CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Bp Klassenweg Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Klassenweg 25, Sevenum.13.564 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

de plaats van de projecten; c. de kenmerken van de potentiële effecten. Ad. a. de kenmerken van het project  De omvang van het project: Het plangebied is circa 750 m² groot. Onderhavig perceel is momenteel onbebouwd en in gebruik als grasland. Het perceel heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’.  De cumulatie met andere projecten: In en om het plangebied zijn geen relevante activiteiten of projecten waarmee rekening moet worden gehouden in de beoordeling.  Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen: Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verandert niet als gevolg van de realisatie van de woningbouw. Dit onderdeel geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een milieueffectrapportage moet worden doorlopen.  De productie van afvalstoffen: Zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase vindt er geen productie plaats van afvalstoffen, anders dan regulier bouw- en huishoudelijk afval.  Verontreiniging en hinder: Tijdens de realisatiefase is er wellicht enige hinder in de vorm van geluid en mogelijk trillingen. Het (aannemers)bedrijf welke verantwoordelijk is voor de uitvoering van de realisatie zal zich moeten houden aan de algemene wet en regelgeving en de geldende milieuwetgeving.

29

Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Woningen zijn geen risicobron. In paragraaf 5.2.7 (Externe veiligheid) is daarnaast geconcludeerd dat er geen belemmeringen zijn vanuit het plaatsgebonden en groepsrisico ten aanzien van inrichtingen, transportassen en buisleidingen. Ad. b. de plaats van het project  Het bestaand grondgebruik: Het gebied is in gebruik als grasland. Het plangebied wordt omgeven door woningen met tuinen. Daarnaast is in de directe omgeving een akkerbouwbedrijf aanwezig.  Natuurlijke hulpbronnen: Ter plaatse van het plangebied zijn geen relevante natuurlijke hulpbronnen die bijdragen aan het project dan wel een effect hebben op het project.  Opnamevermogen/gevoeligheid van het milieu: Uit de beoordeling van de planologisch relevante milieuaspecten in de voorgaande en volgende paragrafen komt naar voren dat het planvoornemen deze aspecten niet belemmert. Ad. c. de kenmerken van de potentiële effecten Beoogd wordt met het planvoornemen 1 woning te realiseren. Bij de realisatie wordt zowel aan de geldende algemene wet- en regelgeving als aan de geldende milieuwetgeving voldaan. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten.

Gelet op de kenmerken van het project, de locatie van het project en de kenmerken van de effecten van het project, moet worden geconcludeerd dat het project niet leidt tot milieueffecten van dusdanige omvang, dat sprake kan zijn van ‘belangrijke nadelige milieugevolgen’. Er is daarom geen aanleiding of noodzaak voor het doorlopen van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure of m.e.r.procedure.

5.3 Waterparagraaf 5.3.1 Nationaal Waterplan 2016-2021 In het Nationaal waterplan is het (strategische) waterbeleid van het Rijk vastgelegd. De hoofdlijnen van het Nationaal waterplan luiden als volgt (artikel 4.1, lid 2 Waterwet): a. een aanduiding, in het licht van de wettelijke doelstellingen en normen, van de gewenste ontwikkeling, werking en bescherming van de watersystemen, alsmede van de bijbehorende termijnen; b. een uiteenzetting van de maatregelen en voorzieningen, die met het oog op die ontwikkeling, werking en bescherming nodig zijn; c. een aanduiding van de redelijkerwijze te verwachten financiële en economische gevolgen van het te voeren beleid; d. een visie op de gewenste ontwikkelingen in verband met de voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen en waterschaarste, voor een periode van ten minste veertig jaren mede in verband met de verwachte klimaatveranderingen. Het Nationaal waterplan kent een looptijd van 2016 tot 2021 en vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen.

5.3.2 Provinciaal beleid De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg

30

belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied. Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de aan watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

5.3.3 Afvalwater en hemelwater Onderhavig plangebied is gelegen binnen de gemeente Horst aan de Maas en in het beheergebied van Waterschap Limburg. Het Waterschap Limburg is verantwoordelijk voor de waterhuishouding en waterveiligheid binnen haar beheergebied. Sinds 1 april 2019 is de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg van kracht. Op welke wijze wordt omgegaan met het afval- en hemelwater binnen onderhavig plangebied wordt hierna uiteengezet. Afvalwater Het afvalwater als gevolg van onderhavige ontwikkeling zal worden geloosd op de gemeentelijke riolering van de gemeente Horst aan de Maas. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie. Hemelwater van onverhard en semi-verhard terrein Het hemelwater dat valt op de onverharde en semi-verharde terreindelen binnen het plangebied zal, zo nodig na beperkte oppervlakkige afstroming, rechtstreeks infiltreren in de bodem. Hemelwater (dak)verhardingen Het hemelwater dat valt op de nieuwe (dak)verharding zal worden opgevangen en oppervlakkig worden afgevoerd, hetzij via aanwezige paden hetzij via goten, naar een te realiseren hemelwatervoorziening op eigen terrein. Capaciteit hemelwatervoorziening Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verharde oppervlak af te koppelen.

Om te beoordelen hoe groot de te realiseren hemelwatervoorziening moet zijn, dient op basis van de nieuwe Keur van het Waterschap Limburg per 1 april 2019 een te realiseren hemelwatervoorziening te worden gedimensioneerd op een extreme bui met een neerslaghoeveelheid van 100 millimeter in 24 uur, met een noodoverlaat. Initiatiefnemers zijn voornemens om ter plekke van onderhavig plangebied een vrijstaande woning op te richten met een bebouwde oppervlakte van circa 156 m2. Daarnaast wordt er een terras van circa 57 m2 aangelegd. Om de capaciteit van de beoogde hemelwatervoorziening te kunnen berekenen, wordt uitgegaan van een te bebouwen en verharden oppervlak van circa 213 m². Dit oppervlak impliceert een hoeveelheid te bufferen en af te voeren hemelwater van (213 x 100 =) 21,3 m³. Uitwerking hemelwatervoorziening De percelen aan de Klassenweg ong. te Sevenum hebben een lengte van circa 52 meter. Aan de noordzijde van de nieuw te bouwen woning wordt de achtertuin van initiatiefnemers gerealiseerd.

31

Initiatiefnemers zijn voornemens om ter plekke een poel aan te leggen. Daar kan het hemelwater rechtstreeks infiltreren in de bodem waardoor wateroverlast voor derden wordt voorkomen.

Opvang schoon hemelwater In de hemelwatervoorziening wordt alleen schoon hemelwater opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren in de bodem. Door het gebruik van niet-uitlogende materialen in de bouw wordt verontreiniging van het hemelwater voorkomen. Voorkomen van wateroverlast Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in de te realiseren gebouwen kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat – bij het treffen van de juiste maatregelen – hiervan geen sprake zal zijn. Conclusie Gelet op vorenstaande vormt het aspect waterhuishouding geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

5.4 Kabels en leidingen Door het projectgebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen met een planologische beschermingszone. Er is op dat gebied derhalve geen sprake van bijbehorende (planologische) beschermingszones en/of belangen van derden op dit punt. De aanwezigheid van kabels en leidingen met betrekking tot de nutsvoorzieningen in de omgeving is evident. Indien aanpassingen aan de bestaande aansluitingen moeten worden doorgevoerd, dient met de verschillende netwerkbeheerders contact te worden opgenomen.

5.5 Wet natuurbescherming 5.5.1 Natura 2000 Natura2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In Natura2000 gebieden worden bepaalde diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving beschermd door de biodiversiteit te behouden. Natura2000 gebieden worden beschermd door de ‘Wet Natuurbescherming’. De dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden betreffen het oostelijk gelegen ‘Maasduinen’ en het westelijk gelegen ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’. De afstand tussen onderhavig plangebied en deze Natura 2000 gebieden bedraagt circa 9,63 kilometer respectievelijk 7,05 kilometer. Ter plaatse van onderhavig plangebied zelf is geen Natura2000-gebied aanwezig.

32

Figuur 17: Kaart ‘Natura2000’ van Atlas Limburg met aanduiding plangebied

Met inachtneming van onderhavige planontwikkeling is de effectenindicator geraadpleegd. Onderhavige locatie is momenteel onbebouwd en in gebruik als weiland. Het voornemen is om ter plekke van onderhavig perceel een nieuwe vrijstaande woning op te richten.

Figuur 18: Uitsnede effectenindicator ‘Maasduinen’

33

Figuur 19: Uitsnede effectenindicator ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’

Onderstaand is per storingseffect beschreven of dit effect aan de orde is als gevolg van de activiteiten van de initiatiefnemers in het plangebied:  Oppervlakteverlies: Het plangebied ligt buiten de Natura 2000-gebieden ‘Maasduinen’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten zijn er geen effecten op dit Natura 2000-gebied. Er is geen sprake van oppervlakteverlies of versnippering van habitat- of foerageergebied;  Verontreiniging: Verontreiniging kan plaatsvinden via bodem, water of lucht. De beoogde ontwikkeling leidt tot een beperkte toename van verkeersbewegingen ter plaatse. Daarnaast is de bouwfase van de nieuwe woning slechts tijdelijk van aard. Daar komt bij dat onderhavig plangebied op ruime afstand van de Natura2000-gebieden ‘Maasduinen’ en ‘Deurnsche Peel & Mariapeel’ is gelegen.  Verstoring door geluid: Ter plaatse van onderhavig plangebied is momenteel de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ van kracht. Het voornemen is om ter plaatse van onderhavig plangebied een bestemmingswijziging door te voeren zodat ter plekke woondoeleinden mogelijk worden. Met inachtneming van de ligging van onderhavig plangebied leidt deze bestemmingswijziging niet tot een extra verstoring van geluid.

 Verstoring door licht: Gelet op de ligging, het gebruik en de afstand van de woning tot de Natura 2000 gebieden hebben de activiteiten in en bij de woning geen verstoring tot gevolg op Natura 2000 gebieden voor wat betreft dit aspect.  Optische verstoring: Optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem. Dit leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. Onderhavig plangebied bevindt zich op minimaal 7 kilometer afstand van het meest dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied en op een dergelijke afstand worden beschermde dieren niet verstoord.  Verstoring door mechanische effecten: Er is geen sprake van mechanische effecten in de vorm van golfslag, luchtwervelingen etc.

34

Daarnaast ligt onderhavig plangebied buiten de begrenzing van het Nationaal Natuur Netwerk. Daar komt bij dat onderhavige planontwikkeling niet tot gevolg heeft dat bomen worden verwijderd. Dat betekent dat de hierbij horende wet- en regelgeving niet van toepassing is. Mogelijke schadelijke effecten op Natura 2000-gebied Het Programma Aanpak Stikstof (hierna: het PAS) is in het leven geroepen om enerzijds ruimte te bieden voor economische ontwikkelingen, maar tegelijkertijd ook te voorzien in maatregelen die nodig zijn voor het behoud en herstel van Natura 2000-gebieden. Het PAS is op 1 juli 2015 in werking getreden. Recent heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State beslist dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet gebruikt mag worden als basis om toestemming te verlenen voor activiteiten die leiden tot een stikstoftoename ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen en soorten in Natura 2000-gebieden. Als een project significant negatieve effecten kan veroorzaken op stikstofgevoelige habitattypen en soorten in een Natura 2000-gebied als gevolg van stikstof of andere effecten is een vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming vereist.

Omdat stikstofemissie mogelijk een effect kan veroorzaken op Natura 2000-gebieden, dient een toets te worden uitgevoerd of de realisatiefase en de gebruiksfase van de nieuw te realiseren woning, mogelijk vergunningplichtig zijn in het kader van de Wet Natuurbescherming. Derhalve is een stikstofonderzoek uitgevoerd waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de realisatiefase en de gebruiksfase. De rapportage hiervan is opgenomen in bijlage 3. Voor de realisatiefase wordt onderscheid gemaakt tussen de werktuigen die ter plekke van onderhavig plangebied worden ingezet gedurende de realisatiefase en het aantal verkeersbewegingen gedurende deze fase. Rekening houdend met de gebruiksfase staat voorop dat rekening wordt gehouden met het toenemend aantal verkeersbewegingen. Op basis van de Aerius-berekening kan worden geconcludeerd dat zowel voor de realisatiefase als de gebruiksfase negatieve effecten op instandhoudingsdoelen van de Natura 2000-gebieden ten gevolge van stikstof kunnen worden uitgesloten. Derhalve kan worden geconcludeerd dat het aspect stikstof geen belemmeringen oplevert voor onderhavig planvoornemen.

5.6 Flora en fauna 5.6.1 Algemeen Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er gelden een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten. Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

35

Figuur 20: Natuurgegevens provincie Limburg met aanduiding plangebied

Initiatiefnemers zijn voornemens om ter plekke van onderhavig perceel aan de Klassenweg een vrijstaande woning te realiseren. Met inachtneming van deze ontwikkeling zijn de in kaart gebrachte natuurgegevens van de Provincie Limburg geraadpleegd. Ter plekke van onderhavig plangebied zelf zijn blijkens deze gegevens geen beschermde soorten flora en fauna waargenomen. De natuurgegevens van de Provincie Limburg spitsen zich toe op vogels en flora. Eventueel is onderhavige ontwikkeling van invloed op mogelijk ter plaatse aanwezige zoogdieren. In dit verband wordt in paragraaf 5.5.1 van voorliggende toelichting nader ingegaan op ter plaatse mogelijk voorkomende diersoorten. Tevens wordt daar inzichtelijk gemaakt of storingseffecten aan de orde zijn. Geconcludeerd wordt dat onderhavige ontwikkeling niet leidt tot oppervlakteverlies, verontreiniging, verstoring door geluid en licht, optische verstoring dan wel verstoring door mechanische effecten. Daarnaast maakt onderhavig perceel deel uit van het leefgebied van de steenuil. Vooropgesteld moet worden dat bij de uitvoering van het bouwplan geen potentiële nestlocaties van de steenuil verloren gaan omdat binnen het plangebied geen bomen worden gekapt dan wel hagen en struiken worden verwijderd.

Wanneer men aanvullend de Nationale Databank Flora en Fauna raadpleegt, komt naar voren dat de steenuil in de omgeving van de planlocatie, in de periode 2013 tot en met 2019, zeker 15 keer waargenomen. Aan de hand daarvan wordt geconcludeerd dat onderhavig perceel is gelegen in het leefgebied van de steenuil.

36

Figuur 21: Uitsnede Nationale Databank Flora en Fauna

Op 15 september 2020 is ook een steenuil waargenomen in Sevenum. In onderstaande figuur wordt inzichtelijk gemaakt op welke gronden de steenuil destijds is waargenomen. Deze locatie is gelegen aan de noordwestzijde van de kern Sevenum, op een afstand van ruim 1 kilometer van het plangebied. Aangezien onderhavig perceel in gebruik is als weiland, vormen deze gronden een geschikt leefgebied voor de steenuil. In de directe omgeving van het plangebied en op de locatie waar de steenuil is waargenomen zijn grote hoeveelheid vergelijkbare weides aanwezig waardoor het plangebied redelijkerwijs niet als essentieel leefgebied voor de steenuil dient.

Figuur 22: Uitsnede waarneming steenuil

37

Desalniettemin wensen initiatiefnemers op hun perceel een nestlocatie te creëren voor de steenuil. Derhalve wordt beoogd om een nestkast voor steenuilen op te hangen ter plaatse van de boomgroep met walnotenbomen en een perenboom welke centraal aan de achterzijde van het perceel worden beoogd. Hoogstamfruitbomen, knotbomen, walnotenbomen en eikenbomen zijn namelijk erg geschikt voor de plaatsing van een nestkast voor steenuilen. De nestkast dient in de lengterichting op een dikke tak te worden geplaatst zodat de jongen gemakkelijk de kast in en uit kunnen lopen. In het landschapsplan, bijgevoegd als bijlage 1, is geborgd dat in de boomgroep met walnotenbomen en een perenboom een nestkast voor de steenuil wordt geplaatst. Geconcludeerd kan worden dat met betrekking tot het aspect flora- en fauna geen belemmeringen aanwezig zijn ten behoeve van onderhavige ontwikkeling.

5.7 Archeologie en cultuurhistorie 5.7.1 Archeologie Archeologische waarden zijn bij wet beschermd (Monumentenwet 1988, hoofdstuk vijf ‘Archeologische monumentenzorg’). Gemeenten zijn verantwoordelijk voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus het bevoegde gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen. Voorheen werd dit door de provincie gedaan, maar deze beperkt zich momenteel tot zaken die van provinciaal belang zijn. Voor (gemeentelijke) bestemmingsplannen (daaronder tevens begrepen: wijzigingsplannen) betekent dit concreet het volgende:  de gemeenteraad dient bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden en monumenten;  in een bestemmingsplan kan in het belang van de archeologie een vergunningenstelsel worden opgenomen. De aanvrager van een vergunning, waarbij bodemverstoring plaats vindt, kan langs de weg van het bestemmingsplan de verplichting krijgen tot het laten uitvoeren van een archeologisch (voor)onderzoek. Zo nodig kunnen aan dergelijke vergunningen regels worden verbonden ter bescherming van de archeologische waarden en monumenten. De gemeente Horst aan de Maas beschikt over de ‘Erfgoedverordening Horst aan de Maas 2010’. Deze verordening biedt een soort voorbescherming voor archeologische waarden.

In de verordening wordt de mogelijkheid geboden om archeologische monumenten en verwachtingszones aan te wijzen en deze te verbinden aan categorieën regels en voorwaarden. De regels en voorwaarden overeenkomstig de verordening dienen te worden verwerkt in de regels van nieuw op te stellen bestemmings-/wijzigingsplannen. Gelet op de archeologische monumenten- en verwachtingskaart van de gemeente liggen de gronden binnen ‘Categorie 3: Hoge archeologische verwachting)’.

38

Figuur 23: Uitsnede archeologische monumenten- en verwachtingskaart gemeente Horst aan de Maas met aanduiding plangebied

Ter plekke van onderhavig plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ van kracht op grond van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Op basis van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ geldt geen archeologische onderzoeksverplichting indien de bodemverstoring als gevolg van het bouwen minder diep reikt dan 50 centimeter en geen heiwerkzaamheden plaatsvinden, dan wel de oppervlakte van nieuwe bebouwing kleiner is dan 500 m2. Met inachtneming van de ter plaatse geldende dubbelbestemming en de omvang van het plangebied heeft de gemeente Horst aan de Maas aangegeven dat onderhavige locatie onderzoeksplichtig is voor het aspect archeologie. In het kader van voorliggende ontwikkeling heeft Aeres Milieu B.V. een archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek uitgevoerd; bijgevoegd als bijlage 4. In dit onderzoek wordt aangegeven dat het plangebied is geroerd tot minimaal 20 centimeter in de top van de C-horizont. De oorspronkelijke bodemopbouw is verdwenen en volledig opgenomen in de bovenliggende ploeglagen. Er zijn nergens resten aangetroffen van een intacte inspoelingshorizont (B-horizont) of van een bovenliggende uitspoelingshorizont (E-horizont). Dit heeft tot gevolg dat eventuele vondstniveaus en minder diepe sporen niet langer in situ aanwezig zullen zijn.

Het kan niet worden uitgesloten dat eventueel aanwezige diepere sporen nog aangetroffen kunnen worden. Echter door het ontbreken van een duidelijke context en een aantasting van de sporen zullen deze slechts een beperkte bijdrage leveren aan het bestaande kennisniveau. Derhalve wordt een archeologisch vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht. Het aspect archeologie vormt dan ook geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

5.7.2 Cultuurhistorie Blijkens de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Limburg is onderhavig plangebied gelegen op historische enkeerdgrond. Daarnaast is in de nabije omgeving van onderhavig plangebied een weg ouder dan 1806 gelegen evenals oude akkergrenzen. Onderhavig planvoornemen heeft echter geen invloed op de cultuurhistorisch waardevolle elementen ter plaatse. De ontwikkelingen in het plangebied zijn niet van invloed op de enkeerdgrond en het profiel en/of het verloop van nabijgelegen historische wegen.

39

Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn er geen belemmeringen voor de realisering van onderhavig bouwplan.

5.7.3 Conclusie Archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor het planvoornemen. Worden er tijdens de werkzaamheden wel vondsten aangetroffen, dan dient dit gemeld te worden bij bevoegd gezag.

5.8 Verkeer en parkeren Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. In dat verband mag de verkeersgeneratie vanwege een ruimtelijke ontwikkeling niet leiden tot verkeersproblemen, alsook dient de extra parkeerbehoefte op eigen terrein te kunnen worden opgevangen.

5.8.1 Verkeersstructuur Initiatiefnemers zijn voornemens om aan de Klassenweg ong. te Sevenum een grondgebonden vrijstaande woning te realiseren. Deze locatie is ten zuiden van de kern Sevenum gelegen. De Klassenweg vormt een oostelijke aftakking van de Maasbreeseweg. De Klassenweg vormt één van de verbindingswegen naar de Zeesweg. Het bestaande wegennet is zodanig dat het de verkeersstromen als gevolg van de nieuwe vrijstaande burgerwoning probleemloos kan opvangen.

5.8.2 Parkeren De parkeernormen die door de gemeente Horst aan de Maas worden gehanteerd, zijn vastgelegd in de ‘Nota Parkeernormen Horst aan de Maas’. In deze beleidsnota wordt voor elke voorziening aangegeven hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn om een ontwikkeling mogelijk te maken. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt tussen de gebieden ‘centrum’, ‘rest bebouwde kom’ en ‘buiten bebouwde kom’. Onderhavig plangebied is gelegen in ‘rest bebouwde kom’. Voor het realiseren van een woonhuis in ‘rest bebouwde kom’ geldt een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Onderhavig planvoornemen ziet onder andere op het realiseren van een garage waar één auto droog kan worden gestald. Daarnaast is op het buitenterrein eveneens voldoende ruimte beschikbaar voor het parkeren van minimaal één auto. Geconcludeerd moet worden dat de parkeerbehoefte op eigen terrein kan worden opgevangen waardoor zich parkeerproblemen in de openbare ruimte ten gevolge van onderhavige ontwikkeling niet voordoen.

5.9 Duurzaamheid Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen. Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig). Duurzaam bouwen heeft een volwaardige plaats in het ontwerp, het bouwen en beheren van de bebouwing. Tijdens de bouw kan door zuinig om te gaan met bouwmaterialen worden voorkomen dat er onnodig afval ontstaat.

40

In onderhavig plan zijn met name de bouwkundige aspecten van belang. Deze zullen verder worden uitgewerkt in de aanvraag van de omgevingsvergunning activiteit bouwen.

41

HOOFDSTUK 6 - UITVOERBAARHEID 6.1 Economische uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

6.1.1 Grondexploitatie Algemeen Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van den openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden. Exploitatieplan Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat. Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden:  het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd;  het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden;  het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden;  het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen;  het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel. De gemeente Horst aan de Maas sluit een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemers van het project. Hiermee is het kostenverhaal anderszins geregeld.

42

6.1.2 Planschade Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een ontwikkeling schade lijdt. Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een ontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een ontwikkeling wijzigen van het bestemmingsplan of verlenen van een omgevingsvergunning. De gemeente Horst aan de Maas sluit een planschadeverhaalsovereenkomst met initiatiefnemers. Eventuele tegemoetkomingen in planschade zijn dan ook niet voor rekening van de gemeente Horst aan de Maas.

6.2 Handhaving 6.2.1 handhavingsbeleid Bij de totstandkoming van onderhavig bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de voorgeschreven regels. Een aantal factoren is van belang voor een goed handhavingsbeleid.

6.2.2 Kenbaarheid bestemmingsplan Bekendmaking van de plannen voor het gebied aan de omliggende bewoners en waar mogelijk rekening houden met de ingebrachte opmerkingen.

6.2.3 Inzichtelijke en realistische regelgeving Een bestemmingsplan is een juridische regeling die inzichtelijk en realistisch dient te zijn. Het plan moet helder van opzet en niet onnodig beperkend of star zijn. Daarbij zullen de regeling en de bepaling welke hierin zijn opgenomen handhaafbaar moeten zijn. Dit betekent dat de regels duidelijk zijn en er niet meerdere interpretaties kunnen voortvloeien uit de omschrijvingen. Daarom zijn de regels ook inhoudelijk getoetst op de handhaafbaarheid ervan. Het bestemmingsplan Klassenweg ong. te Sevenum is onder meer voorzien van een duidelijke plankaart.

6.2.4 Actief handhavingsbeleid Het handhavingsbeleid van de gemeente Horst aan de Maas is vastgelegd in een Handhavingsbeleidsplan Horst aan de Maas-Venray. In deze beleidsvisie en de bijbehorende stukken wordt de totale handhaving van wet en regelgeving welke binnen de gemeente wordt uitgevoerd gereguleerd. Ook de handhaving van bestemmingsplannen is daarin meegenomen.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Middels voorliggende toelichting wordt aangetoond dat bij onderhavig planvoornemen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De uitgangspunten voor het beleid, zoals opgenomen in onderhavig bestemmingsplan zijn terug te

43

vinden in het vigerende bestemmingsplan. Over het beleid is reeds consensus bereikt. Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Horst aan de Maas heeft in haar schrijven van 17 september 2020 aangegeven onder voorwaarden in te kunnen stemmen met de voorgenomen ontwikkelingen. Middels onderhavig bestemmingsplan en bijbehorende onderzoeken is verzekerd dat de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied realiseerbaar en maatschappelijk verantwoord zijn. Het uit te voeren landschapsplan speelt hierin een belangrijke rol. Gezien het voorgaande wordt het plan maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

44

45

HOOFDSTUK 7 - JURIDISCHE TOELICHTING 7.1 Planstukken 7.1.1 Algemeen Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Behalve een vernieuwd stelsel voor processen voor de ruimtelijke ordening in Nederland, zijn met de inwerkingtreding van de Wro ook de resultaten van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen) wettelijk verankerd. Dit houdt in dat nagenoeg alle instrumenten uit de Wro door bronhouders digitaal beschikbaar zijn, waardoor de bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar worden. Hiervoor is het pakket ‘RO Standaarden 2012’ ontwikkeld, dat wettelijk is vastgelegd in de bij de Wro behorende ‘Regeling standaarden ruimtelijke ordening’. Vergelijkbaarheid van bestemmings- en inpassingsplannen wordt door de SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012) op drie manieren gerealiseerd:  er is een begrippenkader gegeven dat in de plannen toegepast moet worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om lijsten van bestemmingshoofdgroepen met mogelijke gebruiksdoelen, dubbelbestemmingen, aanduidingen, indeling van regels etc. Voor het hanteren van het begrippenkader is geen specifieke software vereist;  er is een verplichte ‘analoge verbeelding’ voorgeschreven, hetgeen inhoudt de manier waarop het plan op papieren kaarten moet worden getoond. Er zijn dwingende regels inzake de opmaak van het plan.

Voor het opmaken van plannen is in de praktijk speciale software benodigd;  er is een verplichte ‘digitale verbeelding’ voorgeschreven, waarmee wordt gedoeld op het tonen van het plan in een digitale omgeving (website). Vanaf 1 januari 2010 dient een bestemmingsplan digitaal raadpleegbaar en uitwisselbaar te zijn. Voorliggend bestemmingsplan voldoet aan deze digitaliseringverplichting.

7.1.2 Opbouw bestemmingsplan Een bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en verbeelding vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderling verband te worden bezien. De regels en de verbeelding zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden, aangezien op de verbeelding de bestemmingen visueel zijn weergegeven en de regels onder andere het gebruik en de bouwmogelijkheden bij deze bestemmingen geven.

7.1.3 Toelichting De toelichting van het bestemmingsplan heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het totale plan. De toelichting geeft namelijk een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten zoals deze aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting een belangrijk hulpmiddel bij de interpretatie van het bestemmingsplan.

7.1.4 Toelichting op de regels Conform de SVBP2012 dienen de regels van een bestemmingsplan volgens een bepaalde opbouw te worden opgesteld, waarbij opgemerkt dient te worden dat niet elk bestemmingsplan alle elementen van navolgende opbouw bevat:

46

-

Hoofdstuk 1: Inleidende regels o Begrippen o Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels o Bestemmingen o Voorlopige bestemmingen o Uit te werken bestemmingen o Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels o Anti-dubbeltelregel o Algemene bouwregels o Algemene gebruiksregels o Algemene aanduidingsregels o Algemene afwijkingssregels o Algemene wijzigingsregels o Verwezelijking in de naaste toekomst o Algemene procedureregels o Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels o Overgangsrecht o Slotregel De regels van de verschillende bestemmingen worden als volgt opgebouwd, waarbij eveneens geldt dat een bestemmingsregel niet alle elementen hoeft te bevatten: Bestemmingsomschrijving Bouwregels Nadere eisen Afwijken van de bouwregels Specifieke gebruiksregels Afwijken van de gebruiksregels Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk Wijzigingsbevoegdheid Vorenstaande gestandaardiseerde opbouw is gehanteerd bij het opstellen van de regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan. Daarnaast is gebruik gemaakt van het rapport Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP2012)’ en de nota ‘Bestemmingsplannen van de gemeente Horst aan de Maas – Uitgangspunten voor de bureaus’.

De inhoud van de regels is onder andere gebaseerd op de regels behorende bij het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ (het ‘moederplan’). Vanwege de specifieke situatie van voorliggende planontwikkeling is een aantal regels afwijkend c.q. aanvullend op de door de gemeente gehanteerde standaarden.

7.1.5 Toelichting op de verbeelding De ‘vroegere’ plankaart wordt in het kader van het huidige planologische regime aangeduid als ‘verbeelding’. Op een verbeelding wordt de grens van het plangebied weergegeven waarbinnen onder meer de verschillende (dubbel)bestemmingen, bouwvlakken en bouw-/functie/maatvoeringsaanduidingen (en de ligging daarvan) visueel zijn weergegeven.

47

De verbeelding met betrekking tot voorliggend bestemmingsplan is ingetekend op schaal 1:500. Verder voorziet bijbehorende verbeelding in de naam van voorliggend bestemmingsplan en een tekeningnummer. Dit zijn verplichtingen in het kader van de Wet ruimtelijke ordening. De verbeelding is direct (juridisch) verbonden met de bijbehorende regels. In deze regels worden de condities en voorwaarden gesteld behorende bij de verschillende bestemmingen.

48

HOOFDSTUK 8 - BIJLAGEN 1. Landschapsplan d.d. 17 februari 2021; 2. Verkennend bodem- en asbestonderzoek d.d. 3 december 2020 (kenmerk: E200269.009/HWO); 3. Stikstofonderzoek d.d. 24 februari 2021 (kenmerk: M200251.002.001/GHO); 4. Archeologisch bureau- en verkennend veldonderzoek door middel van boringen d.d. 31 maart 2021 (kenmerk: AM21074).

49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10229570/2