CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c Bp Klassenweg Toelichting

Gemeenteraad 13 juli 2021, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van het bestemmingsplan Klassenweg 25, Sevenum.13.564 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan ‘Klassenweg 25, Sevenum’ - toelichting Vastgesteld 13 juli 2021 NL.IMRO.1507.SNKLASSENWEG25-BPV1

INHOUD HOOFDSTUK 1 - INLEIDING............................................................................... 1 1.1

Aanleiding en doel van het bestemmingsplan ................................................................ 1

1.2

Ligging en begrenzing plangebied .................................................................................. 2

1.3

Vigerende bestemmingsplannen .................................................................................... 4

1.4

Leeswijzer ....................................................................................................................... 4

HOOFDSTUK 2 - BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED ............................. 5 2.1

Algemeen ........................................................................................................................ 5

2.2

Ruimtelijke structuur........................................................................................................ 5

2.3

Functionele structuur ....................................................................................................... 6

2.4

Historische ontwikkeling en cultuurhistorie ..................................................................... 6

HOOFDSTUK 3 - BELEID.................................................................................... 9 3.1

Inleiding ........................................................................................................................... 9

3.2

(Europees) en Rijksbeleid ............................................................................................... 9

3.3

Provinciaal beleid .......................................................................................................... 11

3.4

Regionaal beleid ........................................................................................................... 13

3.5

Gemeentelijk beleid....................................................................................................... 15

3.6

Conclusie ...................................................................................................................... 17

HOOFDSTUK 4 - PLANBESCHRIJVING .......................................................... 18 4.1

Uitgangspunten en doelstellingen van het plan ............................................................ 18

4.2

Stedenbouwkundige/ruimtelijke aspecten..................................................................... 19

4.3

Landschappelijke inpassing .......................................................................................... 20

HOOFDSTUK 5 - SECTORALE ASPECTEN .................................................... 22 5.1

Inleiding ......................................................................................................................... 22

5.2

Milieuaspecten .............................................................................................................. 22

5.3

Waterparagraaf ............................................................................................................. 30

5.4

Kabels en leidingen ....................................................................................................... 32

5.5

Wet natuurbescherming ................................................................................................ 32

5.6

Flora en fauna ............................................................................................................... 35

5.7

Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................... 38

5.8

Verkeer en parkeren ..................................................................................................... 40

5.9

Duurzaamheid ............................................................................................................... 40

HOOFDSTUK 6 - UITVOERBAARHEID ............................................................ 42 6.1

Economische uitvoerbaarheid ....................................................................................... 42

1

6.2

Handhaving ................................................................................................................... 43

6.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................ 43

HOOFDSTUK 7 - JURIDISCHE TOELICHTING ................................................ 46 7.1

Planstukken ................................................................................................................... 46

HOOFDSTUK 8 - BIJLAGEN ............................................................................. 49

2

HOOFDSTUK 1 - INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel van het bestemmingsplan Dhr. en mw. Van der Linden (hierna: ‘initiatiefnemers) beschikken over een tweetal percelen aan de Klassenweg ong. te Sevenum. Deze liggen aansluitend gelegen aan de woningen Klassenweg 23 en Klassenweg 27. Onderhavige locatie is kadastraal bekend als gemeente Sevenum – sectie L – nummer 1732 (gedeeltelijk) en gemeente Sevenum – sectie S – nummer 218 (gedeeltelijk). Onderhavige percelen zijn gelegen aan de rand van de kern Sevenum en vormen een open plek in het bebouwingslint van de Klassenweg. Ter plaatse van onderhavige percelen is geen bebouwing aanwezig waardoor onderhavige gronden momenteel in gebruik zijn als grasland. Initiatiefnemers hebben de wens om ter plaatse van onderhavige percelen een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken te realiseren. In dat verband kan worden vastgesteld dat de ligging van onderhavige locatie wordt aangemerkt als een inbreidingslocatie, daar deze een open plek binnen de bestaande bebouwingsstructuur van de Klassenweg vormt.

Figuur 1: Uitsnede topografische kaart met aanduiding plangebied

Omdat het geldende bestemmingsplan het realiseren van een nieuwe vrijstaande woning niet direct toelaat, is een principeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders. Naar aanleiding van het ingediende principeverzoek heeft het college van burgemeester en wethouders een positief standpunt ingenomen. Dit is verwoord in de brief van 17 september 2020 (kenmerk: 200097836). De gemeente heeft initiatiefnemers aanbevolen om ten behoeve van het voornemen een bestemmingsplanprocedure te doorlopen. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor onderhavige bestemmingsplanwijziging.

1

1.2 Ligging en begrenzing plangebied Onderhavig plangebied is gelegen binnen de grenzen van de gemeente Horst aan de Maas. Concreet is onderhavige locatie gelegen aan de rand van de kern Sevenum. Sevenum is ten zuiden van Tongerlo gelegen en ten oosten van Kronenberg. Daarnaast wordt Sevenum aan de oostzijde begrensd door bedrijventerrein ‘Trade Port West’. Voorts is relevant dat onderhavig perceel deel uitmaakt van het bebouwingslint ter plaatse van de ‘Klassenweg’. Daarnaast kenmerkt onderhavige locatie zich als een inbreidingslocatie omdat onderhavig perceel geheel wordt omringd door woningen. Initiatiefnemers zijn voornemens om aan de wegzijde van onderhavige locatie een vrijstaande woning te realiseren. In onderstaande figuur wordt gevisualiseerd aangegeven welke gronden tot het plangebied behoren.

Figuur 2: Luchtfoto met aanduiding plangebied

Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Sevenum – sectie L – nummer 1732 (gedeeltelijk) en gemeente Sevenum – sectie S – nummer 218 (gedeeltelijk).

Figuur 3: Kadastrale kaart met aanduiding plangebied

2

Ter plekke van onderhavig perceel is momenteel geen bebouwing en geen begroeiing aanwezig. Wel zijn aan de rand van onderhavig plangebied enkele bomen en hagen aanwezig. De bestaande situatie (grasland) wordt weergegeven aan de hand van navolgende foto’s.

Figuur 4: Foto’s bestaande situatie

3

1.3 Vigerende bestemmingsplannen Ter plekke van onderhavig plangebied vigeert het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’, vastgesteld door de gemeenteraad van Horst aan de Maas op 19 december 2017. Ter plekke van onderhavige locatie is de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ van kracht. De voor ‘Agrarisch met waarden’ aangewezen gronden zijn in hoofdzaak bestemd voor agrarisch bedrijfsmatig grondgebruik en agrarisch hobbymatig grondgebruik. Voorts geldt de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone – velden’. De situatie wordt verduidelijkt aan de hand van de volgende figuur.

Figuur 5: Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied

Met inachtneming van het geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ is het realiseren van een vrijstaande woning op onderhavige locatie niet mogelijk. Het bestemmingsplan biedt geen binnenplanse afwijkings- danwel wijzigingsbevoegdheden voor het college van burgemeester en wethouders om alsnog een woning mogelijk te maken. De planontwikkeling is enkel mogelijk middels het doorlopen van een separate bestemmingsplanprocedure. Voorliggend document voorziet in een toelichting op bijbehorende regels en verbeelding voor de benodigde bestemmingsplanherziening.

1.4 Leeswijzer In de hierna volgende hoofdstukken van dit bestemmingsplan komen onder meer de volgende elementen aan de orde:     

Beschrijving van het plangebied (hoofdstuk 2) Beleidskaders (hoofdstuk 3) Planbeschrijving (hoofdstuk 4) Sectorale aspecten (hoofdstuk 5) Uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6)

Juridische toelichting (hoofdstuk 7)

4

HOOFDSTUK 2 - BESCHRIJVING VAN HET PLANGEBIED 2.1 Algemeen In onderhavig hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het plangebied.

2.2 Ruimtelijke structuur Het plangebied is gelegen aan de Klassenweg, gelegen aan de rand van de kern Sevenum. Sevenum is ten zuiden van Tongerlo gelegen en ten oosten van Kronenberg. Daarnaast wordt Sevenum aan de oostzijde begrensd door bedrijventerrein ‘Trade Port West’. Onderhavige locatie is via de Klassenweg goed bereikbaar vanaf de Maasbreeseweg. Op korte afstand zijn eveneens de snelwegen A73 en de A67 goed bereikbaar. Onderhavig plangebied is gelegen aan de rand van de kern Sevenum. De directe omgeving van onderhavig plangebied kenmerkt zich door een afwisseling van burgerwoningen, agrarische bedrijven en glastuinbouw in de nabije omgeving. Daarnaast zijn de nabijgelegen onbebouwde gronden hoofdzakelijk in gebruik als landbouwgrond.

Figuur 6: Luchtfoto met aanduiding plangebied

5

2.3 Functionele structuur Onderhavige ontwikkeling wordt voorzien op de percelen, kadastraal bekend als gemeente Sevenum – sectie L – nummer 1732 (gedeeltelijk) en gemeente Sevenum – sectie S – nummer 218 (gedeeltelijk). Deze percelen hebben een oppervlak van 1.623 m 2 en zijn bestemd tot ‘Agrarisch met waarden’. Het voornemen is om ter plaatse van een deel van deze gronden een bestemmingswijziging door te voeren om ter plekke woningbouw mogelijk te maken. Concreet wordt beoogd om een oppervlakte van 750 m2 geschikt te maken voor woondoeleinden. Onderhavige percelen zijn momenteel onbebouwd en in gebruik als grasland. In onderstaande figuren wordt de ligging van onderhavig plangebied inzichtelijk gemaakt.

Figuur 7: Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied

2.4 Historische ontwikkeling en cultuurhistorie Op basis van divers kaartmateriaal kan de geschiedenis en de ontwikkeling van de directe ontwikkeling van onderhavig plangebied in beeld worden gebracht. De omgeving van onderhavig plangebied werd rond 1900 gekarakteriseerd als een agrarisch gebied waarbij agrarisch grondgebruik voorop stond. Daarnaast zijn in de nabije omgeving boerderijen aanwezig. Daarnaast ziet men dat rond 1950 de hoeveelheid bebouwing ten oosten en ten westen van onderhavig plangebied is toegenomen. Rond 1980 is de hoeveelheid bebouwing aan de zuidzijde van onderhavig plangebied eveneens beperkt toegenomen. Tot slot kan worden gewezen op het feit dat de bebouwingsstructuur en de bebouwingsmassa sinds 2011 sterk is gegroeid.

6

Uitsnede topografische kaart (jaartal 1900) met aanduiding plangebied

Uitsnede topografische kaart (jaartal 1950) met aanduiding plangebied

Uitsnede topografische kaart (jaartal 1980) met aanduiding plangebied

7

Figuur 8: Uitsnede topografische kaart (jaartal 2011) met aanduiding plangebied

8

HOOFDSTUK 3 - BELEID 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciale en gemeentelijke beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor de beschrijving van het provinciale beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) en Omgevingsverordening Limburg (OvL). Het gemeentelijke beleid is o.a. ontleend aan de ’Structuurvisie Horst aan de Maas’ en het ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’.

3.2 (Europees) en Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is op 13 maart 2012 vastgesteld, waarin de toekomstvisie wordt gegeven van het kabinet met betrekking tot onder andere de ruimtelijke ordening. Deze structuurvisie vervangt (onder andere) de Nota Ruimte. Hiernavolgend wordt ingegaan op deze structuurvisie. De structuurvisie beschrijft de principes voor de ruimtelijke inrichting in Nederland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beoogde ambities tot en met 2040. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid aangegeven, waarbij de nationale ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een grote rol speelt. In deze structuurvisie wordt benadrukt dat het van het grootste belang is dat de concurrentiepositie van Nederland verbetert. Hiertoe is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd, te weten: 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland; 2. het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid; 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Om de regeldruk te verlagen heeft het kabinet besloten dat de ruimtelijke afwegingen zo dicht mogelijk bij de burger plaats moet vinden.

Daarom zal er op basis van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar gestreefd worden om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden bij de gemeenten en provincies onder te brengen. Het Rijk zal zeer terughoudend, en met name achteraf, bij het toezicht betrokken zijn. Er zijn echter wel enkele ontwikkelingen waarbij het Rijk bij voorbaat al aangeeft dat er een Rrijksverantwoordelijkheid aan de orde kan zijn. Een Rrijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien een onderwerp nationale baten/lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Voorbeelden hiervan zijn ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainport en greenports. Maar ook onderwerpen waarover internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed. Daarnaast kunnen ook onderwerpen die provincie- of landgrensoverschrijdend of een hoog afwentelingsrisico kennen een Rijksverantwoordelijkheid zijn. Ontwikkelingen die niet onder het bovenstaande vallen zullen in principe alleen achteraf gecontroleerd worden door het Rijk. Rijkswaterstaat en de ministeries van Defensie en EL&I zullen als direct belanghebbenden wel de plannen vooraf blijven beoordelen.

9

De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleidsdoeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden. Op de ladder van duurzame verstedelijking met betrekking tot voorliggende planontwikkeling wordt nader ingegaan in paragraaf 4.2.3 van voorliggende toelichting. Het Rijk streeft met het opstellen van de structuurvisie een goed werkende woningmarkt in Nederland na. Dit wil zeggen dat er qua omvang, kwaliteit en differentiatie een goede balans dient te zijn. Bovendien dient er ruimte te zijn voor het in stand houden van de bereikbaarheid van Nederland en dient er rekening gehouden te worden met het behoud van de natuur. Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.

De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld. De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ is opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, Besluit ruimtelijke ordening en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De ladder voor duurzame verstedelijking is door de provincie verankerd in de Omgevingsverordening Limburg 2014 (OvL2014) in artikel 2.2.2, lid 1. Aanvullend op deze ladder heeft de provincie daarin bepaald dat tevens de mogelijkheden van herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen moet worden onderzocht. Uitgangspunt voor toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking is dat sprake dient te zijn van een stedelijke ontwikkeling. Conform artikel 2.2.1 van de OvL2014 is de definitie van een stedelijke ontwikkeling een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.

Onderhavige planontwikkeling betreft het kunnen realiseren van één vrijstaande woning. Op basis van jurisprudentie (o.a. uitspraak Raad van State d.d. 28 juni 2017, 201608869/1/R3) is gebleken dat het realiseren van één of enkele woningen niet wordt gezien als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, Bro. Voorliggende planontwikkeling wordt derhalve niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze bepaling van het Bro, zodat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing is. Gelet op het vorenstaande levert onderhavige ontwikkeling geen strijd op met het Rijksbeleid.

10

3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Barro voorziet in de juridische borging van het nationale ruimtelijke beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro is de afgelopen jaren op bepaalde punten aangevuld en gewijzigd. Bij besluit van 8 december 2016 zijn in het Barro enkele wijzigingen doorgevoerd in verband met de inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming (stb. 2016, nr. 513). Navolgende onderwerpen met nationaal belang zijn opgenomen in het Barro:  project Mainportontwikkeling Rotterdam;  kustfundament en de daarbuiten gelegen primaire waterkeringen;  grote rivieren en rijksvaarwegen en de veiligheid daarom heen;  toekomstige rivierverruiming van de Maastakken;  Waddenzee en Waddengebied, en IJsselmeergebied;  verstedelijking in het IJsselmeer;  defensie;  erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde;  hoofdwegen en landelijke spoorwegen;

 Elektriciteitsvoorziening;  ecologische hoofdstructuur.

3.2.3 Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) Naast het Barro is ook de Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) in werking getreden. In het Barro is bepaald dat bij ministeriële regeling verschillende militaire terreinen, gebieden, objecten en zones worden aangewezen, waar gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening mee moeten houden. In de Rarro wordt daar uitvoering aan gegeven.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL 2014) Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL 2014) vastgesteld. Dit POL is een integraal plan voor het omgevingsbeleid voor het grondgebied van de provincie Limburg. Dit houdt in dat het POL zowel een streekplan, een milieubeleidsplan, een waterhuishoudingsplan, een verkeers- en vervoersplan alsook een grondstoffenplan is. Dit plan is op 16 januari 2015 in werking getreden. Voorliggende planontwikkeling dient te worden getoetst aan het provinciale beleid zoals dit is opgenomen in het POL 2014.

3.3.2 Zoneringen (POL2014) In het POL2014 wordt het grondgebied van Limburg opgedeeld in zones. Onderhavige locatie is blijkens de kaart ‘zoneringen’ (behorende bij het POL2014) gelegen in de zone ‘Overig bebouwd gebied’.

11

Figuur 9: Uitsnede kaart Zoneringen Limburg (POL2014) met aanduiding plangebied

Overig bebouwd gebied Het ‘overig bebouwd gebied’ betreft gemengde woon-/werkgebieden met voorzieningen, deels met een stedelijk karakter, deels met een dorps karakter. De provinciale beleidsaccenten binnen deze zone zijn gericht op de transformatie van de regionale woningvoorraad, bereikbaarheid, een balans in voorzieningen en detailhandel, stedelijk groen en water en de kwaliteit van de leefomgeving. Het realiseren van een vrijstaande woning op de voorgenomen planlocatie, is in overeenstemming met het beleid voor de zone ‘Overig bebouwd gebied’.

3.3.3 Omgevingsverordening Limburg 2014 Naast de indeling in zoneringen is tevens sprake van diverse provinciale beschermingsgebieden, waarop de regelgeving op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 van toepassing is. Vooropgesteld moet worden dat ter plaatse van onderhavig plangebied geen provinciaal beschermingsgebied van toepassing is dat op basis van de Omgevingsverordening Limburg 2014 aanvullende bescherming behoeft.

12

Figuur 10: Uitsnede kaart Milieubeschermingsgebieden OvL 2014 met aanduiding plangebied

3.3.4 Limburgs Kwaliteitsmenu Voor (ruimtelijke) ontwikkelingen buiten de zogenaamde ‘rode contouren’ (waarvan in casu sprake is) is het Limburgs Kwaliteitsmenu van kracht. In dit Kwaliteitsmenu geeft de provincie de Limburgse gemeenten een handreiking op welke wijze deze om moeten gaan met ontwikkelingen in het buitengebied. Gemeenten dienen in een structuurvisie dit provinciale beleidskader te verwerken en aan te geven op welke wijze zij toepassing geven aan het Limburgs Kwaliteitsmenu. In z’n algemeenheid betreft het Limburgs Kwaliteitsmenu een beleidsregel die onder voorwaarden ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied van Limburg toestaat. Daarbij dient sprake te zijn van ‘kwaliteitswinst’. Deze kwaliteitswinst kan op diverse wijzen tot stand komen, zoals bijvoorbeeld het realiseren van een landschappelijke inpassing, het slopen van bedrijfsbebouwing of glasopstanden, het realiseren van natuur of het leveren van een financiële bijdrage in een (gemeentelijk) ‘groenfonds’. De provincie geeft in het Limburgs Kwaliteitsmenu richtlijnen en drempelwaarden voor het bepalen van de hoogte van de tegenprestatie bij verschillende soorten ruimtelijke ontwikkelingen.

3.3.5 Conclusie provinciaal beleid Gelet op het vorenstaande, vormt het provinciale beleid geen belemmering voor het beoogde project.

3.4 Regionaal beleid 3.4.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 is een visie waarmee de bestuurders van de gemeenten Beesel, Bergen, Gennep, Horst aan de Maas, Mook en Middelaar, Venlo, Venray en Peel en Maas en de provincie Limburg sturing geven aan de regionale woningmarkt. Deze ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 vormt de opvolger van de ‘Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. In de Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 wordt aangegeven dat in de regio NoordLimburg wordt gewerkt met een kwalitatieve richtlijn waaraan nieuwe woningbouwplannen moeten

13

worden getoetst. Deze kwalitatieve richtlijn omvat zes pijlers welke de kern vormen van onderhavige woonvisie. 1. Toevoegen van woningen in principe alleen in de kernen De eerste pijler van de kwalitatieve richtlijn is gericht op het realiseren van woningen dichtbij voorzieningen. Gezien de grote druk op het buitengebied vanuit andere ruimtevragers (agrarische sector, energieproductie, toerisme en recreatie, klimaat en natuur) kan een woonfunctie daar belemmerend werken. Woningbouw in de kern verdient dan ook de voorkeur. 2. Koppelkansen Het realiseren van woningen kan een middel zijn om anderen opgaven aan te pakken, waarbij gedacht kan worden aan het oplossen van leegstand of de herstructurering van ‘rotte plekken’. 3. Toevoegen van woningen leidt niet tot het vergroten van het kwetsbare woningoverschot Reeds uitgevoerde onderzoeken van Stec Groep hebben inzicht gegeven in de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en kwetsbare woningoverschotten. Naar aanleiding van deze resultaten mogen nieuwe woningbouwplannen de opgave in de aanpak van deze kwetsbare woonsegmenten niet verder vergroten. 4. Het type toe te voegen woning moet passen binnen de kwalitatieve behoefte Als uitgangspunt geldt dan alleen woningen mogen worden toegevoegd waaraan behoefte is.

Denk hierbij aan een mix van sociale- en middenhuur, levensloopbestendige woningen en andersoortige toekomstbestendige woonconcepten. 5. We streven sociaal duurzame woonconcepten na Woonconcepten die een bijdrage leveren aan ‘het zorgen voor elkaar’ hebben een pré. Veranderingen in de zorg vragen om een andere kijk op het thema wonen in relatie tot leefbaarheid. Hierbij hebben we ook oog voor de spreiding van doelgroepen dat gemengde wijken bevordert. 6. We zoeken aansluiting op de duurzaamheidsdoelen die landelijk, regionaal en lokaal gesteld zijn Hierbij kan onder andere worden gedacht aan doelstellingen op het gebied van klimaatadaptatie, energetische kwaliteit, mobiliteit, circulair bouwen, gezonde leefomgeving en gebruik duurzame bouwmaterialen. Onderhavige planontwikkeling voorziet in de toevoeging van één woning, zonder dat slechte woningvoorraad wordt geschrapt. Het betreft een moderne reguliere woning, waardoor sprake is van een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad. Het realiseren van een woning aan de Klassenweg 25 (tussen huisnummer 23 en 27) betreft de invulling van een open plek tussen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied. De woning wordt ter plaatse ingepast en afgestemd op de aanwezige ruimtelijke structuur en voltooit daarmee het straatbeeld ter plaatse. Hiermee is sprake van ‘inbreiding’ binnen bestaand bebouwd gebied.

Het voornemen is om een grondgebonden vrijstaande woning te realiseren op een open plek binnen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied, die nieuw gerealiseerd wordt en daarmee kwalitatief wel gewenst is. Er wordt daarmee voldaan aan het principe van ‘de juiste woning op de juiste plek’. Met inachtneming van bovenstaande uiteenzetting is onderhavig planvoornemen in overeenstemming met de ‘Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024’.

14

3.4.2 Conclusie regionaal beleid Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het planvoornemen niet in strijd is met het regionale beleid.

3.5 Gemeentelijk beleid 3.5.1 Structuurvisie Horst aan de Maas De gemeenteraad van Horst aan de Maas heeft op 9 april 2013 de ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’ vastgesteld. De doelstelling die de gemeente Horst aan de Maas heeft met voorliggende structuurvisie is drieledig van aard. Enerzijds dient de structuurvisie een integraal beeld te vormen van de ontwikkelingen die de gemeente voor ogen heeft voor de langere termijn. Daarnaast verschaft de gemeente inzicht in de vraag hoe zij nieuwe initiatieven afweegt en welke randvoorwaarden daarbij in acht moeten worden genomen. Tenslotte biedt de structuurvisie kansen om optimaal gebruik te maken van mogelijkheden voor het plegen van bovenplans kostenverhaal. De gemeente Horst aan de Maas streeft ernaar om de omgevingskwaliteiten te behouden en te ontwikkelen conform nationaal en provinciaal beleid. Aanvullend op dit beleid wordt grote waarde gehecht aan het open cultuurlandschap. Voor de drie beleidsmatige speerpunten van de gemeente Horst aan de Maas (agribusiness, toerisme & recreatie en leefbaarheid) is het landschap en bijbehorende omgevingskwaliteit een belangrijke factor. Het vormt namelijk de productieruimte voor de agrarische sector, het verblijfsgebied voor toeristen en recreanten en de woonomgeving voor de inwoners.

Om de speerpunten tot een succes te maken, is het van belang dat de aantrekkelijkheid van het landschap en haar omgevingskwaliteit gewaarborgd blijft en zoveel mogelijk wordt versterkt. Daarnaast wordt in de Structuurvisie Horst aan de Maas aandacht geschonken aan plannen en projecten die binnen de gemeente Horst aan de Maas een belangrijke plaats innemen en nadere aandacht krijgen. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan ‘Natuurpark Kasteelsche Bossen Reulsberg’, ‘Rivierverruimingsproject Lottum’ en ‘Reactivering Oude Maasarm Ooijen-Wanssum’.

3.5.2 Gemeentelijk Kwaliteitsmenu De gemeente Horst aan de Maas heeft de provinciale beleidsregel ‘Limburgs Kwaliteitsmenu’ als ‘Gemeentelijk Kwaliteitsmenu’ doorvertaald in haar ‘Structuurvisie Horst aan de Maas’. In deze structuurvisie wordt aangegeven dat de gemeente voornemens is om de komende jaren investeringen te doen die bijdragen aan een algemene verbetering van de woon-, leef-, en werkkwaliteiten van haar gemeente. Deze investeringen hebben daarmee een positieve uitwerking op de waardeontwikkeling van bestaand alsook nieuw te realiseren onroerend goed. De gemeente Horst aan de Maas vindt het daarom gerechtvaardigd om bij het aangaan van een overeenkomst inzake de grondexploitatie waar nodig en mogelijk ook een kwaliteitsbijdrage te vragen ten behoeve van deze gemeentelijke investeringen. Het vormt een tegenprestatie voor de verdere verdichting en verstening van locaties binnen en buiten de ‘rode contouren’. Waar realisatie van de investeringen ruimtelijk en planmatig niet op eigen terrein of directe omgeving mogelijk is en tegelijk met de nieuwe ontwikkeling kan worden gerealiseerd, dient de kwaliteitsbijdrage in de vorm van een financiële compensatie aan het Gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) te worden voldaan.

Ten behoeve van behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied, stelt de gemeente in de structuurvisie een fonds in voor het landelijk gebied. Om de omgevingskwaliteit in het buitengebied van de gemeente Horst aan de Maas te vergroten, investeert de gemeente ten laste van dit fonds o.a. in natuurontwikkelingen, landschapsversterking, recreatieve voorzieningen, cultuurhistorie en in de concentratie, revitalisering en sloop van intensieve veehouderijen en

15

glastuinbouw (IV en glas). De kwaliteitsverbeterende projecten zijn in de structuurvisie weergegeven in de uitvoeringsagenda. Deze uitvoeringsagenda zal jaarlijks door het college worden geactualiseerd en vastgesteld. Het fonds zal zoveel mogelijk worden gevoed met de opbrengsten van het kostenverhaal dat zal worden gepleegd bij initiatieven die plaatsvinden in het buitengebied. In het gemeentelijk kwaliteitsmenu worden een aantal modules onderscheiden, waaronder de module ‘Nieuwe solitaire woningbouw’. In het kader van de module ‘Nieuwe solitaire woningbouw’ geldt als uitgangspunt dat in het buitengebied woningen kunnen worden gerealiseerd als zij voldoen aan de stedenbouwkundige randvoorwaarden en er een kwaliteitsbijdrage in het kwaliteitsfonds wordt gestort. Aan het nieuw oprichten van een vrijstaande woning binnen de zone 03C ‘Agrarisch gebied SevenumZuid’ zijn een aantal voorwaarden verbonden. Hierbij is allereerst relevant dat onderhavige locatie in de kernrandzone van Sevenum is gelegen. Onderhavig plangebied is gelegen in een overwegende woonomgeving met agrarische bedrijvigheid in de nabije omgeving. Daarnaast vormen onderhavige percelen een inbreidingslocatie in een bebouwingslint omdat zowel aan de oost- en westzijde van onderhavig plangebied woonbebouwing aanwezig is.

Derhalve wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving ter plaatse. Eveneens is relevant dat het beoogd oppervlak aan woonbestemming circa 750 m2 bedraagt. In het principestandpunt van de gemeente Horst aan de Maas wordt aangegeven dat de gemeente Horst aan de Maas akkoord gaat met een afdracht van €165.000,- in het kader van het gemeentelijk kwaliteitsmenu. Initiatiefnemers zijn bereid om deze financiële bijdrage te leveren. Aanvullend kan worden gewezen op het feit dat ten behoeve van onderhavige ontwikkeling een landschapsplan is opgesteld waarin nader wordt aangegeven op welke wijze onderhavig plangebied landschappelijk wordt ingepast. Het landschappelijk inpassingsplan is bijgevoegd als bijlage 1. Initiatiefnemers zijn voornemens om ter plaatse van onderhavige plangebied te voorzien in de aanplant van nieuw groen. Daarmee wordt de groenstructuur ter plaatse versterkt.

3.5.3 Masterplan Wonen Horst aan de Maas Het Masterplan Wonen Horst aan de Maas is een uitwerking van de Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. De beleidsopgaven voor Horst aan de Maas, die gebaseerd zijn op het regionale beleid, zijn als volgt:  een nieuwbouwprogramma met toekomstwaarde;  een sluitend netwerk van wonen, zorg en welzijn;  aantrekkelijk houden van de bestaande woningvoorraad en dorpen door verduurzaming in brede zin. Deze beleidsopgaven resulteren in de volgende speerpunten in het Masterplan Wonen voor de periode 2016-2021:  Streven naar een kwalitatief gedifferentieerd woningaanbod, dat aansluit op de vraag van de huidige en toekomstige inwoners van de gemeente Horst aan de Maas. Een gedifferentieerd woningaanbod biedt de mogelijkheid om een gewenste wooncarrière te maken binnen de gemeente (doorstroming) en draagt bij aan een evenwichtige bevolkingsopbouw.  Ter bevordering van een evenwichtige bevolkingsopbouw besteedt gemeente in haar programma wonen extra aandacht aan woningen (huur en koop) voor jongeren, starters en senioren.  Voor senioren is het van belang dat de woning zorggeschikt is en dat zij daar kunnen blijven wonen, ook als ze zorg behoeven.

16

In de bestaande particuliere woningvoorraad kan nog een flinke slag gemaakt worden op het gebied van duurzaamheid en het toekomstbestendig maken. Met name woningen uit de periode 1950-1985 vragen om (energetische) verduurzaming om deze toekomstbestendig en courant te houden. Realiseren van de nieuwbouw hoofdzakelijk binnen de bestaande bebouwing en in vrijkomend vastgoed in de woonkernen om de groene en landelijke omgeving tussen de woonkernen te behouden. Het stimuleren van de starters naar de bestaande voorraad, de realisatie van tijdelijke huurwoningen en de bewustwording van langer zelfstandig wonen.

Ook wordt in onderhavig Masterplan aangegeven dat het aantal huishoudens van Horst aan de Maas tot 2030 zal groeien met 1.295. Het woningbouwprogramma is op deze prognose afgestemd. Daarnaast zijn in het Masterplan een aantal afspraken voor het woningbouwprogramma vastgelegd. 1. In alle kernen is voor de lange en de korte termijn een passend woningaanbod aanwezig, ook met betrekking tot (sociale en markt) huurwoningen. Per kern is een ambitie opgenomen voor vergroting van het aantal huurwoningen in 2021. 2. Er wordt gebouwd voor de concrete behoefte, deze wordt samen met de dorpen bepaald. 3. Er wordt ingezet op innovatieve concepten. 4. Inbreidingslocaties en herontwikkeling vrijkomend vastgoed gaan voor nieuwe uitbreidingslocaties woningbouw. Onderhavig planvoornemen ziet op het realiseren van één vrijstaande woning op een inbreidingslocatie aan de rand van de kern Sevenum. Daarnaast wordt met onderhavige woningbouwontwikkeling ingespeeld op een concrete behoefte. Derhalve wordt geconcludeerd dat onderhavige ontwikkeling in overeenstemming is met het ‘Masterplan Wonen Horst aan de Maas’.

3.5.4 Conclusie gemeentelijk beleid Gelet op het vorenstaande, is het planvoornemen niet in strijd met het bestaande gemeentelijke beleid.

3.6 Conclusie Gelet op het in dit hoofdstuk uiteengezette van toepassing zijnde Rijks-, provinciale-, regionale- en gemeentelijke beleid is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van strijdigheden daarmee.

17

HOOFDSTUK 4 - PLANBESCHRIJVING 4.1 Uitgangspunten en doelstellingen van het plan Voorliggende planontwikkeling voorziet in het creëren van een bouwkavel zodat ter plekke een vrijstaande woning met bijbehorende bouwwerken kan worden gerealiseerd. Het voornemen is om de beoogde woning te voorzien van één bouwlaag met een kap. Daarnaast zijn initiatiefnemers voornemens om ter plekke een vrijstaande woning te realiseren welke in maat en schaal passend is bij de locatie en de omgeving. Dit komt onder andere tot uitdrukking in het feit dat qua maatvoering zal worden aangesloten bij de maximale bouw- en goothoogten in de directe omgeving van onderhavig plangebied. Momenteel geldt ter plekke van onderhavig plangebied aan de Klassenweg ong. het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 19 december 2017 door de gemeenteraad van Horst aan de Maas. Aan onderhavige locatie is de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ toegekend, zonder bijbehorend bouwvlak. Het geldend planologisch-juridisch kader biedt geen mogelijkheden om aan de wegzijde van onderhavige locatie een vrijstaande woning te realiseren. Met behulp van onderhavige bestemmingsplanprocedure wordt beoogd om ter plaatse van de nieuwe woning en omliggende gronden een bestemmingswijziging door te voeren. Het voornemen is om de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ te wijzigen naar ‘Wonen’.

In onderstaande figuren 11 en 12 wordt inzichtelijk gemaakt op welke gronden de beoogde bestemmingswijziging wordt voorzien en hoe de woning op de kavel wordt geprojecteerd.

Figuur 11: Uitsnede luchtfoto met aanduiding plangebied

18

Figuur 12: Projectie woning op kavel

4.2 Stedenbouwkundige/ruimtelijke aspecten Ieder ruimtelijk plan dat het mogelijk maakt om nieuwe bebouwing op te richten, gaat gepaard met het optreden van ruimtelijk-visuele effecten. De aanvaardbaarheid van deze effecten dient te worden beschouwd. Bij voorliggend plan wordt een vrijstaande woning mogelijk gemaakt ter plekke van een momenteel als grasland in gebruik zijnd perceel, gelegen aan de rand van de kern Sevenum. Onderhavig perceel vormt momenteel een open plek tussen de bestaande ruimtelijke bebouwingsstructuur binnen bebouwd gebied. Met de invulling van een open plek door middel van een vrijstaande woning wordt deze plek ingevuld met een woning passend in de ruimtelijke structuur ter plaatse. De beoogde vrijstaande woning sluit daarbij aan bij de reeds bestaande vrijstaande woningen op de belendende percelen. Daarnaast betreft de beoogde woning een moderne reguliere woning waardoor sprake is van een kwalitatieve toevoeging aan de woningvoorraad.

19

Ondanks dat sprake is van nieuwe bebouwing en daarmee gepaard gaande ruimtelijk-visuele effecten, wordt de open plek in de bestaande bebouwingsstructuur opgevuld. Daarnaast zal de beoogde woning worden afgestemd op de aanwezige ruimtelijke structuur waardoor het straatbeeld ter plaatse wordt versterkt. Tot slot is bij de positionering van de nieuwe woning rekening gehouden met de voorgevelrooilijnen van de naastgelegen woningen, namelijk Klassenweg 23 en 27. De voorgestelde rooilijn van de nieuwe woning wordt tussen de voorgevelrooilijnen van de woningen Klassenweg 23 en 27 beoogd. De ruimtelijke effecten worden dan ook aanvaardbaar geacht.

4.3 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van de voorgenomen planontwikkeling aan de Klassenweg ongenummerd is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. In onderstaande figuur is een uitsnede van het landschapsplan opgenomen. Tevens is het landschapsplan bijgevoegd als bijlage 1.

Figuur 13: Landschappelijke inpassing Klassenweg ong.

Onderhavig landschapsplan heeft ten doel om te komen tot een duurzame inrichting en het bewaken van de ruimtelijke kwaliteit. Onderhavig plangebied wordt landschappelijk ingepast door te voorzien in de aanplant van nieuw groen. Concreet wordt beoogd om op het achterterrein drie nieuwe inheemse bomen aan te planten en de locatie te omzomen met hagen. Daarmee wordt onderhavig plangebied landschappelijk ingepast op een wijze die passend is bij de directe omgeving van onderhavig plangebied.

20

21

HOOFDSTUK 5 - SECTORALE ASPECTEN 5.1 Inleiding Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten onderzocht.

5.2 Milieuaspecten 5.2.1 Bodem- en grondwaterkwaliteit Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Onderhavige ontwikkeling is gericht op het realiseren van een nieuwe woning aan de Klassenweg ong. te Sevenum. Op de plek van de nieuw te bouwen woning geldt de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Om onderhavige ontwikkeling mogelijk te maken, dient op het perceel met de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ een functiewijziging plaats te vinden tot de gevoeligere bestemming ‘Wonen’. Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Daarnaast ziet onderhavig woningbouwinitiatief op het realiseren van nieuwe verblijfsruimten ter plaatse. Derhalve dient in het kader van voorliggend planvoornemen een verkennend bodem- en asbestonderzoek te worden uitgevoerd. Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is op 26 oktober 2020 een verkennend bodem- en asbestonderzoek verricht door Aelmans ECO B.V.. De rapportage van het verrichte onderzoek is bijgevoegd als bijlage 2. Op grond van dat onderzoek zijn de volgende conclusies en aanbevelingen gedaan.

Bovengrond Wat betreft de bovengrond is naar voren gekomen dat de concentratie cadmium de achtergrondwaarde overschrijdt, doch niet de maximale waarde voor de klasse wonen. Ondanks voornoemde marginale overschrijding kan de bovengrond, op basis van een indicatieve toetsing, alsnog als klasse AW2000 grond worden gekwalificeerd. Ondergrond Uit de analyseresultaten is gebleken dat geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarden overschrijden. Op basis van een indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit kan de ondergrond als klasse AW2000 grond bestempeld worden. PFAS Uit de resultaten van het PFAS onderzoek blijkt, dat enkele marginaal verhoogde concentraties PFAS worden aangetroffen. De aangetroffen concentraties zijn van dien aard dat deze de detectiegrenzen overschrijden doch niet de achtergrondwaarden.

22

Grondwater In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties cadmium en barium aangetroffen. Daarnaast overschrijdt de concentratie zink de interventiewaarde. Vanwege deze overschrijding is besloten om de peilbuis nogmaals te bemonsteren. Uit de analyseresultaten van deze herbemonstering worden vergelijkbare concentraties aangetroffen. Dat betekent dat de sterk verhoogde concentraties in het grondwater als gebiedseigen beschouwd worden. Geadviseerd wordt om het grondwater niet te gebruiken voor het beregenen c.q. besproeien van het aardoppervlak. Asbest Tijdens het verrichten van het bodemonderzoek zijn zintuiglijk geen specifiek asbestverdachte materialen aangetoond. De visuele bevindingen zijn analytisch bevestigd. Op basis van vorenstaande kan de hypothese “onverdacht” met betrekking tot asbest worden bevestigd. Gelet op vorenstaande bestaat geen aanleiding om over te gaan tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Derhalve vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de beoogde planontwikkeling.

5.2.2 Geluid Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai. Bij voorliggende ontwikkeling is enkel het aspect wegverkeerslawaai relevant in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het aspect spoorweglawaai is niet aan de orde. Wat betreft het aspect industrielawaai kan worden verwezen naar paragraaf 5.3 van voorliggende toelichting. Ten aanzien van alle wegen, behalve 30 km/u wegen en wegen behorende bij een woonerf, geldt een geluidszone, die ook wettelijk is vastgelegd in de Wet geluidhinder. Voor wegen die buitenstedelijk zijn gelegen en die bestaan uit één of twee rijstroken, geldt een wettelijk vastgestelde geluidzone van 250 meter aan weerszijden van de weg (gemeten vanuit de wegas). Wegen waarop een maximum snelheid geldt van 30 km/u zijn niet voorzien van geluidzones. Wanneer er ontwikkelingen worden gerealiseerd binnen geluidzones van wegen, zal middels een akoestisch onderzoek moeten worden aangetoond dat de gevelbelasting vanwege het wegverkeerslawaai niet zodanig is dat de, in de Wet geluidhinder opgenomen, voorkeursgrenswaarde van 48 dB voor burgerwoningen wordt overschreden. Is dit wel het geval, dan zal een procedure voor het vaststellen van een Hogere Waarde gevolgd dienen te worden. Onderhavig perceel is gelegen aan de Klassenweg.

Voor deze weg geldt een maximum snelheid van 30 km/u. Dergelijke wegen zijn op basis van de Wet geluidhinder niet gezoneerd. Het verrichten van een akoestisch onderzoek naar de gevelbelasting vanwege wegverkeerslawaai is derhalve niet aan de orde.

5.2.3 Woon- en leefklimaat Het RIVM heeft een geluidkaart ontwikkeld, via welke een indicatie kan worden verkregen van de geluidkwaliteit op een bepaalde locatie. Deze geluidkwaliteit is gebaseerd op een indeling in klassen van 5 dB van de totale gecumuleerde geluidbelasting van wegverkeer, railverkeer, luchtvaart, windturbines en industrie. De indicatie van geluidkwaliteit heeft betrekking op de situatie buitenshuis.

23

Figuur 14: Geluidkaart RIVM met aanduiding plangebied

Gelet op de geluidkaart van het RIVM is indicatief de geluidkwaliteit ter plekke van onderhavig plangebied in zijn algemeenheid ‘ zeer goed (< 45 dBA)’. Met inachtneming van vorenstaande uiteenzetting vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Er zijn geen redenen om te twijfelen aan het woon- en leefklimaat ter plekke van de nieuwe woning. Gelet op vorenstaande vormt het aspect geluid geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling.

5.2.4 Luchtkwaliteit Algemeen Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wm). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wm, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Het doel van titel 5.2 Wm is om de mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:    

er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde; een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of een regionaal programma van maatregelen.

24

Het besluit NIBM Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het NSL is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden. In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 1.500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht. Initiatiefnemers zijn voornemens om op het perceel aan de Klassenweg ong. te Sevenum één vrijstaande woning te realiseren. Met inachtneming van de kleinschalige aard van onderhavige ontwikkeling kan worden geconcludeerd dat onderhavig voornemen geen invloed heeft op het aspect luchtkwaliteit. Het planvoornemen leidt niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. NIBM-tool InfoMil Ook zal het plan niet leiden tot een dusdanig aantal toenemende verkeersbewegingen dat de grenswaarde van de luchtkwaliteit daarmee wordt overschreden.

InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.504 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer. Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is gericht op de beperking van de vestiging in de nabijheid van provinciale en rijkswegen van gevoelige bestemmingen, zoals gebouwen voor kinderopvang, scholen, verzorgings- of verpleegtehuizen. Het Besluit gevoelige bestemmingen is niet op onderhavig planvoornemen van toepassing. Gelet op vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling.

5.2.5 Geur In de Wet geurhinder en veehouderij zijn normen opgenomen die moeten worden gehanteerd bij de verlening van een milieuvergunning aan een agrarisch bedrijf waar vee wordt gehouden. Echter ook in de omgekeerde situatie, waarbij in de omgeving van agrarische bedrijven een nieuw geurgevoelig object wordt gesitueerd of uitgebreid, dient aan de wet te worden getoetst. In de nabije omgeving van onderhavig plangebied zijn grondgebonden agrarische bedrijven, akkerbouwbedrijven en glastuinbouwbedrijven aanwezig. Bij dergelijke bedrijven hoeft slechts met beperkte milieuafstanden (tot 100 meter) rekening te worden gehouden. Rekening houdend met de agrarische bedrijven in de nabijheid van het plangebied kan worden gewezen op het feit dat deze in hoofdzaak op meer dan 300 meter van het plangebied zijn gelegen. Wel is relevant dat op een afstand van ruim 50 meter van het plangebied een akkerbouwbedrijf is gelegen. Dergelijke bedrijven hebben echter geen invloed op het aspect geur. Op een afstand van meer dan 500 meter zijn intensieve veehouderijen gelegen. Gelet op deze ruime afstand en het feit dat op kortere afstand van deze veehouderijen reeds andere woningen zijn

25

gelegen, vormen het aspect geur geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling. Als bijlage 4 bij de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Horst aan de Maas’ is het PlanMER gevoegd. In het PlanMER wordt voor het aspect geur de bebouwing in de gemeente Horst aan de Maas weergegeven. Daarnaast wordt een goed beeld gegeven van het aantal geurgehinderden. Ter plaatse van onderhavig plangebied is sprake van een zeer goed woon- en leefklimaat voor wat betreft het aspect geurhinder van veehouderijen. Nader onderzoek naar geurhinder als gevolg van agrarische bedrijvigheid is derhalve niet noodzakelijk. Omgekeerd worden binnen onderhavige locatie geen activiteiten toegestaan die geurhinder op de omgeving kunnen veroorzaken. Onderhavige ontwikkeling heeft dan ook niet tot gevolg dat agrarische bedrijven in de omgeving in hun mogelijkheden worden belemmerd. Hierbij is onder andere relevant dat andere woningen in de omgeving reeds dichter bij deze bedrijven zijn gelegen. Kortom, de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven wordt dan ook niet onevenredig beperkt door onderhavige ontwikkeling.

Figuur 15: Uitsnede kaart ‘PlanMER Horst aan de Maas Geurhinder’

5.2.6 Bedrijven en milieuzoneringen Algemeen Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:  het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;  het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

26

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord. Bedrijvigheid in de omgeving Teneinde te bepalen of een goed woon- en leefklimaat in de nieuw te realiseren woning aanwezig is, dient bestaande bedrijvigheid in de (directe) omgeving te worden beoordeeld. Daartoe kan gebruik worden gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)’. Onderhavige ontwikkeling moet op twee manieren getoetst worden. Enerzijds wordt er gekeken of het perceel zelf veroorzaker is van hinder en anderzijds wordt bekeken of het perceel kwetsbaar is voor hinder. De woning kent zelf geen milieuzonering omdat de functie wonen geen milieubelastende activiteit betreft. Een woning is wel een gevoelig object in het kader van milieuzonering. Om die reden zijn de functies in de omgeving van het perceel beoordeeld. De directe omgeving van onderhavig plangebied moet worden aangemerkt als een woonomgeving. Deze burgerwoningen kennen geen milieubelastend effect op de omgeving en zijn derhalve niet gezoneerd. Daarnaast is in de nabijheid van onderhavig plangebied een akkerbouwbedrijf gesitueerd.

Uitgaande van brochure ‘Bedrijven en milieuzonering (editie 2009)’ dient voor bedrijfsgebouwen van een akkerbouwbedrijf (SBI:2008:011, 012, 013) een minimale (richt)afstand van 30 meter te worden aangehouden tot nabijgelegen gevoelige objecten. De afstand tussen onderhavig plangebied en het akkerbouwbedrijf bedraagt circa 58 meter. Daarmee wordt ruim aan de richtafstand voldaan. Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.2.7 Externe veiligheid Bij onderhavige planontwikkeling is sprake van het realiseren van een zogenaamd kwetsbaar object (de woning) in het kader van externe veiligheid. Zodoende wordt hierna het beleid omtrent externe veiligheid beschouwd en wordt een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid. Beleid Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp.

Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.

27

Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden. Risicovolle bronnen Ten behoeve van de beoordeling van de voor onderhavige kwetsbare objecten mogelijke externe veiligheidsrisico’s, is de Risicokaart Limburg geraadpleegd. Op de risicokaart is informatie opgenomen over transportroutes, buisleidingen, en risicovolle inrichtingen.

Figuur 16: Uitsnede Risicokaart Limburg met aanduiding plangebied

Tankstation Het meest nabijgelegen tankstation is op circa 560 meter ten noordoosten van onderhavig plangebied gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar bedraagt 35 meter. Dit vormt zodoende geen belemmeringen voor voorliggende planontwikkeling. Transport over wegen Tevens is onderhavig plangebied op een afstand van circa 713 meter van de N556 gelegen. Deze provinciale weg is ten noordoosten van onderhavig plangebied gelegen. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar bedraagt 35 meter. Dit vormt zodoende geen belemmeringen voor onderhavige ontwikkeling.

28

Propaantank Tot slot bevindt zich op een afstand van circa 727 meter ten noordoosten van onderhavig plangebied een bovengrondse propaantank met een inhoud van 8.000 liter. De plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar van deze propaantank bedraagt 25 meter. Ook aan deze afstand wordt ruim voldaan. Op basis van bovenstaande overwegingen kan worden gesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

5.2.8 Milieueffectrapportage Bij woningbouw kan er sprake zijn van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals aangegeven in onderdeel D 11.2, kolom 1: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen.’ Als de ontwikkeling ook voldoet aan kolom 2 (de drempel), dan is er sprake van een m.e.r.-plicht. Dit is het geval als de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat; of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Onderhavig planvoornemen voorziet in de ontwikkeling van één woning. De voorgenomen activiteit blijft hiermee ruimschoots onder de drempel en is sprake van een informele m.e.r.-beoordeling. Dit wordt ook wel de vorm-vrije m.e.r.-beoordeling genoemd. Met de aanpassing van het Besluit m.e.r., zoals deze 7 juli 2017 in werking is getreden, gelden deze procedurele en inhoudsvereisten ook voor activiteiten onder de drempelwaarden. Bij elk nieuwbouwplan dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling plaats te vinden, bestaand uit een apart besluit in een zo vroeg mogelijke planfase waarin expliciet wordt aangetoond of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten nadat er een afweging heeft plaatsgevonden aangaande de volgende drie criteria: a. de kenmerken van de projecten; b.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10229570/2