Bijlage geanonimiseerde versie Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten 4-6 te Hoorn 05-12-2024
Tekst van het document
Figuur 7. Visiekaart met plangebied met rode circel aangeduid
In de hoogbouwvisie wordt hoogbouw niet nader gedefinieerd, maar zijn voor gebouwen die hoger worden dan 30 meter richtlijnen meegegeven die aansluiten bij de hoornse stedelijke maat en schaal. Het woningbouwproject Dampten 4-6 valt met een bouwhoogte van maximaal 30 meter en acht bouwlagen met kap binnen de invloedssfeer van de stadsentree en de Poort van Hoorn. In de visie vormen dit belangrijke aandachtsgebieden, waar intensivering en hoogbouw binnen bepaalde kaders mogelijk is. Gelet hierop is
24
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn voor het planvoornemen een Hoogbouw Effect Rapporage (HER) opgesteld. In paragraaf 4.1 is hier nader op ingegaan. 3.5.5
Archeologiebeleid
In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een nieuwe Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn (Corsaregistratienummer: 12.49690). Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd. De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Het plangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de dubbelbestemming Waarde Archeologie 5 en dit is ook als zodanig opgenomen in het huidige bestemmingsplan. Dit betekent dat het archeologisch belang betrokken moet worden bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm –Mv. In deze gebieden heeft nog geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Alleen bij grotere bodemingrepen is het van belang dat er een Quickscan wordt vervaardigd. Het plangebied heeft een oppervlakte van 2.633 m2 en blijft daarmee ruim onder de grens. Archeologisch onderzoek is niet nodig. 3.5.6
Mobiliteitsvisie Hoorn 2030
De Mobiliteitsvisie legt de denkkaders voor ontwikkelingen vast en geeft vorm aan de hoofdkeuzes voor de ontwikkeling van de infrastructuurnetwerken en het Hoornse denken over mobiliteit. Meer stad worden gaat niet zomaar. Goede mobiliteit is een belangrijke voorwaarde bij het meer stad worden. De gemeente zet daarom in op zeven punten. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Vervoerwijze afhankelijk van het schaalniveau van de reis. Kwaliteit toevoegen voor lopen, fiets en OV. Autokwaliteit op peil houden. Een sterke stedelijke knoop rondom de binnenstad en het station. De wijken buiten de stedelijke knoop hebben een onderscheidende woonkwaliteit dankzij de nabijheid van zowel het stedelijke kerngebied als het groene landschap. Gebiedsontwikkeling als vliegwiel voor routekwaliteit en innovaties. Een veilige stad voor elke verplaatsing. Verduurzaming van de automobiliteit: laden en delen.
In paragraaf 4.9 wordt ingegaan op het aspect mobiliteit.
25
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
3.5.7
Groenvisie Hoorn 2019 - 2029
De Groenvisie 2019-2029 is door de gemeente Hoorn vastgesteld in juni 2019. De gemeente Hoorn heeft in de Groenvisie het beleid op het gebied van groen en natuur vastgelegd. In de Groenvisie maakt de stad voor de komende 10 jaar keuzes voor het beheer, inrichting en gebruik van het groen. Groen is één van de belangrijkste stofferingen in de openbare ruimte. Een groene aankleding zorgt voor sfeer en beleving. Ook is groen van belang voor klimaatbestendigheid en een gezond leefklimaat in een steeds meer dichtbevolkte gemeente. Door inbreiding van woningen ontstaat meer druk op de groengebieden. De kwaliteit en kwantiteit van het groen wordt zo nog belangrijker voor de stedelijke leefbaarheid. Het groen in de openbare ruimte kan tenslotte bijdragen aan andere maatschappelijke doelen, zoals het verbeteren van de sociale cohesie. Binnen diverse pijlers zijn ambities gevormd. Zoals in paragraaf 2.5 is aangegeven is voor het planvoornemen een inrichtingsplan/tuinontwerp opgesteld waarin rekening is gehouden met de groenvisie. De uitvoering van dit plan wordt vastgelegd in de anterieure overeenkomst die gesloten wordt tussen Oosterbaan Projecten BV en de gemeente. 3.5.8
Bomenbeleidsplan
In 2009 is het Bodembeleidsplan opgesteld dat voor een deel steunt op het groenbeleidsplan. Het Bomenbeleidsplan draagt de titel “Ruimte voor bomen”, waarmee wordt benadrukt dat bomen in het toekomstige gemeentelijk beleid een meer prominente plaats krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente wil dat Hoorn een groene stad is en blijft. Centraal in het bomenbeleidsplan staat het beschermen van het huidige en toekomstige bomenbestand en het scheppen van voorwaarden voor een optimale ontwikkeling en verzorging van bomen. Via het principe “niet kappen, tenzij…” wordt het gemeentelijke bomenbestand zoveel mogelijk beschermd. De bomenkaart vormt de onderlegger voor het bomenbeleidsplan. Hierop zijn belangrijke bestaande en gewenste boomstructuren vastgelegd. Deze boomstructuren zijn onderverdeeld in hoofdstructuur, secundaire structuur. De hoofdstructuur valt samen met de ontsluiting vanuit de wijken en de stad. De secundaire structuur bestaat uit een aantal lange routes door de wijken langs wegen, fietspaden en water. Langs deze routes staan beeldbepalende boomrijen. Hoorn zet zich in voor het handhaven en optimaliseren van deze boomstructuren. Geen van deze structuren zijn van toepassing op het plangebied. De overige bomen met betrekking tot dit bomenbeleidsplan, zijn de wijkbomen en de parkbomen.
Wijkbomen zijn de bomen dieper in de wijk vanaf de hoofd- en secundaire structuurwegen. Feitelijk zijn het bomen die op overige ruimtes in de wijk staan waar een boom kan groeien; in de bestrating, in plantsoen of op speelveldjes. De wijkbomen en parkbomen staan niet ingetekend op de bomenkaart. De parken zelf zijn wel aangegeven zonder dat hier een specifiek uitgangspunt voor is bepaald. Er is enkel opgenomen dat bomen voor een groot gedeelte het karakter van het park in de open gedeeltes bepalen. In het bomenbeleidsplan is de strook tussen het spoor en de planlocatie aangeduid als parkgroen. Langs het spoor ontbreken nu bomen. Uit het Bomenbeleidsplan volgt dat de gemeente voor nieuwe bouwlocaties een bomennorm hanteert. Dat houdt in dat voor nieuwbouw 1,3 bomen per woning geplant zal moeten worden. Langs het spoor ontbreken nu bomen. In het inrichtingsplan (zie ook paragraaf 3.5.7 en 2.5) wordt hiermee rekening mee gehouden en worden bomen geplant. Waar dat niet past op dezelfde kavel, wordt in overleg met gemeente en omwonenden een locatie gekozen voor vergroening van het gebouw (groene gevels, balkons en/of daken), of tot het gezamenlijk maken van een openbare ruimte-verbetering in de directe omgeving, conform de groenvisie. In de anterieure overeenkomst tussen de initiatiefnemer en de gemeente is dit reeds conform beleid overeengekomen.
Omdat het aantal vereiste bomen niet kan worden geplant binnen het plangebied of binnen de aangegeven termijn, wijkt het bevoegd gezag af van deze norm en dient een financiële vergoeding per niet gerealiseerde boom betaald te worden aan de gemeente. De gemeente gebruikt de financiële vergoeding voor nieuwe aanplant van bomen binnen de gemeente. Met deze vergoeding worden
26
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn dus elders binnen en door de gemeente de bomen alsnog aangeplant. Dit is geborgd in de anterieure overeenkomst die gesloten wordt tussen Oosterbaan Projecten BV en de gemeente. Waar dat niet past op dezelfde kavel, wordt in overleg met gemeente en omwonenden gekozen voor vergroening van het gebouw (groene gevels, balkons en/of daken), of tot het gezamenlijk maken van een openbare ruimte-verbetering in de directe omgeving, conform de groenvisie. Deze maatregelen tellen mee in de bomenbalans waardoor de vergoeding wordt verminderd. 3.5.9
Welstandsnota 2020
Op 4 februari 2020 heeft de gemeente Hoorn de Welstandsnota 2020 vastgesteld. De nieuwe welstandsnota is een actualisering van de nota, die in 2017 van kracht werd. Met de actualisering is nog meer gestreefd naar duidelijkheid en toegankelijkheid van welstandsbeoordeling. Door verfijning van de welstandscriteria en door verduidelijking in de gebiedstypering en -ambities, heeft de herziening van de nota geleid tot een verbeterd beleidsinstrument. Het is afgestemd op de laatste ontwikkelingen, zonder afbreuk te doen aan het reeds vastgelegde beleid. De betekenis van de welstandsnota als sturingsinstrument voor ruimtelijke kwaliteit staat daarbij centraal en is waar nodig aangescherpt. Daar waar het mogelijk was, zijn de regels verruimd of geschrapt. Het plangebied is onderdeel van het welstandsgebied 5c Buitenstad. Het planvoornemen is in een eerdere fase al eens beproken met de welstandscommissie. Daarop is het plan aangepast zoals verwerkt in Bijlage 2.
Hoofdstuk 4
Omgevingstoets
Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te toetsen, is het noodzakelijk dat verschillende onderzoeken worden uitgevoerd.
4.1
Hoogbouw Effect Rapportage
De gemeenteraad van de gemeente Hoorn heeft op 08-02-2022 de hoogbouwvisie Hoornse Hoogte vastgesteld. Aanleiding voor het opstellen van de visie naar de wenselijkheid van hoogbouw is de toenemende vraag naar woningbouw vanuit de markt in relatie tot de leefbaarheid en leefkwaliteit van de stad. In de hoogbouwvisie van de gemeente Hoorn is vastgesteld dat een Hoogbouw Effect Rapportage (HER) verplicht is voor plannen met een bouwhoogte van meer dan 30 meter hoogte en/of een FSI hoger dan 2,5. Dit plan heeft een bouwhoogte van maximaal 30 meter, en een fsi van 1,9. In de Visie Hoornse Hoogte zijn echter ook eisen aan verdichting gesteld. Dit initiatief voldoet niet aan een aantal van die eisen zoals is gebleken uit het HET overleg van 24 juni 2024. De afwijkingen hebben betrekking op parkeren, groenontwikkeling en bomennorm en de breedte van het hoogte accent. Voor het planvoornemen is een Hoogbouw Effect Rapportage (HER) opgesteld. In de HER is de ontwikkeling getoetst aan de hand van 14 toetsvragen uit Hoornse Hoogte, de hoogbouwvisie van de gemeente Hoorn. De consequenties voor het ontwerp op de omgeving zijn in dit rapport inzichtelijk gemaakt. Onderstaand zijn de samenvatting en conclusies van het onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 7 bijgevoegd. Op 24 juni 2024 is de Her besproken met het Hoogbouw Expert Team (HET).
Uitgangspunten Belangrijk uitgangspunt in het ontwerp is de realisatie van een compact woongebouw, gericht op de huisvesting van jongeren en starters. In totaal worden 134 kleine huur- en koopappartementen en gemeubileerde studio's gerealiseerd. Vanwege de korte afstand tot station, centrum en stadsstrand ligt een autoluwe stedelijke ontwikkeling voor de hand. Naast de realisatie van maximaal 39 parkeerplaatsen voor auto's wordt dan ook vooral ingezet op het realiseren van een grote fietsenstalling en gemeenschappelijke voorzieningen zoals een ontmoetingsruimte, wasserette, pakketautomaat, lunchroom, fietsenreparatie, tuin
27
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn en dakterras. Voor de uiterlijke verschijningsvorm wordt de typologie van het pakhuis als referentie gebruikt. In de beeldkwaliteit voor de architectuur is de materiaalkeuze afgeleid uit het Hoorns DNA. Voor de inrichting van het kavel en de directe omgeving wordt zoveel mogelijk klimaatbestendig gebouwd. Tevens wordt zoveel mogelijk groen op eigen terrein toegevoegd. Stedenbouw De ontwikkeling van Dampten past in de ambitie van de gemeente Hoorn om het bedrijventerrein, gelegen tussen Buitenstad en de Poort van Hoorn, te transformeren naar gemengd stedelijk gebied. De ontwikkeling van Dampten 4-6 met 8 bouwlagen (tot 30 meter hoog) is mede gezien de toekomstige ontwikkelingen passend in de omgeving. In de HER is het bouwinitiatief gerelateerd aan ontwikkeling van Poort van Hoorn, Buitenstad en Pelmolenpad. Met een bruto dichtheid FSI van 1.9 (tot aan de as van de weg), een woonprogramma gericht op jongeren en studenten met ruimte voor kleinschalig werken en voorzieningen, sluit het initiatief aan bij het specifieke karakter van de stationsgerelateerde ontwikkeling nabij het centrum van Hoorn. De hoogte voldoet aan de beleidsuitgangspunten van de hoogbouwvisie. Om bovengenoemde redenen draagt de ontwikkeling van Dampten 4 bij aan de hoofdambities van de gemeente.
Gezien de bijzondere doelgroep en de corridor woningtypologie voor starters is het in deze specifieke situatie toegestaan marginaal af te wijken van de breedte van het appartementencomplex (18 meter ipv 16 meter). Een gebouwde parkeervoorziening is gezien de woningtypologie en de doelgroep in deze situatie financieel niet haalbaar. Het parkeren wordt echter door een pergola en hagen aan het zicht onttrokken en is daarmee zorgvuldig ingepast. Parkeren Voor het parkeren zijn er vragen van het HET ten aanzien van aantal, eigendom en relatie met ontwikkelingen aangrenzend aan het perceel Dampten 4-6. Het initiatief met 39 parkeerplaatsen voorziet in de eigen parkeerbehoefte. Dat betekent dat parkeren voor auto's en fietsers op maaiveld wordt opgelost. Er wordt daarmee voldaan aan het aantal te realiseren parkeerplaatsen. Er geldt derhalve geen verplichting ten aanzien van deelauto's, maar de opdrachtgever heeft dit wel als wens. In de vervolgfase kan dit nader worden verkend. Fietsparkeren Volgens de Nota van Uitgangspunten moet het gebouw voorzien in minimaal één inpandige fietsparkeerplaats per bewoner. Ook moet er voor bezoekers worden voorzien in bij voorkeur een inpandige fietsvoorziening. Er wordt voorzien in 270 fietsparkeerplaatsen. Uitgaande van 179 bewoners is er 1,5 fietsparkeerplaats per bewoner. Bezoekers kunnen ook gebruik maken van de fietsenstallingen.
Er komen twee kleine fietsparkeervakken voor kort parkeren bij de entree aan de zuidzijde. Er komen geen fietsenrekken in de buitenruimte. Parkeren auto op maaiveld De keuze voor parkeren op maaiveld komt voort uit de beoogde doelgroep en het business model. Bij stedelijke verdichting en met name in het stationsgebied is het goed om juist naar alternatieven voor parkeren te kijken om te voorkomen dat de stad dichtslibt. Er worden appartementen gebouwd voor jongeren en de verwachting is dat jongeren gebruik maken van fiets, openbaar vervoer en deelmobiliteit. Bij kleine, goedkope studio's is gebouwd parkeren niet betaalbaar. Bij grotere appartementen zijn minder wooneenheden in een gebouw en kan een gebouwde parkeerplaats bij het appartement worden verkocht. Het college heeft voor dit project heel bewust gekozen af te wijken van de parkeernorm. Op 6 juni 2019 heeft de gemeenteraad een amendement aangenomen "jongerenhuisvesting stationsgebied(en)". In dit amendement wordt de noodzaak van de woningen toegelicht. Wat betreft mobiliteit: "deze categorie bewoners bijdragen aan een autoluwe binnenstad omdat zij geen auto (nodig) hebben". Voor het project is de mobiliteit voornamelijk gericht op fietsen. Dit sluit aan bij de duurzaamheidsambitie van de gemeente Hoorn ten aanzien van de ontwikkeling Poort van Hoorn, waar dit
28
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn project deel van uitmaakt. Met het aannemen van het amendement wordt met dit initiatief invulling gegeven aan dit aanvullende beleid. De initiatiefnemer is in gesprek met andere partijen die de verkoop of beheer van de parkeerplaatsen en de verkoop van de appartementen gaat verzorgen. De mogelijkheid bestaat de parkeerplekken onder te brengen bij een VvE. Parkeerplaatsen worden niet individueel verkocht. Er is gesproken over een samenwerking met de naastgelegen gebouwen om een grote parkeerplaats te creëren, toegankelijk via een slagboom of een pasjessysteem. Groenontwikkeling en bomennorm Groen toevoegen bij verdichting in een sterk verharde omgeving is een belangrijke opgave. Belangrijke vraag van het HET heeft betrekking op de bomennorm, de groenontwikkeling op de kavel en in de omgeving. Hoeveel bomen worden op de kavel geplant? Hoeveel daarbuiten? Kunnen er niet meer op de kavel? Volgens de opdrachtgever is in het verleden uitgebreid besproken over hoe de vergroening op en buiten het kavel te organiseren. Op basis van een gemeentelijk inrichtingsplan voor de omgeving heeft de opdrachtgever het kavel ingericht. SWECO heeft op basis van gesprekken met de gemeente eind oktober 2024 uitgangspunten opgsteld voor het groen en de verschillende beheertypes.
Er zullen diverse bomen en hagen worden geplant, er komt een dakterras met groene inrichting, een groen/blauw dak bekleed met sedum, gevelbeplanting, waterdoorlatende verharding voor het parkeren en pergola's met verticaal groen bij de terrassen. Op het dak wordt hemelwater gebufferd en in een droge periode wordt het water naar de wadi geleid. De wadi houdt water voor een langere periode vast. Dit zorgt voor verkoeling en een goede vochthuishouding. De wadi maakt onderdeel uit van de gezamenlijke tuin en zijn toegankelijk. Hemelwater wordt op de parkeerplaatsen opgevangen en voorzien van waterdoorlatende bestrating. In overleg met de gemeente wil de opdrachtgever in de omgeving zoveel mogelijk bomen planten ter compensatie, o.a. langs het spoor en bij WerkSaam (gebouw overzijde). Alle buitenruimte is voor iedereen toegankelijk, inclusief de wadi. Uitzondering vormen de kleine tuintjes voor de studio's aan de oostzijde. In het plan is veel meer buitenruimte voorzien dan volgens het bouwbesluit vereist is. Community en bovenwijkse voorzieningen Vanuit het HET is er een opmerking gemaakt over de grootte van de ontmoetingsruimte, de terrassen en het dakterras, ook als er bezoekers komen. Deze zijn namelijk belangrijk als compensatie voor zaken uit het beleid waarvoor dispensatie wordt gevraagd.
Vanwege de doelgroep (jongeren, studenten, starters) wordt in het planinitiatief veel aandacht gegeven aan “ontmoeten” en “Community”. Er komen veel gemeenschappelijke voorzieningen zoals een grote toegankelijke tuin met bomen, gras en wadi's, een ontmoetingsruimte met terras, een commerciële ruimte (broodjeszaak, lunchroom) met terras, een gezamenlijke wasmachineruimte, pakketautomaat, deelauto's en dakterras. Het dakterras is via een lift openbaar toegankelijk. De ontmoetingsruimten vormen een belangrijke meerwaarde voor bewoners en bezoekers, vooral voor de bewoners van een appartement zonder balkon. Door de plint van het gebouw, het dak en de buitenruimte zoveel mogelijk openbaar toegankelijk te maken is de opdrachtgever van mening dat ruim voldaan wordt aan de eisen die gesteld worden aan een publiek gebouw. Dit kan worden aangemerkt als invulling geven aan de bovenwijkse voorzieningen.
29
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
Argumentatie breedte van het hoogte accent Het HET contateert een afwijking in de breedte van het hoogbouwaccent. Hieronder wordt toegelicht waarom wordt afgeweken van het uitgangspunt dat het hoogteaccent westgevel niet breder mag zijn dan 16 meter. Er zijn diverse ontwerpen van het gebouw de revue gepasseerd. Het oorspronkelijke ontwerp (2021) gaat uit van een bouwmassa met twee voorkanten. Het nadeel van een gebouw met twee voorzijden is dat het twee achterzijden heeft en een donkere oksel. De gevelbreedte was ruim 25 meter op de westzijde. Vanwege de grote voetprint van het gebouw is er is er te weinig ruimte voor parkeerplaatsen. Bovendien kwam de dichtheid uit op een FSI van meer dan 2.5. De opdrachtgever is niet doorgegaan met het oorspronkelijke ontwerp vanwege de onhaalbaarheid van het ontwerp. Van brede hoek naar slank pakhuis Om tegemoet te komen aan de uitgangspunten uit de NvU en de aanstaande Visie Hoornse Hoogte is de westelijke gevel aanzienlijk versmald.
Op verzoek van Stedenbouw is het gebouw niet op het zuiden georiënteerd, maar heeft het met de vorm van een pakhuis een krachtige uitstraling op het westen gekregen: een alzijdig gebouw zonder donkere oksel slank gebouw met stevig beeld op het westen een lagere FSI meer parkeerplaatsen een haalbare businesscase met de appartementen met een corridor Met een corridor en de minimale bouwkundige maat van 7,2 meter per appartement is het echter niet mogelijk om het gebouw smaller te krijgen dan de ruim 17 meter van het voorliggende gebouw. Door de sterke uitstraling van het pakhuis wordt de breedte gecompenseerd doordat er een slank en krachtig gebouw wordt gecreëerd. Effect bouwplan in de omgeving Het concept van de HER is besproken in het HET. Het HET heeft verzocht aanvullend beeldmateriaal op te nemen van het effect van de gewenste ontwikkeling op de omgeving. In de rapportage zijn diverse beelden opgenomen die de zichtbaarheid van het gebouw in de omgeving laten zien, zowel vanuit het landschap als vanuit de stad (Turfhaven) en de lange lijnen snelweg en Provincialeweg. Daarnaast is inzicht gegeven in mogelijke ontwikkelingen van belendende percelen, het zogenaamde cluster Dampten, maar ook de projectie van de ontwikkeling temidden van de Poort van Hoorn en Buitenstad.
Tevens zijn impressies toegevoegd waarin wordt aangetoond dat het plan uitgaat van de rooilijn van het OD-gebouw. In het bijgevoegde inrichtingsplan wordt de positie ten opzichte van de as van de weg en het OD-gebouw zichtbaar. De breedte van de groenstrook tussen inititatief plan en kavel OD-gebouw bedraagt 15,5 meter. Erfgrens Het inrichtingsplan gaat uit van inrichting van het kavel tot aan het asfalt van de weg Dampten. Dat betekent dat een strook van 3.20 meter vanaf de kadastrale grens tot aan de weg wordt meegenomen bij de groeninrichting van het kavel. Het trottoir grenzend aan het groen behoudt daarbij de huidige breedte van 2.50 meter. Gebruikte materialen worden in nader overleg bepaald volgens het LIOR. Dit is ook vastgelegd in de AOK. De opdrachtgever is van mening dat de nieuwe ontwikkeling tot een betere leefkwaliteit van het gebied zal leiden. Deze ontwikkeling initieert de transformatie van het gebied naar wonen en werken en levert zo een
30
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn bijdrage aan de benodigde woonopgave van Hoorn. Conclusie Uit onderzoek van SWECO kan worden geconcludeerd dat het appartementencomplex stedenbouwkundig goed inpasbaar is. Middels onderzoeken is vastgesteld dat de realisatie van het initiatief plan niet tot onevenredige vermindering van bezonning, uitzicht en privacy zal leiden voor omliggende bebouwing. Sterker nog, het ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte rondom het gebouw levert meerwaarde op voor het gebruik van de bewoners zelf en bezoekers vanuit de omgeving. De Hoogbouw Effect Rapportage en aanvullende ruimtelijke onderbouwing voorziet derhalve in de ondersteuning van het plan.
4.2
Bodem
In het Bro is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen.
Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen. Verkennend bodemonderzoek Door Landview is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 8). In het enkelvoudige monster van de bovengrond van boring 4 is een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met zink geconstateerd. Daarnaast zijn lichte verhogingen van cadmium, lood, molybdeen en minerale olie aangetroffen. In de overige (meng)monsters zijn maximaal lichte verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In het grondwater is in twee peilbuizen een verontreiniging tot boven de interventiewaarde met arseen geconstateerd. Voor het overige zijn in de grondwatermonsters maximaal lichte verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. Het sterk verhoogde gehalte van zink in de grond ter plaatse van boring 4 door de aanwezige bijmengingen baksteenresten in de grond. In baksteenhoudende grond worden regelmatig verhoogde gehalten aan dergelijke stoffen aangetroffen. Het geconstateerde gehalte aan zink voldoet echter niet aan het verwachtingspatroon. De overige licht verhoogde gehalten voldoen wel aan het verwachtingspatroon voor deze locatie. De kans dat op de locatie sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (> 25 m3 tot boven de interventiewaarde verontreinigd) wordt daarom als gering ingeschat.
31
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
In (delen van) Nederland worden in het grondwater veelvuldig verhoogde concentraties arseen en of barium geconstateerd, waarvoor een natuurlijke oorzaak wordt verondersteld. Aan het uitvoeren van een nader onderzoek naar arseen in het grondwater wordt geen prioriteit gegeven, aangezien verhoogde concentraties aan arseen vaker in West-Friesland worden gemeten. Hiervoor wordt een natuurlijke oorzaak verondersteld. Geadviseerd wordt om de peilbuizen in eerste instantie te laten herbemonsteren en het grondwater te laten onderzoeken op arseen. Bij graafwerkzaamheden op het terrein bestaan er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Grond met verontreinigingen tot boven interventiewaarden is niet geschikt voor hergebruik elders. Eventuele graafwerkzaamheden kunnen, volgens de CROW400, op basis van de nu gemeten gehalten worden uitgevoerd zonder dat er een veiligheidsklasse van toepassing is. De uiteindelijke klasse dient echter bepaald te worden door een veiligheidsdeskundige. Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht.
In de grond zijn alleen plaatselijk enkele baksteen resten aangetroffen en deze worden niet als (potentieel) asbestverdacht aangemerkt. Om uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Gezien de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, wordt hiervoor geen directe aanleiding gezien. Asbestinventarisatieonderzoek Volledigheidshalve is een asbestinventarisatieonderzoek uitgevoerd door Schutte asbestinventarisaties (Bijlage 9). Tijdens de inventarisatie zijn diverse asbesthoudende toepassingen aangetroffen. Ten tijde van de totaalsloop van de huidige woning en garage zal er een aanvullende inventarisatie uitgevoerd worden en worden de asbesthoudende toepassingen gesaneerd. Dit staat uitvoering van het project niet in de weg. Aanvullend grond- en grondwateronderzoek Uit de beoordeling van het verkennend bodemonderzoek door de OD NHN is gebleken dat er verder onderzoek naar de sterke verontreiniging met zink en aanvullend onderzoek naar de mogelijk natuurlijke herkomst van arseen in het grondwater nodig is. Dit onderzoek is uitgevoerd (Bijlage 10). Uit het onderzoek blijkt dat er op de locatie geen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. De resultaten van de uitgevoerde onderzoeken geven een voldoende beeld van de verontreinigingssituatie op de locatie.
Voor verder onderzoek wordt geen aanleiding meer gezien. Aanvullend bodemonderzoek Per abuis is bij de beoordeling van het verkennend bodemonderzoek (rapport 2019244 mei 2019) in mei 2023 door de OD NHN geen rekening gehouden met enkele aspecten. Het blijkt dat er in het verleden een watergang aanwezig was, waarvan niet bekend is waarmee deze gedempt is. Tevens blijkt in het verleden op de locatie fruitteelt aanwezig te zijn geweest (1940-1973). Hierbij is veelvuldig gebruik gemaakt van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s). Verder is er niet (overal) inpandig danwel buitenom onderzoek verricht. Naar deze is aanvullend onderzoek verricht (Bijlage 11). Onderstaand zijn de conclusies van het aanvullend onderzoek weergegeven. In mengmonster Wmm2 van de ondergrond in de werkplaats zijn lichte verhogingen van kobalt en nikkel aangetroffen. In mengmonster Bmm1 van de bovengrond ter plaatse van het buitenterrein zijn lichte verhogingen van koper, kwik, lood, nikkel en som DDE aangetroffen. In mengmonster Bmm2 van de ondergrond ter plaatse van het buitenterrein zijn lichte verhogingen van hexachloorbenzeen, som DDD,
32
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn som drins en som OCB’s aangetroffen. In monster S03.5 van de afwijkende laag in de gedempte sloot zijn lichte verhogingen van kwik, som DDD en som DDE gemeten. In de overige geanalyseerde mengmonsters zijn geen verhogingen van de onderzochte stoffen aangetroffen. In de grondwatermonsters uit beide peilbuizen is een sterke verontreiniging, tot boven de interventiewaarde, met arseen geconstateerd. Daarnaast is een lichte verhoging van molybdeen in het grondwater van peilbuis 2 gemeten. De hypothese dat in de grond verhoogde gehalten verontreinigende stoffen aanwezig zijn, wordt in het onderzoek bevestigd. De hypothese dat in het grondwater geen verhoogde concentraties aanwezig zijn, behalve mogelijk van nature verhoogde concentraties, wordt in het onderzoek niet geheel bevestigd. De aangetroffen verhogingen zijn dusdanig gering of verklaarbaar uit omgevingsfactoren, dat voor het instellen van een verder onderzoek geen aanleiding wordt gezien. Op de locatie bestaan, op grond van de resultaten van dit onderzoek, geen risico's voor de volksgezondheid of de ecologie bij elk beoogde gebruik. Uit de diverse uitgevoerde onderzoeken blijkt, dat bij de voormalige ondergrondse tanks en het pompeiland geen verontreinigingen met olieproducten (meer) aanwezig zijn.
Tijdens het onderzoek is zintuiglijk op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen. Tijdens een verkennend bodemonderzoek (NEN 5740) wordt de bodem niet specifiek op asbest onderzocht. Op de locatie is wel zeer plaatselijk een laag puingranulaat (geen bodem) op doek aangetroffen. Op de rest van de locatie zijn geen asbestverdachte bijmengingen waargenomen. Om cijfermatig uit te sluiten of er asbest in de bodem aanwezig is, is uitvoering van een asbestonderzoek conform NEN 5707 noodzakelijk. Hiervoor wordt door Landview echter geen aanleiding gezien. Naar de toepassingsmogelijkheden van de laag puingranulaat is geen onderzoek uitgevoerd. Indien dit materiaal van de locatie verwijderd gaat worden, kan onderzoek naar de kwaliteit en uitloging conform BRL1002 noodzakelijk worden geacht. Bij graafwerkzaamheden op het terrein kunnen er beperkingen in de mogelijkheid tot hergebruik van eventueel vrijkomende grond buiten de locatie bestaan. Voor hergebruik van grond buiten de locatie is het Besluit Bodemkwaliteit van toepassing. Conclusie Het aspect bodem staat uitvoering van het project niet in de weg. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er geen beperkingen zijn voor verplaatsen van grond binnen het project.
4.3
Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande weten regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb), de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. 4.3.1
QuickScan Flora en Fauna
In het kader van de Wet natuurbescherming is in 2021 een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (Bijlage 12). Op basis van deze QuickScan is beoordeeld of er procedurele gevolgen zijn betreffende de (natuur)wetgeving.
33
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
Gebiedsbescherming De geplande activiteiten vinden plaats op circa 550 meter van het Natura 2000-gebied Markermeer & IJmeer. Externe negatieve effecten door geluid, licht, trillingen, optische verstoring en overige effecten (behalve: stikstof) op de instandhoudingsdoelen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. Daarnaast maakt het plangebied geen onderdeel uit van Natuur Netwerk Nederland en het Bijzonder Provinciaal Landschap. Soortbescherming Uit de QuickScan Flora en Fauna is vastgesteld dat er geen zwaarder beschermde planten- of diersoorten voorkomen, anders dan: Algemene broedvogels zoals Merel, Scholester en Winterkoning. Vogels met jaarrond beschermde nesten namelijk de Ransuil. Vleermuizen zoals Ruige- en Gewone dwergvleermuis, en hun vaste rust- en verblijfplaatsen.
Figuur 8. Overzicht (mogelijk) aanwezige beschermde soorten, effecten van de geplande werkzaamheden en noodzaak ontheffingsaanvraag of specifieke maatregelen.
Aerius Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of er negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat het planvoornemen geen depositie veroorzaakt op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden. Er vindt een depositie van 0,00 mol/ha/j plaats (Bijlage 13). Het maken van een ecologische voortoets en/of een vergunning t.a.v. emissie niet nodig om de voorgenomen plannen te realiseren. De rapportage met invoergegevens van de Aeriusberekening maakt onderdeel uit van de quickscan in Bijlage 12. 4.3.2
Aanvullend natuuronderzoek
Uit de quickscan Flora en Fauna bleek dat het noodzakelijk is om te onderzoeken in welke mate de woning, garagebedrijf en directe omgeving van betekenis is voor vleermuizen. Met soortgericht, aanvullend onderzoek kan hier uitsluitsel over worden gegeven. Op grond van deze bevindingen kan bepaald worden of voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wet natuurbescherming vereist is en of mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Zijn de beschermde soorten niet aanwezig, dan kan de ontwikkeling zonder voorwaarden doorgaan. Is er wel een beschermde soort aanwezig, dan zijn vervolgstappen nodig om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Onderstaand zijn de conclusies van het aanvullend onderzoek weergegeven. Het volledige onderzoek is als Bijlage 14 bijgevoegd.
34
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
Verblijfplaatsen vleermuizen en nestenlocaties Ransuil Op basis van geleverde onderzoeksinspanning kan gesteld worden dat er binnen het plangebied sprake is van één zomerverblijfplaats van de Gewone dwergvleermuis. Overige verblijfplaatsen zoals; kraam- en paarverblijfplaats kunnen worden uitgesloten gezien deze niet aanwezig zijn binnen het plangebied. De omgevingsdienst gaat ervan uit dat wanneer er een zomerverblijfplaats is aangetoond van een klein aantal dieren, in dit geval 3 individuen, er ook gesteld kan worden dat dezelfde plek als winterverblijfplaats wordt gebruikt. Dit aangezien solitaire Gewone dwergvleermuizen vaak jaarrond gebruik maken van hun verblijfplaats. Voor de Ransuil en andere uilensoorten geldt dat er binnen het gebied geen nestlocatie is vastgesteld. Eveneens zijn sporen en activiteiten uitgebleven. Wat maakt dat de conclusie getrokken kan worden dat er binnen het plangebied of direct ernaast niet door uilen gebroed wordt. Foerageergebied en vliegroutes vleermuizen Binnen het plangebied werd zo nu en dan kort door enkele Gewone dwergvleermuizen gefoerageerd. Naar schatting maakte er maximaal 3 Gewone dwergvleermuizen gelijktijdig gebruik van het plangebied hiertoe. Voor deze vleermuizen geldt dat het te onderzoeken gebied onderdeel uitmaakt van een groter foerageergebied.
Dwergvleermuizen foerageren doorgaans in een netwerk aan foerageergebied binnen een straal van ca. 2 tot 5 kilometer vanaf de verblijfplaats. De uitvliegende dieren uit de hoek van het garagebedrijf maakten geen gebruik van het plangebied om te foerageren en ook niet van lijnvormige elementen tijdens het wegvliegen. Duidelijk is dat de te saneren gebouwen geen functie als essentieel oriëntatiepunt hebben. Functies zoals essentiële vleermuisvliegroute of vleermuisfoerageergebieden zijn hiermee voor het plangebied uitgesloten. Functioneel leefgebied uilen De omgeving van het plangebied (zoals de bomen en nabijgelegen groenstroken) maken geen onderdeel uit van het functioneel leefgebied en foerageergebied van Ransuilen of andere uilensoorten. 4.3.3
Verplichting vanuit Wet natuurbescherming
De uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming doordat er een vaste rust- en verblijfplaatsen van de Gewone dwergvleermuis verdwijnt. Voorgenomen werkzaamheden kunnen dus niet worden uitgevoerd zonder dat daarbij de Wet natuurbescherming wordt overtreden. Ten behoeve van de uitvoering dienen daarom vervolgstappen gemaakt te worden en een ontheffing Wet natuurbescherming (soorten) te worden aangevraagd voor de Gewone dwergvleermuis.
Figuur 9. Voorgenoemen werkzaamheden en desbetreffende vervolgstappen a.d.h.v. Wet natuurbescherming
Voor de Gewone dwergvleermuis is een activiteitenplan opgesteld waarin mitigerende en compenserende maatregelen worden geformuleerd om de negatieve effecten op deze beschermde soorten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit activiteitenplan is nodig om een ontheffing Wet natuurbescherming te kunnen
35
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn aanvragen. Het activiteitenplan is als Bijlage 15 bijgevoegd. Op 9 februari 2022 is de ontheffing Wet natuurbescherming verleend (Bijlage 16). Op 4 oktober 2024 is de geldigheid van de ontheffing verlengd (Bijlage 17). Voor het overige blijft de ontheffing ongewijzigd. Het onderdeel soorten kan zodoende losgekoppeld worden van de aanvraag. Na het ontvangen van de ontheffing dienen de daarin voorgeschreven voorwaarden te worden opgenomen in een ecologisch werkprotocol (EWP). Voorwaarde zal zijn dat in de omgeving van het plangebied vier vleermuiskasten worden opgehangen, geschikt als tijdelijke vervanging voor een zomerverblijf van de Gewone dwergvleermuis. Daarnaast dienen de vleermuizen minimaal drie maanden te kunnen wennen aan deze kasten. Het ecologisch werkprotocol is opgesteld en als Bijlage 18 bijgevoegd. Verder geldt de algemene Zorgplicht en dient ten alle tijden gelet te worden op nestelende en broedende vogels. De werkzaamheden mogen niet tot aantasting van eieren of nestjongen leiden. Indien bomen en struiken weggehaald worden dient vooraf zekerheid verkregen te zijn dat er geen broedende vogels aanwezig zijn. Dit kan voorkomen worden door de bomen/struiken (en eventuele nestkasten aan bomen of gevels) in de periode oktober t/m januari te verwijderen.
In februari kunnen duiven en eksters alweer aan het broeden zijn. Conclusie Met de verleende ontheffing Wet natuurbescherming n het daaraan gekoppelde werkprotocol is het plan met betrekking tot het aspect ecologie uitvoerbaar.
4.4
Erfgoed
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. 2. 3.
Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten
Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat
36
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. 4.4.1
Cultuurhistorie
Uit de cultuurhistorische inventarisatiekaart blijkt dat er geen sprake is van cultuurhistorische waarden op het perceel.
Figuur 10. Plangebied op de cultuurhistorische inventarisatiekaart.
4.4.2
Archeologie
Ter hoogte van Dampten 4-6 is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 5 opgenomen. Voor het gehele plangebied geldt een lage archeologische verwachting. Dit is vertaald naar vrijstellingsgrenzen op de archeologische beleidskaart. Voor het plangebied geldt een vrijstellingsgrens van 10.000 m2 . Dit betekent in dit geval dat bij bodemroerende plannen groter dan 10.000 m2 (en dieper dan 40 cm) rekening dient te worden gehouden met het aspect archeologie. Indien de geplande ingrepen deze vrijstellingsgrens niet overschrijden, is het opstellen van een archeologische quickscan niet noodzakelijk. Omdat het voornemen onder de vrijstellingsgrens blijft is de voorgenomen ingreep vrijgesteld van archeologisch onderzoek.
37
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
Figuur 11. Plangebied op de beleidskaart archeologie
De bodemingrepen blijven onder de vrijstellingsgrens van 10.000 m2 . Archeologisch onderzoek is niet nodig. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect erfgoed uitvoerbaar.
4.5
Externe veiligheid
De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat de afwegingen, ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, zijn door Prevent Adviesgroep de relevante externe veiligheidsrisico's en consequenties voor de beoogde ontwikkeling beschouwd (Bijlage 19). In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd die om aandacht vragen. Risicovolle activiteiten binnen inrichtingen Het plangebied is gelegen nabij twee LPG-tankstations. De twee LPG tankstations vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Op grond van het Bevi bedraagt het invloedsgebied 150 meter rondom het LPG-vulpunt en het LPG-reservoir. Verder geldt op grond van de circulaire effectafstanden LPG-tankstations een effectafstand van 160 meter rondom het LPG-vulpunt.
Het plangebied is gelegen op respectievelijk 880 meter en 184 meter van de tankstations en is daarmee gelegen buiten het invloedsgebied van de beide LPG-tankstations en buiten de effectafstanden van de circulaire. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen. De aanwezigheid van risicovolle activiteiten binnen inrichtingen vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen in het plangebied.
38
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleidingen (hoge druk aardgasbuisleidingen van Gasunie) zijn gelegen op een afstand van 1,8 km ten noordoosten van het plangebied. Het invloedsgebied van de twee betreffende buisleidingen bedraagt 75 en 95 meter. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied van hoge druk aardgasbuisleidingen. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg Voor transportroutes voor gevaarlijke stoffen moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van een route plaatsvindt. Waterwegen en spoorwegen die deel uitmaken van het basisnet zijn op grote afstand gelegen van het plangebied (over het spoortracé Hoorn-Alkmaar en Hoorn-Amsterdam vindt geen transport plaats van gevaarlijke stoffen in bulk). In de omgeving van het plangebied is 1 rijksweg gelegen die deel uitmaakt van het basisnet en een provinciale weg die vrijgesteld is voor het transport van gevaarlijke stoffen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plangebied. Groepsrisico Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A7, maar buiten het relevante deel van het invloedsgebied (355 meter vanwege het transport van GF3-stoffen). De Rijksweg A7 is gelegen op meer dan 200 meter van het plangebied.
Een beschouwing van het groepsrisico op grond van artikel 8 van het Bevt is niet vereist. Door deze afstand valt geen significant effect te verwachten van de ontwikkelingen in het plangebied op de hoogte van het groepsrisico. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de N506. Conform het Bevt moet er onderzoek plaatsvinden naar het groepsrisico wanneer een ontwikkeling zich binnen 200 meter van deze route plaatsvindt. De afstand tussen de bebouwing in het plangebied en de N506 is kleiner dan 200 meter (de afstand van het midden van de N506 tot het plangebied bedraagt 177 meter en tot de geprojecteerde bebouwing 195 meter). Hierdoor is nader onderzoek naar het groepsrisico noodzakelijk. Verantwoording groepsrisico Bij het onderzoek blijkt dat een verantwoording van het groepsrisico dient te worden opgesteld. Bij de verantwoording moet worden ingegaan op: 1. 2.
3. 4. 5. 6.
de aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied en de volgens het geldende bestemmingsplan mogelijke dichtheid van personen in het invloedsgebied; de als het gevolg van het bestemmingsplan of omgevingsbesluit redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan of de vergunning betrekking heeft; het groepsrisico voor de bestaande situatie en geldende bestemde situatie; de bijdrage van het betreffende bestemmingsplan of omgevingsbesluit aan de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico die zijn overwogen en die zijn opgenomen; de mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan.
In het uitgevoerde onderzoek door Prevent Adviesgroep zijn deze punten nader beschouwd. Ad. 1 en 2 De personendichtheid in het plangebied bedraagt in de bestaande situatie 10,3 personen in de dagperiode en 2,4 personen in de nachtperiode. In de nieuwe situatie bedraagt de personendichtheid in het plangebied maximaal op 171,4 personen in de dagperiode en 332,2 personen in de nachtperiode. Het aantal personen
39
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn neemt door de ontwikkeling in het plangebied rekenkundig toe met 161,1 personen in de dagperiode en 329,8 personen in de avond/nacht periode. Ad. 3 en 4 Voor de bestaande situatie en de nieuwe situatie wordt voor de N506 een groepsrisico berekend van maximaal 1,68 maal de oriëntatiewaarde. De voorgenomen ontwikkeling heeft geen effect op de hoogte van het groepsrisico langs de N506. Ad. 5 en 6 Aangezien de ontwikkeling binnen het plangebied met de gekozen worst case benadering qua modellering geen effect heeft op de hoogte van het groepsrisico zijn maatregelen om het groepsrisico terug te brengen niet relevant. Rampbestrijding en zelfredzaamheid Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N506 en de Rijksweg A7 moet op grond van artikel 7 van het Bevt in de toelichting van het bestemmingsplan of omgevingsbesluit worden in gegaan op: 1. 2.
de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp met gevaarlijke stoffen op de N506 en de Rijksweg A7, en; voor zover het plan of de vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op de weg een ramp met gevaarlijke stoffen voordoet.
Onderstaand is ingegaan op het ontvangen advies van de veiligheidsregio Noord-Holland Noord. Scenario's brandbare gassen (N506) Door een externe beschadiging van een tankwagen met GF3-stoffen (zoals propaan of LPG) kan de tank openscheuren waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt. Als dit direct ontsteekt ontstaat er een vuurbal en een drukgolf (zogenaamde koude BLEVE 4). Als dit gas later ontsteekt ontstaat er een gaswolkexplosie of wolkbrand. Als een tankwagen met GF3 -stoffen betrokken raakt bij een brand kan na enige tijd de tank bezwijken waardoor de gehele inhoud aan brandbaar gas direct vrijkomt en ontsteekt (zogenaamde warme BLEVE). Als maatgevend scenario wordt voor wegen (vanwege de hogere kans) uitgegaan van een koude BLEVE. Bij dit scenario kunnen tot een afstand van 200 meter personen die buiten aanwezig zijn komen te overlijden door de optredende (kortdurende) warmtestraling. Het optreden van een koude BLEVE kan door de optredende kortdurende warmtestraling op een afstand tussen 80 en 200 meter leiden tot gemiddelde schade aan een gebouw (brandhaarden, vervorming van hout en kunststof, breuk dubbelglas). Een zeer klein gedeelte van de geprojecteerde bebouwing is gelegen binnen 200 meter van de N506.
Toxisch scenario (Rijksweg A7) Toxische vloeistoffen kunnen vrijkomen als de tankwagen, of -container met toxische vloeistoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een ongeval op de Rijksweg A7. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Op grond van het HART wordt voor een toxische wolk van LT2-stoffen een 1% letaliteitsgrens aangehouden van 880 meter. Dit is de grens waarbij buiten aanwezige personen net nog kunnen overlijden indien zij buiten aanwezig zijn en niet vluchten/schuilen. Afhankelijk van de plaats van het ongeval, de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven en over het plangebied komen te liggen. Bestrijdbaarheid Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario dat direct plaatsvindt. Voor dit scenario zijn er vanuit bestrijdbaarheidsperspectief geen mogelijkheden om dit scenario te voorkomen. Bij de dreiging van
40
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn een warme BLEVE door brand rondom/nabij een tankwagen met brandbare gassen bestaat er voor de brandweer gedurende enige tijd de mogelijkheid om de tankwagen te koelen met water om een warme BLEVE te voorkomen. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. Na het optreden van een koude of warme BLEVE kunnen in het plangebied branden ontstaan die door de brandweer kunnen worden geblust. Hierbij is het van belang dat het plangebied goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Het plangebied is bereikbaar via de Dampten vanuit westelijke en oostelijke richting. Er is sprake van voldoende bereikbaarheid voor hulpdiensten. Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxische scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron.
Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen De personen in de woningen, de lunchroom en ontmoetingsruimte zullen zelfredzaam zijn. Bij een ontvluchting vanuit de woningen/ruimten of preventieve ontruiming van de woningen/ruimten bij een dreigende calamiteit met een LPG-tankwagen op de N506 kunnen de aanwezige personen zelfstandig het gebouw ontvluchten naar veilig gebied. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Het optreden van een koude BLEVE is een snel scenario waarbij er geen tijd beschikbaar is om te kunnen vluchten. Bij het optreden van een warme BLEVE is voorafgaand in beginsel voldoende tijd aanwezig om de betreffende woningen/bedrijfsruimten te ontruimen. Indien bij een dreigende BLEVE door de hulpdiensten wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen, van de bron af (in zuidelijke richting), kunnen vluchten. Direct in zuidelijke richting vluchten is niet mogelijk vanwege de aanwezige spoorbaan. Afhankelijk van de plaats van het incident op de N506 kan via de Dampten worden gevlucht in westelijke of oostelijke richting.
De hoofdentree van het gebouw is van de risicobron (N506) afgekeerd. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich bevinden in de buitenlucht (PGS3). Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie kunnen worden gesloten. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Advies veiligheidsregio Noord-Holland Noord 28 februari 2024 Op 28 februari 2024 heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN) advies uitgebracht over het
41
Ruimtelijke onderbouwing pakhuis Dampten - Dampten 4-6 te Hoorn planvoornemen. Onderstaand is ingegaan op de relevante onderdelen van het advies en de conclusie. Het volledige advies is als Bijlage 20. De VRNHN concludeert dat de realisatie van de starterswoningen enige invloed hebben op het verloop van een eventueel rampscenario. In geval van een calamiteit is het handelingsperspectief voor personen buiten vluchten. Daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten is het handelingsperspectief binnenblijven. Voor het scenario giftige wolk is het handelingsperspectief vluchten naar de hoogst mogelijke bouwlaag, waarna men dient te schuilen met gesloten ramen en deuren en uitgeschakelde mechanische ventilatie. Er kan onvoldoende worden beoordeeld of wordt voldaan aan de uitgangpunten die in de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021 staan beschreven. De VRNHN zal worden betrokken bij een verdere uitwerking van de plannen. Zelfredzaamheid Verwacht wordt dat bewoners vergelijkbaar zelfredzaam zullen zijn als de doorsnede van de Nederlandse samenleving. De eerder benoemde scenario's kunnen leiden tot gewonden en in mindere mate dodelijke slachtoffers. Het handelingsperspectief voor personen buiten is vluchten (uit het zicht van de brand, onder dekking van objecten zoals muren).
Voor personen binnen, dichtbij de bron (daar waar gebouwen ontbranden) is het handelingsperspectief ontruimen en vluchten. Daar waar gebouwen niet ontbranden of instorten is het handelingsperspectief binnenblijven. Voor het scenario giftige wolk is het handelingsperspectief vluchten naar de hoogst mogelijke bouwlaag, waarna men dient te schuilen met gesloten ramen en deuren en uitgeschakelde mechanische ventilatie. Bereikbaarheid De bereikbaarheid van het plangebied wordt getoetst aan de uitgangpunten die in de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021 staan beschreven. Gebouwen dienen voldoende bereikbaar te zijn voor hulpdiensten. Dit hangt onder andere af van de gebiedsontsluiting, wegbreedte, opstelplaatsen en de verharding. Het plangebied dient daarnaast tweezijdig bereikbaar te zijn. Dit wordt op basis van het huidige ontwerp gerealiseerd. De brandweer is daarnaast gebonden aan een maximale inzetdiepte i.v.m. de lengte van de brandslangen. Daarom is het bij woongebouwen extra van belang dat aandacht wordt besteed aan toereikende opstelplaatsen. De VRNHN wordt graag bij een verdere uitwerking van de plannen betrokken inzake dit aspect. Bluswatervoorziening Ook de bluswatervoorziening wordt getoetst aan de uitgangpunten die in de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021 staan beschreven.
Het is noodzakelijk om in geval van eventuele escalatie van een incident, over een toereikende bluswatervoorziening te beschikken. De behoeftebepaling is afhankelijk van de omgeving en van interventiekenmerken, en is maatwerk. Op basis van de ruimtelijke onderbouwing kan onvoldoende worden beoordeeld of een toereikende bluswatervoorziening aanwezig is en/of zal worden gerealiseerd. De VRNHN wordt ook op dit aspect graag betrokken bij een verdere uitwerking van de plannen. Advies veiligheidsregio Noord-Holland Noord 30 augustus 2024 Op 30 augustus 2024 heeft de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord (VRNHN) advies uitgebracht over het planvoornemen. Onderstaand is ingegaan op de relevante onderdelen van het advies en de conclusie. Het volledige advies is als Bijlage 21 bijgevoegd. Bestrijdbaarheid De bereikbaarheid en bluswatervoorziening is getoetst aan de uitgangpunten die in de handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid VRNHN 2021 staan beschreven. Bereikbaarheid