CConstaterende datHoorn
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - 1a. Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Hoorn

Gemeenteraad 17 oktober 2023, gemeente HoornBij agendapunt: Verordening fysieke leefomgeving en technische aanpassing regelgeving naar aanleiding van Omgevingswet (1981463)23.007 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Verordening Fysieke Leefomgeving gemeente Hoorn (VFL Hoorn) Zaaknummer: 1981463 Grondslag: • de artikelen 108, 147 en 149 van de Gemeentewet; • artikelen 1.2, 1.3 1.8, 2.1, 2.3, 2.4, 2.8 van de Omgevingswet Aanleiding De Omgevingswet in werking treedt op 1 januari 2024. Op grond van die wet worden de regels die zien op de fysieke leefomgeving opgenomen worden in één gemeentelijk omgevingsplan. De gemeente moet uiterlijk op 31 december 2031 beschikken over een omgevingsplan. Gelet op de gemeentelijke praktijk is het vanaf het moment van inwerkingtreding van de wet wenselijk de voorgestelde regels, die zien op de fysieke leefomgeving in de diverse gemeentelijke verordeningen in één verordening bijeen te brengen. Het is één integrale verordening met regels over de fysieke leefomgeving die uiteindelijk geïntegreerd worden in het Omgevingsplan.

1/46

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen Hoofdstuk 2 Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Hoofdstuk 3 Bouwen Hoofdstuk 4 Erfgoed (Monumenten en Archeologie) Hoofdstuk 5 Bodem Afdeling 1 Gevelreiniging Afdeling 2 Ondergrondse infrastructuren Afdeling 3 Hemel- en Grondwater Afdeling 4 Bodem en bouwen Hoofdstuk 6 Omgevingshinder Afdeling 1 Geluidhinder Afdeling 2 Lichthinder Afdeling 3 Vuur(werk) Afdeling 4 Ontsiering en stankoverlast Hoofdstuk 7 Buitenruimte Afdeling 1 Wegen Afdeling 2 Water Afdeling 3 Kappen van bomen Afdeling 4 Evenementen Afdeling 5 Markten en standplaatsen Afdeling 6 Begraafplaatsen Afdeling 7 Kamperen Afdeling 8 Crossterreinen Afdeling 9 Aanwijzing gebruiksfuncties buitenruimte Hoofdstuk 8 Overige bepalingen Hoofdstuk 9 Toezicht en Handhaving Hoofdstuk 10 Overgangs- en Slotbepalingen Bijlage 1 Begrippenlijst

2/46

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Bijlage 1 bij deze verordening bevat begripsbepalingen voor de toepassing van deze verordening en de daarop berustende bepalingen. Artikel 1.2 Toepassingsbereik Deze verordening geeft regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 Doel van de verordening 1. Het doel van deze verordening is het samenbrengen van regels over de fysieke leefomgeving vanuit diverse gemeentelijke verordeningen en andere gemeentelijke regelingen in één verordening. 2. Binnen het toepassingsbereik van deze verordening is het doel van de regels: a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en b. een doelmatig beheer en gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Artikel 1.4 (Beslis)termijnen 1. Op een aanvraag om vergunning is, tenzij anders bepaald, de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. 2. Een vergunning geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet. 3. De aard van de vergunning verzet zich in ieder geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen beperkt is en het aantal mogelijke aanvragen het aantal beschikbare vergunningen overtreft. Artikel 1.5 Voorschriften 1.

Het college kan aan een vergunning voorschriften verbinden. Deze voorschriften strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband met de fysieke leefomgeving. 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften in acht te nemen. Artikel 1.6 Algemene weigeringsgronden 1. Het college weigert een aanvraag om vergunning in ieder geval: a. indien de te vergunnen activiteit in strijd is met het bepaalde in deze verordening of een andere wettelijke regelgeving; b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob). 2. Het college kan een aanvraag om vergunning weigeren indien: a. dat naar hun oordeel nodig is in het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving of de bescherming van het milieu; b. dat naar hun oordeel nodig is met het oog op het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften; c. niet wordt voldaan aan bij of krachtens deze verordening gestelde vereisten om voor de omgevingsvergunning in aanmerking te komen; d. de aanvraag om omgevingsvergunning te kort voor de beoogde activiteit is ingediend en daardoor redelijkerwijs een behoorlijke behandeling en beoordeling van de aanvraag niet mogelijk is; e.

de aanvraag om omgevingsvergunning onjuiste of valse gegevens bevat; f. er sprake is van een weigeringsgrond zoals genoemd op een andere plaats in deze verordening. Artikel 1.8 Stellen van nadere regels door college Het college heeft de bevoegdheid om nadere regels te stellen over onderwerpen en gevallen die in deze verordening zijn geregeld.

3/46

Artikel 1.9 Intrekken vergunning De vergunning kan worden ingetrokken, geschorst of gewijzigd als: 1. ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; 2. op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen dat intrekking, schorsing of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist; 3. de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; 4. van de vergunning geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; 5. de houder of zijn rechtsopvolger dit verzoekt. Hoofdstuk 2 Algemene regels ter instandhouding, bescherming, onderhoud en beheer fysieke leefomgeving Doel van de regels Het doel van dit hoofdstuk is om algemene regels te geven voor de instandhouding, behoud en bescherming van de fysieke leefomgeving. Iedereen dient bij zijn activiteiten voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving in acht te nemen en toe te staan dat maatregelen getroffen worden om de fysieke leefomgeving te beschermen en te behouden. Dit hoofdstuk is niet van toepassing voor zover er in hogere regelgeving regels zijn gesteld over eisen aan het bouwwerk of de werkzaamheden.

Artikel 2.1 Algemene zorgplicht 1. Een ieder draagt voldoende zorg voor de fysieke leefomgeving. 2. Een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving, is verplicht: a. alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen; b. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; c. als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd; 3. Een ieder die schade toebrengt aan de fysieke leefomgeving is verplicht dit te melden bij het college. Artikel 2.2 (Specifieke) zorgplicht staat bestaande bouwwerken Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het bouwwerk tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 2.3 (Specifieke) zorgplicht gebruik bouwwerken 1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken als bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Artikel 2.4 (Specifieke) zorgplicht brandveilig gebruik van bouwwerken

4/46

1. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat als gevolg van het gebruik één van de volgende situaties kan ontstaan, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om te voorkomen dat: a. brandgevaar wordt veroorzaakt; b. bij brand een gevaarlijke situatie wordt veroorzaakt; c. de melding van, alarmering bij of bestrijding van brand wordt belemmerd; d. het gebruik van vluchtmogelijkheden bij brand wordt belemmerd; e. het redden van personen of dieren bij brand wordt belemmerd; en f. er op een andere manier gevaar voor de brandveiligheid ontstaat of voortduurt. 2. Dit artikel is niet van toepassing voor zover er in het Besluit bouwwerken leefomgeving regels zijn gesteld. Artikel 2.5 (Specifieke) zorgplicht bouw- en sloopwerkzaamheden Degene die een bouw- of sloopactiviteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de werkzaamheden kunnen leiden tot beschadiging of belemmering van wegen, van in de weg gelegen werken en van andere al dan niet roerende zaken op een aangrenzend perceel of op een aan het bouwof sloopterrein grenzende openbare weg, openbaar water of openbaar groen, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die beschadiging of belemmering te voorkomen of niet te laten voortduren. Artikel 2.6 (Specifieke) zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen 1.

De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 3. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c.

het nalaten van het normale onderhoud van het open erf of terrein waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt. Artikel 2.7 (Specifieke) zorgplicht erfgoed (monumenten en archeologie) Degene die een rijksmonumentenactiviteit of een andere activiteit die een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument betreft, verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit kan leiden tot het beschadigen of vernielen van een rijksmonument of een voorbeschermd rijksmonument is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om deze beschadiging of vernieling te voorkomen. Artikel 2.8 (Specifieke) zorgplicht toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor derden. Artikel 2.9 (Specifieke) zorgplicht voorkomen van de verspreiding van moeilijk te bestrijden planten De eigenaren, pachters, gebruikers en beheerders van en de rechthebbenden en toezichthouders op de binnen de gemeente gelegen openbare plaatsen zijn verplicht de zich op die gronden bevindende

5/46

akkermelkdistels, akkerdistels, brandnetels en reuzenberenklauwen, voordat deze gaan bloeien, te bestrijden Artikel 2.10 Gedoogplicht voorzieningen voor verkeer en verlichting 1. De rechthebbende op een bouwwerk, is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900 of de Aanvullingswet grondeigendom. Artikel 2.11 Algeheel verbod oplaten ballonen 1. Het is verboden zogenoemde wens- of ufoballonnen, door middel van hete lucht afkomstig van vuur op te laten stijgen. 2. Onder een wens- of ufoballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballen, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon en geluksballon. Hoofdstuk 3 Bouwen Artikel 3.1 Verbod tot bouwen op verontreinigde bodem 1. Op een bodem die zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers, mag niet worden gebouwd voor zover dat bouwen betrekking heeft op een bouwwerk: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortduren mensen zullen verblijven; b. voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist; en c. dat de grond raakt, of waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd.

2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing indien een door het college goedgekeurd bodemonderzoek (conform NEN 5740) aantoont dat de bodem niet (meer) verontreinigd is. Artikel 3.2 Voorwaarden omgevingsvergunning voor het bouwen In afwijking van het bepaalde in artikel 5.10 en 5.11 en onverminderd het bepaalde in artikel 1.5, kan het college voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen, in het geval zij op grond van het onderzoeksrapport en/of andere bij hen bekende onderzoeksresultaten dan wel het goedgekeurde saneringsplan van oordeel zijn, dat de bodem niet geschikt is voor het beoogde doel maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt. Artikel 3.3 Herziening en vervanging van aangewezen normen en andere voorschriften Het college is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in deze verordening of in de bij deze verordening behorende bijlagen wordt verwezen, indien de bevoegde instantie de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift heeft herzien of vervangen en die herziening of vervanging heeft gepubliceerd.

Hoofdstuk 4 Erfgoed (Monumenten en Archeologie) Artikel 4.1 Gebruik van het monument Bij de toepassing van Hoofdstuk 4 Erfgoed (Monumenten en Archeologie) houdt het bevoegd gezag rekening met het gebruik van het monument. Artikel 4.2 Gemeentelijk erfgoedregister 1. Het college houdt een door een ieder te raadplegen gemeentelijk erfgoedregister bij van krachtens deze verordening aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie cultureel erfgoed is toebedeeld. 2. Het gemeentelijk erfgoedregister bevat: a. gegevens over de inschrijving en ter identificatie van het aangewezen gemeentelijk cultureel erfgoed;

6/46

b.

c.

gegevens over door burgemeester en wethouders van de minister ontvangen afschriften van de inschrijving van een rijksmonument in het rijksmonumentenregister als bedoeld in artikel 3.3, vijfde lid, van de Erfgoedwet en instructies als bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht; gegevens over door burgemeester en wethouders van gedeputeerde staten ontvangen instructies als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, van de Omgevingswet betreffende een locatie met de functie-aanduiding provinciaal monument, provinciaal archeologisch monument of provinciaal beschermd stads- en dorpsgezicht.

Artikel 4.3 Aanwijzing als gemeentelijk monument 1. Het college kan besluiten een (archeologische) zaak, object of terrein, of een deel daarvan, dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument. 2. Dit artikel is niet van toepassing op: a. rijksmonumenten, en b. monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in 3.17, eerste lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Artikel 4.4 Voornemen tot aanwijzing 1. Een voornemen om toepassing te geven aan artikel 4.3 wordt door het college schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Voordat een kerkelijk monument wordt aangewezen, voert het college overleg over het voornemen met de eigenaar. Artikel 4.5 Voorbescherming 1. De bescherming van artikel 4.11 tot en met 4.14 is van overeenkomstige toepassing op het gemeentelijk monument ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 4.4 is bekendgemaakt. 2.

De voorbescherming, als bedoeld in het eerste lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister of op het moment waarop het aanwijzingsbesluit wordt herroepen of door de bestuursrechter wordt vernietigd. Artikel 4.7 Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit 1. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag. 2. De aanwijzing bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding van het gemeentelijke monument, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het gemeentelijke monument met daarin opgenomen de vastgestelde monumentale waarden. Artikel 4. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving 1. De aanwijzing wordt schriftelijk bekendgemaakt aan alle zakelijk gerechtigden op de onroerende zaak die vermeld staan in de openbare registers, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Kadasterwet. 2. Burgemeester en wethouders verwerken de aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument 1. In een spoedeisend geval kan het college een (archeologische) zaak, object of terrein, of een deel daarvan, aanwijzen als voorlopig gemeentelijk monument. 2.

Een aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument vervalt na 26 weken of zoveel eerder als het college een besluit heeft genomen over de aanwijzing, bedoeld in artikel 4.3. 3. De artikelen 4.11 tot en met 4.14 zijn van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat zakelijk gerechtigden schriftelijk in kennis worden gesteld van het besluit van het college tot

7/46

aanwijzing van een (archeologische) zaak, object of terrein als voorlopig gemeentelijk monument. Artikel 4.8 is van overeenkomstige toepassing op deze aanwijzing. Artikel 4.10 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument 1. Het college kan ten aanzien van gemeentelijke monumenten, voorlopige gemeentelijke monumenten ambtshalve wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. 2. Als de wijziging ziet op het schrappen uit het register artikelen 4.3 tot met 4.9 van overeenkomstige toepassing, tenzij het gemeentelijk monument, waarop de aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 3. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het gemeentelijk monument, is ingeschreven in het rijksmonumentenregister of een provinciaal erfgoedregister als bedoeld in artikel 3.17, derde lid, van de Erfgoedwet of een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.6 van de Omgevingswet. Het vervallen van de aanwijzing wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 4.11 Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. Artikel 4.12 Omgevingsvergunning gemeentelijk monument 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een gemeentelijk monument: a.

te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of b. te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. de uitvoering van normaal onderhoud, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur niet wijzigen, en voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg, niet wijzigt, of b. alleen inpandige veranderingen, voor zover het een onderdeel daarvan betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft. c. het binnen een monument dat als begraafplaats in gebruik is met inachtneming van de monumentale waarden: i. plaatsen van grafmonumenten, met inbegrip van het tijdelijk verwijderen daarvan en het bijwerken van het opschrift; ii. doen van begravingen of asbijzettingen, of iii. ruimen van graven waarvan het grafmonument niet is beschermd als gemeentelijk monument. 3. Het college kan in het belang van de monumentenzorg regels te stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een gemeentelijk monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod, bedoeld in het eerste lid, of een plicht tot het melden van handelingen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 4.13 Intrekken van de omgevingsvergunning De vergunning, bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, kan door het college worden ingetrokken: a. als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; b. voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit, waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen een (ongewijzigde) voortzetting van die activiteit verzetten. Artikel 4.14 Weigeringsgronden 1. De vergunning, als bedoeld in artikel 4.12, kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. 2. Een vergunning, als bedoeld in artikel 4.12, voor een kerkelijk monument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt niet verleend zonder overeenstemming met de eigenaar. Artikel 4.15 Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht

8/46

1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht. 2. Het college zendt het voorstel voor advies aan de ruimtelijke adviescommissie zoals genoemd in de Verordening op de ruimtelijke adviescommissie Hoorn. 3. De gemeenteraad beslist binnen 26 weken na verzending van het voorstel, bedoeld in het tweede lid. 4. Een aangewezen gemeentelijk stads- of dorpsgezicht wordt onmiddellijk opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister. 5. De gemeenteraad stelt ter bescherming het op grond van het eerste lid aangewezen beschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet vast. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- en dorpsgezicht kan hiertoe een termijn worden gesteld. 6. Bij het besluit tot aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht wordt bepaald of en in hoeverre het tijdelijk omgevingsplan als beschermend in de zin van het vorige lid kan worden aangemerkt. 7. Dit artikel is niet van toepassing op een beschermd stads- of dorpsgezicht dat via instructies de functie-aanduiding rijksbeschermd of provinciaal beschermd stads- of dorpsgezicht heeft, of dat is aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening.

Artikel 4.16 Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van het college, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 4.15 eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 4.15 tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft, als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als beschermd stads- of dorpsgezicht op grond van een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, of artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet. 3. Het college verwerkt de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing direct in het gemeentelijk erfgoedregister Artikel 4.17 Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder vergunning een bouwwerk te slopen. 2. De vergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van het college niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 4.13 en 4.14 zijn van overeenkomstige toepassing. 4.

Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet of ingevolge een verplichting zoals gesteld in een maatwerkvoorschrift op grond van artikel 3.5 van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hoofdstuk 5 Bodem Afdeling 1 Gevelreiniging Artikel 5.1 Gevelreiniging 1. Alle overige werkzaamheden, anders dan gevelreiniging, die in de uitoefening van een bedrijf en met behulp van apparatuur aan de gevel plaatsvinden vallen ook onder de reikwijdte van deze afdeling. 2. Het in deze afdeling bepaalde is niet van toepassing op het lozen van afvalwater. 3. Het is verboden gevels te reinigen of gevelwerkzaamheden te verrichten als daardoor de bescherming van het milieu, door stof-, nevel- of geluidsoverlast of bodemverontreiniging in gevaar wordt gebracht.

9/46

Artikel 5.2 Gevelreiniging 1. Gevelreinigings-/gevelbewerkingswerkzaamheden worden uitgevoerd tussen 7.00 uur en 18.00 uur. 2. In afwijking van het vorige artikel mogen op zondagen en algemeen erkende feestdagen geen gevelreinigings-/gevelbewerkingswerkzaamheden worden uitgevoerd. 3. Het gebruik van compressoren moet voldoen aan de eisen gesteld in de Regeling geluidemissie buitenmaterieel en diens rechtsopvolgers. 4. Het werk moet op een zodanige wijze worden afgeschermd (bijvoorbeeld netten en/of zeilen) dat afvalstoffen niet kunnen verspreiden in de omgeving. 5. Om te voorkomen dat afvalstoffen op of in de bodem komen moet de bodem worden afgedekt met een materiaal dat bestand is tegen de vrijkomende afvalstoffen. 6. Elke dag, direct na het beëindigen van de werkzaamheden, moet eventuele verontreiniging worden verzameld en verwijderd. De openbare weg en bodem moeten schoon worden achtergelaten. Afdeling 2 Ondergrondse infrastructuren Artikel 5.3 Toepasselijkheid Afdeling 2 1. Onder belanghebbenden in afdeling 2 wordt verstaan: de omwonenden en bedrijfsmatige gebruikers van alle percelen, grenzend aan het tracé van kabels en/of leidingen. 2.

Onder spoedeisende werkzaamheden wordt verstaan: werkzaamheden, zoals genoemd in het derde lid, voor reparatie of onderhoud waarvan uitstel niet mogelijk is als een ernstige belemmering of storing van de dienstverlening in het betreffende netwerk is opgetreden. 3. Onder werkzaamheden wordt verstaan: handmatige en/of mechanische (graaf)werkzaamheden, waaronder ook begrepen het opbreken en herstellen van de sleufbedekking en sleufloze technieken, in of op openbare gronden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen. 4. Onder werkzaamheden van niet-ingrijpende aard wordt verstaan: a. werkzaamheden zoals genoemd in onderdeel r van dit artikel, waarbij geen wegen, watergangen of groenvoorzieningen volledig worden gekruist en/of bovengrondse voorzieningen worden geplaatst, tot een gezamenlijke tracélengte van vijfentwintig (25) meter; b. het aanbrengen of verwijderen van kabels en/of leidingen in reeds aangebrachte voorzieningen zoals mantelbuizen; c. het maken van maximaal twee opbrekingen met elk een afmeting van maximaal 2 m². 5. Afdeling 2 is van toepassing op werkzaamheden in verband met de aanleg, instandhouding en opruiming van kabels en/of leidingen in, op of boven openbare gronden, met uitzondering van (werkzaamheden aan) kabels en/of leidingen die onder de reikwijdte van de Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuren Hoorn vallen.

6. Het bepaalde in afdeling 2 geldt niet voor zover hierin reeds is voorzien in de Telecommunicatiewet of privaatrechtelijke overeenkomsten. Artikel 5.4 Nadere regels vaststellen 1. Het college heeft de bevoegdheid om ter uitvoering van Afdeling 2 (nadere) regels vast te stellen ten aanzien van de in lid 2 genoemde onderwerpen. 2. De regels, zoals genoemd in lid 1, hebben betrekking op: a. veiligheid en gezondheid; b. de eisen aan de wijze van uitvoering van werkzaamheden; c. ordening, planning en coördinatie van werkzaamheden; d. de omgang met kabels en/of leidingen in verontreinigde gronden, rond watergangen en stedelijk groen, en op verhardingen boven kabels en/of leidingen; e. het bevorderen van het medegebruik van voorzieningen; f. de te verstrekken gegevens alsmede de wijze waarop die moeten worden verstrekt; g. nadeelcompensatie; h. de verrekening van herstel-, beheer- en degeneratiekosten. 3. Het college kan nadere regels stellen aan de gegevens die bij een melding worden verstrekt en over de wijze waarop de gegevens zoals genoemd in artikel 5.6 moeten worden verstrekt.

10/46

4. Het college kan nadere regels stellen over vergoeding van de kosten die gepaard gaan met door het college verrichte werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.7, zevende lid. Artikel 5.5 Vergunningsplicht 1. Het is verboden zonder vergunning: a. werkzaamheden uit te voeren; en/of b. in of op openbare gronden kabels en/of leidingen in stand te houden en/of te exploiteren. 2. De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt tenminste acht weken voor de voorgenomen aanvang van de werkzaamheden bij het college aangevraagd met gebruikmaking van het door het college gehanteerde registratiesysteem. 3. In verband met voorgenomen werkzaamheden kan vooroverleg plaatsvinden met het college om de aanvraag als bedoeld in het tweede lid voor te bereiden. 4. Als de werkzaamheden ook betrekking hebben op openbare gronden van een andere gedoogplichtige of grondeigenaar dan de gemeente en/of als er een aanvraag voor een vergunning al dan niet bij een ander bestuursorgaan op grond van een andere wet is ingediend, dan stelt de aanvrager het college hiervan op de hoogte. 5. Voor het uitvoeren van werkzaamheden van niet-ingrijpende aard of spoedeisende werkzaamheden, is geen vergunning als bedoeld in het eerste lid vereist. In afwijking van het tweede lid, wordt het voornemen tenminste twee werkdagen voor de voorgenomen aanvang van de werkzaamheden bij het college gemeld.

De raad kan om redenen van veiligheid delen van een grondgebied aanwijzen waarvoor het voorgaande niet van toepassing is. 6. Bij spoedeisende werkzaamheden kan de melding als bedoeld in het vijfde lid tevens voorafgaand aan de uit te voeren werkzaamheden worden gedaan bij de burgermeester of bij een daartoe door hem gemachtigd ambtenaar. Ingeval de melding bij de gemachtigde heeft plaatsgevonden, stelt de gemachtigde het college zo spoedig mogelijk daarvan in kennis. Artikel 5.6 Indieningsvereisten 1. Voor het aanvragen van een vergunning, als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van deze verordening worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een aanvraag betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. een opgave van het aantal, de soort, de aard en het beoogde gebruik van de kabels en/of leidingen; d. vereiste vergunning(en), ontheffing(en) of toestemming(en) op grond van overige wetgeving, alsmede informatie over de afstemming met andere gedoogplichtigen, grondeigenaren en/of beheerders van openbare gronden; e.

een digitale tekening (PDF- en optioneel DWG-formaat) op basis van een BGTondergrond met legenda en eenduidige en volledige maatvoering (RD-coördinaten) met daarop aangegeven: i. een opgave van het gewenste tracé; ii. een opgave van de tijdelijke en permanente voorzieningen; iii. een opgave van de te plaatsen bovengrondse voorzieningen. f. overtuigende gegevens en inzicht omtrent de uitvoerbaarheid van de voorgenomen werkzaamheden waaruit blijkt: i. dat binnen de beschikbare ruimte aangelegd wordt; ii. dat de bereikbaarheid van de overige kabels en/of leidingen blijft gewaarborgd; iii. dat de vereisten voor het passeren van groenvoorzieningen gewaarborgd blijven. g. de tracélengte en de lengte en breedte van de te graven sleuf, alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; h. de voorgenomen datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; i. een opgave van het aantal kabels en/of leidingen dat direct in gebruik wordt genomen en het aantal kabels en/of leidingen dat niet direct in gebruik wordt genomen;

11/46

j.

indien de gemeente de coördinaten van de zich in het tracé bevindende (monumentale) bomen aanlevert, dan moet de netbeheerder deze (inclusief de kroonprojectie) op de instemmingstekening weergeven. 1. Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.5, vijfde lid, van deze verordening voor werkzaamheden van niet-ingrijpende aard, worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt: a. naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de netbeheerder; b. als het een melding betreft voor het verrichten van werkzaamheden voor of namens een netbeheerder de naam-, adres- en woonplaatsgegevens van de gemachtigde en een schriftelijke machtiging bij de eerste aanvraag van enig kalenderjaar; c. de uitvoerende partij, het adres van de graaflocatie(s), inclusief een situatieschets; d. de lengte en breedte van de sleuf of montagegat(en), alsmede de aard van de sleufbedekking die wordt opengebroken; e. de datum van aanvang en beëindiging van de werkzaamheden; 2. Voor een melding, als bedoeld in artikel 5.5, vijfde en zesde lid, van deze verordening in geval van spoedeisende werkzaamheden, worden in aanvulling op de in het tweede lid genoemde gegevens tevens verstrekt: a. de aanduiding van de spoedeisende aard van de werkzaamheden; b. de omschrijving van de werkzaamheden die zijn uitgevoerd. Artikel 5.7 Voorschriften bij de omgevingsvergunning 1.

De werkzaamheden als bedoeld in artikel 5.5, eerste lid, van deze verordening moeten binnen een jaar na de datum waarop de vergunning onherroepelijk is geworden zijn voltooid. 2. De werkzaamheden van niet-ingrijpende aard als bedoeld in artikel 5.5, vijfde lid, van deze verordening, moeten binnen de in de melding omschreven periode zijn voltooid maar in ieder geval na 5 werkdagen 3. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. 4. De voorschriften, zoals genoemd in het derde lid, kunnen slechts betrekking hebben op: a. de plaats van de werkzaamheden; b. het tijdstip van de werkzaamheden, met dien verstande dat het toegestane tijdstip van aanvang, behoudens zwaarwichtige redenen van publiek belang, niet later mag liggen dan 12 maanden na de datum van verlening van de vergunning; c. de wijze van uitvoering van de werkzaamheden; d. het bevorderen van medegebruik van voorzieningen; e. het afstemmen van de voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken; f. de energietransitie, waaronder (doch niet uitsluitend) begrepen het behoud van de mogelijkheden tot realisatie van gemeentelijk beleid gericht op het aardgasvrij maken van een gebied. 5.

De omwonenden ter plaatse van de uit te voeren werkzaamheden moeten schriftelijk worden geïnformeerd door of namens de aanvrager van de vergunning over aanvang, duur, aard en plaats van de werkzaamheden. 6. Twee dagen voorafgaand aan de aanvang van de werkzaamheden wordt dit gemeld bij het college. 7. Het is verplicht om openbare gronden na beëindiging van de werkzaamheden in de oude staat terug te brengen, tenzij het college vooraf heeft aangegeven hier (gedeeltelijk) zelf voor te willen zorgdragen. Artikel 5.8 Termijnen melding 1. De goedkeuring of afkeuring op een melding voor werkzaamheden van niet ingrijpende aard wordt genomen binnen twee werkdagen. 2. De goedkeuring of afkeuring op een melding voor spoedeisende werkzaamheden volgt, met in acht name van het bepaalde in artikel 5.9, eerste lid, uiterlijk twee werkdagen nadat de melding is gedaan. Artikel 5.9 Intrekking of wijzigen vergunning

12/46

Het college kan een vergunning, als bedoeld in artikel 5.5, intrekken of (de voorschriften of beperkingen daarbij) wijzigen als: a. blijkt dat bij de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; b. niet of niet langer wordt voldaan aan de voorschriften en/of beperkingen bij de vergunning; c. de vergunningverlening onjuist was en aanvrager dit wist of behoorde te weten; d. zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voor zover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen instandlating van de vergunning; e. de kabels en/of leidingen niet langer de stoffen of goederen vervoeren waarvoor de vergunning is verleend; f. de kabels en/of leidingen worden geruimd; g. de grondroerder niet binnen een jaar na het onherroepelijk worden van de vergunning met de werkzaamheden als omschreven in de vergunning is begonnen; h. de in de vergunning benoemde werkzaamheden langer dan een aaneengesloten periode van zes maanden stilliggen; i. de vergunninghouder daarom verzoekt. Afdeling 3 Hemel- en Grondwater [Gereserveerd] Afdeling 4 Bodem en bouwen Artikel 5.10 Reikwijdte Artikel 5.18 heeft uitsluitend betrekking op bouwwerken: a. waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, b.

voor het bouwen waarvan een omgevingsvergunning is vereist, met uitzondering van bouwwerken die naar aard en omvang gelijk zijn aan een bouwwerk waarvoor een dergelijke vergunning niet is vereist, en 1° die de grond raken, of 2° ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Artikel 5.11 Bodemonderzoek 1. Het onderzoek betreffende de bodemgesteldheid bestaat in ieder geval uit de resultaten van een recent milieu hygiënisch bodemonderzoek verricht volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl, in overeenstemming met het onderzoeksprotocol dat volgt uit figuur 1. Als op basis van het onderzoek aanleiding bestaat te veronderstellen dat asbest, daaronder mede begrepen asbestvezels, -deeltjes of –stof, in de bodem aanwezig is, vindt het onderzoek mede plaats op de wijze als voorzien in NEN 5707:2015 nl. 2. De plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport geldt niet als het bouwen betrekking heeft op een bouwwerk dat naar aard en omvang gelijk is aan een vergunningsvrij bouwwerk. 3. Het college staat een geheel of gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport toe als bij het college reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn. 4.

Het college kan een gedeeltelijk afwijken van de plicht tot het indienen van een onderzoeksrapport toestaan voor een bouwwerk met een beperkte instandhoudingtermijn als uit het in NEN 5725, uitgave 2009, bedoelde vooronderzoek naar het historisch gebruik en de bodemgesteldheid blijkt dat de locatie onverdacht is of dat de gerezen verdenkingen een volledig veldonderzoek volgens NEN 5740:2009+A1:2016 nl niet rechtvaardigen. 5. Als het bouwen pas kan plaatsvinden nadat de aanwezige bouwwerken zijn gesloopt, dient het bodemonderzoek plaats te vinden nadat is gesloopt en voordat met de bouw wordt begonnen. Hoofdstuk 6 Omgevingshinder Afdeling 1 Geluidhinder Artikel 6.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

13/46

1. De geluidsnormen bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60,5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 6.5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 7.1 Invoeringsbesluit Omgevingswet jo. artikel 2.3.21.3 Bruidsschat gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer gebieden. 4. Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. 6. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b.

tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. 7. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. 8. De geluidsnorm als bedoeld in lid 6 en 7 is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 9. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek -hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de 5.55, 5.59, 5.60,5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 6.5 van deze verordening - uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de vergunningvoorschriften - te worden beëindigd. 10. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 6.4 Melding incidentele festiviteiten 1.

Het is een milieubelastende activiteit toegestaan maximaal 8 dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 5.55, 5.59, 5.60,5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 6.5 van deze verordening niet van toepassing zijn, mits degene die de milieubelastende activiteit uitvoert ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 2. Het is een milieubelastende activiteit toegestaan om tijdens maximaal twaalf dagen of dagdelen per kalenderjaar incidentele festiviteiten per kalenderjaar in verband met de viering van incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 7.1 Invoeringsbesluit Omgevingswet jo. artikel 2.3.21.3 Bruidsschat niet van toepassing is, mits degene die de milieubelastende activiteit uitvoert ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit daarvan melding heeft gedaan aan het college. 3. De directeur van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord stelt een formulier vast voor het doen van de melding. 4. De melding is gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid ingevuld tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.

De melding wordt geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van degene die de milieubelastende activiteit uitvoert een incidentele festiviteit die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.

14/46

6. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt a. tot 01.00 uur niet meer dan 60 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 40 dB(A), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. tot 01.00 uur niet meer dan 45 dB(A) en na 01.00 niet meer dan 25 dB(A), gemeten binnen woningen. 7. Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr, LT veroorzaakt door de inrichting, bedraagt: a. a. tot 01.00 uur niet meer dan 70 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 50 dB(C), gemeten op de gevel van gevoelige gebouwen op een hoogte van 1,5 meter; b. b. tot 01.00 uur niet meer dan 55 dB(C) en na 01.00 uur niet meer dan 35 dB(C), gemeten binnen woningen. 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek – hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen de 5.55, 5.59, 5.60,5.64, 5.65, 5.66, 5.67, 5.68, 5.69, 5.70, 5.71 en 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 6.5 van deze verordening – uiterlijk om 00.00 uur dan wel het tijdstip zoals is opgenomen in de vergunningvoorschriften, beëindigd. De geluidsnorm is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten. 9.

Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. Artikel 6.5 Onversterkte muziek 1. Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek als bedoeld in artikel 7.1 Invoeringsbesluit Omgevingswet jo. artikel 2.3.4.2.9, eerste lid, onder i Bruidsschat buiten een milieubelastende activiteit, oftewel buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is de in het tweede lid opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a. de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen en/of ruimten niet gelden als de gebruiker van deze geluidgevoelige gebouwen en/of ruimten geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b. de waarden in in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen en/of ruimten, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en andere geluidsgevoelige ruimten. c. bij het bepalen van de geluidsniveaus als vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel dB(A) dB(C)

7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 7.00-19.00 35 dB(A)uur 19.00-23.00 30 dB(A)uur 23.00-7.00 25 dB(A)uur LAr.LT 60 55 50 LAmax op op de de gevel gevel van van gevoelige gevoelige gebouwen gebouwen 70 dB(C) dB(A) 65 dB(C) dB(A) 60 dB(C) dB(A) LAr.LT 45 40 35 LAmax in in inin- en en aanpandige aanpandige gevoelige gevoelige gebouwen gebouwen 55 dB(C) dB(A) 50 dB(C) dB(A) 45 dB(C) dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 80 dB(C) 75 dB(C) 70 dB(C) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 65 dB(C) 60 dB(C) 55 dB(C)

2. Voor de duur van zes uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3. Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing. 4. Onversterkte muziek van carillons is uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 5. Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in de artikelen 6.3 en 6.4.

15/46

Artikel 6.6 Overige geluidhinder 1. Het is verboden, wanneer er geen sprake is van een milieubelastende activiteit, oftewel buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen, waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde categorieën van toestellen of geluidsapparaten, voor zover wordt voldaan aan de door het college vastgestelde voorschriften ter voorkoming of beperking van (geluid)hinder. 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betreffen: a. het maximale geluidsniveau; b. het aanbrengen van geluidsbegrenzers; c. de situering van de geluidsbronnen; d. de frequentie en tijden van gebruik. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening. Afdeling 2 Lichthinder [Gereserveerd] Afdeling 3 Vuur(werk) Artikel 6.7 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.

In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk van categorie F1, F2 of F3 dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. 2. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een aangewezen plaats in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast. De gemeenteraad delegeert het aanwijzen van deze plaatsen aan het college. 3. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. 4. De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 6.8 Carbid schieten 1. Het is verboden acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen in een al dan niet afgesloten vat, bus, fles of dergelijk voorwerp op explosieve wijze te verbranden. 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. 3. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het Wetboek van Strafrecht. Artikel 6.9 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.

Het is verboden, zonder vergunning van het college, in de open lucht afvalstoffen te verbranden buiten een milieubelastende activiteit oftewel buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven en vuren ten behoeve van hottubs indien geen afvalstoffen worden verbrand;

16/46

c.

vuur voor koken, bakken en braden, voor zover dat geen gevaar, onaanvaardbare overlast of hinder voor de omgeving oplevert. 3. De vergunning kan worden geweigerd: a. in het belang van de openbare orde en veiligheid; b. ter bescherming van de woon- en leefomgeving; c. ter bescherming van flora en fauna; 4. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht, Wet milieubeheer, Omgevingswet, Besluit bouwwerken leefomgeving of de Provinciale omgevingsverordening. Afdeling 4 Ontsiering en Stankoverlast Artikel 6.10 Plakken en kladden 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2. Het college kan locaties van aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 3. Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Artikel 6.11 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren 1. Degene die de zorg voor een dier heeft, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of voor de omgeving hinder veroorzaakt. 2.

Het college kan wanneer er geen sprake is van een milieubelastende activiteit, of te wel buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of beëindiging van overlast of van schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: a. aanwezig te hebben; of b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of van schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; of c. aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven; of d. te voeren. 3. Het is verboden op een krachtens het tweede lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren a. aanwezig te hebben, dan wel b. aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, c. dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven, dan wel d. te voeren. 4. Het college wijst de in lid 2 en 3 bedoelde plaatsen aan. Artikel 6.12 Verbod reclame zonder vergunning 1. Het is verboden zonder vergunning van het college handelsreclame te maken of te voeren in welke vorm dan ook die vanaf de weg of vanaf een andere voor publiek toegankelijke plaats zichtbaar is. 2.

Het college kan regels opstellen ten aanzien van gebieden en/ of categorieën reclame waar het verbod als bedoeld in het eerste lid niet van toepassing is. 3. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 kan een vergunning worden geweigerd: a. indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van omgevingskwaliteit; b. in het belang van de verkeersveiligheid; c. in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

17/46

4. Onverminderd het eerste tot en met derde lid, is het verboden handelsreclame te maken of te voeren in welke vorm dan ook waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 5. De verboden in het eerste en vijfde lid zijn niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging. Hoofdstuk 7 Buitenruimte Afdeling 1 Wegen Artikel 7.1 Voorwerpen op of aan de weg 1. Het is verboden, zonder vergunning van het college, de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. 2. Een vergunning kan worden geweigerd indien het gebruik a. schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van omgevingskwaliteit; c. zorgt voor overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak; d. in strijd is met de openbare orde, openbare veiligheid, volksgezondheid of bescherming van het milieu. 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor: a. evenementen en terrassen als bedoeld in de Algemene plaatselijke verordening Hoorn; b.

standplaatsen en reclame-uitingen als bedoeld in deze verordening; c. voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden openbaard. 4. Het college kan nadere regels vaststellen ten aanzien van het plaatsen van voorwerpen of stoffen waarvoor het verbod in het eerste lid niet geldt. 5. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 7.2 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat. Artikel 7.3 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden verleend door het college; 3.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam publieke werkzaamheden worden verricht en/of de werkzaamheden niet in strijd zijn met het (tijdelijke) omgevingsplan; 4. Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 7.4 Maken of veranderen van een uitweg 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2. In aanvulling op het bepaalde in artikel 1.6 kan de vergunning worden geweigerd:

18/46

a. b. c. d. e.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg; doelmatig gebruik of bruikbaarheid voor van de weg; indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats; indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen; f. ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving. 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening. Afdeling 2 Water Artikel 7.5 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1. Het is verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, als dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.

Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk vier weken tevoren een melding aan het college. 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp. 4. Van de melding wordt kennis gegeven op de in de gemeente gebruikelijke wijze van bekendmaking. 5. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet. Artikel 7.6 Ligplaats vaartuigen buiten havengebied 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het bevoegd gezag aangewezen gedeelten van openbaar water buiten het havengebied. 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van openbaar water: a.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Hoorn&id=88d1e5cf-a632-429d-84af-065a4515945d