Bijlage 5 - Bijlagen motivering
Tekst van het document
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
Bijlagen motivering
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
Inhoudsopgave
Bijlagen motivering
4
Bijlage 1
Nota zienswijzen
4
Bijlage 2
Beeldkwaliteitsplan
10
Bijlage 3
Aanmeldnotitie
47
Bijlage 4
Externe veiligheid onderzoek
61
Bijlage 5
Weging van het waterbelang
134
Bijlage 6
Verkennend bodemonderzoek
159
Bijlage 7 (Deel)saneringsplan verschillende verontreinigingsgevallen (kadastraal 1361, 3463, 3239, 7699)
584
Bijlage 8
Nader bodemonderzoek
641
Bijlage 9 21a, 29 en 30)
Plan van aanpak verschillende verontreinigingsgevallen (achter Westerblokker
Bijlage 10
Trilhinderonderzoek
780
Bijlage 11
Akoestisch onderzoek
791
Bijlage 12
Archeologische en cultuurhistorische quickscan
1342
Bijlage 13
Ecologisch onderzoek
1357
Bijlage 14
Vrijgavedocument archeologie
1382
Bijlage 15
AERIUS-rapportage
1386
Bijlage 16
AERIUS - rekenbijlage
1413
Bijlage 17
Participatieverslagen juli 2023
1426
758
3
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
Bijlagen motivering Bijlage 1 Nota zienswijzen
4
NOTA VAN ZIENSWIJZEN BANGERT EN OOSTERPOLDER FASE A ZUID met betrekking tot het ontwerp TAM omgevingsplan en het ontwerp Beeldkwaliteitsplan (BKP) voor het realiseren van 102 woningen in Bangert en Oosterpolder Fase A Zuid April 2026
1
Inhoudsopgave
1. Inleiding 2. Zienswijze en beantwoording Bijlagen: 1. Publicatietekst van de terinzagelegging van de ontwerp omgevingsvergunning 2. Ingediende zienswijze (anoniem)
1. Inleiding Voor de locatie Bangert en Oosterpolder fase A Zuid zijn 1 TAM omgevingsplan en 1 Beeldkwaliteitsplan (BKP) ter inzage gelegd. Deze plannen betreffen het realiseren van in het totaal 102 woningen met daarin grondgebonden woningen en enkele appartementengebouwen. Het gebied A Zuid is onderdeel van het bestemmingsplan ‘Bangert en Oosterpolder, herziening ex artikel 30 Wro’ (vastgesteld op 31 januari 2006, goedgekeurd op 3 oktober 2006), waarin deze gebieden de bestemming ‘Woondoeleinden (uit te werken)’, ‘Groenvoorzieningen 3’ en ‘Verkeer’ hebben. Ook loopt er een veiligheidszone voor een aardgastransportleiding over het zuiden van het plangebied van A Zuid. Daarnaast geldt voor een deel van het gebied het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1992’ (vastgesteld op 9 februari 1993). Hierin heeft het gebied grotendeels een agrarische bestemming. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader. Ter inzage ligging Het ontwerp TAM plan en het ontwerp BKP met bijbehorende documenten hebben in de periode van vrijdag 19 december tot en met vrijdag 30 januari 2026 voor een ieder ter inzage gelegen. De kennisgeving daarvan is gepubliceerd in het Hoorns Nieuwsblad en in het Gemeenteblad. De stukken zijn digitaal raadpleegbaar via de gemeentelijke website. Deze lagen ook ter visie bij de publieksbalie op het stadhuis.
2. Zienswijze en beantwoording Tijdens de terinzagelegging zijn drie zienswijzen ingediend op het TAM omgevingsplan. Deze zienswijzen zijn ingediend door 1. eigenaar/ bewoner van Westerblokker 32, 2. Prorail, en 3. Liander. De zienswijzen zijn - waar nodig - geanonimiseerd en als bijlage 1 toegevoegd. Deze nota van zienswijze is een onderdeel van de belangenafweging die de gemeente maakt over de besluitvorming van het TAM omgevingsplan en het BKP. Samenvatting zienswijzen en beantwoording Zienswijzen 1. Verkeersoverlast van ’t Herdertje, Westerblokker 32 B, Blokker (A Zuid) Achter de woning van betrokkene bevindt zich het plangebied van fase A Zuid. Dit gebied wordt met een fietspad ontsloten op de Westerblokker. Sinds de ingebruikname van 't Herdertje als kinderdagverblijf (Westerblokker 32 B), ervaart betrokkene op bepaalde tijden (tussen 8 en 9 uur en tussen 16 en 18 uur) veel verkeersoverlast. Hij vindt dat zeer onveilig. Hij vraagt of het mogelijk is om bij de fietsontsluiting op de Westerblokker extra - openbare - parkeerplaatsen aan te leggen. Beantwoording De locatie aan Westerblokker 32B, Blokker is gelegen buiten het plangebied van Fase A Zuid. De gemeente heeft geconstateerd dat de parkeerruimte op eigen terrein nu nog niet efficiënt wordt benut. ’t Herdertje zou op eigen terrein de parkeerplaatsen efficiënter kunnen inrichten.
Bovendien is de afstand tussen het plangebied van Bangert en Oosterpolder (Fase A Zuid) te groot voor een parkeeroplossing voor ’t Herdertje. Geadviseerd wordt om deze zienswijze niet ontvankelijk te verklaren.
2
2. Prorail (A Zuid) 1. 4.5 Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein ln paragraaf 4.5 2 van de motivering (onderzoek) wordt gesteld dat de grenswaarde vanwege railverkeerslawaai 70 dB bedraagt. Dit is niet correct. Volgens artikel 5 78u van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedraagt de grenswaarde vanwege hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen 65 dB. ProRail verzoekt u dit aan te passen. In paragraaf 4 5.3 van de motivering (conclusie) wordt gesteld dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein. Gezien de hoge geluidbelastingen verzoekt ProRail deze stelling te onderbouwen en daarbij, overeenkomstig artikel 5 78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving, het belang van een geluidluwe gevel te betrekken. 2. Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de toekomstige uitbreiding van het spoor Hoorn-Enkhuizen doet het ProRail genoegen om te lezen dat de gemeente daar positief tegenover staat. Bij een nader planontwerp daartoe, is ook het streven van ProRail om vanuit het spoor zo min mogelijk omgevingseffecten te veroorzaken. Het is daarbij zaak dat te zijner tijd zowel vanuit ProRail als nu vanuit de gemeente in de planontwerpen daarnaar gestreefd wordt.
Het voorliggende omgevingsplan omvat veel elementen die niet gevoelig zijn voor omgevingseffecten, maar hoe dan ook gerealiseerd moeten worden, zoals parkeerplaatsen en groen. Daarvoor zou een locatie grenzend aan het spoor geschikt zijn. Het verzoek van ProRail is om dergelijke functies zoveel mogelijk rondom het bestaande spoor te realiseren, plus de voor omgevingseffecten vanuit het spoor gevoelige functies (zoals woningen) zo ver mogelijk van het spoor te plaatsen. Een andere optie is om functies die niet of minder gevoelig zijn voor omgevingseffecten (bedrijfsruimten. dienstverlening, etc.) als barrière te laten fungeren tussen spoor en woningen. Nog beter is om beide opties te combineren, dus zowel niet-gevoelige functies als barrières. Als dat bewerkstelligd is, dan ligt na vaststelling van het Omgevingsplan de taak bij ProRail om bij haar planontwerp voor een eventuele uitbreiding van het spoor zoveel mogelijk omgevingseffecten te voorkomen. Eventueel benodigde mitigerende maatregelen moet ProRail dan onderdeel maken van het eigen planontwerp. 3. Nu de passieve ruimtereservering te zijner tijd benut zal worden voor het spoor, ligt het in de rede om die een bestemming te geven die overeenkomt met de aanleg en het gebruik van het spoor. In die bestemming kunnen ook bijvoorbeeld groen en water worden meegenomen.
zodat de gronden ook daarvoor kunnen worden benut, zolang ProRail nog haar eigen juridisch-planologische procedures doorloopt. Het verzoek is dan ook, om de bestemming van de passieve ruimtereservering overeenkomstig een spoorfunctie te maken. Tot slot wordt in deze paragraaf ingegaan op de door ProRail ingediende opmerkingen met betrekking tot de percelen. ProRail constateert dat op de gemaakte opmerking over het gebruik van ProRail-percelen niet inhoudelijk wordt gereageerd. ProRail verzoekt u om alsnog een inhoudelijke reactie te geven. Tevens verzoekt ProRail u de ProRail-percelen -opgenomen in het omgevingsplan- te voorzien van de activiteit Spoorwegdoeleinden of Railverkeer. ProRail neemt aan u hiermede voldoende te hebben geïnformeerd en behoudt zich het recht voor in de verdere procedure aanvullende c q nieuwe zienswijzen kenbaar te maken. Beantwoording 1. Het is correct dat de grenswaarde voor railverkeerslawaai 65 dB (Lden) bedraagt. Dit zal zowel in de motivering van het TAM-omgevingsplan Fase A Zuid als in het akoestisch rapport worden aangepast. Omdat de standaardwaarde ter plaatse van het grootste deel van de woningblokken wordt overschreden, moet worden onderzocht welke geluidsoverdrachtmaatregelen mogelijk zijn.
Door de opzet van de stedenbouwkundige verkaveling (situatie, ligging en ontsluiting van de woningen) is geen maatregel bij de bron zoals een geluidscherm nodig. Voor de woningen en woonblokken met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde zal bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit een nader onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidwering van de gevels, teneinde te waarborgen dat wordt voldaan aan de geldende eisen
3
voor het binnenniveau. Hierbij wordt uitgegaan van het gezamenlijke geluid van weg- en railverkeer, zoals opgenomen in bijlage 16 en 17. Gelet op de berekende geluidbelastingen wordt het realiseren van een aanvaardbaar binnenniveau haalbaar geacht met passende bouwkundige maatregelen, zoals de toepassing van geluidwerende beglazing en een geschikt ventilatiesysteem. Daarnaast is bij de situering en opzet van de woningen rekening gehouden met de aanwezigheid dan wel realiseerbaarheid van geluidluwe gevels of geluidluwe zijden. Hiermee wordt geborgd dat voor bewoners een voldoende woon- en leefkwaliteit aanwezig is. In samenhang met de stedenbouwkundige opzet, de beschikbare buitenruimte en de mogelijkheid tot het realiseren van een aanvaardbaar binnenniveau, is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 5.78ab van het Besluit kwaliteit leefomgeving. 2. Inmiddels is er een definitieve verkaveling van het omgevingsplan Bangert en Oosterpolder Fase A Zuid. In deze verkaveling is rekening gehouden met afstanden t.a.v. het huidige spoor.De gemeente Hoorn staat in beginsel positief tegenover het toekomstig verbeteren van de spoorverbinding tussen Hoorn en Enkhuizen. Wij begrijpen dat een eventuele uitbreiding van het spoor in de toekomst kan bijdragen aan de robuustheid en capaciteit van het regionale spoornetwerk.
De gemeente Hoorn ziet dat er op grond van Prorail ruimte beschikbaar is voor een mogelijke toekomstige uitbreiding van het spoor. Wij staan dan ook niet op voorhand negatief tegenover een dergelijke ontwikkeling. Tegelijkertijd hechten wij eraan te benadrukken dat de gemeente geen verantwoordelijkheid draagt voor eventuele geluids- en/of trillingsoverlast die als gevolg van een spooruitbreiding kan optreden. Indien dergelijke overlast zich voordoet, dienen de kosten voor de benodigde mitigerende of compenserende maatregelen volledig door ProRail te worden gedragen. Zie verder de beantwoording onder 1. 3. De gemeente is al jaren bezig met woonwijk Bangert en Oosterpolder voor circa 3.000 woningen. De wijk wordt gefaseerd ontwikkeld en gerealiseerd en een groot deel van de woningen is gerealiseerd. De laatste woningen worden gerealiseerd in fase 5B Zuid en A Zuid. De verkaveling hiervoor is door het college van Burgemeester en wethouders vastgesteld en besloten is om hiervoor de ruimtelijke procedures door middel van TAM-plannen op te starten. De gemeente ziet geen reden om deze verkaveling aan te passen naar aanleiding van het (herhaald) verzoek van ProRail tot het opnemen van een passieve ruimtereservering. Geadviseerd wordt om deze zienswijze gedeeltelijk gegrond te verklaren. 3.Liander (A Zuid) Het gasdrukmeet- en regelstation in het plangebied, valt onder par.
4.29 (Regelen en meten van aardgas) van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (hierna het BAL). In het ontwerp is aan de grond waarop het gasdrukmeet- en regelstation is gevestigd, het werkingsgebied ‘Groen’ toegekend. Gelet op het behoud en het creëren van ruimte voor bestaande en toekomstige activiteiten van Liander als regionale netbeheerder en de bescherming van het gasdrukmeet- en regelstation tegen activiteiten in de nabijheid van het gastransportnet, wordt verzocht het station en de directe omgeving te voorzien van een passend werkingsgebied en beperkingengebied. Voor het station gelden de veiligheidsafstanden zoals opgenomen in tabel 4.421, categorie B, kolom 6 en 7 van het BAL, opstelling installatie ‘in een behuizing met een opstellingsruimte groter dan 0,5m3 maar kleiner dan 15m³. Men vraagt het gasdrukmeet- en regelstation een passend werkingsgebied ‘gasdrukmeet- en regelstation’ toe te kennen. Daarnaast wordt gevraagd om het gasdrukmeet- en regelstation en de directe omgeving daarvan te voorzien van een beperkingengebied, met de daarbij behorende regels zoals beschreven in de Staalkaart Netbeheer Nederland, bijlage 1, deel II.
Door deze wijze van toekennen van functies, is de aanwezigheid van het gasdrukmeet- en regelstation voor derden zichtbaar en wordt beter geborgd dat de veiligheidsafstanden ten opzichte van respectievelijk zeer kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties nu en in de toekomst in acht worden genomen. Beantwoording Het betreft hier een bestaand gasdrukmeet- en regelstation waarop de regels (paragraaf 4.29) uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) van toepassing zijn. Daarin zijn veiligheidsafstanden opgenomen. Deze gelden al, los van een specifiek werkingsgebied in het omgevingsplan. Binnen het ontwerp TAM omgevingsplan worden in de directe nabijheid van het station geen nieuwe zeer kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt die strijdig zijn met deze veiligheidsafstanden. De veilige situering
4
van het station is daarmee voldoende geborgd. Gelet hierop wordt het opnemen van een afzonderlijk werkingsgebied of beperkingengebied voor het gasdrukmeet- en regelstation in dit TAM-omgevingsplan niet noodzakelijk geacht. Geadviseerd wordt om deze zienswijze ongegrond te verklaren. Bijlagen: a. Publicatietekst van de terinzagelegging van de ontwerp TAM plannen b. Ingediende zienswijzen (anoniem)
5
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
Bijlage 2 Beeldkwaliteitsplan
10
APRIL 2026
Bangert en Oosterpolder BEELDKWALITEITSPLAN FASE A ZUID
INHOUDSOPGAVE 0
Inleiding
3
1
GEBIEDSINFORMATIE
4
2
HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN Ambities van het plan Het stedenbouwkundigplan
8
10 12
3
BEELDKWALITEIT BEBOUWING
14
1.1
2.1 2.2
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
Fase A-Zuid
Bebouwing en architectuur Hoogte en daken Hoeken en accenten Rooilijn en tuinen Erfafscheidingen Duurzaamheidsambities
6
16 26 28 30 32 34
INLEIDING De wijk Bangert en Oosterpolder is een grootschalige planontwikkeling in de noordoostelijke hoek van de gemeente Hoorn. Al sinds het begin van dit millennium wordt het gebied gefaseerd ontwikkeld. Fase A-Zuid ligt ten zuiden van Fase 5B-Zuid. De beeldkwaliteitseisen van deelgebied A-zuid komen veelal overeen met de eisen die gesteld zijn voor geheel fase 5. Het streven voor heel fase 5 is een samenhangende buurt tussen de Bangert en de Westerblokker. Dat betekent dat er een herkenbare eenheid is in opzet, architectuur en openbare ruimte van de verschillende buurten. Daarbinnen mogen de buurten wel hun eigen identiteit hebben. Daarbij is er aansluiting op het suburbane, dorpse karakter van de eerdere plan delen binnen fase 5. Dit vertaalt zich in een eigentijdse vertaling van lokale en traditionele bouwstijlen, veel individualiteit binnen de woningen en diversiteit voor kapverdraaiingen en een verspringende rooilijn. Dit beeldkwaliteitsplan is een uitwerking van het moederbeeldkwaliteitsplan, voor het deelgebied A-zuid. Dit document is de onderlegger voor ruimtelijke regels die worden gesteld over het uiterlijk van bouwwerken in het Omgevingsplan gemeente Hoorn en vormt samen met het moederbeeldkwaliteitsplan het toetsingskader voor de Ruimtelijke adviescommissie (RAC).
Aan de beelden die in dit beeldkwaliteitsplan worden weergegeven kunnen geen rechten worden ontleend. De beelden geven een toelichting op bepaalde aspecten of de sfeer van de wijk weer. Het kan voorkomen dat de beelden niet helemaal voldoen aan de gewenste beeldkwaliteitseisen. 3
1.
gebiedsinformatie 1.1 FASE A ZUID
1.1 FASE A ZUID FRUITTEELT IN BANGERT EN OOSTERPOLDER De Bangert is van oorsprong een fruitteeltgebied dat tussen Blokker en Westwoud/Oudijk ligt. De naam ‘Bangert’ is de Westfriese benaming voor boomgaarden. De fruitteelt in het gebied begon rond 1600 en behoort samen met de Betuwe tot de oudste fruitteeltgebieden van Nederland. In de 17e eeuw kwam de fruitteelt tot bloei doordat de Unjer plant te sterk kwam opzetten in de weilanden waar tot dan toe vee graasde. Unjer is voor koeien zeer moeilijk verteerbaar. Om deze reden schakelden boeren over op de fruitteelt. De percelen van de fruitgaarden zijn ongeveer 20 meter breed en omgeven door sloten. In die tuinen stonden veel hoogstambomen met vaak bessenstruiken. Alle hoogstambomen werden omstreeks 1950 gerooid. Dit gebeurde met name om economische redenen (machinaal plukken kwam op en laagstambomen hadden een snellere productietijd). Ook werd het plukken te gevaarlijk werk en waren de bomen te hoog om het fruit goed te kunnen bespuiten, zoals toen gebruikelijk was geworden.
THEMAGEBIED Fase A-Zuid maakt deel uit van het themagebied Hoge Hemen, zoals beschreven in het structuurplan Bangert en Oosterpolder uit 1999. Hemen kan ook worden vertaald naar huis/thuis. De Hoge Hemen worden dus vertaald naar ‘‘de hoger gelegen huizen’’. Het gebied kenmerkt zich door groene openbare ruimtes en profielen. De openbare groene buitenruimtes worden omringd door woningen. Ook liggen er grote groenstructuren door de wijk heen. De woningen in de Hoge Hemen zijn, waar mogelijk, gericht op het openbare groen. Naast het thema Hoge Hemen is fase A Zuid onderdeel van de afrondingen. Het bestemmingsplan noemt voor de afrondingen dat er wordt voortgeborduurd op de aansluitende wijken. Dit wordt gedaan met fysieke verbindingen.
Hoewel de fruitteelt in de Bangert vanaf 1950 sterk terugliep, kan men vandaag de dag aan overgebleven kassen, fruitbomen en tuinen nog zien dat er vroeger fruit werd geteeld. Co
py
rig ht BEGRENZING 20 23 A Het gebied bestaat voornamelijk uit grasland en was ooit onderdeel -van nd ez e het fruitteeltgebied de Bangert. Het plangebied grenst in het noorden print kun ne ng aan het cultuurhistorische lint Westerblokker. In het westen bevindt ee nr ec h zich de woonwijk Blokker. Aan de zuidzijde sluit het plangebied aan op n w Bangert en Oosterpolder in Hoorn Ligging tewijk ord en on het spoor. tle e
6
nd
-
Ligging fase A-Zuid in de wijk Bangert en Oosterpolder
Fase 5B-Zuid
Weste rb
IJsselweg
lokker
2. het stedenbouwkundigplan 2.1 AMBITIES VAN HET PLAN 2.2 HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN
2.1 AMBITIES VAN HET PLAN
10
De woningen zijn met de voorzijde naar de IJsselweg toe gericht.
Het plan kent een weelderige differentiatie aan kleinere bloeiende bomen.
Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke materialen en genuanceerde Noord-Hollandse kleuren.
Alle bebouwing is in het plan naar de hoofdstructuur toe gericht.
Het groen is een aaneengesloten gebied en geen losse kleine stukjes groen.
Er wordt zoveel mogelijk openheid naar de omgeving gecreëerd door o.a. transparante gevels, erkers en een veranda of pergola bij de voordeur.
Het nieuwe water is doorvaarbaar en wordt zoveel mogelijk aangesloten op het regionale netwerk.
Het water wordt als fysieke scheiding gebruikt tussen de nieuwe fases en de bestaande omliggende bebouwing.
De woningen zijn voorzien van klassieke details zoals bijvoorbeeld roederamen, gootlijsten, dakoverstekken en topgevels.
In het gebied wordt zoveel als mogelijk aan waterberging gedaan.
Het karakter van de wijk is dorps met een groen verblijfsgebied.
Het openbaar groen is de hoofddrager van de wijk. De architectuur gaat hierbij een relatie aan met het openbaar groen.
Doorvaarbare bruggen en duikers hebben een minimale maat van 1.10m x 2.50m over de hoofdwaterstructuur.
Er wordt ingezet op ruime groene entrees bij de langzaamverkeersverbindingen van/naar de omliggende wijk/lint.
In het plan blijft de geluidswal achter de woningen aan de Zuiderhout behouden.
2.2 HET STEDENBOUWKUNDIGPLAN Fase A-Zuid behoort tot de laatste fase van de ontwikkeling van de wijk Bangert en Oosterpolder. Deze fase sluit aan bij het karakter en de opzet van fase 5B-Zuid dat zich ten noorden van het plan bevindt. FASE A-ZUID De wijk Bangert en Oosterpolder beschikt over een algeheel karakter dat wordt getypeerd door de sfeer ‘’tussen stad en land’’. Ook in deze fase wordt deze sfeer omarmd. Langs de IJsselweg wordt de formele en stedelijke uitstraling doorgezet zodat het herkenbare beeld langs deze belangrijke toegangsweg behouden blijft. Voor de andere woningen wordt, in aansluiting op het karakter van de voorgaande fases, het dorpse karakter verder uitgewerkt maar wel op een eigentijdse manier. De nuances in de architectuur maken dat de buurt zich onderscheidt van de rest van de wijk. Dit vertaalt zich in een plan die in architectuur en sfeer verwijst naar het vroegere fruitteeltgebied met een eigentijdse interpretatie en uitstraling. De architectuur en materialisatie is een verzachting, wat ervoor zorgt dat deze vriendelijker en natuurlijker oogt. De buurt heeft daarnaast een bijzondere zone aan het spoor. De spoorzone heeft een groen en ruim karakter. Op de hoeken van De Strip en de spoorzone is ruimte voor accent bebouwing in de vorm van appartementen.
Deze typologie is een belangrijke toevoeging in de wijk en vormt als het ware de entree van De Strip. Het is daarbij belangrijk om goed te kijken naar de zichtlijnen en de overgang tussen de IJsselweg en De Strip.
12
Met het plan wordt aangesloten op het historische lint van de Westerblokker. De stolp aan het lint heeft rondom een grotere vrije ruimte dan alle andere kavels. Dit past binnen het ritmiek van de cultuurhistorische kavels. Aan de rand van de nieuwe fase worden woningen aan het water ontwikkeld waarbij een goede connectie met het water erg belangrijk is. De doorvaarbare wateren in de Bangert en Oosterpolder zijn goed met elkaar verbonden. Dit maakt het aantrekkelijk om op en aan het water te verblijven.
3.
Beeldkwaliteit bebouwing 3.1 BEBOUWING EN ARCHITECTUUR 3.2 HOOGTE EN DAKEN 3.3 HOEKEN EN ACCENTEN 3.4 ROOILIJN EN TUINEN 3.5 ERFAFSCHEIDING 3.6 DUURZAAMHEIDSAMBITIES
3.1 BEBOUWING EN ARCHITECTUUR Fase A-Zuid valt binnen het themagebied Hoge Hemen en afrondingen. Binnen dit themagebied wordt er gestreefd naar een dorps karakter die aansluit op de rest van de wijk Bangert en Oosterpolder. De typerende sfeer ‘tussen stad en land’ wordt ook binnen deze fase toegepast. Ondanks dat er aansluitingen wordt gezocht met voorgaande fases, is een unieke en eigentijdse benadering wenselijk. DEELGEBIEDEN In fase A-Zuid wordt er onderscheidt gemaakt in vier deelgebieden. Deze deelgebieden hebben eigen beeldkwaliteitseisen. De deelgebieden met bijhorende eisen, sluiten aan op hetgeen dat in fase 5B-Noord en 5B-Zuid is toegepast. De deelgebieden bestaan uit • De IJsselweg • Het Middenhof • De Ringsloot • Het lint EIGENHEID EN VERSCHEIDENHEID Fase A-Zuid ligt in het verlengde van de eerdere fase 5B-Noord en 5B-Zuid. Aansluiting in karakter is hierbij een vereiste. Om binnen elke fase toch eigenheid en verscheidenheid te creëren is het wenselijk om nieuwe elementen toe te voegen. Denk hierbij aan pergola’s en veranda’s maar ook aan diversiteit in materialen en kleuren. Het deelgebied IJsselweg heeft het meest stedelijke karakter binnen de buurt wat wordt gekenmerkt door met name het materiaal gebruik en de bebouwingsdichtheid. Dit deelgebied sluit aan op de woningen die 16
eerder langs De Strip zijn gerealiseerd. Dieper de buurt in, bij de deelgebieden Middenhof en Ringsloot, worden zachtere materialen en kleuren gebruikt met subtielere overgangen tussen binnen en buiten. Deze overgangen kunnen onder andere worden gecreëerd door grotere raampartijen en elementen zoals een pergola’s of erkers. Deze uiterlijke kenmerken van de bebouwing ondersteunen de verweving met de groene gebieden in de buurt die ook al ontstaan door de dichtheid die steeds verder afneemt richting het groen en water.
HET LINT
DE RINGSLOOT
DE IJSSELWEG
DE IJSSELWEG
HET MIDDENHOF
DE RINGSLOOT HET MIDDENHOF DE RINGSLOOT
DE IJSSELWEG In de wijk Bangert en Oosterpolder is de IJsselweg, samen met De Strip, de belangrijkste ontsluitingsweg. Veel fases van de wijk worden via deze weg ontsloten richting de Westfrisiaweg en de rest van de stad. De regels aan de IJsselweg komen overeen met de regels uit eerdere fases die voor De Strip gelden. ALGEMENE BOUWREGELS Voor de IJsselweg zijn een aantal algemene bouwregels die impact hebben op de beeldkwaliteit van de wijk: 1. De bebouwing bestaat overwegend uit rijwoningen. Dit past bij de algehele uitstraling van De Strip. De bebouwingswand van rijwoningen is hier langer dan in het achterliggende gebied. De bebouwingswand bestaat uit maximaal tien aaneengesloten rijwoningen. Alternatieven die dezelfde ruimtelijke kwaliteit bieden zijn met de gemeente en de supervisor bespreekbaar. 2. Aan IJsselweg is een strakke rooilijn van toepassing. De gevel is daarbij geen identieke wand maar heeft een ritmiek met bijvoorbeeld gevelopeningen en accenten. 3. De voorgevel en de entrees van de woningen zijn georiënteerd naar de IJsselweg. 4. De woningen bestaan uit twee lagen met een zadelkap, uitgezonderd van de appartementen. 5. De woningen hebben een gemetselde erfafscheiding op het voorerf, aansluitend bij kleurstelling de woning. 6. Op markante plekken zoals op de hoek van de IJsselweg wordt de bebouwing gekenmerkt door hogere accenten tot maximaal 16 meter.
MATERIAALGEBRUIK De bebouwing in fase A-Zuid wordt overwegend uitgevoerd in metselwerk. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details worden aangebracht. Accenten in de bebouwing worden vormgegeven in hout, of een onderhoudsarme variant daarvan. De accenten zijn passend bij de 18
terughoudende architectuur. De daken worden voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans) of van leisteen (kunstleisteen is toegestaan). KLEURENPALET Het kleurenpalet aan materialen is nauwkeurig op elkaar afgestemd. Het metselwerk bestaat uit lichte aardetinten van beige tot lichtbruin. De horizontale belijning aan de IJsselweg wordt gekenmerkt door licht kleurgebruik van de daklijsten. Het kleurgebruik van de kozijnen sluit aan bij het metselwerk en hebben een terughoudend karakter. De daken in de buurt hebben een donkere, antraciete kleur, zoals in de hele wijk. DETAILLERING Aan De Strip moeten accenten en detaillering de horizontale belijnen versterken. Deze elementen zijn in harmonie met de architectuur en hebben een rustige uitstraling. Het is daarnaast belangrijk dat er een bepaalde variatie is in de architectuur om een eenzijdig beeld te voorkomen. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, subtiele kleurvariaties of mee ontworpen dakkapellen. Deze middelen zijn niet beperkend en kunnen wisselend ingezet worden. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd. Bij de daken is het niet toegestaan om dakranden met een overstek te maken groter dan 0.50m. Installaties, zoals bijvoorbeeld een warmtepomp of airconditioning, worden in de architectuur mee ontworpen.
Ze mogen niet zichtbaar zijn vanaf het openbaar toegankelijk gebied. Ze dienen geïntegreerd te worden in de woning, garage of berging. Is dit niet mogelijk, dan moeten ze op het maaiveld op het achtererf uit het zicht te worden geplaatst.
Lichte aarde tinten metselwerk
Appartementen doen mee in het type bebouwing aan De Strip
Ritmiek en rustige details
Detaillering in het metselwerk
Woningen met mee ontworpen dakkapellen
Houten gevel als accent in de rij
HET MIDDENHOF In het deelgebied middenhof staat een mix van rij-, vrijstaande- en twee-onder-een-kap woningen. Gezamenlijk vormen deze woningen het hart van de wijk en geven ze de wijk een afwisselend straatbeeld. Een deel van de woningen liggen aan een groenstrook. De huizen aan het groen nemen een bijzondere plek in en krijgen een extra uitstraling naar het groen, doordat de gevel op de begane grond zich hier opent met grote raampartijen of erkers. ALGEMENE BOUWREGELS 1. In de regel zijn de aaneengesloten rijwoningen korter dan langs De IJsselweg. Een verspringende rooilijn wordt ook als onderbreking gezien. 2. Voorgevels richten zich naar het openbaar groen of anders de rijweg. Dit stimuleert de levendigheid en gebruikskwaliteit van de groenzone. Voorkanten die gesitueerd zijn naar achtererven van woningen is niet toegestaan. Het is wel een vereiste dat er met veel aandacht naar de kwaliteit van de achterzijden wordt gekeken. 3. Langs de centrale groenstructuur waarin wandelroutes zijn opgenomen, grenzen voorkanten en entrees van woningen. MATERIAALGEBRUIK Ook in dit themagebied wordt overwegend metselwerk gebruik. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details worden aangebracht. Accenten in de bebouwing worden vormgegeven in hout, of een onderhoudsarme variant daarvan.
De daken worden voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans) of van leisteen (kunstleisteen is toegestaan). KLEURENPALET Het kleurenpalet aan materialen is nauwkeurig op elkaar afgestemd. Het metselwerk bestaat uit lichte aardetinten van beige tot lichtbruin. Het metselwerk mag gemêleerd zijn, maar een rustige, samenhangende uitstraling met de natuurlijke materialen is hierbij een voorwaarde. 20
In dit deel van de wijk wordt ingezet op meerdere kleuren metselwerk waarbij maximaal drie woningen naast elkaar dezelfde tint bakstenen hebben. Dit geldt voor alle woningtypen. Kleurgebruik van kozijnen, daklijsten en details is overwegend in genuanceerde Noord-Hollandse kleuren of sluiten aan op het metselwerk en benadrukken de individualiteit van de huizen, maar harmoniseren in het totaalbeeld. Woningen met een lichte gevelkleur mogen voor een donkerdere kleur voor de kozijnen kiezen. Om een zachte uitstraling te waarborgen, is het belangrijk dat opvallende detaillering met een groot contrast wordt voorkomen. De daken in het deelplan hebben een donkere, antraciete kleur, zoals in de hele wijk. DETAILLERING Het is belangrijk dat er een bepaalde variatie is in de architectuur om een eenzijdig beeld te voorkomen. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, subtiele kleurvariaties of mee ontworpen erkers en dakkapellen. Ook kan er gedacht worden aan mee ontworpen uitbouwen en schoorstenen. Deze middelen zijn niet beperkend en kunnen wisselend ingezet worden. Incidenteel kan er rondom de ramen een eigentijdse interpretatie van klassieke verbijzonderingen worden toegepast zoals roedes of luiken. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd.
Installaties als bijvoorbeeld een warmtepomp of airconditioning worden in de architectuur mee ontworpen. Daarnaast kunnen ze geïntegreerd worden in de woning of garage.
Rijwoningen met een hoekaccent als onderbreking
Grote raampartijen en elementen in genuanceerde Noord-Hollandse kleuren
Pergola’s en houten details als verzachting naar het groen
Lichte steen met donkerdere houten elementen
Grote raampartijen en klassieke verbijzonderingen zoals luiken
Subtiele variatieWitte in materiaal details inenraampartijen kleur en dakranden
DE RINGSLOOT De woningen in het deelgebied ringsloot bestaan voornamelijk uit vrijstaande-, en twee-onder-een-kap woningen. Alle woningen zijn met de achtertuinen op de sloot georiënteerd. De brede waterstructuur is herkenbaar en beeldbepalend voor heel fase 5 van Bangert en Oosterpolder. ALGEMENE BOUWREGELS 1. Bebouwing die langs de Ringsloot is gevestigd heeft een individueel en vrijstaand karakter waarbij afwisseling wordt gemaakt door accenten in architectuur. Deze accenten worden op logische plekken aangebracht, denk hierbij aan zichtlijnen of aansluitingen van wegen. De minimale accenten in de bebouwing staan aangegeven in hoofdstuk 3.3 hoeken en accenten. 2. De woningen liggen met de achterkanten naar de ringsloot toe georiënteerd. De tuin zoekt daarbij aansluiting met het water en groen. MATERIAALGEBRUIK Voor dit themagebied wordt er niet anders met materialen omgegaan dan in de andere deelgebieden. Er wordt overwegend gebruik gemaakt van metselwerk. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details worden aangebracht. Accenten in de bebouwing worden vormgegeven in metselwerk en in hout, of een onderhoudsarme variant daarvan. De daken worden voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans) of van leisteen (kunstleisteen is toegestaan).
KLEURENPALET Het kleurenpalet aan materialen is nauwkeurig op elkaar afgestemd. Het metselwerk bestaat uit lichte aardetinten van beige tot lichtbruin. Het metselwerk mag gemêleerd zijn, maar een rustige, samenhangende uitstraling met de natuurlijke materialen is hierbij een voorwaarde. In dit deel van de wijk wordt er ingezet op meerdere kleuren metselwerk waarbij er maximaal drie woningen naast elkaar dezelfde tint bakstenen 22
hebben. Kleurgebruik van kozijnen en daklijsten en details is overwegend in genuanceerde Noord-Hollandse kleuren of sluiten aan op het metselwerk en benadrukken de individualiteit van de huizen, maar harmoniseren in het totaalbeeld. Woningen met een lichte gevel kleur mogen voor een donkerdere kleur voor de kozijnen kiezen. Om een zachte uitstraling te waarborgen, is het belangrijk dat opvallende detaillering met een groot contrast wordt voorkomen. De daken in het deelplan hebben een donkere, antraciete kleur, zoals in de hele wijk. DETAILLERING Het is belangrijk dat er een bepaalde variatie is in de architectuur om een eenzijdig beeld te voorkomen. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, subtiele kleurvariaties of mee ontworpen erkers, overstekken met hout en pergola’s. Ook kan er gedacht worden aan mee ontworpen uitbouwen en schoorstenen. Deze middelen zijn niet beperkend en kunnen wisselend ingezet worden. Incidenteel kan er rondom de ramen een eigentijdse interpretatie van klassieke verbijzonderingen worden toegepast zoals roedes of luiken. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd. Installaties als bijvoorbeeld een warmtepomp of airconditioning worden in de architectuur mee ontworpen. Daarnaast kunnen ze geïntegreerd worden in de woning of garage.
Subtiele variatie in materiaal en kleur
Variatie in materiaal en kleur
Verbinding met het water en genuanceerde Noord-Hollandse kleuren
Variatie door verbijzondering elementen
Verbinding met het groen en zachte materialen en kleuren
Harmonie in kleurgebruik en antraciete kleur daken
HET LINT Langs het deel van de Westerblokker vanaf de Strip tot aan de Noorderdracht is de laatste jaren meer bijgebouwd. Hierbij is het handhaven van het halfopen karakter het uitgangspunt. De bebouwing is een afwisseling van kleinschalige woningen en agrarische bebouwing. Er zijn vooral eenvoudige vrijstaande woningen. Op het kavel aan het lint is ruimte voor een stolp. ALGEMENE BOUWREGELS 1. De woning heeft een alzijdige oriëntatie waarbij de hoofd oriëntatie van de woning ligt naar het lint toe ligt. 2. De woning maakt alleen gebruik van een tentdak, dan wel niet in combinatie met een dakopbouw. 3. De stolp heeft een maximale afmeting van veertien bij veertien meter. MATERIAALGEBRUIK Voor de stolp wordt er overwegend gebruik gemaakt van metselwerk. Door de toepassing van subtiele kleurverschillen in het metselwerk of diverse metselverbanden en steenformaten kunnen details worden aangebracht. Accenten in de bebouwing worden vormgegeven in metselwerk, hout (of een onderhoudsvrije variant hiervan). De daken worden voorzien van keramische dakpannen (m.u.v. hoogglans). KLEURENPALET Voor het metselwerk kan er worden gekozen voor een range van oranjerood, rood tot aan roodbruin. Het metselwerk mag een gemêleerde uitstraling hebben.
Kleurgebruik van kozijnen en daklijsten zijn genuanceerde NoordHollandse kleuren of sluiten aan op het metselwerk en benadrukken de individualiteit van de huizen, maar harmoniseren in het totaalbeeld. De daken in het deelplan hebben een donkere, antracieten kleur, zoals in de hele wijk.
24
DETAILLERING Voor de stolp mag er variatie in de gevel worden aangebracht. Middelen om variatie aan te brengen zijn bijvoorbeeld verbijzonderingen in metselwerk, subtiele kleurvariaties of mee ontworpen erkers en dakkapellen. Ook kan er gedacht worden aan mee ontworpen uitbouwen en schoorstenen. Deze middelen zijn niet beperkend en kunnen wisselend ingezet worden. Incidenteel kan er rondom de ramen een eigentijdse interpretatie van klassieke verbijzonderingen worden toegepast zoals roedes of luiken. Dakranden, hoeken en materiaalovergangen worden nauwkeurig gedetailleerd. Bij de daken is het niet toegestaan om een overstek te maken groter dan 0.50m. Installaties als bijvoorbeeld een warmtepomp of airconditioning worden in de architectuur mee ontworpen.
Alzijdige gevels en variatie in materialen
Verbijzondering door elementen
Variatie door verbijzondering
Moderne vertaling van een stolp
Alzijdige gevels met ontworpen connectie met het groen
3.2 HOOGTE EN DAKEN Het karakter van de wijk wordt mede bepaald door het daklandschap en de bouw- en goothoogte. BOUW- EN GOOTHOOGTE De grondgebonden woningen binnen deze fase bestaat maximaal uit twee lagen met een kap. Dit komt neer op een maximale bouwhoogte van elf meter en een maximale goothoogte van acht meter. Binnen het plan is ruimte voor afwisseling waarbij variatie en bouw- en goothoogte gewenst is. Voor de woningen aan de IJsselweg geldt dat deze allen uit twee bouwlagen met een kap bestaan. Op deze manier vormen alle woningen aan de IJsselweg één geheel in hoogte waardoor er een algeheel beeld vanaf de IJsselweg ontstaat. Naast grond gebonden woningen zijn ook appartementen toegestaan met een maximale bouwhoogte van zestien meter en een maximale goothoogte van twaalf meter. Een kap op het appartementencomplex is verplicht. De bouw- en goothoogte van de stolp moet passen binnen de architectonische uitstraling van een stolp. De maximale goothoogte is 2,8 meter en een maximale bouwhoogte van dertien meter. BIJGEBOUWEN Bijgebouwen zijn niet toegestaan tenzij vergunningsvrij. De maximale goothoogte van bijgebouwen is 3.00m hoog.
gewenst. Bij de tweekappers wordt een wisselende kaprichting toegepast, dus niet enkel langskappen of dwarskappen. De rijwoningen hebben geen lange doorgaande kappen, maar per rij op tenminste op 1 plek een kapverdraaiing (kopgevel richting de straat) of verspringing in de nok- en gootlijn. DAKHELLING De dakhelling van de woningen ligt tussen de 20 en 60 graden. Dit zorgt ervoor dat de dakvlakken een hoog rendement opleveren voor PV-cellen aan de zuidwest of zuidoostzijde (volgens tabel van Hespul). Voor de stolp is er een dakhelling tussen de 45 en 60 graden verplicht. MATERIALISATIE Alle woningen in deze fase hebben een antracietkleurige kap. Deze zijn van een hoogwaardig materiaal zoals keramische pannen of leien (geen laag waardige materialen zoals shingels of betonnen pannen). Als PV-cellen worden toegepast, worden deze meegenomen in het ontwerp (in het dakvlak of als opbouw) zodat er een rustig en net beeld ontstaat met regelmatige vlakken. PV-cellen hebben een antraciete of zwarte kleur, zonder lichte (aluminium) lijsten. Bij een dakvlak dat volledig uit PV-cellen bestaat, is de combinatie met een zwarte rubberfolie (EPDM) ook toegestaan.
KAPVORMEN De toegestane kapvormen sluiten aan bij de aanliggende fase 5B-Zuid. De kapvormen die daar voorkomen zijn zadeldaken, schilddaken en afgeknote schilddaken. Andere kapvormen, waaronder platte daken, zijn niet toegestaan. KAPRICHTINGEN Om deze fase een dorps beeld te geven, is variatie in kaprichting 26
PV-panelen in nette, regelmatige vlakken
Niet: onsamenhangende vlakken en lichte lijsten
3.3 HOEKEN EN ACCENTEN Enkele bebouwing in de wijk vragen om meer architectonische aandacht. Dit gaat om bebouwing op stedenbouwkundig belangrijke plekken. Denk hierbij aan woningen op hoeken of in zichtlijnen. Om de gewenste sfeer en kwaliteit te waarborgen is er gekeken waar deze belangrijke plekken zich bevinden.
ALZIJDIGE GEVELS In fase A Zuid komen twee appartementencomplexen. Het complex aan de linkerzijde van de IJsselweg heeft een alzijdige uitstraling. Dit betekent dat de gevel aan alle zijden gevelopeningen en buitenruimtes heeft.
HOEK BEBOUWING Bebouwing op belangrijke hoeken zijn tweezijdig. Dit betekent dat de woningen zich als het gaat om gevel- en straatbeeld naar twee straten toe richten. De twee representatieve zijden hebben een gepaste hoeveelheid transparantie door het toepassen van gevelopeningen. Op de tekening op de volgende bladzijde wordt aangegeven over welke woningen dit gaat. Openheid in de uitstraling is nodig voor de hoekbebouwing. Dit geldt niet alleen voor bebouwing zelf, maar ook in de erfafscheiding. ACCENTEN Een aantal plekken die zich recht in een zichtlijn bevinden, krijgt ook een accent. Dit kan bijvoorbeeld door juist daar de kapverdraaiing te leggen, een verticaal element of accent in materiaal toe te passen. Verticale elementen zijn onder andere meeontworpen dakopbouwen of schijnschoorstenen. De kopgevels van de woningen aan de IJsselweg hebben een verbijzondering met een hoekse uitstraling.
Mee ontworpen luifel aan de voorzijde van de woning
Een pergola aan de voorzijde van de woningen
Openslaande deuren aan de voorzijde van de woning
Alzijdige gevel met diverse gevelopeningen
RUIMTELIJKE KANSEN Op sommige plaatsen in de wijk zien we ruimtelijke kansen om iets bijzonders te realiseren. Op deze plekken wordt er maximaal ingezet op de uitstraling en openheid van de woningen richting het openbaar gebied. Dit kan bijvoorbeeld door aan de voorzijde een verblijfsruimte te creëren in de vorm van een veranda of pergola. Bovendien zijn openslaande deuren ook een goede optie. 28
Hoekbebouwing met tweezijdige gevels Locaties met ruimtelijke kansen Accenten in de architectuur Alzijdige gevel Hoeken Hoeken en en accenten accenten in in fase fase A-Zuid. A-Zuid. Aan Aan deze deze tekening tekening kunnen kunnen geen geen rechten rechten worden worden ontleent. ontleent.
3.4 ROOILIJN EN TUINEN De diepte van de voortuin en waar de rooilijn ligt, bepalen voor een groot gedeelte hoe de sfeer op straat voelt. De wijk wordt gekenmerkt door het dorpse karakter. Om de gewenste sfeer te behalen worden er minimale en maximale dieptes van rooilijnen en voortuinen meegegeven. ROOILIJN In de wijk wordt er, behalve aan de IJsselweg, geen strakke rooilijn aangehouden. De afwisseling in rooilijnen zorgt voor een luchtig en organisch beeld. Dit past bij het dorpse karakter van de wijk en geeft ruimte aan groene voortuinen. Om de gewenste afwisseling te krijgen is een verspringing van de rooilijn tussen kavels wenselijk. Bij de IJsselweg wordt er wel een strakke rooilijn gehanteerd en deze ligt op minimaal 3.00m afstand vanaf de erfgrens. VOORTUIN Met het oog op het dorpse karakter hebben alle woningen een voortuin van minimaal 2.00m diep. Het is gewenst om de voortuin een groene invulling te geven. Op deze manier wordt er niet alleen bijgedragen aan het dorpse karakter van de wijk, maar bijvoorbeeld ook aan de klimaatopgaven. Groen in de tuin geeft, naast een fijne sfeer, veel meer voordelen vergeleken met een volledig verharde tuin. Planten, grassen en bomen hebben namelijk een verkoelende werking door schaduw en verdamping. Daarnaast houdt het groen veel minder warmte vast dan wanneer er gekozen wordt voor bestrating.
Een variatie aan groene voortuinen werkt mee aan de biodiversiteit van de stad. Een groenvak in de vaste grond zorgt ervoor dat het hemelwater makkelijker wordt opgenomen en afgevoerd. Halfverharding kan hiervoor ook worden toegepast. Dit kan ook voor de inritten en parkeerplaatsen worden 30
gebruikt. ACHTERTUIN Sommige woningen hebben een tuin aan het water. Aan het water wordt een groen talud aangebracht. Op sommige delen kan er ook gekozen worden om een verlaagd deel te realiseren. Op deze manier wordt de relatie met het water nog meer versterkt. Hierover staat meer beschreven in het volgende hoofdstuk. PARKEREN EIGEN TERREIN De vrijstaande-, en twee-onder-een-kap woningen beschikken over een eigen inrit. Elke inrit geeft toegang tot het parkeren van twee auto’s naast elkaar op eigen terrein aan de zijkant van de woning. De geparkeerde auto’s mogen niet verder steken dan de achterzijde van de woning. Op deze manier wordt de parkeerdruk in het openbaar gebied zoveel mogelijk ontlast. De parkeerplaatsen liggen uitsluitend naast elkaar en moeten afzonderlijk van elkaar bereikbaar zijn. Parkeren vindt zoveel als mogelijk plaats achter de voorgevel, maar als dit aantoonbaar tot problemen leidt dan kan de gemeente beslissen om hier in individuele gevallen vanaf te wijken. De parkeerplaatsen op eigen terrein hebben een afmeting van minimaal 2.50m bij 5.00m. Om voldoende ruimte te bieden voor passeren en/of uitstappen naast een harde barrière (zoals een schutting, muur, garage etc.), wordt naast de parkeerplaatsen minimaal 0,45m vrije ruimte vrijgelaten.
Wanneer de parkeerplaatsen in de lengte aan een harde barrière grenzen, zoals een muur of haag, wordt de lengte van de parkeerplaats vergroot met 0.50m.
Strakke rooilijn Wisselende rooilijn Parkeerplaats eigen terrein Rooilijn en parkeren eigen terrein in fase A-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
3.5 ERFAFSCHEIDING ERFAFSCHEIDING VOORZIJDE WONINGEN AAN DE STRIP Langs De Strip gelden dezelfde beeldkwaliteitseisen als in de voorgaande fases. Dit betekent dat er wordt ingezet op gemetselde muurtjes van 0.60m hoog. Op deze manier blijft er een continue, herkenbaar beeld langs de Strip bestaan. Het gemetselde muurtje is passend in kleurstelling bij de woning. ERFAFSCHEIDING VOORZIJDE WONING Aan de voorzijde van de woningen in de rest van de wijk, wordt er ingezet op een groene uitstraling. Voor de woning wordt een haag aangeplant met een hoogte van 0.50m. Deze hoogte is ook gelijk de maximale eindhoogte. De haag wordt twee rijen dik aangeplant. Op deze manier ontstaat er gelijk na oplevering een groen beeld in de straat. Eventueel kunnen de hagen aangevuld worden met een staafmat hekwerk in het midden van de haag. De woningen die aan de voorzijde over een pergola of luifel beschikken hoeven niet ook een haag aan te planten in de voortuin. De erfafscheiding mag dan mee ontworpen zijn met de pergola of luifel. ERFAFSCHEIDING ACHTERZIJDE WONING Grenzend aan openbaar gebied Wanneer de achterzijde van de woningen grenzen aan openbaar gebied is een groene, kwalitatief hoogwaardige erfafscheiding een voorwaarde. Er kan gekozen worden voor een wintergroene haag van 1.80m of een begroeid staafmat hekwerk van 1.80m.
ERFAFSCHEIDING AAN HET WATER Aan de oevers zijn andere regels van toepassing. De kavels aan het water worden opgeleverd met een talud 1:1,5 vanaf het waterpeil tot kavelhoogte. Het plaatsen van een beschoeiing mag maar om aan het 32
water een fraai beeld te behalen is een lage beschoeiing nodig. Op deze manier blijft het zicht op het water zo open mogelijk. De beschoeiing is maximaal 0.30m hoog ten overstaande van het waterpeil. Geadviseerd wordt om deze beschoeiing in hout uit te voeren met een hoog duurzaamheidslabel. Na de beschoeiing moet het groene talud van1:1,5 tot hoogte van het kavel behouden blijven. Op de kaart op de volgende bladzijde zijn sommige delen voorzien van een blauwe doorgetrokken lijn. Bij de doorgetrokken lijn is er nog een andere optie naast het talud. Hier is het mogelijk een verlaagd deel aan te leggen. Na de beschoeiing van 0.30m zal de tuin minimaal 1.50m horizontaal verlopen. Dit is bijvoorbeeld voor een vlonder die als verblijfsplek kan worden ingericht. Door het verlaagde deel wordt het contact met het water gestimuleerd. Na deze 1.50m zal er vervolgens een damwand/ keermuur of talud moeten worden aangebracht. Dit is tot de hoogte van de rest van het kavel. ERFAFSCHEIDING ZIJERF WONING Als een zijerf aan openbaar gebied grenst, is een groene erfafscheiding een vereiste. Een haag van 0.50m hoog is verplicht tot aan de voorgevelrooilijn maar mag verder worden doorgetrokken om zicht op de zijgevel vrij te geven. Op deze manier loopt de erfafscheiding van de voorzijde mooi over tot aan het zijerf.
Vanaf de achterzijde van het kavel tot maximaal de voorgevelrooilijn wordt er een volledig wintergroene begroeid staafmat hekwerk van 1.80m geplaatst.
Gemetseld muurtje van 0.60m hoog, passend bij de woning. Wintergroene haag van 1.80m en/of begroeid staafmat hekwerk van 1.80m. Wintergroene haag van 1.80m of 0.50m of een begroeid staafmat hekwerk van 1.80m. Haag in eindhoogte aangeplant van 0.50m, twee rijen dik. Eventueel met een staafmat hekwerk Groen talud 1:1,5, eventueel met beschoeiing van max 0.30m. Ook keuze voor een verlaagd deel. Type erfafscheidingen in fase A-Zuid. Aan deze tekening kunnen geen rechten worden ontleent.
Groen talud 1:1,5, eventueel met beschoeiing van max 0.30m.
3.6 DUURZAAMHEIDSAMBITIES Toekomstbestendige nieuwbouw vraagt om integraal werken. Samen opzoek gaan naar gebiedsspecifieke kansen en uitdagingen, en zo vroeg mogelijk het goede gesprek voeren. Van ingebouwde nestkasten tot aan het aanbieden van deelmobiliteit. Maatregelen nemen wij graag zo vroeg mogelijk in het ontwerp. Want hoe eerder, hoe beter, hoe makkelijker en goedkoper het eindresultaat. BANGERT & OOSTERPOLDER FASE 5B ZUID EN A ZUID In 2010 zijn er al afspraken gemaakt tussen ontwikkelaren en de gemeente Hoorn. Het Convenant Toekomstbestendig Bouwen staan daar los van. Er is veel veranderd sinds 2009. Doel is om samen kansen te signaleren en te benutten. CONVENANT TOEKOMSTBESTENDIG BOUWEN Bij gebiedsontwikkeling hanteert de gemeente Hoorn het Convenant Toekomstbestendig Bouwen. Niveau Brons van het toetsingskader is hierbij het vertrekpunt. Het toetsingskader bestaat uit zes duurzaamheidsthema’s. Per thema wordt afgewogen welke maatregelen er worden getroffen. TOETSINGSKADER De doelen en indicatoren van het convenant zijn zo gekozen dat bestaande meetmethoden, normeringen en andere instrumenten goed bruikbaar blijven zodat plannen hieraan kunnen worden getoetst in ontwerp en realisatie. Voor een aantal van de indicatoren bestaan wettelijke eisen. Bijvoorbeeld voor de MPG score en de BENG. Bovenop de wettelijke eisen stelt dit 34
convenant op alle indicatoren een extra ambitie (brons, zilver of goud). De indicatoren en ambitieniveaus dienen als een instrument om de gevraagde ambitie per nieuwbouwproject door de gemeente zelf te toetsen. AANPAK TOEKOMSTBESTENDIG BOUWEN De afbeelding hieronder laat de aanpak van het toekomstbestendig bouwen zien in drie overzichtelijke stappen.
Beeldkwaliteitsplan A Zuid
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase A Zuid
Bijlage 3 Aanmeldnotitie
47
Memo Opdrachtgever:
Gemeente Hoorn
Projectnummer:
P003160 en P003163
Onderwerp:
project-mer-beoordeling woningbouw Bangert en Oosterpolder fase 5B Zuid en fase A Zuid
Datum:
2 mei 2025
Auteur:
1.
Inleiding
1.1
PLANIDEE EN PLANLOCATIE
De wijk Bangert en Oosterpolder is een grootschalige planontwikkeling in de noordoostelijke hoek van de gemeente Hoorn. Al sinds het begin van dit millennium wordt het gebied gefaseerd ontwikkeld. Nu zijn fase A Zuid en fase 5B Zuid aan de beurt. Het streven voor heel fase 5 is een wijk die een samenhangende buurt vormt tussen de Bangert en de Westerblokker. Dat betekent dat de buurten herkenbaar zijn met hun eigen karakter en inrichting. In totaal worden in fase 5B Zuid 154 woningen gerealiseerd. In fase A Zuid worden 102 woningen gebouwd. Op afbeelding 1 is een overzichtstekening van de twee fasen opgenomen. Bangert en Oosterpolder fase 5B en A Zuid worden gelijktijdig ontworpen, zij het dat twee losse TAM-IMRO procedures worden gebruikt voor beide deelgebieden. Wel wordt de ontwikkeling van de twee deelfasen her en der tezamen beschreven en beschouwd, zo ook in deze m.e.r.-beoordeling.
Afbeelding 1. Overzicht Bangert en Oosterpolder fase 5B Zuid (noordelijk deel) en fase A Zuid (zuidelijk deel)
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
2
1.2
AANLEIDING
Zoals gesteld is de gemeente Hoorn al jaren bezig met de doorontwikkeling van Bangert en Oosterpolder. Voorliggende fasen 5B Zuid en fase A Zuid sluiten aan op deze doorontwikkeling en was voorzien in de plannen die de gemeente heeft geschetst in divers gemeentelijk beleid voor Bangert en Oosterpolder. Het gemeentelijk omgevingsplan van Hoorn bestaat vooralsnog uit het omgevingsplan van rechtswege. Voor deze locatie is dit het geldende bestemmingsplan en de bruidsschat. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader. Hiervoor moet het planologisch regime gewijzigd worden, dan wel moet hierop worden afgeweken. Er is gekozen voor de realisatie via een wijziging van het omgevingsplan middels TAM-IMRO. De twee fasen volgen elk hun eigen, separate procedure. De wijziging heeft betrekking op het wijzigen naar een woonfunctie met passende bouwmogelijkheden. Het opstellen van een project-mer-beoordeling is hiervoor noodzakelijk. De activiteit die hierbij mogelijk zal worden gemaakt, valt onder onderdeel J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Onderdeel J11 betreft: ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen, maar wordt in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. Dat betekent dat voor die projecten geen directe project-mer-plicht geldt.
Of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Omdat het project zal leiden tot een gehele functiewijziging van het plangebied, waarbij onbebouwd grasland wordt getransformeerd naar woningen, is het opstellen van een project-mer beoordeling noodzakelijk. 1.3
INITIATIEFNEMER EN BEVOEGD GEZAG
De gemeente Hoorn is de initiatiefnemer in het op gang brengen van deze ontwikkeling en heeft opdracht gegeven voor het opstellen van de wijziging van het Omgevingsplan, waar deze project-merbeoordeling onderdeel van uit maakt. Gemeente Hoorn is daarnaast ook het bevoegd gezag. 1.4
PLANOLOGISCHE INPASSING
In het plangebied gelden tot op het moment van inwerkingtreding van de wijziging op het omgevingsplan diverse bestemmingsplannen als onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan. Gebied A Zuid is onderdeel van het bestemmingsplan ‘Bangert en Oosterpolder’ (vastgesteld op 3 oktober 2006), waarin het de bestemming ‘Woondoeleinden (uit te werken)’ en ‘Verkeer’ heeft. Ook loopt er een veiligheidszone voor een aardgastransportleiding over het zuiden van het plangebied.
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
3
Daarnaast geldt voor een deel van het gebied het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1992’ (vastgesteld op 9 februari 1993). Hierin heeft het gebied grotendeels een agrarische bestemming. Gebied 5B Zuid is onderdeel van het bestemmingsplan ‘Bangert en Oosterpolder’ (vastgesteld op 3 oktober 2006), waarin het de bestemming ‘Woondoeleinden (uit te werken)’ en ‘Groenvoorzieningen 3’ heeft. Daarnaast geldt voor een deel van het gebied het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 1992’ (vastgesteld op 9 februari 1993). Hierin heeft het gebied grotendeels een agrarische bestemming. Er zijn ook andere gemeentelijke facet-, veeg- en herzieningsplannen op de twee locaties van toepassing. De geplande woningbouw past niet binnen het huidige ruimtelijke kader. Daarom zal een wijziging op het omgevingsplan worden vastgesteld, waarmee een nieuw en passend juridisch-planologisch kader voor het toekomstig gewenst gebruik en het bouwen wordt geboden. 1.5
PROCEDURELE ASPECTEN1
Het bevoegd gezag beslist over de project-mer-beoordeling (wel/niet een MER maken). Dat is de merbeoordelingsbeslissing. Deze moet binnen 6 weken na ontvangst van de mededeling worden genomen. Zie hiervoor artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. Uitkomst mer-beoordeling: er moet een mer gemaakt worden Als het project mogelijk aanzienlijke milieueffecten kan hebben, dan beslist het bevoegd gezag dat er een mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De aanvrager wordt gewezen op bezwaar en beroepsmogelijkheden. Er moet eerst een MER worden uitgevoerd voordat het bevoegd gezag kan beslissen over de aanvraag. Totdat het MER is opgesteld en ingediend, laat het bevoegd gezag een eventuele aanvraag buiten behandeling. Het bevoegd gezag neemt de beslissing op de mer-beoordeling en de motivering ook op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend
1
https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/milieueffectrapportage/project-mer-beoordeling/
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
4
Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en wijst de aanvraag af, omdat er geen MER bij de aanvraag zit (artikel 16.49, lid 4 Omgevingswet). Het bevoegd gezag stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. De motivering van de beslissing wordt opgenomen in het besluit. Uitkomst mer-beoordeling: er hoeft geen mer gemaakt te worden Als aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten, beslist het bevoegd gezag dat er geen mer nodig is. De initiatiefnemer heeft een aanmeldnotitie ingediend voorafgaand aan de aanvraag Het bevoegd gezag beslist over de mer-beoordeling en stuurt het besluit met de motivering schriftelijk naar de aanvrager. Het bevoegd gezag neemt de bijbehorende motivering later op in het (ontwerp)besluit. De initiatiefnemer heeft de aanmeldnotitie en aanvraag samen ingediend Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de project-mer-beoordeling met de motivering op in het (ontwerp)besluit op de aanvraag. Dit staat in artikel 11.11, lid 2, van het Omgevingsbesluit. 1.6
INHOUDELIJKE EISEN AAN DE MER-BEOORDELING
In de beoordeling worden de milieueffecten van het voornemen beschreven. In de praktijk wordt de beoordeling vaak in de vorm van een aparte notitie geschreven (aanmeldnotitie). Deze beoordeling is vormvrij, maar er zijn wel eisen aan de inhoud. Deze eisen in bijlage III bij de mer-richtlijn zijn omgezet naar artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Een mededeling moet een beschrijving bevatten van: •
het project: de fysieke kenmerken en de locatie;
•
de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het project;
•
wanneer die informatie beschikbaar is: de mogelijk aanzienlijke effecten door verwachte residuen, emissies en productie van afvalstoffen en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen.
In de beoordeling kan ook een beschrijving opgenomen worden van de kenmerken van het voorgenomen project. En van de voorgenomen maatregelen, om mogelijk aanzienlijke effecten te beperken of te voorkomen. Een mer is dan niet nodig, zie artikel 11.10, lid 3, van het Omgevingsbesluit. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de Europese mer-richtlijn (2011/92/EU2). De initiatiefnemer levert deze informatie vaak aan bij het bevoegd gezag. De 3 hoofdcriteria zijn:
2
https://eur-lex.europa.eu/eli/dir/2011/92
datum 02-05-2025
projectnummer P003160 en P003163
5
1.
de kenmerken van het project;
2.
de plaats van het project;
3.
de kenmerken van de potentiële effecten.
2. Beoordeling Criteria
Beschrijving van mogelijke effecten
Noodzaak m.e.r.-procedure
Hoofdthema 1: Kenmerken van het project A.
De omvang en het ont-
J.11 ‘stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw
werp van het gehele pro-
van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen’. Voor dit
ject.
onderdeel zijn geen drempelwaarden opgenomen maar wordt
Nee
in kolom 2 vermeld ‘Niet van toepassing’. De twee locaties zijn nu onbebouwde graslanden. In totaal worden in fase 5B Zuid 154 woningen gerealiseerd. In fase A Zuid worden 102 woningen gebouwd. B.