Bijlage 1 - Onderzoeksrapport Slavernijverleden Hoorn
Tekst van het document
Desondanks hadden zij er geen probleem mee hun naam aan een zogenoemde Oost-Indiëvaarder te verbinden in een poging status en prestige te verwerven. Bovendien verdienden zij grof geld aan de handel in vele Aziatische producten die direct door de VOC uit slavenarbeid werden verkregen, onder meer nootmuskaat uit de Banda-eilanden, kaneel uit Ceylon of goud en zilver uit Sumatra. Indirect bestonden de hoge bedragen die zij als bezoldiging voor hun bewindhebberschap kregen, voor velen een van de hoofdredenen om bewindhebber te worden, ook uit de opbrengsten van de belasting die de compagnie hief op de slavenhandel.
Wat weten we nog niet? De grote omvang en complexiteit van de Nederlandse slavenhandel en slavernij in Azië komt in recentere geschiedkundige literatuur steeds meer aan het licht. Slavenhandel en slavernij waren weliswaar geen hoofdactiviteit van de compagnie, maar het was toch een integraal onderdeel van het dagelijks leven in het VOC-gebied. Zo blijkt dat door de compagnie en haar personeel gedurende bijna tweehonderd jaar honderdduizenden mensen tot slaaf gemaakt zijn, werden verhandeld en in slavernij tewerkgesteld zijn. Zij kwamen terecht op plekken waar fysiek zwaar werk te verrichten was, zoals de scheepswerven, pakhuizen en productiegebieden van de compagnie, of in de huishoudens van VOC-personeel en andere Europese en Aziatische stedelingen. Voor Hoorn, een van de zes plaatsen waar de VOC in Nederland zetelde, was de compagnie van groot belang. De 102 in Hoorn gebouwde schepen en de bijna driehonderd in Hoorn uitgerede reizen vertegenwoordigden een belangrijk deel van de lokale economie. Van de werkgelegenheid die dit met zich meebracht profiteerden vele stadsbewoners, van ambachtslieden in een van toeleveringsbedrijven tot stadsbestuurders die zo goed als alle bewindhebbersplaatsen vervulden.
Het bewindhebberschap was vanwege de geldelijke opbrengsten en het prestige een van de meest over buitenplaats Over-Rijp uit artikel op website Oneindig Noord-Holland: https://onh.nl/verhaal/de-woningvan-de-rijkste-inwoner-van-hoorn. 38 Schip Schagen in database VOC-schepen: https://www.vocsite.nl/schepen/10920/. Scheepslading uit database Boekhouder-Generaal te Batavia: https://bgb.resources.huygens.knaw.nl/voyage/8950. 39 Schip Hoolwerf in database VOC-schepen: https://www.vocsite.nl/schepen/10474/. Scheepslading uit database Boekhouder-Generaal te Batavia: https://bgb.resources.huygens.knaw.nl/voyage/2512 en https://bgb.resources.huygens.knaw.nl/voyage/3221.
18
begeerde bestuursfuncties van Hoorn. Een deel van hun inkomsten kwam direct voort uit de handel in met slavenarbeid verkregen producten, een klein deel indirect uit de opbrengsten van slavenbelasting. Om te kunnen bepalen welk aandeel Hoorn in het bredere slavernijverleden van de VOC had is nieuw onderzoek nodig. Uit de scheepsreizen van de Lekkerlust, Over-Rijp, Schagen en Hoolwerf blijkt wel dat Hoornse VOC-schepen actief deelnamen aan slavenhandel in Azië. Dat gold ook voor VOC-personeelsleden als de Hoornse Reinier Jongemaats, die in 1757 de slaafgemaakte Leander uit Bengalen bij de notaris in Hoorn emancipeerde. De slavernijgeschiedenis van de VOC en Hoorn zijn in ieder geval onlosmakelijk verbonden met de Hoornse gouverneur-generaal J.P. Coen. Het door hem gestichte Batavia werd opgebouwd met slavenarbeid en groeide uit tot het centrum van de Nederlandse koloniale macht in Azië. De door hem uitgemoorde Banda-eilanden liet hij opnieuw bevolken met duizenden slaafgemaakte Aziaten. Daarmee stond hij aan de basis van de eeuwenlange slavenhandel en slavernij in de Nederlandse kolonies in Azië.
19
Hoornse particulieren en slavernij Plantage Hoorn en Noord-Holland te Berbice Dat Hoornse stadsbestuurders door hun dubbelfunctie als WIC-bewindhebber direct betrokken waren bij de handel in slaafgemaakte Afrikanen, staat vast. Maar wat betekende dat voor de mensen die zij naar de Nederlandse plantagekolonies lieten verschepen? Waar zouden zij de rest van hun leven tewerk worden gesteld? Van de vele honderdduizenden Afrikanen die naar Zuid-Amerika werden verscheept, kwamen er enkelen terecht op de plantages Hoorn en Noord-Holland in Berbice, in het tegenwoordige Guyana, eveneens een Nederlandse kolonie. Daar verbouwden zij in slavernij koffie voor de eigenaars van de plantages: de Hoornse broers Hendrik en Reijnier Steenbergen.40 Met een in de huid gebrande afbeelding van een hoorn met daaronder de initialen van Hendrik & Reijnier Steenbergen, werd ieder van hen er permanent aan herinnerd dat zij in slavernij op de plantages Hoorn en Noord-Holland werden gehouden.
Tekening van het zilveren brandmerk dat de broers Steenbergen hanteerden. De hier afgebeelde hoorn heeft dezelfde beeltenis als die de stad Hoorn eind achttiende eeuw op zeevlaggen voerde. 41
Hendrik Steenbergen werd in 1754 geboren te Hoorn, gevolgd door zijn broer Reijnier in 1758.42 De broers vormden sinds 1779 samen met hun Amsterdamse neef Nicolaas Doekscheer de firma Doeckscheer & Steenbergen.43 Vanuit hun kantoor aan de Keizersgracht handelde de firma in ‘indigo, op de West en de Levant.’ Toen Doekscheer in 1789 overleed, zetten de broers de firma onder dezelfde naam voort. Met een som geld uit de flinke erfenis van hun neef en eigen kapitaal kochten ze in 1793 twee lappen ‘nieuwe grond’ naast de suikerplantage De Dageraad in Berbice en stichtten daar de plantages Hoorn en Noord-Holland. Toen Groot-Brittannië in 1796 de kolonie Berbice innam, werd een inventaris van de bezittingen van de Steenbergens gemaakt. Hierop werden alle opstallen, gereedschappen en inboedels opgesomd die zij op de plantages Hoorn en Noord-Holland hadden. Halverwege de inventarislijst stonden ook de mensen die zij in slavernij hielden, bij elkaar ‘negermans 21 koppen’,
40
NA, toegang 4.VELH, inventarisnummer 581A. Kaarten nieuwe grond Hoorn en Noord-Holland uitgegeven aan Hendrik en Reijnier Steenbergen, 1793. 41 NA, toegang 1.05.21, inventarisnummer AC.9.18, no. 67. Inventaris plantage, effecten en goederen in Berbice van het compagnieschap Hendrik en Reijnier Steenbergen, 1796. 42 Hendrik Steenbergen werd in 1754 ingeschreven in het Hoornse doopboek, Reijnier in 1758. WFA, toegang 1702-17, inventarisnummer 11, fol. 451: WFA, toegang 1702-07, inventarisnummer 12, fol. 12. 43 C.J. de Bruyn Kops, ‘De Amsterdamse verzamelaar Jan Gildemeester Jansz.,’ in Bulletin van het Rijksmuseum, 173, 179-182.
20
‘negerwijven 15 koppen’ en 15 jongens en meisjes.44 Onder hen bevonden zich de slaafgemaakten Barend, ‘zijnde pijnlijk in de knien’, Ackimora, ‘zuchtig / onbekwaam’ en Romes, ‘thans met de pleuris op plantage Dageraad’. Deze namen hadden zij niet van hun ouders gekregen, maar werden hun door slavenhandelaren en -eigenaren opgelegd. De broers Steenbergen besloten bijvoorbeeld dat een op hun plantage geboren jongetje naar de naam ‘Hoorn’ moest luisteren. Een ‘gedeserteerde’ Afrikaanse man gaven zij, waarschijnlijk na zijn vlucht, de naam Haasepad. De Steenbergens beschouwden hem desondanks nog steeds als hun bezit. Op de lijst stonden meer mensen die de slavernij ontvlucht waren. Sue was met haar jonge zoon Cumberland weggerend en ook Naddij werd als gedeserteerd opgetekend. Mochten zij ooit opgespoord worden, zouden ze weer opnieuw in slavernij op Hoorn en Noord-Holland tewerk worden gesteld. Behalve bij Hoorn en Noord-Holland waren Hendrik en Reijnier ook betrokken bij tal van andere plantages in Berbice en het naastgelegen Demerara.45 Hendrik zelf was mede-eigenaar van de koffieplantage De Herstelder in Berbice en met de firma Doekscheer & Steenbergen voerden de broers namens andere plantagehouders de directie over plantages met cynische namen als De Dankbaarheid, ‘l Heureuse Aventure, Vrede en Rust en Goed Fortuin in Demerara.
Daar verstrekte de firma ook plantagehypotheken voor de koffie- en katoenplantages Le Reduit, Potosie en De Betere Verwagting. Toen Reijnier Steenbergen in 1807 overleed, zette Hendrik het beheer van hun plantages voort. In 1814 sloot hij bijvoorbeeld nog een hypothecaire lening van zesduizend Engelse pond. Daaraan verbond hij zijn ‘in eigendom toebehoorende coffy plantagie genaamd Hoorn en Noord Holland groot een duizend akkers ende meer of minder gelegen aan de westwal van de rivier Berbice, boven de plantage De Dageraad en zulks met alle deselve slaaven en slavinnen en afkomelingen daar van’.46 In 1822 kwam ook Hendrik te overlijden en hield de firma Doekscheer & Steenbergen op te bestaan. Het is niet duidelijk wat er met de Afrikanen die op zijn plantages in slavernij werden gehouden is gebeurd. Zeker is wel dat zij voor de rest van hun leven het brandmerk van een hoorn en de letters H&RS op hun lichaam droegen.
De Gekroonde Jaagschuit, handel in koffie, thee en tabak De suiker, koffie, thee en tabak die met slaven- en dwangarbeid op de Nederlandse factorijen en plantages in Azië en Afrika werden verbouwd, vonden ook hun weg naar Hoorn. Lokale verkoop gebeurde via een van de vele handelshuizen die de koloniale producten uit met name Amsterdam, maar ook Rotterdam en Leiden importeerden. Een daarvan was een Hoornse koffie-, thee- en tabakswinkel aan het Breed, sinds 1793 bekend onder de naam De Gekroonde Jaagschuit. De Overijsselse koopman Hermanus van Berkel kwam in 1779 op 23-jarige leeftijd naar Hoorn, trouwde de Hoornse Margaretha Hem en kocht het winkelpand een jaar later. Als eigenaar van De Gekroonde Jaagschuit klom de al niet onvermogende koopman op tot de hogere kringen van de Hoornse gemeenschap. In de late achttiende eeuw broeide sociale en politieke onrust in de Nederlandse steden. Twee kampen stonden lijnrecht tegenover elkaar. Aan de ene zijde stonden de patriotten, burgers die 44
NA, toegang 1.05.21, inventarisnummer AC.9.18, no. 67. Inventaris plantage, effecten en goederen in Berbice van het compagnieschap Hendrik en Reijnier Steenbergen, 1796. 45 Zie de transcriptie van Paul Koulen van de door Groot-Brittannië opgestelde lijst van eigenaren van plantages en houders van hypotheken op plantages in Berbice, Demerara en Essequebo 1818-1819. Digitaal raadpleegbaar: https://cbg.nl/documents/55/Berbice-Demerara-Essequebo.pdf 46 NA, toegang 1.05.21, inventarisnummer AZ.7.57, fol. 18. Plantagehypotheek Hendrik Steenbergen op plantages Hoorn en Noord-Holland, d.d. 21-10-1814.
21
democratische inspraak in het door de regentenfamilies gedomineerde stadsbestuur eisten. Daar tegenover stonden de orangisten die Willem V, de prins van Oranje-Nassau, steunden en de status quo wilden handhaven. Van Berkel behoorde tot de patriotten. Na jaren van politieke omwentelingen werd in 1795 onder aanvoering van de patriotten en gelijkgestemde Franse revolutionairen de Bataafse Republiek uitgeroepen. De tijd van de handelscompagnieën en regenten kwam hiermee ten einde. In de steden werden de vroedschappen uit hun functie ontheven en vervangen door de municipaliteit, een voorloper van de gemeenteraad. Van Berkel werd in 1796 voor het nieuwe stadsbestuur in Hoorn gekozen. Over zijn politieke leven is weinig bekend, maar in de koffie-, thee- en tabakshandel had hij in de tussentijd goede zaken gedaan. Begin negentiende eeuw bezat hij naast De Gekroonde Jaagschuit ook de tabakswinkel De Bonte Hond en nog zes huizen. Als ‘entrepoteur des tabaks’, zette Van Berkel zijn handel in de van slavenplantages geïmporteerde tabak voort tot hij in 1822 overleed.
Wat weten we nog niet? Particuliere Hoornse handelaren waren nauw betrokken bij de plantages in de Nederlandse slavenkolonies. Daarvan getuigde het voorbeeld van Hendrik en Reijnier Steenbergen op hun koffieplantages Hoorn en Noord-Holland. Of de koffiebonen die op de plantages van de gebroeders Steenbergen in Berbice werden verbouwd ook direct naar Hoorn werden verscheept, is niet te zeggen. Dat met slavenarbeid verkregen producten als koffie, thee en tabak hun weg naar de Hoornse winkeliers vonden, is wel zeker. Uit de levensloop van Hermanus van Berkel blijkt in ieder geval dat deze handel niet alleen winstgevend was, maar ook een opstap kon zijn voor het beklimmen van de sociale ladder in de Hoornse gemeenschap. Over de betrokkenheid van Hoornse stadsbestuurders bij slavenplantages na opheffing van de WIC in 1791 is nog niets gepubliceerd. Door de directe banden van onder meer Amsterdamse, Rotterdamse en Vlissingse stadsbestuurders met deze plantages is het echter wel aannemelijk dat ook hun Hoornse collega’s hierin persoonlijk financieel belang hadden. Al is het maar omdat het meeste kapitaal in Hoorn bij de regentenfamilies berustte en zij zich midden in de juiste regionale en nationale netwerken bevonden.
Uit de staatboeken met inkomsten en uitgaven van Pieter Verloren van Themaat, zoon van de Hoornse regent en VOC-bewindhebber Reep Verloren, blijkt bijvoorbeeld dat hij actief investeerde in plantages in Essequebo, Demerara en Suriname.47 Nieuw onderzoek naar soortgelijke bronnen zullen ongetwijfeld meer persoonlijke financiële connecties tussen Hoorn en Nederlandse kolonies blootleggen. Twee vermeldingen van een niet nader omschreven plantage met de naam Foreest in Suriname in een lijst met gestationeerde soldaten uit 1782 vormen eveneens een concrete aanleiding voor vervolgonderzoek.48 Het is niet bekend of een van de invloedrijke Van Foreesten een plantage in Suriname bezat of daar directie over voerde. Gezien hun enorme rijkdom is het echter niet onwaarschijnlijk dat een of meer van hen direct bij de plantagekolonies betrokken waren. Verkennend onderzoek in het familiearchief van Van Foreest wijst in ieder geval uit dat de familie in de zeventiende en achttiende eeuw actief geld belegde in de VOC en WIC. Dat betrof niet alleen de
47
WFA, toegang 1535, inventarisnummer 815. Staatboek Pieter Verloren van Themaat, vermeldende effecten, hypotheken en onroerende goederen. 48 NA, toegang 1.05.03, inventarisnummer 174. Lijst 22 mei 1782; scan 142; lijst 12 augustus 1782, scan 317.
22
kamers in Hoorn, maar ook Enkhuizen, Amsterdam en Groningen.49 Ook hier is vervolgonderzoek en dan met name naar de periode na opheffing van de handelscompagnieën wenselijk.
49
RAA, toegang 0685, inventarisnummer 157. Cornelis van Foreest (1704-1761), journaal van inkomsten en uitgaven 1728-1744; RAA, toegang 0685, inventarisnummer 145. Nanning van Foreest (1682-1745), deling nalatenschap Nanning van Foreest en Jacoba de Vries 1752; RAA, toegang 0685, inventarisnummer 110. Dirk van Foreest (1614-1679), nalatenschap Dirk en Hester van Foreest.
23
Slaafgemaakte Horinezen Gevangen in Noord-Afrika In juni 1696 verschijnt de Hoornse Trijntje Barens bij de burgemeesters van haar stad met een dringend verzoek. Haar man Sijvert Cornelisz. is acht jaar eerder als matroos op het schip De Houttuijn uitgevaren, maar nooit meer thuisgekomen. Hij viel ten prooi aan Noord-Afrikaanse kapers en werd al sinds 1688 in slavernij gevangengehouden in Algiers. Sijvert zou pas worden vrijgelaten tegen betaling van een flinke som losgeld. Geld dat Trijntje als alleenstaande huisvrouw niet had. De Hoornse burgemeesters kwamen haar te hulp en ‘accorderen bij desen omme te mogen aenspreken en minnelijck versoeckende goede burgeren en ingesetenen binnen dese stadt (…) ten einde deselve gelieven te geven een liberale gifte en aelmoesse tot lossing van de voornoemde slaeff des salde voorsegde Trijn Barens.’50 Of het Trijntje lukte om met de hulp van de Hoornse burgemeesters haar man vrij te kopen uit Algiers is helaas onbekend. Horinees Sijvert Cornelisz. was één van de naar schatting tien- tot twaalfduizend Nederlanders die tussen de zestiende en negentiende eeuw door Noord-Afrikaanse kapers in dienst van het Ottomaanse Rijk tot slaaf zijn gemaakt.51 Deze zogenoemde christenslaven werden in landen als Marokko en Algerije tewerkgesteld. Mannen verrichtten zwaar fysiek werk, vrouwen kwamen vaker in huishoudens of in harems terecht.
Daar werden ze in slavernij gehouden tot hun familie of vrienden losgeld voor ze hadden betaald. Dat ging om flinke bedragen. Het losgeld voor een matroos kon oplopen tot duizend gulden of meer, voor een schipper zelfs tot vierduizend gulden.52 Ter vergelijking, een Nederlandse scheepstimmerman in de zeventiende eeuw verdiende zo’n driehonderd gulden per jaar. Om aan het benodigde bedrag te komen, schoten kerk- en stadsbesturen vaak te hulp. Er werden dan collectes gehouden, langs de deur gegaan met intekenlijsten of soms een loterij georganiseerd. Wanneer het lukte het geld bij elkaar te krijgen, was het wachten tot een onderhandelaar namens meerdere in slavernij gehouden Nederlanders naar Noord-Afrika ging. Dat kon soms nog enkele maanden of zelfs jaren duren. Wanneer het er daarvan kwam, trad het Hoornse stadsbestuur op namens de slaafgemaakte inwoners. In 1687 sloot de Hoornse stadssecretaris Cornelis Velius bijvoorbeeld een contract in Amsterdam met de minister van de keizer van Marokko ter vrijlating van zeven slaafgemaakte Horinezen te Salé.53 Bij gebrek aan voldoende contant geld, kwamen ze overeen met een prijs van dertig geweerlopen per slaafgemaakte. Hoeveel van de duizenden Nederlandse christenslaven uit Hoorn kwamen is onbekend, maar het moet een niet te verwaarlozen aantal zijn geweest.
Op een lijst met 37 vrijgekochte christenslaven door viceadmiraal Michiel de Ruyter uit 1662 staan bijvoorbeeld zes Horinezen.54 Een
50
WFA, toegang 0348, inventarisnummer 2572. Proclamatie burgemeesters en regeerders der stad Hoorn, d.d. 30-6-1696. 51 Van Stipriaan, Rotterdam in Slavernij, 45. 52 Piet Boon, “Westfriese zeelieden in Noordafrikaanse gevangenschap” in Westfriese Families, 15-17. 53 WFA, toegang 0348, inventarisnummer 2572. Extract uit memoriaalboek burgemeesters en regeerders Hoorn, d.d. 6-10-1687. 54 ‘Lijste van de slaven, door den heer vice-admiraal Michel Adriaensz. De Ruyter, en den heer commissaris Iohan Bartram de Mortaigne, gelost tot Algiers den 1, 2 en 3 july 1664’, Tydinghe uyt verscheyde quartieren, 1664. Digitaal raadpleegbaar: https://resolver.kb.nl/resolve?urn=ddd:010411969:mpeg21:p002.
24
lijst van eveneens door De Ruyter te Algiers vrijgemaakte christenslaven uit 1664 telt 66 namen.55 Naast negentien Amsterdammers stonden er acht Horinezen op de lijst, gevolgd door zes Enkhuizenaren en vijf Rotterdammers. Enkelen kwamen uit de West-Friese steden Alkmaar, Medemblik en Edam, de rest uit andere plaatsen in Holland. Hieruit is de schatting te maken dat Hoorn ongeveer een achtste tot een zesde deel van de Nederlandse christenslaven in Algiers in de tweede helft van de zeventiende eeuw vertegenwoordigde. Naast Hoornse zeelui, vielen ook vele Hoornse schepen in handen van Noord-Afrikaanse kapers. In 1675 werd bijvoorbeeld het Hoornse VOC-schip de Stermeer gekaapt, waarvan een barbier, twee scheepsjongen en een weesjongen als slaafgemaakten naar Algiers werden verscheept.56 Hetzelfde lot onderging het Hoornse schip de Bonte Hond in 1739. Het vertrok uit Hoorn voor de zouthandel naar Portugal en werd op de terugreis door twee kapers uit Salé overmeesterd. De bemanning kwam in Marokko terecht. Onder hen bevond zich de matroos Jacob Pieter Molenaar uit Wijdenes. Na twee jaar in slavernij gehouden te zijn, richtte hij zich in een hulpvraag per post direct tot de Staten van Holland en West-Friesland. Zijn situatie was ondraaglijk en hij liet hun weten dat het ‘tegenwoordig seer slegt is om aan [een] stuckie broot te koomen maar werck en slaage mankeert ons niet.
(…) Al moeste ik Uedele grootmogende heeren staat uwen slaaf of dienaar sijn soo lang als ik leefde, ik soude ’t geren wille weesen en dat alle om bij dit barbaarse volk vandaan te weesen.’57 Een deel van de bemanning van de Bonte Hond kwam een jaar na Jacobs brief vrij, anderen pas in 1753 toen de Republiek en Marokko een vredesverdrag sloten waarin ook tot de vrijlating van gevangenen en slaafgemaakten besloten werd.
De Algerijnse kaper Dirkie Ivan de Veenboer Sommige Nederlanders, maar ook Fransen en Engelsen, bekeerden zich na gevangenneming langs de Noord-Afrikaanse kust tot de islam en bouwden een carrière op als zeerovers in dienst van het Ottomaanse Rijk. Deze zogenoemde renegaten waren erg gewild vanwege hun kennis en kunde in de scheepvaart. Meestal begonnen zij hun carrière als kaper onder Nederlandse vlag, maar kwamen door de wapenstilstand tussen Nederland en Spanje van 1609 tot 1621 zonder vijandige schepen – en daarmee inkomsten – te zitten. Een van de bekendste Nederlandse renegaten is Claes Compaen uit Oostzaan, die vanuit Salé – het huidige Rabat – meer dan 350 Europese schepen buitmaakte. Enkele van hen klommen op tot grootadmiraal of zelfs gouverneur van steden als Salé en Oualidia in Marokko zoals de Haarlemmer Jan Janszoon. De start van zijn islamitische kaapvaartcarrière maakte deze Jan Janszoon bij de Hoornse renegaat Dirkie Ivan de Veenboer.58 Over het vroege leven van De Veenboer is weinig bekend behalve dat hij vanuit Hoorn als kaper opdracht kreeg om de Duinkerker kapers, die in opdracht van Spanje Nederlandse schepen aanvielen, te bestrijden. De buit en de veroverde schepen bracht hij terug naar Hoorn, waar ze op een publieke veiling werden verkocht. Een deel van de opbrengst ging naar De
55
Lijste van de slaven, door den heer vice-admiraal Michiel Adriaensz. de Ruyter, en den heer commissaris Iohan Bartram de Mortaigne, gelost tot Algiers den 1, 2 en 3 july 1664. Digitaal raadpleegbaar: https://books.google.nl/books?id=kvb6-nfoif4C&hl=nl&pg=PP1#v=onepage&q&f=false. 56 WFA, toegang 0348, inventarisnummer 2572. Lijst Nederlandse gekaapte schepen met slaafgemaakte bemanningsleden in Algiers, d.d. 28-2-1680. 57 WFA, toegang 0348, inventarisnummer 2752. Brief Jacob Pieter Molenaar aan Staten van Holland en WestFriesland, d.d. 27-8-1741. 58 L.C. Vrijman, Kaapvaart en Zeerooverij, p. 200-217; WF-Museum Online De Podcast, Westfries Museum, aflevering 8 ‘Kapers en piraten in de Gouden Eeuw’.
25
Veenboer en zijn bemanning, maar het meeste ging naar de investeerders in het schip en stedelijke instellingen als de admiraliteit, gasthuizen en armenzorg. Waarschijnlijk uit onvrede met het lage salaris dat hij kreeg voor het riskeren van zijn leven in de kaapvaart, besloot hij rond 1610 naar Noord-Afrika te gaan en kwam hij in dienst van de Nederlandse renegaat Simon de Danser uit Dordrecht. De Veenboer bekeerde zich tot de islam en ging verder onder de naam Suleiman Reïs. Als kapitein op een schip in de Algerijnse kaapvloot schopte hij het tot grootadmiraal. De Nederlandse consul in Algerije omschreef hem in 1617 als ‘Capiteyn Soliman reys, den Veenboer, die aen onse Neerlandtse schepen geen quaet en doet’.59 Hij zou er volgens de consul trots op geweest zijn uitsluitend Nederlanders ‘soo renegados als noch christenen’ op zijn schip te hebben.60 De Veenboer bleek niet graag Nederlandse schepen aan te vallen, wat hem kritiek van zijn Noord-Afrikaanse collega’s opleverde. Wanneer hij toch een schip uit de Republiek aanviel, plunderde hij weliswaar het scheepsruim, maar liet hij de bemanning van boord zetten, zodat ze niet op de slavenmarkt van Algiers terechtkwamen. De Veenboer kocht soms zelfs Nederlandse gevangenen vrij voordat ze in slavernij verkocht werden. Onder hen ook twee Hoornse broers.
In oktober 1617 schreef de Nederlandse consul aan de Staten-Generaal: ‘Soliman Reys heeft op gisteren gecoght den schipper Willem IJsbrantsen Bontekoe van Hoorn, met eenen jongen, sijnen broeder voor 750 realen van achten’.61 Het was deze Willem IJsbrantsz. Bontekoe die een jaar later in dienst van de Hoornse VOC-kamer naar Java vertrok en het onsterfelijk gemaakte Journaal van Bontekoe schreef. Als admiraal van de Algerijnse kaapvloot voerde De Veenboer in 1618 het gezag over vijftig schepen. Lang duurde zijn gezag niet, want hij werd later dat jaar uit de functie ontheven. De Veenboer was een zeegevecht tussen andere Algerijnse kapers en Nederlandse, Franse en Italiaanse schepen opzettelijk uit de weg gegaan. Hij bleef nog wel actief kaper, zo blijkt uit zijn inname van een suikerlading van een Rotterdamse schipper in november 1618 en de buitmaking van een met contant geld beladen Frans schip twee jaar later. In het najaar van 1620 voer De Veenboer met een vloot van acht schepen voor het laatst uit. Bij het Spaanse Cartagena raakte hij in gevecht met een Nederlands schip dat door twee Franse en twee Engelse schepen werd geëscorteerd. De vijf stonden onder aanvoer van de Hoornse zeeman David Pietersz.
de Vries, op handelsreis vanuit Newfoundland in Canada naar Italië.62 Tijdens het gevecht werd De Veenboer dodelijk getroffen door een kanonskogel die een van zijn benen verbrijzelde.
Vrijkoping uit slavernij De levenslopen van Hoornse christenslaven en de Hoornse renegaat Dirkie Ivan de Veenboer laten zien hoe wijdverspreid slavernij was. Niet alleen Afrikanen of Aziaten, maar ook Europeanen konden tot slaaf gemaakt worden. Buiten het enorme verschil in omvang – ruim tienduizend Nederlanders tegenover honderdduizenden Afrikanen en Aziaten – verschilde de Europese vorm op nog een cruciaal punt van de andere. Zoals historicus Alex van Stipriaan betoogt, waren er voor gevangengenomen Europeanen reële mogelijkheden vrijgekocht te worden door familie en
59
Citaat overgenomen uit L.C. Vrijman, Kaapvaart en Zeerooverij, 205. Ibidem, 208. 61 Ibidem, 209. 62 In latere jaren stichtte David Pietersz. de Vries twee Nederlandse nederzettingen in Noord-Amerika onder de naam Swaenendael in het huidige Delaware en Vriessendael in het huidige New Jersey. Biografie David Pietersz. de Vries in Hoorns Biografisch Woordenboek. Zie website Vereniging Oud Hoorn: https://www.oudhoorn.nl/biografie/biografie_david_pietersz_de_vries.php. 60
26
vrienden.63 Laatstgenoemden werden bovendien hierin vaak gesteund door bestuurders van de stad of het land waar ze vandaan kwamen. Voor slaafgemaakte Aziaten bestonden, in beperktere mate, ook mogelijkheden vrij te komen. Dat gebeurde echter vrijwel uitsluitend op initiatief van degenen die hen in slavernij hielden. Zij beslisten hierin niet over hun eigen lot. Op enkele hoge uitzonderingen na, was het levenslot voor Afrikanen zo goed als bezegeld op het moment dat zij tot slaaf gemaakt werden en een oceaan over naar Amerika werden getransporteerd.
Wat weten we nog niet? Hoeveel Horinezen er ten prooi vielen aan Noord-Afrikaanse kapers is niet bekend, maar mogelijk tussen een achtste en een zesde deel van de ruim tienduizend Nederlandse christenslaven. Wellicht is het Hoornse aandeel echter lager, aangezien de scheepvaartactiviteiten vanuit die stad in de achttiende eeuw terugliepen. Daardoor liepen dus ook minder Horinezen het risico gekaapt te worden. Vervolgonderzoek is nodig om hier een betere inschatting van te maken. Wat wel met zekerheid is te zeggen, is dat het Hoornse stadsbestuur gedurende de zeventiende en achttiende eeuw direct betrokken was bij de vrijkoping van uit hun stad of land afkomstige christenslaven. In dezelfde periode waren velen van hen als bewindhebbers van de VOC en WIC echter tegelijkertijd betrokken bij het tot slaaf maken van Afrikanen en Aziaten. Kennelijk waren slavernij en slavenhandel voor hen geen probleem zolang het niet de eigen bevolking of landgenoten betrof.
63
Van Stipriaan, Rotterdam in Slavernij, 49.
27
Historische discussie Van alle tijden ‘Je moet het zien in de tijdsgeest, dat was toen heel gewoon’ is een veel gebruikt argument in huidige discussies over het Nederlandse koloniale en slavernijverleden. Anders dan tegenwoordig vaak wordt aangenomen, werden kolonialisme en slavernij echter ook toen al ter discussie gesteld. Jan Pietersz. Coen werd bijvoorbeeld al van begin af aan bekritiseerd om zijn gewelddadige gouverneurschap, niet op de minste plaats door zijn opdrachtgevers de Heren Zeventien.64 Op kritiek van de gereformeerde kerk te Amsterdam en Walcheren tegen de volgens hen onchristelijke slavernij in Batavia, antwoordde de kerkenraad aldaar in 1620 dat de Aziatische landen niet zonder slavernij zouden kunnen bestaan. De Aziatische slaafgemaakten zouden hun vrijheid niet eens aan kunnen.65 NoordAfrikaanse slavenmakers werden eveneens hevig bekritiseerd. Bij de achttiende-eeuwse Hoornse boekverkoper Jan Duyn was bijvoorbeeld het boek Beschrijving van het leven van Mahumetanen en eenige byzonderheden van Turkyen en Barbaryen, in welke men vind de droevige handelwyze die de Turken gewoon zijn om te doen aan de christen-slaven te koop.66 In de Republiek was er dus vanuit meerdere hoeken kritiek op verschillende vormen van slavernij. Dat gold nog meer voor degenen die onderwerp van slavernij waren. Zij zagen hun onvrijheid allerminst als iets gewoons.
Grootschalige opstanden zoals Coffy die in 1763 in Berbice en Tula in 1795 op Curaçao leidde, maar ook vele dagelijkse vormen van verzet door slaafgemaakte Afrikanen en Aziaten getuigen daarvan. Tot wanhoop gedreven, ontnamen sommigen die geen andere uitweg uit hun slavernij zagen zich zelfs het leven. De Nederlanders die in Noord-Afrika in slavernij werden gehouden, legden zich evenmin bij hun lot neer en probeerden op alle mogelijke manieren vrij te komen. Slavernij was weliswaar langdurig, wijdverspreid en nam verschillende vormen aan, vanzelfsprekend is ze nooit geweest.
Prediken tegen slavernij Religie speelde een belangrijke rol in zowel de rechtvaardiging van als het protest tegen slavernij. De moraliteit van het tot slaaf maken van zwarte Afrikanen werd eeuwenlang uitgelegd vanuit het Bijbelse verhaal van Noach en zijn drie zoons Cham, Sem en Japhet in het boek Genesis. Noach vervloekt Cham en zijn nageslacht tot dienstbaarheid aan zijn broers nadat Cham hem bespotte toen hij naakt een wijnroes uitsliep. Aan dit verhaal is later toegevoegd dat de vervloekte Cham een zwarte huid kreeg en de stamvader van alle mensen met een donkere huidskleur zou zijn. Daarmee konden christelijke Europeanen vanuit de autoriteit van het geloof rechtvaardigen dat zij zwarte Afrikanen in slavernij hielden en was een basis gelegd voor racistische theorieën over vermeende minderwaardigheid van mensen op basis van huidskleur. Enkele predikanten bepleitten het tegenovergestelde. Slavernij was niet te vergoelijken aan de hand van de bijbel, maar juist iets onchristelijks. Een van deze critici was Jacobus Hondius, predikant te Hoorn van 1661 tot 1691. Als tegenhanger van zijn Wit Register van veelerlei Vertroostingen schreef hij in 1679 zijn Swart Register van Duysent Sonden. Daarin bestempelde hij alle gereformeerden tot zondaars die ‘nochtans slaven kopen om die weder te verkoopen, ende met
64
M. van Pagee, Banda, 34. A. van Stipriaan ‘Het Nederlandse slavernijdebat in de zeventiende en achttiende eeuw,’ in Slavernij in Oost en West, 301. 66 Advertentie in Oprechte Haerlemsche Courant, 25-09-1756. 65
28
die ellendige menschen haren koophandel te drijven, gelijk met andere waren en goederen ende als of het maer beesten waren. (…) Daer het immers menschen zijn van een en de selfde nature gelijk als zij (…) zoo behoorden nochtans de gereformeerde ledematen haer niet te besmetten met zulken onbarmhertigen koophandel’.67 Hondius wijdde daaropvolgend een artikel aan de Noord-Afrikaanse slavenhandel. Mensen die het geld dat ze ter vrijmaking van christenslaven meekregen voor zichzelf hielden, pleegden een ‘grouwelijke dieverije’ en waren direct in strijd met het achtste christelijke gebod.68 Ook bewindhebbers van de Oost- en West-Indische Compagnie ontkwamen niet aan de leer van de Hoornse predikant.69 Zij waren zondaars als ze het om financiële redenen nalieten om genoeg predikanten naar de kolonies te sturen, iets wat kennelijk zo vaak voorkwam dat hij het tot een van zijn duizend zondes maakte. Zelfs predikanten konden volgens Hondius zondigen wanneer zij in de kolonies ongelovigen ‘van de bekeeringe afschricken ende die alreede tot het christelijke geloove bekeert zijn, ergeren en bedroeven, ende dat door haer onchristelijk leven doende in veele dinghen erger als die blinde heijdenen.’70 Geïnspireerd door het Verlichtingsideaal van vrijheid, gelijkheid en broederschap, spraken steeds meer stemmen zich in de tweede helft van de achttiende eeuw uit tegen slavenhandel en slavernij.
In Hoorn werden die stemmen onder andere vertegenwoordigd door de theoloog Engelbertus Matthias Engelberts, predikant te Hoorn tussen 1763 en 1797. Net als Hermanus van Berkel, de eigenaar van de koffie-, thee- en tabakswinkel De Gekroonde Jaagschuit, hoorde hij bij de lokale vooruitstrevende patriotten. Maar anders dan Van Berkel, keurde hij de handel in met slavenarbeid verkregen producten af. In een betoog tegen slavernij in het tijdschrift De Vaderlander richtte Engelberts zich in 1775 onder de pseudoniem ‘D.’ tot de fictieve koffieliefhebster Alintera.71 ‘De bruindonkere wél gezuikerde drank, die gy zo greetig inneemt, schijnt te behooren tot die wij niet meer ontbeeren kunnen. Dient dan koffy en zuiker tot bevordering van het geluk der waereld, tot vermeerdering der glorie van Europa? Verstandige Alintera! Zyn niet twee waerelddeelen door deeze twee geringe producten, die nu door de weelde groot gemaakt zyn, in eene jammerlycke ellende gestord? En waar vind men er het einde van? Amerika word ontvolkt om ruimte tot plantaadjen te maaken, en Afrika, om slaaven tot het bouwen van den grond, om ons koffy en zuiker te leveren.’ Engelberts vervolgt zijn betoog door de slaafgemaakten, net als Hondius een eeuw voor hem, op de eerste plaats als mensen te zien. Mensen met wie zijn publiek zich kan identificeren.
‘Verbeeld u, myne edele! Wat het zy, voor altoos, in deeze waereld slaaf te worden; geweldaadig gescheurd te worden uit de liefde-armen van uwe ouders, van uwe vrienden, van uwen minnaar, van streelende verwagtingen geheel ontzet; geen ander uitzigt te hebben, dan de lieve vryheid, zo lang de dag des levens schynt, te zullen moeten missen, en de knellende banden der pijnigende slaaverny te moeten draagen.’ ‘Zulke ongelukkige vereelde knuisten hebben den grond voor de koffy en de zuiker, die gy thans in uwe poezelige handjes houd, moeten bereiden, en wie weet, met hoe veele traanen? Men 67
J. Hondius, Swart Register van Duysent Sonden, no. 810. Digitaal raadpleegbaar: https://books.google.nl/books?id=toOnGwAACAAJ&hl=nl&pg=PA363#v=onepage&f=false 68 J. Hondius, Swart Register, no. 811. 69 Ibidem, no. 68. 70 Ibidem, no. 640. 71 Alle citaten uit ‘Oorzaak der slavernij,’ De Vaderlander, deel 1 (1775), p. 337-344. Digitaal raadpleegbaar: https://books.google.nl/books?id=vZhcAAAAcAAJ&pg=PA337#v=onepage&q&f=false.
29
vermoorde hen tot voldoening van uwen smaak; om uwe overdadigheid te gemoet te komen werden zy gemarteld. ’t Vogt dat gy in uwen koffy-kop hebt, is dan geen water meer, maar traanen; ik zeg, ’t is het bloet en zweet van die ellendigen, in welken eenen blanker ziel woonde dan in de lighaamen hunner beulen. Drink dat zweet myne vrindin! Drink dat bloed, drink die traanen, en kunt gy dan noch heeten eene vriendin van het menschelyk geslacht, van die welke gelyk gy denzelfden God tot hunnen Schepper hadden, met u door dezelfde zon bestraald werden, dezelfde lucht inademden, dezelfde aarde bewoonden, en dezelfde goederen van zyne hand ontvingen? Drink zulk bloed, dat om wraak schreeuwt en noem u dan noch eene beschaafde Europeaane.’ Pleidooien voor medemenselijke behandeling van slaafgemaakten als die van de Hoornse predikanten Hondius en Engelberts laten zien dat er altijd al protest was tegen slavernij. Het duurde nog tot de jaren zestig van de negentiende eeuw voordat Nederland als een van de laatste Europese staten de slavernij afschafte. In 1860 eerst in het voormalige Nederlands-Indië, in 1863 per wet in Suriname en op Curaçao, Bonaire, Aruba, Sint-Eustatius, Sint-Maarten en Saba. In Suriname werden de vrijgemaakte mensen onder staatstoezicht verplicht nog tien jaar te blijven werken.
Tijdens deze periode zouden de vrijgemaakten worden opgevoed zodat ze voor zichzelf zouden kunnen zorgen, maar in de praktijk was het vooral in het belang van de planters. Met een te laag loon om zelfvoorzienend te kunnen zijn en een verbod op verplaatsing zonder toestemming van het koloniale gezag en de planters, profiteerden de planters nog jarenlang van de voormalige slaafgemaakten. In feite kwam daar pas in 1873 een einde aan slavernij en in 1914 in de Indonesische Archipel. Ter vervanging van slavenarbeid werd een nieuw dwangsysteem ingevoerd in de vorm van uitbuitende contractarbeid, zowel in Suriname als op Java en Sumatra.
Wat weten we nog niet? De voorbeelden van historisch protest tegen slavernij in Hoorn roepen vragen op over de reikwijdte ervan. Als predikanten zullen Hondius en Engelberts geen onaanzienlijk aantal kerkgangers als publiek hebben gehad en bovendien verschenen hun woorden in druk. Maar wat vonden de Hoornse VOCen WIC-bewindhebbers van hun uitspraken? Hoe stond het negentiende-eeuwse stadsbestuur tegenover afschaffing of instandhouding van slavernij? Waren Horinezen betrokken bij de afschaffingsbeweging? Een prangende vraag is tevens hoe het eeuwenlang in stand gehouden systeem van slavernij na de afschaffing tot de dag van vandaag in Hoorn doorwerkt. De rechtvaardiging van slavernij gebaseerd op huidskleur en de racistische, vermeende karaktereigenschappen van etnische bevolkingsgroepen die daaruit voortkwamen, hielden namelijk niet in 1873 op te bestaan. Om hier inzicht in te krijgen is multidisciplinair en meerstemmig onderzoek nodig, waarin juist het sociale aspect van het Nederlandse slavernijverleden centraal staat.
30
In het kort Gedurende bijna vier eeuwen verscheepten Nederlandse slavenhandelaren honderdduizenden slaafgemaakte Afrikanen en Aziaten naar de voormalige Nederlandse kolonies. Als een van de weinige steden die vertegenwoordigd waren in de VOC en de WIC, was Hoorn sterk bij het Nederlandse systeem van slavernij betrokken. Als zeeman, soldaat, ambachtsman, ambtenaar of bestuurder zijn vele Horinezen naar de kolonies vertrokken. In Hoorn werd bovendien direct voor slavenreizen en het in stand houden van slavernij in de kolonies geproduceerd, van schepen tot kaas, koeien en gezouten vis. Bestaande uit de rijkste en invloedrijkste Horinezen, vervulde het Hoornse stadsbestuur een actieve rol in de Nederlandse slavernij in Azië, Afrika en Amerika. Het overgrote merendeel van de Hoornse stadsbestuurders bekleedde tegelijkertijd een functie als bewindhebber van de VOC en de WIC. Lidmaatschap van het stadsbestuur was in de praktijk zelfs een vereiste om tot bewindhebber gekozen te worden. De Hoornse bewindhebbers vertegenwoordigden hun stad in het hoogste bestuur van de handelscompagnieën en waren verantwoordelijk voor het in de vaart brengen en uitrusten van compagnieschepen waarmee duizenden slaafgemaakte mensen onder Hoornse vlag werden verscheept en verhandeld.
Hoorn in Afrika en Amerika De hoofdkantoren van de WIC-kamer van het Noorderkwartier waren in Hoorn en Enkhuizen gevestigd. Van de circa 300.000 slaafgemaakte Afrikanen die de WIC van begin tot eind verhandelde, kwamen er naar schatting 33.000 tot 35.000 voor rekening van het Noorderkwartier. In de periode 1674 tot 1740 vertrok meer dan de helft van de schepen van het Noorderkwartier voor de slavenhandel. Van de drie gelijkwaardige kleinere kamers van de WIC – Noorderkwartier, De Maze en Stad en Lande – reedde het Noorderkwartier in diezelfde periode de meeste schepen uit voor de slavenhandel. Hoornse stadsbestuurders vervulden hierin een actieve rol. Vanuit de dubbelfunctie die velen van hen hadden als bewindhebber van de WIC lieten zij de slavenschepen bouwen, of huurden die in, en voorzagen ze van de hand- en voetboeien en al het andere materiaal waarmee duizenden slaafgemaakten gevangen werden gehouden. Alleen al onder de vlag van de WIC verscheepte Hoorn naar schatting ruim zeventienduizend slaafgemaakte Afrikanen, meer dan het totale aantal inwoners van de stad in de zeventiende en achttiende eeuw.
Hoorn in Azië In naam van de VOC werden honderdduizenden slaafgemaakte mensen uit Azië en Zuid- en OostAfrika verhandeld en tewerkgesteld. De Hoornse gouverneur-generaal Jan Pieterszoon Coen legde de basis van de Nederlandse slavernij in Azië. In opdracht van de Heren Zeventien, waarin het Hoornse stadsbestuur als een van de weinige steden in de Republiek permanent vertegenwoordigd was, stichtte hij het met slavenarbeid gebouwde Batavia en ontvolkte hij de Banda-eilanden om de nootmuskaatperken aldaar met slaafgemaakten te bevolken. Op Banda ontstond hierdoor de eerste Nederlandse plantagekolonie. Een gefundeerde schatting van het Hoornse aandeel in de totale slavenhandelsactiviteit van de VOC is niet te geven, maar het is bekend dat Hoornse VOC-dienaren Aziaten in slavernij hielden en verhandelden, en dat slaafgemaakte mensen op Hoornse VOC-schepen werden verscheept. De Hoornse VOC-bewindhebbers waren nagenoeg allemaal lid van het stadsbestuur. Zij verkregen hun forse inkomsten voor een deel uit dwang- en slavenarbeid in Azië. Op een directe manier door hun aandeel in de opbrengsten van de handel in met slavenarbeid verkregen
31
producten als nootmuskaat uit Banda, kaneel uit Ceylon en goud en zilver uit Sumatra, en op indirecte manier vanuit de belasting die de VOC hief op particuliere slavenhandel.
Hoornse particulieren en slavernij Ook buiten de handelscompagnieën was Hoorn betrokken bij het in slavernij houden en uitbuiten van mensen. Van de koloniale en slavernij-gerelateerde nijverheid profiteerde de stad en haar inwoners als geheel. Sommige Horinezen bezaten zelf slavenplantages in Zuid-Amerika of investeerden daarin. Anderen handelden in producten die uit slavenarbeid werden verkregen. Tot hen kunnen ook enkele Hoornse stadsbestuurders worden gerekend, die vanwege hun kapitaal en invloed ook privaat betrokken waren bij het Nederlandse systeem van slavernij in Afrika, Amerika en Azië.
Slaafgemaakte Horinezen Vanwege de grote zeevaartactiviteit vanuit Hoorn liepen Horinezen het risico door Noord-Afrikaanse kapers in slavernij te worden gehouden. Zij konden veelal rekenen op de financiële en organisatorische steun van hun stadsgenoten en het stadsbestuur om hun vrijheid te herkrijgen. Dat gold niet voor de duizenden Afrikanen en Aziaten die Hoornse stadsbestuurders vanuit hun dubbelfunctie als VOC- en WIC-bewindhebber in slavernij verhandelden en tewerkstelden.
Historische discussie In de loop van de koloniale geschiedenis is slavernij herhaaldelijk onderwerp van discussie geweest. Zo zetten de Heren Zeventien aanvankelijk vraagtekens bij het optreden van Coen in de Indonesische Archipel. Toch beloonden ze hem daar even later alsnog voor. Centraal in slavernijdiscussies in de Republiek stond het christelijke geloof. Bijbelse verhalen werden gebruikt om de slavernij te verdedigen, maar enkelingen betoogden juist vanuit christelijke naastenliefde en paternalisme het tegenovergestelde. Zo ook in Hoorn, waar de predikanten Hondius in de zeventiende en Engelberts in de achttiende eeuw tegen de onchristelijke slavenhandel en slavernij predikten.
32
Tot slot Dit indicatieve onderzoek geeft aldus een globaal beeld van de veelvormige betrokkenheid van Hoorn en de rol van het Hoornse stadsbestuur in het Nederlandse slavernijverleden. Tegelijkertijd roept het allerlei nieuwe vragen op die enkel op basis van de huidige literatuur nog moeilijk te beantwoorden zijn. Uit de vele Hoornse voorbeelden en verhalen die nog in archiefstukken zijn verborgen, is een scherper en concreter overzicht van het Hoornse slavernijverleden en de rol van het stadsbestuur hierin te geven. Waardevolle aanknopingspunten hiervoor omvatten onder meer de interne verhoudingen binnen de WIC-kamer Noorderkwartier, Hoornse plantagehouders in Zuid-Amerika en de persoonlijke financiële betrokkenheid van prominente Hoornse stadsbestuurders bij slavernij en slavernij-gerelateerde activiteiten. Bovendien vormt de negentiende eeuw een nog grotendeels onontgonnen periode, bijvoorbeeld als het gaat over hoe het stadsbestuur in Hoorn over afschaffing van de slavernij dacht. Tot slot – en wellicht niet onbelangrijk gezien de actualiteit waarin de onderzoeksvraag van de gemeente Hoorn tot stand is gekomen – ontbreekt in de bestaande literatuur een voor de huidige maatschappelijke discussie cruciaal onderwerp. Namelijk, de doorwerking van het slavernijverleden in de Hoornse samenleving van vandaag.
In de negentiende eeuw werden slavenhandel en slavernij in Nederlandse kolonies verboden, maar daarmee hield het systeem van dwangarbeid, uitbuiting en uitsluiting niet op te bestaan. Evenmin gold dat voor het achterliggende racistische wereldbeeld waarmee het kolonialisme en de slavernij eeuwenlang in stand werden gehouden. Voor een antwoord op de vraag hoe het Hoornse koloniale en slavernijverleden in de huidige samenleving doorwerkt, is multidisciplinair en meerstemmig vervolgonderzoek aanbevelenswaardig.
33
Bibliografie ▪
Abbing, C.A. Geschiedenis der stad Hoorn, hoofdstad van West-Vriesland, gedurende het grootste gedeelte der XVII en XVIII eeuw, of vervolg op Velius chronyk, beginnende met het jaar 1630. Hoorn: Gebr. Vermande, 1841.
▪
Baay, R. Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië. Amsterdam: Uitgever Athenaeum, 2021.
▪
Bakker, C. en J.K. Beers. Westfriezen naar de Oost. De kamers der VOC te Hoorn en Enkhuizen en hun recruteringsgebied, 1700-1800. Hoorn: Historisch Genootschap Oud West-Friesland, 1991.
▪
Bonke, H. en K. Bossaers, Heren investeren. De bewindhebbers van de West-Friese Kamers van de VOC. Haarlem: Stichting Museaal en Historische Perspectief Noord-Holland, 2002.
▪
Boon, P. ‘Westfriese zeelieden in Noordafrikaanse gevangenschap,’ in Westfriese Families, jaargang 26, nummer 1, 1985.
▪
Brandon, P. et al. Slavernij in Oost en West. Het Amsterdam-onderzoek. Amsterdam: Spectrum, 2020.
▪
Bruin, J. de. ‘Twee West-Friese Slaven,’ in Kwartaalblad Oud Hoorn. Jaargang 35, nr. 2, 2013.
▪
Bruyn Kops, C.J. de. ‘De Amsterdamse verzamelaar Jan Gildemeester Jansz.,’ in Bulletin van het Rijksmuseum, jaargang 13, nummer 3, 1965.
▪
Doesburg, J.J. West-Frieslands hoofdstad in vroeger eeuwen. Hoorn: Geert & Kops, 1898.
▪
Gaastra, F.S. Geschiedenis van de VOC. Zwolle: Walburg Pers, 2012.
▪
Gaastra, F.S. Heren profiteren. Het aandeel van Hoorn en Enkhuizen in de rijkdom van de VOCdienaren in Azië in de achttiende eeuw. Enkhuizen: Vereniging Oud Enkhuizen, 2003.
▪
Galan, G. de. De geschiedenis en restauratie van het VOC-pakhuis: Onder de Boompjes 22 / Pakhuisstraat 1-3-5-7 / Achter de Vest 58 te Hoorn. Hoorn: Publicatiestichting Bas Baltus, 2004.
▪
Heijer, H. den Geschiedenis van de WIC. Zwolle: Walburg Pers, 2013.
▪
Jeeninga, W. De Gekroonde Jaagschuit te Hoorn: handel in koffie, thee en tabak op het Breed. Hoorn: Vereniging Oud Hoorn, 1997.
▪
Kooijmans, L. Onder regenten: de elite in een Hollandse stad, Hoorn 1700-1780. Den Haag: Hollandse Historische Reeks, 1985.
▪
Kroon, H. en F. Kapteijn, Nieuwe Kroniek van Hoorn: geschiedenis van Westfrieslands hoofdstad, van haar ontstaan tot op onze dagen. Hoorn, A.C. Boldringh, 1891.
▪
Leenders, J. Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk fatsoen: families, standen en kerken te Hoorn in het midden van de negentiende eeuw. Den Haag: Hollandse Historische Reeks, 1992.
▪
Lesger, C.M. Hoorn als stedelijk knooppunt: stedensystemen tijdens de late middeleeuwen en vroegmoderne tijd. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 1990.
▪
Oostindie, G. red. Het koloniale verleden van Rotterdam. Amsterdam: Boom Uitgeverij, 2020. 34
▪
Pagee, M. van. Banda: de genocide van Jan Pieterszoon Coen. Utrecht: Omniboek, 2021.
▪
Rossum, M. van Kleurrijke tragiek: de geschiedenis van slavernij in Azië onder de VOC. Hilversum: Uitgeverij Verloren, 2015.
▪
Rijp, F. Chronijk van de vermaarde zee en koopstad Hoorn: beginnende met de grondlegging der West-Vriesen, ontrent 50 jaren na Christi geboorte. Als mede des stads begin, voortgang en tegenwoordige staat, mitsgaders vele gedenkwaardige geschiedenissen soo binnen als buyten de selve voorgevallen. Hoorn: Feyken Rijp, 1706.
▪
Stipriaan, A. van. Rotterdam in Slavernij. Amsterdam: Boom Uitgeverij, 2020.
▪
Velius, Th. Chronyck van Hoorn, daar in het begin, aanwasch, en tegenwoordige staat dier stad verhaalt worden. Hoorn: Jacob Duyn, 1740.
▪
Vrijman, L.C. Kaapvaart en Zeerooverij. Uit de geschiedenis der vrije nering in de Lage Landen. Amsterdam: Uitgeverij Van Kampen, 1938.
▪
Wever-Nierop, M. ‘Hoorn in de Gouden Eeuw,’ in A. Muller red., Hoorn en de Zee. Enkhuizen: Poolster Boekproducties, 2002.
▪
Zandvliet, Kees. De 500 Rijksten van de Republiek. Rijkdom, geloof, macht en religie. Zutphen: Walburg Pers, 2018.
35