CConstaterende datHorst aan de Maas
Koppel je AI →
Document · PDF

02c.6 Archeologisch proefsleuvenonderzoek

Gemeenteraad 20 december 2022, gemeente Horst aan de MaasBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Lottumseweg 47 te Grubbenvorst.18.349 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

RAAP-RAPPORT 5171

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst Gemeente Horst aan de Maas Een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Colofon Titel: Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; Een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven Versie: 02-06-2021 Auteur: drs. X.C.C. van Dijk Projectcode: GRULO3 Bestandsnaam: RAAPrap_5171_GRULO3_20210519 Autorisatie: drs. G. Hensen

ISSN: 0925-6229

RAAP Leeuwenveldseweg 5b

Telefoon: 0294-491 500

1382 LV Weesp

E-mail: raap@raap.nl

Postbus 5069

Website: www.raap.nl

1380 GB Weesp © RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V., 2021 RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van de adviezen. Er is geen verklaring ontvangen van het bevoegd gezag omtrent goed - of afkeuring van het rapport.

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Samenvatting In opdracht van Peters Bouw en Onderhoud B.V. heeft RAAP op 10 mei 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Lottumseweg 47 in Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas. Het doel van het proefsleuvenonderzoek was het vaststellen van de archeologische waarde van het terrein. Hiertoe was het noodzakelijk inzicht te krijgen in de precieze aard en omvang van de vindplaatsen. In het verlengde daarvan is in kaart gebracht wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied. Zijn de archeologische vindplaatsen behoudenswaardig, en, zo ja, kunnen ze behouden blijven of dienen ze te worden opgegraven? Tijdens het onderzoek zijn verspreid over het plangebied twee proefsleuven aangelegd en is één proefsleuf verlengd om beter grip te krijgen op de archeologische waarde van het terrein. Er is een totaaloppervlak van 601 m 2 onderzocht, wat neerkomt op een dekkingsgraad van 8,9%. Verspreid over de proefsleuven zijn verschillende archeologische vondsten aangetroffen. Dit is in overeenstemming met de archeologische verwachting die het gebied heeft, gezien de ligging op een relatief hooggelegen Maasterras waarin een vruchtb are natuurlijke bodem is gevormd. De oudste vondsten dateren uit de steentijd, en wijzen op extensief gebruik in het mesolithicum en/of midden neolithicum.

Het meeste vondstmateriaal stamt uit de late prehistorie, vermoedelijk het einde van de late bronstijd of (de tweede helft van) de vroege ijzertijd , en wijst op een nederzettingsterrein. Een kleine hoeveelheid vondsten hoort thuis in de Romeinse tijd en dateert in de loop van de 2e of in de 3e eeuw. Ook deze resten wijzen op een nederzettingsterrein. De grote vraag is waarom er wel tientallen vondsten maar geen grondsporen zijn aangetroffen. Een bevredigende verklaring kan daar echter niet voor worden gegeven. De jongste vondsten dateren uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd. Vermoedelijk betreft het bemestingsmateriaal uit de late middeleeuwen (12e eeuw) en de nieuwe tijd (B), dat samen met het uitrijden van potstalmest op de toenmalige akkers is beland. Op basis van de waardering van de aangetroffen resten, waarbij is gekeken naar zowel de fysieke als de inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats, wordt geconcludeerd dat de resten niet behoudenswaardig zijn. Op basis van het onderzoek en de waardestelling luidt het selectieadvies Vrijgeven van het plangebied. Met betrekking tot de bevindingen van onderhavig onderzoek kan contact opgenomen worden met de gemeente Horst aan de Maas.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[3]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................................... 3 Inhoud................................................................................................................................................. 4 1 Inleiding ........................................................................................................................................... 6 1.1 Administratieve gegevens ..................................................................................................................... 7 1.2 Voorgaand onderzoek .......................................................................................................................... 7 1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen ..................................................................................................... 8

2 Methoden ......................................................................................................................................... 9 2.1 Algemeen ............................................................................................................................................ 9 2.2 Werkputten .......................................................................................................................................... 9 2.3 Documentatie en registratie ..................................................................................................................

9 2.4 Behandeling van sporen ......................................................................................................................10 2.5 Behandeling van vondsten ...................................................................................................................10 2.6 Behandeling van profielen ...................................................................................................................10 2.7 Bemonstering .....................................................................................................................................10 2.8 Uitwerking ..........................................................................................................................................10 2.9 Afwijking en aanpassing van de onderzoeksstrategie ............................................................................10

3 Landschap en bodem ..................................................................................................................... 11 3.1 Geologie en geomorfologie ..................................................................................................................11 3.2 Bodemopbouw ....................................................................................................................................13

4 Archeologie .................................................................................................................................... 15 4.1 Sporen en structuren ...........................................................................................................................15 4.2 Vondsten (algemeen) ..........................................................................................................................15 4.3 Vondsten uit de vroege prehistorie .......................................................................................................15 4.4 Vondsten uit de late prehistorie ...........................................................................................................18 4.5 Vondsten uit de Romeinse tijd .............................................................................................................24 4.6 Vondsten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd ................................................................................29

5 Waardestelling ............................................................................................................................... 33 5.1 Algemene waarderingssystematiek ......................................................................................................33 5.2 Resten uit de vroege prehistorie ..........................................................................................................33 5.3 Resten uit de late prehistorie ...............................................................................................................34 5.4 Resten uit de Romeinse tijd .................................................................................................................35 5.5 Resten uit de late middeleeuwen - nieuwe tijd ......................................................................................36

6 Beantwoording van de onderzoeksvragen ....................................................................................... 38 7 Conclusie ....................................................................................................................................... 42 8 Selectieadvies ................................................................................................................................ 43

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[4]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Literatuur .......................................................................................................................................... 44 Overzicht van figuren, tabellen, bijlagen en appendices ..................................................................... 46

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[5]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

1 Inleiding In opdracht van Peters Bouw en Onderhoud B.V. heeft RAAP op 10 mei 2021 een archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd aan de Lottumseweg 47 in Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas (figuur 1). Dit onderzoek is noodzakelijk in verband met de voorgenomen werkzaamhed en die een bedreiging kunnen vormen voor eventueel in de ondergrond aanwezige archeologische resten.

Figuur 1. De ligging van het plangebied. Inzet: ligging in Nederland (ster).

De werkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat BRL4000, conform artikel 5.4 van de Erfgoedwet. Onderzoeksdocumentatie en vondstmateriaal zullen worden overgedragen aan het depot van de

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[6]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

provincie Limburg. Voorafgaand aan het onderzoek is, conform de KNA een Programma van Eisen opgesteld (Reinders & Vaessen, 2021). Dit document diende als uitgangspunt voor het onderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de normen van de archeologische beroepsgroep. De Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1), beheerd door de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB; www.sikb.nl), geldt in de praktijk als norm. RAAP is gecertificeerd voor de protocollen 4001 Programma van eisen, 4002 Bureauonderzoek, 4003 Inventariserend veldonderzoek (landbodems), onderdelen proefsleuven en overig, alsmede 4004 Opgraven (landbodems).

1.1 Administratieve gegevens Plangebied

Lottumseweg 47

Opdrachtgever

Peters Bouw en Onderhoud B.V.

Contactpersoon opdrachtgever

W. Zanders

Bevoegde overheid

Gemeente Horst aan de Maas

Contactpersoon bevoegde overheid

J. van Melick

Plaats

Grubbenvorst

Gemeente

Horst aan de Maas

Provincie

Limburg

Coördinaten

207821/382018

Toponiem

Lottumseweg

Periode veldwerk

10 mei 2021

Projectleider

Drs. X.C.C. van Dijk

Projectmedewerkers

M. Donders ma

Onderzoeksmeldingsnummer

5063086100

KNA-actorregistratienummer X.C.C. van Dijk

19276441

KNA-actorregistratienummer M. Donders

-

contactpersoon gemeente en toetser vanuit gemeente

C. Koot (Vestigia)

Bewaarplaats documentatie en eventuele vondsten

RAAP Zuid en op termijn ARCHIS, E-Depot en het provinciaal Depot

Tabel 1. Administratieve gegevens.

1.2 Voorgaand onderzoek Soort onderzoek

Uitvoerder

Uitvoeringsperiode

Rapportage

Bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende fase)

RAAP

2021

Van Veldhuizen, 2021

Tabel 2. Overzicht van voorgaande voor het plangebied relevante onderzoeken .

Op basis van het voorgaande onderzoek is duidelijk geworden dat v oor het plangebied een hoge archeologische verwachting geldt voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een daadwerkelijke vindplaats is echter nog niet aangetoond.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[7]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

1.3 Doelstellingen en onderzoeksvragen Een proefsleuvenonderzoek wordt uitgevoerd om vast te stellen of zich binnen de begrenzing van het plangebied behoudenswaardige archeologische resten bevinden. Het doel is inzicht te verkrijgen in de precieze aard, omvang, diepteligging en datering van de archeologische resten, en te bepalen of het gaat om behoudenswaardige vindplaatsen. In het Programma van Eisen (Reinders & Vaessen, 2021) zijn hiervoor onderzoeksvragen geformuleerd, zie hoofdstuk 6. Bovendien dient duidelijk gemaakt te worden wat de consequenties zijn van de onderzoeksresultaten voor de verdere planvorming in het plangebied.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[8]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

2 Methoden 2.1 Algemeen Zoals uit het vooronderzoek is gebleken, is de kans groot dat binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Omdat met behulp van booronderzoek geen inzicht kan worden verkregen in de precieze aard en herkomst van de vondsten is verder booronderzoek weinig zinvol. Om inzicht te krijgen in de aard van de vindplaats en om vast te stellen of er daadwerkelijk archeologische sporen binnen het plangebied aanwezig zijn, is proefsleuvenonderzoek een meer geschikte methode.

2.2 Werkputten Proefsleuven 1 en 2 zijn aangelegd conform het PvE. In aanvulling daarop is een derde proefsleuf aangelegd, om meer duidelijkheid te krijgen over de archeologische waarde van het plangebied. Hiertoe is proefsleuf 2 ruim 40 m in westelijke richting verlengd over een breedte van ongeveer 3 m. Dit komt neer op een dekkingsgraad van 8,9% van het plangebied. Een overzicht van de ligging van de werkputten is afgebeeld in figuren 5, 7, 9 en 10. In tabel 3 zijn de afmetingen van de verschillende werkputten samengevat.

Proefsleuf

Afmetingen (l x b in m)

Aantal vlakken

Oppervlakte in m²

1

60x4

1

240

2

56x4

1

224

3

42x3

1

134

Totaal

601

Tabel 3. Overzicht van werkputten en vlakken.

2.3 Documentatie en registratie In alle proefsleuven is één vlak aangelegd in de top van het gele zand (C-horizont), op een diepte van 0,9 tot 1,3 m -Mv. Omdat er geen sprake was van verbruining van de bodem, werd het niet zinvol geacht om ook aan de basis van het esdek een opgravingsvlak aan te leggen. Dit niveau lag ongeveer 10 tot 25 cm boven het opgravingsniveau. De sporen zijn digitaal ingemeten met een RTK-GPS met een conform KNA-eis OS02 maximale afwijking van 3 cm in zowel het horizontale als verticale vlak. Ook de hoogte van de aangelegde vlakken ten opzichte van NAP is bepaald met een GPS. De ruwe GPS -bestanden zijn dagelijks uitgelezen, gecontroleerd en gecorrigeerd. De sporen zijn in een doorlopende reeks over de hele opgraving genummerd. Spoor - en vondstgegevens zijn ingevoerd in de Odile database. In het algemeen geldt dat sporen en vondsten zijn gedocumenteerd conform specificaties OS04 en OS05 van de BRL4000.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[9]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

2.4 Behandeling van sporen Om sporen te traceren is het vlak waar nodig tijdens de aanleg handmatig opgescha afd. Alle mogelijke grondsporen (n=2) zijn gecoupeerd. Indien mogelijk viel de coupelijn hierbij samen met de profielwand , zodat de stratigrafische positie van het spoor kon worden vastgelegd. Tijdens de aanleg van het opgravingsvlak is zoveel mogelijk geprobeerd om het stratigrafische ingravingsniveau van de sporen vast te leggen. Hiervoor is gebruik gemaakt van de laagbeschrijvingen in de verschillende werkputten. Aan natuurlijke lagen en recente/natuurlijke verstoringen is een algemeen spoornummer toegekend.

2.5 Behandeling van vondsten Bij de vlakaanleg zijn vondsten in vakken van 5 x 5 m verzameld. Bijzondere vondsten, zoals metaalvondsten en vuurstenen artefacten, zijn als puntvondst ingemeten. Rond elke vuursteenvondst is een oppervlak van 2 m² handmatig nauwgezet opgeschaafd, teneinde vuursteenconcentraties op te sporen. Voor het verzamelen van metaalvondsten is tijdens het aanleggen van de vlakken intensief gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vondsten zijn in een doorlopende reeks genummerd; ze worden in dit rapport aangeduid met een V (bijv. V14).

2.6 Behandeling van profielen In elke proefsleuf zijn conform PvE circa 1 m brede profielkolommen opgeschaafd, gefotografeerd , getekend en beschreven vanaf het maaiveld. De locaties ervan zijn ingemeten met de RTK -GPS (met X-, Y- en Z-coördinaten). Aan de hand van de profielkolommen zijn d e natuurlijke gelaagdheid en het archeologische niveau in kaart gebracht. In totaal zijn acht kolomprofielen gedocumenteerd. Om de landschappelijke ontwikkeling en de bodemopbouw goed te begrijpen, is er naar gestreefd om tijdens het veldwerk de stratigrafische eenheden (lagen) in de verschillende putte n direct aan elkaar te koppelen.

2.7 Bemonstering Tijdens het onderzoek zijn geen sporen aangetroffen die zich leenden voor monstername.

2.8 Uitwerking Documentatie van het onderzoek is na afloop van het veldonderzoek gecontroleerd en zijn de vondsten gewassen en gesplitst per materiaalcategorie. In overleg met het bevoegd gezag is besloten om geen evaluatierapport op te stellen. Na afloop van de basisuitwerking van de veldgegevens is gestart met het opstellen van de rapportage. Gedetailleerde spoor- en vondstinformatie is te raadplegen in het e-depot.

2.9 Afwijking en aanpassing van de onderzoeksstrategie Buiten de genoemde vlakaanleg is tijdens het veldonderzoek niet afgeweken van de onderzoeksstrategie zoals die in het PvE is omschreven.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[10]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

3 Landschap en bodem Een vindplaats kan niet los worden gezien van het landschap waarin hij is gelegen. Voor een correcte interpretatie is het dan ook van belang om de landschappelijke context inzichtelijk te maken. In het onderstaande wordt kort ingegaan op de geologische, geomorfologische en bodemkundige aspecten van het plangebied en directe omgeving.

3.1 Geologie en geomorfologie Het plangebied ligt volgens de geomorfologische kaart op een relatief hooggelegen dalvlakteterras (figuur 2).

Figuur 2. Het plangebied weergegeven op een uitsnede van de geomor fologische kaart. De ongekarteerde gebieden zijn wit (bron: Koomen en Maas, 2004 en https://archis.cultureelerfgoed.nl/ ).

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[11]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Als gevolg van wisselende klimatologische omstandigheden werden door de Maas sedimenten afgezet of sneed de Maas zich in zijn eigen sedimenten in. Doo r herhaalde insnijding liet de Maas steeds terrassen met oudere afzettingen in het landschap achter. Het plangebied ligt op een terras dat is gevormd in het Allerød (10.950-11.900 BP). Het terras bestaat uit rivierzanden en –grinden, mogelijk met hierop rivierklei uit de Late Dryas (Formatie van Beegden; Be2) (Staring Centrum/RGD, 1990). Het plangebied bevindt zich op een hoogte van 18 tot 20 m +NAP. Op het AHN2 zijn het dekzandgebied (westen: roodbruine kleur) en met Maasdal met het plangebied op het Maasterras goed zichtbaar (figuur 3).

Figuur 3. Ligging van het plangebied op een uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland (bron: https://www.ahn.nl/).

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[12]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

3.2 Bodemopbouw Algemeen Volgens de bodemkaart bestaat de bodem in het plangebied uit hoge bruine enkeerdgronden, die ontwikkeld zijn in lemig fijn zand (Stiboka, 1975; figuur 4). Dit zijn de oude landbouwgronden die door langdurige bemesting een dik humeus dek (esdek) hebben gekregen. Vanaf de late middeleeuwen werd, als gevolg van intensivering van de landbouw, de vruchtbaarheid van akkers op de zandgrond en bevorderd door bemesting met onder andere plaggen, die in de potstal werden vermengd met dierlijke mest en huishoudelijk afval. Door eeuwenlange bemesting ontstonden akkers met een dik humeus dek, vaak eerst op de hogere delen van het landschap zoals hoge delen van de oude Maasterrassen. Deze akkers werden in de loop van de tijd tot in de lagere delen van het landschap uitgebreid. De dikte van de plaggendekken varieert in het algemeen van circa 50 t ot meer dan 100 cm. Plaggendekken ontstonden veelal op de meest vruchtbare en best ontwaterde delen van het landschap. Ook vóór de vorming van plaggendekken waren dit de gunstigste plekken voor bewoning en akkerbouw. Vanwege de dikte van het plaggendek worden de onderliggende lagen als het ware beschermd door reguliere moderne ploegwerkzaamheden, doordat deze grotendeels buiten het bereik van moderne ploegen liggen. Zo zijn onder het plaggendek vaak nog resten van de oorspronkelijke bodem bewaard gebleven.

Natuurlijke bodem Aan de hand van de acht profielen in de proefsleuven wordt de bodemopbouw beschreven. De natuurlijke ondergrond bestaat uit matig grof tot fijnzandige Maasafzettingen met daarin kleine mangaanpuntjes en dunne leembanden van maximaal enkele centimeters dik. De leembanden dagzomen niet in deze afzettingen, maar bevinden zich op minstens 20-30 cm diepte. In de top van deze afzettingen heeft zich een moderpodzol gevormd. Moderpodzolgronden zijn bodems waarin de humus van de B-horizont overwegend bestaat uit moder (uitwerpselen van kleine bodemdieren) die als bolletjes tussen de minerale delen voorkomt en daarmee intensief gemengd is. Deze bodems hebben zich voornamelijk ontwikkeld in lemig fijn zand in goed ontwaterde gebieden met een dich te vegetatie, en zijn voortdurend op natuurlijke wijze met humus aangerijkt. Ze worden opgesplitst op basis van de dikte van de humushoudende bovengrond en het voorkomen van een banden -B. Dit is veelal een serie opeenvolgende, rodere banden van 5-15 cm met een hoger ijzer- en lutumgehalte (Stiboka, 1975). Op basis van deze kenmerken betreft het natuurlijke bodemtype in het plangebied een horstpodzolgrond, zie figuur 4 (laag 8000). De B-horizont is ongeveer 10 tot 30 cm dik, meestal 15-25 cm. Deze is koffiebruin van kleur, bestaat uit fijn, matig siltig zand met kleine mangaanvlekken en –concreties.

De top van de horstpodzol is in het verleden verploegd en opgenomen in een zogenaamde oude akkerlaag, zie figuur 4 (laag 7000). Deze is overal in het plangebied aanwezig, maar niet overal even sterk ontwikkeld. De kleur is meestal bruingrijs, maar loopt uiteen van grijs tot vaal bruingrijs. De oude akkerlaag is 15 tot 30 cm dik, meestal 15-20 cm. Regelmatig zijn er dunne ijzerrijke fibers in aanwezig. Blijkbaar ligt deze al lange tijd buiten het bereik van de ploeg en wordt niet meer gehomogeniseerd. De oude akkerlaag en de B-horizont hebben een gezamelijke dikte van 25 tot 50 cm, meestal 30-45 cm. Er is geen ruimtelijk patroon aan te wijzen in de dikte van deze bodemlagen en hun gezamelijke dikte. Op basis van de top van de oude akkerlaag kan het natuurlijke maaiveld worden gereconstrueerd. Dit schommelt tussen 19,0 en 19,30 m +NAP. Daarbij ligt het hoogste gedeelte min of meer centraal in het plangebied, en loopt het natuurlijke reliëf 10-15 cm af in oostelijke en 30 cm in westelijke richting.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[13]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Antropogene invloed op het bodemtype In (het begin van) de nieuwe tijd is het bodemtype in het plangebied veranderd door menselijk handelen, en is een hoge bruine enkeerdgrond gevormd. het antropogene dek (esdek; figuur 4 S6000) heeft een dikte van 60 tot 90 cm, en het esdek werkt nivellerend op het natuurlijke maaiveld. Gezien de stratigrafisch herkenbare oude akkerlaag is de aanrijking met plaggenmest relatief snel gegaan, waarbij het esdek een duidelijk bruinere kleur heeft dan deze oude akkerlaag. Het esdek bestaat uit fijn, matig siltig en zwak humeus zand. Net als in de oude akkerlaag, zijn ook in het esdek regelmatig dunne ijzerrijke fibers gevormd. Dit sluit aan bij het scherpe contrast met de huidige bouwvoor en het ontbreken van een duidelijke menglaag van beide. Blijkbaar is ook het deel van het esdek onder de huidige bouwvoor al lange tijd buiten het bereik van de ploeg en wordt dit niet meer gehomogeniseerd. Tegelijk toont dit aan dat bodemvorming hier een continu proces is en nog steeds doorgaat. Het onderste deel van het esdek is lokaal iets valer en fletser van kleur dan het bovenste deel. Het is onduidelijk of dit verschil wordt veroorzaakt door de samenstelling van het sediment of dat lokaal enige uitspoeling van humus en mineralen plaatsvindt (bodemvorming).

De huidige bouwvoor, laag 5000, is vergelijkbaar van textuur als het esdek, maar is donkerbruingrijs van kleur.

Figuur 4. Kolomprofielen 1.1.1 (links) en 2.1.1 (rechts). 5000=bouwvoor; 6000=esdek; 7000=oude akkerlaag; 8000=B-horizont; 9000=C-horizont.

De bodemopbouw is vrijwel overal intact. Alleen in de oostelijke strook van het plangebied is de bodem verstoord door bebouwing en de aanleg van kuilen waarin bouwpuin is gestort. De rand van één zo’n kuil is aangetroffen in de laatste oostelijke meters van proefsleuf 1, maar deze verstoring reikte niet tot in het opgravingsvlak.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[14]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

4 Archeologie 4.1 Sporen en structuren Het onderzoek heeft geen archeologische grondsporen opgeleverd. Wel zijn verspreid in de proefsleuven verscheidene bruine vlekken gecoupeerd, maar het bleek steeds te gaan om natuurlijke verkleuringen en dagzomende leemlaagjes van de banden -B. Voor een beschrijving van de sporen, zie appendix 1.

4.2 Vondsten (algemeen) Het archeologisch onderzoek heeft 115 vondsten opgeleverd. Een overzicht van de aantallen van de verschillende vondstcategorieën wordt weergegeven in tabel 4. Voor een beschrijving van de vondsten, zie appendices 2 t/m 6. De complete vondstencatalogus is opgenomen in de velddocumentatie (de pakbon) die te vinden is bij het depot/e-depot. Vondstcategorie

Aantal

Gram

Keramiek

51

243

Bouwkeramiek

2

282

Natuursteen

52

6170

Vuursteen

7

380

Metaal

3

36

Totaal

115

7111

Tabel 4. Aantal vondsten per vondstcategorie.

In de onderstaande paragrafen wordt per periode en per vondstcategorie ingegaan op de algemene kenmerken, eventuele noemenswaardige vondsten, de datering en de mate van conserveri ng.

4.3 Vondsten uit de vroege prehistorie Technologische beschrijving en grondstofgebruik Verspreid in de proefsleuven zijn zes vuurstenen artefacten gevonden (appendix 4). Een vuursteenknol kan worden bewerkt om werktuigen te maken van de ontstane schilfers. Dergelijke schilfers zijn vaak als afval beschouwd, en alleen de geschikte exemplaren werden verder bewerkt tot eindprodukten. In de proefsleuven is afval, één werktuig en een kernsteen gevonden . Het afval bestaat uit reguliere, onbewerkte afslagen die ontstaan bij het productieproces. De meeste afslagen maken deel uit van de eerste voorbewerkingsfasen, wanneer bijvoorbeeld de buitenste, verweerde laag van een vuursteenknol werd verwijderd. Tijdens dit proces wordt de buitenlaag, de cortex, verwijderd. Op die manier ontstaan decorticatie - en preparatiestukken. Drie van de vier afslagen behoren tot dergelijke stukken. De afslagen zijn gemaakt van diverse soorten vuurste en. Eén afslag is

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[15]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

gemaakt van een stuk vuursteen dat door waterwerking zeer sterk is afgerond en een zwaar verweerd e cortex heeft. Dergelijke rolstenen die in het Maasdal voorkomen, worden ook wel Maaseitjes genoemd. De andere zijn gemaakt van vuursteen die eveneens in het Maasdal voorkomt en in de bedding van de Maas, oude Maasgeulen en in terrasafzettingen is te vinden. Deze vuursteenknollen hebben ook een gerold uiterlijk, maar een geheel andere, dunnere, cortex. Pas nadat de cortex is verwijderd worden reguliere afslagen gemaakt, waarvan vervolgens werktuigen worden gemaakt door deze bij te werken (retoucheren). Daartoe worden één of meerdere randen geretoucheerd. Het werktuig, V42, heeft een rand die volledig is geretoucheerd en betreft een schrabber. Daarmee kunnen bijvoorbeeld dierenhuiden worden schoon gemaakt door er vet en vleesresten af te schrapen. De schrabber is gemaakt van een afslag van een Maaseitje. Het betreft een middelmatig groot exemplaar met een sterk afgerond, ietwat hoekige vorm van ongeveer 3,5x3,0 cm. Het laatste vuurstenen artefact is een kernsteen (V45). Daarvoor is een rolsteen geb ruikt die in de regio in het Maasdal is verzameld. De kernsteen is van diverse kanten enkele malen bekapt, waarbij korte afslagen zijn geproduceerd.

Wellicht is de knol getest op zijn kwaliteit, maar het is ook mogelijk dat de bewerker – ook wel een vuursteensmid genoemd - niet erg vakkundig was. De kern is hoe dan ook niet intensief gebruikt om afslagen te produceren.

Ruimtelijke verspreiding De horizontale verspreiding van het vuursteen is weergegeven in figuur 5. Het materiaal is verspreid in de proefsleuven aangetroffen, in een zone van ongeveer 40x30 m in het westelijke deel van het plangebied. Daarbinnen zijn vondstnummers 5, 7 en 9 gevonden binnen een afstand van 8 m. Toch is van een duidelijke clustering geen sprake, want het nauwgezet handmatig opschaven van het opgravingsvlak leverde geen bijkomende vondsten op. Ook beide stukken van Maaseitjes zijn niet bij elkaar gevonden, maar op ruim 30 m afstand. Ook deze artefacten, die wellicht uit dezelfde periode kunnen dateren, vormen dus geen clustering.

Datering De vuurstenen artefacten zijn lastig te dateren omdat typologisch te duiden werktuigen nauwelijks voorkomen en het losse vondsten betreft. De reguliere afslagen en de meeste decorticatie - en preparatiestukken zijn maar moeilijk binnen de steentijd te pl aatsen. Alleen de twee stukken die van Maaseitjes zijn gemaakt, V5 en 42, kunnen scherper worden gedateerd. Dergelijke knolletjes werden gebruikt in de midden steentijd (het mesolithicum: tussen grofweg 10.500 en 4.900 jaar voor Chr.) en in de nieuwe steentijd, toen men van een bestaan van jager/verzamelaar langzaam aan overging in een boerenbestaan (het neolithicum, specifiek het midden neolithicum: van ongeveer 4.250 tot 2.500 jaar voor Chr.). Vermoedelijk was de jacht, visserij en het verzamelen van voe dsel in deze periode toch nog onderdeel van het dagelijks bestaan (o.a. Louwe Kooijmans, 2005; Verhart, 2000). Het zou ongeveer 1000 jaar duren voordat de transformatie naar een volledig boerenbestaan was voltooid.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[16]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 5. Verspreidingskaart steentijdvondsten.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[17]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Interpretatie De vuurstenen vondsten wijzen er op dat het plangebied in de vroege prehistorie herhaaldelijk is bezocht door lieden, maar een kampement of ander soort vindplaats is echter niet aangetroffen. Wellicht moeten dergelijke vindplaatsen iets dichter bij de oude Maasgeul worden gezocht, bijvoorbeeld dichter bij de rand van het Allerød-terras, tegen het Late Dryas-terras aan. Daar woonde men op een droge plek en van daaruit had men een goed overzicht op het lagergelegen deel van het Maasdal. Door de vele oude geulen, waterpoelen en weelderige, gevarieerde vegetatie was dit een zeer aantrekkelijk gebied voor wild. Dit kon vanaf de hoge terrasrand worden geobserveerd en vervolgens bejaagd, maar er konden ook strikken worden gezet, gevist, planten, knollen en ander voedsel verzameld. Ook voor gemeenschappen die een (volwaardig) boerenbestaan leidden, is het plangebied geschikt. Door de fijnzandige en ietwat siltige textuur en de natuurlijke aanrijking met humus is de bodem van nature relatief vruchtbaar en daardoor geschikt om akkerbouw te bedrijven. Bovendien leent het lagergelegen gebied in het Maasdal zich goed voor het weiden van vee. In dit opzicht is de ruimtelijke locatie van het plangebied erg geschikt, omdat beide soorten landschappen dicht bij elkaar liggen en het plangebied bijna op de grens van beide ligt.

4.4 Vondsten uit de late prehistorie De vondsten uit de late prehistorie bestaan uit keramiek en natuursteen. Deze twee materiaalgroepen worden in deze paragraaf beschreven en geïnterpreteerd.

4.4.1 Keramiek Technologische beschrijving In de proefsleuven zijn 39 scherven handgevormd aardewerk uit de prehistorie gevonden, met een totaalgewicht van 168 gram (appendix 2). Het materiaal is over het algemeen flink gefragmenteerd en afgerond gebruiksaardewerk. De grootste scherf betreft slechts 5% van het complete stuk vaatwerk waarvan deze afkomstig is; meestal is slechts 1-2% aanwezig. De keramiek heeft een gemiddeld gewicht van 4,3 gram; slechts zeven scherven zijn zwaarder dan 5 gram en het maximale gewicht van een scherf bedraagt 21 gram. Door de hoge fragmentatiegraad is de oppervlakte beperkt en de oppervlaktebehandeling lastig te herkennen. Wanneer hier iets over te zeggen valt, dan is het meestal (vrijwel) onbehandeld en ruw gelaten. Twee scherven zijn van vaatwerk dat aan de buitenkant is geglad en één scherf is van een besmeten pot. Besmijten is het insmeren van de ongebakken pot met een dunne kleipap, waardoor die een pokdalig, ruw oppervlak krijgt. De exacte functie van het besmijten is niet geheel duidelijk. Wellicht heeft het een praktische nut, omdat een ruw oppervlak meer grip bij het hanteren biedt, maar technologische, esthetische of andere factoren kunnen ook een rol spelen. De dikte van de wandscherven loopt uiteen van 5 tot 12 mm, waarbij ruim 70% 6-9 mm bedraagt.

Dit zou op relatief grote potvormen kunnen wijzen, maar ook klein vaatwerk kan in bepaalde perioden relatief dikwandig zijn. Daarvoor zijn de diktes te weinig uitgesproken. Indien een magering van de klei zichtbaar is, betreft dit chamotte en in een enkel geval (een kleine bijmenging van) (grof) zand .

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[18]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Vormen en datering De keramiek bestaat voornamelijk uit wandscherven (n=35) alsook één bodemscherf en drie randscherven. Van de bodem- en randscherven, alsook van twee wandscherven, kan meer worden gezegd met betrekking tot het vormenrepertoire en hun datering. Kommen of schalen lijken te ontbreken; scherven die met zekerheid aan deze vormen kunnen worden toegewezen, zijn in het materiaal niet herkend. De bodemscherf, V28, is van een pot met een vlakke bodem. De opgaande wand heeft geen bijzondere kenmerken die wijzen op een specifieke functie. Vaatwerk met vlakke bodems k omt voor vanaf het laat neolithicum, maar gezien de vrij scherpe datering van enkele andere scherven en het ontbreken van neolithisch materiaal, is de bodemscherf van de pot waarschijnlijk uit de (late) bronstijd of ijzertijd. Vier wandscherven - V4, 14, 44 en 49 - kunnen ook beter aan een bepaalde vorm(groep) worden toegewezen. Eén scherf is vrij dik en besmeten. Dit wijst op een pot of schaal uit de late bronstijd of (vroege) ijzertijd. Er treedt in deze periode een verschuiving op in de potde len die werden besmeten, maar omdat zulke rand- en bodemscherven ontbreken, kan deze wandscherf niet nader worden gedateerd. De tweede wandscherf is relatief groot (21 gram). Deze heeft een dikte van slechts 6 mm en behoort tot middelgroot vaatwerk; een nadere vormtoewijzing is echter niet mogelijk.

Het oppervlak is vrij ruw en lijkt onafgewerkt. Ook deze scherf kan in dezelfde periode worden geplaats, d.w.z. de late bronstijd of (vroege) ijzertijd. Eén wandscherf vertoont een knik, en kan daarom worden toe gewezen aan een dubbelconische pot: een vorm met een schouder en hals. De scherf is echter te klein (1 gram) om de hoek van de knik en daarmee de specifieke potvorm te bepalen. De laatste wandscherf lijkt een vrijwel vlakke buitenkant te hebben en behoort daarmee tot een relatief grote vorm. De wanddikte van 9 mm sluit daarbij aan. Het oppervlak is vrij ruw en lijkt daarmee onafgewerkt. De magering kan niet worden bepaald. Daarmee ontbreken verdere kenmerken op basis waarvan deze scherf binnen de (late) bronstijd of ijzertijd nader kan worden gedateerd. Van de drie randscherven – V4, 14 en 28 - behoren er twee tot vaatwerk met een openstaande mond. Het derde fragment lijkt van een pot met rechte rand te zijn, maar dit is zwaar gefragmenteerd (1 gram). Beide potvormen zijn versierd met vingertopindrukken op de rand. Deze indrukken zijn erg klein, zo klein dat men zich moet afvragen of deze niet door kinderen zijn aangebracht. De exacte diameter van het betreffende vaatwerk kan niet worden bepaald, maar wel is duidelijk dat het om middelgrote tot grote, vermoedelijk dubbelconische vormen gaat (Van den Broeke, 2005: 607-612).

Het materiaal is te klein om nadere vormen te bepalen, maar van de grootste scherf (5 gram) bestaat de magering uit chamotte. De oppervlaktebehandeling kan vanwege de hoge fragmentatiegraad niet worden bepaald. De kenmerken van dit materiaal wijzen op een datering in de ijzertijd, wat neerkomt op 750 tot 12 voor Chr., maar een iets oudere datering in de late bronstijd is niet volledig uit te sluiten. Binnen deze periode komen zulke versieringen op de rand van vaatwerk voor, maar deze werden vooral gedurende het einde van de late bronstijd, (de tweede helft van) de vroege en in (de eerste helft van) de late ijzertijd toegepast (Van den Broeke, 1987 en 2005). Gezien de kenmerken van de andere laatprehistorische vondsten is een datering in het einde van de late bronstijd en (de tweede helft van) de vroege ijzertijd het meest aannemelijk, zie verder.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[19]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 6. Links: tekening van de randscherven (V4, 14 en 48). Rechts: voorbeeld van een besmeten pot uit de ijzertijd (bron: https://www.omnia.ie/index.php).

Ruimtelijke verspreiding De horizontale verspreiding van het handgevormd aardewerk is weergegeven in figuur . Het materiaal is op tientallen plekken in de proefsleuven aangetroffen. De keramiek is hierbinnen los verspreid en een clustering ontbreekt in het plangebied. Ook de goed gedateerde scherven hebben een losse spreiding, maar lijken zich te beperken tot de zuidoostelijke helft van het plangebied.

4.4.2 Natuursteen In totaal zijn 52 stukken natuursteen gevonden in de proefsleuven die in de late prehistorie zijn gebruikt (appendix 5). Dit natuursteen bestaat uit een kleine maar heterogene groep, want er zijn zeven verschillende gesteentesoorten vertegenwoordigd, zie tabel 5. Het materiaal is op verschillende manieren gebruikt en wordt naar functie beschreven: kookstenen, maalstenen en overig.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[20]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Aantal

Gram

Fylliet

21

2162

kooksteen

Kwarts

3

170

kooksteen, onbekend (n=1)

Kwartsiet

16

3415

kooksteen, onbekend (n=1)

Lydiet

1

14

kooksteen

Maasei

1

59

onbekend

Tefriet

3

52

maalsteen

Zandsteen 6

294

kooksteen

Totaal

6166

51

Tabel 5. Overzicht van de gesteentesoorten.

Kookstenen Het meeste natuursteen, 84% (n=43), is verbrand en/of heeft haarscheurtjes. Het gaat daarbij om fylliet, kwarts, kwartsiet, lydiet, fylliet en zandsteen. Deze stukken zijn gefragmenteerd in hoekige vormen en veelal ongeveer maximaal 6x5x3 cm groot; slechts 19% is groter. Vermoedelijk is dit materiaal als kooksteen gebruikt. Kookstenen zijn stenen die werden verhit in een vuur en daarna in een gevulde container van bijvoorbeeld hout of keramiek werden gedaan om vloeistoffen te verhitten. Door het (veelvuldig) verbranden/verhitten kan de steen zijn verkleurd en door de temperatuurschok ten gevolge van het plotselinge afkoelen kunnen haarscheurtjes zijn ontstaan, waarbij de steen in stukken is gebroken. Kookstenen wijzen daarom doorgaans op nederzettingsterreinen, waar mensen hebben gewoond, voedsel bereid en andere dagelijkse bezigheden hebben verricht De kookstenen zijn verspreid in de proefsleuven verzameld en hoewel her en der iets legere zones voorkomen, is van een clustering geen sprake (figuur 8). Maalstenen Twee stukken fylliet zijn als maalsteen gebruikt (V16, 55). Het eerste stuk is ongeveer 13x12 cm groot, waarbij de dikte vanaf de rand naar het hart van de maalsteen afloopt van 5 naar 2,5 cm. In het midden is de maalsteen gebroken, wellicht tijdens gebruik.

Het oppervlak is opgeruwd maar op de meest vlakke delen is nog een maalvlak met een licht holle vorm (concaaf) aanwezig. De vlakke delen zijn ontstaan door slijtage tijdens het gebruik als maalsteen. Om de werking van het malen te optimaliseren w erd het oppervlak regelmatig ruwer gemaakt door het te hameren met een klopsteen. De tweede maalsteen, ook een fragment, is aanzienlijk kleiner: slechts 9x4 cm groot en 4,0 tot 4,8 cm dik. De oorspronkelijke maalsteen was langgerekt van vorm en had vlakke delen op een licht concaaf maalvlak. Ook hier is het oppervlak opgeruwd. Drie stukken maalsteen zijn gemaakt van tefriet (V3, 11 en 12). Dit is een gesteentesoort die van nature voorkomt in de regio Mayen (Eifel). De tefrietfragmenten bestaan uit hoekige brokken van maximaal 5x5x3 cm groot. Meestal fragmenteerde het materiaal tijdens het lichten, en viel daarbij in kleinere stukken uiteen. Reeds bij de berging is vastgesteld of er al dan geen originele maaloppervlakken aanwezig zijn, maar dit bleek echter niet het geval te zijn. Daardoor is het type maalsteen niet te bepalen.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[21]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 7. Voorbeeld van een maalsteen (ligger) uit tefriet (bron: https://artinflanders.be/nl/kunst/bijna -volledigebootvormige-maalsteen-tefriet).

Vier van de vijf maalsteenfragmenten zijn gevonden in een 19 m lange strook in het oostelijke deel van proefsleuf 1 (figuur 8). Het gaat daarbij om alle fragmenten uit tefriet en één fragment uit fylliet. Wat dit betreft is wel sprake van enige clustering. Het tweede stuk fylliet is ongeveer 45 m noordwestelijker gevonden.

Aantal

Gram

Tefriet

3

52

Fylliet

2

1082

Totaal

5

1134

Tabel 6. Overzicht van de gesteentesoorten die als maalsteen zijn gebruikt.

Datering Keien van gesteentesoorten als kwartsiet, fylliet en zandsteen werden in de prehistorie gebruikt als warmtebron of als kookstenen tijdens de voedselbereiding. . Door keien te verhitten konden ze, naast kookstenen, ook als kookplaat en/of warmtebron worden gebruikt. Een dergelijk gebruik van keien vond gedurende lange perioden in de prehistorie plaats en ze worden veelvuldig aangetroffen in nederzettingen uit de late bronstijd en ijzertijd. Beide maalsteenfragmenten van fylliet zijn liggers; van het tefriet is het maalsteenonderdeel niet te bepalen. Voor het malen van graan gebruikte men lange tijd maalstenen van hardsteen zoals fylliet, waarbij een lopersteen over een ligger heen en weer werd bewogen. Dergelijke materialen werden door de eerste boerengemeenschappen eeuwenlang als maalsteen gebruikt; pas met het begin van de late bronstijd, rond 1000 voor Chr., verliest het terrein aan basaltlava/tefriet (Van den Broeke, 2005: 618). De aanwezigheid van fylliet én tefriet als maalsteen wijst erop dat de laat-prehistorische resten vanaf deze periode dateren. Echter, tefriet werd pas in de loop van de ijzertijd steeds meer gemeengoed (o.a. Kars, 1983). Een datering in de ijzertijd ligt daarom iets meer voor de hand.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[22]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 8. Verspreiding van het handgevormd aardewerk uit de late prehistorie en bijbehorend natuursteen.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[23]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

4.4.3 Interpretatie De handgevormde keramiek, kookstenen en maalsteenfragmenten wijzen er op dat het plangebied in de late prehistorie is gebruikt en wellicht zelfs bewoond, maar bewoningssporen in de vorm van bodemverkleuringen - paalsporen, kuilen, greppels en dergelijke - zijn niet aangetroffen. De clustering van de maalsteenfragmenten in het oostelijke deel van proefsleuf 1 wijzen op een erf, terwijl op basis van de keramiek de bewoning in (de tweede helft van) de vroege ijzertijd kan worden geplaatst. In de vroege ijzertijd bestonden de huizen uit lichte paalconstructies. Deze zijn dan ook doorgaans heel slecht bewaard gebleven. Misschien dat de nederzettingsresten volledig in de oude akkerlaag zijn opgenomen? Het is reeds aangestipt dat het plangebied geschikt is als bewoningsgebied voor gemeenschappen die een (volwaardig) boerenbestaan leidden. Veel (gebruiks)voorwerpen werden lokaal of regionaal geproduceerd, maar de aanwezigheid van tefriet wijst op handel, ruil of uitwisseling over aanzienlijke afstand: de Eifel. Men moet zich afvragen waarom het proefsleuvenonderzoek dan vele tientallen vondsten uit de late prehistorie heeft opgeleverd terwijl grondsporen geheel niet zijn aangetroffen. Hier kunnen meerdere verklaringen voor worden gegeven. Wellicht zijn de proefsleuven juist buiten de erven en zones met sporen aangelegd.

In dit geval houden de vondsten verband met een perifere, spoorloze zone van een nederzettingsterrein. Het moet niet geheel worden uitgesloten dat grondsporen wel zijn aangesneden in de proefsleuven, maar dat die niet zijn herkend en niet zichtbaar waren vanwege een combinatie van bodemvormende processen en geringe spoordiepte. Immers, het opgravingsvlak is meestal 30 tot 45 cm onder het toenmalige maaiveld aangelegd. Van een sterke verbruining is geen sprake, maar indien het om een erf (vrijwel) met uitsluitend ondiepe sporen gaat, kunnen deze toch niet meer waarneembaar zijn. Tegelijk wordt opgemerkt dat op een erf, ook die uit de late prehistorie, in de regel ook diepe grondsporen voorkomen, zoals forse paalkuilen en afvalkuilen . Een echt bevredigende verklaring kan dus niet worden gegeven.

4.5 Vondsten uit de Romeinse tijd De Romeinse vondsten bestaan uit gebruiksaardewerk en bouwkeramiek (appendices 2 en 3). Deze twee materiaalgroepen worden in deze paragraaf beschreven en geïnterpr eteerd.

4.5.1 Gebruiksaardewerk Technologische beschrijving Er zijn zeven scherven aardwerk uit de Romeinse tijd (52 gram) gevonden in de proefsleuven. Het materiaal is over het algemeen flink gefragmenteerd, maar aanzienlijk minder sterk dan het prehistorisch aardewerk. De grootste scherf betreft slechts enkele procenten van het complete stuk vaatwerk waarvan deze afkomstig is. De keramiek heeft echter een gemiddeld gewicht van 7,4 gram, bijna het dubbele gewicht van de gemiddelde laat-prehistorische scherf. Slechts één scherf is lichter dan 5 gram, het maximale gewicht bedraagt 15 gram. Het materiaal is goed te determineren, maar een datering moet beperkt blijven tot hoofdlijnen. Vertegenwoordigd zijn grijs aardewerk, ruwwandig aardewerk en amforen.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[24]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Aantal

Gram

Grijs

4

25

Ruwwandig

2

12

Amfoor

1

15

Dakpan

2

282

Totaal

9

334

Tabel 7. Overzicht van de Romeinse vondsten.

Het grijs aardewerk is lichtgrijs tot grijs in de kern, met een grijs oppervlak dat ruw aanvoelt. Het materiaal bestaat uit drie wandscherven en één randscherf (V1, 35 en 48 , figuur 6). Van één scherf kan de vaatwerkvorm niet worden bepaald, maar in het algemeen betreft het grote kommen of potten (Hiddink, 2010). De andere scherven behoren tot dergelijke vormen, maa r van slechts één exemplaar is de exacte vorm duidelijk: een grote kom, type E. Onder meer deze vorm is exclusief voor het grijs aardewerk. Het grijs aardewerk kan nog niet precies worden gedateerd. Het is volgens Hiddink rond het jaar 100 gangbaar geworden, althans in een opgegraven nederzetting in Lieshout. Volgens sommigen wordt het dit aardewerk zeldzamer in de 3e eeuw, maar in de laat 2e/3e-eeuwse huizen in DeurneGroot Bottelsche Akkers komt het nog regelmatig voor (o.a. Hiddink, 2008 en 2010). Het ruwwandig aardewerk behoort tot het typische ‘gebruiksaardewerk’ , dat een breed spectrum aan vormen omvat die voor de meest uiteenlopende doeleinden zijn gebruikt. Er is sprake van vaatwerk gebruikt voor transport en de opslag van voedingsmiddelen evenals de bereiding en het consumeren ervan. Het gaat dan om potten, kommen, bekers, schenkkannen en borden (Hiddink, 2010). Het ruwwandig aardewerk is echter te weinig uitgesproken om dit nader te determineren.

De ze aardewerkgroep komt al vanaf de eerste helft van de 1e eeuw voor, maar wordt pas echt belangrijk in onze regio tegen het einde van de latere 2e en in de 3e eeuw. Eén van beide wandscherven is van een oranje baksel, waarvan wel wordt vermoed dat het in Noord -Limburg is vervaardigd. De laatste scherf gebruiksaardewerk is van de wand van een amfoor, specifiek een middelgrote standamfoor (type Haalebos 8052; Haalebos, 1990). Amforen zijn grote transportcontainers voor vloeistoffen. De inhoud kan uiteenlopen van ca. 25 tot wel 60 of 80 liter. Ze werden vervaardigd in het Mediterrane gebied en gevuld met lokale of regionale bulkprodukten, vooral wijn, olijfolie en vissaus. Standamforen van het type Haalebos 8052 dateren vanaf 125 na Chr. Het gebruiksaardewerk is los verspreid in de proefsleuven verzameld, maa r het beperkt zich daarbinnen tot een de oostelijke helft van het plangebied (figuur 10). Van een echte clustering is geen sprake, ook vanwege de lage vondstaantallen.

4.5.2 Bouwkeramiek De bouwkeramiek bestaat uit twee dakpanfragmenten. Romeinse dakpannen bestonden uit twee soorten. Tegulae waren grote vlakke tegels met twee opstaande randen. De verticale naden tussen de pannen werden afgedekt met halfcilindrische bolle pannen: de imbrix. Beide fragmenten uit de

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[25]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

proefsleuven zijn tegulae. Hoewel het gewicht wellicht anders doet vermoeden, gaat het om kleine fragmenten van ongeveer 7x7 cm grootte. Eén tegula-fragment heeft een rand. Deze is iets openstaand met een halfrond profiel en een smalle vingergeul in de binnenhoek (Kars & Vos, 2004). De wand is 2,2 cm dik en de opstaande rand (flens) is 2,3 cm hoger. De buitenkant van de flens is aan de boven - en onderkant niet compleet. Vermoedelijk betreft het geen uitsnijdingen, maar slijtage of beschadigingen. Het materiaal is niet hard gebakken, heeft een dichte structuur met insluitsels van rode chamotte (gebroken baksteen), zand en fijn grind/witte kwarts. De kleur is oranje (lokaal lichtgrijs). Het tweede fragment bestaat alleen uit het platte wanddeel van de tegula en is 2,5 cm dik. Het materiaal is (paars)rood van kleur, hard gebakken met een dichte structuur met insluitsels van zand en fijn grind/witte kwarts. De herkomst van dit baksel is vooralsnog onduidelijk. Het hard gebakken materiaal is minder verweerd dan de zacht gebakken pannen. Net als het gebruiksaardewerk is ook het keramisch bouwmateriaal los verspreid in de proefsleuven verzameld, maar het beperkt zich daarbinnen tot een de oost elijke helft van het plangebied (figuur 10). Van een echte clustering is geen sprake, ook vanwege de lage vondstaantallen.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[26]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 9. Boven: foto van de Romeinse bouwkeramiek. Onder: voorbeeld van een pot uit grijs aardewerk en een standamfoor (bron: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Romeinse_voorraadpot_in_grijs_aardewerk.jpg ).

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[27]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 10. Verspreiding van het gebruiksaardewerk en de dakpannen uit de Romeinse tijd.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[28]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

4.5.3 Interpretatie De Romeinse vondsten wijzen er op dat het oostelijke deel van het plangebied in deze periode is gebruikt en wellicht zelfs bewoond. Echter, net als in de late prehistorie zijn geen sporen in de vorm van bodemverkleuringen - paalsporen, kuilen, greppels en dergelijke - aangetroffen. De ligging van het materiaal in het oostelijke deel van het plangebied wijst wellicht op een erf in deze zone. Een duidelijke verklaring voor het ontbreken van grondsporen kan niet worden gegeven. Wellicht gaat het om een perifere of spoorarme zone, of zijn grondsporen in het plangebied relatief ondiep , zie ook § 4.4.3.

4.6 Vondsten uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd De laat-middeleeuwse en nieuwe tijd-vondsten bestaan uit gebruiksaardewerk, natuursteen en metaal, zie tabel 8 en appendices 2, 5 en 6. Deze materiaalgroepen worden in deze paragraaf beschreven en geïnterpreteerd. Aantal

Gram

Keramiek

4

18

Natuursteen

1

4

Metaal

3

36

Totaal

8

58

Tabel 8. Overzicht van de laat-middeleeuwse en nieuwe tijd-vondsten.

4.6.1 Beschrijving Het gebruiksaardewerk bestaat uit blauwgrijs, wit- en roodbakkend aardewerk (V36, 39 en 41). Het blauwgrijs aardewerk betreft twee wandscherven van kogelpotten uit de late middeleeuwen (10501350). Zulke potten zijn als kookpotten gebruikt. Het witbakkend aardewerk betreft een fragment van een kogelpot uit witbakkend aardewerk, geproduceerd in Brunssum-Schinveld (periode I) in het tweede of vierde kwart van de 12e eeuw. Het roodbakkend aardewerk bestaat uit een wandscherf met bruin loodglazuur aan de buitenzijde (V41). Het fragment kan niet nader worden gedateerd dan 14 e-19e eeuw, hoewel een plaatsing in de tweede helft van deze periode het meest voor de hand lig t. Het stuk heeft geen kenmerken op basis waarvan het beter zou kunnen worden gedateerd, of aan een vaatwerkvorm of een productieplaats zou kunnen toegewezen worden. Het natuursteen betreft een klein fragment van grijze leisteen (V51). Het betreft een stuk van een daklei dat, gezien de dikte (5 mm) en de algemene toepassing als dakbedekkingsmateriaal, vermoedelijk in de tweede helft van de nieuwe tijd dateert (17 e-19e eeuw). Het metaal bestaat uit fragmenten van twee smeedijzeren spijkers en een smalle, ijzeren strip (V18, 32 en 52). Specifieke en noemenswaardige kenmerken ontbreken. Het metaal kan daarom niet nader worden gedateerd.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[29]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 11. Tuitpot uit Brunssum-Schinveld, periode I (uit: Stoepker, 2011: 23).

Het vondstmateriaal uit de late middeleeuwen/nieuwe tijd is los verspreid in de proefsleuven aangetroffen. Van enige clustering of concentratie is geen sprake.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[30]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

Figuur 12. Verspreiding van de laat-middeleeuwse en nieuwe tijd-vondsten.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[31]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

4.6.4 Interpretatie Het vondstmateriaal uit de late middeleeuwen en nieuwe tijd is laag in aantal en los verspreid in de proefsleuven aangetroffen. Bovendien is het verzameld uit de oude akkerlaag en/of (de basis) van het esdek. Daarom, en omdat bewoningssporen uit deze periode ontbreken, is het aannemelijk dat dit geen verband houdt met enige bewoning, maar dat het bemestingsmateriaal betreft. Dit is huishoudelijk afval en ander materiaal dat in de boerderij en op het boerenerf sneuvelde, en als afval op de mestvaalt of in de potstal werd gegooid. Met het uitrijden van de mest op het akkerland, belandde ook dergelijk materiaal op de akkers. Bemestingsvondsten kunnen daarmee dus iets zeggen over de eigenaars van de grond en/of de personen die hier werkten. In elk geval was het plangebied in de 12e eeuw al als (extensief) akkerland in gebruik. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat ook wel mest en straatvuil van bijvoorbeeld steden werd gekocht en op akkers werd uitgereden. Dit laatste gebeurde nog tot in de 20e eeuw.

RAAP-rapport 5171 / versie 02-06-2021

[32]

Plangebied Lottumseweg 47 te Grubbenvorst, gemeente Horst aan de Maas; een archeologisch vooronderzoek in de vorm van proefsleuven

5 Waardestelling 5.1 Algemene waarderingssystematiek Voor de waardering is de KNA-systematiek ‘Waarderen van vindplaatsen’ gevolgd (KNA versie 4.0, specificatie VS06; www.sikb.nl). Daarbij worden numerieke waarden toegekend aan de verschillende waarderingsaspecten. Afhankelijk van de score is een vindplaats wel of niet behoudenswaardig . De vindplaatsen worden eerst op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Ze worden op basis van hun fysieke kwaliteit als behoudenswaardig (opgraven of beschermen) aangemerkt indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (5 of 6 punten) scoren. Bij een middel matige tot lage score (4 punten of minder) wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of het terrein toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats in principe ook behoudenswaardig geacht. Dit ‘vangnet’ heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, buiten de beoordeling vallen. Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden eveneens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Een tweede afweging vindt plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria: zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde.

Belevingswaarde (schoonheid en herinneringswaarde) is slechts van belang voor zichtbare archeologische monumenten en is derhalve voor onderhavig onderzoek niet relevant. Bij een bovengemiddelde score van 7 punten of meer voor de eerste drie criteria, wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. De resten uit de vroege prehistorie, late prehistorie, Romeinse tijd en de late middeleeuwen – nieuwe tijd worden in onderstaande paragrafen gewaardeerd.

5.2 Resten uit de vroege prehistorie 5.2.1 Fysieke kwaliteit De fysieke kwaliteit bestaat uit de deelaspecten gaafheid en conservering. Op het deelaspect gaafheid scoren de resten uit de vroege prehistorie laag (1 punt), omdat er geen sporen zijn aangetroffen uit deze periode. De conservering van de archeologische vondsten is gemiddeld en scoort 2 punten. De vondsten bestaan alleen uit anorganische resten, namelijk vuursteen. Het materiaal is gevonden tijdens de aanleg en handmatig opschaven van het opgravingsvlak. Ze zijn maar weinig aangetast door post-depositionele processen en daardoor afgerond of sterk verweerd. Organische resten zijn niet bewaard. Onverkoolde organische resten zijn weliswaar niet geconserveerd, maar dit ligt in lijn met de verwachting gezien de ligging in een goed ontwaterd gebied. Dergelijke resten zullen alleen bewaard zijn gebleven onder de grondwaterspiegel. De fysieke kwaliteit levert een gezamelijke score op van 3 punten. Op basis van enkel de fysieke kwaliteit zijn de resten uit de vroege prehistorie niet behoudenswaardig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12105562/1