CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c.7 Bijlage 7 Toelichting Archeologisch onderzoek

Gemeenteraad 18 november 2025, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Bijlagen bestemmingsplan Hilkensbergweg 5a, Broekhuizen17.036 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

RAPPORTAGE

archeologisch bureauonderzoek

en

verkennend

booronderzoek Hilkensbergweg 5 te Broekhuizen, in de gemeente Horst aan de Maas

En

Econsultancy

Rapport archeologisch bureauonderzoek

en

verkennend

Hilkensbergweg 5, te Broekhuizen in de gemeente

Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies Spoorweg 5963

1

en

Onroerend

Versienummer*

2

Datum

18-12-2023

Opsteller?

(geanonimiseerd) | (geanonimise rd) (geanonimiseerd)

Kwaliteitscontrole

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) |

een

rapport

waarvan

geen

de Maas

Goed

NJ Horst

22040.003

betreft

aan

4

Rapportnummer

Versie 1

Horst

booronderzoek

beoordeling

van

de bevoegde overheid

is ontvangen,

bij versie 2

is het

rapport wel beoordeeld

door de bevoegde overheid. ?

AVG

onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met

In

kadastrale uittreksels

en

namen

van

opdrachtgevers verwijderd dan wel zwart gelakt te worden.

Econsultancy Archeologisch Rapport

KWALITEITSZORG Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO) De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Ook is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA) De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie.

.

.

CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteitsen milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie. Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022) Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet, NEN en KNA protocollen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG.

Hierbij wordt opgemerkt dat wetgeving, waaronder wettelijke eisen uit de Erfgoedwet, prevaleert boven de AVG. .

RECHTEN © Econsultancy bv, Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot)

Econsultancy Archeologisch Rapport

INHOUDSOPGAVE ADMINISTRATIEVE GEGEVENS PLANGEBIED SAMENVATTING 1

INLEIDING

2

BUREAUONDERZOEK 2. 1 2. 2 2. 3 2. 4 2. 5 2. 6 2. 7 2. 8 2. 9

3

.. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

Doelstelling en onderzoeksvragen Methoden Afbakening en huidige situatie van het plangebied Toekomstige situatie Aardwetenschappelijke gegevens Archeologische waarden Beschrijving van het historische gebruik Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Conclusie bureauonderzoek

BRONNEN KAARTEN BIJLAGEN

1

1 1 2 4 4 7 9 12 15

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

.. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

Doelstelling en onderzoeksvragen Methoden Resultaten Conclusie veldonderzoek

16

. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

16 16 17 17

. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

18

.. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

CONCLUSIE EN ADVIES

LITERATUUR

1

. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK 3. 1 3. 2 3. 3 3. 4

4

. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. . .. .. .. .. .. .. .. .. .. .. ..

TABELLEN Tabel 2. 1 Tabel 2. 2 Tabel 2. 3 Tabel 2. 4

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting

KAARTEN Kaart 1. Kaart 2. Kaart 3. Kaart 4. Kaart 5. Kaart 6. Kaart 7. Kaart 8. Kaart 9. Kaart 10. Kaart 11. Kaart 12. Kaart 13. Kaart 14. Kaart 15. Kaart 16. Kaart 17. Kaart 18.

Het plangebied op de topografische kaart (1: 25. 000) Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto uit 2022 Het plangebied op de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50. 000 van Nederland Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3) Het plangebied op de bodemkaart Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied Het plangebied op de Kadastrale minuut uit 1843-1844. Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit 1899. Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit 1929. Het plangebied op de Militaire topografische kaart (veldminuut) uit 1937 Het plangebied op de Topografische kaart uit 1953/1954 Het plangebied op de Topografische kaart uit 1970 Het plangebied op de Topografische kaart uit 1988 Het plangebied op de Topografische kaart uit 1999 Boorpuntenkaart Advieskaart

BIJLAGEN Bijlage 1. Bijlage 2. Bijlage 3. Bijlage 4. Bijlage 5. Bijlage 6. Bijlage 7. Bijlage 8. Bijlage 9.

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken AMK-terreinen Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Planontwerp Boorstaten Foto’s Boormonsters

En

Econsultancy

ADMINISTRATIEVE

GEGEVENS

PLANGEBIED

Projectcode

22040.003

Opdrachtgever

Pijnenburg Agrarisch Advies

Toponiem

Hilkensbergweg

Plaats

Broekhuizen

Gemeente

Horst

Provincie

Limburg

Kadastrale

Broekhuizen,

circa

4,2 hectare

Kaartblad

52

E

en

X:

208145/Y:

387580

4:

Brabants

zandgebied

Archeoregio

(X/Y)

NOaA

Bevoegde overheid

sectie

Horst

aan

de Maas

Postbus 6005

Deskundige

namens

de bevoegde overheid

Uitvoeringsperiode

T:077 E:

(ged),

708

en

505

(ged).

—

4779777

gemeente@horstaandemaas.nl

AA Horst

Vestigia Archeologie & Cultuurhistorie

El (geanonimiseerd)

Spoorstraat

Contactpersoon:

3811

MN

juni

2023

5

Amersfoort

EN

43842407), (geanonimiseerd) MN (geanonimiseerd) sc en

Onderzoeksmelding ARCHIS3 en

493

E:

(geanonimise rd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Be vestigia.nl

(geanonimiseerd) (senior na Prospector) (reg.nr. Econsultancy, (geanonimiseerd) EN (gENeanonimise rd) NN

Uitvoerders

Beheer

F,‚ percelen

(1:25.000)

52 G

Gemeente

5960

Goed

de Maas

aan

Omvang plangebied

Centrumcoördinaten

Onroerend

5

Kadastrale gemeente

gegevens

en

plaats documentatie

(KNA archeoloog) (reg.nr. 72796778)

(geanonimiseerd) MN (geanonimiseerd) MN stegen).

Bureauonderzoek

Booronderzoek

5439056100

5439064100

Econsultancy en op termijn het provinciaal depot

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Pijnenburg Agrarisch Advies en Onroerend Goed in juni 2023 een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) door middel van boringen uitgevoerd. Het plangebied is gelegen aan de Hilkensbergweg 5 te Broekhuizen in de gemeente Horst aan de Maas. Het archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de voorgenomen aankoop en gedeeltelijke nieuwbouw. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst het vigerend bestemmingsplan worden herzien. Als onderdeel van de bestemmingsplanprocedure moet een ruimtelijke onderbouwing worden opgesteld. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht en wat het effect is van eventuele ingrepen op deze archeologische waarden. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016) ,

.

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek Het plangebied is gelegen op grote afstand van restgeulen en de Maas. Het door water omringde dalvlakteterras vormde een gunstige locatie voor jagers en verzamelaars, maar de grotere afstand tot het water maakte het plangebied vermoedelijk minder gunstig voor de tijdelijke kampementen.

Voor het aantreffen van archeologische resten uit het (Laat-) Paleolithicum en Mesolithicum geldt voor het plangebied daarom een middelhoge archeologische verwachting. De hogere, en drogere, ligging binnen het dalvlakteterras zorgde voor een gunstige locatie voor het uitvoeren van landbouw. Voor de periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Uit de historische kaarten is bekend dat het plangebied vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw tot op heden onbebouwd is geweest en voornamelijk als heide, bos, akkerland, weiland, boomgaard en park in gebruik geweest. Wel wordt het gebied vanaf het begin van de 19 e eeuw tot in de jaren ’60 van de 20 e eeuw doorsneden door wegen. Resten van bewoning uit de Nieuwe tijd worden binnen het plangebied niet verwacht. Mogelijk bevinden er zich wel sporen van agrarisch gebruik en wegen binnen het plangebied. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een hoge verwachting.

22040. 003 versie 2

Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) blijkt dat verspreid over het zuidelijk deel van het plangebied diepgaande verstoringen hebben plaatsgevonden, afgewisseld met stukken die minder diepgaand verstoord zijn. In het noordelijke deel van het plangebied is in één boring nog een (afgetopte) B-horizont aangetroffen en ligt de C-horizont bij de andere boring op 70 centimeter onder maaiveld waardoor vermoed wordt dat hier minder is vergraven. Conclusie De grootschalige verstoringen in het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, afgewisseld met locaties die minder diep verstoord zijn, boringen 6, 9, 12, 15 en 16, leidt tot de conclusie dat hier geen behoudenswaardige vindplaats meer te verwachten is. Misschien dat op de locaties die minder diep verstoord zijn nog archeologische resten liggen maar gezien de grootschaligheid en spreiding van de verstoringen wordt er vanuit gegaan dat dit kleine locaties zijn waar geen behoudenswaardige archeologische vindplaatsen meer liggen. Voor het noordelijk deel van het plangebied (perceel 493 (ged. ) ) kan niet worden uitgesloten dat hier nog een behoudenswaardige vindplaats ligt. Advies De aangetroffen bodemopbouw in het noordelijk deel van het plangebied (perceel 493 (ged.

) ) is van dien aard dat hier nog behoudenswaardige archeologische resten kunnen voorkomen. Voor het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, zijn de bodemverstoringen dermate groot dat hier geen behoudenswaardige vindplaatsen meer worden verwacht. De gespecificeerde archeologische verwachting, zoals die is weergegeven tijdens het bureauonderzoek, is door het booronderzoek voor het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, bijgesteld naar laag voor alle perioden. Voor het noordelijke deel van het plangebied, (perceel 493 (ged. ) ) blijft de gespecificeerde archeologische verwachting gehandhaafd. ,

In het noordelijke deel van het plangebied, (perceel 493 (ged. ) ) waar nog archeologische waarden worden verwacht, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Behoud van eventueel aanwezige archeologische waarden is mogelijk als er archeologievriendelijk gebouwd wordt (op palen) en er, afgezien van de paalfunderingen, niet dieper ontgraven wordt dan 30 centimeter onder het huidige maaiveld. Als het niet mogelijk is om archeologie vriendelijk te bouwen is, gezien de geringe diepteligging en de kwetsbaarheid van de archeologische resten, vervolgonderzoek noodzakelijk. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek (zie kaart 18) ,

.

Binnen het zuidelijk deel van het plangebied, perceel 708, waar het bodemprofiel grotendeels diepgaand is verstoord en waar dus geen behoudenswaardige archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren (zie kaart 18) .

Omdat binnen kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) circa 8. 683 bodemingrepen zijn gepland, is dit deel van het plangebied alleen onderzocht door middel ,

22040. 003 versie 2

m 2 , geen van

een

bureauonderzoek. Indien er hier in de toekomst toch bodemingrepen plaats zullen vinden, wordt geadviseerd om voorafgaand aan de bodemingrepen een inventariserend veldonderzoek in de vorm van een verkennend booronderzoek uit te voeren (zie kaart 18) .

Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Horst aan de Maas) die vervolgens het advies over neemt of niet. ,

Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Horst aan de Maas wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, conform artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen, moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het is verder raadzaam om ook de gemeente Horst aan de Maas op de hoogte te stellen.

22040. 003 versie 2

Econsultancy

1

INLEIDING

Econsultancy zoek

heeft in

uitgevoerd

opdracht

voor

De initiatiefnemer heeft de intentie bouw te realiseren met

mogelijk

maken,

te

den

gemaakt

is van voort

Het zoek

welke

het

eerst

moet

de

Hilkensbergweg

tweetal

boven-

Advies

en

percelen

aan

archeologische

te

ondergrondse

waarden

binnen het

deze

en

5 in

en

worden

worden

plangebied

waarden.

Onroerend

Goed

archeologisch

een

Broekhuizen, gemeente

kopen

infra

vigerend bestemmingsplan

ruimtelijke onderbouwing

een

eventuele

aan

een

bijbehorende

moet

mingsplanprocedure

Pijnenburg Agrarisch

van

plangebied

een

aan

Maas. nieuw-

het

plangebied

groenvoorziening.

Om

deze

herzien.

Als onderdeel

opgesteld. Hierbij kunnen

De noodzaak

moet

worden verwacht

ontwikkeling de bestem-

van

ook

onder-

de

van

en

in een deel

Horst

inzichtelijk woren

wat het

effect

onderzoek

vloeit archeologische archeologisch ingrepen op uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006} en de Erfgoedwet (2016). tot

archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonder(IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het

onderzoek

wordt

een

of vervolgstappen

advies gegeven

noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4).

NN (senior KNA Prospector), archeologisch onderzoek is uitgevoerd in juni 2023 door (geanonimiseerd) GN (geanonimiseerd) EN (geanonimiseerd) Het is door vise (reg.nr. 43842407). rapport (geanonimiseerd) (KNA Archeoloog). gecontroleerd GE (geanonimiseerd) ON

Het

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Het het

Doelstelling doel

van

en

onderzoeksvragen

het bureauonderzoek

plangebied.

gische

en

Hiervoor

wordt

(cultuur)historische

is het

een

opstellen

van

een

gespecificeerde archeologische verwachting voor

gemaakt

inventarisatie

gegevens. Aan de hand

van

deze

van

bekende

aardwetenschappelijke,

inventarisatie wordt het

archeolo-

gespecificeerd

archeo-

logisch verwachtingsmodel opgesteld.

Methoden

2.2

archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 19-02-2018) en volgens de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

Het

(KNA,

versie

4.1, 19-02-2018,

(CCvD) Archeologie

en

is

protocol 4002),

die

is

ondergebracht bij het SIKB

Voor de

uitvoering van

het bureauonderzoek

ten van

dit onderzoek

worden

gelden

vastgesteld

door

het

Centraal

College

van

Deskundigen

te Gouda.

de

specificaties LSO1, LS02, LSO3,

in dit rapport weergegeven

LSO4

en

LSOS.

De resulta-

volgens specificatie LS06.*

3SIKB.

22040.003

versie

2

IJ. 6)

R

DG vw

À Zr ©)

1/19

Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: • • • •

•

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01) ; beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02) ; beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03) ; beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04) ; opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05) .

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: • • • • • • • • • • • •

2. 3

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS) ; de Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ; geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket) ; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; een recente topografische kaart; recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3) ; Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg; de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas; plaatselijke (amateur-) archeoloog c. q. heemkundevereniging.

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening plan- en onderzoeksgebied Het plangebied is het gebied waarbinnen de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvind. Het onderzoeksgebied is het gebied waarbinnen voor het bureauonderzoek relevante informatie wordt verzameld. Dit is het gebied in een straal van circa 1000 meter rondom het plangebied. Het plangebied ligt aan de Hilkensbergweg 5, in het buitengebied ten zuidwesten van Broekhuizen, in de gemeente Horst aan de Maas zie (kaart 1) en heeft een oppervlak van circa 4, 2 ha. Het plangebied bestaat uit twee losse delen (zie kaart 2) één aangesloten deel betreft de kadastrale percelen gemeente Broekhuizen, sectie F, percelen 493 (ged. ) en 708, circa 3, 3 hectare. Binnen dit deel zijn bodemingrepen gepland. Het andere deel betreft het kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) circa 8. 683 m 2 Hier zijn na de aankoop geen bodemingrepen gepland. Het maaiveld ligt volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN3) tussen de 18, 7 en 20, 1 meter NAP en de centrumcoördinaten van het plangebied zijn X: 208145 en Y: 387580. ,

,

22040. 003 versie 2

.

2 / 19

Omdat binnen kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) geen bodemingrepen zijn gepland heeft de opdrachtgever besloten dat dit deel van het plangebied alleen onderzocht wordt door middel van een bureauonderzoek. Aangezien binnen de kadastrale percelen gemeente Broekhuizen, sectie F, percelen 493 (ged. ) en 708 wel bodemingrepen gepland zijn, wordt na het bureauonderzoek op deze percelen wel een booronderzoek uitgevoerd. Voor kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, perceel 493 (ged. ) alleen daar waar de toekomstige nieuwbouw is gepland en kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, perceel 708 in zijn geheel. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens. Het plangebied is momenteel grotendeels in gebruik als gras- en akkerland, alleen perceel 493 is in gebruik als groenvoorziening met paden. Dit perceel behoord bij het landhuis met 12 hotelkamers en een vijftal houten vakantiehuisjes die ten noorden van het plangebied liggen (zie kaart 3) De eigenaar/gebruikers zijn bij Econsultancy onbekend. De omliggende percelen zijn in gebruik als agrarische percelen en groenvoorziening/waterpartijen bij het hotel/de vakantiehuisjes. .

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Buitengebied Horst aan de Maas (vastgesteld 21 juni 2016) en Hilkensbergweg 5 Broekhuizen (vastgesteld 7 maart 2017) van de gemeente Horst aan de Maas. Volgens de bestemmingsplannen heeft de gehele onderzoekslocatie een waarde archeologie 3. In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening bij bodemingrepen groter dan 500 m 2 en dieper dan 50 centimeter reiken er vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. 4 Volgens de archeologische maatregelenkaart van de gemeente Horst aan de Maas ligt de gehele onderzoekslocatie in een gebied met een hoge archeologische verwachting.

5 Milieuhygiënische situatie Om te bepalen of de milieuhygiënische situatie in het plangebied een risico vormt voor de uitvoering van archeologisch veldonderzoek, is het Bodemloket en de Atlas Limburg geraadpleegd. 6 Binnen het plangebied zijn, voor

4 Portaal voor

Ruimtelijke Plannen. & Schrijvers, 2014. 6 Bodemloket. nl/Atlas Limburg. 5 Van Heeringen

22040. 003 versie 2

3 / 19

zover

bekend,

bodemonderzoeken uitgevoerd. Er zijn dus geen sche staat van het plangebied.

2. 4

Toekomstige situatie

geen

gegevens

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben archeologische waarde.

op

bekend

over

de milieuhygiëni-

het in-/ex-situ behoud van de

Momenteel is het plan om op de percelen 493 en 708 (totale oppervlakte circa 33. 000 m 2 ) een 20-tal aanvullende vakantiehuisjes te bouwen en een receptiegebouw met een inpandige bedrijfswoning. De rest van het perceel wordt ingericht als bos, groen, paden, vijvers en parkeerplaats. Tevens is het plan om een gedeelte van het aangrenzende perceelnummer 505 (8. 683 m 2 ) aan te kopen als bufferzone tussen het landgoed en de omliggende agrarische percelen. Het betreffende gedeelte van perceelnummer 505 zal volgens het huidige plan worden gebruikt als dierenweide en bos/groenvoorziening. Ter plaatse zijn geen graafwerkzaamheden gepland. Het gebied waarin bodemingrepen gepland zijn bedraagt circa 33. 000 m 2 Het exacte oppervlak en de diepte van verstoring ten behoeve van de nieuwbouw is onbekend (zie bijlage 7) evenals wie de toekomstige gebruikers worden. De geplande werkzaamheden, in het gebied waarin bodemingrepen gepland zijn, kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.

2. 5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel 2. 1

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Gegevensomschrijving

Geologie 7

Formatie van Beegden; rivierzand en -grind (Be3) met het laagpakket van Wijchen; stevige fijnkorrelige overstromingsafzettingen

Maasterras 8

Laatglaciale meandergordel uit 12900 tot 10950 BP 9

Geomorfologie 10

Dalvlakteterras (code E44 Gd)

7 De

Type gegevens

Mulder et al. , 2003.

8 Van den Berg, 1996. 9 BP: Before Present (dat is voor 1950) . 10 NGR/Wageningen Environmental Research (2019) .

22040. 003 versie 2

4 / 19

Bodem 11

Hoge bruine enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code bEZ21)

Grondwatertrap

VII

Landschappelijke ontwikkeling 12 Het plangebied is gelegen op een terras van de Maas, dat voornamelijk bestaat uit matig tot uiterst grof grindhoudend zand. Het Laagpakket van Wijchen bestaat uit klei (siltig tot zandig) kalkloos of soms een gedeeltelijk ontkalkte top, lichtgrijs tot donkergrijs, plaatselijk humeus tot sterk venig. Vaak komt aan de top van de Laag van Wijchen een goed ontwikkelde zwarte bodemhorizont voor. Geologisch gezien behoren deze afzettingen tot de Formatie van Beegden. De afzettingen van de Maas zijn gedurende het Kwartair ontstaan. Door tektonische activiteit, opheffing van de Ardennen en Limburg, heeft de Maas zich in de loop van de tijd ingesneden in de onderliggende afzettingen. Tijdens koude perioden heeft de Maas een vlechtend karakter gehad met een brede riviervlakte en een opeenhoping van sedimenten. Gedurende de overgang van een koude naar een warme periode sneed de rivier zich in het rivierterras in. Daarna begon de Maas te meanderen, waarbij de rivier zich concentreerde in één geul en er verschillende sedimenten in de bedding, op de oever en in de naastgelegen komgronden werden afgezet. Hierbij zijn er in totaal 31 terrasniveaus gevormd in het Maasdal, die te relateren zijn aan de periode waarin ze zijn gevormd. De oudste terrassen liggen hoog, de jongere lager.

Het dalvlakteterras waarop het plangebied is gelegen is gevormd gedurende het Allerød interstadiaal (13. 900 tot 12. 850 BP) en verlaten in het Jonge Dryas stadiaal (12. 700 - 11. 560 BP) Deze periode komt overeen met het einde van het Laat-Paleolithicum. ,

.

DINO Het Dinoloket 13 is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket is één boring bestudeerd, die net ten westen van het plangebied is gezet. 14 Hieruit blijkt dat de ondergrond bestaat uit een 20 centimeter dikke laag matig humeus zand. Hieronder ligt een 70 centimeter dikke matig grove zandlaag, van 0, 9 tot 1, 2 meter onder maaiveld ligt een sterk zandige leemlaag. Hieronder, tot einde boring op 4 meter onder maaiveld, komt zand voor, de eerste 30 centimeter matig fijn, daaronder matig grof. De leemlaag en zandlagen kunnen worden toegeschreven aan de formatie van Beegden, de bovenste 20 centimeter betreft de bouwvoor. Geomorfologie De geomorfologische kaart van Nederland geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer.

Volgens de geomorfologische kaart ligt het plangebied op een Dalvlakteterras (code E44 Gd) (zie kaart 5) In riviervlakten kunnen door verschillende fasen van insnijding op verschillende niveaus terrasvormen voorkomen. Op de wat hogere terrassen in de dalvlakte ligt dikwijls een pakket dekzand (toevoeging d) Indien door het dekzandpakket het terras een welvend reliëf heeft is dit aangegeven met de toevoeging 'zwak

.

.

.

11 NGR/Wageningen

Environmental Research (2018) . den Berg, 1996; De Mulder et al. , 2003. 13 Dinoloket. 14 DINO boornummer B52E1905. 12 Van

22040. 003 versie 2

5 / 19

golvend' (G) 15 De bij de dinoboring vastgestelde matig grove zandlaag, die op 20 tot 70 centimeter onder het maaiveld is aangetroffen, zou dit dekzand kunnen zijn (bestaande uit lokaal verstoven zand) maar zou ook rivierafzettingen kunnen zijn. .

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Het Actueel Hoogtebestand Nederland 16 vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Uitgaande van het AHN ligt het plangebied in een vlakte met een welvend reliëf (zie kaart 6) Ten noorden ligt een laagte, een restgeul, en ten westen en oosten hogere delen, landduinen. In het plangebied zelf ligt de NAP hoogte tussen de 18, 7 en 20, 1 meter NAP, aan de zuidoostzijde ligt een hoger deel en in het noordwesten een lager deel. .

Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1: 50. 000) is het plangebied gekarteerd als Hoge bruine enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand (code bEZ21) (zie kaart 7) .

Enkeerdgronden zijn oude bouwlanden, die vanaf de Late Middeleeuwen op de Pleistocene zandgronden zijn ontstaan door het opbrengen van mest (uit potstallen) vermengd met plaggen, die gestoken werden op de woeste gronden (zoals heide, bossen en beekdalen) Dergelijke gronden zijn eerst ontstaan op de hogere delen van het landschap en hebben zich later uitgebreid tot de lagere delen. Ze bestaan uit dikke lagen leemarme en humusrijke gronden. Het belang van een enkeerdgrond ligt in de beschermende kwaliteiten van het dek. Eventuele archeologische waarden worden in de regel door het dikke dek beschermd tegen verstoring door onder andere agrarische activiteiten. Sinds de jaren ‘80 van de 20 e eeuw is er een grotere en meer systematische aandacht voor plaggenbodems in Nederland. In veel gevallen bleken de betreffende terreinen een hoge dichtheid aan verhoudingsgewijs goed geconserveerde archeologische overblijfselen te bevatten, soms zelfs complete archeologische landschappen. De vaak opmerkelijke resultaten vormen de belangrijkste bron voor de beschrijving van de bewoning en het landgebruik in de zandlandschappen voor de periode vanaf de Midden Bronstijd tot in de Nieuwe tijd. Veel hiervan representeert de vroegere geschiedenis van de dorpen die tussen de 9 e en de 12 e eeuw naast de essen kwamen te liggen.

De rijkdom aan archeologische resten heeft er toe geleid dat de hoger en droger gelegen plaggendekken of enkeerdgronden over het algemeen een hoge indicatieve archeologische waarde kregen. 17 .

Boringen en/of sonderingen In het plangebied zijn in het kader van andere bodemonderzoeken (nog) geen boringen dan wel sonderingen gezet waarvan de resultaten gebruikt kunnen worden voor dit bureauonderzoek. Grondwatertrap Grondwatertrappen zijn een indicatie voor de diepte van de grondwaterstand en de seizoensfluctuatie daarvan. Het grondwaterpeil is een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten; hoe beter de

15 NGR/Wageningen

Environmental Research (2019) . (2018) ‘Actueel Hoogtebestand Nederland 3 WCS.

16 PDOK/Rijkswaterstaat

17 Doesburg et al. , 2007.

22040. 003 versie 2

6 / 19

ontwatering, hoe slechter de conservering. De grondwatertrappenindeling is gebaseerd op de gemiddeld hoogste (GHG) en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) Hiermee worden de winter- en zomergrondwaterstanden gekarakteriseerd in een jaar met een gemiddelde neerslag en verdamping. In stedelijk gebied zijn geen grondwatertrappen bepaald. Deze worden als ‘witte vlekken’ op de Bodemkaart van Nederland (1: 50. 000) weer.

gegeven.

Tabel 2. 2 geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen. De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel 2. 2

Grondwatertrappenindeling 18

Grondwater-

I

II'

III'

IV

V'

VI

VII "

VIII

GHG (cm -mv)

-

< 40

< 40

> 40

< 40

40-80

> 80

> 140

GLG (cm -mv)

< 50

50-80

80-120

80-120

> 120

> 120

> 120

-

trap

') Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden " ) Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven " zeer droog deel " heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

Het plangebied bevindt zich in een gebied dat wordt gekenmerkt met een grondwatertrap VII. De conservering van metalen en organische resten zal in het plangebied, vanwege de grondwaterstand, niet optimaal zijn. Omdat het plangebied op zand ligt en de toekomstige bebouwing maar op een beperkt deel van het plangebied zal plaatsvinden wordt niet verwacht dat het toekomstig grondwaterpeil zal worden beïnvloed.

2. 6

Archeologische waarden

2. 6. 1 AMK-terreinen, onderzoeksmeldingen en vondsmeldingen Om inzicht te krijgen in bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeologisch Informatie Systeem (ARCHIS) de online database van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 19 Deze database bevat onder meer informatie over archeologische onderzoeken, vondstmeldingen en archeologische monumentterreinen. In kaart 8 zijn de archeologische waarden en onderzoeken in de omgeving van het plangebied weer gegeven. Voor het onderzoek wordt vooralsnog gekeken naar de waarden binnen een straal van 1000 meter rondom het plangebied. ,

18 Locher

& De Bakker, 1990.

19 Archeologisch informatiesysteem

22040. 003 versie 2

Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) , Amersfoort

7 / 19

AMK-terreinen De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumenten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaamheid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde) Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status. Het plangebied ligt niet binnen een AMK-terrein. Binnen het onderzoeksgebied ligt één AMK-terrein (zie bijlage 2 en Kaart 8) Het AMK-terrein, 790 meter ten zuidwesten van het plangebied, betreft een terrein met de cluster oude bebouwing Homberg. Binnen deze contouren kunnen in de bodem resten van vroegmoderne en waarschijnlijk ook van laatmiddeleeuwse (vanaf circa 1300 AD) bewoning aangetroffen worden. Ook sporen van oudere bewoning kunnen aanwezig zijn. Bedacht dient echter te worden dat de bewoning in de Vroege en Volle Middeleeuwen (tot circa 1300 AD) een meer dynamisch karakter gehad kan hebben en dat de plaats en grens ervan niet perse hoeft samen te vallen met die van de latere bewoning. 20 .

.

Onderzoeksmeldingen Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal 15 archeologische onderzoeken uitgevoerd (zie bijlage 3 en Kaart 8) Er worden verschillende typen archeologische onderzoeken onderscheiden. Voor ons onderzoek zijn met name de archeologische veldonderzoeken van belang, dus de booronderzoeken, proefsleuvenonderzoeken, archeologische begeleidingen en opgravingen. Als er tijdens archeologisch onderzoek vondsten worden gedaan, dan kunnen er één of meerdere vondstlocaties worden geregistreerd. .

In het onderzoeksgebied zijn alleen bureauonderzoeken, booronderzoeken (verkennend/karterend) en een veldkartering uitgevoerd. Voor bijna alle onderzochte gebieden werd in het bureauonderzoek een hoge verwachting voor alle archeologische periodes opgesteld. Naar aanleiding van deze hoge verwachting werd een vervolgonderzoek in de vorm van een booronderzoek of een proefsleuvenonderzoek geadviseerd. Na uitgevoerde booronderzoeken zijn adviezen gegeven om terreinen vrij te gegeven, in verband met een verstoorde bodemopbouw, het ontbreken van archeologische indicatoren of een te klein verstoringsoppervlak in dat deel van het plangebied waar de bodem nog wel goed intact was. Na één booronderzoek is behoud in situ geadviseerd, daarna is dit onderzoek door een andere instantie herhaald en daarbij is een andere conclusie getrokken. Na een ander verkennend booronderzoek is geadviseerd om een proefsleuvenonderzoek in het plangebied uit te voeren, dit is niet gebeurd. In plaats van het proefsleuvenonderzoek is in een deel van het plangebied een karterend booronderzoek uitgevoerd waarbij niets is aangetroffen, waardoor dat deel is vrijgeven. Ook bij de veldkartering is niets aangetroffen waardoor de nieuwbouw zonder verder onderzoek kon worden uitgevoerd. Vondstmeldingen In ARCHIS staan alle bekende archeologische vondstmeldingen geregistreerd.

Binnen het plangebied zijn geen vondstmeldingen geregistreerd. Binnen het onderzoeksgebied staan negen vondstmeldingen geregistreerd (bijlage 4 en Kaart 8) De vondsten die rondom het plangebied zijn gedaan laten zien dat er menselijke activiteiten hebben plaats gevonden in het onderzoeksgebied in de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. De vondstmeldingen waarbij Paleolithicum wordt genoemd betreffen breed gedateerde vondsten, één specifieke .

20 Archeologisch informatiesysteem

22040. 003 versie 2

Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) , Amersfoort

8 / 19

vuursteenvondst is gedateerd in het Mesolithicum (gelegen bij de restgeul) Het grootste deel van de vondstmeldingen dateren uit het Neolithicum tot en met IJzertijd. .

2. 6. 2

Andere bronnen

Provinciale archeologische aandachtsgebieden provincie Limburg De Provincie Limburg heeft in maart 2008 besloten haar verantwoordelijkheid voor archeologie te gaan beperken tot waarden van provinciaal belang. Daartoe heeft ze een aantal zgn. archeologische aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn representatieve en relatief gave delen van de verschillende Limburgse cultuurlandschappen met een groot potentieel aan archeologische waarden. De Provincie wil zich inzetten voor het behoud en onderzoek van archeologische waarden in deze gebieden. Het betreft zes soorten gebieden, verspreid over 16 verschillende gemeenten. Het uitgangspunt hierbij is niet de bescherming van het gehele aandachtsgebied. Het is immers niet van tevoren bekend welke waarden aanwezig zijn en waar de vindplaatsen exact liggen. Basisprincipe voor het beleid is een hoge kwaliteit van het archeologisch onderzoek. Omdat niet alle vindplaatsen even belangrijk zijn en niet alle waardevolle vindplaatsen behouden kunnen blijven, zullen in het gehele archeologische onderzoekstraject keuzes gemaakt moeten worden. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen dus wel plaatsvinden in de geselecteerde gebieden, maar alleen als er in een vroegtijdig stadium adequaat archeologisch onderzoek wordt verricht. Er worden immers waarden verwacht die van provinciaal belang zijn.

Volgens de Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied kaart van de provincie Limburg ligt het plangebied in Provinciaal Archeologisch Aandachtsgebied Maasdal. Het Maasdal heeft verreweg het grootste onderzoekspotentieel van alle regio’s. Het Maasdal omvat een groot scala aan landschapselementen zoals de huidige rivier en de oude geulen, de holocene kronkelwaarden en oeverwallen, de laagterrassen en de terrasranden. Er zijn vindplaatsen uit alle perioden aanwezig. Vindplaatsen die later zijn afgedekt met riviersediment bezitten een hoge fysieke kwaliteit. Het Maasdal is een gebied waarin uitstekend de interactie tussen menselijk handelen en de natuurlijke omgeving, in het bijzonder de rivier, te bestuderen is. 21 Wetenschappelijke publicaties, archieven en provinciaal archeologisch depot In het kader van dit bureauonderzoek zijn enkele publicaties geraadpleegd van archeologische onderzoeken die in het verleden binnen het onderzoeksgebied hebben plaatsgevonden (zie hierboven paragraaf 2. 6. 1 en bijlage 3 (onderzoeksmeldingen) ) Er heeft in het kader van dit bureauonderzoek geen archiefonderzoek plaats gevonden en er is geen contact opgenomen met het provinciaal depot van Limburg, aangezien verwacht werd dat dit voor dit plangebied geen meerwaarde zou hebben. .

2. 7

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook historische relicten voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historisch geografische relicten zoals nederzettingsvormen en wegenen kavelpatronen. Veel van deze bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de

21 Provinciaal Omgevingsplan

22040. 003 versie 2

Limburg; Van der Gaauw 2008.

9 / 19

tweede helft van de 20 e eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast hethistorisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Korte bewoningsgeschiedenis van Broekhuizen In deze paragraaf wordt een bespreking van de bewoningsgeschiedenis van de streek gegeven. Een algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Nederland wordt weergegeven in bijlage 5. Broekhuizen wordt waarschijnlijk voor het eerst vermeld in 1273 (Giselbertum de Bruchusen) Broekhuizen en Broekhuizenvorst vormen een soort dubbeldorp. Het zijn twee kerkdorpen die op slechts enkele honderden meters van elkaar liggen en waarvan de onderlinge verhouding nog onduidelijk is. De naam Broekhuizenvorst wijst niet op een oorspronkelijke band met Broekhuizen. De plaats heette aanvankelijk simpelweg Vorst en kreeg pas in de 15 e eeuw haar voorvoegsel, ter onderscheiding van het nabijgelegen Grubbenvorst. Broekhuizen was later het bestuurlijke centrum. Het kasteel van Broekhuizen lag op enige afstand van het dorp bij het gehucht Stokt. 22 .

Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Tabel 2. 3

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Tranchot und v. Müffling kaart 23

1801-1828

20 Meerlo/26

1: 20. 000

Akkerland doorsneden door

Akkerland, grasland en percelen bos doorsneden door wegen. Ten noordwesten staat bebouwing.

Velden

Kadastrale minuut 24

1843-1844

Gemeente

wegen.

1: 2. 500

Grotendeels bouwland, kleine strook heide, bos voor hakhout en dennenbos. Doorsneden door wegen/paden.

Akkerland, bos, doorsneden door wegen. Ten noordwesten, westen en zuidwesten staat bebouwing.

1: 50. 000

Grotendeels agrarisch gebied, oppervlakte bos afgenomen.

Geen grootschalige verande-

Broekhuizen, sectie C, blad 02

Bonneblad 25

1850-1864

52 Venlo

ringen.

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1899

674 Lottum

1: 50. 000

Grotendeels akkerland, kleine stukjes bos.

Bebouwing ten zuiden “De Vonkel” toegenomen

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1915

674 Lottum

1: 50. 000

Geen veranderingen.

Geen grootschalige veranderingen.

22 Renes, 1999. 23 Beeldbank Vrije Universiteit. 24 Aezel. 25 Kadaster Topotijdreis

22040. 003 versie 2

(bron voor deze kaart en de hierop volgende kaarten in deze tabel) .

10 / 19

Militaire topografische kaart (veldminuut)

1929

674 Lottum

1: 50. 000

Bosgebied is uitgebreid, rest is akkerland.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1937

674 Lottum

1: 25. 000

Bosgebied afgenomen.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1953/1954

52E/52G

1: 25. 000

Bosgebied verder afgeno-

Geen grootschalige veranderingen.

men.

Topografische kaart

1958

52E/52G

1: 25. 000

Bosgebied aan de zuidzijde weer toegenomen, deel mogelijk boomgaard.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1962/1965

52E/52G

1: 25. 000

Geen veranderingen.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1970

52E/52G

1: 25. 000

Grotendeels akkerland, klein deel (gescheiden door een groenstrook) grasland.

Huidige stratenpatroon gerealiseerd, bebouwing uitgebreid in de richting van het plangebied.

Topografische kaart

1980

52E/52G

1: 25. 000

Geen veranderingen.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1988

52E/52G

1: 25. 000

Deels akker, boomgaard en grasland.

Geen grootschalige veranderingen.

Topografische kaart

1999

52E/52G

1: 25. 000

Deels akker, deels boomgaard (in omvang toegenomen) en deels grasland.

Nieuwe bebouwing ten oosten plangebied.

Topografische kaart

2004

52E/52G

1: 25. 000

Huidige watergang zuid-zuidoostzijde plangebied gerealiseerd.

Bebouwing ten oosten plangebied toegenomen.

Topografische kaart

2009

52E/52G

1: 25. 000

Geen veranderingen.

Bebouwing ten noordoosten plangebied gerealiseerd.

Topografische kaart

2011

52E/52G

1: 25. 000

Noordoostzijde ligt in een parklandschap, boomgaard is hier verdwenen.

Bebouwing ten noordoosten plangebied uitgebreid, huidige waterpartijen gerealiseerd.

Topografische kaart

2015

52E/52G

1: 25. 000

Boomgaard ook aan noordwestzijde verdwenen, nu akker.

Geen grootschalige veranderingen.

Op basis van het beschikbare gedetailleerde historische kaartmateriaal is het plangebied de afgelopen 200 jaar grotendeels in agrarisch gebruik geweest, als akkerland, weiland en boomgaard (zie tabel 2. 3 en kaarten 9 t/m 16) In de eerste helft van de 19 e eeuw is nog een deel een strook heide maar dit is al in de tweede helft van de 19 e eeuw verdwenen (zie kaarten 9 en 19) Delen zijn vanaf het de eerste helft van de 19 e eeuw tot in de jaren ’60 van de 20 e eeuw bebost (deels voor hakhout) (zie kaarten 9 t/m 13) Ook wordt het plangebied in deze perioden doorsneden door wegen. Op de kaart uit 1970 (zie kaart 14) is al het bos en de wegen uit het plangebied .

.

.

22040. 003 versie 2

11 / 19

verdwenen en is ook het huidige stratenpatroon om het plangebied heen ontstaan. In 2011 ligt de noordoostzijde van het plangebied in een parklandschap, behorend bij het landhuis met hotelkamers. Vanaf 2015 is de huidige situatie verbeeld. De omgeving van het plangebied heeft de afgelopen 200 jaar ook grotendeels haar rurale karakter, met verspreid wat bebouwing, gehouden. Bouwhistorische gegevens Het bouwdossier van de gemeente Horst aan de Maas is niet geraadpleegd omdat het plangebied volgens het historisch kaartmateriaal de laatste 200 jaar onbebouwd is geweest. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd. 26 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Rondom het plangebied zijn echter wel explosieven geruimd, het kan niet uitgesloten worden dat deze ook het plangebied aanwezig zijn. Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Historische Kring Broekhuizen en Broekhuizenvorst, d. d. 3 mei 2023, maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

2. 8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2. 4

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t. o. v. het maaiveld

(Laat-) Paleolithicum

Middelhoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Mesolithicum

Middelhoog

Kampementen, vuursteenstrooiïngen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Neolithicum

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

26 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve

kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bom-

menkaart/Zwanenburg, 1990.

22040. 003 versie 2

12 / 19

Bronstijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

IJzertijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Romeinse tijd

Hoog

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Vroege Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren) erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Late Middeleeuwen

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren) erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Nieuwe tijd

Hoog

Bewoningssporen van een (boeren) erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten, gebruiksvoorwerpen, sporen van agrarisch gebruik en resten van wegen.

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Uit de landschappelijke ligging op een dalvlakteterras van de Maas, blijkt dat het plangebied vanaf het Paleolithicum gunstig is geweest voor jagers en verzamelaars en vanaf het Neolithicum voor landbouwers. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de perioden Paleolithicum tot en met Nieuwe tijd. De vondstmeldingen waarbij Paleolithicum wordt genoemd betreffen breed gedateerde vondsten, één specifieke vuursteenvondst is gedateerd in het Mesolithicum (gelegen bij de restgeul) Het grootste deel van de vondstmeldingen dateren uit het Neolithicum tot en met IJzertijd. .

Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jagers en verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jagers en verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het voedselaanbod en de aanwezigheid van grondstoffen in de omgeving van de locatie. Ze leefden van de jacht, visserij en het verzamelen van onder andere noten, vruchten en wortels. Dit soort voedsel was met name te

22040. 003 versie 2

13 / 19

vinden op het overgangsgebied van hoge en droge gronden naar lage en natte gronden, de gradiëntzone, en dichtbij water, zoals vennen en beken. Op dit soort locaties was ook drinkwater bereikbaar. 27 Het plangebied is gelegen op grote afstand van restgeulen en de Maas. Het door water omringde dalvlakteterras vormde een gunstige locatie voor jagers en verzamelaars, maar de grotere afstand tot het water maakte het plangebied vermoedelijk minder gunstig voor de tijdelijke kampementen. Voor het aantreffen van archeologische resten uit het (Laat-) Paleolithicum en Mesolithicum geldt voor het plangebied daarom een middelhoge archeologische verwachting. Voor de landbouwers zijn andere factoren van belang bij de locatiekeuze. Vanaf het Neolithicum ging men zich vestigen op één locatie. Om te kunnen blijven wonen op één plek werd het kunnen uitvoeren van landbouw een belangrijke factor. Voor akkerbouw is onder andere een vruchtbare bodem en een goede afwatering van belang. 28 De hogere, en drogere, ligging binnen het dalvlakteterras zorgde voor een gunstige locatie voor het uitvoeren van landbouw. Voor de periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Vanaf de Middeleeuwen zijn schriftelijke bronnen bekend die de bekende locatiekeuzes en archeologische gegevens kunnen aanvullen.

Vanaf de 13 e eeuw wordt de locatie langs kruisingen en splitsingen van doorgaande en lokale wegen ook van belang voor de locatiekeuze van een nederzetting. Deze nederzettingen kunnen zijn gegroeid tot de hedendaagse gehuchten en woonkernen. 29 Uit de historische kaarten is bekend dat het plangebied vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw tot op heden onbebouwd is geweest en voornamelijk als heide, bos, akkerland, weiland, boomgaard en park in gebruik is geweest. Wel wordt het gebied vanaf het begin van de 19 e eeuw tot in de jaren ’60 van de 20 e eeuw doorsneden door wegen. Resten van bewoning uit de Nieuwe tijd worden binnen het plangebied niet verwacht. Mogelijk bevinden er zich wel sporen van agrarisch gebruik en wegen binnen het plangebied. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een hoge verwachting. In het hele plangebied kunnen archeologische resten voorkomen uit alle archeologische perioden. De kans op het voorkomen van de resten is middelhoog tot hoog. Deze archeologische resten worden verwacht onder het eerddek en in de top van de oorspronkelijke C-horizont. De vondstenlaag is opgenomen onder in het eerddek; hier wordt ook wel van ‘cultuurlaag’ gesproken: een doorwerkte oude bodem tussen het eerddek en de ongeroerde ondergrond met kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, vuursteen en houtskool.

Aan en direct onder het maaiveld worden archeologische resten verwacht uit de Nieuwe tijd. De vondstenlaag van deze resten zal zich niet dieper bevinden dan circa 30 centimeter beneden het maaiveld. Archeologische sporen worden verwacht in de top van de C-horizont. Organische resten en metaal zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens.

27 Louwe Kooijmans et al. , 2005. 28 Louwe Kooijmans et al. , 2005. 29 Renes, 1999.

22040. 003 versie 2

14 / 19

Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in gebruik geweest als heide, bos, akkerland, weiland, boomgaard en park, doorsneden door wegen. Door ploegen, plant- en rooiwerkzaamheden en weggebruik kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

2. 9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden verwachting voor het plangebied is.

op

de vraag wat de gespecificeerde archeologische

Het plangebied is gelegen op grote afstand van restgeulen en de Maas. Het door water omringde dalvlakteterras vormde een gunstige locatie voor jagers en verzamelaars, maar de grotere afstand tot het water maakte het plangebied vermoedelijk minder gunstig voor de tijdelijke kampementen. Voor het aantreffen van archeologische resten uit het (Laat-) Paleolithicum en Mesolithicum geldt voor het plangebied daarom een middelhoge archeologische verwachting. De hogere, en drogere, ligging binnen het dalvlakteterras zorgde voor een gunstige locatie voor het uitvoeren van landbouw. Voor de periodes vanaf het Neolithicum tot en met de Late-Middeleeuwen geldt een hoge archeologische verwachting. Uit de historische kaarten is bekend dat het plangebied vanaf de eerste helft van de 19 e eeuw tot op heden onbebouwd is geweest en voornamelijk als heide, bos, akkerland, weiland, boomgaard en park is gebruik geweest. Wel wordt het gebied vanaf het begin van de 19 e eeuw tot in de jaren ’60 van de 20 e eeuw doorsneden door wegen. Resten van bewoning uit de Nieuwe tijd worden binnen het plangebied niet verwacht. Mogelijk bevinden er zich wel sporen van agrarisch gebruik en wegen binnen het plangebied. Voor de Nieuwe tijd geldt daarom een hoge verwachting.

Gezien de in dit bureauonderzoek opgestelde archeologische verwachting is binnen het plangebied vervolgonderzoek noodzakelijk om deze te toetsen. Het vervolgonderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn. Omdat binnen kadastrale perceel gemeente Broekhuizen, sectie F, nummer 505 (ged. ) circa 8. 683 m 2 geen bodemingrepen zijn gepland heeft de opdrachtgever besloten dat dit deel van het plangebied alleen onderzocht wordt door middel van een bureauonderzoek. Aangezien binnen de kadastrale percelen gemeente Broekhuizen, sectie F, percelen 493 (ged. ) en 708, circa 3, 3 hectare, wel bodemingrepen zijn gepland, wordt na het ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16080439/1