Bijlage 1 - Onderzoeksrapport Slavernijverleden Hoorn
Tekst van het document
Onderzoeksrapport Slavernijverleden van Hoorn
Dillon Heuser, tekst en onderzoek Matthijs Dicke, redactie en projectcoördinatie Stad en Bedrijf Juni 2023
Onderzoek in opdracht van de gemeente Hoorn, Onder auspiciën van prof. dr. Alex van Stipriaan en prof. dr. Rozemarijn Hoefte. Met dank aan Peter Swart, Jan de Bruin, het Westfries Archief en het Westfries Museum.
Voorwoord Op 1 juli 2023 staat Nederland stil bij 160 jaar juridische en 150 jaar definitieve afschaffing van slavernij in Suriname en de voormalige Nederlandse Antillen. Deze gelegenheid grijpt de gemeente Hoorn aan om inzicht te krijgen in haar eigen koloniale en slavernijverleden. In het bijzonder wil de gemeente stilstaan bij de rol van het toenmalige stadsbestuur in deze hoofdstukken van de stadsgeschiedenis. Het verlangen naar dit inzicht komt niet uit de lucht vallen. De laatste jaren zijn verschillende lokale en regionale overheden en ook de rijksoverheid tot het besef gekomen dat het koloniale en slavernijverleden in de geschiedschrijving tot nog toe te eenzijdig wordt belicht. In veel publicaties wordt de nadruk gelegd op de Nederlandse economische verdiensten. Vanwege de grote overeenkomsten tussen de twee Nederlandse koloniale handelscompagnieën bijvoorbeeld, wordt de WIC vrijwel altijd op economisch gebied vergeleken met de VOC. Vervolgens wordt geconcludeerd dat die eerste minder succesvol was dan de laatste, omdat de ene Nederland meer rijkdom opleverde dan de andere. Oftewel, het Nederlandse economische perspectief is de leidraad. Het gevolg daarvan is dat sociale aspecten, zoals het gegeven dat honderdduizenden Afrikanen door toedoen van de WIC nooit meer hun thuisland of zelfs hun familie zouden zien, hooguit als neveneffect zijn beschreven.
Met het verstrekken van de opdracht om expliciet het eigen slavernijverleden te laten onderzoeken, onderschrijft de gemeente Hoorn dat enkel het Nederlandse economische perspectief niet langer volstaat. Het slavernijverleden is immers een gedeeld verleden. Het is niet zo dat het Hoornse slavernijverleden in de bestaande literatuur onbesproken blijft. Versnipperd over verschillende publicaties worden enkele aspecten van dat verleden los van elkaar behandeld. Veel blijft ook nog onduidelijk. Vandaar dat de gemeente historisch onderzoeksbureau Stad en Bedrijf heeft gevraagd om een onderzoeksrapport te maken waarin de bestaande kennis over het Hoornse slavernijverleden gebundeld wordt, met een nadruk op de rol van Hoornse stadsbestuurders. Ter aanvulling heeft Stad en Bedrijf een eerste ronde verkennend archiefonderzoek gedaan, om te bezien of primair bronmateriaal beschikbaar is voor eventuele nadere onderbouwing. Bovendien levert dit specifieke voorbeelden en citaten op. We zijn ons ervan bewust dat sommige van deze citaten het beladen woord ‘neger’ bevatten. Dit is niet choquerend bedoeld, maar juist om de lezer te tonen hoe denigrerend die term van origine is.
Zoals uit de citaten blijkt, werd dit woord niet alleen als synoniem aan slaafgemaakte Afrikaan gebruikt, maar ook als neerbuigende toevoeging om structureel onderscheid te maken tussen het ‘wij’ van de witte Nederlander en het ‘zij’ van de zwarte Afrikaan, Afro-Surinamer of Afro-Caribiër. Uit ons onderzoek kwamen vijf hoofdonderwerpen van het Hoornse slavernijverleden naar voren: de trans-Atlantische slavenhandel onder de WIC, de Nederlandse slavernij in Azië onder de VOC, particuliere slavenhandel en handel in met slavernij verkregen producten, Nederlandse christenslaven in Noord-Afrika en het historische protest tegen al deze vormen van slavernij. Omdat er onontkoombaar gaten zitten in de huidige kennis waarop dit onderzoeksrapport is gebaseerd, worden sommige onderwerpen minder uitvoerig beschreven dan andere. Dat betekent dus niet dat ze minder relevant zijn, maar wel dat er minder over gepubliceerd is. Per onderwerp benoemen we welke openingen er zijn voor eventueel vervolgonderzoek om tot een beter begrip te komen van het Hoornse slavernijverleden en de rol van het stadsbestuur daarin.
2
Inhoudsopgave Het Hoornse stadsbestuur .............................................................................................................................................. 4 Hoorn in Afrika en Amerika.....................................................................................................................................5 West-Indische Compagnie en slavernij ................................................................................................................5 Kamer van het Noorderkwartier ..........................................................................................................................6 Hoorn en de WIC .................................................................................................................................................7 De slavenreis van De Ruijter ................................................................................................................................9 Wat weten we nog niet? ...................................................................................................................................11
Hoorn in Azië ........................................................................................................................................................12 Verenigde Oost-Indische Compagnie en slavernij .............................................................................................12 Hoorn en de VOC ...............................................................................................................................................15 Wat weten we nog niet? ...................................................................................................................................18
Hoornse particulieren en slavernij ........................................................................................................................20 Plantage Hoorn en Noord-Holland te Berbice ...................................................................................................20 De Gekroonde Jaagschuit, handel in koffie, thee en tabak ...............................................................................21 Wat weten we nog niet? ...................................................................................................................................22
Slaafgemaakte Horinezen ....................................................................................................................................24 Gevangen in Noord-Afrika ................................................................................................................................24 De Algerijnse kaper Dirkie Ivan de Veenboer ....................................................................................................25 Vrijkoping uit slavernij ......................................................................................................................................26 Wat weten we nog niet? ...................................................................................................................................27
Historische discussie .............................................................................................................................................28 Van alle tijden ...................................................................................................................................................28 Prediken tegen slavernij ....................................................................................................................................28 Wat weten we nog niet? ...................................................................................................................................30
In het kort .............................................................................................................................................................31
Tot slot ..................................................................................................................................................................33
Bronnen ................................................................................................................................................................34
3
Het Hoornse stadsbestuur In de tijd van de Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) waren steden in hoge mate autonoom en maakten zij vaak zelfstandige keuzes. Via vertegenwoordiging in de Staten van Holland hadden de rijkste steden invloed op de landelijke regering; de Staten-Generaal. Anders dan de gemeenteraad en het college van burgemeesters en wethouders die tegenwoordig de gemeentes besturen, bestond de kern van een stadsbestuur tot eind achttiende eeuw uit de magistraat en de vroedschap, ook wel raad genoemd. De magistraat bestond in Hoorn uit doorgaans vier burgemeesters, schepenen en een schout. De burgemeesters hielden zich bezig met het dagelijks bestuur van de stad, terwijl de schepenen en de schout rechtspraken. De burgemeesters werden jaarlijks gekozen uit en door de vroedschap, een twintigkoppige raad van vermogende stadsburgers die vergaderde over lokale economische en politieke zaken. Eigen handelsbelangen en stadspolitiek waren hierdoor innig verbonden. Een vroedschapslid werd op zijn beurt voor het leven gekozen door de zittende vroedschapsleden. Vanwege de benodigde connecties kwam het erop neer dat alleen rijke en prominente inwoners van de stad voor verkiezing tot vroedschap in aanmerking kwamen. Bovendien was een plek in het stadsbestuur voorbehouden aan leden van de gereformeerde kerk.
Binnen de stad hadden de burgemeesters in feite de meeste macht. Zij hadden een doorslaggevende stem in de vroedschapsvergaderingen en beslisten wie welk stedelijk ambt kreeg. Ook de benoeming tot bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie of de WestIndische Compagnie berustte bij de burgemeesters, waardoor lidmaatschap van het stadsbestuur in de praktijk een vereiste werd. Het overgrote deel van de Hoornse bewindhebbers was tegelijkertijd ook burgemeester, schepen, schout of vroedschap. Vooral in de achttiende eeuw bestond het Hoornse stadsbestuur uit leden van dezelfde regentenfamilies die al generaties lang de dienst uitmaakten. Oud-burgemeesters die nog lid van de vroedschap waren, vervulden veelal regionale ambten, bijvoorbeeld als afgevaardigde naar de Admiraliteit die de oorlogsvloot beheerde, de Staten van Holland of naar de Gecommitteerde Raden van West-Friesland en het Noorderkwartier. Vanaf het eind van de achttiende eeuw ontstaat langzamerhand een meer democratisch stadsbestuur met gekozen gemeenteraden, wethouders en burgemeesters. Stemrecht was echter tot in de twintigste eeuw voorbehouden aan mannen die een bepaald bedrag aan belasting betaalden, in feite alleen de welgestelde elite.
Tot het aantreden van burgemeester Van Dedem in 1875 kwamen de Hoornse burgemeesters steeds uit lokale elitaire families als Van Akerlaken en De Vicq, die hun status en rijkdom sinds de zeventiende eeuw opbouwden in de stedelijke en regionale politiek en als bewindhebbers van de twee koloniale handelscompagnieën.1
1
De Overijsselse adellijke familie Van Dedem was vanaf eind achttiende eeuw tot aan de afschaffing van de slavernij in 1863 mede-eigenaar van de Surinaamse plantages Peperpot en ’t IJland. Bron: Douwe Borger, ‘De collectiebewaarders – Martin van der Linde’, website Collectie Overijssel: https://collectieoverijssel.nl/verhalen/de-collectiebewaarders-martin-van-der-linde/.
4
Hoorn in Afrika en Amerika West-Indische Compagnie en slavernij De handel in slaafgemaakte Afrikanen en in met slavenarbeid verkregen producten was de omvangrijkste activiteit van de West-Indische Compagnie (WIC). Naar schatting zijn er in totaal zo’n 600.000 slaafgemaakte Afrikanen onder Nederlandse vlag naar Amerika verscheept, van wie ruwweg de helft door de WIC. Deze compagnie werd in 1621 opgericht ter bevordering van de Nederlandse scheepvaart, handel en commerciële belangen in West-Afrika en Amerika. Daarvoor kreeg het van de Staten-Generaal, het hoogste bestuur van de Republiek, een monopolie op de Nederlandse handel in het Atlantische kustgebied. Ook kreeg de WIC de bevoegdheid om bondgenootschappen te sluiten en namens de Republiek oorlog te voeren. Bij oprichting had de WIC namelijk als hoofddoel het aantasten van de koloniale bezittingen van Spanje en Portugal door kaapvaart en verovering van kolonies. De compagnie werd aanvankelijk bestuurd door de Heren Negentien en vanaf 1674 door de Heren Tien, naar het aantal bestuursleden dat uit de bewindhebbers – de hoofdaandeelhouders – van de WIC werd gekozen. De WIC bestond uit vijf afdelingen, ieder met eigen bewindhebbers die het beleid uitvoerden: de kamers Amsterdam, Zeeland, De Maze (Delft, Dordrecht en Rotterdam), Noorderkwartier (West-Friesland) en Stad en Lande (Friesland en Groningen).
De WIC kreeg in de jaren dertig van de zeventiende eeuw vaste voet aan de grond in het Atlantische kustgebied toen de compagnie de havenstad Recife en het rijke suikerproductiegebied Pernambuco in Brazilië op Portugal had veroverd. Enkele jaren later kwamen Curaçao, Aruba, Bonaire, Sint-Maarten, Sint-Eustatius en Saba onder het beheer van de WIC en in 1637 volgde de inname van het Portugese fort Elmina aan de Goudkust. Met dit strategisch gelegen fort in handen organiseerde de WIC steeds meer slavenreizen naar de winstgevende suikerplantages in Brazilië. De verovering van de slavendepotstad Luanda in Angola in 1641 betekende een flinke schaalvergroting van deze trans-Atlantische slavenhandel. De constante en erg kostbare strijd met Spanje en Portugal bracht de WIC echter op de rand van faillissement. In 1654 verloor de WIC Nederlands-Brazilië en ging uiteindelijk in 1674 failliet. Een jaar na opheffing van de WIC werd een nieuwe West-Indische Compagnie opgericht, ditmaal met sterk afgeslankte doelstellingen. De vaart op West-Afrika en Essequebo in het huidige Guyana vielen nog onder het monopolie van de WIC, de resterende gebieden mochten tegen betaling van een som geld ook door particulieren van buiten de compagnie worden aangedaan. De tweede WIC hield zich bezig met de retourvaart en slavenhandel.
De retourvaart tussen de Afrikaanse kust en de Republiek was voornamelijk gericht op goud en ivoor. Omvangrijker dan de retourvaart was de trans-Atlantische scheepvaart, waarbij de WIC Europese producten in Afrika ruilde voor slaafgemaakte Afrikanen om hen vervolgens naar Curaçao, Suriname en het huidige Guyana te verschepen, waarna uiteindelijk weer met koloniale producten naar de Republiek werd teruggekeerd. Volgens een centraal georganiseerd toerbeurtsysteem reedde iedere kamer beurtelings een slavenreis van de WIC uit. Ook werd regelmatig een beroep gedaan op de WIC-kamers voor aanlevering van slaafgemaakte Afrikanen door de Sociëteit van Suriname. Deze Sociëteit was in 1683 door de WIC, het stadsbestuur van Amsterdam en de steenrijke Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck opgericht ter beheer van de kolonie. Voor de WIC zonden de kamers Amsterdam, Zeeland, De Maze en het Noorderkwartier een afgevaardigde naar de Sociëteit. Door aanhoudende financiële problemen verloor de WIC in 1734 het monopolie op de handel op Afrika. Het enige privilege dat de WIC behield, was de slavenhandel op het huidige Guyana, tot de Heren Tien dat recht in 1738 vanwege aanhoudende verliezen vrijwillig opgaven. Particulieren uit onder meer Zeeland, Amsterdam en Rotterdam namen de Nederlandse slavenhandel over. De WIC 5
ging verder als beheerder van de kolonies in het Atlantische gebied. Indirect bleef de compagnie nog betrokken bij de slavenhandel vanuit de inning van een soort belasting op elke verkochte slaafgemaakte Afrikaan door het lokale personeel in de forten en factorijen.
Kamer van het Noorderkwartier Zes West-Friese steden trokken bij de oprichting van de WIC in 1621 gezamenlijk op en maakten deel uit van de kamer Noorderkwartier. Van deze zes had Hoorn het meeste geld ingelegd voor het startkapitaal, op volgorde gevolgd door Enkhuizen, Alkmaar, Medemblik, Edam en Monnickendam.2 Vanwege de hoogte van hun inbreng waren de hoofdkantoren van de WIC-kamer Noorderkwartier in Hoorn en Enkhuizen gevestigd. Deze twee steden leverden de bewindhebbers die het Noorderkwartier vertegenwoordigden in het hoogste bestuur van de compagnie. Aanvankelijk ieder één in de Heren Negentien en later beurtelings één vertegenwoordiger in de Heren Tien. Hoewel de kamers Amsterdam en Zeeland het meest te zeggen hadden, behoorden de Hoornse en Enkhuizense bewindhebbers tot de weinigen in de Republiek die inspraak hadden op het beleid van de compagnie. Aanvankelijk toonden de West-Friese steden weinig belangstelling voor deelname aan de compagnie. Hoorn en Enkhuizen hadden namelijk een groot belang in de vrije vaart op de zoutpannen van het door Spanje beheerste Venezuela en de Caraïbische eilanden. Toen bij de plannen tot oprichting van de WIC bekend werd dat dit onder het monopolie van de compagnie zou vallen, brak er protest uit onder de West-Friese steden.
Een compromis werd gevonden door de zoutvaart buiten het monopolie te houden in ruil voor de deelname van Hoorn en Enkhuizen aan de WIC. Een jaar na de oprichting besloten de Staten-Generaal de lucratieve zoutvaart echter alsnog te monopoliseren in de hoop meer kapitaalkrachtige koopmannen tot deelname te verleiden. De vaart op Venezuela bleek inmiddels ontoegankelijk te zijn geworden. De Spanjaarden hadden er in de tussentijd een fort gebouwd tegen de ongewenste Nederlandse zoutvaarders. Tussen 1621 en 1623 probeerden de West-Friese steden viermaal tevergeefs om het fort te breken. Voor zout uit het Caraïbisch gebied richtte de WIC zich later op Bonaire, waar de compagnie slaafgemaakte Afrikanen aanvoerde om het fysiek zware en door weerkaatsing van de felle zon ook verblindende werk op de zoutpannen te verrichten. Voor alle activiteiten van de WIC-kamers werd een vaste verdeelsleutel gehanteerd, bepaald door de hoogte van het ingebrachte kapitaal bij oprichting. Amsterdam had vier negende deel, Zeeland twee negende en De Maze, Noorderkwartier en Stad en Lande ieder één negende. Aan de hand hiervan werd bijvoorbeeld besloten hoeveel schepen iedere kamer uitreedde voor de vaart op Brazilië en West-Afrika, en ook de volgorde van de toerbeurten voor de slavenhandel.
Uit de tabel op de volgende pagina blijkt dat het Noorderkwartier in de periode 1674 tot 1740 – vanaf de oprichting van de tweede WIC tot het staken van de slavenhandel – verhoudingsgewijs meer schepen uitreedde voor de slavenhandel dan voor de retourvaart. De kamer van Amsterdam had nagenoeg dezelfde verdeling van activiteit. Van de drie kleinere kamers, waarmee het Noorderkwartier qua omvang beter vergelijkbaar is, brachten de Hoornse en Enkhuizense bewindhebbers de meeste schepen in de
2
H. Kroon & F. Kapteijn, Nieuwe Kroniek van Hoorn (1891), p. 115. Voor het startkapitaal legde Hoorn 127.960 gulden in, Enkhuizen 123.235 gulden, Alkmaar 112.112 gulden, Medemblik 78.340 gulden, Edam 35.545 gulden en Monnickendam 28.435 gulden. Omgerekend naar huidige koopkracht was de inleg van Hoorn zo’n 2,3 miljoen euro, van Enkhuizen bijna 2,2 miljoen euro, Alkmaar 2 miljoen euro, Medemblik 1,4 miljoen euro, Edam ruim zes ton en Monnickendam iets meer dan vijf ton. Bron: Database waarde van de gulden versus de euro, Instituut voor Sociale Geschiedenis, https://iisg.amsterdam/nl/onderzoek/projecten/hpw/calculate.php.
6
vaart voor de trans-Atlantische slavenhandel. Van alle slavenreizen die van de tweede WIC bekend zijn, werden er 11,67 procent, iets meer dan de vaste verdeelsleutel van een negende, door het Noorderkwartier uitgereed.
WIC-schepen in de vaart op West-Afrika per activiteit en per kamer, 1674-1740.3 WIC-KAMER AMSTERDAM ZEELAND DE MAZE NOORDERKWARTIER STAD EN LANDE
SCHEPEN 41 % (244) 25% (152) 12% (75) 12% (75) 9% (53)
SLAVENHANDEL 57% (140) 72% (109) 47% (35) 56% (42) 64% (34)
RETOURVAART 43% (104) 28% (43) 53% (40) 44% (33) 36% (19)
Hoeveel slaafgemaakte Afrikanen de WIC-kamer Noorderkwartier van begin tot eind precies heeft verhandeld, is niet bekend. Aan de hand van de verdeelsleutel en de verhoudingen in de bovenstaande tabel is wel een ruwe schatting te maken. Van de circa 300.000 slaafgemaakte Afrikanen die de WIC van begin tot eind heeft verhandeld, kwam de handel in grofweg 33.000 tot 35.000 mensen voor rekening van het Noorderkwartier. Met een gemiddeld sterftecijfer van zo’n 15 procent, zouden ruim vijfduizend Afrikanen nooit meer voet aan land zetten na ingeladen te zijn in een slavenschip van het Noorderkwartier. Voor het aandeel van enkel de Hoornse afdeling moet eveneens een schatting worden gedaan. Aangezien Hoorn en Enkhuizen steeds een eigen kantoor en pakhuizen onderhielden - voor de drie leden van de kamer De Maze bijvoorbeeld was dat niet zo - is een min of meer gelijke verdeling tussen de twee waarschijnlijk. Uitgaande van het totale aantal mensen die het Noorderkwartier verhandelde, komt dat neer op zo’n 16.500 tot 17.500 mensen. Ter vergelijking: Hoorn zelf telde begin zeventiende eeuw rond de 14.000 inwoners en eind achttiende eeuw nog ruim 9.500 inwoners.
Hoorn en de WIC In een pakhuis aan de Binnenluiendijk werden de voorraden suiker, koffie, tabak, goud en ivoor, die de schepen van de WIC meebrachten, opgeslagen. Boven de deur van het aangrenzende pand staan nog altijd de letters GWCH, verwijzend naar de Geoctroijeerde West-Indische Compagnie Hoorn. Hier hield de boekhouder nauwkeurig bij hoeveel geld er in en uit de kas vloeide, ging alle post voor en door de Hoornse bewindhebbers in en uit, en werd vergaderd over het uit te voeren compagniebeleid. Het bewindhebberschap was een gekozen functie, gedurende de eerste WIC steeds voor zes jaar, maar tijdens de tweede WIC voor het leven. Formeel nomineerden de zittende bewindhebbers drie kandidaten uit de hoofdaandeelhouders, waaruit de burgemeesters van Hoorn vervolgens een beslissende keuze maakten. Goede banden met het stadsbestuur waren dus cruciaal voor de verkiezing tot bewindhebber, maar in principe kon iedereen genomineerd worden zolang diegene maar minstens 2.800 gulden aan WIC-aandelen had.
3
Bron: D. Heuser, Maasstad in De Maze. De handel en scheepvaart van de Rotterdamse afdeling van de WIC (1623-1740). Tabel samengesteld op basis van dataset WIC scheepvaart 1674-1740 door Henk den Heijer: https://doi.org/10.17026/dans-2zc-zuk2. Van de in totaal 750 door Den Heijer bijeengebrachte reizen is van 121 de uitredende kamer onbekend en daarom niet in de tabel opgenomen, evenals de 32 kruisers die de Afrikaanse forten beschermden tegen smokkelhandel.
7
Vanwege de benodigde connecties en kapitaal bleek verkiezing tot bewindhebber in de praktijk echter bijna uitsluitend toe te komen aan leden van de invloedrijke regentenfamilies die generatie op generatie in het stadsbestuur de dienst uitmaakten. In het zeventiende- en achttiendeeeuwse Hoorn was de familie Van Foreest een van de invloedrijkste regentenfamilies. De Hoornse vroedschap en burgemeester Jan van Foreest (1586-1651) had een aanzienlijke som bijgedragen voor de oprichting van de WIC in 1621, wat hem het lidmaatschap van de Heren Negentien opleverde. Het bewindhebberschap werd generaties lang doorgegeven aan het nageslacht. De steenrijke Nanning van Foreest (1682-1745) bijvoorbeeld, was zijn broer Dirk van Foreest (1676-1717) in 1714 opgevolgd als WIC-bewindhebber en sinds 1718 tot zijn overlijden als vroedschap en tienvoudig burgemeester lid van het Hoornse stadsbestuur. In 1727 verruilde Nanning zijn WIC-bewindhebberschap voor dat van de prestigieuzere VOC. Cornelis van Foreest (1704-1761), de zoon van Dirk, volgde zijn oom Nanning op binnen de WIC en was eveneens vroedschap en meervoudig burgemeester.
Cornelis’ kleinzoon Nanning (1757-1813) – via het incestueuze huwelijk van zijn vader en tante ook kleinzoon van de eerdergenoemde Nanning – was bij de opheffing van de WIC in 1792 nog altijd een van de grootste aandeelhouders van de Hoornse WIC-afdeling.4 Buiten de Van Foreesten, leverden ook andere prominente Hoornse regentenfamilies als Merens, Schagen, De Vicq, Van Bredehoff en Van Akerlaken generaties aan WIC-bewindhebbers. De Hoornse WIC-bewindhebbers waren direct bij de trans-Atlantische slavenhandel betrokken. Ieder schip dat namens de compagnie de havens van Hoorn verliet – zowel voor de retourvaart als de slavenhandel – deed dat namelijk in opdracht van de bewindhebbers. In de beginjaren voeren vooral schepen die door de WIC waren gebouwd of gekocht, later waren het vooral schepen van particuliere reders die de bewindhebbers inhuurden. Zowel de eigen als de ingehuurde schepen werden voor vertrek door de bewindhebbers voorzien van alle benodigde levensmiddelen, gereedschappen, materialen en handelswaren om naar West-Afrika te varen. Voor slavenschepen werd dit cargazoen aangevuld met materialen voor de verscheping van slaafgemaakte Afrikanen, zoals hand- en voetboeien en ijzeren staven. Lokale scheepsreders, ambachtslieden en handelaren profiteerden hierdoor ook van de slavenhandelsactiviteiten van de WIC.
Vastgeketend in de boeien die de Hoornse bewindhebbers hun slavenschepen meegaven, werden duizenden slaafgemaakte Afrikanen naar de Nederlandse kolonies verscheept. Zo kwam bijvoorbeeld het compagnieschip van het Noorderkwartier Johanna Maghtelt onder de Hoornse schipper Jan Claasz. Kist in 1711 aan op Curaçao met ‘een armazon van 610 coppen negros slaaven’ uit Angola. Van hen stierven er zestien tijdens de overtocht. Dat was uitzonderlijk weinig. En, zo rapporteerde de gouverneur van Curaçao Jeremias van Collen aan de Heren Tien, de overlevenden ‘sijn gezont en vet’.5 Enkele van deze Afrikanen werden na aankomst in Curaçao al snel klaargemaakt voor een nieuwe bestemming: de zoutpannen van Bonaire. Curaçao was ook de eindbestemming van de drie slavenreizen die de Hoornse kapitein Nanning Kagias op het schip de Eva Maria voor de WICkamer te Hoorn uitvoerde. In 1693 vertrok Kagias van Angola met een scheepsruim vol slaafgemaakte Afrikanen naar Essequebo en vervolgens naar Curaçao. Hij keerde in april van het volgende jaar terug, waarna de bewindhebbers het schip vrijwel direct weer belaadden voor de volgende slavenreis. Zeven maanden na terugkomst, in november 1694, zeilde Kagias weer met de Eva Maria uit voor een
4
Nationaal Archief Den Haag (NA), toegang 2.01.28.02, inventarisnummer 245A. Lijst van de aandelen volgens de kapitaalboeken van het departement Noorderkwartier tot Hoorn. 5 Beide citaten uit: NA, toegang 1.05.01.02, inventarisnummer 571. Rapport Gouverneur van Curaçao aan Heren Tien, d.d. 12-1-1712.
8
reis met dezelfde bedoelingen en bestemmingen. Tijdens zijn laatste reis, in 1699, voer hij direct van Angola naar Curaçao.6 Voor zover bekend is er geen Hoornse WIC-bewindhebber persoonlijk naar Afrika afgereisd om slaafgemaakte Afrikanen te verhandelen. Hun dubbelfunctie als stadsbestuurder zou het in ieder geval vrijwel onmogelijk maken om maandenlang hun stad te verlaten. Dat betekende echter niet dat zij nooit een slaafgemaakte Afrikaan hadden gezien, zoals het leven van Tabo Jansz. bewijst.7 In 1727 liet de Hoornse WIC-bewindhebber, vroedschap en schout Adriaan van Bredehoff zichzelf met zijn jonge zwarte bediende Tabo voor zijn landhuis in Oosthuizen schilderen. Over de afkomst van Tabo is weinig bekend, behalve dat hij uit het onspecifieke ‘West-Indië’ – de verzamelnaam voor het Atlantische kustgebied van Midden- en Zuid-Amerika – kwam. Waarschijnlijk is hij via Curaçao of Suriname in Hoorn terechtgekomen. Het is onduidelijk hoe de twee voor het eerst in contact kwamen, maar Tabo en Van Bredehoff onderhielden wel een redelijk goede band. Bij het overlijden van Van Bredehoff in 1733 had hij Tabo namelijk twaalfduizend gulden nagelaten, tweeduizend meer dan zijn witte dienstmeid.
Als vrij man deed Tabo twee maanden na Van Bredehoffs overlijden belijdenis bij de gereformeerde kerk in Hoorn – iets waar Van Bredehoff op aangedrongen had – en noemde zich sindsdien Adriaan de Bruijn, naar zijn voormalige heer en naar zijn huidskleur. Tabo had weliswaar een ruim bedrag nagelaten gekregen, maar daarover kon hij niet vrij beschikken. De nalatenschap stond onder het beheer van de Horinezen Simon Schoenmaker en meester-chirurgijn Cornelis Heynis. Zij gaven hem de middelen om een tabakswinkel te kopen, maar toen Tabo op een gegeven moment duizend gulden wilde opnemen om de schulden voor reparaties aan zijn winkel te betalen, weigerden de beheerders uit te keren. Het bedrag dat Tabo had gekregen zou na zijn overlijden namelijk aan de beheerders toekomen. Tabo spande met succes een rechtszaak aan bij de Hoornse schepenbank. Het gevraagde bedrag werd gegeven, maar wel op voorwaarde dat hij hier nooit meer een rechtszaak over zou starten. Ook werd een derde beheerder aangesteld: Adriaan van Bredehoffs zoon François van Bredehoff. Tabo trouwde de bakkersdochter Welmetje Bakkers uit Oosthuizen en overleed in 1766 kinderloos. Een groot deel van het geld uit Van Bredehoffs nalatenschap aan Tabo ging hiermee alsnog naar de beheerders.
De slavenreis van De Ruijter ‘Alsoo bij de gecommitteerde heeren bewinthebberen vande vergaderinge der Tienen benevens de heeren directeuren van de geoctroijeerde societijt van Suriname is goet gevonden dat bij dese camer ten dienste van de welgemelte societijt soude werden geequipeert, met het noodighe cargasoen voorzien, een bequaem schip naer de custe van Angola tot inhandelinge van vijff hondert negros slaven om die te transporteeren van daer naer de colonie van Suriname. Soo hebbe wij in naercominge van t’selve ten dien fine ingehuijrt het schip de Ruijter daer schipper op is Gerrit Remmits Bording van Durgerdam ende daer ingelaaden sodaenigen cargasoen als wij tot de inhandelinge van t’voorsegde getal negros slaven noodig hebben geoordeelt. (…) U wel edele goede
6
Zie dataset H.J. den Heijer, Voyages of the WIC, 1674-1740. DANS KNAW. https://doi.org/10.17026/dans-2zczuk2; NA, toegang 1.05.01.02, inventarisnummer 451, fol. B, scan 173. Journaal Nanning Kagias in dienst van WIC-bewindhebbers te Hoorn gedestineerd tot Angola, Essequebo en Curaçao, 1694. 7 J. de Bruin, ‘Twee West-Friese Slaven,’ in Kwartaalblad Oud Hoorn, jaargang 35, nr. 2, 2013, p. 59-63.
9
vrunden de bewinthebberen van de geoctroijeerde Westindise Compagnie ter caamere t’Noorderquartier tot Hoorn. Was onderteeckent G. Schagen, Cornelis Keijser.’8 In deze zakelijke bewoording rapporteerden de Hoornse burgemeester Gerard Schagen en schout Cornelis Keijser – beiden bewindhebber van de West-Indische Compagnie – hun aanstaande levering van vijfhonderd slaafgemaakte Afrikanen aan de gouverneur van Suriname. Ter uitvoering van deze slavenreis, huurden Schagen en Keijser de particuliere Hoornse reder Eeuwout Beverwijck en schipper Gerrit Remmits Bording in.9 De reder en de schipper zorgden voor de uitvoering van de reis, de bewindhebbers voor het benodigde geld en uitrusting van het schip. Naast de te verruilen handelswaar en het eten, drinken, gereedschap, potten en pannen voor de bemanning, was er voor de officieren in de kajuit een doos met peper, gember, nootmuskaat en foelie – import van de VOC – aangeschaft. Schagen en Keijser kochten bovendien 150 voetboeien, 25 handboeien, twee lange ijzeren staven voor ‘de negers combuijs’ om de boeien aan vast te maken en een partij houten balken ‘tot de beddinge voor de negers’.10 Deze ‘beddinge’ waren de houten tussendekken die in het ruim werden getimmerd waarop de Afrikanen konden zitten en liggen.
Om de slaafgemaakte Afrikanen in het scheepsruim gevoed te houden, kochten de Hoornse bewindhebbers ook nog een aparte ‘negers ketel’ met één lepel. Hiermee beladen vertrok het schip De Ruijter in opdracht van de Hoornse WICbewindhebbers naar de Westkust van Afrika. Na een reis van enkele maanden kwam het schip in juli 1686 aan in Loango op de kust van Congo. Daar voer De Ruijter tussen de lokale handelsposten van de WIC om de meegebrachte handelswaar tegen het gecontracteerde aantal slaafgemaakte Afrikanen te verhandelen. De slavenkopers hielden nauwgezet bij hoeveel mannen, vrouwen en kinderen zij tegen welke producten in welke hoeveelheden verruilden. Zo leverde 1270 pond buskruit twee mannen en zes vrouwen op en bleek een leven in slavernij voor twee mannen 38 hoeden waard te zijn. Vooral uit dit laatste voorbeeld blijkt hoe de kopers en verkopers mensenlevens als elke andere handelswaar zagen. Met alle Europese wapens, brandewijn, textiel en andere producten aan boord van De Ruijter werden bij elkaar 310 mannen, 190 vrouwen en 86 kinderen gekocht. Dat het totale aantal slaafgemaakte Afrikanen 586 in plaats van de gecontracteerde vijfhonderd bedroeg, had alles te maken met de hoge sterfte tijdens de overtocht. Gemiddeld overleefde vijftien procent van de slaafgemaakten de overtocht niet.
Daarop bedacht, hadden de officieren van De Ruijter meer slaafgemaakte Afrikanen ingekocht, om zo het gecontracteerde aantal mensen levend in Suriname aan te laten komen. Eenmaal in het donkere scheepsruim van De Ruijter geladen, werden de Afrikanen geketend met de boeien die Schagen en Keijser de schipper hadden meegegeven en begon de tocht naar Suriname. Hoeveel Afrikanen nooit meer voet aan land zouden zetten nadat ze De Ruijter in waren gedwongen, is niet bekend. Na aankomst in Suriname werden de overlevenden uitgeladen en via slavenmarkten aan Nederlandse plantagehouders overgedaan om op een van de vele suiker-, tabaksof koffieplantages tewerk te worden gesteld. Het scheepsruim werd intussen verbouwd voor de lading uit slavenarbeid verkregen producten die het schip mee terug naar Hoorn zou nemen. Op 11 november 1687 liet De Ruijter ‘nae behouden arrivement sijn ancker voor de paalen deser stadt Hoorn’ vallen met ‘een weijnigh verdorvene cargasoen mitsgaders eenige brandhout, ijsere hoepen,
8
NA, toegang 1.05.03, inventarisnummer 216, fol. 123-140. Brief WIC-kamer Hoorn aan Gouverneur van Suriname, d.d. 18-12-1685. 9 NA, toegang 1.05.03, inventarisnummer 216, fol. 123-140. Bevrachtingscontract WIC-kamer Hoorn en reder Eeuwout Beverwijck, d.d. 16-12-1685. 10 NA, toegang 1.05.03, inventarisnummer 216, fol. 123-140. Lijst door Schagen en Keijser ingekochte goederen voor de slavenreis van De Ruijter.
10
duijgen’ uit Suriname.11 Daarmee was het bevrachtingscontract dat Schagen en Keijser met de reder en de schipper van De Ruijter hadden gesloten volbracht. Na betaling van het hun verschuldigde bedrag en nadat Schagen en Keijser nog een onkostenvergoeding van de WIC ontvingen, was deze slavenreis voor de betrokken Horinezen tot een eind gekomen. Anders was dat voor de honderden Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen die zij naar Suriname hadden laten transporteren en die daar hun verdere leven in slavernij zouden worden gehouden.
Wat weten we nog niet? Hoornse bewindhebbers van de West-Indische Compagnie waren direct betrokken bij de transAtlantische slavenhandel. De eigen compagnieschepen of ingehuurde schepen van lokale Hoornse reders rustten zij uit met alle benodigdheden om aan de kust van West-Afrika slaafgemaakte mensen te verhandelen, in gevangenschap te houden en naar de plantagekolonies in Zuid-Amerika en het Caraïbisch gebied te transporteren. Vanwege de procedure om bewindhebber te worden, hadden zij zo goed als allemaal een dubbelfunctie in het Hoornse stadsbestuur. De meeste schepen die tussen 1674 en 1740 in opdracht van het Noorderkwartier naar West-Afrika en Amerika vertrokken, deden dat voor de slavenhandel. En, van de drie kleinere kamers van de WIC – De Maze, Stad en Lande en het Noorderkwartier – zonden de Hoornse en Enkhuizense bewindhebbers de meeste slavenschepen uit. De WIC-kamer van het Noorderkwartier verhandelde zo’n 33.000 tot 35.000 mensen. De Hoornse afdeling was naar schatting verantwoordelijk voor het verhandelen van 16.500 tot 17.500 slaafgemaakte Afrikanen, meer dan het aantal inwoners van de stad. Hoewel deze bevindingen een globaal beeld schetsen van de Hoornse betrokkenheid bij de slavenhandel van de WIC, is er nog veel onduidelijk.
Hoe verdeelden Hoorn en Enkhuizen binnen de kamer Noorderkwartier de taken? Kwamen er meer slavenreizen voor rekening van Hoorn of juist meer retourvaarten? Hoe verhielden de andere West-Friese steden die in de WIC hadden geïnvesteerd zich hiertoe? Om iets over de precieze rol van Hoorn binnen de WIC te kunnen zeggen, is onderzoek naar de verhoudingen tussen de steden van de kamer Noorderkwartier nodig. Een aanvullend onderzoek naar de scheepvaartactiviteiten van het Noorderkwartier, ter aanvulling op bestaande datasets, met specifieke aandacht voor de afdelingen van de WIC-kamer, maakt verder inzichtelijk welke bestemmingen de Hoornse WIC-schepen precies hadden.
11
NA, toegang 1.05.03, inventarisnummer 19, fol. 74. Missive WIC-kamer Noorderkwartier aan Societeit van Suriname, d.d. 22-05-1688.
11
Hoorn in Azië Verenigde Oost-Indische Compagnie en slavernij In 1602, nog voor de oprichting van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC), kwamen enkele inwoners van Hoorn overeen ‘dat zij met malkander ook een schip of twee souden uijtreden naer Oost-Indien, gelijck die van Amsterdam en eenige ander Steden van Holland en Zeeland.’12 Net als in Amsterdam, Middelburg, Delft, Rotterdam en Enkhuizen, spraken koopmannen ook in Hoorn af om in samenwerkingsverband schepen naar het verre Zuid-Azië te sturen. Maar voordat het er daar in Hoorn van kwam, besloten de Staten-Generaal al deze zogenoemde particuliere voorcompagnieën samen te voegen tot de VOC. Iedere stad met zo’n voorcompagnie kreeg een eigen VOC-kamer. De compagnie kreeg het Nederlandse handelsmonopolie op het hele gebied tussen Kaap de Goede Hoop in Zuid-Afrika en de Straat Magellaan in Chili, maar richtte zich in de praktijk vooral op Zuid- en Zuidoost-Azië. De compagnie werd bestuurd door de Heren Zeventien, het aantal afgevaardigden uit de VOC-kamers Amsterdam, Middelburg, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn.
De kamers hadden ieder dezelfde faciliteiten voor inkoop, transport en verkoop van de handelswaren uit Azië, maar om te voorkomen dat Amsterdam als hét handelscentrum van de Republiek een absolute meerderheid in de compagnie en haar bestuur zou krijgen, werd van tevoren een verdeelsleutel voor alle activiteiten bepaald. De kamer Amsterdam vertegenwoordigde de helft, Middelburg een kwart en Rotterdam, Delft, Enkhuizen en Hoorn ieder een zestiende. Het plaatselijke bestuur delegeerde de compagnie aan de Raad van Indië, waar de gouverneur-generaal de hoogste bestuurder was en werd bijgestaan door raadsleden. Aanvankelijk vanuit hun zetel op het Molukse eiland Ternate en later in Batavia op Java, rapporteerde de Raad direct aan de Heren Zeventien. Doordat een briefwisseling tussen de Republiek en de Indonesische Archipel ongeveer anderhalf jaar duurde – negen maanden heen en negen maanden terug – waren de gouverneur-generaal en de raadsleden in hoge mate bevoegd zelf beslissingen te nemen binnen de beleidskaders die de Heren Zeventien stelden. Vanuit tientallen handelsposten, forten en factorijen, handelde de compagnie in Aziatische producten als peper, kruidnagel, nootmuskaat, kaneel, porselein en thee, maar ook in slaafgemaakte Afrikanen en Aziaten.
Anders dan de WIC in het Atlantische gebied, had de VOC geen specifiek vastgelegd Nederlands monopolie op slavenhandel in haar gebied. Toch was slavenhandel en het in slavernij houden van Afrikanen en Aziaten een niet weg te denken deel van het dagelijks leven op de factorijen en in de steden van de compagnie. Daarvoor maakten de Nederlanders gebruik van de bestaande netwerken van slavenhandel en systemen van slavernij in Azië. Zoals historici Alicia Schrikker en Nira Wickramasinghe betogen: ‘Onvrijheid – in verschillende vormen – was de norm in Zuid-Azië, een situatie die de Nederlanders zonder veel moeite naar hun hand zetten’.13 Onder de VOC werden in totaal tussen 600.000 en 1.135.000 slaafgemaakte mensen verhandeld.14 Tot het midden van de achttiende eeuw was slavernij en slavenhandel in Nederlandse gebieden in Azië zelfs omvangrijker dan in het Atlantische gebied. Naar schatting werden er in 1750
12
Citaat overgenomen uit: H. Bonke en K. Bossaers, Heren Investeren. De Westfriese bewindhebbers van de VOC, 25. 13 A. Schrikker en N. Wickramasinghe, ‘Slavernij, slavenhandel en de VOC in Zuid-Azië,’ in De Slavernij in Oost en West. Het Amsterdam onderzoek, 172. 14 M. van Rossum, Kleurrijke Tragiek, 26.
12
75.500 mensen in Azië en 64.000 mensen in Amerika door Nederlanders in slavernij gehouden.15 Slavenhandel was dan misschien geen hoofdactiviteit van de VOC, maar de compagnie verdiende er op directe en indirecte wijze wel veel geld aan. De VOC gebruikte slaafgemaakte mensen in de specerijenproductie en voor onder meer constructiewerkzaamheden, als sjouwers en handwerklieden, op scheepswerven of op een van de voedseltuinen van de compagnie. Veel slaafgemaakten in de Indonesische Archipel werden echter als huisslaaf in de huishoudens van het VOC-personeel en particuliere Europeanen en Aziaten gehouden of als werkslaaf de straat op gestuurd om geld te verdienen voor degene die zich hun eigenaar noemde. Op elke slaafgemaakte die particulieren binnen het VOC-gebied verhandelden, hief de compagnie een bedrag aan belasting. In 1720, bijvoorbeeld, was dat tien rijksdaalders, nu zo’n 250 euro.16 Na opheffing van de VOC in 1795 en de daaropvolgende nationalisering van haar bezittingen en bezettingen door de staat, zette het koloniale bestuur van Nederlands-Indië deze vormen van slavernij voort. In 1860 werd de slavernij in het voormalige Nederlands-Indië afgeschaft. Vanwege het decentrale bestuur van de voormalige kolonie, werd dit in de praktijk aanvankelijk alleen op Java en Madura gehandhaafd en duurde het nog tot 1914 voordat het gehele gebied geëmancipeerd was.
De eerste Nederlandse plantagekolonie bevond zich in de jaren twintig van de zeventiende eeuw op de Banda-eilanden. Dat betrof niet alleen de eerste onder de VOC, maar zelfs de eerste onder Nederlands gezag.17 De Nederlandse slavernij op de Banda-eilanden had alles te maken met de gewelddadige manier waarop de VOC monopolies op de handel in nootmuskaat en foelie afdwong. Deze monopolies waren onbespreekbaar voor de lokale Bandanese handelaren en ze verzetten zich daar hevig tegen. Bandanese handelaren hadden namelijk al eeuwenlang hun eigen handelsnetwerken en verkochten hun specerijen sinds de zestiende eeuw ook aan andere Europeanen in Azië. De nieuwkomers uit Nederland waren voor hen slechts een van de vele afnemers. Gefixeerd op de enorme bedragen die de specerijen opleverden, stuurden de Heren Zeventien meerdere vloten naar de Banda-eilanden om het alleenrecht op de handel in nootmuskaat en foelie af te dwingen. VOC-officieren werd met klem toegezegd dat geweld hierbij niet geschuwd hoefde te worden. Meerdere pogingen om een monopolie te forceren mislukten, en leidden tot gewelddadige conflicten tussen Nederlanders en Bandanezen. Jarenlange spanningen kwamen in 1621 tot een bloedig hoogtepunt.
De Hoornse Jan Pieterszoon Coen, die zijn carrière als gouverneur-generaal van de VOC begon in de kamer van Hoorn, en zijn raadsleden besloten op 24 april van dat jaar tot de totale ontvolking van Banda en de vernietiging van alle Bandanese gebouwen en schepen. Het resultaat was de moord op duizenden eilandbewoners. Van de circa 15.000 Bandanezen overleefden er 789 het bloedbad. Zij werden op orders van Coen tot slaaf gemaakt. Coen noteerde nauwkeurig dat het 287 mannen, 256 vrouwen en 246 kinderen betrof.18 De slaafgemaakte Bandanezen werden de ruimen van compagnieschepen in gedwongen om naar een nieuwe bestemming te worden verscheept: Batavia. Batavia was de hoofdzetel van de Nederlandse koloniale macht in Azië en bleef dat tot lang nadat de VOC was opgeheven. De stad werd twee jaar voor de genocide op de Banda-eilanden, in 1619, door Coen gesticht op de as van de door hem platgebrande Javaanse stad Jayakarta. Als eerbetoon aan zijn geboortestad had hij er zelf de naam Nieuw-Hoorn aan willen geven, maar daar
15
Ibidem, 1. R Baay, Daar werd wat gruwelijks verricht. Slavernij in Nederlands-Indië, 57. 17 M. van Pagee, Banda, 87. 18 Ibidem, 82. 16
13
stemden de Heren Zeventien niet mee in. Voor de bouw van Batavia dwong Coen Chinese handelaren die aanmeerden bij een van de Nederlandse handelsposten hun bemanningsleden achter te laten, om die vervolgens in Batavia tewerk te stellen. Later zond hij een vloot onder leiding van de Hoornse VOC-schipper Willem IJsbrantsz. Bontekoe naar China om af te dwingen dat zij niet meer met Spanjaarden en Portugezen zouden handelen. Voor het geval dat zij weigerden, gaf Coen toestemming om Chinezen te roven en in slavernij naar VOC-posten af te voeren. Diplomatie mislukte en de Chinese autoriteiten weigerden de Nederlandse eisen. Daarop roofden Bontekoe en zijn vloot honderden mannen, vrouwen en kinderen uit dorpen langs de Chinese zuidkust. Van hen kwamen slechts tientallen levend aan in Batavia.19 Om de Bandanese nootmuskaatperken onder beheer van VOC-personeel van werkkracht te voorzien, werden intussen slaafgemaakte mensen ingekocht op slavenmarkten op Indonesische eilanden, uit Coromandel op de zuidoostkust van India en van Europese slavenhandelaren. Overtuigd van de verdiensten van zijn handelswijze, rapporteerde Coen in november 1621 aan de Heren Zeventien: ‘In Banda ist Godt loff gedaen.
Daer resteert niet meer, dan dat aldaer een goet getal eerlijcke getroude [= trouwe] lieden gebracht worden, die waerdich zijn ende oock weten slaven en slavinnen te gouverneeren (…) ende de Compagnie sal daeraen seer grooten dienst geschieden.’20 Een halfjaar later adviseerde Coen, ter vermindering van personeelsuitgaven voor de compagnie, tot een Nederlandse volksplanting in de Indonesische Archipel. Hiervoor was ‘vooreerst niet anders van node dan een goede menage [= management], goeden regel in den handel ende een goet getal van allerley volck, mannen, vrouwen, jongers en dochters van Nederlandt, insonderheyt eenige weynige, soo ’t niet veel mach wesen, goede aensienlijcke huysgezinnen, ende een grote menichte slaven ende slavinnen, om Batavia ende Banda te peupeleren.’21 In de uitvoering van het beleid van de Heren Zeventien, waarin het Hoornse stadsbestuur via de bewindhebbers permanent vertegenwoordigd was, legde Coen op deze manier de basis van de Nederlandse koloniale macht en slavernij in Azië. De slaafgemaakte mensen die op Banda, in Batavia en verder onder het VOC-bewind tewerkgesteld werden, kwamen niet uitsluitend uit Azië. Veruit de meeste slaafgemaakten in het VOC-gebied kwamen niettemin uit het huidige Sri Lanka, India, Bangladesh, Myanmar, Kalimantan en Bali.
Maar de VOC verscheepte ook vele duizenden Afrikanen de Indische Oceaan over om voor de compagnie slavenarbeid te verrichten. In 1657 sloot de VOC hiertoe een overeenkomst met de WIC die de VOC tegen vergoeding toegang gaf tot de slavenmarkten in West-Afrika. De meeste slaafgemaakte Afrikanen in het VOC-gebied kwamen echter uit Oost-Afrika. Pieter van Dam, advocaat van de VOC, betoogde in 1701 dat er voor de goud- en zilvermijnen op Sumatra specifiek uit Madagaskar aangevoerde slavenarbeid nodig was. Dit omdat ‘de inlanders tot soo swaren arbeijt te luij, en d’ andere slaven off te swack, of te boos van aart waren, en als sij geen andere uijtkomst sagen, haar selven het leven benamen, en integendeel die van Madagascar van vrij saghter en geseggelijcker naturel.’22 Met andere woorden, Van Dam had het liefst slaafgemaakten die volgens hem niet te moeilijk deden. De meeste slaafgemaakte mensen in het VOC-gebied waren niet in het bezit van de compagnie, maar in particulier bezit van compagniepersoneel en inwoners van de VOC-steden. De Duitse VOC-dienaar Johann Christian Hoffman beschreef in zijn zeventiende-eeuwse reisverslag dat 19
M. van Pagee, Banda, 116. Citaat uit H.T. Colenbrander, Jan Pietersz. Coen, bescheiden omtrent zijn bedrijf in Indië (Den Haag: Martinus Nijhoff, 1919), 670. Digitaal raadpleegbaar: https://archive.org/details/janpieterszcoenb01coen/. 21 Ibidem, p. 790. 22 Pieter van Dam, Beschrijvinge van de Oostindische Compagnie 1639-1701 (1701), Deel 1.2 p. 653. Digitaal raadpleegbaar via Huygens Instituut: https://resources.huygens.knaw.nl/retroboeken/vandam/. 20
14
de Europese en Aziatische burgerij in Batavia in allerlei goederen handelden, maar de ‘voornaamste handelswaar bestaat uit lijfeigenen – slaven en slavinnen – die van Ambon, Ternaten, Makassar, Bali, Borneo, Bengalen, Madagaskar en andere landen daarheen worden gebracht en daar dagelijks gekocht en verkocht worden.’23 Gewone burgers en handwerklieden bezaten volgens Hoffman tussen zes en tien slaafgemaakte mannen en vrouwen, bestuurders uit de Raad van Indië en andere hoge functionarissen soms meer dan honderd. Het bezit van onvrije mensen die huishoudelijke en verzorgende taken moesten uitvoeren was een pijler van rijkdom en status, maar ook een bron van inkomsten. Slaafgemaakte mannen werden in Colombo op Ceylon, het huidige Sri Lanka, bijvoorbeeld op pad gestuurd om met fysiek werk zogenoemd koeliegeld te verdienen. Alles wat ze verdienden moesten ze weer afstaan aan degene die hen in slavernij hield. Veel compagniepersoneelsleden lieten de mensen die zij in slavernij hielden met zich mee reizen, soms ook op terugreis naar de Republiek.
Voordat zij vanuit Batavia vertrokken, legden ze bij de notaris vast aan wie ze in geval van overlijden hun ‘roerende of onroerende [goederen], slaven en slavinnen, actien en crediten’ zouden nalaten.24 Op de verplichte tussenstop in Kaap de Goede Hoop verkochten de meesten hun menselijk bezit aan lokale Europese en Afrikaanse slavenhandelaren. In de Kaapkolonie voerde de compagnie zelf ook slaafgemaakte Afrikanen aan uit Madagaskar, Mozambique en Angola voor het fysiek zware werk in de magazijnen, werkplaatsen en havenwerken van de VOC. In enkele uitzonderlijke gevallen kwam een slaafgemaakte Aziaat in de Republiek terecht. Dat was bijvoorbeeld het geval met de jonge Leander van Bengalen. In 1747 kwam de slaafgemaakte Bengaalse jongen in eigendom van luitenant ter zee in dienst van de VOC Reinier Jongemaats, een Hoornse regentenzoon die door het faillissement van zijn vader was gedwongen om te gaan varen.
Toen Reinier in Hoorn was teruggekeerd en hij tot schepen was benoemd, besloot hij in 1757 bij de notaris ‘de slave jonge Leander van Bengalen (…) te emanciperen en alsoo vrij en sijn eijgen meester te maken wegens sijn getrouwen en vigilante diensten’.25 Een ander uitzonderlijk geval is de aanwezigheid van twee in slavernij gehouden vrouwen die in 1776 op het Hoornse VOC-schip de Hindeloopen vanuit de Republiek naar Batavia voeren.26 Zoals Tabo voor slaafgemaakte Afrikanen in Hoorn bewees, betekende de aanwezigheid van Leander dat de inwoners van Hoorn ook slaafgemaakte Aziaten in levende lijve zagen.
Hoorn en de VOC In hetzelfde jaar van de oprichting van de VOC, 1602, vertrok de eerste compagnievloot naar ZuidAzië. Van de veertien schepen in die vloot kwamen er twee uit Hoorn: de Hoorn onder schipper Jan Cornelisz. Avenhorn en de Medemblik onder Krijn Pietersz. De Hoornse schepen hadden allerlei Europese goederen en honderdduizend gulden aan boord om te verhandelen voor Aziatische producten. Deze schepen werden voor de reis klaargemaakt door de Hoornse VOC-bewindhebbers Claas Jacobsz. Sijms, Willem Pietersz. Crap, Pieter Jansz. Schok, Cornelis Cornelisz. Veen, Pieter Jansz. Liorne en Vrerich Gerritsz. Schilder. Ieder van hen maakte deel uit van het stadsbestuur. De meesten 23
Hertaald citaat overgenomen uit: M. van Rossum, Kleurrijke tragiek, 21. Zie bijvoorbeeld NA, toegang 1.04.02, inventarisnummer 6892. Testament George Fredrik Kranke, d.d. 13-91763; NA, toegang 1.04.02, inventarisnummer 6854. Testament Michiel Schisenoshij, d.d. 3-10-1769; NA, toegang 1.04.02, inventarisnummer 6893. Testament Andries van Eijck, d.d. 30-10-1782. 25 Westfries Archief (WFA), toegang 1685, inventarisnummer 2474. Notariële akte no. 109, d.d. 21-9-1757. 26 NA, toegang 1.04.02, inventarisnummer 9182, scan 461. Consumptierekening van het schip Hindeloopen op gemaakt in Batavia, 31-8-1779. 24
15
als lid van de vroedschap, Schilder als regerend burgemeester. Vier jaar later keerde het eerste Hoornse schip terug uit Azië, ‘rijk beladen met specerijen en andere waren die tegen hoogen prijs verkocht werden.’27 Voor Hoorn was de VOC een belangrijke pijler van de stedelijke economie. Naast NoordHollandse kaas en zout uit Portugal en het Atlantisch gebied, was peper uit Azië het belangrijkste exportproduct van Hoorn. In de loop van de zeventiende eeuw besloeg de export van alleen Aziatische peper al zo’n kwart van de totale export. Peper en andere producten die de VOC aanvoerde, zoals nootmuskaat, kruidnagel, kaneel, gember en indigo, werden vanuit Hoorn voornamelijk doorgevoerd naar Frankrijk en Zuid-Europa. Naarmate Amsterdam meer en meer de intra-Europese handelsvaart op de Zuiderzee naar zich toe trok, vormden de koloniale handelscompagnieën de kurken waarop de Hoornse economie bleef drijven.28 Door deze koloniale handel steeg het gemiddelde vermogen van een Hoornse vroedschap in de achttiende eeuw tot zo’n tweehonderdduizend gulden.29 Van de koloniale en slavenhandel profiteerden niet alleen de investeerders in de compagnieën. Een Hoornse touwslager bijvoorbeeld, was door de continue vraag naar touw voor de bouw en uitrusting van compagnieschepen voor de rest van zijn leven zo goed als verzekerd van een inkomstenbron.
Ook andere toeleveringsbedrijven als blok- en pompmakerijen, houtzaagmolens en zeilmakerijen leverden een groot deel van hun producten en diensten aan de lokale scheepswerven. Enkele gewiekste Hoornse VOC-bewindhebbers waren dan ook tegelijkertijd eigenaar van zo’n toeleveringsbedrijf, zoals de Van Foreesten, die een lijnbaan bezaten voor aanlevering van touw en koeien aan de VOC verkochten.30 Meyndert Sonck en Lucas van Neck, beiden bewindhebber en stadsbestuurder, hadden tussen 1664 en 1670 zelfs het alleenrecht koeien en ossen aan de VOC te leveren.31 Verkiezing tot bewindhebber van de VOC verliep volgens dezelfde procedure als bij de WIC. De zittende bewindhebbers stelden een lijst op van drie kandidaten, waaruit de burgemeesters een keuze maakten. Ook hier was lidmaatschap van de vroedschap in theorie niet, maar in de praktijk wel noodzakelijk om bewindhebber te worden. Soms stond op voorhand al vast wie genomineerd zou worden, vooral als een regerend burgemeester bewindhebber wilde worden. Een bijzondere uitzondering hierop was Jan Pietersz. Coen. Als beloning voor zijn wapenfeiten werd hij bij terugkomst in de Republiek in 1623 tot Hoorns VOC-bewindhebber benoemd. Dat bleef hij tot hij in 1627 opnieuw als gouverneur-generaal naar Batavia vertrok. In een enkel geval kwam het ook voor dat dienst in de VOC juist voorafging aan een plek in het Hoornse stadsbestuur.
Hendrick Roelofsz. van Homoet – in het midden van de achttiende eeuw drie maal opperhoofd van Deshima in Japan voor de VOC – repatrieerde namelijk in 1755, vestigde zich in Hoorn en bemachtigde een plaats in de vroedschap.32 In de beginjaren van de compagnie waren de meeste Hoornse bewindhebbers kooplieden die naast – maar vooral ook vanwege – hun succesvolle ondernemingen deel uitmaakten van het
27
H. Kroon en F. Kapteijn, Nieuwe Kroniek van Hoorn, 95. M. Wever-Nierop, ‘Hoorn in de Gouden Eeuw,’ in Hoorn en de Zee, 123. 29 K. Zandvliet, De 500 Rijksten van de Republiek, 56. 30 Regionaal Archief Alkmaar (RAA), toegang 0685, inventarisnummer 145. Akte nalatenschap Nanning van Foreest en Jacoba de Vries; RAA, toegang 0685, inventarisnummer 157. Journaal inkomsten en uitgaven Cornelis van Foreest. 31 K. Zandvliet, De 500 Rijksten van de Republiek, 53. 32 Ibidem, 399. 28
16
stadsbestuur. Vanaf de tweede helft van de zeventiende eeuw trad hierin een verschuiving op, toen het bewindhebberschap steeds meer aan regenten toekwam. In plaats van functies in de handel en nijverheid, trokken zij vooral openbare bestuurlijke ambten naar zich toe, die zeer aantrekkelijk waren vanwege de financiële vergoeding. Vooral het VOC-bewindhebberschap was om deze reden zeer in trek. In de enkele gevallen waarin kandidaat-VOC-bewindhebbers al bewindhebber bij de WIC waren, legden zij bij verkiezing zonder uitzondering hun oude en minder prestigieuze functie neer. Andersom kwam dat niet voor.
Vertegenwoordiging stadsbestuur onder Hoornse VOC-bewindhebbers33 Aantal bewindhebbers 1602-1649 1650-1699 1700-1749 1750-1799
20 25 26 19
Waarvan vroedschap
18 25 25 18
90% 100% 96% 95%
Waarvan (oud-) burgemeester
17 23 25 18
85% 92% 96% 95%
Aanvankelijk in het oude Geertenklooster in de Nieuwstraat en vanaf 1676 op het OostIndisch Huis in de Muntstraat, verdeelden de Hoornse bewindhebbers de uit te voeren taken op de werf, voor de scheepsuitrusting en in het pakhuis. Elk van deze departementen werd geleid door twee bewindhebbers, die verantwoordelijk waren voor de inkoop van benodigde materialen en diensten. Door lucratieve overeenkomsten voor toelevering te sluiten, verdienden de bewindhebbers hiermee nog wat bij.34 Om de drie jaar schoven zij door naar een ander departement. Op de Hoornse VOC-werf werden tussen 1602 en 1794 in totaal 102 schepen gebouwd, zo’n 7 procent van alle schepen die de compagnie had laten bouwen. Bij elkaar vertrokken 297 scheepsreizen voor de VOC vanuit Hoorn.35 Anders dan bij de WIC, rustten de VOC-bewindhebbers in Hoorn hun schepen niet direct uit voor de slavenhandel. Dat betekent niet dat er geen slaafgemaakte mensen op Hoornse VOC-schepen werden verhandeld, veelal in ketens gebonden tussen een meer diverse en niet-menselijke scheepslading.
Zo vertrok het schip Lekkerlust, in 1755 voor en door de VOC-kamer te Hoorn gebouwd, in 1759 van Timor en arriveerde het op een van de Banda-eilanden met een lading textiel, ijzer, zegellak, rijst én 163 slaafgemaakte Aziaten.36 De 79 mannen, 64 vrouwen en 20 kinderen die tot slaaf waren gemaakt, werden op de Bandanese nootmuskaatperken tewerkgesteld. Ook het in 1693 gebouwde Hoornse schip Overrijp vervoerde slaafgemaakte mensen. Mogelijk ontleende dit schip zijn naam aan de Hoornse vroedschap en burgemeester Jacob van Foreest, die een jaar eerder aantrad als VOC-bewindhebber. Het is waarschijnlijk dat hem bij aantreden werd opgedragen een nieuw compagnieschip te laten bouwen. Naar goed gebruik gaf hij hier een eigen naam aan, in dit geval die van zijn buitenplaats Over-Rijp in de Beemster. Op een retourreis naar de Republiek in 1702 stopte de Overrijp onderweg op Ceylon, beladen met onder meer specerijen en tien slaafgemaakte Balinezen.37
33
H. Bonke en K. Bossaers, Heren Investeren, 93. Ibidem, 68. 35 Ibidem, 39-40. 36 Schip Lekkerlust in database VOC-schepen: https://www.vocsite.nl/schepen/10611/. Scheepslading uit database Boekhouder-Generaal te Batavia: https://bgb.resources.huygens.knaw.nl/voyage/8444. 37 Schip Overrijp in database VOC-schepen: https://www.vocsite.nl/schepen/11811/. Scheepslading uit database Boekhouder-Generaal te Batavia: https://bgb.resources.huygens.knaw.nl/voyage/8929. Informatie 34
17
Eenzelfde soort vernoeming kreeg ook het in 1753 gebouwde Hoornse schip Schagen. Dit schip is zeer waarschijnlijk vernoemd door en naar Joan Allard Schagen. In de voetsporen van zijn vader, de eerder genoemde WIC- en later ook VOC-bewindhebber en stadsbestuurder Gerard Schagen, bekleedde Joan naast het bewindhebberschap eveneens de functies van vroedschap, schepen en meervoudig burgemeester. In 1773 vertrok de Schagen vanuit Batavia naar Ceylon met een lading van bijna tweehonderdduizend gulden aan goud en zilver, etenswaren en achttien slaafgemaakte mannen.38 Ook het schip Hoolwerf, naar de Hoornse regentenfamilie Van Hoolwerf, vervoerde op een tweetal reizen slaafgemaakte mensen. In 1776 vanuit Batavia met twaalf slaafgemaakte mannen naar Ceylon, een jaar later op een bevoorradingsreis vanuit Malabar naar Ceylon met twee slaafgemaakten uit Batavia.39 Dat schepen die naar bepaalde familienamen van bewindhebbers vernoemd werden slaafgemaakten vervoerden, impliceert uiteraard niet dat die families daar persoonlijk bij betrokken waren. Ongetwijfeld wisten zij echter wel van de omvangrijke slavernij onder Nederlandse vlag in Azië. Niet alleen door hun regelmatige contacten met andere bewindhebbers, scheepslui en handelaren, maar vooral omdat een van hen als lid van de Heren Zeventien meebesliste over het compagniebeleid.