omgevingsvisie Limburg zijn een aantal hoofdopgaven te onderscheiden, namelijk:  Het creëren van een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige omgeving, zowel in het landelijk- als in het bebouwde gebied;  Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie (inclusief landbouwtransitie);  Klimaatadaptatie en energietransitie.

Deze opgaven, die Limburg-breed spelen, dienen met inachtneming van de specifieke eigenschappen die Limburg bezit op een integrale en toekomstbestendige manier te worden geïmplementeerd. Participatie tussen de overheid, de markt en de inwoners van Limburg is hierbij een belangrijk uitgangspunt. In de Provinciale omgevingsvisie Limburg wordt vervolgens een toekomstbeeld van 2030-2050 geschetst. Inhoud De Omgevingsvisie Limburg bestaat uit twee delen;  Een thematisch deel waarin gedetailleerd wordt ingegaan op de provinciale ambities en opgaven voor de diverse thema’s;  Een gebiedsgericht deel waarin de thema’s op hoofdlijnen verbonden worden op regionale schaal voor de drie regio’s Noord-, Midden en Zuid-Limburg. Wonen en leefomgeving De POVI houdt vast aan een dynamisch en flexibel woonbeleid, de woonbehoeften van de Limburger zijn daarbij leidend. Verder liggen hierin ook mogelijkheden bij te dragen aan klimaat-, energie-, en duurzaamheidsdoelstellingen. Vanuit de wetgeving is de rol van de provincie op dit terrein beperkt.

Hoofdstuk 4

16

Daarom opereert de provincie, met betrekking tot dit thema, vanuit een agenderende, stimulerende, meesturende en verbindende rol. De POVI is hierbij een op hoofdlijnen richtinggevend kader. Aangezien de toekomst onderhevig zal zijn aan veranderingen, en elke specifieke regio voor een andere aanpak vraagt zijn meer gerichte uitwerkingen in provinciale, regionale en/of gemeentelijke programma’s, agenda’s en instrumenten noodzakelijk. Wonen Op het gebied van wonen wordt er specifiek gekeken naar welke behoeften er zijn. De grootste opgave op korte- en middellange termijn zit in het toekomstgeschikt maken van de verouderde en nietcourante bestaande woningvoorraad. Uitgangspunten zijn dat deze woningen in eerste instantie levensloopbestendig dienen te worden gemaakt, en daarna ook verduurzaamd. Getalsmatig zijn er voldoende woningen, kwalitatief gezien zijn dit echter niet overal de juiste woningen en de juiste plannen. Met name in de middenhuur en sociale huur is er een steeds diverser wordende groep mensen aangewezen op nieuwe woon(zorg)concepten. Verder is er ook speciale aandacht voor de betaalbaarheid van woningen, aangezien kansen voor sommige doelgroepen afnemen door de stijgende prijzen. Wonen is in principe alleen toegestaan in daarvoor bestemde woongebieden, hierop kunnen – tijdelijke – uitzonderingen worden gemaakt in de vorm van een flexibele schil.

Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één woningbouwkavel in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas. De woning wordt gerealiseerd op een locatie waar in het verleden reeds een woning heeft gestaan, die enkele jaren geleden is gesloopt in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Daarbij is de afspraak gemaakt dat op deze locatie een nieuwe woning teruggebouwd mag worden. Verder sluit de woning aan bij bestaand stedelijk gebied, past het stedenbouwkundig gezien in de omgeving en wordt voorzien in een kwalitatief wenselijke woning. Het plan past daarmee in Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 4.2.2

Omgevingsverordening Limburg 2021

Met de komst van de Omgevingswet is een nieuwe omgevingsverordening nodig die past binnen de kaders en het instrumentarium van de Omgevingswet. Op 17 december 2021 heeft Provinciale Staten de nieuwe Omgevingsverordening Limburg (2021) vastgesteld. Deze Omgevingsverordening heeft van 7 juni tot en met 19 juli 2021 voor eenieder ter inzage gelegen. De inwerkingtreding is voorzien op het moment wanneer ook de nieuwe Omgevingswet in werking zal treden. Hoewel de Omgevingsverordening Limburg (2021) hoofdzakelijk een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Limburg 2014 is, staan er enkele nieuwe of inhoudelijk aanmerkelijk gewijzigde onderwerpen in. Het gaat hier om instructieregels aan gemeenten op het gebied van wonen, zonne-energie, na-ijlende effecten van de steenkoolwinning en huisvestingsnormen voor internationale werknemers. Volgens de kaart ‘Wonen, werken en recreëren’ ligt het besluitgebied binnen het gebied ‘Buitengebied’ en meer specifiek binnen de thema’s detailhandel, kantoren, toerisme, werklocaties, verstedelijking en wonen.

Hoofdstuk 4

17

Conform artikel 12.1 van de omgevingsverordening dient de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van één of meerdere woningen het volgende beschrijven: a. Rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in Afdeling 14.5; e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. In dit bestemmingsplan is in voldoende mate rekening gehouden met de in artikel 12 van de omgevingsverordening opgenomen instructieregels. Zoals volgt uit de paragraaf ‘Provinciale omgevingsvisie Limburg (POVI)’ past deze ontwikkeling binnen de POVI Limburg.

Zoals in de voorgaande paragraaf is aangegeven, is sprake van nieuwbouw op een locatie waar voorheen ook een woning aanwezig was. Op basis van de gemaakte afspraken in het kader van de gebiedsontwikkeling OoijenWanssum mag op deze locatie een nieuwe woning worden teruggebouwd. Bovendien wordt met de bouw van de woning spoedig een aanvang gemaakt, tenminste binnen 5 jaar na de verleende vergunning. Vanuit de Omgevingsverordening Limburg bestaan kortom geen belemmeringen voor het beoogde planvoornemen. 4.2.3

Omgevingsverordening Limburg 2014 (geconsolideerde versie van 16 december 2022)

De provincie Limburg heeft op 12 december 2014 de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. Hierin staan de regels die nodig zijn om het omgevingsbeleid uit het voormalige Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) juridische binding te geven. Het POL2014 is inmiddels komen te vervallen, maar de in 2014 vastgestelde omgevingsverordening blijft van kracht totdat een nieuwe omgevingsverordening op grond van de nieuwe POVI in werking treedt. Artikel 2.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de omgevingsverordening is een verwijzing opgenomen naar de Ladder voor duurzame verstedelijking en hierbij is in artikel 2.2.2 van de verordening het navolgende bepaald: 1. Een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, houdt rekening met het bepaalde in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 2. Bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, worden tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen, zoals bedoeld in artikel 2.2.3, onderzocht. 3. De toelichting bij het ruimtelijk plan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 4

18

Artikel 2.4.2 Bestuursafspraken wonen In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) zijn, na een proces van co-creatie, eind 2014 de hoofdlijnen voor de ambities, opgaven, rolopvatting en aanpak vastgesteld door Provinciale Staten. Samen met stakeholders hebben de gemeenten en provincie geconstateerd dat voor diverse thema’s meer uitvoeringsgerichte regionale bestuursafspraken nodig en wenselijk zijn. Het gaat om 8 thema's: wonen, detailhandel, bedrijventerreinen, kantoren, energie, land- en tuinbouw, vrijetijdseconomie en Nationaal Landschap Zuid-Limburg. De bestuursafspraken maken onderdeel uit van het samenwerkingsmodel gemeenten – provincie dat de afgelopen jaren op het gebied van omgevingsbeleid is gegroeid. Het POL2014 schetst de ambities, opgaven, aanpak op hoofdlijnen en principes. Het is in co-creatie met de gemeenten tot stand gekomen. De gemeenten nemen vervolgens het stokje over en stellen regionale uitwerkingen op in de vorm van structuurvisies, visies of anderszins. De provincie is partner in die regioprocessen en faciliteert deze. Vanuit de regierol ziet de provincie toe op de samenhang tussen de aanpak per regio en die in aangrenzende gebieden. Meer specifiek ten aanzien van het thema wonen hebben de bestuursafspraken geresulteerd in de vaststelling van een drietal woonvisies voor respectievelijk Noord-, Midden- en Zuid-Limburg.

De gemeente Horst aan de Maas maakt onderdeel uit van de regio Noord-Limburg en binnen deze regio is de ‘Regionale woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ vastgesteld. In artikel 2.4.2 is een instructieregel opgenomen voor de nieuwe planvoorraad wonen. Hierin is het volgende opgenomen: De toelichting bij een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat: a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie; b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek; c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid- Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken; d. het ruimtelijk plan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring. e. realisatie van de woningen beoogd is binnen vijf jaar na vaststelling van het ruimtelijk plan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen. Klimaatadaptatie In artikel 2.19.1 is het volgende opgenomen: 1.

De toelichting bij een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt bevat een beschrijving van: a. de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico’s en gevolgen van klimaatverandering; en b. de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico’s en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

Hoofdstuk 4

19

2. In de beschrijving worden in ieder geval de volgende risico’s betrokken: a. wateroverlast; b. overstroming; c. droogte. 3. Bij de beschrijving wordt gebruik gemaakt van de informatie van gemeentelijke, regionale en landelijke stresstest- en overstromingskaarten. Venloschol Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied zich begeeft binnen de boringsvrije zone Venloschol. Het is in het gebied Venloschol binnen en buiten inrichtingen beneden 5 meter boven NAP verboden om een boorput te maken of te hebben, de grond te roeren, een gesloten bodemenergiesysteem te maken of te hebben, werken op of in de bodem uit te voeren of te doen uitvoeren waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten of om een aardwarmtesysteem te maken of te hebben. Bronsgroene landschapszone Uit de kaarten behorende bij de Omgevingsverordening Limburg 2014 blijkt dat het plangebied zich begeeft binnen de bronsgroene landschapszone. Deze zone omvat de landschappelijk waardevolle beekdalen en bufferzones rond bestaande natuurgebieden met de daarin aanwezige (extensievere) landbouwgebieden, monumenten, kleinere landschapselementen, waterlopen e.d.. Een kwart van de bronsgroene landschapszone wordt gevormd door het winterbed van de Maas.

Het beleid in de bronsgroene landschapszone is er op gericht de (huidige) landschappelijke kernkwaliteiten van deze zone te behouden, te beheren, te ontwikkelen en te beleven. Ontwikkelingen binnen de ruimte die het beleid voor de verschillende thema’s biedt zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten behouden blijven of versterkt worden (‘ja-mits’). Het accent is gelegd op de borgen van de kwaliteit en het functioneren van het regionaal watersysteem, de ontwikkeling van de landbouw in balans met de omgeving, het versterken van de kernkwaliteiten van landschap en cultuurhistorie en recreatief medegebruik. Nieuwe ontwikkelingen worden uitgewerkt op basis van het Gemeentelijk Kwaliteitsmenu (GKM) dat een uitwerking is van het Limburgs Kwaliteitsmenu. Afweging Bestuursafspraken en de Ladder voor duurzame verstedelijking De ontwikkeling voorziet in de realisatie van één woning. Er is dan ook geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling waarvoor een laddertoets moet worden uitgevoerd. Verder is rekening gehouden met de instructieregel zoals opgenomen in artikel 2.4.2 van de verordening. De woning wordt binnen 5 jaar gerealiseerd. Klimaatadaptatie Het plan bevindt zich aan de rand van het stedelijk gebied van Broekhuizen waardoor het niet significant zal bijdragen aan droogte in het gebied.

Daarnaast zal het hemelwater worden geïnfiltreerd waardoor omringende woningen, en de woningen zelf, geen toename aan wateroverlast zullen ervaren. Venloschol Binnen onderhavig initiatief zijn geen activiteiten voorzien die dieper reiken dan 5 meter beneden het NAP. De ligging binnen de boringsvrije zone Venloschol vormt derhalve geen belemmering.

Hoofdstuk 4

20

Bronsgroene landschapszone In een eerder stadium is er reeds een woning op onderhavige projectlocatie aanwezig geweest. Derhalve kan redelijkerwijs worden aangenomen dat er geen onevenredige effecten worden uitgeoefend op de bronsgroene landschapszone en dat de ligging in dit beschermingsgebied dan ook geen belemmering is voor het onderhavige planvoornemen voor het realiseren van één woningbouwkavel. Voor het overige zijn er geen rechtstreeks doorwerkende regels uit de Omgevingsverordening Limburg 2014 die een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling past dan ook binnen de Omgevingsverordening Limburg 2014. 4.2.4

Limburgs Kwaliteitsmenu (LKM)

Het Limburgs Kwaliteitsmenu is gebaseerd op het idee dat bebouwingsontwikkelingen in het buitengebied leiden tot verlies van omgevingskwaliteit en dat dit verlies op een kwalitatieve manier wordt gecompenseerd. De doelstelling is dan ook het combineren van ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied met het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in Limburg. Op 12 januari 2010 hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Limburgs Kwaliteitsmenu vastgesteld. De verantwoordelijkheid en de uitvoering van het Kwaliteitsmenu wordt in handen van de gemeenten gelegd. Het kwaliteitsmenu is van toepassing op (niet onaanvaardbare) ontwikkelingen buiten de, rond de plattelandskernen getrokken, contour die middels een bestemmingsplanwijziging mogelijk worden gemaakt. Het kenmerkende voor de bedoelde ontwikkelingen is dat het functies zijn die met bebouwing gepaard gaan en extra ruimtebeslag leggen op het buitengebied. De gemeente Horst aan de Maas heeft het LKM 'doorvertaald' naar eigen beleid door in de Structuurvisie Horst aan de Maas een gemeentelijk kwaliteitsmenu op te nemen. Voor een nadere afweging hieromtrent zie paragraaf 4.4 onder het kopje ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’. Door afzonderlijke afspraken die zijn gemaakt in het kader van de gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum is het LKM niet van toepassing op onderhavig planvoornemen.

4.3 Regionaal beleid 4.3.1

Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

In de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’ geven de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas richting aan de regionale woningmarkt. Een van de centrale opgaven is de kwalitatieve mismatch tussen de (toekomstige) woningbehoefte en de bestaande woningvoorraad. Bij nieuwbouw dient bij voorkeur ingezet te worden op de realisatie van toekomstbestendige en flexibele woonsegmenten. De huishoudprognose van E’til (Progneff) dient als referentieprognose ten aanzien van het aantal nog toe te voegen nieuwbouwwoningen. Echter is de kwalitatieve toets leidend. Progneff wordt daardoor als basis gehanteerd, maar er is (indien kwalitatief wenselijk) ruimte om ‘goede dingen’ te blijven realiseren. Er wordt dus ruimte geboden voor plannen die aansluiten bij de (toekomstige) vraag naar woningen. In de regio zijn uitgangspunten geformuleerd, waaraan alle bouwplannen moeten voldoen die binnen de kwalitatieve richtlijn vallen. Deze regionale uitgangspunten omvatten de navolgende punten:  Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen;

Hoofdstuk 4

21

    

Gekeken dient te worden naar koppelkansen; Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot; Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte; De regio streeft sociale en duurzame woonconcepten na; Zoeken naar aansluiting op de landelijke, regionale en lokale duurzaamheid doelen.

Aanvullend wordt tevens het volgende benoemd:  Naast nieuwbouw dient er ook gekeken te worden naar de potentie van de bestaande voorraad en hoe deze zich verhoudt tot de veranderende (kwalitatieve) behoefte.  Ook dient er aandacht te zijn voor de huisvesting van specifieke doelgroepen, zoals starters en ouderen. Ten aanzien van deze doelgroepen wordt vooral ingezet op het realiseren van geschikte woningen voor ouderen, daar op deze manier de doorstroming wordt bevorderd. Zo ontstaat er tevens ruimte voor de starter op de woningmarkt.  Vraag en aanbod dienen in de regio beter met elkaar in evenwicht te zijn. De oplossing hiervoor ligt grotendeels binnen de bestaande woningvoorraad.  Leefbaarheid in kleine kernen staat onder druk. Toevoegen van woningen (in kleine mate) kan helpen om de leefbaarheid te verbeteren, maar vooral om de doorstroming te bevorderen. Analyse bestaande woningvoorraad Het grootste deel van de woningvoorraad voor de toekomst staat er al. Dat maakt dat nieuwbouw slecht een klein deel vormt van de totale woningvoorraad. Inzicht in de kwaliteit van deze woningvoorraad is essentieel om een match met de toekomstige woningvraag te bewerkstelligen. Aan adviesbureau Stec Groep is gevraagd om hierin inzicht te verschaffen. De analyses van Stec Groep geven inzicht in de potentiële kwetsbaarheid van de bestaande woningvoorraad.

In de ‘Regionale Structuurvisie Noord-Limburg (2016)’ gaat het vooral om de kwantiteit, terwijl in de nieuwe Regionale Woonvisie de nadruk meer ligt op de kwaliteit. Er wordt vaak gesproken over een woningtekort en vooral landelijk gaat het hierbij om de aantallen. Uiteraard is dat van belang, maar de te verwachten ontwikkeling van huishoudens (in aantal én in type) geeft aan dat wel degelijk rekening gehouden dient te worden met de kwaliteit van de woningvoorraad. Binnen het rapport van Stec Groep wordt een verbinding gemaakt met de demografische ontwikkeling van de regio Noord-Limburg. De woningvoorraad wordt op basis van verschillende indicatoren (voor zowel de woning als de woonomgeving) beoordeeld. Dit vormt een bouwsteen voor beleid rondom de aanpak van de huidige woningvoorraad. Belangrijkste conclusies uit de analyses zijn:  De komende 10-20 jaar groeit het aantal huishoudens netto met bijna 5.000, deze groei zit op regioniveau in de 65+ doelgroep. Hierdoor ontstaat een groeiende behoefte aan levensloopbestendige woningen;  Er ontstaan overschotten in de niet-levensloopbestendige grondgebonden huur-, goedkope koopen ruime, dure koopsegment. Op het niveau van individuele gemeenten kunnen er afwijkingen ten opzichte van deze regionale conclusies bestaan.

In de onderstaande afbeelding is een totaaloverzicht voor de regio zichtbaar waar een theoretisch tekort en waar een theoretisch overschot in de woningvoorraad ontstaat. Links van de 0 staat het type woning waarvan een overschot is te verwachten en rechts van de 0 staat het type woning waaraan een tekort is. Opgemerkt dient te worden dat de onderstaande theoretische overschotten en tekorten ontstaan wanneer alle doelgroepen hun verhuiswensen kunnen realiseren. In de praktijk is de woningmarkt een aanbodmarkt en zijn doelgroepen niet altijd in staat hun verhuiswens te realiseren, doordat

Hoofdstuk 4

22

zij hier financieel niet toe in staat zijn of omdat de gewenste woning niet beschikbaar is in de bestaande voorraad. Wel geeft onderstaande afbeelding een goede indicatie van de segmenten waar de grootste risico’s ontstaan op leegstand en achteruitgang.

Totaaloverzicht theoretische tekorten en overschotten woningvoorraad | Bron: WoON2015, WoON2018, Progneff (2018), bewerking Stec Groep (2019)

Afweging Middels het voorliggende bestemmingsplan wordt één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Het door Stec opgestelde rapport ‘Opgaven en aanpak bestaande woningvoorraad in beeld, Basis voor woonbeleid’ uit 2019 geeft een inzicht in de bestaande regionale woningvoorraad en geeft een richting voor een transformatieopgave. Het plangebied wordt als ‘Wonen’ bestemd. Dit biedt de mogelijkheid om in te spelen op de meest actuele marktvraag/woonbehoefte. Hierdoor zorgt de realisering van de woning niet voor het vergroten van het kwetsbare woningoverschot. Bovendien wordt de woning mogelijk gemaakt op een locatie waar voorheen reeds een vrijstaande woning heeft gestaan die enkele jaren geleden is gesloopt. Hierdoor neemt het aantal woningen per saldo niet toe. Onderhavig plan is dan ook passend binnen de regionale kwalitatieve behoefte. De realisatie van de nieuwbouw is hiermee niet strijdig met de woonvisie van de gemeenten binnen de regio Noord-Limburg. Vanuit het regionaal beleid bestaan er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Gemeentelijk beleid 4.4.1

Structuurvisie Horst aan de Maas

Op 9 april 2013 heeft de gemeenteraad van Horst aan de Maas de Structuurvisie Horst aan de Maas vastgesteld. Een evaluatie van de structuurvisie is op 9 juli 2015 vastgesteld. Na deze evaluatie is er

Hoofdstuk 4

23

in 2016 een aanpassing gedaan (vastgesteld op 18 oktober 2016) en is er in 2018 wederom een evaluatie uitgevoerd. De doelstelling die de gemeente heeft met de voorliggende structuurvisie is drieledig:  De structuurvisie vormt een integraal beeld van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn;  De gemeente verschaft hiermee inzicht hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden hier eventueel bij gelden;  De structuurvisie biedt kansen optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal, zoals die zijn opgenomen in de Wro en de Grex-wet. In deze integrale op uitvoering gerichte structuurvisie heeft de gemeente haar ruimtelijk beleid gebundeld. De gemeente streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap (de omgevingskwaliteit) een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners. Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap (de omgevingskwaliteit) gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk versterkt wordt.

Bestaande plannen die in het gemeentelijk beleid een belangrijke plaats innemen/krijgen zijn: de ontwikkeling van ecologische verbindings- en bufferzones, landschapspark De Peelbergen en natuurontwikkeling in het kader van de Maascorridor. Daarnaast is en wordt ingespeeld op de dynamiek in de land- en tuinbouw, onder meer in het kader van de reconstructie. Dit wordt gedaan door in te zetten op een nieuw te ontwikkelen eigen kwaliteit, in relatie tot de ruimtelijke eisen van de sector. Dit speelt met name in de landbouwontwikkelings- en glastuinbouwgebieden rondom Horst, Meterik, Hegelsom, Melderslo en Grubbenvorst. Ook zet de gemeente in op de verfraaiing van het boerenlandschap en het vergroten van de beleving van het landschap, het realiseren van particulier groen en het beschermen van beschermingswaardige houtopstanden. Daar waar sprake is van woningbouw, dient dit te gebeuren binnen de bestaande of nog te maken afspraken, zoals in het kader van de woonvisie, de woningbouwprogrammering en het project Ruimte voor Ruimte Noord- en Midden-Limburg. Bijdrage ruimtelijke ontwikkelingen (Gemeentelijk kwaliteitsmenu) De gemeente Horst aan de Maas is voornemens investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van de gemeente.

Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de 'rode contouren'. De doorvertaling van het Limburg kwaliteitsmenu naar een gemeentelijk instrument voor ontwikkelingsplanologie zorgt daarbij voor de opbouw van financiële middelen voor maatschappelijk-ruimtelijke projecten die de kwaliteit van de dorpen en het buitengebied de komende jaren gaan versterken. Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van

Hoofdstuk 4

24

dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. Het Gemeentelijk Kwaliteits Menu is van toepassing indien de ontwikkeling mogelijk moet worden gemaakt middels een bestemmingsplanwijziging. De locatie van de beoogde ontwikkeling is bepalend voor de planologische toelaatbaarheid en de manier waarop kwaliteitsverbeterende maatregelen ingezet kunnen worden. Per type ontwikkeling is aangegeven in hoeverre deze past binnen het betreffende deelgebied. Er zijn vier mogelijkheden: a. De gemeente heeft een positieve grondhouding (ja) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; b. De gemeente heeft een meedenkende grondhouding (ja, mits) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; c. De gemeente heeft een voorwaardelijke grondhouding (nee, tenzij) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied; d.

De gemeente heeft een negatieve grondhouding (nee) ten opzichte van een dergelijke ontwikkeling in het deelgebied. Enkel via maatwerk is medewerking aan het initiatief denkbaar.

Uitsnede Integrale beleidsvisiekaart Structuurvisie Horst aan de Maas met indicatie ligging bij rode pijl

Hoofdstuk 4

25

Volgens de bij de structuurvisie behorende visiekaart liggen de twee plangebieden binnen de ‘Maascorridor’ (5D). De Maascorridor kenmerkt zich als een open rivierterras, dat gedeeltelijk periodiek geinundeerd wordt. Ecologisch gezien is het gebied waardevol voor weidevogels en, plaatselijk, voor amfibieën. In en om (voormalige) kleiputten, ontstaan door ontgrondingen, vindt natuurontwikkeling plaats, met bijbehorende pioniersoorten. Functioneel is het gebied te kenmerken als een extensief landbouwgebied, dat waardevol is voor recreatief medegebruik. Doelstellingen voor de Maascorridor zijn:  In stand houden van cultuurhistorische waarden, openheid en steilranden;  Vergroten (grote) ecologische potentie door het versterken van de landschappelijke structuur;  Naast directe natuurontwikkeling, is ook de beleefbaarheid van het gebied, voor zowel toeristen als inwoners van de gemeente, van groot belang. Voor onderhavig voornemen geldt dat er afzonderlijke afspraken zijn gemaakt in het kader van de Gebiedsontwikkeling Ooijen-Wanssum. Het GKM is derhalve niet van toepassing op onderhavig planvoornemen. Afweging Onderhavig plan voorziet in de realisatie van één Ruimte voor Ruimte woning in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas.

Ten aanzien van het project 'Ruimte voor Ruimte' is de ambitie van de provincie Limburg om de komende jaren samen met gemeenten het project af te ronden door middel van de realisatie van in totaal 900 woningen op planologisch aanvaardbare locaties in het buitengebied. Het initiatief zal voldoen aan de regionale woningbouwafspraken en de afspraken met betrekking tot Ruimte voor Ruimte waarbij er wordt voorzien in een kwalitatief wenselijke woning. De woning wordt gebouwd op een perceel aan de oostzijde van de kern Broekhuizenvorst, op een plek waar in een eerder stadium een woning/boerderij heeft gestaan en daarnaast ook in de nabijheid van reeds bestaande woningen. Het plangebied betreft een gras-/akkerlandschap met weinig vegetatie. De aanwezige natuurwaarden in de omgeving worden middels onderhavig planvoornemen niet aangetast. Daarnaast wordt door de kleinschaligheid van de ontwikkeling het omliggende gebied eveneens niet aangetast. De voorgenomen ontwikkeling zal het streefbeeld zoals genoemd in de Structuurvisie Horst aan de Maas dus niet nadelig aantasten. Daarnaast is er in het plangebied voldoende ruimte voor het ontwikkelen van (nieuw) groen, doordat de woonkavel niet volledig zal worden bebouwd. De voorliggende ontwikkeling is hierdoor in overeenstemming met de structuurvisie Horst aan de Maas en heeft geen negatieve effecten op de aanwezige landschappelijke waarden.

Vanuit de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ bestaan er geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. 4.4.2

Masterplan Wonen Horst aan de Maas 2021-2025

Het Masterplan Wonen (lokale woonvisie) 2021-2025, dat in april 2021 door de gemeente Horst aan de Maas is vastgesteld, is een uitwerking van de regionale structuurvisie Wonen Noord Limburg. De hoofdopgaves voor Horst aan de Maas die gebaseerd zijn op het regionale beleid, betreft vooral een nieuwbouwopgave met als hoofddoelen: 1. 1000 woningen tussen nu en 2025 bouwen; 2. Bouwen naar behoeften.

Hoofdstuk 4

26

De genoemde beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen (2021-2025):  Kaders als basis voor mogelijkheden; Door verwachtingen en eisen aan de voorkant helder te hebben, weten ontwikkelaars, corporaties en inwoners waar ze aan toe zijn. Dit zorgt voor enthousiasme, een gedeelde visie en een snellere doorloop.  Zicht op de (veranderende) vraag en voortgang; We kennen de woonvragen en -behoeften van onze inwoners: nu, morgen en volgend jaar – op zowel gemeenteniveau als in de individuele kernen. We weten op elk moment in het jaar of we nog op koers liggen.  Maatwerk per kern; Elke kern heeft zijn eigen karakter. Die eigenheid moet doorklinken in de woningopgave en de invulling ervan.  Samenwerken met ontwikkelaars op basis van vertrouwen; Partijen die onze gemeente goed kennen, zich vereenzelvigen met onze ambitie en hier ook aantoonbaar naar handelen, hebben een streepje voor. Zij krijgen de ruimte en het vertrouwen om samen met ons Horst aan de Maas aantrekkelijker te maken.  Minder regels, snelle doorloop van processen; Zorgvuldigheid en snelheid/voortgang kunnen prima naast elkaar bestaan. We verminderen de regeldruk waar mogelijk, organiseren parallelle processen en houden initiatiefnemers aangehaakt.  Participatie & communicatie; Inwoners voelen zich gehoord, betrokken bij de ambitie en zijn trots. Dat dragen ze ook uit.

Volgens de bevolkingsprognoses van Etil groeit het aantal huishoudens in Horst aan de Maas nog tot 2030 met 1.375. Het woningbouwprogramma is daarop afgestemd. De bestaande plancapaciteit wordt tegen het licht gehouden voor wat betreft de kwalitatieve invulling. Er dient met name aandacht te zijn voor (huur)woningen voor jongeren en levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voor ruimtelijke plannen dienen volgende uitgangspunten daarbij in acht te worden genomen:  Het plan voorziet, kwalitatief en kwantitatief, in de behoefte van inwoners. Dit betekent concreet dat: o De type woningen en bijbehorende aantallen aansluiten bij de opgave zoals omschreven in dit Masterplan én bij de lokale wensen en behoeften van inwoners (zie ook ‘maatwerk per kern’). o Ontwikkelaars/corporaties met inwoners en samen met de gemeentegesprekken hebben gevoerd en de lokale woonwensen als uitgangspunt hebben genomen.  Een programma met 30% sociale huur, 30% vrije sector huur en 40% koop waarbij maatwerk mogelijk is bij kleine locaties of een aangetoonde andere behoefte aan sociale huur.  Nieuwe woningen voldoen aan de eisen voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen (BENG).  Nieuwe woningen en woonwijken worden klimaat adaptief gebouwd zodat geen nieuwe knelpunten wateroverlast en hittestress ontstaan.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15137969/1