CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Toelichting

Gemeenteraad 7 februari 2023, gemeente HoornBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Pelmolenpad (1888562)24.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Hierbij geldt voor bouwwerken met een bouwhoogte van 30 meter of meer dat slechts mag worden gebouwd, indien aanvrager van een omgevingsvergunning een windhinderzoek conform de Nederlandse norm NEN 8100: 2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving heeft overgelegd, waarin aangetoond wordt dat een acceptabel windklimaat ontstaat en de norm voor gevaar niet wordt overschreden.

Figuur 23. Beoordeling van het aspect windgevaar volgens de NEN 8100

Conclusie Met de borging van de onderzoeksplicht in de regels is het aspect windhinder geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.9

Verkeer en parkeren

Voor een ruimtelijk plan geldt dat de verkeerseffecten die optreden als gevolg van een planvoornemen in het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten worden onderbouwd. De nadruk ligt daarbij op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid). Door bureau GoudAppel is het verkeersonderzoek Poort van Hoorn uitgevoerd. In het onderzoek worden de verkeerseffecten van de ruimtelijke ontwikkelingen in de Poort van Hoorn beschreven. Het gaat hierbij

50

Pelmolenpad

zowel om de effecten op de omliggende wegen en kruispunten als om de invloed op het parkeren die het plan tot gevolg heeft. De effecten zijn berekend met het vigerende verkeersmodel van de gemeente Hoorn. Het onderzoek geeft een beeld van het planeffect en zal onderdeel uitmaken van de ruimtelijke procedures. Het ontwikkelgebied Poort van Hoorn wordt in twee bestemmingsplannen uitgewerkt. Het deelgebied Pelmolenpad met overwegend woningbouw en deelgebied Stationsgebied met een gemixt functieprogramma en daarnaast een parkeerprogramma. Omdat het afzonderlijk in beeld brengen van de verkeerseffecten voor de separate plannen een onrealistisch verkeersbeeld zal geven, is besloten één verkeersonderzoek uit te voeren. Het totale effect van het plan Poort van Hoorn op bestaande en nieuwe wegen wordt in beeld gebracht. Hiermee wordt voorkomen dat een onderschatting van de verkeerseffecten zal optreden als gevolg van het opknippen in deelplannen. Het volledige verkeersonderzoek met bijlagen is als Bijlage 19 bijgevoegd. Verkeer De functionele verandering die het plangebied zal ondergaan, behelst een verdichting van ruimtelijke functies. En ondanks de zeer gunstige ligging ten opzichte van een multimodale mobiliteitsknoop zal dit leiden tot een toename van het autoverkeer. Het onderzoek is overwegend gericht op de verkeerseffecten van dit autoverkeer.

Voor het rijdende autoverkeer zijn zowel de effecten op wegvakken als op kruispunten in beeld gebracht. Belangrijk daarbij is dat het gaat om het planeffect ten opzichte van een autonome situatie (zonder Poort van Hoorn). De verkeerseffecten van de Poort van Hoorn hebben slechts in zeer beperkte mate effect op wegen buiten het studiegebied. Het studiegebied is daarmee maatgevend voor de effectbepaling. De intensiteit op de wegvakken neemt binnen het studiegebied op veel wegen toe maar blijft binnen intensiteitscriteria die passend zijn bij het type weg (conform Duurzaam Veilig). De intensiteit op de Hoge Vest overschrijdt deze in de autonome situatie en neemt als gevolg van het plan weliswaar toe maar slechts in beperkte mate (3%). Op diverse kruispunten en wegvakken in het studiegebied worden maatregelen genomen om de verkeersafwikkeling in de toekomst te verbeteren. Deze maatregelen vloeien voort uit diverse studies die in het verleden rondom het Plan Poort van Hoorn zijn uitgevoerd. Deze hebben uiteindelijk geleid tot de plansituatie. Deze plansituatie is getoetst aan de autonome situatie. Ondanks de toegenomen intensiteit, maar dankzij de genomen verkeersmaatregelen is in de plansituatie op de meeste kruispunten sprake van een goede verkeersafwikkeling. Het kruispunt Provincialeweg - Maelsonstraat heeft een matige afwikkeling.

Voor het kruispunt Provincialeweg - Keern geldt dat de verkeersafwikkeling slecht is. De hoeveelheid verkeer kan niet goed verwerkt worden. Maatregelen zoals scheiding van langzaam verkeer en snelverkeer levert een verbetering op van de afwikkeling maar in onvoldoende mate. Vereenvoudiging van de kruising tot een T-aansluiting geeft een matige maar acceptabele afwikkeling. Voor het langzaam verkeer is een ongelijkvloerse verbinding een belangrijke kwaliteitsverbetering. Het huidige en toekomstige knelpunt is in beeld bij de gemeente Hoorn. Meerdere oplossingsrichtingen zijn

51

Pelmolenpad

in onderzoek. Deze zullen moeten leiden tot een vermindering van de verkeersdruk bij het Keern om een vlotte afwikkeling te kunnen garanderen. Voor de stilstaande auto zijn in het plan duidelijke ambities en randvoorwaarden geschetst. Het gaat daarbij om zowel de parkeernormen voor bewoners en bezoekers als voor de ligging en de toegankelijkheid van de parkeervoorzieningen. Parkeren Op basis van de opgestelde parkeerbalans blijkt dat binnen de maximale mogelijkheden van het bestemmingsplan in combinatie met het maximaal aantal te realiseren parkeerplaatsen en de parkeernormen van de gemeente Hoorn een sluitende parkeerbalans geldt. Dit betekent dat het bestemmingsplan voor parkeren uitgaat van reële uitgangspunten. Dit is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Conclusie Met het oplossen van de huidige en toekomstige knelpunten wordt de verkeersdruk bij het Keern vermindert en zal er sprake zijn van een vlotte afwikkeling. Hiermee is het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.10 Luchtkwaliteit De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin ter bescherming van mens en milieu onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide) zijn vastgesteld. De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke plannen die "in betekenende mate" (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het plan "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Onderzoek Door bureau Peutz is onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de nieuwe ontwikkelingen in het Pelmolenpad. Uit de resultaten volgt dat de berekende jaargemiddelde concentraties voor NO2 , PM10 en PM2,5 ten gevolge van de omliggende wegen voldoen aan de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer. Tevens blijkt dat de uurgemiddelde concentratie NO2 van 200 µg/mg/m3 niet wordt overschreden.

Daarnaast wordt de daggemiddelde concentratie voor PM10 van 50 µg/mg/m3 ten hoogste 6 keer overschreden. Hiermee wordt voldaan aan het maximale aantal keer een overschrijding van 35 keer voor de daggemiddelde concentratie PM10 . Het uitgevoerde onderzoek luchtkwaliteit is als Bijlage 20 bijgevoegd. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen vormt voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

52

Pelmolenpad

5.11 Water Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient in de toelichting op ruimtelijke plannen een waterparagraaf te worden opgenomen van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. In die paragraaf dient uiteengezet te worden of en in welke mate het plan in kwestie gevolgen heeft voor de waterhuishouding, dat wil zeggen het grondwater en het oppervlaktewater. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets. Het doel van de watertoets is het waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de watertoets wordt in een vroegtijdig stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Onderzoek Op 22 september 2021 is de digitale watertoets doorlopen. Op basis van het planvoornemen heeft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale procedure moet worden gevolgd. Het plan heeft invloed op het watersysteem, waterkeringen en/of afvalwaterketen. In het resultaat van de watertoets zijn maatregelen in de vorm van deeladviezen opgenomen. Hieronder worden de gegeven deeladviezen uit de watertoets weergegeven.

Het volledige advies is als Bijlage 21 aan de toelichting toegevoegd. 1.

Advies verharding en compenserende maatregelen 800-2000

Binnen het werkgebied van het hoogheemraadschap is de afgelopen decennia door verstedelijking het areaal aan open water afgenomen. Om onder andere dit verschijnsel tegen te gaan is in 2003 de watertoets geïntroduceerd die ervoor moet zorgen dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen en dat ontwikkelingen 'waterneutraal' worden gerealiseerd. Een van de onderdelen van de watertoets is het beoordelen van de verhardingstoename. Er is sprake van een substantiële toename van bebouwing en/of verharding in het plangebied. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater, al dan niet via het rioolstelsel. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename zullen er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen moeten worden in de vorm van extra wateroppervlak. HHNK hanteert bij ontwikkelingen waarbij sprake is van een verhardingstoename tot 2000 m2 de vuistregel dat 10% van de toename aan verhard oppervlak dient te worden gecompenseerd door middel van het inrichten van nieuwe waterberging. Uitgangspunt is dat de compensatie wordt gerealiseerd binnen het plangebied.

Wanneer compenserende maatregelen binnen het plangebied niet mogelijk zijn, wordt geadviseerd contact op te nemen met het hoogheemraadschap om te bepalen wat de alternatieve mogelijkheden zijn. Binnen het plangebied vindt een verhardingstoename plaats van 1.200 m². Dit is de toekomstige verharding (21.000 m²) minus de huidige verharding (19.800 m²). Uitgaande van de compensatienorm van 10% zal 120 m² aan nieuw oppervlaktewater moeten worden gerealiseerd als compensatie van de verhardingstoename. Dempen en graven watergangen Watergangen die (deels) worden gedempt, moeten worden gecompenseerd: elke m² die wordt gedempt moet één op één worden gecompenseerd. In het huidige ontwerp wordt 655 m² aan water gedempt en is gecompenseerd door nieuw oppervlaktewater te realiseren. In het voorliggende ontwerp zit 3.100 m² aan water. In de huidige situatie is er sprake van 2.896 m² aan water. Per saldo wordt er 204 m² extra oppervlaktewater toegevoegd. De extra toevoeging van 204 m² water is ruim voldoende als compensatie

53

Pelmolenpad

voor de verhardingstoename. Ruimtelijke adaptatie Het HHNK adviseert om in het ontwerp van het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Zo zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterberging capaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaatsen gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op straat en in verlaagde groenstroken. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. 2.

Beheer en onderhoud waterlopen 800-2000 m2

Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. 3.

Waterkwaliteit en riolering

Samen met de gemeenten heeft het HHNK de basisdoelstelling het hemelwater zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Het HHNK adviseert de mogelijkheden te onderzoeken het hemelwater op eigen terrein te verwerken in de bodem of rechtstreeks te lozen op het aanwezige oppervlaktewater. Voorwaarde hierbij is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. 4.

Geen verontreininging

Binnen het plangebied is geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZ I). Het HHNK adviseert voor nieuwe ontwikkeling om een gescheiden stelsel aan te leggen. In de nadere planuitwerkingen zal hier rekening mee worden gehouden. 5.

Persleiding

Het langebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het HHNK. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting het uitvoeren van zware transporten; het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; de opslag van (zwaar) materiaal; het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; het graven of heien nabij de leiding. Indien er wel sprake is van dergelijke werkzaamheden, of wanneer er andere activiteiten worden uitgevoerd die op enige wijze schade zouden kunnen toebrengen aan de rioolpersleiding, dient vroegtijdig contact op te worden genomen met het hoogheemraadschap. Indien er sprake is van dergelijke activiteiten zal contact worden gezocht met het HHNK.

54

Pelmolenpad

6. Rioolgemaal Het plangebied bevindt zich in de signaleringszone van een rioolgemaal dat in beheer is bij het HHNK. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat er zo min mogelijk overlast(geur) wordt ervaren door de aanwezigheid van het rioolgemaal. Het is daarom van belang dat er voldoende afstand wordt aangehouden tussen overlast veroorzakende functies (zoals een rioolgemaal) en (geur)gevoelige functies (zoals woningen). Voor de aan te houden afstanden wordt de handreiking Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009) gehanteerd. In deze handreiking wordt voor rioolgemalen een richtafstand van 30 meter aangehouden tot gevoelige functies. Indien een gevoelige functie gerealiseerd wordt binnen deze afstand tot een rioolgemaal dient contact opgenomen te worden met het hoogheemraadschap. De woningen worden gerealiseerd buiten de 30 meter contour. Conclusie Uit het oogpunt van het aspect water gelden geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het planvoornemen van dit bestemmingsplan, mits de adviezen uit de watertoets gevolgd worden.

5.12 Duurzaamheid De gemeente Hoorn heeft een duurzame, toekomstbestendige ontwikkeling hoog in het vaandel. De gemeente Hoorn erkent het belang van het klimaat- en energievraagstuk omdat dit bijdraagt aan een leefbare samenleving in de breedste zin van het woord. Hoorn heeft zichzelf de ambitie gesteld om op Hoorns grondgebied in 2030 een CO2-reductie te behalen van 49% ten opzichte van het CO2-niveau in 1990. Doel is om in 2040 klimaatneutraal te zijn. Voor deze onderdelen zijn kaders en ambities uitgewerkt om de ambitie van Hoorn te kunnen waarmaken. Voor het maken van plannen werkt Hoorn aan de Nota van Uitgangspunten en Ambities Duurzaamheid. De uitgangspunten zijn uitgewerkt in een aantal onderwerpen, namelijk: Energietransitie; Mobiliteit; Circulaire economie en materiaalgebruik; Klimaatadaptatie. Hierbij is elk van deze punten ondergebracht in één van de volgende categorieën: De context en aanleiding waaruit de kaders zijn ontstaan, De uitgangspunten (wettelijk kader en aanvullende eisen) waaraan het plan minimaal dient te voldoen en, de ambities die echt een stap verder gaan en waaruit we kunnen putten om het plan extra kleur te geven. Voor zolang de ambities uit dit document nog niet in beleid zijn vertaald zal al wel in de geest van dit beleid gekeken worden naar de diverse plannen.

Op 24 september 2019 heeft de gemeenteraad van Hoorn ingestemd met de uitgangspunten voor de Poort van Hoorn en is expliciet ingegaan op de duurzaamheidsambitie voor de Poort van Hoorn: er wordt gestreefd naar een energiepositieve balans. Dat zou betekenen dat in het gebied Poort van Hoorn meer energie wordt opgewekt dan dat de functies in het gebied verbruiken (met uitzondering van de mobiliteit). Of deze doelstelling haalbaar is, zal uit het vervolg van het project moeten blijken. De ambitie is in ieder geval duidelijk. De daadwerkelijke uitwerking zal plaatsvinden bij de (deel) uitwerkingen van de diverse plannen. Duurzaamheid is een breed thema en gaat zowel over sociale, fysieke als organisatorische elementen. Het stedenbouwkundig plan geeft hier fysiek uiting aan door het plan op te bouwen vanuit het landschap,

55

Pelmolenpad

openbare ruimte naar bebouwing. Vanuit het onderwerp klimaatadaptatie (waterberging, waterafvoer en voorkomen hittestress) zijn in het ontwerp zowel water als groen ingetekend. Beiden zorgen voor afwatering en voor verkoeling in het gebied. Ondergrondse kelders (bijvoorbeeld parkeren) moeten in balans gebracht worden met ruimte voor waterberging en groen. Het stedenbouwkundig plan is beoordeeld aan de hand van de Nota en hieruit blijkt dat er weinig directe belemmeringen zijn. Aan de hand van de Nota wordt voorgesteld om vooral te sturen op een energieconcept voor het gehele gebied zodat duidelijk wordt of energieleverend haalbaar is. De rest van de uitgangspunten in de Nota kunnen door middel van nadere uitwerking binnen de al vaststaande kaders een plek worden gegeven. In de nadere planuitwerking wordt het aspect duurzaamheid verder meegenomen en bij deze nadere uitwerking wordt rekening gehouden met de gestelde eisen uit de Nota. Planologisch levert dit geen problemen op in het bestemmingsplan. Conclusie Het aspect duurzaamheid staat uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.

5.13 Kabels en leidingen In het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen.

5.14 Milieueffectrapportage Een plan-m.e.r. is een in de Wet milieubeheer (Wm) vastgelegde procedure waarmee voor de m.e.r.-(beoordelings)plichtige onderdelen van een ruimtelijk plan de milieugevolgen op basis van een zekere bandbreedte worden beoordeeld. Op die manier krijgt milieu een volwaardige rol in de afweging van belangen. De drempelwaarden waarbij deze verplichting aan de orde is, zijn vastgelegd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). Op het planvoornemen is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r., van toepassing. D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of; een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Deze drempelwaarde wordt met de ontwikkeling uit dit bestemmingsplan niet overschreden. Conform het gewijzigde Besluit m.e.r. dient voor activiteiten die wel in de D-lijst zijn opgenomen, maar niet aan de daar genoemde drempelwaarden voldoen, een toets aan 'Bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten' te worden uitgevoerd, een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Aard, omvang en ligging zijn begrippen die bij deze beoordeling centraal staan. Een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet in de meeste gevallen worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie (artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r.). Dit is niet het geval wanneer het bevoegd gezag tevens degene is die de activiteit onderneemt. De gemeente Hoorn heeft een voortrekkersrol in het op gang brengen van de projectontwikkeling. De gemeente is initiatiefnemer voor het opstellen van voorliggend bestemmingsplan en is in dezen ook het bevoegd gezag. Er hoeft dan ook geen aanmeldnotitie te worden opgesteld.

56

Pelmolenpad

In onderstaande tabel worden de mogelijke milieueffecten behandeld. Eerst wordt een beschrijving gegeven van de kenmerken van de activiteit en de plaats van de activiteit. Vervolgens wordt ingegaan op de kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Hierbij wordt gekeken of er mogelijk (belangrijke) nadelige milieugevolgen ontstaan en of er mitigerende maatregelen kunnen worden genomen om eventueel het milieueffect te verminderen of teniet te doen. Criteria

Beschrijving van mogelijke effecten

Hoofdthema 1: Kenmerken van het project De omvang van het project.

Het plangebied is circa 8 hectare groot en voorziet in de bouw circa 634 woningen en 1.500 m2 aan voorzieningen. Het project blijft ver onder de drempelwaarde van 100 hectare en 2.000 woningen.

De cumulatie met andere projecten.

Direct ten oosten van het plangebied is het Stationsgebied in het kader van de Poort van Hoorn in voorbereiding. Dit plan voorziet in de realisatie van circa 520 woningen en ruim 16.000 m2 aan voorzieningen en parkeervoorzieningen. Beide projecten leiden in totaal niet tot negatieve effecten.

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Voor de bouw worden reguliere natuurlijke hulpbronnen gebruikt als bouwmateriaal (beton, hout, grond).

De productie van afvalstoffen.

Enkel relevant tijdens de bouw

Verontreiniging en hinder.

Tijdens de aanlegfase is er mogelijk sprake van tijdelijke hinder als gevolg van bouwverkeer en bouw- en sloopwerkzaamheden. Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden zijn echter niet aan de orde, hetgeen blijkt uit de natuurtoets en de uitgevoerde Aerius-berekening. Ten aanzien van de toekomstige gebruiksfase kan op basis van de uitgevoerde omgevingsonderzoeken worden geconcludeerd dat er geen onevenredige verontreiniging en hinder zullen optreden. Zie voorgaande paragrafen in dit hoofdstuk

Het risico van zware ongevallen en/of rampen, waaronder rampen door klimaatverandering.

Nabij het plangebied is momenteel nog een tankstation met LPG gevestigd waarvan de plaatsgebonden risicocontour en het invloedsgebied over het plangebied gesitueerd is. Er zijn afspraken gemaakt over de beëindigen van de verkoop van LPG ter plaatse. Het aspect externe veiligheid is derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Daarnaast is geen sprake van transportroutes met vervoer van gevaarlijke stoffen die van invloed zijn op het plangebied. Met het planvoornemen worden geen risicovolle inrichtingen mogelijk gemaakt.

Risico's voor de menselijke gezondheid.

Het planvoornemen maakt geen ruimtelijke ontwikkeling mogelijk met effecten op de volksgezondheid (zoals hinderveroor-zakende objecten/activiteiten). Een goed ontwerp van de toekomstige woon- en leefomgeving op de planlocatie kan juist in positieve zin bijdragen aan de gezondheid van toekomstige bewoners.

Hoofdthema 2: Plaats van het project Het bestaande grondgebruik

Het plangebied bestaat uit een groot vrijwel onbebouwd gebied tussen de binnenstad en stationsomgeving en de Grote Waal met aan de randen diverse woningen. In het hart ligt een open (parkeer)terrein dat als evenementenruimte wordt gebruikt. In en om het plangebied is groen aanwezig.

57

Pelmolenpad

Relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied.

Door middel van flora- en faunaonderzoek is beoordeeld of sprake is van beschermde natuurwaarden in het plangebied. Met inachtneming van de zorgplicht kan het plan worden uitgevoerd zonder significant negatieve effecten op de flora en fauna. Het plangebied heeft door het huidige gebruik geen hoge ecologische waarde. De Natura 2000-gebieden die het dichtst bij het plangebied zijn gelegen, zijn Markermeer & IJmeer en Polder Zeevang. Deze gebieden zijn gelegen op een afstand van respectievelijk circa 1 en 5 km van het plangebied. Geconstateerd kan worden dat gebieden met (hogere) natuurwaarden op een behoorlijke afstand van de planlocatie liggen en derhalve door het planvoornemen niet negatief zullen worden beïnvloed. Er bestaat namelijk geen directe ecologische relatie tussen de planlocatie, aard van het plan (woningbouwvoornemen met uitsluitend lokale effecten) en de soorten- en gebiedsbescherming van Natura 2000-gebieden in de regio.

Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor gevoelige gebieden.

Vanwege het huidige gebruik heeft het plangebied geen hoge ecologische waarde. Het planvoornemen leidt niet tot significant negatieve effecten op bijvoorbeeld Natura 2000-gebieden, het NNN of weidevogelleefgebied. De uitgevoerde ecologische toetsing (Bijlage 8) bevestigt dit. Het plangebied is verder in een gebied gesitueerd met diverse archeologische verwachtingswaarden. Archeologisch onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De uitkomsten zullen te zijner tijd worden verwerkt in het bestemmingsplan. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat er voor wat betreft archeologie geen belemmeringen zullen ontstaan. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is voor zowel de waterlopen als het beschermd stadsgezicht de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie opgenomen in het bestemmingsplan.

Hoofdthema 3: Kenmerken van het potentiële effect Bereik van het effect (geografische De potentiële negatieve effecten zijn beperkt en uitsluitend lokaal van zone en grootte van de getroffen aard. Daarnaast is een tijdelijk effect gedurende de aanlegfase bevolking) mogelijk. Gelet op de aard van de omgeving, waarbij gevoelige, waardevolle en woongebieden niet binnen het bereik van de potentiële effecten gelegen zijn, is het bereik van het potentiële effect zeer beperkt te noemen. Het grensoverschrijdende karakter Geen van het effect. De intensiteit en de complexiteit van het effect.

De potentieel aanzienlijke effecten op de directe woon- en leefomgeving wijzigen niet significant als gevolg van de ontwikkeling van het plangebied. Het effect is beperkt tot het plangebied en nabije omgeving. De relevante milieuaspecten zijn onderzocht waaruit geen redenen blijken om aan te nemen dat sprake is van onoverkomelijke belemmeringen voor planontwikkeling op deze planlocatie.

De waarschijnlijkheid van het effect.

Van onevenredige negatieve effecten voor de omgeving is geen sprake

58

Pelmolenpad

Duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect

De bouwfase levert tijdelijke effecten op. Na de bouwfase verdwijnen deze effecten. In de gebruiksfase treedt een permanent effect op ten aanzien van verkeer en luchtkwaliteit. De effecten van verkeer op de luchtkwaliteit en geluid zijn beperkt.

Conclusie De boordeling heeft plaatsgevonden aan de hand van de relevante criteria die staan opgenomen in de Wet milieubeheer en bijlage III bij Richtlijn 2014/52/EU (waarmee Richtlijn 2011/92/EU is gewijzigd). Dit betekent dat gekeken is naar de kenmerken van de activiteit, de locatie van de activiteit en de gevolgen van de activiteit voor het milieu. Het project is in zekere zin onomkeerbaar, maar heeft in vergelijking met de drempelwaarde van een stedelijk ontwikkelingsproject een relatief geringe omvang. Wanneer er geen 'belangrijke nadelige gevolgen' zijn voor het milieu, is het conform de wetgeving en de vigerende praktijk niet nodig om een volledige m.e.r.-procedure te doorlopen. Gezien de te verwachten effecten kan worden geconcludeerd dat het gezien de aard van de activiteit en de zorgvuldigheid waarmee het plan kan worden ingepast en gerealiseerd, is uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen met zich mee zal brengen voor het milieu. Omdat er geen sprake is van relevante effecten, zijn er geen redenen gezien die het doorlopen van een m.e.r.- procedure zinvol maken. Nadere analyse in een MER/m.e.r.-beoordeling is niet noodzakelijk.

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische toelichting

Algemeen

Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de vorige hoofdstukken, hebben in de regels van dit bestemmingsplan hun juridische vertaling gekregen in de vorm van bestemmingen. Deze paragraaf bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit: een verbeelding van het bestemmingsplangebied zowel analoog (bestaande uit een kaartblad, schaal 1:1.000 met bijbehorende legenda en verklaring) als digitaal, waarin alle bestemmingen van de gronden worden aangewezen; de regels waarin de bestemmingen worden beschreven en waarbij per bestemming het doel wordt of de doeleinden worden genoemd. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting, op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachte aan het plan ten grondslag ligt, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro.

Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en

59

Pelmolenpad

analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.

6.2

Toelichting op de bestemmingen

De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken: hoofdstuk 1. Inleidende regels hoofdstuk 2. Bestemmingsregels hoofdstuk 2. Algemene Regels hoofdstuk 3. Overgangs- en slotregels In de Inleidende regels zijn de begrippen opgenomen die op dit bestemmingsplan betrekking hebben. Verder is in hoofdstuk 1 de wijze van meten opgenomen. De overgangs- en slotregels bevatten de standaard regels voor het overgangsrecht bouwen en gebruik. De slotregel bevat de naam van het plan (citeertitel). Onderstaand volgt een toelichting op de bestemmingsregels en de algemene regels. Bedrijf Deze bestemming regelt het bestaande tankstation aan het Keern 17. Dit tankstation is in de huidige situatie een tankstation met lpg. Vanwege de beperkingen die dit oplevert (veiligheidszone) voor de geprojecteerde bebouwing in het plangebied wordt een overeenkomst gesloten voor beëindiging van de opslag en aflevering van lpg. In het voorliggende bestemmingsplan is de lpg daarom wegbestemd en het tankstation is aangeduid met de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'. Ter plaatse van de bestaande BEVI-veiligheidszone is een aanduiding 'overige zone - voorwaardelijke verplichting lpg' opgenomen (zie 'Algemene aanduidingsregels').

De voorwaardelijke verplichting houdt in dat het gebruik voor kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten strijdig is, tot het moment dat de opslag en levering van de motorbrandstof lpg door het tankstation is beëindigd en beëindigd wordt gehouden. Gemengd, Wonen - Woongebouw en Gemengd - Wonen en Parkeergarage Bestemmingsomschrijving Wonen In de bestemmingen 'Gemengd, 'Wonen - Woongebouw' en 'Gemengd - Wonen en Parkeergarage' zijn woningen toegestaan. De totale bruto vloeroppervlakte van de woningen in de drie bestemmingen tezamen mag niet meer bedragen dan 59.500 m2 . Het totaal aantal woningen in het plangebied bedraagt 634. Dit is vastgelegd in het artikel 'Algemene bouwregels'. Dienstverlening, horeca en sport In de bestemming 'Gemengd' en 'Gemengd - Wonen en 'Parkeergarage' zijn daarnaast maatschappelijke voorzieningen, kantoren, dienstverlening, horeca en indoor sportvoorzieningen bij recht toegestaan. Wel is het zo dat de totale gezamenlijke bruto vloeroppervlakte van de bovengenoemde functies in de bestemmingen 'Gemengd' en 'Gemengd - Wonen en Parkeergarage', niet meer mag bedragen dan 1.500 m2 . Ook is als voorwaarde opgenomen dat de bruto oppervlakte per specifieke gebruiksfunctie is aangetoond in de quickscan ladderonderbouwing.

Via een afwijking van de gebruiksregels is flexibiliteit ingebouwd voor een afwijkende bruto vloeroppervlakte of een afwijkende functie, mits de functie passend is binnen de bestemmingsomschrijving, de totale bruto vloeroppervlakte niet wijzigt én de ruimtebehoefte is aangetoond met een actuele ladderbouwing.

60

Pelmolenpad

Parkeergarage In de bestemming 'Gemengd - Wonen en Parkeergarage' is een parkeergarage toegestaan. Bouwregels Alle bebouwing moet in het bouwvlak worden gebouwd. Per bouwvlak is aangegeven wat de standaard maximum bouwhoogte is en wat het maximum percentage bebouwd oppervlak is. In de regels is de maximum bouwhoogte aangegeven met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' en het maximum percentage bebouwd oppervlak is aangegeven met de aanduiding 'overige zone - GSI' en de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage (%)'. Voor een aantal bouwvlakken (of gedeeltes van bouwvlakken) geldt dat er hoogteaccenten mogelijk zijn. In de regels is dit aangegeven met de aanduiding 'overige zone - zoekgebied 20 m', 'overige zone zoekgebied 26 m'. Ter plaatse van deze aanduiding mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangeduide hoogte. Dit geldt dan niet voor het hele zoekgebied, maar tot maximaal het percentage dat is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingspercentage(%). De regelingen voor de aanduidingen 'overige zone - GSI' en de 'overige zone - zoekgebied' zijn terug te vinden in de 'Algemene aanduidingsregels'. In Bijlage 3 is dit gevisualiseerd. Doorsteken Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - doorsteek 1' moeten in het plangebied doorsteken binnen een bestemmingsvlak worden gerealiseerd. Deze hebben elk een breedte van ten minste 8 m.

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - doorsteek 2' moet de doorsteek een breedte hebben van ten minste 20 m. De locatie die op de verbeelding is aangegeven is indicatief. Naast de aangegeven verplicht te realiseren doorsteken mogen er meer doorsteken worden gerealiseerd. Afwijkingsbevoegdheid voor overschrijding bouwvlak Op een aantal plaatsen mag het bouwvlak van de bestemmingen 'Gemengd', 'Wonen - Woongebouw' en 'Gemengd - Wonen en Parkeergarage' via een binnenplanse afwijking worden overschreden. Deze margezone is aangeduid als 'Wetgevingzone - afwijkingsgebied' (zie 'Algemene afwijkingsregels'). Woningdifferentiatie In de 'Overige regels' zijn regels opgenomen voor de verplichte woningdifferentiatie in het plangebied. Beperkingen in verband met trillingshinder In verband met de aanwezigheid van de spoorwegverbinding is onderzoek gedaan naar trillinghinder. Uit dit onderzoek vloeit voort dat er binnen een bepaalde zone vanaf het spoor wel woonfuncties zijn toegestaan, maar dat dan wel moet worden voldaan aan bepaalde voorwaarden. De zone waarvoor deze beperkingen gelden is aangeduid als 'Milieuzone - trillingshinder spoor'. Zie 'Algemene aanduidingsregels'.

Voorwaardelijke verplichting onderzoek geluidwering gevels Voor geluidgevoelige bestemmingen waarvan de gecumuleerde geluidbelasting op de gevel meer dan 53 dB bedraagt, moet bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen een onderzoek naar de geluidwering van de gevels worden ingediend, waaruit blikt dat wordt voldaan aan een maximaal binnengeluidniveau van 33 dB. Deze verplichting is opgenomen in de 'Algemene bouwregels'. Groen Ter plaatse van de bestemming 'Groen' zijn groenstroken toegestaan. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

61

Pelmolenpad

Verkeer De bestemming 'Verkeer' regelt de wegen die hoofdzakelijk gericht zijn op de afwikkeling van het doorgaande verkeer. Verkeer - Parkeerterrein In de bestemming 'Verkeer - Parkeerterrein' zijn de gronden bestemd voor parkeerterreinen. Verkeer - Verblijf De bestemming 'Verkeer - Verblijf ' regelt de wegen die hoofdzakelijk gericht zijn op de afwikkeling van het bestemmingsverkeer. Waarde - Archeologie 1 en 2 en 5 In het plan zijn drie dubbelbestemmingen voor de bescherming van archeologische waarden opgenomen. De dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie’ voorzien in een vlakdekkende invulling van het archeologiebeleid. Deze bestemmingen zijn een aanvulling op de andere bestemmingen. Voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte die de van de bestemming afhankelijke drempelwaarde overschrijdt, moet een omgevingsvergunning voor het bouwen worden gevraagd. Hierbij moet een rapport over de archeologische waarde van de gronden worden overlegd. Op grond van dat rapport kan het bevoegd gezag voorwaarden aan de omgevingsvergunning verbinden. Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, is een omgevingsvergunning vereist. De vergunning is niet vereist voor het normale onderhoud, gebruik en beheer. Onder voorwaarden kan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden worden verleend.

Waarde - Cultuurhistorie Deze dubelbestemming waarborgt het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing. Voor zover de bestemming betrekking heeft op gemeentelijke monumenten moet de bestaande bouwvorm worden gehandhaafd. Via een afwijkingsbevoegdheid kan hiervan onder voorwaarden worden afgeweken. Voor het uitvoeren van werken, omgevingsvergunningplicht.

geen bouwwerk zijnde,

of van werkzaamheden geldt een

Tenslotte is een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het slopen van cultuurhistorisch waardevolle bouwwerken. Parkeren en laden & lossen Voor het parkeren geldt voor woningen een parkeernorm van 1,0 parkeerplaats per woning. Voor de overige functies moet worden voldaan aan de parkeernormen zoals opgenomen in het beleid "Parkeernormennota Hoorn" zoals vastgesteld op 28 juni 2018, dan wel het vastgestelde parkeerbeleid, zoals dat geldt op het tijdstip van indiening van de aanvraag voor een omgevingsvergunning. Het parkeren en laden & lossen is geregeld in de 'Overige regels'. Ondergronds parkeren In het hele plangebied wordt de mogelijkheid geboden om ondergronds parkeren te realiseren. Hiervoor is een aanduiding 'overige zone - parkeren ondergronds' opgenomen.

62

Pelmolenpad

Hoofdstuk 7 7.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie De Poort van Hoorn is een omvangrijk project waarvoor een samenwerkingsovereenkomst is opgesteld tussen de gemeente Hoorn, de Provincie Noord-Holland, NS Stations en ProRail. Daarmee is een basis gelegd voor concretiseren van het stedenbouwkundig plan zoals dat in december 2020 door de raad is vastgesteld. Gelet op de omvang en impact van het plan is in februari 2021 gestart met een intensief participatieproces. Er zijn centrale informatiebijeenkomsten gehouden (via digitale weg vanwege de corona-maatregelen) en ook zijn verdiepende sessie met kleinere groepjes bewoners en belanghebbenden gehouden. Van deze sessies waarin naast positieve respons ook zorgen worden geuit, zijn verslagen gemaakt. Daar waar nodig en mogelijk zijn aanpassingen in het plan doorgevoerd. Dit heeft onder meer geleid tot verlaging van het hoogteaccent op de hoek Keern – Dedemstraat. Verslagen van deze bijeenkomsten zijn te lezen op https://www.poortvanhoorn.nl/participatie. Van het volledige participatieproces is een verslag gemaakt. Dit volledige participatieverslag met bijlagen is als Bijlage 22 bijgevoegd. In het participatieverslag is weergegeven hoe het proces van participatie is uitgevoerd alsook wat er inhoudelijk aan input is opgehaald en hoe dat verwerkt is. Er is ingegaan op de aanpak, de planning en de wijze van communicatie.

Gezien de uitgebreide vorm van participatie heeft geen afzonderlijke inspraak plaatsgevonden over het voorontwerp. Overleg ingevolge artikel 3.1.1 Bro Artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) schrijft voor dat een bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een ruimtelijk plan, daarbij overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van Rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Artikel 3.1.6 Bro bepaalt daarnaast dat in de toelichting de uitkomsten van dit overleg worden beschreven. Het bestemmingsplan is gelijktijdig met het bestemmingsplan voor het Stationsgebied aan diverse instanties voorgelegd met de mogelijkheid om deel te nemen aan het vooroverleg. Van de volgende instanties is een reactie ontvangen: 1. 2. 3.

Provincie Noord Holland; Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier; Prorail.

Een samenvatting van de overlegreacties en de gemeentelijke reactie daarop is opgenomen in Bijlage 23 van deze toelichting. De volledige reacties zijn opgenomen in Bijlage 24.

7.2

Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) wordt aangegeven dat een bestemmingsplan vergezeld moet gaan van een toelichting, waarin de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan zijn neergelegd.

63

Pelmolenpad

Voor het onderhavige plan zal minimaal gelijktijdig met de vaststelling van dit bestemmingsplan tevens aan de gemeenteraad een grondexploitatie ter vaststelling worden aangeboden. De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is via de gemeentelijke grondexploitatie voor het onderhavig plan. De grondopbrengsten vanuit de gronduitgifte zijn naar verwachting voldoende om de kosten van grondexploitatie af te dekken. De gronden in het plangebied zijn grotendeels in eigendom van de gemeente Hoorn. Het kostenverhaal voor deze gronden is dan ook verzekerd middels gronduitgifte. Een aantal percelen is echter nog in eigendom van derden. De Grondexploitatiewet, als onderdeel van de Wro, stelt echter de verplichting van een gegarandeerd kostenverhaal als eis aan bestemmingsplannen. Over deze nog te verwerven percelen vinden nog gesprekken plaats met de grondeigenaren om te komen tot anterieure overeenkomsten waardoor de inbreng van deze gronden en kostenverhaal is voorzien. Gemeente en grondeigenaren zijn echter afhankelijk van elkaar om tot planontwikkeling te kunnen komen. Volgens het stedenbouwkundig plan kunnen op de gronden die zij in eigendom hebben geen afrondend deel van de woningbouw realiseren en hebben daarom geen wettelijk recht op zelfrealisatie.

Er is door deze wederzijdse afhankelijkheid geen aanleiding een exploitatieplan in procedure te brengen omdat het kostenverhaal anderszins via anterieure overeenkomsten verzekert lijkt te worden. In dat geval zal de gemeenteraad expliciet besluiten dat er geen exploitatieplan wordt vastgesteld. Mocht het sluiten van genoemde anterieure overeenkomsten onverhoopt niet mogelijk zijn, dan ontstaat een nieuwe situatie, en dan stelt de gemeenteraad, op grond van artikel 6.12 Wro, uiterlijk gelijktijdig met het vaststellen van het bestemmingsplan, wel een exploitatieplan vast voor gronden waarop dat moment nog geen anterieure overeenstemming met de grondeigenaar is bereikt. Op basis hiervan wordt het planvoornemen van dit bestemmingsplan als bouwplan aangemerkt.

64

Pelmolenpad

Eindnoten

1. Bex, Meijers, Schrickx & Soonius 2018 2. Bex, B, P. Meijers, C. Schrickx & C. Soonius, 2018. Cultuurhistorisch advies Stationsgebied Zuid I. Conceptversie. Adviesnummer 17080 (07-06-2018). Bureau Erfgoed, Hoorn. Bex, B.E.R. & C.M. Soonius, 2019. Cultuurhistorisch advies. Bestemmingsplan Restgebieden Poort van Hoorn gemeente Hoorn. Adviesnummer 19061 (16-04-2019). Bureau Erfgoed, Hoorn HISGIS (digitaal aanwezig bij gemeente Hoorn) Kadastraal Minuutplan 1823, Gemeente Zwaag c.a., Sectie A, genaamd Oosterblokker-Oosteind, Eerste Blad (beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Schrickx, C.P., 2010. Archeologische Quickscan Hoornse poort. (Advies 30 maart 2010). Bureau Erfgoed, Hoorn. Schrickx, C.P., 2011. Aanvullende Archeologische Quickscan Hoornse poort. (Advies 16 december 2011). Bureau Erfgoed, Hoorn. Schrickx, C.P. & M.H. Bartels, 2011. Archeologisch bureauonderzoek en advies voor de inpassing van de weg tussen de Provinciale Weg en De Weel. Bureau Erfgoed, Hoorn. Schrickx, C.P., 2017. Archeologisch Bureauonderzoek plangebied Pelmolenpad in Hoorn. West-Friese Archeologische Notities 23. Bureau Erfgoed, Hoorn. Soonius, C.M. & M.H. Bartels, 2012. Toelichting Beleidskaart Archeologie Gemeente Hoorn, Archeologie Erfgoed VVH, Hoorn. Westfries Archief Gemeente Hoorn, 2012. Beleidskaart Archeologie (vastgesteld door de gemeenteraad op 12 maart 2013). Soonius, C.M. & M.H. Bartels, 2012.

Toelichting Beleidskaart Archeologie Gemeente Hoorn, Archeologie Erfgoed VVH, Hoorn. Westfries Archief

65

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=d61090a1-bd97-42c4-976a-6c8b820d6e07