CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 - Alle regelingen en voorgestelde wijzgingen

Algemene Raadscommissie - Raadzaal 23 januari 2024, gemeente HoornBij agendapunt: Zienswijzen aanpassing gemeenschappelijke collegeregelingen (Portefeuillehouder Nieuwenburg)33.480 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Uiterlijk 15 juli na afloop van het dienstjaar stelt het algemeen bestuur een jaarverslag vast van de door het bestuur van de dienst verrichte werkzaamheden. Dit jaarverslag wordt ter kennis toegezonden aan de raden van de deelnemers.

Pagina 58 van 139

Artikel 29 Batig saldo Indien de rekening sluit met een batig saldo, besluit het algemeen bestuur met inachtneming van artikel 28 of dit saldo: a. geheel of gedeeltelijk zal worden gereserveerd conform een door het algemeen bestuur vast te stellen reserveringsbeleid; b. geheel of gedeeltelijk zal worden gebruikt voor extra investeringen, dan wel, c. geheel of gedeeltelijk zal worden uitgekeerd aan de deelnemers in de verhouding waarin zij overeenkomstig de in artikel 30 bedoelde verdeelsleutel bijdragen in het exploitatietekort. Artikel 30 Financiering 3. Voor het betalen van rente en aflossing van geldleningen en in rekening-courant opgenomen gelden staan de deelnemers garant voor zover ter zake door ander overheidsorganen geen garantie is verstrekt. 4. De deelnemers nemen aan de garantie deel in de verhouding van het aantal inwoners op 1 januari van het jaar voorafgaande aan dat waarin de garantie is verleend. Het bepaalde in artikel 31 lid 3 inzake de vaststelling van het aantal inwoners in hierbij van overeenkomstige toepassing. Indien uit deze bepaling in enig jaar voor de deelnemers betalingsverplichtingen voortvloeien, worden deze aan de met de deelnemers te verrekenen bijdrage toegevoegd. Artikel 31 Verdeling van de baten en lasten 8. De lasten van het lichaam worden gedekt door: g. algemene bijdragen van de deelnemers op basis van het aantal inwoners; h.

gemeentelijke bijdrage jeugdgezondheidszorg en adolescenten op basis van het aantal 0-4 jarigen en 12-18 jarigen van de deelnemer alsmede de gemeentelijke bijdrage Rijksvaccinatieprogramma; i. bijdragen van de deelnemers voor huisvesting Jeugdgezondheidszorg op basis van de werkelijke kosten in hun gemeente; j. gemeentelijke bijdrage OGGZ Kop van Noord-Holland door de deelnemers uit de Kop van Noord-Holland op basis van het aantal inwoners van deze deelnemers; k. subsidies, andere bijdragen dan de onder a van dit lid bedoelde bijdragen en schenkingen; l. overige inkomsten. 9. De in het vorige lid onder a bedoelde bijdragen omvatten de jaarlijkse lasten, voor zover deze niet door de opbrengsten uit andere vergoedingen worden bestreden. 10. Voor de vaststelling van de bijdragen als bedoeld in lid 1 onder a, b en d geldt het volgende uitgangspunt: de bijdragen van de deelnemers worden bepaald naar rato van het aantal inwoners of specifieke leeftijdsgroep van inwoners van de deelnemers op 1 januari van het jaar, voorafgaande aan dat waarvoor de bijdrage verschuldigd is. Voor de vaststelling van het aantal inwoners worden de door het Centraal Bureau voor de Statistiek bekend gemaakte bevolkingscijfers aangehouden.

Pagina 59 van 139

11. De deelnemers betalen een vierde gedeelte van de volgens de begroting over enig jaar boekjaar geraamde bijdrage bij wijze van voorschot in de eerste maand van elk kalenderkwartaal. 12. Het vaststellen van de door elke deelnemer verschuldigde bijdrage gebeurt tegelijkertijd met de vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur. 13. Het dagelijks bestuur doet van het vaststellen van de bijdragen mededeling aan de raden van de deelnemers. 14. Binnen vier weken na ontvangst van de in het vijfde lid bedoelde mededeling worden de door de deelnemers verschuldigde bijdragen verrekend met de ingevolge het derde lid betaalde voorschotten. HOOFDSTUK 9 ARCHIEF Artikel 32 Archiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 33 Archiefbeheer 1. De directeur Publieke Gezondheid is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

Artikel 34 Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar. Artikel 35 Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar.

Pagina 60 van 139

Artikel 36 Verantwoording 1. De archivaris van Regionaal Historisch Centrum Alkmaar brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. Artikel 37 Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. HOOFDSTUK 10 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING, OPHEFFING, GESCHILLEN EN EVALUATIE Artikel 38 3. Toetreding tot de regeling kan plaats vinden bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van de toetredende gemeente, nadat het algemeen bestuur met deze toetreding heeft ingestemd. 4.

Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan aan de toetreding voorwaarden verbinden. Artikel 39 Voorwaarden uittreding 18. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 19. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van de raad en het college van burgemeester en wethouders. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van alle deelnemers uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 4 van deze regeling, wenst terug te nemen. 20. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de raden en colleges van de overige deelnemende gemeenten. 21. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen.

Pagina 61 van 139

22. Na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept-uittredingsregeling overeen, welke door de deelnemers wordt vastgesteld, waarbij de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze worden afgewogen. In de concept-uittredingsregeling worden de personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding geïnventariseerd, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de concept-uittredingsregeling. 23. Het algemeen bestuur van GGD Hollands Noorden en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden.

24. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling, waarbij bij het bepalen van de hoogte van de schade in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar wordt gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 25. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 7 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 26. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 7 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 27. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt.

Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van het inwoneraantal van de uittredende deelnemer. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 28. Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 29. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals

Pagina 62 van 139

investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoeld in artikel 31 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende gemeente naar rato van uittreding. 30. De kosten als bedoeld in lid 11 en lid 12 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 31. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het zevende t/m negende lid, vragen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige. De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 32. Het algemeen bestuur stelt de concept-uittredingsregeling vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 33.

Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 34. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 40 Wijziging 5. Elke deelnemer, het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen voorstellen doen voor wijzigingen van de regeling. 6. Een voorstel tot wijziging van een of meer deelnemers of het dagelijks bestuur wordt aan het algemeen bestuur gezonden. 7. Het algemeen bestuur behandelt het verzoek tot wijziging als bedoeld in het tweede lid binnen drie maanden na ontvangst. Met de beschouwing en opmerkingen van het algemeen bestuur wordt het voorstel aan de deelnemers gezonden. 8. De regeling kan worden gewijzigd indien tenminste twee derde van het aantal deelnemers tenminste vertegenwoordigende twee derde van het aantal inwoners van het samenwerkingsgebied, hiertoe besluiten. Artikel 41 Opheffing 5. De regeling wordt opgeheven wanneer tenminste twee derde van het aantal deelnemers, tenminste vertegenwoordigende twee derde van het aantal inwoners van het samenwerkingsgebied, daartoe besluiten. 6.

In geval van opheffing besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt het daarvoor de nodige regels. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

Pagina 63 van 139

7. Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de colleges van de deelnemers gehoord, vastgesteld. 8. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de deelnemers: a. tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing; b. in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel. Artikel 42 Geschillen 4. Als er tussen het algemeen bestuur en/of dagelijks bestuur van deze regeling en een of meer deelnemers onderling een geschil ontstaat over de uitvoering van deze regeling, treden dagelijks bestuur en de deelnemer(s) direct met elkaar in overleg om het geschil verder te verkennen en op te lossen. 5. Als onderling het geschil niet opgelost kan worden, wijst iedere partij een deskundige aan. Deze deskundigen brengen gezamenlijk een (niet bindend) advies uit. 6. Op geschillen tussen de deelnemers onderling of tussen deelnemer(s) en GGD HN is artikel 28 van de wet van toepassing. Artikel 43 Evaluatiebepaling 7. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 8.

Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 9. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het dagelijks bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 10. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 11. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het dagelijks bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 12. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode.

Pagina 64 van 139

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALING Artikel 44 Slotbepaling 1. Deze regeling treedt in werking op 1 april 2007. 2. Een wijziging van de regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking. 3. De regeling kan worden aangehaald als Gemeenschappelijke Regeling Gemeentelijke Gezondheidsdienst Hollands Noorden. 4. Het gemeentebestuur van Alkmaar is het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 26 van de wet en maakt deze tijdig in alle gemeenten bekend door kennisgeving hiervan in het Gemeenteblad. 5. In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet, beslist het algemeen bestuur.

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente < gemeentenaam >

Pagina 65 van 139

Toelichting op de regeling Gemeenschappelijke regeling GGD Hollands Noorden – toelichting Deze regeling sluit zoveel mogelijk aan bij de bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Gemeentewet. Hieronder volgt waar nodig een toelichting op de artikelen. Overal waar ‘hij’ of ‘zijn’ staat, zou ook ‘zij’ of ‘haar’ kunnen staan. Artikelsgewijze toelichting Artikel 4 Taken Artikel 4 van deze regeling beschrijft het takenpakket van GGD Hollands Noorden. De Wpg beschrijft de basistaken van gemeenten. Niet alle gemeenten of derden zullen evenveel gebruik maken van het uniforme aanbod. Dit is soms afhankelijk van incidenten (bijvoorbeeld een infectieziekte of crisis op een school), soms van de bevolking (bijvoorbeeld gezondheidsverschillen) of van het beroep dat men doet op GGD Hollands Noorden (bijvoorbeeld specifieke expertise) en de vrije keuze van klanten om gebruik te maken van het aanbod van GGD Hollands Noorden. Op basis van de Wet op de lijkbezorging is de functie van Gemeentelijk Lijkschouwer belegd bij GGD Hollands Noorden. De Gemeentelijk Lijkschouwers worden daarmee benoemd en ontslagen door de directeur Publieke Gezondheid op basis van mandaat van het dagelijks bestuur. Hieronder volgen de relevante bepalingen uit de Wet publieke gezondheid, Wet kinderopvang en Wet op de lijkbezorging Artikel 2 Wpg 1.

Het college van burgemeester en wethouders bevordert de totstandkoming en de continuïteit van en de samenhang binnen de publieke gezondheidszorg en de afstemming ervan met de curatieve gezondheidszorg en de geneeskundige hulpverlening bij ongevallen en rampen. 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor: a. het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking, b. het elke vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijke gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 13, tweede lid, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens over deze gezondheidssituatie, c. het bewaken van gezondheidsaspecten in bestuurlijke beslissingen, d. het bijdragen aan opzet, uitvoering en afstemming van preventieprogramma’s, met inbegrip van programma’s voor de gezondheidsbevordering, e. het bevorderen van medisch milieukundige zorg, f. het bevorderen van technische hygiënezorg, g. het bevorderen van psychosociale hulp bij rampen, h. het geven van prenatale voorlichting aan aanstaande ouders. (……….) Artikel 5 Wpg 1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de jeugdgezondheidszorg. 2.

Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor:

Pagina 66 van 139

a. het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van jeugdigen en van gezondheidsbevorderende en bedreigende factoren, b. het ramen van de behoeften aan zorg, c. e vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen, met uitzondering van het perinatale onderzoek op phenylketonurie (PKU), congenitale hypothyroïdie (CHT) en adrenogenitaal syndroom (AGS), d. het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding, e. het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen. (………) Artikel 5a Wpg 1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de ouderengezondheidszorg. 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde taak draagt het college van burgemeester en wethouders in ieder geval zorg voor: a. het op systematische wijze volgen en signaleren van ontwikkelingen in de gezondheidstoestand van ouderen en van gezondheidsbevorderende en -bedreigende factoren; b. het ramen van de behoeften aan zorg; c. de vroegtijdige opsporing en preventie van specifieke stoornissen als comorbiditeit; d. het geven van voorlichting, advies, instructie en begeleiding; e. het formuleren van maatregelen ter beïnvloeding van gezondheidsbedreigingen. (……..) Artikel 6 lid 1 Wpg 1.

Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de uitvoering van de algemene infectieziektebestrijding, waaronder in ieder geval behoort: a. het nemen van algemene preventieve maatregelen op dit gebied, b. het bestrijden van tuberculose en seksueel overdraagbare aandoeningen, inclusief bron- en contactopsporing, c. bron- en contactopsporing bij meldingen als bedoeld in de artikelen 21, 22, 25 en 26. (……….) Artikel 6b leden 3 t/m 5 Wpg (………) 3. Het college van burgemeester en wethouders draagt mede zorg voor het deel van het vaccinatieprogramma dat daartoe bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen. Het college draagt ervoor zorg dat deze wordt uitgevoerd door de organisatie, of onder verantwoordelijkheid van die organisatie, die voor het college de jeugdgezondheidszorg, bedoeld in artikel 5, uitvoert. 4. Het college van burgemeester en wethouders past bij de uitvoering van het vaccinatieprogramma de vaccins toe die door of vanwege het RIVM worden verstrekt. De vaccins blijven eigendom van het RIVM tot het moment van toediening. 5. Het college van burgemeester en wethouders draagt ervoor zorg dat aan het RIVM ten behoeve van de taken van het RIVM, bedoeld in het tweede lid, wordt gemeld welke organisatie voor de gemeente uitvoering geeft aan de vaccinaties. (………)

Pagina 67 van 139

Artikel 1.61 Wet kinderopvang 1. Het college ziet toe op de naleving van: a. de bij of krachtens de artikelen 1.45, derde lid, 1.47, eerste lid, 1.48d, tweede en derde lid, en de artikelen 1.49 tot en met 1.59 gestelde regels; b. de krachtens artikel 1.65 gegeven aanwijzingen en bevelen; en c. de krachtens artikel 1.66, eerste lid, gegeven bevelen tot sluiting dan wel de krachtens artikel 1.66, tweede lid, uitgevaardigde verboden. 2. Het college wijst de directeur publieke gezondheid van de GGD, bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Wet publieke gezondheid, aan als toezichthouder. 3. Voor zover een kindercentrum een voorziening voor gastouderopvang of een gastouderbureau in een woning is gevestigd, zijn de toezichthouders ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid, bevoegd zonder toestemming van de bewoners in die woning binnen te treden. Artikel 4 Wet op de lijkbezorging Burgemeester en wethouders verschaffen gelegenheid tot het doen schouwen van lijken. Zij benoemen een of meer gemeentelijke lijkschouwers. Artikel 5 Wet op de lijkbezorging Uitsluitend artsen die als forensisch arts zijn ingeschreven in een daartoe gehouden register, worden benoemd als gemeentelijke lijkschouwer. Artikelen 10 t/m 12 (Hoofdstuk 4) In de artikelen 10 t/m 12 zijn de bevoegdheden geregeld. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de bedrijfsvoering van GGD Hollands Noorden.

Het dagelijks bestuur mandateert een deel van zijn bevoegdheden binnen nadere voorwaarden aan de Directeur Publieke Gezondheid en houdt daarop toezicht. Accountancy en controlling verzekeren de bestuurlijke positie. Op de mandaatverlening is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, die onder andere bepaalt dat de gemandateerde bevoegdheid wordt uitgeoefend namens het bestuursorgaan. De verantwoordelijkheid voor het in mandaat genomen besluit blijft dus bij het mandaterende orgaan. Artikel 13 Vergaderingen van het algemeen bestuur De vergaderfrequentie van het algemeen bestuur volgt de planning- en controlcyclus van GGD Hollands Noorden. Deze cyclus sluit aan bij de beleidscyclus van gemeenten en de spelregels die gemeenten daarvoor opgesteld hebben. Hierdoor kunnen gemeenten tijdig invloed uitoefenen op het beleid en de financiële kaders van GGD Hollands Noorden. Artikel 21 Personeel Het algemeen en dagelijks bestuur volgen het VNG-model van de Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de Uitwerkingsovereenkomst (CarUwo) en voor de Stichting Jeugdgezondheidszorg de CAO VVT (Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg). Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen (artikelen 23 t/m 31) Op de financiële bepalingen zijn de artikel 186 t/m 213 van de Gemeentewet van toepasing. Van belang zijn vooral artikel 186 en de artikelen 212 en 213 van de Gemeentewet.

Artikel 186 van de Gemeentewet stelt dat ‘de begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, het jaarverslag en de jaarrekening ……. Voldoen aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te geven regels’. Voor GGD Hollands Noorden betreft dit het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV). Artikel 212 van de Gemeentewet bespreekt de noodzakelijke verordeningen van het algemeen bestuur voor met name waardering en afschrijving van activa en voor de financieringsfunctie.

Pagina 68 van 139

Artikel 213 van de Gemeentewet bespreekt vooral de controle op de jaarrekening en de rol van de door het algemeen bestuur benoemde accountant daarbij. Het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) is leidend voor wat betreft de verplichte boekhoudkundige vereisten aan de begroting, meerjarenraming en jaarrekening.

Pagina 69 van 139

Gemeenschappelijke Regeling:

Omgevingsdienst Noord-Holland Noord

Conform kaderstellend besluit:

Ja (na opnemen wijzigingen conform voorstel Regietafel)

Artikel Wgr

Onderwerp

Artikel GR

1

nvt

10 lid 7 11A 17

Zienswijzeprocedure aangaan/treffen/wijziging regeling Opnemen voorwaarden uittreding en de gevolgen daarvan Aanvullende zienswijze en nieuwe uiterlijke termijnen kadernota, begroting, jaarrekening en meerjarenbeleidsplannen. Participatie van ingezetenen Evaluatie Actieve informatieplicht vanuit bestuur

24A Technisch

Gemeenschappelijke adviescommissie Archiefparagraaf

nvt Artikel 40

9 10, lid 5 en 6 en 34, 34b en 35

Toelichting afwijking

Voorstel (is verwerkt in de GR) Regietafel

Voorstel was om dit niet op te nemen

Voorstel AB overnemen.

Bepaling dat “de informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd”, ontbreekt. De reden hiervan is dat het voor de OD te onbepaald is geformuleerd. Vanuit het accounthoudersoverleg zou duidelijk moeten worden gemaakt welke details politiek relevant zijn.

Voorstel AB niet overnemen: voorstel GR voldoet niet aan kaderstellend besluit.

Artikel 38 Artikel 28, 29, 30, 31 Artikel 21 Artikel 42 Artikel 16

Overige wijzigingen Technisch/ inhoudelijk technisch

Artikel GR

Onderwerp

Voorstel (is verwerkt in de GR) Regietafel

aanhef

Overnemen

technisch

32

Wijziging gemeente Langedijk en Heerhugowaard naar gemeente Dijk en Waard Verwijzing in artikel over bestemming batig saldo naar zienswijze-traject bestemming resultaat jaarrekening

Pagina 70 van 139

Overnemen

Pagina 71 van 139

Overzicht gewijzigde artikelen na wijziging van de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (was-wordt lijst) Betreft wijziging in verband met gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen en het overnemen van een standaard-archiefbepaling op voorstel van de archiefinspecteurs in Noord-Holland Noord Huidige tekst

Tekst na wijziging

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Enkhuizen, Heerhugowaard, Heiloo, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Langedijk, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec, en Texel,

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Alkmaar, Bergen, Castricum, Den Helder, Drechterland, Dijk en Waard, Enkhuizen, Heiloo, Hollands Kroon, Hoorn, Koggenland, Medemblik, Opmeer, Schagen, Stede Broec, en Texel, Artikel 16: Actieve informatieplicht van bestuur aan vertegenwoordigende organen Het bestuur van het openbaar lichaam, verstrekt de vertegenwoordigende organen van de deelnemers de inlichtingen die deze organen nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Bij de informatieverstrekking geldt dat: • •

•

Relevante informatie in een zo vroeg mogelijk stadium wordt verschaft; Informatie op hoofdlijnen wordt verstrekt, behalve als een detail (politiek) relevant is of als er specifiek om is gevraagd. Schriftelijke inlichtingen zendt het bestuur (dagelijks bestuur, algemeen bestuur en/of voorzitter) rechtstreeks naar en gelijktijdig aan de vertegenwoordigende organen en in cc aan de colleges van de deelnemers. Indien de informatie wordt verstrekt door dagelijks bestuur of voorzitter dan wordt het algemeen bestuur vooraf geïnformeerd.

1

Artikel 21: Participatieregeling Op grond van de artikelen 4 tot en met 6 zijn aan de omgevingsdienst adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving van de fysieke leefomgeving in mandaat opgedragen. De participatie van ingezetenen en andere belanghebbenden vindt plaats bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid bij onze deelnemers. In verband hiermee stelt de omgevingsdienst geen participatieregeling op.

Artikel 26: Voorbereiding begroting 1. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 december van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders (kadernota), opgesteld conform de Financiële Uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen Noord-Holland Noord aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. 2. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen uiterlijk 1 maart hun zienswijze op de kadernota naar voren brengen.

Artikel 28: Kadernota 1.

2.

3.

Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 december van het jaar voorafgaande aan dat waarin de kadernota wordt vastgesteld, de algemene financiële en beleidsmatige kaders (kadernota), opgesteld conform de Financiële Uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen NoordHolland Noord aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen voor 1 maart hun zienswijze op de kadernota naar voren brengen. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de vertegenwoordigende organen van de deelnemers voorafgaande aan het vaststellen van de kadernota schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

2

4. 5.

6.

Het algemeen bestuur stelt de kadernota vóór 15 maart vast. Het algemeen bestuur geeft in het besluit aan wat de overwegingen zijn geweest met betrekking tot de zienswijzen. Het dagelijks bestuur zendt het besluit en de kadernota aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, binnen twee weken na de vaststelling als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 29: De meerjarenbeleidsplannen 7. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling biedt een concept meerjarenbeleidsplan aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers aan voor zienswijze. 8. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers geven binnen 10 weken na ontvangst van het concept meerjarenbeleidsplan hun zienswijze hierover aan het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. 9. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de vertegenwoordigende organen van de deelnemers voorafgaande aan het vaststellen van het meerjarenbeleidsplan schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Artikel 27: Vaststelling begroting

Artikel 30: Vaststelling begroting 1.

Het dagelijks bestuur stelt uiterlijk 15 april een ontwerp- begroting op conform de 3

1. Het dagelijks bestuur stelt vóór 15 april een ontwerp- begroting op conform de financiële uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen. 2. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerp- begroting vóór 15 april aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. 3. De colleges dragen er zorg voor dat de ontwerpbegroting voor een ieder ter inzage wordt gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarheid geschiedt openbare kennisgeving. 4. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen tot uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerp- begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp- begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 5. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. 6. In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de door hem aan de omgevingsdienst opgedragen taken als bedoeld in de artikelen 4 en 5. 7. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 8.

Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 1 augustus van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 9. Het bepaalde in het tweede, vierde en zevende lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat voor de datum in lid 4 in dat geval een andere datum kan worden aangegeven. 10. Van het bepaalde in het voorgaande lid kan worden afgeweken indien de begrotingswijziging

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

financiële uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen. Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting uiterlijk 15 april aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. De colleges dragen er zorg voor dat de ontwerp- begroting voor een ieder ter inzage wordt gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar wordt gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarheid geschiedt openbare kennisgeving. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen tot uiterlijk 25 juni hun zienswijze over de ontwerp- begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp- begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vóór 15 juli schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het tweede lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient. In de begroting wordt vastgelegd welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de door hem aan de omgevingsdienst opgedragen taken als bedoeld in de artikelen 4 en 5. Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen van 4

niet van invloed is op de hoogte van de bijdrage van de deelnemers.

Artikel 28: Vaststelling 1. Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 2. Het dagelijks bestuur zendt vóór 15 april van het jaar, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, de voorlopige jaarrekening, die is opgesteld conform de financiële uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen, inclusief het accountantsrapport, aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. 3. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen uiterlijk 25 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. Het dagelijks bestuur reageert gemotiveerd op deze zienswijzen en voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de voorlopige

de deelnemers, die ter zake bij de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties hun zienswijze naar voren kunnen brengen. 9. Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. 10. Het bepaalde in het tweede, vierde en zevende lid is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat voor de datum in lid 4 in dat geval een andere datum kan worden aangegeven. 11. Van het bepaalde in het voorgaande lid kan worden afgeweken indien de begrotingswijziging niet van invloed is op de hoogte van de bijdrage van de deelnemers. Artikel 31: Vaststelling 1.

2.

3.

Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. Het dagelijks bestuur zendt uiterlijk 15 april van het jaar, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, de voorlopige jaarrekening, die is opgesteld conform de financiële uitgangspunten Gemeenschappelijke regelingen, inclusief het accountantsrapport, aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers. De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen uiterlijk 25 juni bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de 5

jaarrekening, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. 4. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval voor 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

4.

5.

Artikel 29: Resultaatsbestemming 1. Indien de rekening sluit met een batig saldo, besluit het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele: a. te bestemmen voor de algemene reserve of de bestemmingsreserve; b. uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 27, zesde lid, van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft; 2. Indien de rekening sluit met een nadelig saldo, besluit het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele af te boeken van de algemene reserves, voor zover aanwezig. Indien het algemeen bestuur dit noodzakelijk oordeelt, wordt een plan opgesteld dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatiesaldo, waarbij tevens wordt bepaald of en zo ja, tot welk bedrag de deelnemers

concept bestemming van het rekeningresultaat naar voren brengen. Het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling stelt de vertegenwoordigende organen van de deelnemers voorafgaande aan het vaststellen van de jaarrekening schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijzen zijn vervat bij de voorlopige jaarrekening, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden. Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval uiterlijk 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 32: Resultaatsbestemming 1.

2.

Indien de rekening sluit met een batig saldo, besluit, met inachtneming van artikel 31, het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele: a. te bestemmen voor de algemene reserve of de bestemmingsreserve; b. uit te keren aan de deelnemers naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 30, zevende lid, van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft; Indien de rekening sluit met een nadelig saldo, besluit, met inachtneming van artikel 31, het algemeen bestuur dit saldo geheel of ten dele af te boeken van de algemene 6

zullen bijdragen in het nadelig exploitatiesaldo. Dit plan wordt eerst vastgesteld door het algemeen bestuur nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers gedurende een termijn van ten minste twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld hierover hun mening te geven. 3. Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in het tweede lid een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, dan wordt dit door de deelnemers gedragen naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 27, zesde lid, van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft. 3.

Artikel 35: Uittreding 1. Een deelnemer kan de omgevingsdienst schriftelijk verzoeken uit de regeling te treden na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan. 2. Een (verzoek tot) vermindering van taken zoals bedoeld in artikel 5, leden 4 en 5, van deze Regeling wordt gelijkgesteld aan een (gedeeltelijke) uittreding voor wat betreft deze taken. Alle leden van onderhavig artikel zijn daarom tevens van toepassing in geval van vermindering van taken. Dit betekent dat onder ‘uittreden’ steeds ook wordt verstaan ‘vermindering van taken’.

reserves, voor zover aanwezig. Indien het algemeen bestuur dit noodzakelijk oordeelt, wordt een plan opgesteld dat is gericht op het afbouwen en/of dekken van het nadelig exploitatiesaldo, waarbij tevens wordt bepaald of en zo ja, tot welk bedrag de deelnemers zullen bijdragen in het nadelig exploitatiesaldo. Dit plan wordt eerst vastgesteld door het algemeen bestuur nadat de vertegenwoordigende organen van de deelnemers gedurende een termijn van ten minste twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld hierover hun mening te geven. Wanneer het algemeen bestuur overeenkomstig het gestelde in het tweede lid een besluit heeft genomen omtrent het bijdragen door de deelnemers in het nadelig exploitatiesaldo, dan wordt dit door de deelnemers gedragen naar rato van ieders bijdrage, zoals deze op basis van artikel 30, zevende lid, van deze regeling is vastgesteld voor het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft.

Artikel 38: Uittreding 35. Gedurende een termijn van 4 jaar, te rekenen vanaf de datum van deelname aan/toetreding tot de regeling, is uittreding niet mogelijk. 36. Een deelnemer kan (geheel of gedeeltelijk) uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van de daartoe strekkende besluiten van het vertegenwoordigende orgaan en het college van de deelnemer. De procedure voor uittreding vangt aan op de dag nadat het algemeen bestuur de betreffende besluiten heeft ontvangen. Van gedeeltelijke uittreding is sprake indien de deelnemer slechts een deel van de door het samenwerkingsverband ten behoeve van 7

3. Uittreding geschiedt met inachtneming van een opzegtermijn van ten minste twaalf maanden, vanaf het moment dat de deelnemer zijn verzoek tot uittreding schriftelijk bij de Omgevingsdienst heeft ingediend. 4. Een deelnemer die uittreedt zoals bedoeld in lid 3, dient de schade te vergoeden die het rechtstreekse gevolg is van de uittreding uit de Regeling. 5. Het algemeen bestuur regelt de financiële en organisatorische gevolgen van de uittreding en stelt de verschuldigde schadeloosstelling vast . 6. Als sprake is van uittreden in de zin van het verminderen van taken, zoals bedoeld in artikel 5, leden 4 en 5, van deze Regeling, stelt het algemeen bestuur de verschuldigde schadeloosstelling vast aan de hand van de Beleidsregels vermindering extra takenpakket. 7. In bijzondere omstandigheden kan het algemeen bestuur een andere schadeloosstelling vaststellen.

deze deelnemer uitgevoerde taken, als bedoeld in artikel 5 van deze regeling, wenst terug te nemen. De besluiten tot een vermindering van taken zoals bedoeld in artikel 5, leden 4 en 5, van deze Regeling wordt gelijkgesteld aan een (gedeeltelijke) uittreding voor wat betreft deze taken. Alle leden van onderhavig artikel zijn daarom tevens van toepassing in geval van vermindering van taken. Dit betekent dat onder ‘uittreden’ steeds ook wordt verstaan ‘vermindering van taken’. 37. Het dagelijks bestuur zendt de besluiten tot (gedeeltelijke) uittreding van een deelnemer aan de vertegenwoordigende organen en colleges van de overige deelnemers. 38. Uittreding, geheel of gedeeltelijk, geschiedt per 1 januari van enig jaar, waarbij een opzegtermijn van tenminste één jaar in acht wordt genomen. 39. Na ontvangst van de in het tweede lid bedoelde besluiten, komen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur, uiterlijk 6 maanden voor de datum van uittreding, een concept-uittredingsregeling overeen. De concept-uittredingsregeling wordt door de deelnemers vastgesteld. Hierbij worden de belangen van de uittredende deelnemer en die van de achterblijvende deelnemers op reële en evenwichtige wijze afgewogen. In de concept-uittredingsregeling worden de volgende gevolgen van de uittreding opgenomen.

De personele, juridische, organisatorische en financiële gevolgen, waaronder de gevolgen voor het vermogen, van de uittreding worden geïnventariseerd. Voorts bevat de concept-uittredingsregeling de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan, de voorwaarden voor uittreding, de hoogte van de uittreedsom en de overname van personeel en/of overige verplichtingen door de uittredende deelnemer. Indien blijkt dat, als 8

gevolg van een mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen, een overleg met de bij de sector betrokken vakbonden noodzakelijk is ten behoeve van het opstellen van een sociaal plan, wordt de conclusie van dit overleg opgenomen in de conceptuittredingsregeling. 40. Indien het algemeen bestuur constateert dat de besluiten tot uittreding van de bestuursorganen van de deelnemer de vraag oproepen of continuering van de samenwerking in de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord redelijkerwijs nog wel mogelijk is, doet zij de deelnemers een voorstel tot opheffing van de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord als bedoeld in artikel 39 van deze regeling. 41. Het algemeen bestuur van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord en de uittredende deelnemer zullen zich inspannen om de nadelige gevolgen van de uittreding voor het openbaar lichaam en de uittredende deelnemer zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door personeel of andere verplichtingen over te nemen of anderszins in stand te doen houden. 42. Bij het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom is het uitgangspunt dat de uittredende deelnemer de reële schade van het openbaar lichaam én de overblijvende deelnemers dient te vergoeden, die rechtstreeks gevolg is van het (gedeeltelijk) uittreden uit de gemeenschappelijke regeling.

Bij het bepalen van de hoogte van de schade wordt in beginsel een afbouwperiode van 5 jaar gehanteerd, te rekenen vanaf de datum van uittreding. 43. De hoogte van de uittreedsom als bedoeld in lid 8 wordt slechts verhoogd indien er sprake is van substantiële langlopende en niet te mitigeren financiële verplichtingen, indien 9

vast staat dat deze zich zullen voor doen én in die becijferde omvang, waarbij de bijdrage in de kosten door de uittredende deelnemer naar rato wordt vastgesteld. 44. De uittreedsom bestaat uit de zakelijke gerechtvaardigde kosten, te weten de kosten die rechtstreeks ontstaan uit de uittreding (frictiekosten) en de bijdragen aan de overtollige kosten (desintegratiekosten) in de in lid 8 genoemde afbouwperiode, waarbij geen verrekening van het vermogen plaats vindt. 45. Op de uittreedsom wordt het aandeel van de uittredende deelnemer in de algemene reserve van het openbaar lichaam op de datum van uittreding in mindering gebracht, voor zover deze algemene reserve het benodigde weerstandsvermogen overschrijdt. Het aandeel in de algemene reserve wordt berekend naar rato van de bijdrage die de uittredende deelnemer verschuldigd is als bedoeld in artikel 30, lid 7. Indien er sprake is van een tekort in de algemene reserve ten opzichte van het benodigde weerstandsvermogen wordt de uittreedsom met dit tekort verhoogd overeenkomstig de hiervoor benoemde berekeningswijze. 46.

Onder frictiekosten wordt verstaan alle incidentele kosten in verband met de uittreding van de deelnemer, zoals de kosten van inhuur externe dienstverlening, kosten onderzoek accountant, kosten boventallig primair personeel, kosten opstellen sociaal plan, kosten boventallig decentrale personele overhead, kosten afwaardering activa. De frictiekosten komen volledig ten laste van de uittredende deelnemer. 47. Onder desintegratiekosten wordt verstaan alle doorbelaste kosten als gevolg van overcapaciteit in personele en materiele sfeer en andere verplichtingen, die ontstaan als direct gevolg van de uittreding 10

gedurende de in lid 8 genoemde afbouwperiode. De desintegratiekosten die direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, komen integraal voor rekening van de uittredende deelnemer voor de duur van maximaal 5 jaar. Desintegratiekosten die niet direct aan de uittredende deelnemer kunnen worden toegerekend, zoals investeringskosten, afschrijvingskosten, kantoorhuur, salariskosten en inhuur van personeel etc. komen naar rato van de kostenverdeelsleutel als bedoel in artikel 30 van de regeling, voor rekening van de uittredende deelnemer bij algehele uittreding. Bij gedeeltelijke uittreding komen de desintegratiekosten voor rekening van de uittredende deelnemer naar rato van uittreding. 48. De kosten als bedoeld in lid 12 en lid 13 worden door de accountant van het openbaar lichaam bepaald aan de hand van de jaarrekeningen over de afgelopen 3 jaar voorafgaand aan de datum van uittreding. De beoordeling van de kosten van uittreden wordt gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend zijn op het moment van de daadwerkelijke uittreding. 49. Met het oog op het vaststellen van de hoogte van de uittreedsom, als bedoeld in het achtste t/m tiende lid, vragen de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur gezamenlijk om een bindend advies aan een onafhankelijke externe deskundige.

De kosten voor het inschakelen van de externe deskundige zijn, als onderdeel van de frictiekosten, voor rekening van de uittredende deelnemer. 50. Het algemeen bestuur stelt de conceptuittredingsregeling inclusief de uitreedsom vast en stuurt deze aan de deelnemende bestuursorganen ter besluitvorming. De uittredingsregeling is vastgesteld indien 11

Artikel 37: Archief 1. De archivering van de dossiers van zaken volgt het bevoegd gezag. De deelnemers van de omgevingsdienst zijn verantwoordelijk voor de zorg van het archief met betrekking tot de door hun aan de omgevingsdienst opgedragen taken. De deelnemers kunnen het beheer van het archief uitbesteden aan de omgevingsdienst. 2. De omgevingsdienst heeft, conform artikel 40 van de Archiefwet, een voorziening die in lijn is met de bepalingen in de Archiefwet. Dat betekent dat het bestuur verplicht is de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 3. Het algemeen bestuur stelt een Archiefverordening en een Besluit Informatiebeheer vast en draagt het dagelijks bestuur de zorg op voor de archiefbescheiden van de omgevingsdienst. 4. Overeenkomstig de door het algemeen bestuur vastgestelde verordening komen de kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het derde lid bedoelde zorg, ten laste van de omgevingsdienst. 5. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden van het bestuur wordt een archiefbewaarplaats aangewezen.

tenminste twee derde van het aantal deelnemers hiertoe besluiten. 51. Gedurende de periode tussen het besluit tot uittreding en effectuering daarvan is de uittredende deelnemer gehouden al haar verplichtingen na te komen. 52. De uittreedsom dient binnen een termijn van 6 maanden na vaststelling als bedoeld in het zestiende lid door de uittredende deelnemer te zijn voldaan, tenzij in de uittredingsregeling een andere afspraak is gemaakt. Artikel 40: Archief 1. Archiefzorg Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam. 2. Archiefbeheer De directeur is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht. 3. Archiefbewaarplaats Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van Westfries Archief. 4. Toezicht Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Westfries Archief. 5. Verantwoording 12

6. De in het vijfde lid bedoelde archiefbescheiden worden beheerd door de archivaris van de archiefbewaarplaats. 7. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris van de omgevingsdienst. Met betrekking tot dit toezicht heeft het algemeen bestuur een Archiefverordening en een Besluit Informatiebeheer vastgesteld conform het derde lid.

1. De archivaris van Westfries Archief brengt minimaal tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. 2. Het dagelijks bestuur brengt minimaal tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam. 6. Terbeschikkingstelling 1. De deelnemers aan de regeling stellen aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. 2. De zorgdragers van partijen, genoemd in lid 1, stellen een verklaring van terbeschikkingstelling op waarin de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de terbeschikkingstelling gestelde archiefbescheiden worden geregeld. 7. Beheer archiefbescheiden opgedragen taken 1. De deelnemers aan de gemeenschappelijke regeling besteden het beheer van de archiefbescheiden, ontvangen en opgemaakt als gevolg van de opgedragen taken, uit aan de gemeenschappelijke regeling. 2.

Voor de uitvoering van het beheer zoals bepaald in het vorige lid, dragen de deelnemers de bevoegdheden voortvloeiende uit de Archiefwet, Archiefbesluit en Archiefregeling over aan 13

Artikel 39: Duur regeling 1 2

Deze Regeling is aangegaan voor onbepaalde tijd. Deze Regeling wordt in ieder geval elke vier jaar geëvalueerd.

het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling. Artikel 42: Evaluatiebepaling 1. Een evaluatie vindt minimaal 1 keer per 4 jaar plaats en heeft pas doorgang als de evaluatie en het betreffende onderwerp met een meerderheid van stemmen, uitgebracht door de deelnemers, wordt aangenomen. 2. Het dagelijks bestuur van de regeling zorgt er voor dat 1 jaar vóór het tijdstip waarop een evaluatie zal plaatsvinden een signaal uit gaat naar de deelnemers van de regeling, met daarbij een procesbeschrijving over het aandragen van de onderwerpen en, wanneer een stemverhouding ontbreekt, het stemmen daarover. 3. Wanneer met een evaluatie wordt ingestemd draagt het dagelijks bestuur zorg voor de uitvoering van de evaluatie. 4. De uitvoering van de evaluatie begint met een procesbeschrijving met daarin een beschrijving van het onderwerp, de manier waarop de evaluatie wordt uitgevoerd en binnen welke termijn. De procesbeschrijving vermeldt ook of de evaluatie extra kosten voor de deelnemers tot gevolg heeft. 5. Als de evaluatie conclusies en aanbevelingen bevat, dan verwerkt het dagelijks bestuur deze in een voorstel hoe hieraan gevolg wordt gegeven. 6. De gevolgen als bedoeld in het vorige lid, kunnen aanleiding zijn om te betrekken in de daarop volgende evaluatieperiode.

14

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Betreft: Besluit tot vaststelling van de gewijzigde Gemeenschappelijke regeling Regionale Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Gelet op de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen van 1 juli 2022; Gelet op het besluit van het Algemeen bestuur van om de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord te wijzigen. Gedeputeerde Staten van Noord Holland; De colleges van Burgemeester en Wethouders van Alkmaar; Bergen; Castricum; Den Helder; Drechterland; Dijk en Waard, Enkhuizen; Heiloo; Hollands Kroon; Hoorn; Koggenland; Medemblik; Opmeer; Stede Broec; Schagen; Texel. Besluiten: De Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord met ingang van 1 juli 2024 te wijzigen; Hiermee komt de Gemeenschappelijke Regeling als volgt te luiden:

Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen Artikel 1: Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: 1. algemeen bestuur: algemeen bestuur van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord; 2. colleges: colleges van de deelnemers; 3. dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord; 4. deelnemers: de aan de regeling deelnemende bestuursorganen; 5. gedeputeerde staten: college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland; 6. Omgevingsdienst: Omgevingsdienst Noord-Holland Noord; 7. Regeling: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord-Holland Noord ; 8. vertegenwoordigende organen: provinciale staten van Noord-Holland en raden van de deelnemende gemeenten; 9. Voorzitter: voorzitter van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord; 10. Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen. 15

11. Landelijk basispakket: het verplichte Landelijke Basistakenpakket zoals beschreven in Bijlage IV, behorende bij artikel 7.1, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, na inwerkingtreding van de Omgevingswet bijlage VI van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Hoofdstuk 2: Omgevingsdienst Noord-Holland Noord Artikel 2: Instelling 1. Er is een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. 2. De omgevingsdienst is gevestigd op het grondgebied van de gemeente Hoorn. Artikel 3: Belang 5. De regeling wordt getroffen voor de uitvoering van en ondersteuning bij taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving van de fysieke leefomgeving. 2. De taken, bedoeld in het eerste lid, betreffen in elk geval taken op het gebied van het omgevingsrecht in het algemeen en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in het bijzonder, alsmede de taken op het terrein van vergunningverlening, toezicht en handhaving op grond van de in artikel 5.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht genoemde wetten, dan wel de daarvoor in de plaats getreden wet- en regelgeving. Artikel 4: Landelijk Basistakenpakket milieu 1. De Omgevingsdienst is belast met het ten behoeve van de deelnemers uitvoeren van het Landelijk Basistakenpakket met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid. 2.

Als gevolg van gewijzigde wetgeving of anderszins wijziging van het Landelijke Basistakenpakket zal het dagelijks bestuur de consequenties hiervan aangeven aan het algemeen bestuur. 3. Tot het Landelijk Basistakenpakket wordt ook gerekend het in dit kader vervullen van adviserende taken op het terrein van de vergunningverlening, toezicht en handhaving ten behoeve van de deelnemers, alsmede coördinerende en afstemmende taken die voor de deelnemers tezamen worden verricht. Artikel 5: Overige milieutaken en taken betreffende de fysieke leefomgeving 1. In aanvulling op de taken uit het Landelijk Basistakenpakket kan de Omgevingsdienst op verzoek van een deelnemer voor deze deelnemer ook andere adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden inzake de vergunningverlening, toezicht en handhaving op het gebied van de fysieke leefomgeving verrichten met inachtneming van het door de deelnemers vastgestelde beleid. Het gaat onder andere om de volgende taken: • Alle overige wettelijke taken op het gebied van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het kader van de Wet milieubeheer • Specialistische adviezen behorend bij de overige milieutaken • Alle taken op het terrein van fysieke leefomgeving zoals klimaat, duurzaamheid, milieuzorg, communicatie en juridische zaken, geluid, lucht, externe veiligheid, bodem, water en RO-adviezen. 2.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=66a98556-1040-495a-9763-ed57be3e3bf8