Bijlage 1. Nota investeren en afschrijven 2025
Tekst van het document
Nota investeren en afschrijven Uitgangspunten en richtlijnen Planning & Control Werkversie: 8 april 2025
Zaaknummer: 2166728
Samenvatting Deze nota laat zich samenvatten door de volgende uitgangspunten en richtlijnen (spelregels). Spelregel 1 Activeringsgrens investeringen Uitgaven < € 30.000 worden niet als investering aangemerkt / niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. Als gelijksoortige activa binnen een boekjaar wordt aangeschaft en gezamenlijk de € 30.000 overschrijdt, wordt deze investering geactiveerd. Spelregel 2 Kosten van afsluiten van geldleningen De kosten voor het afsluiten van geldleningen worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. Spelregel 3 Kosten van onderzoek en ontwikkeling De kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor investeringskredieten worden geactiveerd als er een investering uit volgt (en als wordt voldaan aan BBV voorwaarden). Spelregel 4 Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd (als wordt voldaan aan BBV voorwaarden). Spelregel 5 Activeren vanuit eigenaarssituatie Materiele vaste activa waarvan de gemeente in ieder geval economisch eigenaar is (uitsluitend economisch of economisch en juridisch), staan op de balans van de gemeente. Spelregel 6 Software Software en licenties op software worden als materiële vaste activa met economisch nut geactiveerd.
Software in de vorm van online diensten worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. Spelregel 7 Sloopkosten Sloopkosten die dienstbaar zijn aan de grondexploitatie of de investering worden geactiveerd. Spelregel 8 Directe en indirecte kosten Directe kosten zijn uren van de technische discipline en projectleiding. Deze worden geactiveerd (zijn activeerbaar) als zij tot de vervaardiging van de investering leiden. Door activering van deze uren tegen een tarief met een opslag voor overhead vindt dan tegelijkertijd activering van een deel van de indirecte kosten / overhead plaats. Spelregel 9 Bruto en netto activeren Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief (subsidies) moeten op de investering in mindering worden gebracht. Reserves mogen niet op de investering in mindering worden gebracht. Bijdragen uit -voor in de heffing begrepen- gespaarde bijdragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen (voorzieningen) moeten in mindering worden gebracht op de investering. Spelregel 10 Duurzame waardevermindering Als er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vastgoed, dat verkocht gaat worden, wordt hiervoor een verliesvoorziening gevormd.
Spelregel 11 Verkoop of buitengebruikstelling Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde. Spelregel 12 Stelselmatigheid Extra afschrijven is niet toegestaan. Soortgelijke activa worden per subcategorie op dezelfde wijze gewaardeerd en afgeschreven. Stelsel- en schattingswijzigingen ontstaan door wijzigingen in de financiële kaders en leiden niet tot herberekeningen. Spelregel 13 Afschrijvingsbedrag Bij het vaststellen van het afschrijvingsbedrag wordt geen rekening gehouden met restwaarde tenzij restwaarde kan worden aangetoond met een materialenpaspoort. Restant boekwaarden van activa lager dan € 5.000 worden direct afgeboekt ten laste van de exploitatie. Grond wordt wel geactiveerd maar er wordt niet op afgeschreven. Spelregel 14 Start van afschrijven De afschrijvingsperiode start vanaf het boekjaar volgend op het jaar van ingebruikname.
Nota investeren en afschrijven |
2/32
Spelregel 15 Afschrijvingstermijnen Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel. Afwijking van de afschrijvingstermijn is een raadsbevoegdheid en vereist een raadsbesluit. Spelregel 16 Componentenbenadering De componentenbenadering kan bij nieuwbouw worden toegepast als de afzonderlijke componenten een waarde hebben van minimaal € 30.000. Voor de looptijd van de afzonderlijke afschrijvingstermijnen is de afschrijvingstabel het uitgangspunt. Spelregel 17 Afschrijvingsmethode De lineaire afschrijvingsmethode wordt principieel als uitgangspunt genomen. De annuïtaire methode kan worden toegepast als tarieven van belang zijn. Deze keuze wordt als beslispunt in het raadsbesluit gemotiveerd. Spelregel 18 Klein en groot onderhoud Kosten van onderhoud worden niet geactiveerd. Kosten van klein onderhoud worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. Kosten van groot onderhoud kunnen ten laste van de exploitatie maar moeten, bij aanwezigheid van een actueel beheerplan, ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht. Spelregel 19 Achterstallig onderhoud Achterstallig onderhoud dat leidt tot een lager kwaliteitsniveau dan door de raad is vastgesteld, verdient bijstelling in kwaliteitsniveau of in budget.
Achterstallig onderhoud waarmee onveilige situaties worden gecreëerd en waarbij sprake is van kapitaalvernietiging vereist herstel of vervanging. Voor de uitvoering van herstel wordt een voorziening gevormd. Spelregel 20 Aanvragen van investeringen Iedere investeringsaanvraag wordt bij aanvraag onderbouwd. Bij grote investeringen vanaf € 1 miljoen wordt een liquiditeitsprognose opgesteld. In een raadsvoorstel wordt het bruto bedrag van de investering inclusief niet verrekenbare BTW als beslispunt opgenomen. Bij investeringen met politieke gevoeligheid wordt eerst een separaat voorbereidingskrediet gevraagd. Spelregel 21 Autoriseren van investeringen Nieuwe investeringen worden gedurende het jaar tijdens raadsvergaderingen geagendeerd. Alle investeringen worden aangemeld via de kadernota. Vaststelling van vervangingsinvesteringen vindt plaats bij de kadernota. Vaststelling van de voorgenomen investeringen vindt plaats bij de begrotingsbehandeling. De door de raad toegekende investeringskredieten worden niet geïndexeerd. Spelregel 22 Uitvoeren van investeringen Bij de jaarrekening wordt de raad geïnformeerd over de voortgang van de investeringskredieten. Van een verleend investeringskrediet wordt jaarlijks, bij de jaarrekening, gemotiveerd om het restant van de jaarschijf naar het volgende jaar over te hevelen.
Binnen zes maanden na afronding van een project stelt het college het door de budgethouder ondertekende projectverslag vast. Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden worden afgesloten. Bij een verwachte kredietoverschrijding > € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt een aanvullend krediet gevraagd via een separaat raadsvoorstel. Een verwachte kredietoverschrijding < € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt verwerkt in een periodieke verzamellijst of P&C document. Schuiven tussen investeringskredieten is uitsluitend mogelijk tussen investeringen die tot hetzelfde beleidsveld behoren mits de voorgenomen investeringen gerealiseerd gaan worden.
Nota investeren en afschrijven |
3/32
Inhoudsopgave 1 1.1 1.2 1.3
Inleiding........................................................................................................................................5 Doel ...............................................................................................................................................5 Bestuurlijke samenvatting .............................................................................................................6 Leeswijzer .....................................................................................................................................6
2 2.1 2.2 2.3
Investeren en activeren ..............................................................................................................7 Immateriële vaste activa................................................................................................................7 Materiële vaste activa....................................................................................................................8 Financiële vaste activa ..................................................................................................................9
3 3.1 3.2 3.3
Waarderen ..................................................................................................................................10 Directe en indirecte kosten ..........................................................................................................10 Bruto en netto activeren ..............................................................................................................10 Waardeverandering .....................................................................................................................11
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6
Afschrijven .................................................................................................................................12 Stelselmatigheid ..........................................................................................................................12 Afschrijvingsbedrag .....................................................................................................................12 Start van afschrijven ....................................................................................................................13 Afschrijvingstermijnen .................................................................................................................13 Componentenbenadering ............................................................................................................13 Afschrijvingsmethode ..................................................................................................................14
5 5.1 5.2 5.3
Onderhoud .................................................................................................................................15 Klein en groot onderhoud ............................................................................................................15 Onderhoud en investeren ............................................................................................................15 Achterstallig onderhoud...............................................................................................................16
6 6.1 6.2 6.3 6.4
Werkwijze investeringsvoorstellen..........................................................................................17 Spelregels investeringen 2025 ....................................................................................................17 Aanvragen van investeringen ......................................................................................................17 Autoriseren van investeringen .....................................................................................................18 Uitvoeren van investeringen ........................................................................................................19
Bijlage 1 Wettelijk en lokaal kader .........................................................................................................21 1.1 Gemeentewet .............................................................................................................................21 1.2 Financiële verordening gemeente Hoorn................................................................................21 1.3 Artikelen BBV ..............................................................................................................................22 1.4 Stellige uitspraken Commissie BBV ............................................................................................25 1.5 Geraadpleegde bronnen .............................................................................................................25 Bijlage 2 Definities ...................................................................................................................................26 Bijlage 3 Tabel afschrijvingstermijnen ..................................................................................................28
Nota investeren en afschrijven |
4/32
1
Inleiding
De nota Investeren en afschrijven is een geactualiseerde versie van de nota Investerings- en afschrijvingsbeleid 2017. Belangrijke reden om de nota te wijzigen is omdat de wetgeving is aangescherpt. Het is niet langer mogelijk om bandbreedtes te hanteren bij het afschrijven van soortgelijke investeringen. De afschrijvingstabel (bijlage 3) is hierop aangepast. De financiële effecten worden meegenomen voor het boekjaar 2025 bij de najaarsbijstelling 2025 en voor 2026 en verder bij de kadenota 2026.
1.1 Doel Investeringen zijn van bestuurlijk belang vanwege: a) de omvangrijke bedragen waar het meestal om gaat, b) de lange termijn gevolgen voor de begroting, c) de invloed van het voorzieningenniveau van de gemeente en d) de gevolgen van het niveau van de heffingen. Het doen van investeringen raakt het budgetrecht van de raad en vraagt dan ook om uitgangspunten en richtlijnen. 1.1.1 Het wettelijk kader Een groot deel van het gemeentelijk investeringsbeleid is vastgelegd in externe wet- en regelgeving. Dit bestaat uit de Gemeentewet, het sinds 2003 van kracht zijnde Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) en een in 2019, door de commissie BBV, opgeleverde notitie Materiële vaste activa. De commissie BBV geeft duiding aan de wetteksten door middel van stellige uitspraken en aanbevelingen. Een stellige uitspraak is een interpretatie van de regelgeving die leidend is. Dit betekent dat verwacht wordt dat stellige uitspraken worden gevolgd. Indien een gemeente toch een afwijkende interpretatie kiest, dan moet dit expliciet worden kenbaar gemaakt en worden gemotiveerd bij de begroting en jaarstukken (het ‘pas toe of leg uit’ principe). Bij aanbevelingen gaat het om uitspraken die steun en richting geven aan de praktijk.
De commissie spoort gemeenten aan om deze aanbevelingen te volgen omdat dat naar haar oordeel bijdraagt aan het inzicht in de financiële positie. Met deze nota voldoet de gemeente aan de door de commissie BBV geformuleerde aanbeveling om de wijze waarop met investeringen en afschrijvingen wordt omgegaan vast te leggen in een nota. 1.1.2 Het gemeentelijk kader Naast dit wettelijk kader laat het BBV beleidsvrijheid aan gemeenten over door het zelf vaststellen van investeringseisen, eigen afschrijvingsmethodieken en eigen afschrijvingstermijnen. In artikel 15 van de financiële verordening van de gemeente Hoorn 2023 is opgenomen dat de kaders voor de waardering en afschrijving van vaste activa worden vastgelegd in een nota Investerings- en afschrijvingsbeleid. Met het vaststellen van deze nota brengt de raad sturing aan door het vastleggen van uniforme regels voor investeren, activeren, waarderen, afschrijven en onderhouden. Een eenduidig activabeleid draagt bij aan het inzicht in de financiële positie van de gemeente. 1.1.3 Inwerkingtreding Na vaststelling van de nota “investeren en afschrijven” treedt het beleid met terugwerkende kracht per 1 januari 2025 in werking. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze nota wordt de nota “investeringsen afschrijvingsbeleid 2017” ingetrokken.
1.1.4 Hardheidsclausule Indien het voornemen bestaat om af te wijken van de in deze nota vermelde richtlijnen wordt dit in het betreffende raadsvoorstel gemotiveerd toegelicht. Hierbij dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheden die het BBV en overige relevante wet- en regelgeving bieden.
Nota investeren en afschrijven |
5/32
1.2 Bestuurlijke samenvatting In deze paragraaf wordt een samenvatting gegeven van gewijzigde spelregels die in deze nota zijn opgenomen, aangescherpt en / of zijn bijgesteld ten opzichte van de vorige nota uit 2017. In de nota uit 2017 lag de nadruk op de gemeentelijke spelregels. Relevante BBV artikelen waren als bijlage bijgevoegd. In deze nota zijn ook de wettelijke bepalingen en stellige uitspraken als spelregels verwerkt waardoor het een vollediger karakter pretendeert. Tabel 1. Overzicht van wijzigingen Was (2017)
Wordt (2025)
Toelichting
Activeringsgrens € 15.000
Activeringsgrens € 30.000
Grens aanpassen aan gewijzigde omvang begrotingstotaal baten.
Geen restwaarde
Restwaarde op basis van
Als circulariteit kan worden
materialenpaspoort
aangetoond mag restwaarde worden toegepast.
Restant boekwaarde tot € 3.000
Restant boekwaarde tot € 5.000 Uit efficiency oogpunt.
afboeken
afboeken
Geen componentenbenadering
Mogelijkheid
Bij nieuwbouw zonder
componentenbenadering
voorziening groot onderhoud.
Gemotiveerde uitgebreide
Als aanvulling op de door
aanvraag investering
projectmanager op te leveren projectopdracht.
De oplevering van een
Hiermee wordt duidelijk
investering wordt gemarkeerd met een projectverslag.
wanneer de vervaardiging eindigt en de afschrijvingen
Beperkte aanvraag investering
beginnen.
Alleen de gewijzigde activeringsgrens is een stelselwijziging. Uit oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten is het van belang deze grens niet te laag vast te stellen. Een ondergrens van 0,01% van het begrotingstotaal van de batenkant bevat voldoende materialiteit. Deze grens komt neer op € 30.000 in plaats van de huidige grens van € 15.000. Omdat veel inkopen zoals parkeerautomaten, afvalcontainers en voertuigen gebundeld worden geactiveerd leidt aanpassing van de activeringsgrens niet tot meer of minder activeringen en daarmee tot andere kapitaallasten. De tabel Afschrijvingstermijnen is gewijzigd. Er heeft een controleslag plaatsgevonden op bestaande en nieuwe activa. De indeling was thematisch en is nu functioneel naar de BBV categorieën. Belangrijkste wijziging is dat bij afschrijvingstermijnen geen bandbreedte meer mag worden toegepast in de afschrijftabel. De BBV eist een bestendige lijn bij toepassing van afschrijftermijnen. Een brug mag niet de ene keer met 30 jaar worden afgeschreven en een andere keer met 40 jaar, wel mag je onderscheid maken naar type brug: hout, beton, etc. Het elimineren van bandbreedte in de afschrijftabel heeft als gevolg dat de resterende afschrijftermijnen herrekend zijn. Waar het nodig wordt geacht kan er nog steeds gemotiveerd afgeweken worden van deze afschrijvingstermijnen.
Mocht een korte afschrijvingstermijn wenselijk zijn dan volstaat een collegebesluit, een langere gewenste afschrijvingstermijn vereist een raadsbesluit. Gewijzigde afschrijvingstermijnen zijn schattingswijzigingen.
1.3 Leeswijzer In de hierna volgende hoofdstukken worden BBV artikelen, de stellige uitspraken en de gemeentelijke richtlijnen eerst weergegeven in verhaalvorm per thema. Uitgangspunten en richtlijnen die hieruit voortvloeien worden als spelregels weergegeven in omkaderde tekstvakken. Het geheel van de spelregels vormt tevens de samenvatting van deze nota. In de bijlagen wordt het wettelijk kader, definities en de tabel Afschrijvingstermijnen apart weergegeven.
Nota investeren en afschrijven |
6/32
2
Investeren en activeren De gemeenteraad stelt kredieten ter beschikking voor het doen van investeringen. Van een investering is sprake als het gaat om een uitgave boven een bepaalde omvang en waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Na aanschaf (bij verkrijging) of oplevering (bij vervaardiging) wordt de waarde van de investering op de balans geplaatst onder de post vaste activa (activeren). De meerjarige bezitting vormt daarmee een onderdeel van het eigen vermogen van de gemeente. Voor het activeren van investeringen wordt een ondergrens gehanteerd van 0,01% van de batenkant van de begroting hetgeen neerkomt op € 30.000. Spelregel 1 Activeringsgrens investeringen Uitgaven < € 30.000 worden niet als investering aangemerkt / niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. Als gelijksoortige activa binnen een boekjaar wordt aangeschaft en gezamenlijk de € 30.000 overschrijdt, wordt deze investering geactiveerd. Op de balans zijn vaste activa (artikel 33 BBV) onder te verdelen in: a) immateriële vaste activa, b) materiele vaste activa en c) financiële vaste activa.
2.1 Immateriële vaste activa Immateriële vaste activa zijn investeringsuitgaven waar geen stoffelijke gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Dit kunnen zijn (artikel 34 BBV): kosten die verbonden zijn aan het afsluiten van geldleningen, kosten van onderzoek en ontwikkeling naar een bepaald actief en bijdragen aan activa in eigendom van derden. 2.1.1 Kosten afsluiten geldleningen De kosten voor het afsluiten van geldleningen mogen wettelijk gezien worden geactiveerd. In Hoorn geldt de werkwijze dat deze kosten niet worden geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie worden gebracht. Spelregel 2 Kosten van afsluiten van geldleningen De kosten voor het afsluiten van geldleningen worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht. 2.1.2 Kosten van onderzoek en ontwikkeling De kosten van onderzoek en ontwikkeling kunnen onder voorwaarden worden geactiveerd (artikel 60 BBV) als: a) het voornemen bestaat het actief te gebruiken of te verkopen; b) de technische uitvoerbaarheid om het actief te voltooien vaststaat; c) het actief in de toekomst economisch of maatschappelijk nut zal genereren en d) de uitgaven die aan het actief zijn toe te rekenen betrouwbaar kunnen worden vastgesteld. Als wordt voldaan aan deze voorwaarden kunnen deze kosten worden geactiveerd en worden afgeschreven over een periode van maximaal vijf jaar. N.B.
Voor de kosten van onderzoek en ontwikkeling voor faciliterend grondbeleid gelden specifieke regels die zijn opgenomen in de nota Grondbeleid. Spelregel 3 Kosten van onderzoek en ontwikkeling De kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor investeringskredieten worden geactiveerd als er een investering uit volgt (en als wordt voldaan aan BBV voorwaarden). 2.1.3 Bijdragen aan activa in eigendom van derden De bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen onder cumulatieve voorwaarden worden geactiveerd (artikel 61 BBV) als: a) er sprake is van een investering door een derde, b) de investering bijdraagt aan de publieke taak, c) de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren op een Nota investeren en afschrijven |
7/32
wijze zoals is overeengekomen en d) de bijdragen kan worden teruggevorderd als de derde in gebreke blijft of de gemeente anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investeringen. Omdat het gaat om bezittingen van derden, die geen gemeentelijk eigendom zijn, worden deze bijdragen in beginsel niet geactiveerd. Spelregel 4 Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd (als wordt voldaan aan BBV voorwaarden).
2.2 Materiële vaste activa Materiële vaste activa zijn investeringsuitgaven waar stoffelijke gemeentelijke bezittingen tegenover staan. Deze zijn onder te verdelen in (artikel 35 BBV): a) investeringen met een economisch nut, b) investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven en c) investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijke nut. Investeringen hebben een economisch nut als deze verhandelbaar zijn (er is een markt voor) en / of kunnen bijdragen aan het genereren van middelen (rechten, heffingen, leges of tarieven). Investeringen met maatschappelijk nut zijn investeringen in de openbare ruimte die geen economische functie hebben maar wel duidelijk een maatschappelijke functie vervullen zoals bijvoorbeeld wegen, bruggen, water en groenvoorzieningen. Een materieel vast actief kent een juridisch en / of economisch eigenaar. Bij juridisch eigendom staat het actief op naam van de gemeente. Bij economisch eigendom loopt de gemeente het risico op waardeverandering en is de gemeente drager van kosten en ontvanger van baten. In dat geval wordt het eigendom geactiveerd. Spelregel 5 Activeren vanuit eigenaarssituatie Materiële vaste activa waarvan de gemeente in ieder geval economisch eigenaar is (uitsluitend economisch of economisch en juridisch), staan op de balans van de gemeente.
2.2.1 Financiële lease en operationele lease Bij financiële lease is sprake van economisch eigendom, dan wordt er dus geactiveerd. Bij operationele lease is er geen economisch eigendom, dus er wordt niet geactiveerd. 2.2.2 Software De commissie BBV doet stellige uitspraken over software. Software wordt als materiële vaste activa met economisch nut geactiveerd. Dit geldt ook voor licenties op software voor onbepaalde duur waarvan de kosten eenmalig in rekening worden gebracht. Dit geldt niet voor software die als een online dienst wordt aangeboden. De aanbieder heeft deze activa zowel juridisch als economisch in eigendom dus er wordt dan niet geactiveerd. Spelregel 6 Software Software en licenties op software worden als materiële vaste activa met economisch nut geactiveerd. Software in de vorm van online diensten worden niet geactiveerd maar direct ten laste van de exploitatie gebracht.
Nota investeren en afschrijven |
8/32
2.2.3 Sloopkosten Een gebouw kan op een bepaald moment in aanmerking komen voor sloop, renovatie of verbouwing. De kosten van sloop van een gebouw kunnen als eenmalige kosten ten laste van de exploitatie worden gebracht of mogen worden geactiveerd als onderdeel van het nieuwe actief. Als sloopkosten dienstbaar zijn aan de grondexploitatie of de investering (op dezelfde locatie) kunnen deze worden gerekend tot de vervaardigingskosten van de bouwgrond. Spelregel 7 Sloopkosten Sloopkosten die dienstbaar zijn aan de grondexploitatie of de investering worden geactiveerd.
2.2.4 Niet te activeren kosten De notitie Materiele vaste activa geeft een opsomming van praktijkvoorbeelden van kosten die niet geactiveerd mogen worden. Tabel 2 is hiervan een schematische weergave. Tabel 2. Overzicht van niet te activeren kosten Kostenpost Argument Frictiekosten in een fusieproces Dit zijn incidentele extra uitgaven die zonder herindeling niet gemaakt zouden zijn. Periodiek baggeren van watergangen
Dit valt onder groot onderhoud volgens een vooraf vastgesteld kwaliteitsniveau.
Bodemsaneringskosten
Deze kosten moeten behandeld worden als een verlies.
Activeren van tekorten
Het activeren van tekorten is niet toegestaan .
Achterstallig onderhoud
Voor de uitvoering van herstel wordt een voorziening gevormd.
Opstellen van een bestemmingsplan
Een bestemmingsplan is geen investeringsgoed tenzij dit wordt opgesteld voor een specifiek ruimtelijk project.
2.3 Financiële vaste activa Financiële vaste activa vertegenwoordigen een financiële waarde zoals kapitaalverstrekkingen, leningen en uitzettingen. Volgens artikel 36 BBV wordt afzonderlijk opgenomen: a. kapitaalverstrekkingen aan: 1.deelnemingen; 2.gemeenschappelijke regelingen; 3.overige verbonden partijen. b. leningen aan: 1. openbare lichamen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van wet financiering decentrale overheden; 2. woningbouwcorporaties; 3. deelnemingen; 4. overige verbonden partijen. c. overige langlopende leningen; d. uitzettingen in ’s Rijks schatkist met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; e. uitzettingen in de vorm van Nederlands schuldpapier met een rentetypische looptijd van één jaar of langer; f. overige uitzettingen met een rentetypische looptijd van één jaar of langer.
Nota investeren en afschrijven |
9/32
3
Waarderen
Waarderen betekent het toekennen van een administratieve waarde aan een bezit of kapitaalgoed. Omdat het gaat om het waarderen van balansposten beïnvloedt die waardering direct de vermogenspositie van de gemeente. Deze waardering geschiedt tegen verkrijgings- of vervaardigingsprijs (BBV artikel 63 lid 1). Bij aanschaf van een actief is dit de inkoopprijs exclusief verrekenbare of compensabele BTW en de bijkomende kosten. Bij vervaardiging van een actief omvat dit de aanschafkosten van gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtsreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Tevens kan een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente tijdens de bouw aan de vervaardiging van het actief worden toegerekend.
3.1 Directe en indirecte kosten Salariskosten die direct aan een actief zijn toe te rekenen moeten worden geactiveerd. Om te bepalen om welke kosten het gaat kan de parallel worden getrokken met kosten die direct zijn toe te rekenen aan taakvelden. Voor investeringen gaat het dan om uren uit de technische discipline en de uren van projectleiding. Deze uren worden immers specifiek voor de desbetreffende investering gemaakt. De indirecte kosten (overhead) kunnen worden geactiveerd. Onder overhead wordt verstaan kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces (beleid). Dit zijn: a) loonkosten van stafmedewerkers, b) ICT lasten, c) huisvestingslasten en d) uitbestede lasten in het kader van bedrijfsvoering. Overhead wordt centraal begroot en verantwoord op het overzicht Overhead in begroting en jaarrekening. Een deel van de overhead mag dus worden toegerekend aan grondexploitaties en investeringen. Dit gebeurt door een opslag in het uurtarief voor overhead. Als overhead wordt doorbelast aan grondexploitaties en investeringen wordt dit bedrag gecorrigeerd en toegelicht op het overzicht Overhead. Spelregel 8 Directe en indirecte kosten Directe kosten zijn uren van de technische discipline en projectleiding. Deze moeten worden geactiveerd als zij tot de vervaardiging van de investering leiden.
Door activering van deze uren tegen een tarief met een opslag voor overhead vindt dan tegelijkertijd activering van een deel van de indirecte kosten / overhead plaats.
3.2 Bruto en netto activeren Alle vaste activa worden voor het bedrag ter grootte van de investering geactiveerd (bruto methode). Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief (subsidies van Europese Unie, Rijk en Provincie) moeten op de investering in mindering worden gebracht (netto methode). Een reserve mag niet direct in mindering worden gebracht op een investering. Het is wel toegestaan dat een reserve dekking kapitaallasten (activa reserve) wordt gevormd en wordt ingezet ter dekking van de uit de investering voortvloeiende kapitaallasten (rente en afschrijving). De reserve valt dan jaarlijks, gedurende de afschrijvingstermijn, vrij. Indien in de riool- of afvalstoffenheffing bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen zijn opgenomen dan worden deze middelen, op grond van artikel 44, lid 1d BBV, in een voorziening verantwoord. Op het moment dat de vervangingsinvestering plaatsvindt, wordt de voorziening op de investering in mindering gebracht. Investeringen van nieuw aan te leggen riolering kunnen ten laste van de grondexploitatie worden gebracht en via de grondprijs bij verkoop worden vergoed.
Nota investeren en afschrijven |
10/32
Spelregel 9 Bruto en netto activeren Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief (subsidies) moeten op de investering in mindering worden gebracht. Reserves mogen niet op de investering in mindering worden gebracht. Bijdragen uit -voor in de heffing begrepen- gespaarde bijdragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen (voorzieningen) moeten in mindering worden gebracht op de investering.
3.3 Waardeverandering De boekwaarde is het bedrag waarvoor een actief op de balans staat. Dit is de geactiveerde investering minus de reeds gedane afschrijvingen. De boekwaarde is niet altijd gelijk aan de marktwaarde. De marktwaarde is echter wel bepalend voor de maximaal toegestane boekwaarde. Als de marktwaarde lager is dan de boekwaarde dient in bepaalde gevallen van de boekwaarde extra afgeschreven te worden tot het bedrag van de lagere marktwaarde. 3.3.1 Waardevermindering van vastgoed Vastgoed wordt onderscheiden in vastgoed met een maatschappelijke functie en met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. Alleen als er bewust winst of waardestijging met het vastgoed wordt gerealiseerd, is sprake van een bedrijfseconomische functie. Een duurzame (= langjarige) waardevermindering kan zich voordoen bij gebouwen met een maatschappelijke functie die verkocht gaan worden of waarvan de functie wijzigt naar bedrijfseconomisch en bij gebouwen met een bedrijfseconomische functie. Wordt een duurzame waardevermindering vermoed, dan wordt de directe opbrengstwaarde bepaald door middel van een taxatie. Als hieruit een waardevermindering blijkt, wordt deze verwerkt via een tijdelijke voorziening. Hierdoor blijft waardeherstel in de toekomst mogelijk.
Spelregel 10 Duurzame waardevermindering Als er sprake is van een duurzame waardevermindering bij vastgoed, dat verkocht gaat worden, wordt hiervoor een verliesvoorziening gevormd.
3.3.2 Verkoop of buitengebruikstelling Indien een actief buiten gebruik wordt gesteld en / of wordt afgestoten, dan moet afwaardering plaatsvinden onder de voorwaarde dat de restwaarde naar verwachting lager is dan de boekwaarde. Wanneer een actief daadwerkelijk wordt bestemd voor verkoop, dan moet een overboeking plaatsvinden naar de voorraden. Indien het actief is verkocht, dan wordt het saldo dat onder de voorraden was opgenomen afgeboekt en verantwoord als last in de jaarrekening. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als een incidentele baat verantwoord in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden beide afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. Ook mag de verkoopopbrengst niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject. Spelregel 11 Verkoop of buitengebruikstelling Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde.
Nota investeren en afschrijven |
11/32
4
Afschrijven
Investeringen verliezen naarmate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering wordt afschrijven genoemd: het boekhoudkundig tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief. De wijze waarop de gemeente afschrijft heeft invloed op de exploitatie en de vermogenspositie.
4.1 Stelselmatigheid Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Het stelselmatigheidsvereiste stelt dat grondslagen consistent (dus elk jaar op dezelfde manier) worden toegepast. Soortgelijke activa worden op dezelfde wijze gewaardeerd en afgeschreven. Een eenmaal vastgestelde afschrijvingstermijn en afschrijvingsmethode blijft gedurende de levensduur van toepassing. Een stelselwijziging is een wijziging in de waarderingsgrondslag bijvoorbeeld het moment van start afschrijven. Een schattingswijziging is een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur. Deze wijzigingen kunnen zich voordoen als de financiële verordening of kaderstellende nota’s (de afschrijvingstabel) wijzigen. Bij beide wijzigingen worden bestaande boekwaarden niet herrekend, maar er wordt wel over de langere, dan wel kortere dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging kunnen uiterlijk tot 31 december van het desbetreffende begrotingsjaar door de raad worden genomen. Spelregel 12 Stelselmatigheid Extra afschrijven is niet toegestaan. Soortgelijke activa worden per subcategorie op dezelfde wijze gewaardeerd en afgeschreven. Stelsel- en schattingswijzigingen ontstaan door wijzigingen in de financiële kaders en leiden niet tot herberekeningen van de boekwaarde.
De toekomstige kapitaallasten worden wel herekend.
4.2 Afschrijvingsbedrag Afgeschreven wordt over het bedrag dat aan waarde aan de investering kan worden toegekend. Dit is het afschrijvingsbedrag hetgeen te berekenen is door de aanschafwaarde te verminderen met restwaarde. De restwaarde is de schatting van de opbrengst die na de gebruiksduur van het actief nog gerealiseerd kan worden. Bij deze schatting is rekening gehouden met eventuele te maken kosten voor verwijdering of (een deel van) vernietiging van het actief. In beginsel wordt geen rekening gehouden met restwaarde. Restwaarden liggen ver in de toekomst en zijn onderhevig aan onzekere factoren vanuit de markt. Momenteel is er veel aandacht voor het verschijnsel dat producten van nu grondstoffen kunnen zijn voor later. Als deze circulariteit kan worden aangetoond met behulp van een materialenpaspoort mag een restwaarde worden toegepast. De restwaarde is dan de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de waarde van de grondstoffen en onderdelen die op einde levensduur van het object voor hergebruik in aanmerking komen. Restant boekwaarden van activa lager dan € 5.000 worden, uit efficiencyoogpunt, direct afgeboekt ten laste van de exploitatie. Het actief grond heeft een eeuwige gebruiksduur daarom wordt er niet op afgeschreven.
Spelregel 13 Afschrijvingsbedrag Bij het vaststellen van het afschrijvingsbedrag wordt geen rekening gehouden met restwaarde tenzij restwaarde kan worden aangetoond met een materialenpaspoort. Restant boekwaarden van activa lager dan € 5.000 worden direct afgeboekt ten laste van de exploitatie. Grond wordt wel geactiveerd maar er wordt niet op afgeschreven. Nota investeren en afschrijven |
12/32
4.3 Start van afschrijven Voor het moment van beginnen met afschrijven is er binnen de regels van het BBV een vrije keuze voor één werkwijze. Voor alle kapitaalgoederen geldt de start van afschrijven vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed in gebruik genomen wordt (t + 1). Spelregel 14 Start van afschrijven De afschrijvingsperiode start vanaf het boekjaar volgend op het jaar van ingebruikname.
4.4 Afschrijvingstermijnen Op vaste activa moet jaarlijks worden afgeschreven volgens een stelsel dat is gebaseerd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur kan economisch of technisch van aard zijn. De technische levensduur is de maximale periode dat het actief technisch gezien functioneert. De economische levensduur is de maximale periode waartegen het actief tegen de laagst mogelijke kosten functioneert. Omdat deze termijnen uiteen kunnen lopen dienen beiden te worden beoordeeld. Het BBV schrijft geen afschrijvingstermijnen voor omdat de gebruiksduur afhankelijk kan zijn van lokale omstandigheden. De gemeente dient volgens artikel 52 BBV per categorie kapitaalgoed de gebruiksduur vast te stellen. De afschrijvingstabel die is opgenomen als bijlage 3 dient als basis voor de te hanteren afschrijvingstermijnen. De in de tabel opgenomen afschrijvingsduur is een maximale duur. Het toepassen van een kortere afschrijvingstermijn is toegestaan. Indien op een andere manier van de tabel wordt afgeweken, wordt dat onderbouwd bij de kredietaanvraag als afzonderlijk beslispunt. Spelregel 15 Afschrijvingstermijnen Investeringen worden afgeschreven volgens de termijnen zoals opgenomen in de afschrijvingstabel. Afwijking van de afschrijvingstermijn is een raadsbevoegdheid en vereist een raadsbesluit.
4.5 Componentenbenadering In plaats van het hanteren van één afschrijvingstermijn kan bij een actief dat uit verschillende samenstellende delen bestaat die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijke afschrijvingstermijnen per deel worden gehanteerd. Per deel kan de technische of economische levensduur namelijk verschillen. Bij toepassen van deze benadering worden afzonderlijke vervangingen opnieuw geactiveerd. Als gekozen wordt voor de componentenbenadering sluit dat het treffen van een voorziening voor de kosten van groot onderhoud dan ook uit. De componentenbenadering kan bij nieuwbouw worden toegepast als de afzonderlijke componenten een verkrijgings- of vervaardigingsprijs hebben van minimaal € 30.000. Voor de looptijd van de afzonderlijke afschrijvingstermijnen is de afschrijvingstabel het uitgangspunt. Spelregel 16 Componentenbenadering De componentenbenadering kan bij nieuwbouw worden toegepast als de afzonderlijke componenten een waarde hebben van minimaal € 30.000. Voor de looptijd van de afzonderlijke afschrijvingstermijnen is de afschrijvingstabel het uitgangspunt.
Nota investeren en afschrijven |
13/32
4.6 Afschrijvingsmethode Er bestaan verschillende methodes van afschrijven. Het BBV laat gemeenten vrij in de keuze van een methode. De twee meest voorkomende methoden zijn lineair en annuïtair. Bij de lineaire afschrijvingsmethode wordt jaarlijks een vast percentage van de aanschafwaarde over de afschrijvingsperiode afgeschreven. Hierdoor daalt de boekwaarde van het actief jaarlijks met eenzelfde bedrag. De toegerekende rentelast aan het activum daalt hierbij jaarlijks. De totale kapitaallasten (afschrijving en toegerekende rente) dalen dus ook. Bij annuïtair afschrijven is sprake van een jaarlijks gelijkblijvend bedrag aan rente en afschrijving. In de beginjaren is de afschrijvingscomponent laag en de rentecomponent hoog. Hierdoor blijft de boekwaarde vooral in het begin relatief hoog. Lineair afschrijven geeft een evenredige spreiding van de afschrijvingslasten (evenwichtig begroten) tegen dalende rentelasten (goedkoop). Daarom worden investeringen in beginsel lineair afgeschreven. Annuïtair afschrijven geeft een jaarlijkse vaste last aan rente en afschrijving hetgeen een voordeel is bij het in rekening brengen van een (verhuur)opbrengst. Het nadeel is dat in het begin nauwelijks afschrijving plaatsvindt. De boekwaarde blijft vrij hoog, de waardevermindering wordt naar de toekomst verschoven.
Als nut en noodzaak tot annuïtaire afschrijving voldoende kan worden aangetoond bij de aanvraag van het investeringskrediet kan de raad hiertoe besluiten. Spelregel 17 Afschrijvingsmethode De lineaire afschrijvingsmethode wordt principieel als uitgangspunt genomen. De annuïtaire methode kan worden toegepast als tarieven van belang zijn. Deze keuze wordt als beslispunt in het raadsbesluit gemotiveerd.
Nota investeren en afschrijven |
14/32
5
Onderhoud
Onderhoud heeft als primair doel bij te dragen aan de realisatie van de initiële technische afschrijvingstermijn. Onderhoudskosten worden gemaakt om het object gedurende de levensduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen (naar behoren laten functioneren en een bepaalde representativiteit laten behouden). Onderhoud kan worden onderscheiden in klein en groot onderhoud.
5.1 Klein en groot onderhoud Bij klein onderhoud gaat het om preventieve maatregelen en dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Hierbij moet worden gedacht aan maatregelen die noodzakelijk zijn om het object blijvend naar behoren te laten functioneren of haar representativiteit te laten behouden. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste of het lopende planjaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. Groot onderhoud is de uitvoering van correctieve maatregelen die pas na een langere periode van gebruik van een object ontstaan als gevolg van slijtage. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud van veelal ingrijpende aard dat op een substantieel deel van het object wordt uitgevoerd en na een langere periode van gebruik moet worden verricht. Klein en groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de vooraf bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object. Kosten van onderhoud mogen daarom niet worden geactiveerd. Indien de componentenbenadering wordt toegepast en het betreffende onderdeel van de materiële vaste activa is afgeschreven (einde gebruiksduur), is er geen sprake van groot onderhoud maar van vervangingsinvesteringen.
Lasten van groot onderhoud kunnen in het jaar van ontstaan ten laste van de exploitatie of ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht (artikel 44 lid 1 c BBV). Een dergelijke voorziening wordt ingesteld om de lasten van groot onderhoud over meerdere begrotingsjaren te egaliseren. Als een voorziening is gevormd moeten de onderhoudslasten hiervan ten laste worden gebracht. Voorwaarde is wel dat een actueel (maximaal vijf jaar oud) beheerplan van het kapitaalgoed aanwezig is. Voor meer informatie over dit onderwerp wordt verwezen naar de nota Reserves en Voorzieningen. Spelregel 18 Klein en groot onderhoud Kosten van onderhoud worden niet worden geactiveerd. Kosten van klein onderhoud worden in het jaar van uitvoering ten laste van de exploitatie gebracht. Kosten van groot onderhoud mogen bij aanwezigheid van een actueel beheerplan ten laste van een vooraf gevormde voorziening worden gebracht. Als er geen actueel beheersplan aanwezig is, worden de kosten ten laste van de exploitatie gebracht.
5.2 Onderhoud en investeren Er is sprake van onderhoud wanneer kosten worden gemaakt ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief. Wanneer een aanpassing leidt tot een significante kwaliteitsverbetering (object blijft niet in dezelfde staat), is geen sprake meer van groot onderhoud, maar van een investering (bijvoorbeeld een renovatie) die geactiveerd moet worden. Bij investeringen is dus niet altijd sprake van een nieuw object. Van een investering bij een bestaand actief is sprake indien de gemaakte kosten: • leiden tot een significante kwaliteitsverbetering; en / of • leiden tot een levensduurverlenging; en / of • aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften). Nota investeren en afschrijven |
15/32
Een investering wordt geactiveerd en de lasten voortvloeiende uit de investeringen in materiele vaste activa, zoals onderhoud, afschrijvingen, toegerekende rente, verzekeringen et cetera behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten.
5.3 Achterstallig onderhoud Onderhoud dat niet tijdig volgens het onderhoudsplan wordt uitgevoerd kan leiden tot achterstand of achterstallig onderhoud. Bij achterstand is de kwaliteit van het desbetreffende object nog niet aangetast en is het onderhoud niet verplicht. Bij achterstallig onderhoud is de kwaliteit wel aangetast; er wordt niet meer voldaan aan het door de raad vastgestelde kwaliteitsniveau of aan wettelijke normen en het onderhoud is dan wel verplicht. Achterstallig onderhoud dat leidt tot een lager kwaliteitsniveau dan door de raad is vastgesteld, vereist bijstelling in kwaliteitsniveau of in budget waarmee dan alsnog aan het gewenste kwaliteitsniveau is te voldoen. Als het investeringsgoed versneld wordt vervangen is uiteraard geen voorziening voor achterstallig onderhoud nodig. Achterstallig onderhoud waarmee onveilige situaties worden gecreëerd en waarbij sprake is van kapitaalvernietiging vereist herstel of vervanging. Dit herstel kan worden aangemerkt als een verplichting waarvoor, krachtens artikel 44 lid 1 a BBV, een voorziening wordt gevormd. Spelregel 19 Achterstallig onderhoud Achterstallig onderhoud dat leidt tot een lager kwaliteitsniveau dan door de raad is vastgesteld, vereist bijstelling in kwaliteitsniveau of in budget.
Achterstallig onderhoud waarmee onveilige situaties worden gecreëerd en waarbij sprake is van kapitaalvernietiging vereist herstel of vervanging. Voor de uitvoering van herstel wordt een voorziening gevormd.
Nota investeren en afschrijven |
16/32
6
Werkwijze investeringsvoorstellen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven wat de spelregels zijn om te komen tot keuzes ten aanzien van investeringen. Daarnaast wordt aangegeven op welke wijze investeringsvoorstellen worden aangevraagd, geautoriseerd, uitgevoerd en verantwoord. Vanuit de gemeentewet volgt dat het budgetrecht is voorbehouden aan de gemeenteraad. Het college voert de investering uit en verantwoordt hierover. Schematisch zijn de bevoegdheden als volgt weer te geven. Tabel 2. Bevoegdheden per doelgroep Bevoegdheden Aanvragen en aanwenden
Door wie Budgethouders
Autoriseren, vaststellen en wijzigen
Raad
Uitvoeren, doorschuiven en afsluiten
College
6.1 Spelregels investeringen 2025 In dit hoofdstuk moet beschreven worden hoe de spelregels zijn om te komen tot een goede prioritering van investeringen en beschikbaar stellen van krediet binnen de beschikbare middelen. Belangrijke uitgangspunten hierbij: • Meerjarig inzicht in de investeringsbehoefte; Tijdhorizon 10 jaar, waarbij eerst 4 in ieder geval uitgewerkt moeten zijn. Hierdoor is het mogelijk om beter te anticiperen op (vervangings)pieken binnen investeringen. • Beheersplannen liggen ten grondslag aan vervangingsinvesteringen. Hierdoor is het mogelijk realistische plafonds voor vervangingsinvesteringen te begroten. • Bij nieuwe investeringen wordt inzichtelijk gemaakt aan welke ambitie de investering bijdraagt (meer stad zijn, basis op orde, vervangingsinvestering) en wat de bijbehorende beheerskosten zijn inclusief voorstel voor dekking. • Deelplafonds van investeringen opnieuw worden herzien. De huidige vier plafonds kunnen hierbij worden uitgebreid. Belangrijk hierbij is dat binnen de plafonds geen sprake is van politieke verdringing (investeringen in de bedrijfsvoering versus investeringen in bijv. openbare veiligheid). • Bij de investeringsportefeuille gelijktijdig inzicht wordt geboden in de betaalbaarheid, financierbaarheid en realiseerbaarheid van de voorgestelde investeringen.
6.2 Aanvragen van investeringen Bij de investeringsaanvraag wordt direct onderzocht in hoeverre er aanspraak gemaakt kan worden op subsidies. Subsidies die specifiek voor een bepaalde investering worden verstrekt mogen immers direct ten laste van de investering worden gebracht. De beschikking wordt dan ook direct bij ontvangst doorgestuurd naar de Planning & Control adviseur. Spelregel 20 Aanvragen van investeringen Iedere investeringsaanvraag wordt bij aanvraag onderbouwd. Bij investeringen met politieke gevoeligheid wordt eerst een separaat voorbereidingskrediet gevraagd. Voor het bepalen van de afschrijvingstermijnen wordt verwezen naar bijlage 3. De structurele beheerskosten maken onderdeel uit van de aanvraag. Bij goedkeuring van de investeringen dient ook besloten te worden over de structurele beheerskosten. Bijv. personele kosten die onderdeel uitmaken van de investering. Nota investeren en afschrijven |
17/32
6.3 Autoriseren van investeringen Het autoriseren van investeringskredieten behoort tot het budgetrecht van de raad. Investeringen worden aangemeld via de kadernota (indien geen kadernota in een jaar, dan schuift het door naar de begroting). Het college informeert de raad bij de kadernota via een investeringsplan over de financiële meerjarenprognose van alle gemeentelijke investeringen en de gevolgen daarvan voor de (meerjaren)begroting. De gemeentelijke investeringen zijn globaal onder te verdelen in vervangingsinvesteringen en nieuwe investeringen. Voor vervangingsinvesteringen is een investeringsplafond van toepassing. De kapitaallasten van deze investeringen moeten passen binnen het plafond. Het plafond is onderverdeeld in subgroepen. Dit zijn vooralsnog openbare ruimte, sport, gebouwen en bedrijfsvoering. Deze subcategorieën kunnen worden uitgebreid tot een betere en completere verdeling van het plafond. Als de kapitaallasten het plafond overschrijden, geeft de directie een prioritering mee aan college en raad. De volgende investeringen vallen buiten het investeringsplafond: Investeringen in het riool en parkeren. Tegenover de kapitaallasten uit deze investeringen staan inkomsten. Het gaat hier om de rioolheffing en de opbrengsten uit betaald parkeren. Investeringen waarvan de kapitaallasten worden gedekt uit reserves of uit de grondexploitatie.
Hiervan is het effect op de begroting neutraal. Voorbeelden van reserves is onderwijshuisvesting PO en (V)SO. Investeringen met een eigen afzonderlijke dekking (budgettair neutraal) die een rechtstreeks verband hebben met de investering zelf. Nieuwe investeringen worden gedurende het jaar tijdens raadsvergaderingen geagendeerd. De vrijgave van nieuwe investeringen die geen onderdeel uitmaken van het investeringsplafond vereisten altijd aparte besluitvorming. Dit geldt ook voor investeringen die meegenomen zijn in een grote verzameling van investeringen zoals het integraal huisvestingsplan. Wel is het mogelijk de vrijgave van (voorbereidings)kredieten te combineren in een raadsvoorstel. In de kadernota worden de voorgenomen investeringen inzichtelijk gemaakt in de vorm van een stelpost kapitaallasten. Definitieve vaststelling van vervangingsinvesteringen vindt plaats bij de kadernota (of indien geen kadernota wordt opgesteld bij de begroting). Definitieve vaststelling van de voorgenomen investeringen vindt plaats bij de begrotingsbehandeling. Na vaststelling van de kadernota/ begroting door de raad zijn de daarin voorgestelde investeringen voor het eerstvolgende jaar direct vrijgegeven voor uitvoering daarvan. De door de raad toegekende investeringskredieten worden niet geïndexeerd. Investeringen worden reëel begroot en kunnen bij kadernota worden bijgesteld.
Het budget voor het investeringsplafond wordt wel geïndexeerd (indexatie uitgangspunt hiervoor wordt opgenomen in de kadernota). Spelregel 21 Autoriseren van investeringen Nieuwe investeringen worden gedurende het jaar tijdens raadsvergaderingen geagendeerd. Alle investeringen worden aangemeld via de kadernota. Vaststelling van vervangingsinvesteringen vindt plaats bij de kadernota. Vaststelling van de voorgenomen investeringen vindt plaats bij de begrotingsbehandeling. De door de raad toegekende investeringskredieten worden niet automatisch geïndexeerd.
Nota investeren en afschrijven |
18/32
6.4 Uitvoeren van investeringen Het uitvoeren van investeringen is een bevoegdheid van het college. De in de kadernota respectievelijk begroting vastgestelde investeringen zijn in het nieuwe begrotingsjaar beschikbaar voor besteding. Eenmaal beschikbaar gestelde investeringskredieten worden zo snel mogelijk aangewend en afgesloten. Investeringskredieten worden geadministreerd via jaarschijven over de begrotingsjaren. 6.4.1 Voortgang van de investering De rol van het college is sturing op de investeringen met als doel dat niet wordt afgeweken van de met de raad gemaakte afspraken. Bij het overschrijden van de einddatum wordt het college dan ook geïnformeerd bij de jaarstukken. Bij het opmaken van de jaarrekening worden de restanten van de lopende investeringsjaarschijf, op verzoek, overgeheveld naar het nieuwe jaar. Het minimaal over te hevelen bedrag bedraagt € 50.000. Tevens worden, bij de jaarrekening, positieve aanbestedingsresultaten of andere meevallers van het investeringskrediet afgeraamd. 6.4.2 Oplevering van de investering Het afschrijven op een nieuw kapitaalgoed start, volgens paragraaf 4.3, op de eerste dag volgend op het jaar waarin het actief is opgeleverd en in gebruik is genomen. Projectmanagers bespoedigen de financiële afwikkeling van de oplevering zodat de werkelijke uitgaven bij activering als uitgangspunt dienen.
Bij het afsluiten van investeringsprojecten wordt verantwoording afgelegd aan het college. 6.4.3 Afsluiten van de investering Investeringskredieten worden beschikbaar gesteld om een bepaald doel binnen een bepaalde periode te realiseren. Om te voorkomen dat kredieten onnodig lang open staan, is het wenselijk een termijn af te spreken waarna het krediet in principe kan worden afgesloten. Daarom wordt in de aanvraag een periode genoemd van begin- en einddatum van de investeringsperiode. Als geen looptijd is aangegeven wordt voor het afsluiten van kredieten standaard een looptijd van twee begrotingsjaren gehanteerd waarbij in het verantwoordingsjaar geen bestedingen hebben plaatsgevonden. 6.4.4 Overschrijden van de investering Tijdens de uitvoering van een krediet kan het destijds vrijgegeven investeringsbedrag niet toereikend blijken. Conform de financiële verordening wordt bij overschrijdingen van vastgestelde investeringskredieten die groter zijn dan 10% en minimaal € 50.000 de raad, via een separaat raadsvoorstel geïnformeerd en wordt het verzoek gedaan tot het verstrekken van een aanvullend krediet. Bij overschrijdingen < € 50.000 volstaat een begrotingswijziging dat wil zeggen opname in de periodieke verzamellijst of P&C document.
6.4.5 Schuiven tussen investeringen Een investeringskrediet wordt uitsluitend ingezet voor het doel waarvoor het krediet door de raad is verleend. Het schuiven tussen afzonderlijke investeringskredieten is niet toegestaan. Met de raad is immers een afspraak gemaakt over inzet van bepaalde middelen voor een vastgesteld doel binnen een afgesproken termijn. Ook gerealiseerde aanbestedingsvoordelen worden niet voor andere investeringsprojecten ingezet. Alleen als investeringen tot hetzelfde beleidsveld behoren en de voorgenomen investeringen gerealiseerd gaan worden, kunnen onderlinge verschuivingen plaatsvinden. Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden worden in de jaarrekening afgesloten, tenzij gemotiveerd kan worden aangetoond dat de investeringsbedrag niet vrij mag vallen.
Nota investeren en afschrijven |
19/32
Spelregel 22 Uitvoeren van investeringen Bij de jaarrekening wordt de raad geïnformeerd over de voortgang van de investeringskredieten. Van een verleend investeringskrediet wordt jaarlijks, bij de jaarrekening, gemotiveerd om het restant van de jaarschijf naar het volgende jaar over te hevelen. Beschikbaar gestelde investeringskredieten ouder dan twee jaar en waar in het verantwoordingsjaar geen bestedingen op hebben plaatsgevonden worden afgesloten, tenzij gemotiveerd wordt afgeweken. Bij een verwachte kredietoverschrijding > € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt een aanvullend krediet gevraagd via een separaat raadsvoorstel. Een verwachte kredietoverschrijding < € 50.000 ten opzichte van het beschikbaar gestelde krediet wordt verwerkt in een periodieke verzamellijst of P&C document. Schuiven tussen investeringskredieten is uitsluitend mogelijk tussen investeringen die tot hetzelfde beleidsveld behoren mits de voorgenomen investeringen gerealiseerd gaan worden.
Nota investeren en afschrijven |
20/32
Bijlage 1 Wettelijk en lokaal kader 1.1 Gemeentewet Artikel 212 1. De raad stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan. 2. De verordening bevat in ieder geval: a. regels voor waardering en afschrijving van activa; b. grondslagen voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b, alsmede, voor zover deze wordt geheven, voor de heffing bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer; c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie.
1.2 Financiële verordening gemeente Hoorn Artikel 6 Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. De raad stelt een regeling budgethouderschap vast, waarin: a. wordt beschreven wat de kaders zijn voor het vaststellen van de begroting (vastgelegd in wetgeving en mandaatbesluit). b. wordt vastgelegd wat de kaders zijn voor budgethouderschap en c. wordt vastgelegd wat de regels zijn voor het wijzigen van de begroting. 3.Voor het autoriseren van de investeringen zijn regels vastgelegd in de nota investerings- en afschrijvingsbeleid. Nieuwe niet-budgetneutrale investeringen vanaf € 50.000 vereisen autorisatie op basis van een afzonderlijk raadsvoorstel. Nieuwe investeringen onder de € 50.000 kunnen worden geautoriseerd via een begrotingswijziging. 4.Van lid 3 kan in bepaalde situaties worden afgeweken. Deze situaties worden beschreven in de regeling budgethouderschap. Artikel 15 Waardering en afschrijving vaste activa 1.Het college biedt de raad een nota Investerings- en afschrijvingsbeleid aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld.