CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c.7 Bijlage 7 Toelichting Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen bestemmingsplan Hilkensbergweg 5a, Broekhuizen17.036 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

22040. 003 versie 2

,

15 / 19

Econsultancy

bureauonderzoek

op

Broekhuizen, sectie

deze

percelen wel een booronderzoek uitgevoerd. Voor kadastrale perceel gemeente F‚ perceel 493 (ged) alleen daar waar de toekomstige nieuwbouw is gepland en kadastrale

perceel gemeente Broekhuizen,

3

INVENTARISEREND

3.1

Doelstelling

en

sectie F‚

gische verwachting

antwoorden te vinden op wat de de

gevolgen zijn

het in het

van

zijn geheel.

onderzoeksvragen

te vullen

aan

708 in

VELDONDERZOEK

inventariserend veldonderzoek

Het

perceel

(IVO-overig, verkennende fase) heeft door middel

te toetsen

en

is binnen

bodemopbouw

boringen.

van

het

tot doel

plangebied.

plangebied aangetroffen bodemprofiel

de

gespecificeerde

Het veldonderzoek

Ook dient te worden

voor

archeolo-

heeft tot doel

vastgesteld

wat

gespecificeerde archeologische

de

verwachting.

Methoden

3.2

Het inventariserend veldonderzoek caat

grond

op

(KNA, juni

van

de

versie 4.1, 19-02-2018

(PvA) opgesteld.

boorpunt (boring 2)

De

boringen zijn verspreid 40 meter

zijn verspringend

hoeken

ontstaat.

De

behulp

van

is uitgevoerd op

moest

ten

het

opzichte van

edelmanboor

de

Aan de hand

van

van

Ook is gekeken

19

verkennend

een

worden

de

boringen (x-, y-

het

opgeboorde

19

de

Archeologische

en

z-waarden)

materiaal

veld

een

Nederlandse

een

gehouden

boringen

tot

Standaard

is vastgelegd

is beoordeeld

Prospector)

gepland

mogelijk

afstand

een

waardoor

is rekening

KNA

gehele plangebied

Er is zoveel

mogelijk,

elkaar gezet,

boringen

Het

omdat deze in

zoveel

en,

van

booronderzoek, onder certifi-

Kwaliteitsnorm

en

Archeologie

VS03. Voor het inventariserend veldonderzoek

juni 2023.

(diameter 7 cm)

boringen zijn lithologisch volgens

exacte locatie

van

19-02-2018)

plangebied gezet.

de raaien

Bij het zetten een

verplaatst

binnen

tussen

raaien

met

vorm

protocol 4003), specificatie

Het veldwerk

één

van

(KNA,

in de

versie 4.1,

(geanonimiseerd) GN (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) EN EN (senior KNA-archeoloog/Senior

2023 door

afstand

is uitgevoerd

BRL SIKB 4000

van

systeem met

de

maximaal

in

was

Plan

een

is op

vrij toegankelijk,

alleen

was

waar

Alpaca’s

stonden.

zes

raaien

geboord

met

50 meter

aanwezige

de

tussen

bestaande

uit

boringen.

gelijkbenige

dieren.

een

in hoeverre

behulp er

2 meter

van

dGPS.

sprake

is van

-mv

In totaal

een

De

drie-

zijn er 17).

gezet (zie Boorbeschrijvingsmethode beschreven.®

met

14

aanpak

van

kaart

De

gaaf bodemprofiel.

aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Het opgeboorde materiaal is in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd naar

op het voorkomen leem

30

van

archeologische indicatoren,

zoals

fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool, verbrand

bot.

en

Bosch,

de

2005.

22040.003

versie

2

IN 6)

GR

DG vw

À Zr ©)

16/19

3. 3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 8 weergegeven, foto’s van de boormonsters en sfeerfoto’s van de locatie staan in bijlage 9 weergegeven. De bodemopbouw kan als volgt worden beschreven. In één boring, boring 1 aan de noordzijde van het plangebied is onder een 60 centimeter dikke bouwvoor een 10 centimeter dikke verrommelde laag waargenomen waarbij zand uit de bouwvoor vermengd is geraakt met de onderliggende B-horizont. Hieronder lag een 40 centimeter dikke sterk verbruinde B-horizont, die langzaam overging in een BC-horizont. Deze boring is de enige in het plangebied waarbij een B-horizont is aangetroffen, bij alle resterende boringen ligt onder een antropogeen bewerkt pakket direct de C-horizont. Bij boringen 2 en 6 ligt de C-horizont op 70 centimeter onder maaiveld, bij boring 9 op 75 centimeter onder maaiveld, bij boring 15 op 80 centimeter onder maaiveld, bij boring 12 en 16 op 90 centimeter onder maaiveld en bij de resterende boringen 1 tot 1, 65 meter onder maaiveld. De A-horizont bestond bij de meeste boringen uit verschillende lagen, een bouwvoor/esdek en lagen geroerde grond waarbij bouwvoor/esdek vermengd is geraakt met B- en de top van de C-horizont door grondroerende werkzaamheden.

Bij boringen 5, 7, 8, 10 en 14 is onder in de boringen humeus materiaal aangetroffen dat waarschijnlijk afkomstig is vanuit de bouwvoor/esdek. Dit zou er op kunnen wijzen dat delen van het plangebied diepgaand vergraven zijn. De bodem bestond over het algemeen uit matig fijn zwak siltig zand, bij boringen 5, 17 en 18 zijn de geroerde lagen onderin sterk siltig. Alleen bij boringen 1 en 2 (waar het maaiveld uit grasland bestond) is in de bouwvoor visueel enige humus waargenomen. Bij de andere boringen was de bodem bovenin zo uitgedroogd dat er geen humus in kon worden waargenomen, ook was onduidelijk waar de recent geploegde bouwvoor eindigde. De Chorizont was plaatselijk gleyhoudend en onderin bij boringen 5, 11 en 13 sterk siltig. Uit het booronderzoek blijkt dat verspreid over het zuidelijk deel van het plangebied diepgaande verstoringen hebben plaatsgevonden, afgewisseld met stukken die minder diepgaand verstoord zijn. In het noordelijke deel van het plangebied is in één boring nog een (afgetopte) B-horizont aangetroffen en ligt de C-horizont bij de andere boring op 70 centimeter onder maaiveld waardoor vermoed wordt dat hier minder is vergraven. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen.

Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

3. 4

Conclusie veldonderzoek

22040. 003 versie 2

17 / 19

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. De grootschalige verstoringen in het zuidelijk deel van het plangebied (perceel 708) afgewisseld met locaties die minder diep verstoord zijn, boringen 6, 9, 12, 15 en 16, leidt tot de conclusie dat hier geen behoudenswaardige vindplaats meer te verwachten is. Misschien dat op de locaties die minder diep verstoord zijn nog archeologische resten liggen maar gezien de grootschaligheid en spreiding van de verstoringen wordt er vanuit gegaan dat dit kleine locaties zijn waar geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen meer liggen. Voor het noordelijk deel van het plangebied (perceel 493 (ged. ) ) kan niet worden uitgesloten dat hier nog een behoudenswaardige vindplaats ligt. ,

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. In het bijzonder verhoogt de landschappelijke ligging van het plangebied de kans daarop. Omdat binnen kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) circa 8. 683 m 2 geen bodemingrepen zijn gepland heeft de opdrachtgever besloten dat dit deel van het plangebied alleen onderzocht wordt door middel van een bureauonderzoek. Aangezien binnen de kadastrale percelen gemeente Broekhuizen, sectie F, percelen 493 (ged. ) en 708, circa 3, 3 hectare, wel bodemingrepen gepland zijn, is na het bureauonderzoek op deze percelen wel een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, perceel 493 (ged. ) alleen daar waar de toekomstige nieuwbouw is gepland en kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, perceel 708 in zijn geheel. ,

,

De aangetroffen bodemopbouw in het noordelijk deel van het plangebied (perceel 493 (ged. ) ) is van dien aard dat hier nog behoudenswaardige archeologische resten kunnen voorkomen. Voor het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, zijn de bodemverstoringen dermate groot dat hier geen behoudenswaardige vindplaatsen meer worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek voor het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, bijgesteld naar laag voor alle perioden. Voor het noordelijke deel van het plangebied, (perceel 493 (ged. ) ) blijft de gespecificeerde archeologische verwachting gehandhaafd. ,

Advies perceel 493 In het noordelijke deel van het plangebied, (perceel 493 (ged. ) ) waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard (zie kaart 18) Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt (op palen) en er, afgezien van de paalfunderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 30 centimeter onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het ,

.

22040. 003 versie 2

18 / 19

vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek. Omdat archeologische resten voornamelijk in de vorm van grondsporen worden verwacht, is in dit stadium een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek de meest geschikte onderzoeksmethode. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen verspreid over het plangebied sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Advies perceel 708 Binnen het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, waar het bodemprofiel grotendeels diepgaand is verstoord en waar dus geen behoudenswaardige archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 18) .

Advies perceel 505 Omdat binnen kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) circa 8. 683 m 2 geen bodemingrepen zijn gepland is dit deel van het plangebied alleen onderzocht doormiddel van een bureauonderzoek. Indien er hier in de toekomst toch bodemingrepen gaan plaats vinden wordt geadviseerd om hier aan voorafgaand een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie kaart 18) ,

,

.

Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond binnen perceel nummer 505 (ged. ) is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) die vervolgens het advies over neemt of niet. ,

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Horst aan de Maas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.

22040. 003 versie 2

19 / 19

LITERATUUR Amersfoort, H. & P. H. Kamphuis, 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. Berg, M. W. van den, 1996: Fluvial sequences of the Maas; a 10 Ma record of neotectonics and climate change at various time-scales. Thesis, Landbouw Universiteit Wageningen. Boo

Uijen, E. M. de, 2017: Bureauonderzoek Horsterweg-Broekhuizen Horsterweg tussen 16c en 18 te Broekhuizen. Econsultancyrapport, 2931. 002. Swalmen. van

Boots G. J. & M. Stiekema, 2015: Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Roamweg 17 te Broekhuizen in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancyrapport, HOR. BEU. ARC 12061575. Swalmen. Bosch, J. H. A. 2005: Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5. 2. Utrecht (TNO-rapport, NITG 05-043-A) ,

.

Doesburg, J. van, M. de Boer, J. Deeben, B. J. Groenewoudt & T. de Groot (red. ) 2007: Essen in zicht. Essen en plaggendekken in Nederland: onderzoek en beleid. Amersfoort. (Nederlands Archeologische Rapporten 34) ,

.

Exaltus, R. & J. Orbons, 2009: Hombergerweg, Lottum Gemeente Horst aan de Maas Inventariserend Veldonderzoek (IVO-O) ; Bureauonderzoek, oppervlaktekartering en karterend booronderzoek. ArcheoPro Archeologisch rapport Nr 907. Maastricht. Gaauw, P. van der, 2008: Provinciale archeologische aandachtsgebieden, archeologisch selectiedocument. Maastricht. Heeringen, R. M. van & R. Schrijvers, 2014: Actualisatie van de archeologische maatregelenkaart meente Horst aan de Maas, 2014. Vestigia rapport V1188, Amersfoort.

van

de ge-

Jong, L. de, 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. ‘s- Gravenhage. Klep C. & B. Schoenmaker, 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 - Oorlog op de flank. Den Haag. Locher, W. P. & H. de Bakker, 1990: Bodemkunde Bosch.

van Nederland.

Deel 1: Algemene bodemkunde. Malmberg, Den

Louwe Kooijmans, L. P. P. W. van den Broeke, H. Fokkens & A. van Gijn (red. ) 2005: Nederland in de prehistorie. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. .

,

,

Mulder, E. F. J. de, M. C. Geluk, I. L. Ritsema, W. E. Westerhoff & T. E. Wong, 2003 (red. ) : De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten.

22040. 003 versie 2

1 / 4

Renes, J. 1999: Landschappen van Maas en Peel. Een toegepast historisch-geografisch onderzoek in het streekplangebied Noord- en Midden-Limburg. Eisma, Leeuwarden. ,

Reynaert, J. A. M. & M. Stiekema, 2021: archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Hilkensbergweg 1 te Broekhuizen. Econsultancyrapport 17285. 001. Swalmen. Schutte, A. H. 2015: Archeologisch bureauonderzoek Haasdonkerweg (Plan C) te Broekhuizen in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancyrapport HOR. OWA. ARC 15081751. Swalmen. ,

Stiekema, M. 2013: Archeologisch karterend booronderzoek Roamweg 17 te Broekhuizen in de gemeente Horst aan de Maas. Econsultancyrapport HOR. BEU. ARC 12122058. Swalmen. ,

Waveren, A. van & J. de Moor, 2022: Broekhuizerbroek, gemeente Horst aan de Maas. Een archeologisch bureauonderzoek (BO) EARTH Integrated Archaeology Rapporten 201. Amersfoort. .

Zwanenburg G. J. 1990: En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog. Emmen. ,

22040. 003 versie 2

2 / 4

BRONNEN Aezel; internetsite, juni 2023. https: //aezel. eu/ontdekken/geografie/minuutplans-grondgebruik Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) Amersfoort, juni 2023. https: //archis. cultureelerfgoed. nl ,

Atlas Limburg; internetsite, juni 2023. https: //portal. prvlimburg. nl/viewer/app/default Beeldbank Vrije Universiteit; internetsite, juni 2023. http: //imagebase. ubvu. vu. nl/cdm/compoundobject/collection/krt/id/5629/rec/1 Bodemloket, internetsite, juni 2023. http: //www. bodemloket. nl Dinoloket; internetsite, juni 2023. http: //www. dinoloket. nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, juni 2023. http: //www. ikme. nl/ Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK) ; internetsite, juni 2023. https: //www. nationaalgeoregister. nl/geonetwork/srv/dut/catalog. search#/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-5cf058314ebf. Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021) ; internetsite, juni 2023. https: //www. nationaalgeoregister. nl/geonetwork/srv/dut/catalog. search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5d90dcd35. Kadaster Topotijdreis; internetsite, juni 2023. http: //www. topotijdreis. nl/ NGR/Wageningen Environmental Research (2018) BRO - Bodemkaart van Nederland 1: 50. 000’ internetsite, juni 2023. https: //nationaalgeoregister. nl/geonetwork/srv/dut/catalog. search; jsessionid=11F26FB095C4D0E1D6AC7C8A4B52D94D#/metadata/ed960299-a147-4c1a-bc57-41ff83a2264f. ,

NGR/Wageningen Environmental Research (2019) BRO - Geomorfologische Kaart van Nederland 1: 50: 000, internetsite, juni 2023. https: //nationaalgeoregister. nl/geonetwork/srv/dut/catalog. search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0. ,

22040. 003 versie 2

3 / 4

Openbasiskaart. nl, internetsite, juni 2023. https: //www. openbasiskaart. nl/ Portaal voor ruimtelijke plannen; internetsite, juni 2023. http: //www. ruimtelijkeplannen. nl/web-roo/roo/ Provinciaal Omgevingsplan Limburg; internetsite, juni 2023. https: //www. limburg. nl/onderwerpen/cultuur/erfgoed/archeologie/arch-onderzoek/ PDOK/Rijkswaterstaat (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS’; internetsite, juni 2023. https: //nationaalgeoregister. nl/geonetwork/srv/dut/catalog. search; jsessionid=46C4686376C42712F153C906C9BEB9CD#/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b989-d9e92ac2f493. Ruimingskaart; internetsite, juni 2023. http: //www. beobom. nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, juni 2023. https: //www. sikb. nl VEO Bommenkaart; internetsite, juni 2023. http: //www. explosievenopsporing. nl/veo-bommenkaart/

22040. 003 versie 2

4 / 4

KAARTEN

Kaart 1.

Het plangebied op de topografische kaart (1: 25. 000)

Kaart 2.

Het plangebied op de kadastrale kaart

Kaart 3.

Het plangebied op een luchtfoto uit 2022

Kaart 4.

Het plangebied op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas

Kaart 5.

Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50. 000 van Nederland

Kaart 6.

Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3)

Kaart 7.

Het plangebied op de bodemkaart

Kaart 8.

Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied

Kaart 9.

Het plangebied op de Kadastrale minuut uit 1843-1844.

Kaart 10. 1899.

Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit

Kaart 11. 1929.

Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit

Kaart 12. 1937

Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit

Kaart 13.

Het plangebied op de Topografische kaart uit 1953/1954

Kaart 14.

Het plangebied op de Topografische kaart uit 1970

Kaart 15.

Het plangebied op de Topografische kaart uit 1988

Kaart 16.

Het plangebied op de Topografische kaart uit 1999

Kaart 17.

Boorpuntenkaart

Kaart 18.

Advieskaart

BIJLAGEN

Bijlage 1.

Ouderdom in jaren

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

MIS

Holoceen

1

11. 755 12. 745 13. 675 14. 025

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

15. 700 29. 000 50. 000 75. 000

115. 000 130. 000

370. 000 410. 000

Late Dryas (koud) Allerød (warm) Vroege Dryas (koud) Bølling (warm)

Lithostratigrafie Formaties: Naaldwijk (marien) , Nieuwkoop (veen) , Echteld (fluviatiel)

2

LaatPleniglaciaal MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

MiddenPleniglaciaal VroegPleniglaciaal

3

van

5a 5b 5c 5d

Eemien (warme periode)

5e

Saalien (ijstijd)

6

Boxtel Formatie van

Beegden Eem Formatie Formatie van Drente Formatie van

Urk

Cromerien (warme periode) Formatie van

2. 600. 000

Formatie Peelo

van

475. 000

Pre-Cromerien

van

4

Elsterien (ijstijd)

850. 000

Formatie

Kreftenheye

VroegW eichselien (VroegGlaciaal)

Holsteinien (warme periode)

Formatie

Sterksel

Cal. jaren v/n Chr. 1950

14

C jaren

Chronostratigrafie

0

zones

Vb2

1500

Subatlanticum koeler vochtiger

450 0 12

Pollen

Vb1 Va

800

815

2650

Subboreaal koeler droger

2000

3755

IVb IVa

5000

4900

Atlanticum warm

5300

vochtig 7020 8240

8000 9000

Boreaal warmer

Preboreaal 8800

warmer 11. 755

10. 150

12. 745

10. 800

13. 675

11. 800

14. 025

12. 000

15. 700

13. 000

LaatWeichselien (LaatGlaciaal)

II I

Late Dryas

LW III

Allerød

LW II

Loofbos eik en hazelaar overheersen haagbeuk veel cultuurplanten rogge, boekweit, korenbloem Loofbos eik en hazelaar overheersen beuk1% > invloed landbouw (granen)

LW I

Archeologische perioden Nieuwe tijd Middeleeuwen Romeinse tijd IJzertijd Bronstijd

Neolithicum

Loofbos eik, els en hazelaar overheersen in zuiden speelt linde een grote rol den overheerst hazelaar, eik, iep, linde, es eerst berk en later den overheersend

Mesolithicum

parklandschap dennen- en berkenbossen open

Vroege Dryas Bølling

35. 000

III

Vegetatie

parklandschap open vegetatie met kruiden en berkenbomen

MiddenWeichselien (Pleniglaciaal)

perioden met een poolwoestijn en perioden met een toendra

VroegWeichselien (VroegGlaciaal)

perioden met bos en perioden met een subarctisch open landschap

Laat-Paleolithicum

75. 000

115. 000 130. 000

Eemien (warme periode)

Midden-Paleolithicum loofbos

Saalien (ijstijd) 300. 000

Vroeg-Paleolithicum Chronostratigrafie voor Noordwest-Europa volgens Zagwijn (1974) , Vandenberghe (1985) en De Mulder et al. (2003) . Lithostratigrafie volgens De Mulder et al. (2003) . Mariene isotoop stadium (MIS) volgens Bassinot et al. (1994) . Atmosferische data volgens Stuiver et al. (1998) . Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3. 9 Bronk Ramsey (2003) , toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. Archeologische periode-indeling en ouderdom volgens de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) . Vegetatie bewerkt volgens Berendsen (2000) . Pollenzones volgens P . Vos & P. Kiden (2005) .

Bijlage 2. AMK nr.

16287

AMK-terreinen

Locatie 790 meter ten zuidwesten van het plangebied Homberg te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207715/386666

Datering Middeleeuwen laat Nieuwe tijd

Waarde en omschrijving Complex: Nederzetting, onbepaald Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde Terrein met de cluster oude bebouwing Homberg. Op de AMK zijn historische dorpskernen en clusters oude bebouwing als gebieden van hoge archeologische waarde aangegeven. Dit is op grond van het belang van deze locaties, waar de wortels van de huidige dorpen of steden kunnen liggen. De begrenzing van deze kernen is gebaseerd op 19 e -eeuwse en vroeg 20 eeeuwse kaarten. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning.

Bijlage 3. Zaaknum(OMmer nummer) 5124873100

Onderzoeksmeldingen

Locatie

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

125 meter ten noorden van het plangebied te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208163/387895

Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2021-10-19 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat de bodemopbouw binnen deellocatie 1 bestaat uit een 45 centimeter dikke bouwvoor, een 15-30 centimeter dikke verbruiningslaag en een C-horizont bestaande uit rivierafzettingen. De bodemopbouw binnen deellocatie 1 is intact. Binnen deellocatie 2 bleek de ondergrond echter tot 50 centimeter onder het maaiveld verstoord. De scherpe begrenzing en de lage ligging van het perceel op de AHN deed al vermoeden dat het perceel in het verleden is afgegraven of geëgaliseerd. De resultaten van het booronderzoek bevestigen dit vermoeden. Naar verwachting is ook de top van de C-horizont bij deze werkzaamheden verstoord. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, kan op basis van het booronderzoek behouden worden voor deellocatie 1. Op basis van de waargenomen bodemverstoring kan voor deellocatie 2 geconcludeerd worden dat archeologische waarden niet meer in situ worden verwacht. De middelhoge verwachting voor deellocatie 2 wordt bijgesteld naar een lage verwachting. Voor deellocatie 1 blijft de middelhoge tot hoge verwachting behouden. De top van de C-horizont bevindt zich binnen deellocatie 1 echter op 60-75 centimeter onder het maaiveld.

Omdat de geplande paddenpoel met een aflopende rand wordt afgegraven, en maar een deel van de poel tot op de maximale diepte wordt aangelegd, wordt verwacht dat slechts een klein deel van de paddenpoel dieper dan 60 centimeter wordt aangelegd. De geplande paddenpoel heeft een oppervlakte van 175 m 2 . Bij de geplande werkzaamheden zal slechts een deel van de 175 m 2 worden verstoord. Bij eventueel vervolgonderzoek zal ook maar een zeer beperkt deel van het eventueel archeologisch niveau onderzocht kunnen worden. Door het geringe oppervlakte van de verstoring en een beperkt zicht op eventueel archeologische waarden, adviseert Econsultancy om af te zien van een archeologisch vervolgonderzoek op de locatie van deellocatie 1. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. 31 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archaeological Research en Consultancy Datum: 2012-03-14 Resultaat: Tijdens het verkennende booronderzoek zijn dekzanden, stuifzanden en terrasafzettingen aangetroffen. De bodem op de onderzoekslocatie is grotendeels tot 30 à 120 centimeter mv vergraven; in de meeste boringen is dit minstens 50 cm. Verder zijn in een aantal boringen podzolgronden, enkeerdgronden en vorstvaaggronden aangetroffen. In tracé A is rond boring 5 t/m 7 een aaneengesloten stuk met hoge enkeerdgronden aangetroffen.

In twee boringen zijn daaronder podzolgronden aanwezig. Wanneer de graafwerkzaamheden dieper dan het eerddek gaan (50 centimeter -mv) wordt voor dit gedeelte een vervolgonderzoek in de vorm van een archeologische begeleiding (protocol opgraven) aanbevolen. Ter plaatse van boring 80 t/m 85 zijn vorstvaaggronden aangetroffen en een fragment Romeins aardewerk. Wanneer de geplande werkzaamheden hier dieper dan de bouwvoor gaan (ca. 30 centimeter -mv) , wordt ook hier een archeologische begeleiding (protocol opgraven) aanbevolen. Hierbij kunnen eventuele archeologische sporen door archeologen gedocumenteerd worden. Voor het begeleiden van de graafwerkzaamheden is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat voor aanvang de werkzaamheden is goedgekeurd door de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas. Voor de overige intacte bodemprofielen wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Dit omdat het versnipperde stukjes betreft die op zichzelf weinig archeologische informatie opleveren. Dit geldt ook voor de mogelijke oude oppervlakken, waarbij ook nog meespeelt dat deze niet verstoord worden door de huidige werkzaamheden. Het is aan de bevoegde overheid om te bepalen of en in welke vorm vervolgonderzoek noodzakelijk is. De archeologische meldingsplicht blijft hoe dan ook van kracht.

Wanneer tijdens de graafwerkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen, dan dient dit, conform art. 53 van de Wamz, onverwijld te worden gemeld bij de bevoegde overheid. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 2002-03-21 Resultaat: De vindplaats komt voor behoud in aanmerking (bescherming conform Monumentenwet 1988) . Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Provincie Limburg Datum: 2002-10-01

2360537100 (50886)

130 meter ten noorden van het plangebied Broekhuizerdijk, Horsterweg En Stokterweg te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207243/387376

2031230100 (11002)

270 meter ten westen van het plangebied Horsterweg 16A te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207602/387731

2170698100 (24642)

270 meter ten westen van het plangebied Horsterweg 25 te Broekhuizen

31 Reynaert & Stiekema, 2021.

Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207602/387731 2378869100 (53247)

2378877100 (53248)

285 meter ten noordwesten van het plangebied Roamweg 17 te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207587/387852 285 meter ten noordwesten van het plangebied Roamweg 17 te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207587/387853

2393464100 (55157)

285 meter ten noordwesten van het plangebied Karterend Booronderzoek Roamweg 17 te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207586/387854

2143019100 (20720)

485 meter ten noorden van het plangebied Broekhuizen te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208255/388371

2121910100 (17712)

615 meter ten zuidoosten van het plangebied Stokterweg Lottum te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 208562/386840

4036305100

685 meter ten westen van het plangebied te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207303/387506

3980457100

695 meter ten noordwesten van het plangebied te Broekhuizen

32 Boots &

Stiekema, 2015. Stiekema, 2015. 34 Stiekema, 2013. 35 Boo van Uijen, 2017. 33 Boots &

Resultaat: Ter vergelijking met een eerder onderzoek door Synthegra bv. Het resultaat van het onderzoek is iets anders: de cultuurlaag tussen 1. 40 en 1. 60 meter is niet teruggevonden; wel was op 0. 80 meter een vage vuile laag aanwezig. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2012-08-17 Resultaat: De archeologische verwachting is voor alle archeologische periodes hoog. 32 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2012-09-02 Resultaat: Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat het bodemprofiel in het overgrote deel van het plangebied bestaat uit een esdek van 60-90 centimeter dikte, bestaande uit matig fijn, matig/sterk siltig, zwak humeus, egaal bruin zand. Hieronder bevindt zich de C-horizont bestaande uit matig fijn, matig/sterk siltig, licht grijs zand, soms met gleyverschijnselen. Aangezien er geen verstoringen in het plangebied zijn aangetroffen, blijft de hoge archeologische verwachting voor alle periodes uit het bureauonderzoek gehandhaafd. Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om het plangebied nader te onderzoeken door middel van een IVO karterende en waarderende fase, proefsleuven (IVO-P) .

33 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2013-01-10 Resultaat: Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden, adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Voor de delen van het plangebied waar vooralsnog geen bodemverstoringen gepland zijn, en waarvoor dus geen karterend booronderzoek is uitgevoerd, adviseert Econsultancy om hier een dubbelbestemming archeologie op te leggen. 34 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: BAAC BV Datum: 2006-03-03 Resultaat: Voorstel is om in ieder geval het oorspronkelijke kasteelterrein, inclusief voorburcht en bosperceel, op de AMK te plaatsen. Eigenlijk geldt voor het terrein een (zeer) hoge archeologische waarde. De huidige Standaard AMK (versie mei 2000) laat een dergelijke waardering echter niet toe zonder vervolgonderzoek. Daarom geldt voor het kasteelterrein een archeologische waarde. Type onderzoek: veldkartering Uitvoerder: Arcadis Datum: 2006-06-09 Resultaat: Op een perceeel aan de Stokterweg in Lottum is een Paardrijhal gepland. - Uit vooronderzoek is gebleken dat het perceel in een hoge verwachting zone ligt op de IKAW en de cultuurhistorische waardekaart van Limburg.

In het plangebied zijn geen waarnemingen bekend maar de verwachting is dat er sporen van bewoning vanaf het neolithicum aanwezig kunnen zijn. Het onderzoek bestaat uit een oppervlakte verkenning en enkele boringen. Geadviseerd wordt dat het plangebied waar de Rijhal wordt gebouwd vrij te geven en geen nader onderzoek uit te voeren. Voor de rest van het plangebied geldt dat als er in de toekomst dieper dan 30 centimeter graafwerkzaamheden plaatsvinden er alsnog archeologisch inventariserend booronderzoek moet plaatsvinden. Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2017-02-24 Resultaat: Door zowel de landschappelijke ligging als de vondstenspreiding rond het plangebied is de archeologische verwachting voor alle periodes vanaf het Paleolithicum hoog. Econsultancy adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. 35 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: Econsultancy BV Datum: 2015-11-23 Resultaat:

Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207038/387867

2095562100 (13936)

725 meter ten westen van het plangebied Horsterweg 18 te Broekhuizen Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207022/387638

2230094100 (33111)

750 meter ten zuidwesten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 207764/386725

2371756100 (52344)

825 meter ten oosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209512/386755 780 meter ten oosten van het plangebied te Lottum Gemeente Horst aan de Maas Coördinaat: 209512/386755

5133750100

36 Schutte, 2015. 37 Exaltus & Orbons, 2009. 38 Waveren & Moor, 2022.

Volgens de opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting kunnen in het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is hoog voor de periode Paleolithicum en Mesolithicum en laag voor de perioden Neolithicum - Nieuwe tijd. Econsultancy adviseert om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van een oppervlaktekartering of een verkennend booronderzoek, teneinde de op basis van het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde verwachting aan te vullen en te toetsen. 36 Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Synthegra BV Datum: 2002-09-11 Resultaat: Uit alle boringen blijkt dat het bodemprofiel binnen het gehele onderzoeksterrein een natuurlijke opbouw heeft. Door het ontbreken van archeologische indicatoren is er geen datering te geven aan de aangetroffen grondlagen. Grondsporen zijn in de boringen niet aangetroffen. Vondstmateriaal ontbreekt eveneens. Op grond van de boringen, de stratigrafie en het ontbreken van archeologische indicatoren is het onderzoeksterrein te interpreteren als een gebied met een lage archeologische verwachting. Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek zijn er geen bezwaren tegen de voorgenomen plannen op het onderhavige terrein.

Er is geen aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek uit archeologisch- of cultuurhistorisch oogpunt. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 2009-01-28 Resultaat: In verband met het ontbreken van een esdek, het verloren gaan van de oorspronkelijke bodem en het ontbreken van archeologische indicatoren, bestaat binnen het plangebied geen aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek te adviseren. Evenmin zijn tijdens het onderzoek archeologische resten aangetroffen waarmee tijdens de verdere planvorming of bij de uitvoering van de geplande werkzaamheden rekening zou moeten worden gehouden. 37 Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: ADC ArcheoProjecten Datum: 2012-06-12 Resultaat: Niet vermeld in Archis Type onderzoek: bureauonderzoek Uitvoerder: EARTH Integrated Archaeology Datum: 2021-11-12 Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. In het huidige landschap mogen archeologische resten direct in en onder de bouwvoor verwacht worden. Echter, waar de oorspronkelijk gevormde bodem is afgedekt met stuifzand (stuifduinen) kunnen aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden zijn afgedekt. Sporen en vondsten mogen in dit geval direct onder het stuifzand – in en in de top van de ‘begraven’ bodem verwacht worden.

Voor het gehele plangebied geldt een middelhoge verwachting voor de periode Neolithicum - Romeinse tijd. Waar binnen het plangebied de geplande werkzaamheden bestaan uit het aanpassen van het beekprofiel en werk gerelateerd aan duikers, is de omvang en diepte van de bodem verstorende werkzaamheden beperkt en zal - ondanks een middelhoge archeologische verwachting – het risico op het aantreffen van complete vindplaatsen en daarmee te behalen kenniswinst beperkt zijn. Voor deze delen wordt geadviseerd om bij het verbreden van de waterloop en het vervangen van de duikers met een ‘Meldingsprotocol’ te werken, waarin voorbeelden worden gegeven van mogelijk aan te treffen sporen en vondsten en een stappenplan dat gevolgd kan worden bij het aantreffen daarvan (passieve archeologische begeleiding) . Verhoogde aandacht dient uit te gaan naar de zone die door/langs het AMK-terrein 8270 voert. Hoewel de bodem daar deels verstoord kan zijn, is het risico aanwezig dat (intacte) sporen en vondsten worden aangetroffen. EARTH adviseert om in aanloop naar de werkzaamheden gerelateerd aan de aanpassing van het beekprofiel hier een verkennend booronderzoek uit te voeren en de huidige situatie te bekijken. Op basis van de resultaten kan vervolgens bepaald worden of hier een vervolgonderzoek nodig is of dat volstaan kan worden met de inzet van het meldingsprotocol.

Voor de terreindelen ter hoogte van de nieuw aan te leggen waterlopen en de maaiveldverlagingen geldt dat hier duidelijk grotere bodemingrepen gaan plaatsvinden. In deze delen is sprake van stuifduinen die mogelijk oudere loopniveaus afdekken en daarmee goed conserveren. Geadviseerd wordt om in deze delen van het plangebied de huidige bodemopbouw in kaart te brengen middels het uitvoeren van een inventariserend booronderzoek (verkennende fase) en hiermee de archeologische verwachting te toetsen. Het bovenstaande vormt een advies. Dit advies is op 11 maart 2022 overgenomen door de bevoegde overheid, de gemeente Horst aan de Maas. 38

Bijlage 4. Zaaknummer (Waar-

Vondstmeldingen Locatie

Omschrijving

305 meter ten westen van het plangebied Raaieind te Grubbenvorst Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207625/387725

IJzertijd - Nieuwe tijd : - fragment van een ijzeren bijl

ne-

mingsnr. ) 3044533100

3114882100

2031230100

2813140100

2849357100

2856647100

330 meter ten noordoosten van het plangebied Looweg te Stokt Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208370/387950 375 meter ten westen van het plangebied te Stokt Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207580/387740

395 meter ten noordoosten van het plangebied Looweg te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208400/388000 420 meter ten oosten van het plangebied te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208720/387800 470 meter ten noordwesten van het plangebied Stokt te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207800/388225

Romeinse tijd : - aardewerk - 11 fragmenten van dakpannen - 3 fragmenten van maalstenen Bronstijd - IJzertijd : - handgevormd aardewerk Bronstijd - Late Middeleeuwen : - fragment van een maalsteen Neolithicum - Bronstijd : - 26 fragmenten van vuursteen objecten, - cultuurlagen Romeinse tijd - Late Middeleeuwen : - fragment van een maalsteen Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 10 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk Bronstijd : - fragment van een handgevormd aardewerk object Niets vermeld in Archis

Paleolithicum - Bronstijd : - 16 fragmenten van vuursteen objecten, - fragment van een vuursteen schrabber Neolithicum - Bronstijd : - fragment van een vuursteen spits Neolithicum - IJzertijd : - handgevormd aardewerk

2849681100

2918952100

2856525100

700 meter ten zuiden van het plangebied Homberg te Lottum Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 208000/386750 750 meter ten oosten van het plangebied Broekhuizen te Broekhuizen Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 209100/387637 980 meter ten noordwesten van het plangebied Broekhuizen te Onbekend Gemeente Horst Aan De Maas Coördinaat: 207250/388400

Vroege Middeleeuwen : - 8 fragmenten van gedraaid aardewerk Paleolithicum - IJzertijd : - vuursteen afslagen - fragment van een vuursteen schrabber Neolithicum : - fragment van een vuursteen kling Neolithicum - Bronstijd : - handgevormd aardewerk - plantaardig, hout afval - cultuurlagen Mesolithicum : - vuursteen afslagen

Bijlage 5.

Bewoningsgeschiedenis

Als aanvullende informatie wordt hieronder derland weergegeven.

een

van

Nederland

algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Ne-

Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr. ) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300. 000130. 000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr. ) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr. ) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o. a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr. ) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr. ) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.

De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden.

Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr. ) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers) Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen) die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.

De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. .

,

Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr. ) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr. de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. ,

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen) De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. .

Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr. ) Over de Vroege Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr. is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand. Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. ,

Vanaf de 10 e – 11 e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband

met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een be-

gin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20 e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd.

Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20 e eeuw uit in de kunsten.

Bijlage 6.

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. .

Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting. Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema) .

De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen) Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase. De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen.

Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. .

Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden) . Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen. *** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden) . Ook kan besloten wor▼****** den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** zaamheden door archeologen.

*** (variant begeleiding) ▼ Besluit ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo(door de bevoegde overheid op basis van resultaten) gie, wel archeologische waarden aanwezig maar geen ▼ ▼ vervolgonderzoek noodzakelijk op grond van waardeOpgraven*** Beschermen ring. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Verwijderen van de arBescherming van de met bouwkundige voorwaarden) . cheologische resten archeologie door door archeologen planaanpassing (variant begeleiding) * Combinatie bureauonderzoek en IVO verkennende of karterende fase mogelijk, indien een PvA aanwezig is. ** Voorafgaand aan het booronderzoek dient een PvA worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. *** Voorafgaand aan het onderzoek dient een PvE en PvA te worden opgesteld, toetsing door de bevoegde overheid. **** Na een verkennend booronderzoek kan de bevoegde overheid besluiten dat een aanvullend karterend bureauonderzoek moet worden uitgevoerd. ***** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

****** Een combinatie van bureauonderzoek en IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven of een IVO karterende en waarderende fase door middel van proefsleuven is mogelijk, indien een PvA en een goedgekeurd PvE aanwezig is en met instemming van de bevoegde overheid.

Bijlage 7.

Planontwerp

Bijlage 8.

Boorstaten

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig Klei, matig zandig

geen geur

zwakke geur matige geur sterke geur uiterste geur

olie geen olie-water reactie

zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie uiterste olie-water reactie

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

p. i. d. -waarde >0 >1 > 10 > 100 > 1000 > 10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters

zand

Klei, sterk zandig Zand, kleiïg Zand, zwak siltig

leem

geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen zwak humeus veen Veen, mineraalarm

matig humeus

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

ongeroerd monster volumering

overig bijzonder bestanddeel Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand Gemiddeld laagste grondwaterstand slib water

Bijlage 9.

Foto’s Boormonsters

Boring 1

Boring 2

Boring 3

Boring 4 (in het veld verkeerd genummerd)

Boring 5

Boring 6

Boring 7

Boring 8

Boring 9

Boring 10

Boring 11

Boring 12

Boring 13

Boring 14

Boring 15

Boring 16

Boring 17

Boring 18

Boring 19

Sfeerfoto noordelijk deel van het plangebied

Sfeerfoto zuidelijk deel plangebied

Sfeerfoto zuidelijk deel plangebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16080439/1