CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c.6b AAA - T Bijlage 6b Natuurbeschermingswetvergunning 1998

Gemeenteraad 21 mei 2024, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het ongewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Helenaveenseweg 23 en ongenummerd, Sevenum.29.611 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

ONTWERPBESCHIKKING 3.1

inzage legging ontwerpbeschikking is genomen op 25 alle en overige relevante stukken, hebben inzage gelegen. Ter

De

Op

7 december

namens

oktober 2010. De ontwerpbeschikking, de aanvraag van 29 oktober 2010 tot en met 9 december 2010 ter

EN van Arvalis Adviseurs te Roermond, 2010 is van (geanonimiseerd) BEN ing. (geanonimiseerd)

een BEN aanvrager (geanonimiseerd)

schriftelijke zienswijze, met kenmerk

551505/HJ/1-11-2010, tegen ontwerp-beschikking ingekomen. Bij schrijven van 17 december 2010, kenmerk 5515050/HJ/16-12-2010, heeft aanvrager deze zienswijze weer ingetrokken. De ingediende en nadien weer ingetrokken zienswijze heeft geen aanleiding gegeven tot een heroverweging van het ontwerp-besluit. De ontwerpbeschikking wordt dan ook ongewijzigd omgezet in een definitieve beschikking. de

WETTELIJK

KADER

EN

BELEIDSKADER

4.1

Toetsingskader “het belang van de bescherming van het milieu” De gemeente toetst de aanvraag aan de Wet milieubeheer. Op basis van deze wet kan de gemeente een aangevraagde vergunning weigeren of verlenen, en kan er voorschriften aan verbinden. In een milieuvergunning mogen alleen voorschriften worden opgenomen die het milieu beschermen. Op basis van de Wet milieubeheer moeten de voorschriften een hoge bescherming van het milieu waarborgen. Uitgangspunt is dat het bedrijf de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om het milieu te beschermen.

4.2

Activiteitenbesluit is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit) in werking getreden. Dit besluit en de daarmee samenhangende Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer bevat rechtstreeks werkende regels en voorschriften, tot bescherming van het milieu. Voor gpbv-installaties (IPPC-bedrijven) geldt een verbod om zonder een daartoe verleende milieuvergunning een bedrijf op te richten, te veranderen en in werking te hebben. Voor overige bedrijven geldt dat deze onder het Activiteitenbesluit, het Besluit Landbouw milieubeheer of het Besluit Glastuinbouw milieubeheer vallen. Per 1 januari 2008

Het Activiteitenbesluit kent drie type inrichtingen, te weten inrichting type A (meldingsvrij), type B (meldingsplichtig) en type C (vergunningplichtig). Alle agrarische bedrijven, zowel de vergunningplichtige bedrijven (behalve de gpbv-installaties), als de bedrijven die onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw vallen, zijn type C-bedrijven op basis van de definitie in artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit.

kippenbedrijven hebben te maken met de IPPC-richtlijn. De IPPCrichtlijn is een Europese richtlijn gericht op preventie en beperking van verontreiniging en op het bereiken van een zo hoog mogelijk niveau van bescherming van het milieu. De richtlijn is van toepassing op intensieve veehouderijen met meer dan 40.000 plaatsen voor pluimvee, meer Grote

intensieve varkens-

en

dan 2.000 plaatsen voor mestvarkens (230 kg) of meer dan 750 plaatsen voor zeugen. Uit de aanvraag blijkt dat in het bedrijf 446 plaatsen voor zeugen en 1584 plaatsen voor vleesvarkens aanwezig zijn, zodat het bedrijf niet onder de reikwijdte van de IPPC-richtlijn valt.

Vastgesteld

is dat het

bedrijf thans een type C-inrichting betreft, waarvoor de vergunningplicht

geldt. 4.3

#

Algemene maatregelen

van

bestuur

(AMvB)

Daarnaast

zijn er ook onderdelen van het Activiteitenbesluit van toepassing. Deze onderdelen rechtstreeks. gelden Het betreft de voorschriften opgenomen in hoofdstuk 3 en 4 (artikel 4.11 en artikel 4.18) en, voor zover deze uit de activiteiten voortvloeit, hoofdstuk 1 afdeling 2.1, 2.2, 2.4, 2.10 (zorgplichtbepalingen) en hoofdstuk 6 (overgangsrecht). Naast de milieuvergunning en het Activiteitenbesluit zijn voor verschillende activiteiten ook nog regels opgenomen in andere AMvB's. Deze regels gelden rechtstreeks en mogen niet in de milieuvergunning worden opgenomen. In verband hiermee zijn voor het lozen van hemelwater en huishoudelijk bedrijfsafvalwater geen voorschriften aan deze vergunning verbonden. 4.4

Overige wetgeving

4.4.1

Wet

bodembescherming

Het agrarische bedrijfsafvalwater wordt geloosd op de drijfmestkelders. Drijfmest waaraan afvalwater is toegevoegd, mag volgens de bepalingen van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen (BGDM) worden behandeld. Bij het uitrijden op akker- of weidegronden is de Wet

bodembescherming hierop

van

toepassing.

4.4.2 Gebruiksbesluit

Op 1 november 2008 geldende regelgeving

is het Gebruiksbesluit in werking getreden. Dit besluit bevat landelijk over het brandveilige gebruik van bouwwerken. Het is van toepassing op alle bouwwerken en komt in de plaats van de bestaande gemeentelijke regelingen. De voorschriften over het brandveilige gebruik van bouwwerken staan in de gemeentelijke bouwverordening. Het Gebruiksbesluit regelt welke voorschriften in de bouwverordening moeten worden gewijzigd. Alleen als de bouwverordening nog niet met het Gebruiksbesluit in overeenstemming is gebracht, gelden de voorschriften van het Gebruiksbesluit rechtstreeks*. De aanvraag is ter kennisname voorgelegd aan de lokale brandweer. De brandweer ziet erop toe dat het bedrijf in overeenstemming met de bouwverordening en/of het Gebruiksbesluit in werking wordt gebracht. 4.4.3

Habitatrichtlijn /Natuurbeschermingswet (Nbw) Op 1 februari 2009 is de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw) in werking getreden. Hiermee is de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Voor de Vogelrichtlijngebieden was het aanwijzingstraject al formeel afgerond. Vanaf 1 februag 2009 vallen ook de Habitatrichtlijngebieden, net als eerder de Vogelrichtlijngebieden, onder Natuurbeschermingswet. De provincie Limburg is het bevoegde gezag voor de Natuurbeschermingswetvergunning. Door de aanmelding van de gebieden en het in werking treden van de (gewijzigde) Nbw is er geen plaats meer om in de milieuvergunning de

®

Habitattoets rechtstreeks uit te voeren. De

inrichting is gelegen op een afstand van ca. 4450 meter van het meest dichtbijgelegen natuurgebied Mariapeel. Het oostelijk van de inrichting gelegen natuurgebied de Maasduinen is op nog grotere afstand gelegen. De Mariapeel is aangewezen als beschermd natuurgebied krachtens de Natuurbeschermingswet (Nbw) en als speciale beschermingszone op grond van de Europese Vogel’- (SBZ-V) en Habitatrichtlijn’ (SBZ-H). De aanvraag leidt ten opzichte van de al vigerende vergunningsituatie tot een uitbreiding van de ammoniakemissie. Mogelijk dat voor de aangevraagde activiteiten een Nb-wetvergunning noodzakelijk is, dan wel dat een nieuwe Nbwetvergunning moet worden aangevraagd. De aanvrager is daarover geïnformeerd. *

In de toekomst zal het Gebruiksbesluit een andere grondslag krijgen, zodat het Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen * Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen *

-

net zoals

het Bouwbesluit

-

altijd rechtstreeks geldt

OVERWEGINGEN

BIJ

DE MILIEUASPECTEN

Verontreiniging vanuit het bedrijf kan vooral ontstaan door de emissies uit de veestallen. Voor deze emissies wordt het volgende nagestreefd: 1. 2.

wordt geen alle passende er

belangrijke verontreiniging veroorzaakt; preventieve maatregelen tegen verontreinigingen

uitgangspunt toepassing 5.1

van

Beste beschikbare technieken

de beste beschikbare technieken

worden

getroffen, met als

(BBT).

(BBT)

In de Wet milieubeheer is opgenomen dat voldaan moet worden aan de beste beschikbare technieken (BBT). Dit geldt zowel voor gpbv-installaties als bedrijven zonder een gpbvinstallatie. Er is wel een verschil tussen gpbv-installaties en niet-gpbv-installaties. Bestaande gpbv-installaties waren namelijk al op 30 oktober 2007 verplicht te voldoen aan het BREF (referentiedocument voor de beste beschikbare technieken). Tevens is het zo dat op het niveau van beste beschikbare technieken bij bedrijven die niet onder de IPPC-richtlijn vallen, soms

met minder

vergaande

eisen kan worden volstaan.

In artikel 5a.1 van het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer (lvB) is opgenomen wat onder BBT wordt verstaan en op welke wijze de BBT-afweging dient plaats te vinden. Bovendien is de gewijzigde Regeling aanwijzing BBT-documenten (houdende regels met betrekking tot het bepalen van de beste beschikbare technieken) d.d. 22 december 2009 in werking getreden. Bij een beslissing op een aanvraag om milieuvergunning dient rekening te worden gehouden met de in tabel 1 en/of 2 van de bijlage vermelde documenten. de van toepassing zijnde van de Regeling aanwijzing BBTzoals in tabel 2 informatiedocumenten over BBT, opgenomen documenten relevant. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB), Publicatiereeks Gevaarlijke stoffen (PGS), Leidraad afvalemissiepreventie en de Circulaire energie in de milieuvergunning en de “Oplegnotitie bij de BREF voor de intensieve pluimvee- en varkenshouderij" van 30 juli 2007 van SenterNovem. Voor deze

5.2

veehouderij, een type C-inrichting, zijn uitsluitend

Ammoniak

5.2.1 Wet ammoniak

en

veehouderij (Wav)

De Wav stelt regels voor de door veehouderijen veroorzaakte ammoniakemissies. Onder de Wav worden uitsluitend de zeer kwetsbare gebieden beschermd. Gebieden zijn zeer kwetsbaar als zij voor verzuring gevoelig zijn en binnen de (door de provincie begrensde) ecologische hoofdstructuur (EHS) gelegen zijn. Van belang is tevens, dat zij als zodanig als zeer kwetsbaar door Provinciale Staten zijn aangewezen. Bij besluit van Provinciale Staten van Minister van LNV, d.d. 11 juli 2008, d.d. 18 door de door de Limburg, april 2008, en goedkeuring dat inmiddels van heeft plaatsgevonden. Gedeputeerde Staten Limburg hebben dit

aanwijzingsbesluit

op 7 augustus 2008

gepubliceerd.

bepaalt dat binnen een zone van 250 meter rond zeer kwetsbare gebieden geen oprichtingen van veehouderijen zijn toegestaan en dat uitbreidingen van het aantal dieren van één of meer diercategorieën uitsluitend toegestaan zijn, indien het (gecorrigeerd) maximaal emissieplafond voor ammoniak wordt gerespecteerd. Het bedrijf van aanvrager is niet gelegen in een zone van 250 meter om een zeer kwetsbaar gebied, ingevolge de Wav. Voor het bedrijf geldt dan ook geen beperking in de vorm van een De Wav

gecorrigeerd

maximaal emissieplafond. De ammoniakemissie vanuit het bedrijf wordt aanvullend beoordeeld op de onderdelen: de maximale ammoniakemissiewaarden / intern salderen; de gevolgen van directe ammoniakschade aan planten en bomen. -

-

volgende

5.2.2 Maximale ammoniakemissiewaarden

(BBT) / Intern salderen / Actieplan ammoniak veehouderij.

De toe te passen stalsystemen moeten tenminste voldoen aan de criteria van de BBT zoals opgenomen in van artikel 8.11, derde lid, Wm. Dit betekent dat nieuw toe te passen stalsystemen voor wat betreft de ammoniakemissie moeten voldoen aan de maximale emissiewaarden zoals vastgelegd in het Besluit huisvesting. Bestaande huisvestingsystemen moeten met eventuele toepassing van intern salderen vanaf 1 januari 2010 voldoen aan deze maximale emissiewaarden van het Besluit huisvesting. In onderhavige situatie mag het bedrijf een beroep doen op gedoogcategorie B.2 van het Actieplan ammoniak veehouderij. Vanaf 1 juli 2012 dient dan te worden voldaan aan het Besluit

&

huisvesting. Tabel 2: Emissiefactor

en

maximale

emissiewaarde ammoniak

(vig

Emissie-factor

*

Het vergunde stalsysteem in stal 2 heeft een emissiefactor die boven de maximale emissiewaarde ligt. Voor bestaande traditionele stallen, waarin het huisvestingssysteem niet wijzigt, wordt op grond van de Wav (en het Besluit huisvesting) door middel van ‘intern salderen’ de mogelijkheid geboden om deze voorlopig niet aan de maximale emissiewaarde voor ammoniak te laten voldoen. ** Totaal exclusief NHs-emissie van dieren, waarvoor geen maximale emissiewaarden zijn vastgesteld (i.c. beren

paarden).

Tabel 3: Emissiefactor en maximale emissiewaarde ammoniak

(aanvraa

1019,20 862,40

en

De aangevraagde stalsystemen in stal 2 en 6 hebben een emissiefactor die boven de maximale emissiewaarde ligt. Voor bestaande traditionele stallen, waarin het huisvestingssysteem niet wijzigt, wordt op grond van de Wav (en het Besluit huisvesting) door middel van ‘intern salderen' de mogelijkheid geboden om deze voorlopig niet aan de maximale emissiewaarde voor ammoniak te laten voldoen. Van deze mogelijkheid wordt hier gebruik gemaakt. Aan de criteria daarvoor wordt voldaan. ** Totaal exclusief NH3-emissie van dieren, waarvoor geen maximale emissiewaarden zijn vastgesteld (i.c. beren en *

paarden). Uit het bovenstaande schema blijkt, dat in de nu aangevraagde situatie, met toepassing van intern salderen, wordt voldaan aan de criteria van de Wav en aan het Besluit huisvesting. Op grond van de Wav hoeft de aangevraagde vergunning niet te worden geweigerd. Teneinde te voldoen aan het Actieplan ammoniak veehouderij zijn aan deze vergunning aanvullende voorschriften verbonden, waarin is opgenomen dat uiterlijk op 1 juli 1012 voldaan moet worden aan de reductiecriteria van het Besluit huisvesting. 5.2.3

van het bedrijf in haar geheel als BBT in samenhang met het aangevraagde huisvestingssysteem in een gedeelte van stal 1 en stal 3 (intern salderen). Voor de beoordeling of het bedrijf in haar geheel en in samenhang met de aangevraagde traditionele huisvestingssystemen als BBT kan worden aangemerkt, hebben we het volgende

Beoordeling traditionele

overwogen: 1.

Ammoniak: In de vigerende vergunningsituatie is sprake van een lager bedrijfsemissieniveau ten opzichte van het nu aangevraagde bedrijfsemissieniveau. De aangevraagde huisvestingssystemen in de bestaande stallen 2 en 6 kunnen op grond van het Besluit huisvesting worden aangemerkt als bestaande huisvestingssystemen die op 1 januari 2007 al in de veehouderij aanwezig waren. In verband met de toepassing van intern salderen hoeft het in stal 2 en 6 aangevraagde traditionele stalsysteem nog niet emissiearm te worden uitgevoerd. Deze traditionele huisvestingssystemen voldoen weliswaar (nog) niet individueel aan de maximale emissiewaarden, maar voldoen in samenhang met de andere aangevraagde emissiearme systemen in totaliteit wél aan de emissiedoelstelling, die op grond van de Wav voor deze inrichting geldt. Indien alle aangevraagde diercategorieën minimaal voldoen aan de maximale emissiewaarden, dan geldt voor dit bedrijf een gecorrigeerd maximaal bedrijfsemissieplafond van 3769,96 kg NHs/jaar. Daaraan wordt met een totaal aangevraagde bedrijfsemissieniveau van 3120,43 kg NHs/jaar ruimschoots voldaan.

2.

Renovatie stallen op termijn: ‘Intern salderen' voorziet in de mogelijkheid om traditionele stallen vooralsnog niet emissiearm te hoeven uit te voeren, wanneer in totaliteit wel voldaan wordt aan het gecorrigeerd maximaal emissieplafond. Op termijn, bijvoorbeeld bij een algehele renovatie van de stal, dient ook de traditionele stal aan de huidige BBT-eisen te worden aangepast. Op dat moment is er een nieuw ijkmoment om te bepalen of deze stal dient te voldoen aan BBT. Dat vergt dan een nieuwe beoordeling op grond van de Wet milieubeheer, waarop nu nog niet kan worden vooruitgelopen.

®

aangevraagde emissiearme huisvestingsysteem in de stal 1 betreft een systeem met mestopvang in water in combinatie met een mestafvoersysteem; hokoppervlak groter dan 0,35 m? per big (BWL 2006.07; voorheen GL BB 95.12.031V1). Met een emissiefactor van 0,16 kg NH,/dp/jr wordt met dit stalsysteem ruimschoots voldaan aan de maximale emissiewaarde van 0,6 kg NH-/dpfjr. De stallen 3, 5 en 9 worden uitgevoerd met een chemisch luchtwassysteem met 95% ammoniakemissiereductie (BWL 2008.09.V1). Ondanks het feit dat deze luchtwasser voldoet aan de emissiegrenswaarden van het Besluit huisvesting veehouderijen wordt de toepassing van luchtwassers in het BREF-document voor de intensieve veehouderijen in beginsel niet als BBT aangemerkt. Zo wordt een stijging van het energieverbruik verwacht en wordt de productie van afvalwater verhoogd. Het

energiegebruik en het vrijkomen van afvalwater zijn geen wettelijke kwaliteitsnormen vastgesteld. In onder andere uitspraken van 1 juni 2005, nr. 200409343/1 (Echt-Susteren) en Voor het

10

17

van

januari 2007,

de Raad

nr.

200603909/1

(Alphen-Chaam) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak

State echter onderschreven dat een luchtwassysteem kan worden beschouwd als (gelijkwaardig aan) best beschikbare techniek. Na deze twee uitspraken is deze lijn in jurisprudentie door de Raad van State voortgezet. Spuiwater is een restproduct van het luchtwassysteem en is ook als zodanig nodig om een goede werking van de luchtwassers te waarborgen. Het vrijkomen van spuiwater is dan ook inherent aan de toepassing van de chemische luchtwasser. van

van

&

Resumerend kan worden geconcludeerd dat door de opslag

en de verantwoorde verwijdering de verantwoorde manier het spuiwater van energieverbruik van het luchtwassysteem, dat de toepassing van het aangevraagde chemische luchtwassysteem als beste beschikbare techniek kan worden aangemerkt. Wij zijn tevens van mening dat het bedrijf in haar geheel, door de onderlinge samenhang tussen de aangevraagde stalsystemen, waaronder ook het traditioneel huisvestingssysteem in stal 2 en 6, op dit moment als beste beschikbare techniek kan worden aangemerkt. van

en

De

huidige huisvesting van 5 paarden vindt plaats in twee stallen (nrs. 7 en 8). De stallen zijn zien van een gesloten verharding. Voor de diercategorie ‘paarden’ zijn geen specifieke huisvestingseisen, dan wel maximale emissiewaarden voor ammoniak, vastgesteld. De aangevraagde (traditionele) stallen voor de huisvesting van paarden en schapen kunnen daarmee als BBT worden aangemerkt. Ten aanzien van de aangevraagde uitbreiding met 2 paarden hoeft vergunning ten aanzien van het aspect ‘ammoniak’ niet te worden geweigerd, doch ondervindt op grond van het aspect ‘geur’ echter wél beperkingen (zie paragraaf ‘geur'). voor

5.2.4 Directe

ammoniakschade

Kal

gewassen In de Wav is aangegeven, dat deze wet niet geldt voor de gevolgen voor het milieu die worden veroorzaakt door directe opname van ammoniak uit de lucht door planten en bomen. Vooral coniferen en fruitbomen zijn gevoelig voor ammoniakopname. Het rapport “Stallucht en Planten” van het IMAG in Wageningen uit 1981 schetst hoe deze gevolgen beoordeeld moeten worden. Uit jurisprudentie is gebleken dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, wordt een minimale afstand van 25 meter aanbevolen. In de buurt van het bedrijf zijn geen coniferen of tuinbouwgewassen aanwezig. Er is op dit onderdeel dus geen sprake van (onaanvaardbare) directe ammoniakschade.

5.3

aan

Geur

5.3. —à Geur

veehouderij (Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) / Regeling geurhinder en & veehouderij (Rgv) De Wgv vormt het landelijke exclusieve toetsingskader voor de beoordeling van geurhinder van veehouderijen. Veehouderijen kunnen geurhinder veroorzaken door de uitstoot van emissies uit stallen. De Wgv geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object, zoals een woning. De geuremissie wordt berekend met behulp van de geuremissiefactoren die zijn opgenomen in bijlage 1 van de Rgv. Vervolgens wordt de verspreiding van geur rond dierverblijven berekend met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. De geurbelasting van geurgevoelige objecten wordt hierbij uitgedrukt in OdourUnits per kubieke meter lucht (OU-/m?°, geurconcentratie). van

de

Bij de beoordeling van de geurbelasting wordt gekeken naar gebiedstyperingen op grond van de Meststoffenwet. Het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas is geheel gelegen in het ‘concentratiegebied Zuid’. De wettelijke norm voor dit gebied is vastgelegd in artikel 3 van de Wgv, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen bebouwde kom (standaardnorm 3 OUe/m®) en

buitengebied (standaardnorm het bepalen

14

OUe/m®).

Bij achtergrondbelasting

normstelling is rekening gehouden met de (landelijk gemiddelde) in een gebied. Afwijkende achtergrondbelastingen en gewenste ruimtelijke ontwikkelingen kunnen reden zijn om een gebiedsvisie op te stellen waarbij duidelijk wordt of ® van

de

1

.

:

knelsituaties kunnen ontstaan bij het hanteren van de standaardnormen. Eventueel kunnen deze normen dan voor bepaalde gebieden bijgesteld worden. Voor de

gemeente

noodzaak

van

een

is een quickscan uitgevoerd naar het nut en de de standaardnormen uit de Wgv. Uit de gebiedsvisie op

Horst aan de Maas

aanpassing van

de quickscan is gebleken dat voor het gedeelte van het grondgebied van de gemeente Horst aan de Maas, waarin de inrichting Helenaveenseweg 23 gelegen is, vooralsnog geen redenen aanwezig zijn om een geurverordening op te stellen. De toetsing aan de geurconcentratienormen geldt alleen voor dieren waarvoor in de Rgv basis

van

de resultaten

van

Als de geuremissie van een dier niet vastgesteld is, zijn in de Wgv minimumafstanden opgenomen die tussen het meest dichtbijgelegen emissiepunt van een veehouderij tot een geurgevoelig object gerespecteerd moeten worden. Verder kent de Wgv nog minimaal aan te houden afstanden tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object.

geuremissiefactoren zijn opgenomen.

5.3.2

Beoordeling geurhinder uit de dierenverblijven / Beoordeling V-stacks vergunning Het bedrijf is gelegen in het buitengebied van Sevenum op ca 1600 meter afstand van de rand van de bebouwde kom Kronenberg en ca 1900 meter afstand van de rand van de bebouwde kom Sevenum. In de directe omgeving van de inrichting zijn de volgende geurgevoelige objecten aanwezig: Helenaveenseweg 17, 18, 20 en 24 en Op de Bergen (ong.). Het betreft hier uitsluitend niet-agrarische woningen van derden. Bedrijfswoningen bij andere veehouderijen zijn in de directe omgeving niet aanwezig. Zoals al opgemerkt zijn voor deze objecten geen van de landelijke standaard afwijkende geurnormen vastgesteld, zodat voor de genoemde geurgevoelige objecten uitgegaan moet worden van de standaardnorm van 14 OUe/m’. aangevraagde veebezetting omvat dieren, waarvoor geuremissiefactoren zijn vastgesteld (varkens) en dieren waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld (paarden). Voor de aangevraagde veranderingen moet de geurbelasting op geurgevoelige objecten worden berekend met behulp van het rekenmodel 'V-stacks vergunning’. Een V-stacks berekening van de vergunde en aangevraagde situatie, maakt deel uit van de aanvraag. De

Zoals in paragraaf 1.2 van deze vergunning al opgemerkt, is de onderliggende milieuvergunning van 6 maart 2007 op enkele onderdelen nog niet in werking getreden. De realisering van 4 afdelingen voor 201 vleesvarkens aan de westzijde van stal 5 en de realisering van centrale luchtkanalen met chemische luchtwassers aan de zijgevels van de stallen 5 en 6 zijn heeft nog niet plaatsgevonden. Aangezien sprake is van een in de vergunning opgenomen verlengde realiseringtermijn tot 1 januari 2011 kan in deze procedure nog steeds worden uitgegaan van de vergunde rechten (c.q. veebezetting) van de onderliggende revisievergunning van 6 maart 2007. De bij de aanvraag gevoegde V-stacksberekening is met betrekking tot de uitgangspunten m.b.t. het nog vergunde recht, aangepast. Verder zijn enkele invoervariabelen in de

berekening gecorrigeerd.

In de

geurberekening zijn de volgende gegevens ingevoerd

de omliggende

geurgevoelige

over

het

bedrijf (brongegevens)

en

locaties.

Vigerende vergunningsituatie Milieuvergunning geldt nog steeds voor het houden van de volgende veebezetting: 345 guste en dragende zeugen (D1.3.11), 2 beren (D2.3), 4 opfokzeugen (D3.2.14.2), 97 kraamzeugen (D1.2.100, traditioneel), 1588 gespeende biggen (D1.1.3.2), 1536 vleesvarkens (D3.2.14.1), 201 vleesvarkens (D3.2.14.2) en 5 volwassen paarden (K1) Op basis van de emissiefactoren van bijlage 1 van de Rgv wordt de vigerende vergunningsituatie bepaald op een totale geuremissie van 43.863 OUe/sec. Uit de uitgevoerde geurberekening blijkt, dat in de vigerende vergunningsituatie, voor alle geurgevoelige objecten, met uitzondering van de woning Helenaveenseweg 20, voldaan wordt .

aan

de

standaardgeurnorm.

12

4:

Tabel

V-stacks

s

Brongeg

vergunning

| EP-Hoogte

Y-coordinaat

Gem.

issi

gebouwhoogte

g

bij

a

8

Ed

7

q

C

|Geumorm | [Helenaveenseweg 20(NW-hoek) | 198000 | 370023 | 140 | [Helenaveenseweg17 | s98171 | 370000 | 140 | Helenaveensewegie —_ } 198105 | 37008 | 140 | [Helenaveenseweg24 | 197797 | 378953 | 140 | lopseBergentong) | 198225 | sram | sao | Y-eoordinaat

Aangevraagde situatie Vergunning wordt gevraagd voor het houden van de volgende veebezetting: 345 guste en dragende zeugen (D1.3.11), 2 beren (D2.3), 4 opfokzeugen (D3.2.14.2), 97 kraamzeugen (D1.2.100, traditioneel), 1602 gespeende biggen (D1.1.3.2), 728 vleesvarkens (D3.2.14.1), vleesvarkens (D3.2.14.2), 616 vleesvarkens (D3.2.1.1) en 7 volwassen paarden (K1). De aangevraagde geuremissie wordt bepaald op 45.726 OU/sec. Ten opzichte van de al vergunde situatie is dus sprake van een lichte toename van de geuremissie.

240

Het

emissiepunt van stal 5 wordt ten opzichte van de vigerende vergunningsituatie (2007) verplaatst, terwijl het stalsysteem (incl. emissiepunten) van stal 6 wijzigt (van emissiearm terug naar traditioneel). Ten opzichte van de eerder vergunde situatie wordt het aantal dieren in deze twee stallen gereduceerd. In stal 9 worden nu 240 vleesvarkens emissiearm gehuisvest. Het totale aantal vleesvarkens wordt ten opzichte van de vigerende situatie met 153 stuks gereduceerd. ning

H

Bron-1D

X-coordinaat

|

Y-coordinaat

(aang

aq

EP-

Ui -

8

.

Stat| [stai2| [stais || stats | stie

[sio

197 938

378 871

197

378 885

958

s979es | s7eeco | s97seo | soon | s9so0 | seo | | sosors | srooz |

Tabel 7: Geurbelasting

bij

geurgevoelige locaties V-stacks vergunning

(aange

gde

situatie)

Ycoordinaat

Ke} an]

lopseBergen(ong) | 19ez2s |

37094

13

uitgevoerde geurberekening blijkt, dat ook in de aangevraagde situatie bij alle geurgevoelige objecten, met uitzondering van de woning Helenaveenseweg 20, nog voldaan Uit de

wordt voldaan aan de standaardgeurnormen. De aanvraag leidt weliswaar tot een vermindering van de geurbelasting, maar bij het geurgevoelige object Helenaveenseweg 20 is nog steeds sprake blijft van een overschrijding van de geurnorm. Er blijft dus sprake van een geuroverbelaste situatie.

geurhinder en veehouderij enkele bijzondere bepalingen opgenomen. bepaalt dat, indien de geurbelasting niet toeneemt (bij gelijkblijvend en stalsysteem geen verandering van de emissiepunten) en ook het aantal dieren van één of meer diercategorieën gelijk blijft, er sprake is van een reeds overbelaste situatie die niet verslechtert. Een dergelijke situatie is met in achtneming van de vergunde rechten van het bedrijf vergunbaar. Hiervoor

zijn

in de Wet

Artikel 3, lid 3, van de Wgv

Wgv bepaalt dat indien de geurbelasting groter is dan de het aantal dieren van één of meer diercategorieën toeneemt, en een standaardgeurnorm, geurreducerende maatregel zal worden toegepast, vergunning kan worden verleend voor een wijziging van het aantal dieren, voor zover de toename van de geurbelasting ten gevolge van die wijziging niet meer bedraagt dan de helft van de vermindering van de geurbelasting, die het gevolg zou zijn van de toegepaste geurreducerende maatregel bij het eerder vergunde Artikel 3, lid 4 van de

veebestand

(zogenaamde '50/50-regeling').

Dat wil zeggen, dat maximaal de helft van het geurreducerende effect mag worden gebruikt uitbreiding van het veebestand; de andere helft komt ten goede aan het overbelaste geurgevoelig object (in de vorm van een vermindering van de geurbelasting). De overbelaste situatie blijft dan wel bestaan, alleen in mindere mate. voor

situatie wordt het aantal dieren uitgebreid en worden enkele emissiepunten Uit de aanvraag blijkt dat in deze situatie uitsluitend een vermindering van het aantal vleesvarkens als geurbelastingreducerende maatregel kan worden aangemerkt. In totaal worden in de stallen 5 en 6 (na compensatie door (ver)plaatsing van 240 vleesvarkens in stal 9) 153 vleesvarkens minder gehouden. Deze reducerende maatregel (het mindere aantal vleesvarkens in de stallen 5 en 6) kan hier gelijk over beide stallen worden verdeeld (i.c. 77 dieren minder in stal 5 en 76 dieren minder in stal 6). Voor het overige zijn ten opzichte van de In de

aangevraagde gewijzigd/verplaatst.

vigerende vergunningsituatie Het houden

omliggende

geen

andere

153 vleesvarkens minder heeft het geurgevoelige objecten tot gevolg. van

Tabel 8: Brongegevens berekening

geurbelasting

Bron-ID

| Y-coordinaat

Stal 5 (reduc.

geurreducerende maatregelen

X-coordinaat

maatregel:

197 938

378 871

197 958

378 885

197 983

378 869

197 970

378 941

198 006

378 910

na

te onderscheiden.

volgende geurreducerende

epass

effect op de

ge

EP-

Gem.

Hoogte

gebouw hoogte

3,6

77 vleesvarkens minder) Stal 6

(reduc.maatregel:

76 vleesvarkens minder)

14

Tabel 9: Geurbelastin

na

toep

Geurgevoelig object Helenaveenseweg

20

(NW-hoek )

Helenaveenseweg

20

(ZW-hoek )

Helenaveenseweg

17

198

060

atbare

(v,

|

Geurbelasting na geurreducerende

|

maatregel tussenberekening

t

Helenaveenseweg

p

B

basis van

50% van reducerende

Max.

maatregel

(Best. belasting

3, lid 4, Wgv

(art.

[Aangevraagde | geurbelasting |

toelaatbare

geurbelasting

-

50%;

1

k

20

(ZW-hoek)

19,1

Helenaveenseweg

17

Helenaveenseweg

18

Helenaveenseweg

24

Op

de

Voldoet aan art. 3 Wgv ?

Bergen (ong)

7

ne 7, 1

Geconcludeerd wordt dat de aangevraagde veebezetting in combinatie met de toegepaste geurbelastingreducerende maatregel, voldoet aan het gestelde in artikel 3 van de Wgv. Voor wat betreft de geurgevoelige objecten, waarbij een overschrijding van de geurnorm plaatsvindt wordt voldaan aan artikel 3, lid 4, van de Wgv ('50/50-regeling').

Beoordeling

vaste minimale afstanden.

Op grond van artikel 5 van de Wgv geldt bovendien een vereiste minimale afstand van 25 meter van de buitenzijde van een dierenverblijf (stal) tot de buitenzijde van een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Vastgesteld is dat de gevel van de meest dichtbijgelegen stal (9) op grotere afstand van (het woongedeelte dat als geurgevoelig object moet worden aangemerkt) van het pand Helenaveenseweg 20 gelegen is. Aan de vaste minimale afstanden wordt in de aangevraagde situatie dus voldaan. Beoordeling diercategorieën

waarvoor geen emissiefactoren zijn vastgesteld het tot houden van paarden gelden op grond van artikel 4 van de Wgv vaste betrekking minimale afstanden tot geurgevoelige objecten. In dit geval (tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom) geldt een minimale afstand van 50 meter In de vigerende vergunningsituatie bevindt het meest dichtbijgelegen emissiepunt van de

©

Met

paardenstal (nr. 8) zich op een afstand van 30 meter tot de meest dichtbijgelegen woning Helenaveenseweg 20. In de huidige situatie wordt dus al niet voldaan aan de minimaal vereiste afstand van 50 meter tot een geurgevoelig object. Aangevraagd wordt een uitbreiding van het aantal paarden (van 5 naar 7 stuks). In de aangevraagde situatie blijven de afstanden echter gelijk, zodat nog steeds niet voldaan wordt aan de vereiste afstand. De aangevraagde uitbreiding met 2 volwassen paarden kan dan ook niet op grond van de Wgv (art. 4, lid 3) worden vergund en dient dus te worden geweigerd. Conclusie totale beoordeling Wgv Resumerend

gevraagde

kan worden gesteld, dat de aangevraagde vergunning, met uitzondering uitbreiding met 2 volwassen paarden, niet hoeft te worden geweigerd.

van

de

15

54

Bodem Voor het bepalen van het risico van bodembedreigende activiteiten en voor het beoordelen van de noodzaak en redelijkheid van bodembeschermende voorzieningen of maatregelen, sluiten wij aan bij de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (hierna te noemen: de NRB). De NRB beschrijft de risico's van bodembedreigende activiteiten en het effect van

bodembeschermende

voorzieningen.

Artikel 13 van de Wet bodembescherming is rechtstreeks op de inrichting van toepassing. Voor zover in de voorschriften niet specifiek is vastgesteld welke bodembeschermende maatregelen moeten zijn uitgevoerd, dwingt artikel 13 van de Wet bodembescherming tot een zorgvuldige

bedrijfsvoering.

belang 5.4.1

dat het

In verband met de strekking van het begrip begrip bodem tevens het grondwater omvat.

Bodembedreigende

bodemverontreiniging is het van

activiteiten

De aanvraag heeft betrekking op de volgende bodembedreigende activiteiten: het reinigen van veetransportmiddelen boven een spoelplaats, de opslag van ontsmettings- en bestrijdingsmiddelen (max. 5 kg/ltr) in een kast, de opslag van diergeneesmiddelen (max. 5 kg/ltr) in een koelkast, de opslag van zwavelzuur in bovengrondse dubbelwandige tanks (multibox; 3 x 950 ltr), de opslag van spuiwater van de chemische luchtwassers in drie silo's (inhoud 3 x 30 m?°), de opslag van drijfmest en schrobwater in mestkelders onder de stal, -

-

-

-

-

-

dieselolie in een bovengrondse dubbelwandige tank (900 ltr). milieuvergunning dienen voorschriften te worden gesteld aan de uitvoering van de stal de met daarbij behorende voer-, mest- en ventilatiesystemen, de opslagsystemen van zwavelzuur en spuiwater, het voorkomen van het morsen van mest tijdens het transport, de mestdichtheid van de ondergrondse mestkelders en rioleringssystemen en de dichte opslag van voer, zodat bodem en grondwater niet verontreinigd kunnen worden. Niet-verontreinigd hemelwater van de dakvlakken en verharde terreingedeelten van de inrichting wordt ter plaatse -

opslag

van

In de

weer

in de bodem

gebracht.

spoelplaats is voorzien van een vloeistofdichte betonnen vloer die bestand is tegen de gebruikte stoffen. In de voorschriften is de verplichting opgenomen dat de vloeistofdichte verharding van de wasplaats op afschot ligt naar de afvoergoot waardoor (afval)water niet naast de verharding kan geraken. De

Door het opslaan van en omgaan met reinigings- en ontsmettingsmiddelen kan mogelijk de bodem worden verontreinigd. Doordat de emballage staat opgesteld boven lekbakken en/of in een gesloten kast op een gesloten betonvloer, is de kans op bodemverontreiniging minimaal. Extra aandacht voor bodembescherming dient te worden besteed aan de overtapwerkzaamheden. In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot de wijze van opslag en het gebruik (overtappen) van de milieugevaarlijke stoffen in emballage. Binnen de inrichting wordt zwavelzuur opgeslagen in bovengrondse 3 dubbelwandige tanks met inhoud van 950 liter (multi-box). De tanks dienen zich te bevinden boven een vloeistofdichte en zuurbestendige vloer (lekbak). Met deze voorzieningen wordt het risico op een

bodemverontreiniging

in voldoende

mate

beperkt.

opslag en behandeling van het spuiwater van de chemische luchtwassers vindt plaats in een gesloten systeem van tanks, leidingen en reactoren. De gehele installatie van de tanks en de leidingen moet vloeistofdicht zijn uitgevoerd. De

dieselolie vindt plaats in een bovengrondse dubbelwandige tank (inhoud 900 ltr). opslag dient te voldoen aan de huidige inzichten/eisen neergelegd in de door de Commissie Preventie van Rampen door gevaarlijke stoffen opgestelde leidraad PGS 30. Met het oog op een goede bescherming van het milieu, i.c. de bodem en het grondwater, is het van belang dat daaraan wordt voldaan.

Opslag

van

Deze

16

Op grond van de NRB

in de vergunning een verplichting tot een nulsituatie-onderzoek onder andere de plaatsing van de spuiwatertanks. Voor een veehouderijbedrijf met reguliere activiteiten heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raa van State op 21 januari 1997 in een uitspraak (E03.95.0821) echter aangegeven, dat, indien toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem zijn voorgeschreven in een vergunning, zij ervan uitgaat dat er bij naleving van die voorschriften de kwaliteit van de bodem en het grondwater niet in relevante mate nadelig zal worden beïnvloed. Een nulsituatie-onderzoek acht zij in dat geval niet noodzakelijk. Dit standpunt is herhaald in volgende uitspraken van 15 januari 1998 (E03.096.0162) en 20 februari 2002 (200104344/1).

worden opgenomen

Conclusie De aangevraagde

kan

ë

voor

activiteiten kunnen

worden gezien als regulier voor de agrarische bedrijfstak. vergunning zijn toereikende gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Bij naleving van deze voorschriften wordt een verwaarloosbaar bodemrisico gerealiseerd. In afwijking van de NRB achten wij het daarom niet noodzakelijk om een nulsituatie-onderzoek te verlangen. In de

5.5

Ontheffing Lozingenbesluit bodembescherming Uit de aanvraag blijkt, dat de voertuigen die de inrichting bezoeken op de spoelplaats worden gereinigd. In totaal komt daarbij maximaal 15 m? waswater per jaar vrij. Het waswater van de spoelplaats wordt via een slibvangput en een olieafscheider op een zaksloot (binnen de inrichting) geloosd, alwaar het in de bodem verzinkt. Op grond van het Lozingenbesluit is sprake van het lozen van overige vloeistoffen in de bodem. Ten aanzien van bodemlozingen binnen Wm-vergunningplichtige inrichtingen, kan het bevoegd gezag bij het verlenen van die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod ingevolge het lozingenbesluit bodembescherming, een lozing in de bodem is toegestaan voor een nader vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar. Voor deze bodemlozing is, gelijktijdig met het verlenen van de revisievergunning Wet milieubeheer van 6 maart 2007, voor een periode van maximaal 4 jaar een ontheffing op grond van het Lozingenbesluit bodembescherming verleend. Deze ontheffing geldt dus nog tot 6 maart 2011. In deze revisievergunning (voorschriften hfdst. 10) zijn ten aanzien van de beëindiging van deze bodemlozing de volgende voorschriften opgenomen: 10.10 Voor 1 januari 2011 moet door de vergunninghouder worden onderzocht hoe de lozing op de bodem kan worden beëindigd.

Een plan van aanpak dient voor 1 oktober 2010 ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. 10.11

De definitieve

beëindiging moet ten minste

1 maand

voor

de

beëindiging worden gemeld aan

het A

gezag

Met de

voorliggende vergunningaanvraag wordt voor deze bodemlozing geen nieuwe ontheffing gevraagd. Ook een plan van aanpak voor beëindiging van de bodemlozing, zoals genoemd in voorschrift 10.10, is nog niet aan ons overgelegd. nu

Wij constateren dat er voor deze afvalwaterstroom binnen de inrichting een alternatieve lozingsoptie denkbaar is (mestkelder). Vanuit milieuhygiënisch oogpunt geniet een lozing op de mestkelder de voorkeur boven een puntlozing in de bodem. Gelet op de nabije ligging van de spoelplaats bij de mestkelders van stal 5 en 6, zijn er naar ons oordeel geen zwaarwegende

belemmeringen

om deze afvalwaterstroom op een van deze mestkelders aan te sluiten. Het kan dan afvalwater gezamenlijk met de mest uit de inrichting worden afgevoerd en (diffuus) over het land worden verspreid. Het milieu wordt daarmee minder belast. Met die verwijderingsoptie wordt naar ons oordeel een geschiktere (milieuhygiënische) oplossing bereikt. Wij merken dan ook op dat een nieuwe ontheffing op grond van het Lozingbesluit bodembescherming na 6 maart 2011 niet meer zal worden verleend.

17

5.6

Lucht

5.6.1

Toetsingskader luchtkwaliteit Voor de beoordeling van geurhinder en de ammoniakemissie uit dierverblijven gelden de Wet geurhinder en de Wet ammoniak en veehouderij als exclusief toetsingskader. Voor de overige activiteiten die emissies kunnen veroorzaken gelden de Nederlandse emissie Richtlijn Lucht (NeR) en de Luchtkwaliteitseisen uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer toetsingskader. Titel 5.2 van de Wet milieubeheer wordt vaak aangeduid als de Wet

als

luchtkwaliteit.

zijn emissie-eisen en de daarbij behorende technieken (op basis van BBT) opgenomen. Ook het aspect geur is in de NeR geregeld. De NeR kent algemene eisen en bijzondere regelingen en VOS-maatregelen voor specifieke branches of activiteiten. Zowel de NeR als het werkboek zijn volgens de Regeling aanwijzing BBT-documenten als BBTIn de NeR

documenten aan te merken. Op basis van titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteit. Deze kwaliteitseisen zijn middels

gelden milieukwaliteitseisen voor de grenswaarden vastgelegd voor onder

andere de

luchtverontreinigingscomponenten zwaveldioxide, stikstofdioxide (NO), stikstofoxiden, lood, koolmonoxide,

5.6.2

benzeen

en

fijn stof (PMo).

gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de lucht Van de aangevraagde activiteiten binnen het bedrijf kunnen, de geuremissie als gevolg van de veebezetting hier buiten beschouwing latend, de emissies van verbrandingsgassen van de aardgasgestookte verwarmingsinstallatie en mogelijke stofuitstoot uit de voedersilo's, belastend zijn voor het compartiment lucht. Deze emissies zijn echter zo beperkt dat niet gesproken kan worden van ‘wezenlijke emissies’ naar de lucht. De systematiek van de NeR is niet van De

toepassing. De emissies worden met het stellen van reguliere voorschriften en agrarische sector, tot een minimum beperkt.

voor

de installatie

5.6.3 Milieukwaliteitseisen luchtkwaliteit

Uit de landelijke cijfers blijkt dat stikstofdioxide (NO,) factoren

de

zijn. Voor

fijn stof (PM,o) de meest kritische afgelopen jaren geen overschrijdingen en

de overige stoffen zijn op leefniveau. De jaargemiddelde concentratie van stikstofdioxide uursgemiddelde concentratie van fijn stof zijn het meest kritisch.

waargenomen

en

de 24-

Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL) Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). In dit NSL worden alle ‘grote’ projecten en te nemen maatregelen opgenomen die een significante invloed hebben op de luchtkwaliteit. Op 7 april 2009 heeft de Europese Commissie ingestemd met het Nederlandse verzoek tot uitstel voor het voldoen aan de luchtkwaliteitsnormen (derogatie). Daarmee kon het NSL worden vastgesteld. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Het uitgangspunt is dat alle ontwikkelingen die buiten de omvang van het NSL vallen, niet meer individueel getoetst hoeven te worden aan de normering voor luchtkwaliteit. De Wet voorziet in

een

Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) In het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ wordt geregeld welke nieuwe ontwikkelingen van een dermate beperkte omvang zijn, dat de invloed van deze plannen op de lokale luchtkwaliteit niet meer individueel getoetst hoeft te worden aan de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit. Met het van kracht worden van het NSL geldt dat de invloed op de lokale luchtkwaliteit minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde voor PM,o dient te zijn om het plan als niet significant aan te merken. Deze plannen worden niet relevant geacht voor de lokale luchtkwaliteit. Indien de bijdrage meer is dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde, dient te worden aangetoond dat de grenswaarde niet overschreden wordt. artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen’ is een ministeriële kracht regeling geworden (‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen’). In deze regeling worden een aantal ontwikkelingen genoemd die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’

Op

basis

van

van

18

kunnen worden aangemerkt. aangewezen

als

aangemerkt.

De

ontwikkelingen

aangevraagde activiteiten worden die zonder

meer

in de regeling niet als niet in betekenende mate worden

Kd

Uit de aanvraag blijkt dat er ten opzichte van de vigerende vergunningsituatie sprake is van een toename van de stofemissie. Dit betekent dat ten behoeve van de vergunningverlening alsnog een toetsing aan de wettelijke luchtkwaliteitscriteria dient plaats te vinden. Deze toetsing kan op twee manieren plaatsvinden.

Fijn

stof:

1.

Indien aangetoond wordt dat de bijdrage

2.

de

aangevraagde

activiteiten kleiner is dan

1,2

Indien dit niet aangetoond

kan worden, dient getoetst te worden aan de jaargemiddelde ug/m° en de etmaalgemiddelde grenswaarde van 75 g/m’ dat niet 35 keer per jaar overschreden mag worden.

grenswaarde vaker dan Stikstofdioxide: 1.

van

Hg/m? is sprake van een niet in betekenende mate bijdrage. van

48

Indien

aangetoond wordt dat de bijdrage van de aangevraagde activiteiten kleiner is dan 1,2 is sprake van een niet in betekenende mate bijdrage. indien dit niet aangetoond kan worden, dient getoetst te worden aan de jaargemiddelde grenswaarde van 60 pg/m° en de uurgemiddelde grenswaarde van 300 pg/m° dat niet vaker, dan 18 keer per jaar overschreden mag worden. g/m?

2.

Kd

Toetsing

de emissies dient plaatst te vinden volgens de ‘Regeling beoordeling luchtkwaliteit berekenen van emissie vanuit stallen dient plaats te vinden met standaard rekenmethode 3. Door de minister van Vrom zijn enkele modellen goedgekeurd om deze berekening mee uit te voeren. Daarnaast is in opdracht van het ministerie van Vrom het ISL3a model ontwikkeld om berekeningen bij eenvoudige situaties uit te voeren.

2007’.

van

Het

Toetsing resultaten berekening op basis van het berekeningsprogramma ISL3a is vastgesteld dat de fijn stofemissie in de aangevraagde situatie groter is dan in de vigerende situatie (van 315.792 gramíjr naar 334.693 gramijr). Omdat ook de emissiepunten wijzigen is een berekening van de fijn stofimmissie uitgevoerd, ten einde te kunnen beoordelen of buiten de inrichting nog steeds voldaan wordt aan de concentratiegrenswaarden. Beoordeling heeft plaatsgevonden op de plaatsen, buiten de begrenzing van de inrichting, waar blootstelling voor mensen kan plaatsvinden. Uit de berekening blijkt dat de jaargemiddelde concentratie van fijn stof en stikstofdioxide op de immissiepunten de grenswaarde van 48 ug/m? en 60 ug/m* niet overschrijdt”. Daarnaast wordt ook het maximum aantal overschrijdingsdagen (35 stuks) van de 24-uursgemiddelde en uurgemiddelde grenswaarde niet overschreden. Uit een

Ed

Conclusie Uit berekening blijkt dat de aanvraag voldoet aan de eisen voor de lokale luchtkwaliteit zoals deze gelden op basis van de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het verlenen van deze vergunning.

k

De grenswaarden voor fijn stof gelden tot 11 juni 2011. Hierna gelden weer de jaargemiddelde grenswaarde van 40 g/m’ en de 24-uursgemiddelde grenswaarde van 50 g/m’ dat niet vaker dan 35 keer per jaar overschreden mag worden De grenswaarden voor stikstofdioxide gelden tot 1 januari 2015. Hierna gelden weer de jaargemiddelde grenswaarde van 40 ug/m* en de uurgemiddelde grenswaarde van 200 ug/m* dat niet vaker dan 18 keer per jaar mag worden overschreden Voor PM, s geldt vanaf 2015 een grenswaarde van 25 pg/m? voor de jaargemiddelde concentratie. Tot die tijd (vanaf 2010) geldt deze waarde

als richtwaarde

® 19

5.7 5.7.1

Geluid

Toetsingskader geluiduitstraling van de inrichting wordt beoordeeld aan de hand van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening; oktober 1998 (verder genoemd Handreiking). Bij de toetsing van de geluidemissie van de inrichting wordt dan ook gebruik gemaakt van de in de Handreiking genoemde systematiek van richt- en grenswaarden. De Handreiking onderscheidt twee manieren om de hinderlijkheid van geluid te beoordelen. De gemiddelde geluidsuitstraling van het bedrijf dient aan normen (langtijdgemiddeld beoordelingsniveau) te voldoen, daarnaast zijn er aparte eisen voor de piekgeluiden (maximale geluidsniveaus). Vanwege het ontbreken in onze gemeente van beleid ten aanzien van industrielawaai, moet voor de vaststelling van grenswaarden voor de geluidnormering bij vergunningverlening nog gebruik worden gemaakt van de normstellingsystematiek zoals was De

in de Circulaire Industrielawaai

opgenomen

(40-35-30 dB(A)), i.c. hoofdstuk 4 van de

Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening. In dat hoofdstuk worden richtwaarden voor woonomgevingen aanbevolen aan de aard van de woonomgeving waarin de inrichting is gesitueerd. Aard

van

de

omgeving

HERTEN ET Woonwijk ijk

in de

KEE

GEERD

EK

Aanbevolen richtwaarden in de

TGE

PE

EEL. REE

stad

EEE

AE OE

BE.

Rn

die

zijn gerelateerd

woonomgeving

in dB(A

OENE

REE

EN Can

Tot slot dient het geluid veroorzaakt door het verkeer van en naar het bedrijf (indirecte hinder) aan normen te voldoen zoals gesteld in de “Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wm” van 29 februari 1996

(verder genoemd circulaire).

Bij vergunningverlening kan voor het aspect geluid bij bestaande inrichtingen als volgt worden gehandeld: -__bij herziening van vergunningen worden de richtwaarden volgens bovenstaande tabel steeds opnieuw getoetst; overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het -

omgevingsgeluid; -_overschrijding van het referentieniveau

van

het

omgevingsgeluid

tot een maximale toelaatbaar worden geacht op

sommige gevallen grond dB(A) bestuurlijk afwegingsproces, waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen. Voor het bovenstaande geldt steeds dat een verhoging van de richtwaarden alleen kan worden toegestaan na toetsing aan de BBT-criteria. etmaalwaarde van

5.7.2

van

55

kan in

een

Situering / normstelling inrichting is gelegen in het agrarisch buitengebied van de gemeente Sevenum. Het omgevingsgeluid bij de inrichting wordt bepaald door activiteiten in de directe nabijheid van de inrichting en verkeersbewegingen op grote afstand (Middenpeelweg en A67). Het referentieniveau van het omgevingsgeluid is in het onderhavige geval niet bepaald c.q. gemeten. Ons inziens is dit niet noodzakelijk, aangezien voor de aangevraagde situatie kan worden aangesloten bij de richtwaarden behorende bij het omgevingstype “landelijke omgeving” (40-35-30 dB(A) voor respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode). In de vigerende milieuvergunning (6 maart 2007) zijn ter bescherming van de nabij gelegen geluidgevoelige objecten de volgende geluidgrenswaarden opgenomen, waaraan dient te De

worden

Laur Lamax

voldaan: :40-35- 30 : 70-65-60

dB(A) voor resp. de dag-, avond-, en nachtperiode; dB(A) voor resp. de dag-, avond-, en nachtperiode.

20

5.7.3

Geluidproducerende activiteiten; representatieve bedrijfssituatie Bij een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wm wordt in eerste instantie op basis van de aangevraagde activiteiten en installaties en de afstand tot de geluidgevoelige objecten

Ee

beoordeeld of aan de op te nemen geluidnormen kan worden voldaan. De veehouderij met de bijbehorende installaties is een continubedrijf. Uit de aanvraag blijkt dat de genoemde activiteiten hoofdzakelijk in de dagperiode zullen plaatsvinden. maar waar ook in

de avondperiode en in de nachtperiode bedrijfsactiviteiten kunnen plaatsvinden. Als immissierelevante geluidbronnen zijn aan te wijzen de luchtwassers, de mechanische ventilatie van de stallen, de uitpandige installaties, de laad- en losactiviteiten en de voertuigbewegingen. Van

en

met

personenauto's

de

naar

inrichting en

vinden enkele malen per etmaal

verkeers- of transportbewegingen

vrachtwagens plaats.

Gelet op het feit dat de geluidbronnen zich (voornamelijk

inpandig) op enige afstand van losactiviteiten en transportbewegingen geluidgevoelige objecten door de afstand van (afgeschermd eigen bedrijfsgebouwen) op geluidgevoelige objecten plaatsvinden, wordt niet verwacht dat de beoogde bedrijfactiviteiten zullen leiden tot een overschrijding van de voor deze omgeving geldende richtwaarden van 40-35-30 dB(A). Bovendien heeft de aangevraagde representatieve bedrijfssituatie akoestisch gezien geen verslechtering van de al vergunde bedrijfssituatie tot gevolg. Een akoestische onderbouwing van de vergunningaanvraag, middels een akoestisch rapport, achten wij in deze situatie dan ook niet noodzakelijk. Verwacht wordt dat de geluiduitstraling van deze bronnen kan voldoen aan de op te nemen normstelling voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. bevinden

en

de laad-

en

&

Het maximale geluidniveau (Lama) is vooral het gevolg van transportbewegingen. Voor de maximale geluidniveaus wordt aangesloten op de grenswaarde van 70 dB(A) als etmaalwaarde. Omdat deze normstelling de gestelde grenswaarden uit de Handreiking niet overschrijdt, wordt deze toereikend geacht om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen dan wel voldoende te beperken. Gelet op de ruime afstand tot geluidgevoelige objecten kan zowel in de dag-, avondals nachtperiode voldaan worden aan deze normstelling. 5.7.4

Te vergunnen

normstelling

De aanvraag heeft betrekking op de gehele inrichting. Gelet op de afstand tot omliggende

geluidgevoelige objecten

kan de inrichting na de aangevraagde veranderingen voldoende toekomen met een normstelling voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (La,‚r) van 4035-30 dB(A) voor resp. de dag-, avond- en nachtperiode (op de gevel van het meest dichtbij

gelegen geluidgevoelig object). Dit betekent dat de gevraagde vergunning verhoging van de al vergunde geluidgrenswaarden.

niet leidt tot

een

&

Voor de maximale geluidsniveaus wordt aangesloten bij de richtwaarden. In gevallen dat niet voldaan kan worden aan de richtwaarden, kunnen op basis van de afwijkingsbevoegdheid maximale geluidniveaus worden vergund tot de grenswaarden van maximaal 70 dB(A) in de

dagperiode, 65 dB(A) in de avondperiode en 60 dB(A) in de nachtperiode. Met betrekking piekgeluiden (Lama) kan naar ons oordeel worden volstaan met de al in de onderliggende milieuvergunning opgenomen normstelling.

tot de

5.7.5 Indirecte hinder

Verkeersbewegingen

van en naar de inrichting, dat wil zeggen buiten de inrichting, worden de Schrikkelcirculaire analoog “Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer” van 29 februari 1996 uitsluitend en separaat getoetst aan de hand van het door die verkeersbewegingen veroorzaakte equivalente geluidsniveau. aan

Gelet

op de beperkte omvang

van

het aantal

verkeersbewegingen

kan worden

gesteld dat de

equivalente geluidsniveaus geproduceerd door de verkeersbewegingen van en naar de inrichting voldoen aan de voorkeursgrenswaarden van 50 dB(A) etmaalwaarde op basis

van

de® 21

Circulaire. Maximale geluidsniveaus worden in het kader van indirecte hinder niet getoetst. De verkeersaantrekkende werking vormt daarom geen belemmering voor het verlenen van de

milieuvergunning. 5.7.6

Trilling Gezien de afstand tot het meest dichtbijgelegen gevoelige object en gelet op de aard en omvang van de binnen de inrichting aangevraagde activiteiten, behoeft niet gevreesd te worden voor

trillingsoverlast

Externe

veiligheid / milieugevaarlijke stoffen

Het kenmerk van de Wet milieubeheervergunning is dat deze integraal van karakter is. Dit wil De zeggen dat in deze vergunning aan alle milieuaspecten aandacht geschonken moet worden. de er met tot dient toe te strekken dat er waarborgen betrekking milieuvergunning (mede) zijn veiligheid buiten de inrichting. Beoogd wordt om onder meer brand en explosies te voorkomen en bij brand binnen de inrichting de nadelige effecten daarvan voor het milieu en de omgeving zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. Voor het bestrijden van een begin van brand moeten draagbare blustoestellen of brandslanghaspels voorhanden zijn. Het zoveel mogelijk voorkomen, beperken, ongedaan maken en het melden van ongewone voorvallen is geregeld in artikel 17.1 van de Wet milieubeheer.

opslag van gevaarlijke stoffen zijn richtlijnen opgesteld in de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS, voorheen CPR). Het doel van deze publicaties is het beperken voorkomen van risico's door het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen. Voor de

en

Beoordeling Binnen de inrichting vindt (beperkte) opslag van brandbare of brandgevaarlijke stoffen. Opslag van brandbare vloeistof (dieselolie) vindt plaats in een bovengrondse dubbelwandige tank met een inhoud van 900 liter. Deze opslagen zijn in de paragraaf “Bodem” al nader beschouwd. Voor zover op deze opslag de PGS 30 van toepassing is, wordt daarmee naast een goede bodembescherming ook in adequate brandveiligheid voorzien. 5 kg/ltr) en van ontsmettings- en bestrijdingsmiddelen (max. diergeneesmiddelen (max. 5 kg/ltr) in emballage plaats. Gelet op de beperkte opslag van deze stoffen is de PGS 15 niet van toepassing. Ook met betrekking tot op de opslag van 3 x 950 m° niet van toepassing. Voor de zwavelzuur in multiboxen (geen emballage zijnde) is de PGS15 milieuhygiënische eisen die aan deze opslagen verbonden moeten worden is wél aansluiting gezocht bij de eisen die op grond van de PGS 15 aan de opslag van milieugevaarlijke stoffen kunnen worden gesteld.

Tevens vindt opslag

Conclusie Voor de diverse opslagen kunnen specifieke veiligheids- en milieueisen gelden. Voor zover deze een milieuhygiënisch (veiligheids)belang dienen, zijn hiervoor in deze vergunning

5.9

specifieke voorschriften

opgenomen.

Milieuzorg

Reikwijdte

/ Verruimde

Ingevolge artikel 1.1 a van de Wet milieubeheer dient een ieder ernaar te streven een eventuele milieubelasting die wordt veroorzaakt door een activiteit, tot een minimum te beperken. Teneinde een eenduidige invulling te geven aan voornoemde verplichting is door de gemeente een afwegingskader geformuleerd om te komen tot het stimuleren van bedrijven tot het nemen het gebied van het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater het verbruik van energie, water en vervoersmiddelen. Voor de evenals het verminderen van

van

preventieve maatregelen op

aspecten afval, energie, (afval)water

en

vervoersmanagement zijn drempelwaarden vastgesteld

waarboven een verplichting tot het uitvoeren van een quickscan of een besparingsonderzoek wordt opgelegd. De drempelwaarden zijn zodanig gekozen dat de kosten voor het uitvoeren van een onderzoek opwegen tegen de kosten van het betreffende aspect en waarbij op basis van een besparingspotentieel verwacht mag worden dat sprake is van een win-win situatie.

22

De basis

voor

(vervanging

het afwegingskader is de Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven Leidraad afval- en emissiepreventie), de circulaire energie in de

van

EE

milieuvergunning evenals de landelijk geaccepteerde uitgangspunten. Op basis van de geformuleerde drempelwaarden wordt onderstaand de relevantie van de verschillende milieuaspecten beoordeeld. Energiegebruik Na

realisering

de veranderingen wordt naar verwachting jaarlijks ca. 118.000 kWh 39.800 m° aardgas verbruikt. Het energiegebruik binnen de inrichting wordt hoofdzakelijk bepaald door het in werking zijn van voerinstallaties, ventilatoren (luchtwassers) elektriciteit en

de

van

en

klimaatbeheersing

in de varkensstallen.

Onderhavig bedrijf behoort niet tot een branche waarvoor meerjarenafspraken zijn gemaakt, dan wel een Algemene Maatregel van Bestuur geldt. Het energieverbruik voor de onderhavige inrichting bedraagt meer dan de vastgelegde drempelwaarde energieverbruik te worden Bekend

of er

50.000 kWh elektriciteit en/of 25.000 m°* aardgas op jaarbasis. Het kan daarmee een relevante milieubelasting genoemd worden. Vastgesteld dient sprake is van een besparingspotentieel: van

is dat de

toepassing

luchtwassers kan leiden tot een stijging van het energieverbruik, vanwege hoge drukval over het ventilatiekanaal die gecompenseerd moet worden en het energieverbruik voor het sproeien en verpompen van het waswater. Uit het Informatieblad ‘Veehouderijen’ (herziene versie) blijkt dat het elektriciteitsgebruik door toepassing van een luchtwasser vaak met minimaal 50 kWh per dierplaats stijgt. Met het aangevraagde luchtwassysteem wordt niet alleen de ammoniakemissie, maar ook de van

a

de

en fijn stofemissie aanmerkelijk gereduceerd. Geconcludeerd kan worden dat het energieverbruik inherent is

geur-

aan de bedrijfsomvang en aan mate om emissies te reduceren. Een redelijk besparingspotentieel ontbreekt echter. Daarom wordt, ondanks de omvang van het energieverbruik, géén verplichting opgelegd voor het

de

uitvoeren Voor de

van

een

energiebesparingsonderzoek.

beoordeling of sprake is van BBT

kan

hier worden

opgemerkt

aangevraagde luchtwassers weliswaar leidt tot een verhoging dit in

van

dat de

toepassing van de energieverbruik, maar dat geen item is (zie ook het

onderhavige situatie op grond van het aspect duurzaamheid paragraaf 5.2.3 van de beschikking). In deze vergunning zijn voorschriften opgenomen, optimale werking van de installaties en derhalve van het energiegebruik waarborgen.

die

een

Afvalstoffen Artikel

10.1

Binnen

de

de Wet milieubeheer

verplicht het bevoegd gezag om bij te houden met de wettelijke voorkeursvolgorde voor de milieuvergunningverlening rekening van afvalstoffen. Daarmee wordt beoogd om een doelmatige aanpak van de verwijdering afvalstoffenstroom te bewerkstelligen. Het voorkomen van afvalstoffen heeft de hoogste prioriteit. Hergebruik binnen en buiten de inrichting is toegestaan als het voorkomen niet meer mogelijk is. Eventueel kunnen afvalstoffen extern in een daarvoor bedoelde inrichting verbrand worden. De laagste prioriteit ligt bij het storten van afvalstoffen in een daarvoor bedoelde inrichting. van

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14047565/1