CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a Toelichting

Gemeenteraad 7 februari 2023, gemeente HoornBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Pelmolenpad (1888562)24.394 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het regionale kwalitatieve afwegingskader (zie paragraaf 4.3) is hierbij leidend. Daarmee biedt de gemeente nieuwbouw aan die past bij de vele woonwensen, inkomens en generaties. Ontwikkelende partijen moeten zich hier aan houden. De gemeente stuurt door gebruik te maken van de doelgroepenverordening. De

28

Pelmolenpad

zelfbewoningsplicht maakt hier deel van uit, om te voorkomen dat woningzoekenden op de woningmarkt verdrukt worden door beleggers. Met de nieuwbouwopgave werkt de gemeente aan een toekomstbestendige voorraad. We spelen in op de (maatschappelijke) opgaven als de vergrijzing, de toename van kleine huishoudens, langer zelfstandig wonen, de klimaat- en energieopgave en vooral de economische versterking van Hoorn. Doelgroepenverordening Op 23 april 2019 heeft de gemeenteraad van Hoorn de verordening doelgroepen sociale woningbouw en middenhuur Gemeente Hoorn vastgesteld zodat de gemeente bij nieuwe ontwikkelingen kan sturen op categorieën woningbouw die ondervertegenwoordigd zijn in de gemeente Hoorn. In de verordening is een balans gezocht tussen de mogelijkheden van woningzoekenden die het moeilijk hebben op de woningmarkt en de aantrekkelijkheid voor ontwikkelaars om in Hoorn woningen te realiseren. De eisen uit de verordening gelden bij nieuwe ontwikkelingen. Met de doelgroepenverordening kan de gemeente in ruimtelijke plannen en exploitatieplannen eisen opnemen voor het realiseren van sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en middenhuurwoningen. Bij nieuwbouwplannen kan dit leiden tot gevarieerdere ontwikkelingen.

Binnen een ontwikkeling zullen ook sociale woningen en middenhuurwoningen gerealiseerd moeten worden nadat de gemeente de eisen uit de verordening heeft opgenomen in een ruimtelijk plan. Het gebruik van de doelgroepenverordening maakt integraal onderdeel uit van de woonvisie. De Wro biedt gemeenten de mogelijkheid om in ruimtelijke plannen te eisen dat een bepaald percentage sociale huurwoningen, sociale koopwoningen en/of middenhuurwoningen gerealiseerd moet worden, mits er een doelgroepenverordening is. De woningdifferentiatie is geborgd in de regels van het bestemmingsplan. Hierin is opgenomen dat dient te worden voldaan aan de doelgroepenverordening waarin is bepaald dat binnen het plangebied een bepaald percentage sociale huurwoningen en sociale koopwoningen worden gerealiseerd. Conclusie Het bestemmingsplan is in overeenstemming met de ambities in de woonvisie. 4.4.4

Detailhandelsnota Gemeente Hoorn 2020 - 2025

De detailhandelssector ondergaat grote veranderingen. Veel fysieke winkels en winkelgebieden hebben het moeilijk. De veranderingen in het koopgedrag van mensen is gewijzigd. Zeker als gevolg van de coronacrisis en de daarbij horende maatregelen. Om de detailhandel toekomstbestendig te houden, zijn beleidskeuzes nodig. De belangrijkste daarvan is het concentreren van winkelaanbod. Dit geldt zeker voor de binnenstad. De aantrekkelijkheid van de binnenstad wordt overigens niet alleen bepaald door detailhandel, maar ook door kunst, cultuur en andere publieksaantrekkende functies. Er moet sprake zijn van een samenhangende vertaling van deze nota in combinatie met het beleid op andere terreinen die van belang zijn voor het aantrekkelijk houden van de binnenstad. In de detailhandelsvisie wordt voor de locatie Pelmolenpad uitgegaan van een beperkte omvang aan detailhandel, passend bij het functioneel profiel van deze gebieden (zie Raadsbesluit Uitgangspunten Gebiedsontwikkeling Poort van Hoorn - 24 september 2019). Voorwaarde is daarnaast dat er geen onevenredige concurrentie mag zijn met de bestaande detailhandel in de binnenstad en dat de marktruimte kan worden aangetoond. Het voorgenomen programma aan voorzieningen van maximaal 1.500 m2 waarbinnen ook beperkt detailhandel wordt toegestaan past binnen deze uitgangspunten. In paragraaf 4.1.2 is hier nader op ingegaan.

29

Pelmolenpad

4.4.5

Beleid verblijfsruimte toeristen

De gemeente Hoorn richt zich op het stimuleren van toerisme. Een belangrijk onderdeel daarvan is de beschikbaarheid van voldoende verblijfsruimten voor toeristen om aan deze vraag te voldoen. Attracties, horeca en detailhandel zijn voor een deel afhankelijk van het verblijfstoerisme. Daarbij stimuleert toerisme het voorzieningenniveau en draagt het, zowel direct als indirect, bij aan werkgelegenheid. De gemeente wil ook consumentverzorgende bedrijfsactiviteiten in woningen stimuleren. Onderdeel hiervan is het bieden van de mogelijkheid aan bewoners om verblijfsruimten aan toeristen te kunnen bieden. In de notitie worden de voorwaarden bepaald die gesteld worden aan pensions en bed & breakfasts om de belangen van bewoners te waarborgen. Ten aanzien van pensions kan geen algemeen geldend beleid worden ontwikkeld, omdat de situaties te veel verschillen en dit juist te beperkend zou werken. De beoordeling of een pension wel of niet passend is op een bepaalde locatie, wordt per geval afgewogen en waar nodig worden hier voorwaarden aan verbonden. In tegenstelling tot een pension, is de impact van een bed & breakfast beperkt. Een bed & breakfast is daarom aanvaardbaar binnen de woonbestemmingen. De impact van een bed & breakfast is relatief gering en ondergeschikt aan het wonen.

Mits de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft en eventuele overlast voor de omgeving wordt beperkt, kan medewerking worden verleend aan de vestiging van een bed & breakfast. De voorwaarden zoals opgenomen in de beleidsnotitie zijn als uitgangspunt genomen in het voorliggende bestemmingsplan. 4.4.6

Bomenbeleidsplan

In 2009 is het Bodembeleidsplan opgesteld dat voor een deel steunt op het groenbeleidsplan. Het Bomenbeleidsplan draagt de titel “Ruimte voor bomen”, waarmee wordt benadrukt dat bomen in het toekomstige gemeentelijk beleid een meer prominente plaats krijgen in ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente wil dat Hoorn een groene stad is en blijft. Centraal in het bomenbeleidsplan staat het beschermen van het huidige en toekomstige bomenbestand en het scheppen van voorwaarden voor een optimale ontwikkeling en verzorging van bomen. Via het principe “niet kappen, tenzij…” wordt het gemeentelijke bomenbestand zoveel mogelijk beschermd.

Figuur 14. Kaartfragment Bomenbeleidsplan

De bomenkaart vormt de onderlegger voor het bomenbeleidsplan. Hierop zijn belangrijke bestaande en gewenste boomstructuren vastgelegd. Deze boomstructuren zijn onderverdeeld in hoofdstructuur,

30

Pelmolenpad

secundaire structuur. De hoofdstructuur valt samen met de ontsluiting vanuit de wijken en de stad. De secundaire structuur bestaat uit een aantal lange routes door de wijken langs wegen, fietspaden en water. Langs deze routes staan beeldbepalende boomrijen. Hoorn zet zich in voor het handhaven en optimaliseren van deze boomstructuren. In bovenstaand figuur is de structuur ter plaatse van het plangebied weergegeven. De overige bomen met betrekking tot dit bomenbeleidsplan, zijn de wijkbomen en de parkbomen. Wijkbomen zijn de bomen dieper in de wijk vanaf de hoofd- en secundaire structuurwegen. Feitelijk zijn het bomen die op overige ruimtes in de wijk staan waar een boom kan groeien; in de bestrating, in plantsoen of op speelveldjes. De wijkbomen en parkbomen staan niet ingetekend op de bomenkaart. De parken zelf zijn wel aangegeven zonder dat hier een specifiek uitgangspunt voor is bepaald. Er is enkel opgenomen dat bomen voor een groot gedeelte het karakter van het park in de open gedeeltes bepalen. In bovenstaand figuur is de structuur ter plaatse van het plangebied weergegeven. Langs De Weel loopt de hoofdstructuur. De Zuiderkruisstraat is aangemerkt als een secundaire structuur. Het stedenbouwkundig plan heeft geen effect op de aanwezige boomstructuur en het plan biedt voldoende mogelijkheden om de bestaande groenstructuren te versterken.

Een deel van het te realiseren programma is gelegen op gronden die zijn aangeduid als parkgroen. In paragraaf 3.2 en het stedenbouwkundig plan is aangegeven dat in het Pelmolenpad gebied wordt aangehaakt op de huidige water- en groenstructuur en dat deze wordt versterkt. De aanwezige groen- en waterstructuur biedt een specifieke kwaliteit dat een belangrijk ingrediënt vormt voor de gekozen stedenbouwkundige opzet. In het Pelmolenpad vormt het water het organiserend principe. De waterverbinding met de singel wordt hersteld en er ontstaat in het hart van het gebied een carré van water met een natuurlijk talud. Dit vormt de basis voor een eigen woonkwaliteit. In het Pelmolenpad geven verschillende pleintjes en parken plekken van samenkomst in de buurt. Elke plek krijgt zijn eigen karakter. Het planvoornemen zorgt voor een versterking van het aanwezige parkgroen en is daarmee in lijn met het bomenbeleidsplan. Hoorn zet zich in om deze beeldbepalende boomrijen te behouden en te versterken. Voor extra bescherming van bestaande bomen gaat Hoorn een aantal instrumenten inzetten. Bij bouw- en aanlegwerkzaamheden moet een Bomen Effect Analyse (BEA) gemaakt worden, voordat de werkzaamheden plaats vinden. Hiermee wordt inzichtelijk welke effecten de beoogde maatregelen hebben. Ook moet er gewerkt worden volgens normen van de Lior (Leidraad inrichting openbare ruimte).

En de gemeente gaat werken met een bomenbalans, waarop alle bomen worden aangegeven die zijn verdwenen en aangeplant. De gemeente Hoorn hanteert een bomennorm van gemiddeld 1,3 bomen per woning. Indien dit aantal niet wordt gehaald, moet het resterende deel worden afgekocht in het bomenfonds waarbij de gemeente zorgdraagt voor de plant van bomen elders in de gemeente. Het plangebied is met de meest maximale invulling met bomen van diverse soorten ontworpen. Het overige deel van de bomen wordt, via het bomenfonds, elders in Hoorn aangeplant. 4.4.7

Groenvisie Hoorn 2019 - 2029

Meer groene verbindingen door de stad, een beter gebruik van groen en grotere biodiversiteit. Dat zijn de speerpunten van de Groenvisie die inwoners samen met de gemeente Hoorn hebben opgesteld. Onder de titel ‘Verbindend groen’ is een visie voor het Hoornse groen in 2030 gemaakt. In de Groenvisie maakt de stad voor de komende tien jaar keuzes voor het beheer, inrichting en gebruik van het groen. Groen kleedt de openbare ruimte in Hoorn aan. Parken, plantsoenen en bermen zorgen voor sfeer en beleving. Ook dragen de groene gebieden bij aan klimaatbestendigheid en een gezonde leefomgeving. Daarnaast brengt groen inwoners bij elkaar. Onderstaande vijf pijlers dragen de Groenvisie. 1. Samen met de stad Het groen in Hoorn is van ons allemaal. De gemeente wil de samenwerking met de stad versterken door communicatie, educatie en participatie. Voor inwoners moet duidelijk zijn waar en waarom grote

31

Pelmolenpad

werkzaamheden plaatsvinden. 2. Biodiversiteit Dankzij de verschillende soorten leven blijft de natuur in evenwicht. We gaan het beheer en onderhoud waar mogelijk natuurlijk uitvoeren, zodat dieren en planten de ruimte krijgen. Biodiversiteit bevorderen we door meer gevarieerde planten in de groene verbindingen, bermen, oevers en bosplantsoenen. Bomen die in de toekomst waardevol kunnen zijn, beschermen we. 3. Gebruik van groen Groen is van groot belang voor recreatie. Je kunt er spelen, sporten, wandelen, de hond uitlaten of luieren. We gaan functies toekennen aan de grote groengebieden om daarmee de kwaliteit te vergroten en het gebruik te spreiden. Ook geven we aan waar plek is voor eetbaar groen en stimuleren we stadslandbouw. Er komen (natuurlijke) verbindingen tussen groengebieden, zodat er een groen netwerk ontstaat door de gemeente. 4. Identiteit en beleving Groen geeft identiteit aan plekken en gebieden. De gemeente Hoorn wil de beleving en identiteit van de openbare ruimte vergroten. Het groen wordt diverser: we voegen kleur en fleur toe aan de stad. Per wijk dragen planten en hun kleuren bij aan een positieve uitstraling. Planten als heesters en bomen krijgen de kans zich te ontwikkelen doordat ze op de juiste plek staan. 5. Klimaatbestendig en duurzaam Hoorn wil binnen tien jaar een duurzamere gemeente zijn die beter bestand is tegen klimaatverandering.

We gebruiken duurzame materialen en brandstoffen in het groen. In aansluiting op het groene netwerk komen in plantsoenen, parken en pleinen plekken waar mensen prettig kunnen verblijven als het warm is. De gemeente Hoorn zet zich in voor minder verstening in de openbare ruimte en tuinen. Bomen worden gekoesterd op de plaatsen waar ze tot hun recht komen en een optimale bijdrage leveren aan de klimaatdoelstellingen. Dit betekent ook dat bomen in de openbare ruimte in principe niet weggehaald worden voor zonnepanelen. Als een grote meerderheid van de direct omwonenden overlast van bomen ervaart, wordt gezocht naar maatwerkoplossingen. Ook kan het college ervoor kiezen om de mening van de gemeenteraad te vragen. In het stedenbouwkundig plan is ingegaan op de inrichting van de openbare ruimte, waarbij ook groenvoorzieningen een belangrijke rol spelen (zie paragraaf 3.2 en Bijlage 2). Het planvoornemen is in lijn met de Groenvisie. 4.4.8

Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (2020)

De overheid laat steeds meer activiteiten aan de markt over. Bij nieuwe ontwikkelingen in de gemeente ontwikkelt een initiatiefnemer niet alleen privaat terrein, maar ook de openbare ruimte, zoals dat ook in het onderhavige plangebied het geval is. Nadat de openbare ruimte gereed is, neemt de gemeente deze over in beheer en eigendom. Daarom is het belangrijk dat de gemeente vooraf kan aangeven welk kwaliteitsniveau zij wenst. Om tijdens de contractvorming al inzicht te hebben in de wensen van de gemeente ten aanzien van de te ontwikkelen openbare ruimte, is een Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR) opgesteld. De inrichting van de openbare ruimte in het bestemmingsplangebied geschiedt conform de in de LIOR gestelde eisen. Eventuele afwijkingen zullen uitsluitend na goedkeuring van de gemeente mogelijk zijn.

32

Pelmolenpad

4.4.9

Archeologiebeleid

In 2012 heeft Archeologie Erfgoed VVH een Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hoorn vervaardigd. Deze is vastgesteld op 12 maart 2013, samen met de Erfgoedverordening 2013 van de gemeente Hoorn. Op basis van aanvullend bureauonderzoek, getoetste verwachtingen in het veld en kaartanalyse is een nieuwe kaart vervaardigd met andere vrijstellingsgrenzen dan de oude Beleidskaart Archeologie uit 2007. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om 'rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden'. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2 , maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hoorn wil van deze mogelijkheid gebruik maken. Ter bescherming van de archeologische waarden kunnen burgemeester en wethouders, als daar op basis van een archeologisch onderzoek aanleiding toe bestaat, voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen. Daarnaast is een omgevingsvergunning vereist voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd.

De bescherming van archeologische waarden wordt geregeld via een dubbelbestemming. Deze dubbelbestemming geldt voor die locaties die op basis van de Beleidskaart Archeologie een hoge archeologische waarde of een hoge archeologische verwachting hebben. Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden; Waarde-Archeologie 5: archeologisch belang betrekken bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm –Mv. In deze gebieden heeft nog geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Alleen bij grotere bodemingrepen is het van belang dat er een Quickscan wordt vervaardigd. 4.4.10

Kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie

Intensivering en hoogbouw hebben langdurig en in grote mate invloed op de uitstraling van de stad. Om een kader te hebben waaraan getoetst kan worden, zodat iedere situatie in de stad volgens dezelfde kwalitatieve standaard wordt bekeken heeft de gemeenteraad op 20 april 2021 ingestemd met de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie. Op basis van deze kadernotitie wordt de uiteindelijke hoogbouwvisie opgesteld. In de notitie wordt voorgesteld een wijze van intensiveren te kiezen die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geïnspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad. Een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte. En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen. Intensiveren van stedelijke gebieden is een kans om de gewenste woningen en voorzieningen toe te voegen om de stad leefbaar en vitaal te houden. Door die nieuwe woningen in een meer stedelijke omgeving te maken, zijn ze aantrekkelijk voor bijvoorbeeld de jongere woningzoekers, of ouderen die op zoek zijn naar een levendige woonomgeving. Door iets meer dan nu de hoogte op te zoeken, kunnen woningen toegevoegd worden aan de stad, zonder dat dat ten koste gaat van openbare ruimte. Het is niet het doel om de stad vol te bouwen, maar juist om woningen toe te voegen en ook meer bruikbare groene ruimte.

33

Pelmolenpad

Definitie hoogbouw De definitie van hoogbouw is voor velen verschillend, dat hangt ook af van verhoudingen tot andere gebouwen en het standpunt waarvandaan je die hoogbouw beleeft. Gemeenten in Nederland hanteren dus ook verschillende definities voor de grens waarboven een gebouw hoogbouw genoemd wordt. Hoorn ligt aan het water en in een plat landschap, waardoor het silhouet van met name de oude stad en de omliggende dorpen (met nog mooie monumentale kerkjes) met relatief lage hoogbouw behoorlijk kan veranderen. Daarom wordt uitgegaan van een hoogbouwdefinitie die per gebied verschilt. In Hoorn worden drie definities van de basishoogte, met bijbehorende accenten en uitschieters gehanteerd.

Figuur 15. Drie definities van basishoogte zoals opgenomen in de kadernotitie Intensiverings- & Hoogbouwvisie

De gebieden waar dynamisch stedelijk gebied wordt voorzien, zijn gelegen binnen een cirkel van 1200 meter vanaf een station. Het stedenbouwkundig plan Poort van Hoorn is het eerste intensiveringsgebied met uitgangspunten voor de hoogte van 5 tot 6 lagen voor de basishoogte, met enkele hogere delen tot 8 lagen. Daarbij is aangegeven dat een aantal hoogteaccenten mogelijk zijn. In het gebied Pelmolenpad past een kleinstedelijke intensivering: Iets lagere bebouwing, voornamelijk met een woonbestemming. Poort van Hoorn geeft een goed beeld van de kansen van intensivering, en daar is breed draagvlak voor, hoewel er in de nadere verdieping van het stedenbouwkundig plan over de plaatsing van de hoogteaccenten nader overleg heeft plaatsgevonden met onder andere de omgeving (zie ook paragraaf 7.1 waarin is ingegaan op het participatietraject). Mede naar aanleiding van het participatietraject is de plaatsing van de hogere gebouwen aangepast ten opzichte van het in 2020 vastgestelde stedenbouwkundige plan. In paragraaf 3.4 is ingegaan op de stedenbouwkundige motivering van de hoogteaccenten in het plangebied. Er wordt gekozen voor een wijze van intensiveren die past bij Hoorn. Dat betekent dat nieuwe hoogbouw moet passen bij de directe omgeving, maar ook dat die geinspireerd is op het leefmilieu in de binnenstad: Met een gevarieerde programmatische invulling en bouwhoogte.

En intensief betekent ook veel ruimte voor water of groen.

34

Pelmolenpad

4.4.11

Welstandsnota 2020

Op 4 februari 2020 is de Welstandsnota 2020 van de gemeente Hoorn vastgesteld. De welstandsnota is het toetsingsinstrument voor nieuwe ontwikkelingen in Hoorn. Het planvoornemen ligt in plangebied 5c Buitenstad. Hiervoor geldt een regulier welstandsregime. In de reguliere gebieden ligt de focus bij de beoordeling vooral op het bewaren van de eenheid in complexmatige bebouwing. De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor grotere (her)ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. In sommige gevallen kan dan worden volstaan met het verwijzen naar criteria van naastgelegen of andere vergelijkbare gebieden in de gemeente. In andere gevallen wordt bij de beoordeling teruggegrepen op de algemene criteria. Ook kan de gemeenteraad besluiten in het kader van de planvorming nieuwe welstandscriteria vast te stellen als aanvulling op de welstandsnota. Voor het plangebied wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 3.7). In het beeldkwaliteitskader staan de criteria met betrekking tot de plaatsing, massa, aanzichten/detaillering, opmaak en diverse andere zaken voor het op te richten programma. Het beeldkwaliteitskader vormt, samen met het voorliggende bestemmingsplan, na de uiteindelijke vaststelling door de gemeenteraad, de basis voor de aan te vragen (eventueel collectieve) omgevingsvergunning(en) voor het bouwen.

Het beeldkwaliteitskader doorloopt een eigen procedure en wordt apart van het bestemmingsplan vastgesteld.

Hoofdstuk 5

Omgevingstoets

Om de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan te toetsen, is het noodzakelijk dat verschillende onderzoeken worden uitgevoerd.

5.1

Bodem

In het Bro is bepaald dat in de toelichting inzicht verkregen moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is dus feitelijk een onderdeel van de onderzoeksverplichting van het college en de gemeenteraad bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen. Een bepaalde mate van bodemverontreiniging hoeft in veel gevallen niet direct een probleem op te leveren. In veel gevallen zal historisch onderzoek inzake de betreffende verdachte locatie kunnen uitwijzen of voldoende aanleiding is om ook bodemonderzoek te laten uitvoeren. Met een oriënterend bodemonderzoek en/of een nader bodemonderzoek kan worden vastgesteld of inderdaad sprake is van bodemverontreiniging, en zo ja, in welke mate en van welke omvang. Op basis van een nader onderzoek kan de provincie bepalen of er een noodzaak is tot gedeeltelijke of gehele sanering van de locatie en of beveiligingsmaatregelen moeten worden getroffen.

Daarbij zal ook de huidige en/of toekomstige bestemming en het gebruik van de locatie een rol spelen uit welke saneringsvarianten kan worden gekozen. Onderzoek In 2017 is in opdracht van de Regionale Uitvoeringsdienst Noord Holland Noord (thans Omgevingsdienst Noord-Holland Noord) door Sweco een bodemonderzoek uitgevoerd en door de gemeente Hoorn in kaart gebracht (Bijlage 7). Uit het onderzoek blijkt dat op diverse vlekken ernstige, maar niet spoedeisende,

35

Pelmolenpad

vormen van bodemverontreining aanwezig is. De onderzoeksresultaten vormen milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor de toekomstige bestemming van de locatie. Door middel van een sanering kunnen deze gronden gebruikt worden voor de functie wonen. Er kan op basis van de beschikbare informatie niet worden gegarandeerd dat plaatselijk de bodem altijd geschikt is voor de huidige en/of gewenste functie. Bij bouwactivtiten/ontwikkelingen binnen het gebied moet daarom altijd een extra toets op bodemgeschiktheid worden gedaan. Voor de geplande saneringswerkzaamheden (inclusief de werkzaamheden in het stationsgebied) wordt overwogen om te werken met een raamsaneringsplan. Dit geeft de mogelijkheid om gefaseerd te saneren en om eenvoudiger om te gaan met onverwachte lokale verontreinigingsspots in het dempingmateriaal op terreindelen waar geen sterke verontreinigingen in de diverse bodemonderzoeken naar voren zijn gekomen. Conclusie Het planvoornemen is wat betreft het aspect bodem uitvoerbaar.

5.2

Ecologie

In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Dit is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb), de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Voor het totale plangebied Poort van Hoorn is een ecologische beoordeling uitgevoerd. Dit onderzoeksrapport is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze toelichting. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Indien vliegroutes of verblijfplaatsen van de Meervleermuis aanwezig zijn, kan een negatief effect optreden op het instandhoudingsdoel van de Meervleermuis in de Natura 2000-gebieden Markermeer & IJmeer. Om te bepalen of dit het geval is, dient nader onderzoek te worden uitgevoerd wanneer werkzaamheden plaatsvinden waarbij gebouwen gesloopt worden of wanneer lichtbronnen nabij bomen, bestaande gebouwen of watergangen worden gerealiseerd. Overige gebiedsbescherming Op overige beschermde gebieden (NNN, Weidevogelgebieden) zijn door uitvoering van de geplande werkzaamheden geen negatieve effecten te verwachten.

Stikstof Een AERIUS- berekening van de stikstofuitstoot van het planvoornemen moet uitwijzen of negatieve effecten in het kader van de Wnb beschermde gebieden zullen optreden. Op basis daarvan kan worden bepaald of vervolgstappen nodig zijn, zoals het aanvragen van een vergunning van de Wnb. Op 7 juni 2021 is de berekening stikstofdepositie voor de bestemmingsplannen 'Poort van Hoorn - Stationsgebied' en 'Pelmolenpad' uitgevoerd. Omdat de plangebieden aan elkaar grenzen en de realisatie deels tegelijk plaats vindt is er voor gekozen om voor de twee bestemmingsplannen een gezamenlijke AERIUS-berekening uit te voeren. De berekeningen met AERIUS genereren een rekenresultaat en een pdf bestand waarin wordt geconstateerd dat er geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. De berekening met bijlagen is als Bijlage 10 bijgevoegd. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wnb beschermde Natura

36

Pelmolenpad

2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig. Soortenbescherming Vogels Door uitvoering van de plannen ontstaat mogelijk een conflict met de Wnb indien broedende vogels en hun nesten worden verstoord. Vleermuizen Wanneer men gebouwen sloopt of bomen met holtes kapt kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen verloren gaan. Er dient dan aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen te worden uitgevoerd. Aanvullend onderzoek naar vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeksrondes, die verspreid over de periode mei tot en met oktober plaatsvinden. Vanwege de nabijheid van het Markermeer zal tijdens dit onderzoek extra aandacht besteed moeten worden aan de Meervleermuis tijdens dit onderzoek. Steenmarter Wanneer gebouwen (oude schuurachtige gebouwen op het spoor) gesloopt gaan worden kunnen verblijfplaatsen van de Steenmarter verloren gaan. Mochten gebouwen gesloopt worden dan dient eerst onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van Steenmarter in de betreffende gebouwen. Deze gebouwen hebben geen betrekking op het plangebied Pelmolenpad en nader onderzoek naar de steenmarter is dan ook niet noodzakelijk. Overige beschermde soorten Door uitvoering van de plannen zal geen conflict met de Wnb ontstaan ten aanzien van overige beschermde soorten.

Wel dient ten aanzien van vrijgestelde amfibieën en zoogdiersoorten de zorgplicht in acht genomen te worden, door de dieren de gelegenheid te geven het plangebied te verlaten. Nader onderzoek vleermuizen Uit de quickscan (Bijlage 8) komt naar voren dat in het te slopen flatgebouw en in een aantal te kappen bomen langs de watergang op het terrein mogelijk jaarrond beschermde verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Om aan te tonen dan wel uit te sluiten dat vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn, is in 2021 nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. De uitgebreide resultaten van het nader onderzoek naar vleermuizen worden beschreven in de rapportage van JM Laatvlieger (Bijlage 9). Onderstaand is de samenvatting van het uitgevoerde onderzoek naar vleermuizen en een doorkijk naar het vervolg weergegeven. Inventarisatie kraamperiode Tijdens de avondbezoeken op 1 juni en 21 juni 2021 zijn geen uitvliegende vleermuizen waargenomen en ook geen waarnemingen gedaan van vleermuizen die een duidelijke binding lieten zien met de bebouwing of bomen in het plangebied. Tijdens het bezoek op 1 juni zijn wel meerdere vleermuizen waargenomen die rondom de bomen en het water op het terrein vlogen, maar er was geen sprake van een duidelijke vliegroute. Tijdens het ochtendbezoek op 24 juni zijn ook geen invliegende vleermuizen bij het flatgebouw of de bomen waargenomen.

Grotere groepen zwermende of in- en uitvliegende dieren, die duiden op de aanwezigheid van een kraamverblijfplaats, zijn niet aangetroffen. Inventarisatie paarperiode Tijdens het avondbezoek op 19 september 2021 is één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis in de gevel aan de noordoostzijde van het flatgebouw vastgesteld. Ook zijn tijdens beide bezoeken in de paarperiode meerdere vleermuizen waargenomen die rondom de bomen en het water op het terrein vlogen, maar er was geen sprake van een duidelijke vliegroute. Verder zijn geen overige waarnemingen gedaan van dieren die een binding toonden met het gebouw of de bomen.

37

Pelmolenpad

Conclusie Als gevolg van de sloop van het flatgebouw gaat één paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis verloren. Dit betekent dat voor de sloop van dit gebouw een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is. Conclusie De ontheffing bestaande uit een aanvraagformulier met een bijbehorend activiteitenplan wordt aangevraagd. Onderdeel van de ontheffingsaanvraag is het aanbieden van tijdelijke en permanente mitigatie. Hiervoor gelden richtlijnen, zoals de periode waarin zowel de bestaande als de alternatieve verblijfplaatsen naast elkaar beschikbaar zijn (gewenningsperiode) en het aantal en type alternatieve verblijfplaats. De verkregen ontheffing wordt te zijner tijd verwerkt. Voor het overige wordt rekening gehouden met de zorgplicht en is het planvoornemen niet in strijd met het gestelde binnen de Wnb.

5.3

Erfgoed

De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2021. Het betreft dan: 1. 2. 3.

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten

Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. Per 1 januari 2012 is de Modernisering Monumentenwet doorgevoerd via een wijziging van artikel 3.6. lid 2 van Besluit ruimtelijke ordening. In de toelichting van een bestemmingsplan moet voortaan het volgende worden opgenomen: Een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Hierdoor dienen cultuurhistorische waarden dus uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Gemeenten zullen een inventarisatie moeten (laten) maken van alle cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied, dus niet alleen de archeologische waarden. Daarnaast moeten ze aangeven welke conclusies ze daaraan verbinden en op welke wijze ze deze waarden borgen in het bestemmingsplan. Dit is één van de pijlers van de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). De Rijksdienst helpt gemeenten om hieraan te voldoen met de Handreiking erfgoed en ruimte. Hierin staat hoe gemeenten zo'n inventarisatie en analyse kunnen uitvoeren. Ook wordt in deze handreiking aangegeven op welke wijze gemeenten cultuurhistorische waarden kunnen opnemen in een bestemmingsplan, compleet met voorbeeldbepalingen. 5.3.1

Cultuurhistorie

In juni 2020 is door Bureau Erfgoed een cultuurhistorische inspiratiekaart aangeleverd (Bijlage 11). Deze kaart is gebaseerd op een cultuurhistorisch advies voor het Stationsgebied Zuid (conceptversie) dat in juni 2018 is aangeleverd1 (Bijlage 12).

38

Pelmolenpad

Binnen het plangebied liggen een aantal elementen met cultuurhistorische waarden. Het Keern is een dijk tussen de Ooster- en de Westerpolder en dateert van oorsprong uit de 12de eeuw. Waarschijnlijk heeft aan beide zijden van de dijk een dijksloot gelopen. Op basis van de nu bekende gegevens was het Keen tot en met de 14de eeuw niet bebouwd. De oorspronkelijke loop van het Keern is onderbroken, maar is nog steeds herleidbaar. Ook (delen van) de historische waterlopen die zich nog in het plangebied bevinden hebben hoge cultuurhistorische waarden. De oostkant van het plangebied valt binnen het beschermd stadgezicht. Voor zowel de waterlopen als het beschermd stadsgezicht dient de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie te worden opgenomen in het bestemmingsplan.

Figuur 16. Ligging plangebied op landgebruik van de kadastrale Minuut uit 1823 (bron: HISGIS).

39

Pelmolenpad

Figuur 17. Ligging plangebied Pelmolenpadlocatie (rode stippellijn) op een topografische kaart uit 1935.

Figuur 18. Plangebied op de cultuurhistorische inventarisatiekaart.

40

Pelmolenpad

5.3.2

Archeologie

Voor grote delen van het plangebied zijn al archeologische bureauonderzoeken vervaardigd. Hierin is een gespecificeerde verwachting opgesteld en aangegeven hoe om te gaan met de aanwezige archeologische waarden2 . In veel gevallen zal dit in onderhavig plangebied uitmonden in behoud ex situ (opgraven) om zo de aanwezige waarden veilig te stellen. Op de beleidskaart archeologie (figuur 19) staan verschillende vrijstellingsgrenzen aangegeven. De historische stadskern is in paars aangegeven. De historische bebouwing langs het Keern, incl. de molens staan in oranje weergegeven. Voor het plangebied geldt dat de meest oostelijke begrenzing binnen het rijksbeschermd stadsgezicht van Hoorn ligt. In de rest van het plangebied zijn sporen van een oud dijkje, diverse sloten, een overtoom, twee poldermolens, een oliemolen, een pelmolen en enkele huizen aanwezig zijn (figuur 20). Tevens liggen er resten van een lijnbaan, een houtzaagmolen en de voormalige Joodse begraafplaats. De begraafplaats is in 1968 volledig geruimd. De graven zijn verplaatst naar de begraafplaats aan de Berkhouterweg. Tegenwoordig is de Joodse begraafplaats gemeentelijk monument.

Figuur 19. Ligging plangebied op de beleidskaart archeologie

41

Pelmolenpad

Figuur 20. Bijlage 3 uit bureauonderzoek Pelmolenpad (uit: Schrickx 2017).

Het bestemmingsplangebied kent op de Beleidskaart Archeologie de volgende dubbelbestemmingen: Waarde-Archeologie 1: archeologisch belang betrekken bij alle bodemingrepen die dieper reiken dan 30 cm –Mv; Waarde-Archeologie 2: dit betreft de historische molenplaatsen, huisplaatsen, en de overige dijken. De meeste terreinen zijn m.b.v. kaartanalyse (historisch kaartmateriaal) nader begrensd. Voor deze terreinen geldt dat bij voorgenomen bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm –Mv rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden; Waarde-Archeologie 5: archeologisch belang betrekken bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 40 cm –Mv. In deze gebieden heeft nog geen uitgebreid archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Alleen bij grotere bodemingrepen is het van belang dat een quickscan wordt vervaardigd. Conclusie Het archeologisch onderzoek wordt momenteel uitgevoerd. De uitkomsten worden te zijner tijd verwerkt in het bestemmingsplan. Wat betreft het aspect cultuurhistorie is het planvoornemen uitvoerbaar.

5.4

Externe veiligheid

De overheid heeft de afgelopen jaren veiligheidsnormen vastgelegd die in acht moeten worden genomen en waarmee zowel op het gebied van milieu als op het gebied van de ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat de afwegingen, ten aanzien van risico’s op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moeten worden gemaakt en niet langer onbewust of impliciet plaatsvinden. Toetsing

42

Pelmolenpad

Landelijk is de zogenoemde professionele risicokaart ontwikkeld. Hierop is onder andere informatie over risico’s van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of bij het planvoornemen ook aandachtspunten op het vlak van externe veiligheid aanwezig zijn, zijn door bureau Peutz de relevante externe veiligheidsrisico's en consequenties voor de beoogde ontwikkeling beschouwd (Bijlage 13). In het kader van de externe veiligheid is in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen gesitueerd. Binnen een straal van 1,0 kilometer bevinden zich de volgende risicobronnen die om aandacht vragen: 1.

LPG-tankstation aan de Keern 17 te Hoorn;

Het LPG-tankstation 'BP Station Keern' is gelegen aan de Keern 17. Het station heeft een maximale LPG doorzet per jaar van 1.000 m3 en de inhoud van de ondergrondse tank bedraagt 40 m3 . Het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar volgt uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor respectievelijk het vulpunt, het ondergronds reservoir en de afleverinstallatie zijn deze afstanden 35 meter, 25 meter en 15 meter. Een LPG-tankstation kent bovendien een invloedsgebied van 150 meter (zowel vanaf het vulpunt als vanaf het reservoir). In onderstaand figuur is het invloedsgebied weergeven. Aangezien dit tankstation zich te midden van het plangebied bevindt, vraagt dit om extra aandacht. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op de consequenties voor de beoogde ontwikkeling.

Figuur 21: Invloedsgebied LPG-tankstation

2.

LPG-tankstation aan de Kleine Wijzend 2 te Kerkhout.

Aan de Kleine Wijzend 2 Berkhout bevindt zich het LPG-tankstation 'Esso Tankstation Borst Leekerlanden B.V.'. Dit LPG-tankstation bevindt zich op circa 970 meter afstand van het plangebied. Aangezien een LPG-tankstation een invloedsgebied van 150 meter kent, bevindt het plangebied zich niet binnen het invloedsgebied van dit tankstation. Dit tankstation vormt hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen binnen het plangebied.

43

Pelmolenpad

Uit de risicokaart volgt dat in de nabije omgeving van het plangebied geen verdere relevante risicobronnen zijn gelegen. Wel wordt opgemerkt dat eveneens sprake is van transport van gevaarlijke stoffen over de N506/Provincialeweg en de A7. Conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) kan het zijn dat er beperkingen worden gesteld aan ruimtelijke ontwikkelingen binnen een zone van 200 meter aan weerszijden van een transportroute. Aangezien deze wegen echter op een afstand van meer dan 200 meter van het plangebied zijn gesitueerd is het niet benodigd om de externe veiligheidsrisico's middels een kwantitatieve risicoanalyse (QRA) inzichtelijk te maken. De A7 kent echter, vanwege het transport van giftige vloeistoffen (LT2), wel een invloedsgebied van 880 meter. Daar op een afstand van circa 810 meter van de A7 bebouwing zal worden gesitueerd, is de beoogde ontwikkeling deels binnen het invloedsgebied van deze weg gelegen. Conform artikel 7 van het Bevt dient daarom aandacht besteed te worden aan de mogelijkheden tot voorbereiding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp voordoet. De aanwezigheid van het LPG-tankstation vraagt om een nadere beschouwing.

Onderzoek De ontwikkelingen die middels het nieuwe bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt zijn vanwege de ligging binnen het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar van zowel het vulpunt als het ondergronds reservoir van het nabijgelegen LPG-tankstation niet mogelijk. Dit vraagt om een aanpassing aan het LPG-tankstation (verplaatsing vulpunt en reservoir of opheffen verkoop LPG) of om een wijziging van het nieuwe bestemmingsplan. De gemeente is met de eigenaar van het tankstation in gesprek om te komen tot een beëindiging van de verkoop van LPG. Hiertoe wordt een overeenkomst gesloten. Hiermee is geen sprake meer van een inrichting in het kader van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en komt het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar te vervallen. Conclusie Met het beëindigen van de verkoop van LPG ter plaatse van het tankstation zal het aspect externe veiligheid geen belemmeringen meer opleveren voor de beoogde ontwikkelingen die mogelijk worden gemaakt middels het bestemmingsplan.

5.5

Milieuhinder geluid weg- en railverkeer

De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidshinder. Op grond van de wet zijn verschillende vormen van geluidshinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. De Wgh bepaalt dat de geluidsbelasting op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten niet hoger mag zijn dan een in de wet bepaalde norm die als voorkeursgrenswaarde wordt aangeduid. Voor wegverkeer bedraagt deze waarde 48 dB, voor het spoor 55 dB. Overschrijdingen, in binnenstedelijk gebied tot een maximale ontheffingswaarde van 63 dB bij wegverkeerslawaai en 68 dB voor spoorweglawaai, zijn middels het doorlopen van een procedure hogere waarde mogelijk waarbij - voor zover mogelijk - maatregelen (bron, overdracht, ontvanger) dienen te worden getroffen. Voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is het van belang dat de binnenwaarde als gevolg van de te verwachten geluidshinder acceptabel is. In het Bouwbesluit is opgenomen dat nieuwe woningen geïsoleerd moeten worden tot een binnenwaarde van 33 dB. Onderzoek De ligging van het plangebied is geluidsbelast vanwege wegverkeer door een aantal (drukke) wegen en

44

Pelmolenpad

vanwege railverkeer door de ligging aan een doorgaand spoor en het treinstation Hoorn. Voor dit bestemmingsplan is akoestisch onderzoek naar geluidshinder als gevolg (spoor)weginfrastructuur relevant. In het kader van het voorliggende planvoornemen is de te verwachten geluidshinder vanwege wegverkeerslawaai en spoorweglawaai door bureau Peutz onderzocht. De onderzoeksrapportage is als Bijlage 14 bijgevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat ten gevolge van zowel het weg- als het railverkeer niet wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde. Daarentegen wordt voor beide bronnen voldaan aan de maximale ontheffingswaarde. Om deze reden dienen er hogere waarden te worden aangevraagd. De exacte hoogte en aantallen aan te vragen hogere waarden is afhankelijk van de locaties van de te realiseren geluidgevoelige bestemmingen. Een procedure om hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan te worden doorlopen. Alvorens dit bestemmingsplan vast te stellen, moet de hogere waarde zijn vastgelegd. Daarnaast blijkt dat voor een deel van de geluidgevoelige bestemmingen de geluidbelasting meer dan 53 dB bedraagt. Met een standaard gevel met een geluidwering van 20 dB wordt voor deze geluidgevoelige bestemmingen niet voldaan aan de eis uit het Bouwbesluit 2012 van een maximaal binnengeluidniveau van 33 dB.

Om deze reden zal een onderzoek naar de geluidwering van de gevel uitgevoerd moeten worden. Dit onderzoek moet aantonen dat voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Bouwbesluit voor het binnengeluidniveau. Indien voldaan wordt aan de grenswaarden uit het Bouwbesluit is sprake van een goed akoestisch woon- en leefklimaat binnen. Geconcludeerd wordt dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor bestemmingsplan Pelmolenpad te Hoorn.

het

Conclusie Door het vaststellen van een hogere grenswaarde en het uitvoeren van een onderzoek naar de geluidwering ten tijde van de aanvragen omgevingsvergunningen kan worden geconcludeerd dat er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor het bestemmingsplan Pelmolenpad.

5.6

Milieuhinder trilling

Door te bouwen naast het spoor bestaat de mogelijkheid van hinderoverlast vanwege trillingen door treinverkeer. In Nederland bestaat geen wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen. Het bestaande wet- en regelgevende kader biedt verschillende handvatten voor de omgang met trillingshinder bij nieuwbouw. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen het aspect trillingen geen aandachtspunt is. Ondanks dat geen sprake is van wetgeving voor het voorkomen van hinder of schade door trillingen dient dit aspect wel te worden beoordeeld vanuit het wettelijke criterium van een 'goede ruimtelijke ordening'. Daarvoor is het nodig om mogelijke trillingshinder in kaart te brengen en deze te betrekken in de beoordeling. Onder meer in de "Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen (mei 2019, Ministerie van Waterstaat en Infrastructuur, hierna "Handreiking") wordt in hoofdstuk 5 aangegeven hoe omgegaan dient te worden met trillingen langs het spoor bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Hierin wordt gesteld dat bij een plangebied gelegen op een afstand < 100 meter van het spoor aandacht aan het aspect trillingen dient te worden geschonken. Toetsing De beoogde bebouwing binnen het plangebied is gelegen ten zuiden van de spoorlijn Hoorn Heerhugowaard/Purmerend. Op dit spoortraject rijden conform opgave van ProRail uitsluitend

45

Pelmolenpad

reizigerstreinen. De beoogde woonbestemmingen zijn tot op circa 45 meter van het spoor beoogd. Deze afstand is zodanig dat trillinghinder niet op voorhand uitgesloten is en valt tevens binnen de 100 meter als genoemd in de Handreiking. Daarom is door bureau Peutz onderzoek hiernaar uitgevoerd (Bijlage 15). Doel van het onderzoek is om aan te geven of trillingen veroorzaakt door treinpassages een hinderlijke situatie kunnen veroorzaken en op welke afstand van het spoor dit te verwachten is. Metingen zijn op een tweetal posities naast het doorgaande spoor verricht op maaiveldniveau. Daarnaast zijn ter controle van de trillingafname over afstand ter hoogte van een van de meetposities metingen verricht op een grotere afstand van het spoor. De trillingniveaus zijn getoetst aan de grenswaarden uit de "Trillingen: meet- en beoordelingsrichtlijn, hinder voor personen in gebouwen" (Hierna: SBR-B). Getoetst is aan de grenswaarden voor nieuwe situaties en de grenswaarden voor bestaande situaties. Daarbij is getoetst aan de grenswaarden voor verschillende gebruiksfuncties en voor herhaald voorkomende trillingen gedurende langere tijd, waar bij treinpassages sprake van is.

Onderzoek Uit het onderzoek is het volgende gebleken: Op maaiveldniveau op de bouwgrens nabij positie 2 (zie Bijlage 15) wordt de grenswaarde voor A 1 woningen in nieuwe situaties overschreden; De grenswaarden A 2 en A 3 voor woningen in nieuwe situaties worden op deze positie niet overschreden; Op de overige posities worden de grenswaarden voor A 1, A 2 en A 3 voor woningen in nieuwe situaties niet overschreden; In geen enkel geval worden de grenswaarden voor kantoren, onderwijs en bijeenkomstgebouwen in nieuwe situaties overschreden. Daarmee wordt voldaan aan de SBR-B voor zowel woningen als kantoorfuncties in nieuwe en bestaande situaties. Voor zover woningen beoogd zijn op de ten tijde van de uitgevoerde metingen aangeleverde bouwgrenzen is het niet de verwachting dat trillingen een belemmering zijn voor vaststellen van het bestemmingsplan. Immers, reeds op maaiveld zijn er geen overschrijdingen van de SBR-B te constateren en in de regel geldt dat trillingniveaus gereduceerd worden in de overdracht van maaiveld naar bebouwing (mits opslingering wordt uitgesloten). Derhalve geldt dat een aandachtsgebied in beginsel niet noodzakelijk is voor de planvorming als opgenomen in voorliggende rapportage, waarbij de dichtstbijzijnde woningen op circa 40 meter van het spoor zijn beoogd.

Hierbij dient opgemerkt te worden dat, na de uitgevoerde trillingmetingen, hernieuwde inzichten met betrekking tot locatie van beoogde woningen is ontstaan. In het noordoosten van het plangebied is ter plaatse van de beoogde parkeerhub ook woningbouw beoogd. Deze locatie is gelegen op een kortere afstand van het spoor waar de metingen zijn uitgevoerd. Uitgaande van de gemeten trillingniveaus en de meetpositie op afstand (respectievelijk 40 en 60 meter van het spoor) kan middels de Barkan formule (indicatief ) bepaald worden dat op maaiveld de grenswaarde voor nieuwe woningen op een afstand van circa 35 meter van het spoor overschreden wordt. Gelet hierop is het aan te bevelen voor de woningen dichter bij het spoor beoogd een aandachtsgebied vast te stellen. Mede daar de nieuwe beoogde locatie dicht bij een spoorwegovergang en dilataties beoogd is. In het bestemmingsplan is een aandachtsgebied trillingen opgenomen. Een aandachtsgebied is een gebied langs het spoor waar trillingen op basis van de metingen nadere aandacht vragen. Dit wordt ook zo benoemd in de Handreiking nieuwbouw en spoortrillingen. Dit zijn feitelijk de gebieden waar op maaiveld een overschrijding is te constateren.

46

Pelmolenpad

Deze zone is opgenomen op de verbeelding en heeft zijn doorwerking gekregen in de regels door middel van een voorwaardelijke verplichting trillingen overeenkomstig de handreiking. Deze voorwaardelijke verplichting bepaald dat het bouwen van bouwwerken binnen de zone alleen is toegestaan mits uit berekeningen blijkt dat voldaan wordt aan de richtwaarden. Conclusie Met het opnemen van een aandachtsgebied trillingen en daarbij behorende voorwaardelijke verplichting wordt voldaan aan de Handreiking. Bij afdoende trillingreducerend vermogen van bebouwing binnen de aandachtsgebieden wordt eveneens voldaan aan de richtlijn SBR-B. Hiermee is het aspect trillingen geen belemmering voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

5.7

Milieuhinder bedrijven

Op grond van de Wet milieubeheer zijn bedrijven en instellingen verplicht te voldoen aan de eisen van een AMvB, dan wel een milieuvergunning te hebben voor de exploitatie van het bedrijf, waarbij rekening gehouden dient te worden met de omliggende woonbebouwing. Door middel van de milieuwet- en regelgeving wordt (milieu)hinder in woongebieden zoveel mogelijk voorkomen. Uit de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” (2009) van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) wordt de richtafstandenlijst voor milieubelastende activiteiten gehanteerd. Per bedrijfstype zijn voor elk van de aspecten geur, stof, geluid en gevaar de minimale afstanden aangegeven die in de meeste gevallen kunnen worden aangehouden tussen een bedrijf en hinder-gevoelige objecten, zoals woningen, om hinder en schade aan mensen binnen aanvaardbare normen te houden. De grootste afstand is bepalend. De genoemde maten zijn richtinggevend, maar met een goede motivering kan en mag hiervan worden afgeweken. Er dient te worden aangetoond dat het plan buiten de invloedssfeer van bedrijvigheid in de nabije omgeving valt. Tevens dient te worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor de nabijgelegen functies. 5.7.1

Onderzoek bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Dit zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van milieugevoelige functies krijgen en dat nieuwe milieugevoelige functies op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. De beoogde ontwikkeling omvat onder andere de realisatie van woningen, welke als milieugevoelig kunnen worden aangemerkt. In de omgeving van de beoogde ontwikkeling is daarnaast sprake van de aanwezigheid van een aantal bedrijven. Daarnaast biedt het nieuwe bestemmingsplan ook mogelijkheden voor de realisatie van overige functies, zoals maatschappelijke voorzieningen en commerciële functies. Er moet sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In en rondom het plangebied bevinden zich diverse bedrijven. Door bureau Peutz is beoordeeld of de beoogde milieugevoelige functies op een passende afstand tot deze bedrijfsactiviteiten zijn gelegen en er sprake is van een inpasbare situatie. In eerste aanleg wordt dit beoordeeld aan de hand van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”. Daarnaast wordt ook de inpasbaarheid van de beoogde overige functies binnen het plan beoordeeld. Conclusie

47

Pelmolenpad

Uit het uitgevoerde onderzoek (Bijlage 16) volgt dat ter plaatse van zowel bestaande als beoogde milieugevoelige functies naar alle verwachting sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat. Hierbij wordt er wel van uitgegaan dat de verkoop van LPG ter plaatse van het tankstation aan het Keern wordt beëindigd (zie ook paragraaf 5.4). Daarnaast zullen bestaande bedrijven niet worden belemmerd in hun bedrijfsvoering. Wel dient bij de verdere uitwerking van het plan rekening gehouden te worden met het op een passende afstand situeren van nieuwe milieubelastende functies. Indien nodig zullen deze bouwkundig afgescheiden uitgevoerd moeten worden. Resumerend gesteld, vormt het aspect bedrijven en milieuzonering hiermee geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. 5.7.2

Onderzoek geluid ten gevolge van het BP-tankstation aan het Keern

In het bestemmingsplan zijn nieuwe geluidgevoelige functies (woningen) beoogd op korte afstand van het huidige tankstation van BP, gelegen aan Keern 17 te Hoorn. Teneinde te beoordelen onder welke voorwaarden de nieuwe functies mogelijk zijn is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 17). Uit het onderzoek blijkt dat op basis van de in hoofdstuk 3 omschreven uitgangspunten ter plaatse van de met het bestemmingsplan beoogde nieuwe geluidgevoelige functies het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) ten gevolge van het tankstation voldoet aan de geluidgrenswaarden uit de vigerende vergunning van het tankstation, echter de standaard geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overschrijdt. De geluidgrenswaarden uit de vigerende vergunning kunnen in de uiteindelijke situatie worden overgenomen in een maatwerkvoorschrift aan het tankstation zodat geen beperking van bedrijfsactiviteiten optreedt en tevens sprake zal zijn van een acceptabel tot goed akoestisch woon- en leefklimaat. De optredende maximale geluidniveaus (LAmax) voldoen zonder aanvullende maatregelen niet aan de geluidgrenswaarde uit de vigerende vergunning van het tankstation c.q. het Activiteitenbesluit milieubeheer voor de nachtperiode. In de dagperiode wordt wel voldaan aan de geluidgrenswaarde uit voornoemde vergunning.

Teneinde voor de nachtperiode geen beperkingen in de bedrijfsactiviteiten voor het tankstation een acceptabel woon- en leefklimaat te bewerkstelligen en daarmee het bestemmingsplan uitvoerbaar te maken, zijn in hoofdstuk 5 van het onderzoek in Bijlage 17 mogelijke maatregelen qua principe omschreven. In de uitwerkingsfase kan in meer detail worden ingegaan op de daadwerkelijke invulling van de (combinaties van) maatregelen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat na uitvoering van maatregelen het bestemmingsplan uitvoerbaar is, er geen beperkingen behoeven te zijn voor het tankstation en er sprake zal zijn van een acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat.

5.8

Windhinder

In Nederland bestaat geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder staat in artikel 3.1 Wro, de zorg voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar nodig. De beoordeling van het windklimaat met betrekking tot windhinder en windgevaar, is in Nederland vastgelegd in de norm NEN 8100. Om te bepalen of windhinder en/of windgevaar te verwachten is, kan in eerste instantie gebruik worden gemaakt van het beslismodel in de NEN 8100. Hierin wordt onder meer beschreven in welke situaties windklimaatonderzoek nodig is. Voor gebouwen met een hoogte vanaf 30 meter wordt nader onderzoek met CFD- of windtunnelsimulatie noodzakelijk geacht. Gezien de geplande bouwhoogte van 38 meter, wordt het uitvoeren van een windklimaatonderzoek als noodzakelijk beschouwd.

48

Pelmolenpad

Onderzoek Met behulp van Computational Fluid Dynamics (CFD) een indicatief onderzoek verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de mogelijke bebouwing voor de Poort van Hoorn. Doel van het onderzoek was het vaststellen en beoordelen van het te verwachten windklimaat in de directe omgeving van de geplande bebouwing en het geven van adviezen ter verbetering van het windklimaat. Voor de opzet van het onderzoek en de beoordeling van het windklimaat is uitgegaan van de Nederlandse norm NEN 8100:2006 Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving. Het onderzoek is als Bijlage 18 bijgevoegd. In figuur 22 wordt in een horizontale doorsnede op hoofdhoogte (1,75 meter boven plaatselijk maaiveldniveau) de berekende hinderkans met kleurcontouren voor de geplande bebouwingssituatie weergegeven. De kleuren zijn afgestemd op de beoordelingscriteria uit de NEN 8100. Bij de beoordeling van het windklimaat wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën doorlopen en slenteren. Het criterium voor slenteren is van toepassing bij de gebouwentrees, verder wordt het criterium voor doorlopen gehanteerd. In slentergebieden wordt een hinderkans van minder dan 5%, overeenkomend met een beoordeling goed, nagestreefd. Het criterium voor langdurig zitten is niet toegepast.

Figuur 22. Het te verwachten windklimaat in de geplande bebouwingssituatie, beoordeeld volgens de NEN 8100

Uit de resultaten blijkt dat het windklimaat op een aantal plekken in de twee plangebieden matig voor doorlopen is (geel in figuur 22). Gezien de bouwhoogte en de ligging dicht bij open water is dat ook begrijpelijk. Verbeteren van het windklimaat is mogelijk door het verkleinen van het aangestroomd oppervlak van de verschillende bouwdelen vanuit het zuidwesten, de richting waaruit de meeste wind komt. Ook het creëren van een laagbouwvoet aan deze gevels is mogelijk, bij voorbeeld bij markering I in de figuur. Tenslotte kan bij de inrichting van het gebied nog rekening gehouden worden met het windklimaat door windgevoelige functies in gebieden te leggen waar het windklimaat gunstiger is, kan hinder worden voorkomen. Ook is het plaatsen van begroeiing in de gebieden met hogere hinderkansen een mogelijkheid om het windklimaat in deze gebieden te verbeteren. Er is op beperkte schaal sprake van een beperkt risico op windgevaar (zie figuur 23). Dit mag in principe geaccepteerd worden als dit doorloopgebieden zijn.

49

Pelmolenpad

Opgemerkt dient te worden dat het windremmende effect van eventuele geplande begroeiing, gezien het beperkte effect bij jonge aanplant, niet in de berekening is meegenomen. Na een bepaalde groeiperiode kan de vastgestelde hinderkans als gevolg van de afschermende werking van de begroeiing in de praktijk afnemen. Daarnaast kan aan de hand van de resultaten van het onderzoek worden vastgesteld op welke plaatsen het afschermende effect van begroeiing gewenst is. Verder moet opgemerkt worden dat doordat de volumes nu allemaal maximaal ingevuld zijn, het windklimaat in een werkelijke ontwerpsituatie anders zal zijn dan berekend. Hierbij kan het windklimaat, doordat er minder hoogbouw is, gunstiger uitvallen, maar kan bijvoorbeeld door het wegvallen van een laagbouwvoet het windklimaat ook ongunstiger worden. Er wordt dan ook geadviseerd om bij de verdere planvorming, met name bij de ontwikkeling van bouwdelen van meer dan 30 meter hoog, opnieuw aandacht te besteden aan het windklimaat rond de plannen. In dit bestemmingsplan is in de planregels een onderzoeksplicht opgenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=d61090a1-bd97-42c4-976a-6c8b820d6e07