Bijlage 3 - Motivering TAM plan
Tekst van het document
Bij de verdere uitwerking zal daarbij rekening gehouden worden met adequate vluchtwegen voor de aanwezige personen. Daarnaast dient de toekomstige bevolking goed geïnformeerd te worden over hoe te handelen bij een calamiteit. Het is van belang dat zij daarbij op de hoogte zijn van de schuil- en vluchtmogelijkheden. Alsmede moet bij de verdere planuitwerking zorg worden gedragen voor de realisatie van werkende communicatie- en waarschuwingsmiddelen, waarmee de aanwezige personen tijdig op de hoogte worden gesteld. Er kan geconcludeerd worden dat dit aspect geen belemmeringen oplevert voor de beoogde ontwikkeling. De Veiligheidsregio Noord-Holland Noord heeft op 18 juni 2025 laten weten geen bezwaren te hebben tegen de plannen. 4.1.3
Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft omgevingsveiligheid.
29
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.2
Water
4.2.1
Wettelijk kader
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot: het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen; het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming en de weging van het waterbelang worden betrokken. Verder zijn de regels van artikel 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen.
In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie. Verplichte omgevingswaarden Zowel het Rijk, de provincie en gemeenten (kunnen) werken met omgevingswaarden. Deze worden hieronder beschreven: Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en 4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (artikel 2.15 Ow). Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van 1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het Rijk in beheer zijn en 2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het Rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (artikel 2.13 Ow). Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient dewijziging van het omgevingsplan ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden. 4.2.2
Toetsing
Bij nieuwe ontwikkelingen of bouwplannen dient het waterbelang meegewogen te worden zodat water expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing wordt genomen en wordt beschermd. Concreet betekent dit dat onder andere onderzocht moet worden hoe op een duurzame wijze kan worden omgegaan met water. Hierbij speelt vasthouden, bergen en afvoeren van water in eigen gebied een belangrijke rol. Bij de weging van het waterbelang vormen de gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening de basis. Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is het 'Rapport weging van het waterbelang' opgesteld, dat is opgenomen als Bijlage 19. Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. In de rapportage is ingegaan op de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plangebied Bangert- en Oosterpolder. Hierbij is het volledige ontwikkelgebied
30
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
als uitgangspunt genomen, met een vastgesteld toekomstig verhard oppervlak van circa 50% van het totale gebied. De waterbergingsopgave bedraagt 18 hectare open water (voor fase A Zuid en fase B Zuid samen), conform het Stedenbouwkundig Programma van Eisen en in overleg met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Voor nieuw te graven stedelijk water zijn de eisen van HHNK gehanteerd, waaronder een minimale breedte van 6 meter, een diepte van 1 meter en voldoende voorzieningen voor onderhoud. Hemelwater en afvalwater worden gescheiden ingezameld en verwerkt, waarbij het schone hemelwater zoveel mogelijk rechtstreeks wordt afgevoerd naar het open water. De kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater mag niet verslechteren ten opzichte van de huidige situatie; waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. Voor alle handelingen aan of nabij watergangen (zoals graven, dempen, bouwen, lozen) is een vergunning of melding bij het waterschap vereist. De rapportage waarborgt dat het waterbelang is meegewogen en dat de eisen van de waterbeheerders in het ontwerp zijn verwerkt.Voor een uitgebreide toelichting en onderbouwing wordt verwezen naar Bijlage 19. 4.2.3
Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft water.
4.3
Luchtkwaliteit
4.3.1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over de kwaliteit van de buitenlucht (paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl). Als een plan betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden. Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ug/m3 of minder.
Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen.Dit is onder andere het geval bij 1.500 woningen met één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen. 4.3.2
Toetsing
Invloed op de luchtkwaliteit In het projectgebied worden maximaal 154 woningen mogelijk gemaakt. Dit betekent dat het voornemen een standaard geval Nibm betreft. Daarmee veroorzaakt het voornemen per definitie een niet in betekende mate verhoging van concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Onderzoek achtergrondniveau Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het plangebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Daartoe is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2022, welke in maart 2022 zijn gepubliceerd. De kaarten geven een beeld van de luchtkwaliteit in Nederland en betreffen zowel recente als toekomstige jaren. Per kilometervak worden de concentraties voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen weergegeven waarvoor Europese regelgeving bestaat. De kaarten op deze
31
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
website hebben een juridisch-formele status. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen betreffen stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM2.5 en PM10 ). De grenswaarden voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM2.5 en PM10 ) uit de wet zijn opgenomen in de volgende tabel. Luchtconcentratie
Norm jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
uurgemiddelde concentratie
200 µg/m3
PM2.5
jaargemiddelde concentratie
25 µg/m3
PM10
jaargemiddelde concentratie
40 µg/m3
24-uurgemiddelde concentratie
50 µg/m3
NO2
Figuur 4.2: Grenswaarden luchtconcentraties NO2, PM2.5 en PM10 Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de gemeten en berekende achtergrondniveaus ruim onder de wettelijke normen blijven. 4.3.3
Conclusie
Het plan kan worden beschouwd als een nibm-project. Daarnaast is de luchtkwaliteit in en rond het plangebied zodanig dat de normen voor een goed leefklimaat worden gewaarborgd. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven. Hiermee is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.
4.4
Activiteiten en milieuzonering
4.4.1
Wettelijk kader
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn er instructieregels van het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). Ook zijn er instructieregels over geur van activiteiten (paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl). Het omgevingsplan moet ervoor zorgen dat het geluid van activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (zoals woningen) aanvaardbaar is. Daartoe moet het omgevingsplan in beginsel hierover regels bevatten. Het gaat hierbij om het reguleren van 'gewoon' geluid in een stedelijke omgeving, zoals de combinatie van wonen met lichte bedrijvigheid. De benodigde regels over geluid zijn opgenomen in de bruidsschat (zie paragraaf 22.3.4). Handreiking Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden hanteert de gemeente Hoorn de VNG-uitgave Bedrijven en Milieuzonering uit 2009. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand.
De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is.
32
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.4.2
Toetsing
Het plan voorziet in de realisatie van woningen. Woningen leiden van zichzelf niet tot milieuhinder voor omliggende functies, maar zijn andersom als woonfunctie wel gevoelig voor milieuhinder van omliggende bedrijven. Woningen kunnen ook een belemmering vormen voor (eventuele uitbreidingsmogelijkheden van) deze bedrijven. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende bedrijven aanwezig: Adres
Type bedrijf
Milieucateg Richtafstand (m) orie VNG-2009
Afstand tot dichtstbij gelegen nieuw te bouwen woning (m)
Westerblokker 21
Massagepraktijk (artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven)
1
10
50
Westerblokker 45
Vervaardiging overige artikelen van hout met oppervlakte <200 m2
3.1
50
150
Westerblokker 26A
Handel in auto's en motorfietsen, reparatie- en servicebedrijven
2
30
80
Westerblokker 31
Algemeen (o.a. loonbedrijven): b.o.<= 500
2
30
50
Westerblokker 32B
Kinderdagopvang
2
30
200
Westerblokker 15A* Groothandel in hout en 3.1 bouwmaterialen - algemeen: b.o. > 2000 m2
50
50
Noorderdracht 20A
Tuincentrum
2
30
40
Gildenweg 33
Autosloperij met bedrijfsoppervlakte > 1000 m2
3.2
100
250
Westerblokker 41
Bed & Breakfast
1
10
100
Westerblokker 29
Benzineservicestation zonder LPG
2
30
55
Westerblokker 14a
Loonbedrijf met 3.1 bedrijfsoppervlakte > 500 m2
50
130
* Aan de Westerblokker 15A zit Pennekamp houthandel. Dit bedrijf is een groothandel in stookhout waar ook beperkt houtbewerking plaatsvindt, namelijk het klieven van boomstronken tot stookhout. Een categorie als houtzagerij of timmerwerkfabriek (beide categorie 3.2) is te 'zwaar' voor de activiteiten bij dit bedrijf, vooral omdat omwonenden weinig tot geen activiteiten waarnemen van dit bedrijf. Hoewel de omschrijving 'groothandel' niet volledig de activiteiten dekt, sluit de milieucategorie 3.1 het beste aan bij de feitelijke bedrijfsvoering (beperkte houtbewerking). Een indeling in categorie 3.2 (houtzagerij/timmerwerkfabriek) zou een te zware kwalificatie zijn. Aan de richtafstanden wordt voldaan. Het initiatief is uitvoerbaar wat betreft het aspect milieuzonering. 4.4.3
Conclusie
Het initiatief voldoet aan de richtafstanden uit de VNG-handreiking en levert geen belemmeringen op voor de bedrijfsvoering in de omgeving. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
33
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.5
Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterrein
4.5.1
Wettelijk kader
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen. Dit zijn de regels voor het bepalen en beoordelen van geluid door een toegelaten activiteit. 4.5.2
Onderzoek
Met het initiatief wordt nieuwe geluidgevoelig bebouwing gerealiseerd, te weten woningen. Het plangebied ligt buiten de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Gildenweg. De woningen zijn (deels) gepland binnen het geluidaandachtsgebied van de spoorweg Zaandam-Hoorn-Enkhuizen en de wegen IJsselweg/De Strip en Westerblokker. Er is dan ook een akoestisch onderzoek verricht, opgenomen in Bijlage 20. Het onderzoek richt zich op het vaststellen van de geluidbelasting van de verschillende wegen en spoorlijn op het plangebied. Omdat het plangebied buiten de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein is gelegen, is het geluid van het industrieterrein niet in het onderzoek betrokken. Wel zijn in de nabijheid gelegen bedrijven, die niet op het gezoneerde industrieterrein zijn gelegen, betrokken in dit onderzoek. Navolgend wordt de conclusie besproken. Wegverkeerslawaai Bij de realisatie van het plan wordt ten gevolge van de IJsselweg/De Strip ter plaatse van een aantal woningen (5 woningblokken) de standaardwaarde van 53 dB overschreden. De maximale geluidbelasting op de woningen bedraagt 57 dB. Hiermee kan wel worden voldaan aan de grenswaarde van 70 dB. Ten gevolge van de Westerblokker wordt, ter plaatse van de geplande woningen, aan de standaardwaarde van 53 dB voldaan. Verkeer op de Westerblokker levert geen beperking op voor de geplande woningen binnen het plangebied.
Railverkeerslawaai Ter plaatse van de geplande woningen wordt aan de standaardwaarde van 55 dB voldaan. Railverkeer levert geen beperking op voor de geplande woningen binnen het plangebied. Industrielawaai Omdat het plangebied buiten de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein is gelegen, is het geluid van het industrieterrein geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. Bedrijven gelegen buiten het industrieterrein zijn in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in paragraaf 4.4 beoordeeld. Alle bedrijven in de nabijheid van plangebied Fase 5B Zuid liggen op voldoende afstand en hoeven zodoende niet te worden meegenomen in de beoordeling. Bedrijven in de omgeving van het plangebied zijn geen belemmering voor de bouw van de geplande woningen. Anderzijds worden de onderzochte bedrijven ook niet beperkt in hun huidige en toekomstige bedrijfsvoering door de bouw van de woningen. Gecumuleerde geluidbelasting Er is geen sprake van relevante cumulatie, aangezien de standaardwaarde slechts door één bron (wegverkeerslawaai van De Strip) wordt overschreden. Adressen met een geluidbelasting hoger dan de standaardwaarde Het Bkl biedt de mogelijkheid om een hogere geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan tot de grenswaarde.
Gemeentebesturen kunnen alleen een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan
34
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Het gemeentebestuur heeft dus een motiveringsplicht als zij besluit een geluidbelasting boven de standaardwaarde toe te laten. Omdat de standaardwaarde ter plaatse van vier woningblokken wordt overschreden, moet worden onderzocht of er maatregelen mogelijk zijn (aan de bron of in de overdracht) om de geluidbelasting op de woningen te reduceren. In het kader van dit onderzoek is enige aandacht besteed aan de mogelijkheid maatregelen te treffen. Gezien de situatie, ligging en ontsluiting van de woningen worden vooralsnog bronen/of overdrachtsmaatregelen vanuit financieel, fysiek en ruimtelijk oogpunt als niet wenselijk beschouwd. Voor de woningen/woningblokken met een gevelbelasting hoger dan de standaardwaarde, zal een onderzoek moeten plaatsvinden naar de gevelwering van de woningen om te garanderen dat de geluidsniveaus in de woonvertrekken wettelijk aanvaardbaar zijn. Een dergelijk onderzoek zal bij een definitieve invulling van de woningen en het ontwerp van de woningen apart uitgevoerd moeten worden, rekening houdend met de gezamenlijke geluidbelasting van de wegen en het railverkeer zoals aangegeven in bijlage 16 in de akoestische rapportage.
Gezamenlijk geluid Omdat de standaardwaarde van 53 dB ter plaatse van de woningblokken 42-94 wordt overschreden, wordt in het omgevingsplan (ex artikel 5.78ad Besluit kwaliteit leefomgeving) een gezamenlijk geluid van ten hoogste 57 dB vastgelegd om woningbouw te realiseren. 4.5.3
Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterrein. Het vastleggen van een gezamenlijk geluid van ten hoogste 57 dB in het omgevingsplan maakt het mogelijk om woningbouw te realiseren op locaties waar de standaardwaarde wordt overschreden, en draagt bij aan een juridisch en planologisch verantwoorde invulling van het plangebied.
4.6
Bodem
4.6.1
Wettelijk kader
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, artikel IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het Aanvullingsbesluit Bodem en de activiteiten zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving: Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2); Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bal); Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4); Maatwerkregels over het saneren van de bodem (paragraaf 2.3.6a.5). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
35
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.6.2
Toetsing
Met het planvoornemen wordt bebouwing toegevoegd waarin mensen langer dan 2 uur aanwezig zijn. Er zijn daarom bodemonderzoeken uitgevoerd. Deze onderzoeken worden navolgend besproken. Onderstaande tekst geeft een beknopte, overzichtelijke weergave van de bodemkwaliteit op de onderzochte percelen. Per locatie is vermeld welke verontreinigingen zijn aangetoond, waar deze zich bevinden en wat de geplande vervolgstappen zijn. Voor de volledige onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen. Bespreking rapportages A.
Kadastraal perceel 2547 (Achter Westerblokker 19)
Verkennend bodem- en asbestonderzoek (Milieutechniek Rouwmaat, zie Bijlage 5 Bodemonderzoek verkennend Achter Westerblokker 19 (kadastraal 2547) bij de motivering) Uit het bodemonderzoek blijkt dat in de bovengrond op meerdere plekken lichte verontreinigingen aanwezig zijn met zware metalen (waaronder koper, cadmium, kwik, lood en zink), bestrijdingsmiddelen (DDD, DDE, DDT, OCB), minerale olie en PAK. Deze verontreinigingen zijn beperkt en vormen geen aanleiding voor sanering. In het grondwater zijn lokaal licht verhoogde gehalten aan barium en nikkel aangetroffen. Deze zijn dusdanig gering dat geen verdere maatregelen nodig zijn. Aan de zuidzijde van het perceel is echter sprake van een matig tot sterk verhoogde concentratie koper in de bovengrond. Deze verontreiniging is lokaal en komt niet voor aan de noordzijde van het pad. De exacte omvang is nog niet vastgesteld, maar de aanwezigheid vormt op dit moment een risico voor toekomstige werkzaamheden in dit deel van het terrein. De aanwezige koperverontreiniging aan de zuidzijde zal worden gesaneerd. Afhankelijk van de verdere planontwikkeling kan aanvullend bodemonderzoek nodig zijn om de omvang en diepte nauwkeuriger te bepalen.
Afperkend bodemonderzoek koper perceel K2547 achter Westerblokker 19 (Tauw, 8 februari 2023, zie Bijlage 6 Bodemonderzoek afperkend - Achter Westerblokker 19 (kadastraal 2547) bij de motivering) Uit het aanvullende bodemonderzoek blijkt dat de eerder gemelde sterke koperverontreiniging in de bovengrond niet is bevestigd. De aangetroffen kopergehalten blijven binnen lichte tot maximaal matige verontreinigingsniveaus. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties van koper of zink aangetoond. Er is geen sprake van een sterke of ernstige bodemverontreiniging. Waarschijnlijk betrof het eerdere onderzoek in 2019 een lokale uitschieter of een heterogeen bodemmonster. Daarnaast heeft een nabijgelegen zinkverontreiniging op een aangrenzend perceel geen effect gehad op het grondwater ter plaatse. De aanwezige verontreinigingen vormen geen belemmering voor de geplande nieuwbouw. Verdere bodemonderzoeken zijn niet nodig. B.
Kadastraal perceel 2932 en 3462 (Westerblokker 21a)
Verkennend bodemonderzoek (Vlam Bodem Advies BV d.d. 22 september 2020, zie Bijlage 7 Bodemonderzoek verkennend - Westerblokker 21a (kadastraal 2932 en 3462) bij de motivering) Op het perceel Westerblokker 21a is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, inclusief onderzoek naar asbest in grond en puin. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met kwik, PCB en PAK aangetroffen. In de ondergrond, nabij een voormalige olielek, is een zwakke brandstofgeur waargenomen. Analyse van een ongeroerd grondmonster toont een sterke verontreiniging met minerale olie aan. Het grondwater op deze locatie en bij een voormalige HBO-tank is schoon bevonden. Er is geen asbest aangetoond in de grond of het puin, hoewel het heterogene karakter van asbestverontreiniging enige onzekerheid met zich meebrengt.
36
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Op basis van de gemeten sterk verhoogde oliegehalten wordt nader bodemonderzoek aanbevolen om te bepalen of sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging en of sanering noodzakelijk is. Aanvullend afperkend bodemonderzoek (Vlam Bodem Advies BV d.d. 11 december 2020, zie Bijlage 8 Bodemonderzoek aanvullend afperkend - Westerblokker 21a (kadastraal 2932 en 3462) bij de motivering) Dit nader onderzoek is uitgevoerd conform het SIKB 2000, protocol 2001.In de overige windrichtingen zijn boringen geplaatst tot 2,0 m-mv. Zintuiglijk is er geen verontreiniging waargenomen in de boringen. Ter hoogte van de aangetoonde verontreiniging is per boring een monster geselecteerd voor analyse op minerale olie. In geen van de geselecteerde monsters blijkt sprake van een gehalte minerale olie die de achtergrondwaarde overschrijdt. Op basis van de aangetoonde gehalten kan worden vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging. C.
Kadastraal perceel 1361 (achter Westerblokker 21a)
Verkennend- en actualiserend bodemonderzoek bodemonderzoek R004-128944 (Tauw, 14 februari 2023, zie Bijlage 9 Bodemonderzoek verkennend en actualisatie - Kadastraal perceel 1361 (achter Westerblokker 21a) bij de motivering) Actualisatie en verkennend bodemonderzoek noordelijk terreindeel (matig tot sterke koperverontreiniging) Op perceel K1361 is in de bovengrond sprake van een ernstige bodemverontreiniging met koper. De omvang van deze verontreiniging wordt op basis van het huidige onderzoek geschat op circa 260 m³, aanzienlijk kleiner dan de circa 690 m³ die in 1997 werd vastgesteld. Deze afname kan worden verklaard door verspreiding en verdunning van de verontreiniging of door heterogeniteit van het bodemmateriaal. De aanwezigheid van voormalige kwekerijen en kassen heeft niet geleid tot matige of sterke verontreinigingen met bestrijdingsmiddelen. Enkel lichte verhogingen van DDT, DDE, DDD, cadmium, koper en kwik zijn aangetroffen in de bovengrond, passend bij het vroegere gebruik van de locatie. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetoond. De aangetoonde sterke koperverontreiniging in de bovengrond vormt op dit moment een belemmering voor de geplande nieuwbouw. Sanering is noodzakelijk voordat de ontwikkeling kan worden voortgezet. Verkennend bodemonderzoek puinverharding
zuidelijke
onverdachte
terreindeel,
voormalig
pad
en
aangrenzende
De bovengrond op het zuidelijke, onverdachte deel van perceel K1361 is maximaal licht verontreinigd. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het voormalige pad op dit deel is aangelegd met visueel schone grond en wordt daarom niet als verdacht beschouwd. De asbesthoudende puinverharding die aanwezig is op het aangrenzende perceel 3463, loopt niet door tot op perceel 1361. Er zijn geen beperkingen voor het gebruik van dit deel van het perceel. Aanbevelingen Er is een sterke verontreiniging aangetroffen op het terrein, met name rondom de locaties van de eerder onderzochte punten. Om de omvang hiervan beter vast te stellen, wordt aanvullend grondonderzoek aanbevolen. Hierbij wordt ook geadviseerd om PFAS mee te nemen vanwege mogelijke toekomstige afvoer en verwerkingseisen. De verontreinigingen bevinden zich op specifieke plekken binnen het terrein en zullen door middel van sanering worden verwijderd. Het aanvullende onderzoek helpt om het gebied waar de sterk verontreinigde grond zich bevindt verder te beperken, waardoor minder grond afgevoerd hoeft te worden. Dit kan kosten besparen bij de toekomstige herontwikkeling. Na het aanvullende onderzoek wordt een risicobeoordeling opgesteld om de risico’s voor mens, milieu en verspreiding van verontreinigingen in kaart te brengen.
Deze beoordeling bepaalt ook of het terrein geschikt is voor woningbouw en of een spoedige sanering noodzakelijk is.
37
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
De veiligheidsklassen zijn vastgesteld volgens de geldende richtlijnen en normen, gebaseerd op de meest recente criteria voor verontreinigde stoffen. Aanvullend bodemonderzoek bodemonderzoek (Grondslag, 8 september 2023, zie Bijlage 10 Bodemonderzoek aanvullend - Achter Westerblokker 21a (kadastraal K1361) bij de motivering) Op het terrein is een sterke bodemverontreiniging vastgesteld in de bovenste laag tussen 0,3 en 0,5 meter diepte. Het volume van de sterk verontreinigde grond wordt geschat op ongeveer 40 m³, wat duidt op een ernstig geval van bodemverontreiniging. Deze verontreiniging is vermoedelijk ontstaan vóór 1 juli 1993, waardoor het geen ‘nieuw geval’ betreft. Andere analyses tonen geen of slechts lichte verhogingen van koper aan, en eerdere meldingen van sterke verontreinigingen op enkele locaties zijn niet bevestigd. Daarom wordt op die plekken geen sterke verontreiniging aangenomen. Een ernstig geval van bodemverontreiniging moet worden gemeld bij het bevoegde gezag, de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Formeel geldt er een saneringsplicht, maar deze wordt alleen opgelegd als sanering spoedeisend is. Omdat de verontreiniging sowieso gesaneerd zal worden, is deze spoedeisendheid niet nader beoordeeld. De sanering moet worden uitgevoerd door gecertificeerde specialisten (BRL 7000 aannemer en BRL 6000 milieukundig begeleider).
Grondwerkzaamheden kunnen volgens de richtlijnen van CROW 400 plaatsvinden, zonder extra veiligheidsmaatregelen boven de basishygiëne, mits dit wordt bevestigd door een veiligheidskundige. D. Kadastraal perceel 2934 (achter Westerblokker 27) Verkennend bodemonderzoek inclusief asbest (Tauw, 9 februari 2023, zie Bijlage 11 Bodemonderzoek verkennend - Achter Westerblokker 27 (kadastraal 2934) bij de motivering) Op het onverdachte deel van het terrein zijn maximaal lichte verontreinigingen in de bovengrond aangetroffen. In de ondergrond en het grondwater zijn geen verontreinigingen gemeten. Een voormalige watergang is gedempt met gebiedseigen grond. De bodemkwaliteit op het noordelijke deel van de locatie is vergelijkbaar, met ook alleen lichte verontreinigingen in de bovengrond en geen verontreinigingen in de ondergrond of het grondwater. Het zuidelijke deel is volledig verhard met puin, waarin asbest is aangetoond. Deze asbestverontreiniging strekt zich uit over meerdere percelen en beslaat een geschat volume van ongeveer 8.510 m³. De aanwezigheid van deze asbestverontreiniging vormt een belemmering voor de geplande nieuwbouw. Daarnaast is er een grote afvalhoop met houtafval en puin, waarvan de precieze samenstelling door begroeiing nog niet volledig is vastgesteld. Deze afvalhoop moet worden verwijderd om de herontwikkeling mogelijk te maken.
Voor de sanering van de asbestverontreinigde puinverharding is de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het bevoegd gezag. Het wordt geadviseerd om deze rapportage aan ILT te overleggen en de aanwezigheid van de asbestverontreiniging te melden, aangezien het bezit van een asbestweg verboden is en deze verwijderd of afgedekt moet worden. Het wordt ook aanbevolen om de begroeiing op het zuidelijke deel te verwijderen, het afval af te voeren en te onderzoeken of er onder de afvalhoop ook een puinlaag aanwezig is. E.
Kadastraal perceel 3463 (Achter Westerblokker 29)
Verkennend bodemonderzoek (Grondslag, d.d 18 januari 2022, zie Bijlage 12 Bodemonderzoek verkennend Achter Westerblokker 29 (kadastraal 3463) bij de motivering) De bodemkwaliteit op de locatie achter Westerblokker 29 te Blokker vertoont meer verontreinigingen dan verwacht. Op de zuidelijke helft ligt een ongeveer 0,5 meter dikke puinlaag die grotendeels bestaat uit bodemvreemd materiaal, wat wijst op een verhardingslaag en niet op bodem. Deze laag bevat asbest en olie boven de hergebruiksnorm. Het grondwater is op één plek sterk verontreinigd met benzine, vermoedelijk afkomstig van een oude autosloperij. Verder zijn lichte verontreinigingen, zoals bestrijdingsmiddelen, aangetroffen. De asbesthoudende puinlaag en de benzineverontreiniging vormen belemmeringen voor woningbouw. Het
38
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
noordelijke deel zonder puinlaag wordt als geschikt voor wonen gezien. Voor het oostelijke deel is het onderzoek nog onvoldoende, vanwege vroegtijdig gestuitte boringen. Advies voor vervolgonderzoek: Zeefproeven om te bepalen of de puinlaag als verhardingslaag of bodem moet worden aangemerkt, wat gevolgen heeft voor de sanering. Aanvullend onderzoek naar de chemische kwaliteit van de grond- en puinfracties in de puinlaag, om hergebruik en verwerkingskosten te bepalen. Nader onderzoek naar de omvang van de benzineverontreiniging in grond en grondwater. Aanvullend bodemonderzoek op het oostelijke deel van het terrein. Nader bodemonderzoek (Grondslag, 10 juni 2022, zie Bijlage 13 Bodemonderzoek aanvullend - Achter Westerblokker 29 (kadastraal 3463) bij de motivering) In het grondwater is een ernstige verontreiniging met minerale olie en vluchtige aromaten vastgesteld, vermoedelijk afkomstig van oude benzineverontreiniging. De omvang van deze vervuiling is groot en vormt een ernstig bodemprobleem volgens de wet. Bij bebouwing zonder goed geventileerde kruipruimte kunnen risico’s ontstaan; sanering wordt aanbevolen bij graafwerkzaamheden. Op het oostelijke deel van het perceel en bij slootdempingen zijn alleen lichte verontreinigingen aangetroffen, die geen extra onderzoek of sanering vereisen.
Een grondwal op de puinverharding heeft onbekende herkomst en wordt geadviseerd af te voeren of na keuring te hergebruiken. De puinlaag (circa 7500 m³) bestaat voor ongeveer de helft uit puin geschikt voor hergebruik, maar de grondfractie is vaak licht verontreinigd en meestal niet geschikt voor hergebruik. De puinlaag bevat asbest en moet bij een woonbestemming worden gesaneerd volgens het Besluit asbestwegen. Aanbevelingen: Saneren van de puinlaag met verwijdering van asbesthoudend materiaal. Nader onderzoek en keuring van grondfractie voor mogelijke hergebruik. Sanering van olie- en brandstofverontreinigingen bij graafwerkzaamheden, uitgevoerd door erkende partijen en gemeld bij de bevoegde instanties. Veiligheidsmaatregelen bij grondwerkzaamheden afhankelijk van aard en locatie van verontreiniging. F.
Kadastraal perceel 3239 (Naast Westerblokker 29)
Verkennend bodemonderzoek (Tauw, 14 februari 2023, zie Bijlage 14 Bodemonderzoek verkennend - Naast Westerblokker 29 (kadastraal 3239) bij de motivering) Zintuiglijk is in de bovengrond sprake van puinlagen, dan wel grondlagen met diverse bodemvreemde bijmengingen ter plaatse van het verharde pad. Het puin heeft een gemiddelde dikte van circa 0,5 m. In de fractie >20 mm is zintuiglijk asbesthoudend plaatmateriaal aangetoond. Op het zuidelijk deel is sprake van een zandlaag, oude klinkerverharding met daaronder een zandlaag en geotextiel op circa 0,6 m -mv. Onder het doek is sprake van licht baksteenhoudende klei. Geconcludeerd kan worden dat de grond overwegend licht en plaatselijk matig verontreinigd is. De matige verontreiniging is aangetoond op het zuidelijk deel van 0,6-1,6 m -mv. Het grondwater is licht verontreinigd met naftaleen. Doordat in de asbestweg sprake is van een puinlaag met asbest en puinhoudende grond met asbest is zowel het Besluit asbestwegen (puin) alsmede de Wet bodembescherming (grond) van toepassing. De asbestverontreiniging vormt een belemmering voor de voorgenomen nieuwbouwplannen. De activiteiten van de opslag van landbouwmachines, de naastgelegen restverontreinigingen van het tankstation en de voormalige kwekerijen hebben niet geleid tot een sterke verontreiniging van de bodem.
39
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
G. Kadastraal perceel 7322, 7575, 7574 (Achter Westerblokker 31) Verkennend bodemonderzoek (SWECO 8 augustus 2019, zie Bijlage 15 Bodemonderzoek verkennend - Achter Westerblokker 31 (kadastraal 7322, 7575, 7574) bij de motivering) De bodem is onderzocht op asbest, organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) en PFAS. Zintuiglijk en analytisch is geen asbest aangetroffen. In de bovengrond zijn lokaal verhoogde gehalten OCB’s gevonden die de maximale waarden overschrijden, maar dit leidt niet tot een saneringsplicht. Het grondwater vertoont een lichte verontreiniging met barium. De onderzoekshypothese dat er asbest aanwezig zou zijn, wordt verworpen. De hypothese dat er OCB-verontreiniging aanwezig is, wordt bevestigd, maar zonder ernstige bodemverontreiniging. De ondergrond is onverdacht bevonden. Evaluatieverslag, (deel)saneringsplan en plan van aanpak verschillende verontreinigingsgevallen Voor de ontwikkeling van de percelen in Bangert Oosterpolder te Blokker tot woongebied zijn diverse bodemonderzoeken uitgevoerd en is een (deel)saneringsplan opgesteld. De aanpak en evaluatie sluiten direct aan bij de eisen uit het omgevingsplan, waarin staat dat de bodemkwaliteit geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik (woningbouw) en dat bij overschrijding van de vastgestelde waarden sanerende of beschermende maatregelen verplicht zijn (art. 5.89i en 5.89K Bkl).
Overzicht verontreinigingsgevallen en saneringsdoelstellingen (zie Bijlage 17 en Bijlage 18): Achter Westerblokker 21a: Sterke koperverontreiniging in de bovengrond (ca. 40 m³) is als ernstig geval aangemerkt en wordt volledig verwijderd. Lichte tot matige verhogingen mogen achterblijven, mits geen risico’s voor mens of milieu ontstaan. Een kleine olieverontreiniging (ca. 6 m³) wordt eveneens verwijderd tot onder de achtergrondwaarde. Achter Westerblokker 29: Asbesthoudende puinlaag (ca. 8.510 m³) wordt volledig ontgraven en afgevoerd, conform het Besluit asbestwegen. Twee brandstofverontreinigingen in het grondwater (ca. 1.000 m³ en 95 m³) worden gesaneerd tot onder de interventiewaarde. Restverontreiniging wordt gemonitord tot een stabiele eindsituatie is bereikt. Grondwallen van onbekende kwaliteit worden afgevoerd of na keuring hergebruikt. De uitgevoerde saneringen worden geëvalueerd in een eindrapport, dat binnen drie maanden na afronding aan het bevoegd gezag wordt verstrekt. Voor het perceel ten noorden van Westerblokker 31 is een aparte evaluatie uitgevoerd voor het ontgraven van grond onder de interventiewaarde (zie Bijlage 16). Hier zijn OCB-verontreinigingen verwijderd tot maximaal klasse industrie, conform de eisen uit het omgevingsplan en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
De afgevoerde grond is verantwoord verwerkt en de aangevoerde aanvulgrond voldoet aan de eisen voor landbouw/natuur. 4.6.3
Conclusie
Na uitvoering van de benodigde saneringen en conform de bijgevoegde (deel)saneringsplannen en evaluatieverslagen, kan worden geconcludeerd dat de bodem binnen het ontwikkelingsgebied geschikt is voor het beoogde gebruik als woningbouwlocatie. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor wat betreft het aspect bodem.
40
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.7
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.7.1
Wettelijk kader
Op grond van artikel 5.129g van het Bkl wordt, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden met de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling. Onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in en buiten stedelijk gebied, dan wel buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang: 1. 2. 3. 4. 5.
Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Is de stedelijke ontwikkeling nieuw Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?
4.7.2
Toetsing
1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Een stedelijke ontwikkeling kan als volgt worden gedefinieerd: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Ook blijkt uit jurisprudentie dat niet iedere ontwikkeling als een nieuwe stedelijke ontwikkeling valt te kwalificeren. Voor wonen geldt, dat voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is (ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921). Het initiatief voorziet in de ontwikkeling van 154 woningen en kan daarmee beschouwd worden als een stedelijke ontwikkeling. 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw? De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. De gronden zijn nu grotendeels onbebouwd. Ze hebben op basis van het huidige omgevingsplan een uit te werken woonbestemming, een groenbestemming en een agrarische bestemming.
De woningbouw is naar aard en omvang in relatie tot de omgeving een dusdanige functiewijziging dat het plan aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied? Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet de behoefte aan die ontwikkeling worden gemotiveerd. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. De nieuw te bouwen woningen zijn deels bedoeld voor inwoners van de gemeente Hoorn. Daarnaast is de verwachting dat ook huishoudens van buiten de gemeente Hoorn zich hier gaan vestigen. In de Woonvisie Hoorn 2020-2025 is deze verwachting als volgt beschreven: "[...] Prognoses laten zien dat het aantal huishoudens in Hoorn nog zeker twintig jaar groeit. Dat betekent dat woningen aan de bestaande voorraad toegevoegd moeten worden en dat een transitie in de kwaliteit van de woningvoorraad nodig is om te voorzien in voldoende woonruimte. Daarnaast zien we de druk op de woningmarkt ook toenemen doordat
41
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
meer mensen van buiten zich in Hoorn vestigen. De vraag vanuit huishoudens van buiten Hoorn en van jongeren en studenten, faciliteert de gemeente. Dit is nodig om de economische ontwikkeling te stimuleren, vergrijzing tegen te gaan, de voorzieningen op peil te houden en ook in de toekomst een vitale stad te blijven." 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? Zoals hiervoor al staat vermeld, dient de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, te worden beschreven. Daarbij is het niet relevant of het plangebied binnen of buiten bestaand stedelijk gebied ligt. Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als dit aanbod feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). Het plan voorziet in de ontwikkeling van een woonproject. Daarom moet worden ingegaan op de woningbehoefte. De gemeente Hoorn heeft dit uitgewerkt in haar Woonvisie 2020-2025. Paragraaf 3.5.2 bespreekt de Woonvisie uitgebreid. Eén van de woonopgaven luidt 'versnelling en ontwikkeling'. Wat betreft 'versnelling en ontwikkeling' wil de gemeente bestaande woningbouwplannen versneld uitvoeren. Ze promoot Hoorn als woonstad en gemeente met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen.
Daarnaast zet de gemeente in op het uitvoeren van de ambitie "Meer stad te worden" in Noord-Holland Noord. Hoorn gaat meer groeien als stad. Zo wil de gemeente meer nieuwe inwoners van buiten de regio aantrekken en jongeren uit Hoorn en omgeving behouden voor de regio. Hoorn heeft meer inwoners van buiten nodig om leefbaar en vitaal te blijven. Momenteel is sprake van woningschaarste. Bovendien laten prognoses zien dat het aantal huishoudens in Hoorn nog zeker twintig jaar groeit. Het woningbouwinitiatief sluit derhalve aan bij de Woonvisie. Het gebied is in de gemeentelijke Omgevingsvisie op de daarin opgenomen visiekaart aangeduid als 'woningbouwontwikkeling' (zie paragraaf 3.5.1). In deze gebieden ontwikkelt de gemeente woningen. Tot slot is de ontwikkeling van Bangert en Oosterpolder opgenomen in de regionale woningbouwafspraken (zie paragraaf 3.4.1). De conclusie luidt dat behoefte is aan de voorgenomen ontwikkeling. 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied? In de bijlage van het Bkl is een definitie van het begrip stedelijk gebied opgenomen. Deze luidt als volgt: "Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur.
Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten". Het plangebied ligt in het dorp Blokker en is omringd door woonwijken. Vanwege de locatie in de stedelijke omgeving van Hoorn wordt de locatie aangemerkt als bestaand stedelijk gebied. 4.7.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen voldoet aan de Ladder van duurzame verstedelijking. Het plan voorziet in een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Deze behoefte wordt opgevangen in bestaand stedelijk gebied.
42
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.8
Cultureel erfgoed en werelderfgoed
4.8.1
Wettelijk kader
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen en projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen en projecten zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (artikel 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. 4.8.2
Toetsing
Voor de ontwikkeling is een archeologisch en cultuurhistorisch advies opgesteld, dat is opgenomen in Bijlage 21. Voor het volledige advies inclusief analyse wordt verwezen naar de bijlage. Navolgend worden de conclusie en het eindadvies besproken. In het plangebied worden naast huizen, ook infrastructuur en water aangelegd. Deze bodemingrepen bedreigen in principe de aanwezige archeologische waarden. Gespecificeerde verwachting Voor het dorpslint van Westerblokker geldt in principe een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Op basis van de bodemkaart, de hoogtekaart en archeologische bronnen uit de nabije omgeving vallen sporen en vondsten vanaf de 12de eeuw binnen de archeologische verwachting. Historisch kaartmateriaal laat zien dat in de Nieuwe Tijd langs de Westerblokker werd gewoond. Voor de rest van het plangebied geldt een hoge tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie. Hier zijn volgens de bodemkaart tuineerdgronden aanwezig die een goede bescherming vormen voor de archeologische resten uit de prehistorie (en dan met name de Bronstijd) aanwezig kunnen zijn.
Er is binnen het plangebied circa 1,6 ha vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie op basis van het historisch grondgebruik in relatie tot de hoogtekaart kan gesteld worden dat de eventueel aanwezige archeologische resten uit de prehistorie hier grotendeels zijn aangetast. De te onderzoeken deelgebieden buiten de historische kern en het vrijgegeven deel hebben een totale omvang van ca. 9 ha voor wat betreft fase A en 5B tezamen. Advies Perceel achter Westerblokker 29 In het najaar van 2024 zal achter perceel Westerblokker 29 een asbestsanering worden uitgevoerd. Dit deel van het plangebied is vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie. Voor archeologische toevalsvondsten en waarnemingen, die niet tijdens een archeologisch onderzoek zijn aangetroffen, geldt een meldingsplicht. Deze dienen via het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van Nederland te worden gemeld. De melding in Archis kan Archeologie West-Friesland doen. Overige delen plangebied Op basis van de geplande nieuwbouw en de hoge archeologische waarde ter hoogte van de bouwkavel in het historische lint van Westerblokker en de hoge tot middelhoge verwachting voor vindplaatsen uit de prehistorie is een archeologisch onderzoek in het kader van de AMZ-cyclus vereist. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven (BRL
43
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
SIKB 4003). Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (BRL SIKB 4001) te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. In de quickscan is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting geformuleerd. Deze gespecificeerde verwachting wordt tijdens het proefsleuvenonderzoek getoetst. Een bureauonderzoek zal in dit geval geen nieuwe gegevens betreffende de verwachting binnen het plangebied genereren. Geadviseerd wordt om in dit geval een bureauonderzoek achterwege te laten en de gespecificeerde verwachting uit de quickscan te hanteren. Archeologie West-Friesland zal twee Programma’s van Eisen opstellen voor resp. het onderzoek in het historische lint van Westerblokker en de rest van het plangebied. Voor het proefsleuvenonderzoek buiten het historische lint van Westerblokker volstaat de aanleg van lange sleuven van 2 meter breed met een dekkingsgraad van 6%. Op deze manier kan een goed beeld worden verkregen van de aanwezigheid, conservering en verspreiding van archeologische resten. Proefsleuvenonderzoek Momenteel wordt een proefsleuvenonderzoek verricht. Wel is het vrijgavedocument archeologie al beschikbaar (zie Bijlage 22). Hieruit blijkt dat een groot deel van het plangebied wordt vrijgegeven met betrekking tot het aspect archeologie.
De vrijgave geldt voor die delen die zijn onderzocht middels het proefsleuvenonderzoek vanwege de verwachting voor de prehistorie. Binnen het dorpslint dient nog nader onderzoek te worden uitgevoerd. Zo heeft proefsleuvenonderzoek bij Westerblokker 16-18 uitgewezen dat een behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Wanneer de rapportage van het proefsleuvenonderzoek beschikbaar, wordt deze bijgevoegd. Vooruitlopend op het onderzoek worden de gronden, in lijn met het vrijgavedocument, vrijgegeven. De dubbelbestemming archeologie wordt verwijderd. 4.8.3
Conclusie
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect cultureel erfgoed en werelderfgoed. De waarde archeologie vervalt op de locatie op grond van de vrijgave door het bevoegd gezag.
4.9
Natuur
4.9.1
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming (Wnb) gaat op in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. De meeste inhoudelijke regels over natuurbescherming komen, ingedeeld naar doelgroep, terecht in een van de volgende drie besluiten: Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal); Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl); Omgevingsbesluit (Ob). Stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet.
44
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.9.2
Toetsing
Soortenbescherming Om de uitvoerbaarheid van het initiatief te toetsen voor het aspect ecologie, is een inventarisatie van natuurwaarden uitgevoerd (een zogenaamde quickscan). Het doel hiervan is om na te gaan of aanvullend onderzoek in het kader van de Omgevingswet of het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid noodzakelijk is. Het rapport van de inventarisatie is als Bijlage 23 bij deze motivering gevoegd. Uit de toetsing komt naar voren dat de ontwikkeling niet leidt tot schadelijke handelingen, mits wordt voorkomen dat door werkzaamheden tijdens de realisatie broedende vogels en hun nesten worden aangetast of verstoord. Algemene zorgplicht In hoofdstuk 5 van Bijlage 23 staan de maatregelen die van belang zijn om schade aan kwetsbare plant- en diersoorten te voorkomen en te beperken.
Buiten de hierboven genoemde maatregelen met betrekking tot vogels, dienen de volgende maatregelen ook in acht te worden genomen tijdens de ontwikkeling van het plangebied: Houd eventueel aanwezige relatief kruidenrijke biotopen binnen het plangebied zo veel mogelijk intact en onverstoord; Houd het te realiseren openbaar groen zo schraal mogelijk door geen bemesting toe te passen en na het maaien te allen tijde het maaisel af te voeren; Werk in één richting zodat aanwezige dieren kunnen vluchten; Specifieke zorgplicht Er zijn geen specifieke passende mitigerende of passende compenserende maatregelen die getroffen dienen te worden in het kader van de specifieke zorgplicht Natura 2000. In de directe nabijheid van het plangebied is één rode lijstsoort waargenomen die ook in het plangebied voor zou kunnen komen, het Bruin blauwtje. Er zijn in dit geval geen wettelijk verplichte maatregelen ten aanzien van de specifieke zorgplicht. Toch adviseren wij tot het nemen van maatregelen voor het Bruin blauwtje, in het kader van biodiversiteitsbehoud en de rode lijststatus van deze soort: Verwijder eerst vegetatie in een gebied voordat er gegraven wordt; Indien dieren aanwezig blijken, staak de werkzaamheden totdat deze het projectgebied verlaten hebben.
Gebiedsbescherming De uitvoering van de beoogde herinrichting veroorzaakt geen conflict met de Omgevingswet ten aanzien van Natura 2000-gebieden, mits een berekening uitgevoerd wordt van de stikstofdepositie die optreedt tijdens de aanleg- en gebruiksfase. Als hierbij sprake is van een depositie groter dan 0,0 mol N/ha/j, zijn mogelijk vervolgstappen aan de orde. Deze berekening komt hieronder aan orde. De beoogde herinrichting veroorzaakt ook geen conflict met de wet- en regelgeving ten aanzien van Natuurnetwerk Nederland (NNN), Ganzenfoerageergebied en/of Weidevogelleefgebied. Stikstof In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden gelegen. In 130 van deze gebieden komen stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van soorten voor. Een verdere toename van stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden. Daarom dient bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling onderzocht te worden of er stikstofdepositie in stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden plaatsvindt. Een te hoge stikstofdepositie kan tot een negatief effect leiden, waardoor een omgevingsplan onder dezelfde omstandigheden niet kan worden gewijzigd. Om vast te stellen of er sprake is van een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze AERIUS-berekening is als Bijlage 24 (met een separate rekenbijlage in Bijlage 25) bij deze motivering gevoegd.
45
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
Onlosmakelijkheid Ten zuiden van het plan fase 5b Zuid zal het plan fase A zuid worden ontwikkeld. In het kader van de stikstofwetgeving is het van belang om te bepalen of projecten als onlosmakelijk verbonden moeten worden aangemerkt, aangezien onlosmakelijk verbonden projecten gezamenlijk beoordeeld dienen te worden op hun effecten op Natura 2000-gebieden. Bij de beoordeling of sprake is van onlosmakelijkheid, zijn met name de volgende criteria relevant: 1. Functionele samenhang 2. Gelijktijdige voorbereiding of uitvoering 3. Gezamenlijke besluitvorming of initiatiefnemerschap 4. (On)zelfstandige uitvoerbaarheid 1. Geen functionele samenhang De woningbouwontwikkelingen in 5B Zuid en A Zuid hebben elk een eigen stedenbouwkundige op-zet, programmering en fasering. Beide gebieden kunnen functioneel zelfstandig functioneren, met een eigen ontsluiting en openbare ruimte. Er is geen sprake van een afhankelijkheid waarbij het ene plan slechts kan functioneren bij realisatie van het andere. 2. Geen gelijktijdige uitvoering of besluitvorming Hoewel beide plannen geografisch nabij elkaar zijn gelegen en mogelijk binnen een vergelijkbaar tijdsbestek worden ontwikkeld, is er geen sprake van één gezamenlijk besluit of procedure. Beide plannen kennen een eigen ruimtelijk besluitvormingstraject en worden afzonderlijk ter inzage gelegd en vergund.
De realisatie vindt plaats in gescheiden fasen, op basis van eigen planningen en marktontwikkelingen. 3. Zelfstandig uitvoerbaar Zowel het plan voor fase 5B Zuid als het plan voor fase A Zuid zijn volledig zelfstandig uitvoerbaar. De ontwikkeling van het ene plan is niet afhankelijk van de realisatie van het andere. Er is geen sprake van noodzakelijke gedeelde infrastructuur, technische voorzieningen of voorzieningen die voor beide plannen essentieel zijn. 4. Geen kunstmatige splitsing Tot slot is er geen sprake van een kunstmatige splitsing van één groter project met als doel om bijvoorbeeld stikstofeffecten te ontwijken. Beide plannen maken deel uit van een bredere gebiedsontwikkeling, maar zijn in inhoud, fasering en uitvoering afzonderlijk vormgegeven en verantwoord. Rekenresultaat Uit de berekening blijkt dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een planbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. 4.9.3
Conclusie
Zowel het aspect soortenbescherming als het aspect gebiedsbescherming (inclusief stikstof) vormen geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het aspect ecologie.
4.10 Verkeer en parkeren 4.10.1
Wettelijk kader
Primair is verkeersveiligheid geregeld in de weg- en verkeerswetgeving (o.a. Wegenverkeerswet). Deze regelgeving maakt geen deel uit van de Omgevingswet. Ook de bekende richtlijnen vanuit het CROW blijven bestaan. De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden.
46
TAM-omgevingsplan Bangert en Oosterpolder, fase 5B Zuid
4.10.2
Toetsing
Verkeer Het autoverkeer van en naar het plangebied moet voldoende kunnen worden afgewikkeld op de bestaande infrastructuur in de omgeving. Zoals ook is vermeld in paragraaf 2.2, worden de woningen ontsloten via een ontsluitingsweg op De Strip. Deze weg sluit aan op de Westerblokker, die een doorgaande functie heeft met grote capaciteit. Voor de nood- en hulpdiensten zijn er nog mogelijkheden om via de parallelstructuur langs De Strip en de langzaam verkeerontsluiting naar de Westerblokker het plangebied te benaderen. Voor het langzaam verkeer worden meerdere routes gemaakt die het voorliggende plan verbinden met het al gerealiseerde plandeel. De toevoeging van de woningen leidt tot circa 1.190 verkeersbewegingen per etmaal (zie nota van uitgangspunten stikstofberekening, zie paragraaf 4.9 en Bijlage 24 AERIUS-rapportage). De nieuw te bouwen wijken worden voor het autoverkeer aangesloten op de Strip en de IJsselweg. Deze zijn zogenaamde gebiedsontsluitingswegen (GOW) en hebben een snelheidsregime van 50km/u. De GOW's hebben een ontsluitende functie, deze wegen geleiden de voertuigen van de woonwijken naar de grotere wegen als bijvoorbeeld de Provincialeweg, de Westfrisiaweg of de A7. Deze GOW's hebben een grote capaciteit, dit houdt in dat er relatief veel auto's per etmaal overheen kunnen gaan zonder dat de weg vastloopt.