Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp 1
Tekst van het document
Gelet op de aard en omvang van dit project in vergelijking met Wet Milieubeheer beschreven categorie‘n, kan worden aangenomen dat het project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan de luchtverontreiniging. Voor een provinciale weg wordt daarnaast onderzoekszone waarin luchtkwaliteitsonderzoek nodig is gehanteerd van 50 meter. Gezien de geruime afstand tot de enige provinciale weg is dit niet van toepassing. Daarnaast zijn er geen bedrijven gelegen die door het voorgenomen plan worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Zodoende kan worden geconcludeerd dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.9
Externe veiligheid
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico’s die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. Hiervoor heeft de RUD een inventarisatie verricht, deze is hier beknopt opgenomen. De volledige inventarisatie is te vinden in Bijlage 2 Externe veiligheid A.
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 30
30 maart 2021
Risicokaart
Er bevinden zich in de directe omgeving van het plangebied enkele risicobronnen. In noordelijke richting van het plangebied ligt op circa 100 meter vanaf de kerk een LPG-tankstation. In westelijke richting ligt een hoge druk aardgastransportleiding van Gasunie. Ten zuiden van de woonwijk Wolfsbos ligt de rijksweg A37, een route waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De buisleiding heeft een invloedsgebied van 70 meter. De grens van de planlocatie ligt op ruim 105 meter van de buisleiding. Hieruit volgt dat de hoge druk aardgasleiding niet relevant is voor deze ruimtelijke ontwikkeling. Daarnaast bedraagt het invloedsgebied van de A37 355 meter. Het plangebied is gelegen op ca. 380 meter vanaf de A37. Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling buiten het invloedsgebied van de A37 ligt en het aspect externe veiligheid hier niet aan de orde is. Het woon- zorggebouw wordt beschouwd als een zeer kwetsbaar object. Daarom moet worden getoetst aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Het ruimtelijk plan voldoet aan de grens- en richtwaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Het zeer kwetsbare gebouw, zijnde het gastenverblijf met 24 uurszorg is binnen het invloedsgebied en het explosieaandachtsgebied geprojecteerd.
Van uit externe veiligheid beoordeeld is een dergelijke ontwikkeling ongewenst, tenzij er aan het gebouw of in het overdrachtsgebied zodanige maatregelen worden getroffen waarmee wordt voorkomen dat binnen het gebouw slachtoffers kunnen ontstaan als gevolg van een calamiteit bij het LPG-tankstation. De Veiligheidsregio Drenthe (VRD) is verzocht om een inventarisatie op stellen aangaande het invloedsgebied van het LPG-station. Beoordeeld wordt dat de personen woonachtig in het zorggebouw niet zelfredzaam zijn. Hierdoor is men niet in staat, wanneer men bij een scenario snel wordt gewaarschuwd, te vluchten tot buiten de letaliteitsgrens. Daarom gaat de VRD vanwege de beperkte zelfredzaamheid uit van de ‘bescherming’ van de bewoners van het woon- zorggebouw. Daarop doen zij de aanbeveling om het kerkgebouw (als beperkt kwetsbare functie) tussen het LPG-tankstation en het woon- zorggebouw te behouden. Hierdoor ‘beschermd’ het kerkgebouw de minder zelfredzamen in het woon- zorggebouw en wordt voldoende voldaan aan eisen vanuit externe veiligheid. De volledige inventarisatie is te vinden in Bijlage 3 Externe veiligheid B. Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 31
30 maart 2021
Tot slot voegt voorgenomen ontwikkeling zelf geen risicobron aan het plangebied toe. Een en ander brengt met zich mee dat het project in overeenstemming is met wet- en regelgeving aangaande de externe veiligheid.
5.10
Verkeer en vervoer
In Het Gastenhuis wonen mensen die geen auto (meer) rijden, personeel komt bij voorkeur uit de directe omgeving (met de fiets). Het zorgechtpaar woont “aan huis”. Het bezoeken van bewoners door familie en vrienden kan elke dag op ieder tijdstip. Medewerkers zijn gedurende de dag wisselend aanwezig in het rooster. Ervaring in andere Gastenhuizen leert dat in totaal 10 parkeerplaatsen op eigen terrein of in de openbare ruimte meer dan voldoende is om aan de behoefte te voldoen. Deze 10 parkeerplaatsen worden gerealiseerd ter plaatse van de bestaande parkeervoorziening en zullen in eigendom van de gemeente Hoogeveen blijven. Daarnaast wordt er voor medewerkers en bezoekers van het Gastenhuis een fietsenstalling gerealiseerd, waarin ruimte is voor circa 10-15 fietsen. Hiermee wordt voorzien in de additionele parkeerbehoefte van personeel en omwonenden uit de directe omgeving, zodat de realisatie van 10 parkeerplaatsen volstaat. Het aspect parkeren is daarmee ruimtelijk goed ingepast. Daarnaast betekend de zeer beperkte verkeersgenererende werking van het Gastenhuis dat de aanwezige infrastructuur meer dan voldoende is. De capaciteit en omvang van de omliggende wegen is ingericht voor het gebruik van de kerk en daarmee ruim voldoende voor de verkeersbewegingen die dit plan met zich mee brengt. Er hoeven zodoende geen wijzigingen in de bestaande infrastructuur te worden gedaan.
5.11
Overig
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiele effecten.
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van vervangende nieuwbouw. Het gebruik van het plangebied wordt niet gewijzigd en blijft binnen de bestemming maatschappelijk. Tevens gaat de nieuwbouw niet gepaard met een uitbreiding van het bebouwde oppervlak. Er is dus geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit mer. Toetsing aan het Besluit mer kan verder achterwege blijven. Voor dit bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 32
30 maart 2021
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridisch systeem
Bij dit bestemmingsplan wordt aangesloten op de plansystematiek van het moederplan ‘Wolfsbos, 2006’. Het beleid en de planuitgangspunten, zoals verwoord in de voorgaande hoofdstukken, hebben in de regels van dit plan hun juridische vertaling gekregen. Daarmee zijn de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied vastgelegd. Het plan is opgesteld conform de landelijke Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012).
6.2
Regels
In de “Bestemmingsregels” zijn de bestemmingen en de gebruik- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. In de “Algemene regels” staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende gebruiksregels en de algemeen geldende afwijkingsregels. In de “Overgangs- en slotregels” staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
6.3
Verklaring van de bestemmingen
Onder de bestemming “Maatschappelijk” vallen in dit geval sociaal-medische voorzieningen. Maar ook ander functies zoals scholen, kinderopvang, gezondheidszorg, religieuze, levensbeschouwelijke, educatieve, culturele voorzieningen kunnen er gevestigd worden. Verder is er binnen dit plan de bestemming “Verkeer”. De bestemming verkeer is hoofdzakelijk opgenomen ten behoeve van het parkeren, maar ook functies als wegen en (fiets)paden kunnen hieronder vallen.
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 33
30 maart 2021
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 34
30 maart 2021
Hoofdstuk 7 7.1
Uitvoerbaarheid
Inspraak en overleg
In de toelichting van een bestemmingsplan moet ook zijn neergelegd een beschrijving van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Provincie Drenthe Er is vooroverleg met de provincie Drenthe gevoerd om te toetsen of voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de voorwaarden en ambities zoals beschreven in de Omgevingsvisie Drenthe 2018. De provincie Drenthe heeft aangegeven in haar vooroverleg reactie akkoord te zijn met voorliggend bestemmingsplan. Waterschap Drents Overijsselse Delta Ten behoeve van de toetsing aan de uitgangspunten van het Waterschap Drents Overijsselse Delta is de online Watertoets doorlopen. Hieruit komt naar voren dat de korte procedure doorlopen dient te worden. Onderdeel hiervan is een vooroverleg met het waterschap betreffende voorgenomen ontwikkeling. Naar aanleiding van de vooroverleg reactie is de waterparagraaf tekstueel verder uitgewerkt. Burgerparticipatie In het kader van burgerparticipatie heeft de initiatiefnemer voorafgaand aan de tervisielegging direct omwonenden per brief geïnformeerd over de planontwikkeling. Daarnaast zullen voorgenomen plannen via de gemeentelijke website en het lokale huis-aan-huis-blad 't Torentje worden gepubliceerd. Zienswijzen Het voorliggend bestemmingsplan zal als ontwerp gedurende een periode van 6 weken ter visie worden gelegd.
Binnen deze termijn is eenieder in de gelegenheid een zienswijze op het plan in te dienen.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. De economische uitvoerbaarheid komt volledig voor de rekening van de initiatiefnemer. De gemeente Hoogeveen en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst afgesloten, waarin de gemeentelijke kosten zijn opgenomen. Daarnaast wordt als onderdeel van de anterieure overeenkomst ook een planschade overeenkomst gesloten, waardoor de gemeente planschadeclaims bij de initiatiefnemer kan verhalen.
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 35
30 maart 2021
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 36
30 maart 2021
Bijlagen bij toelichting
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 37
30 maart 2021
Bijlage 1
Natuurwaarden onderzoek
Wolfsbos, deelplan Leeuweriklaan 33-35, 2020 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8008004-ON01 38
30 maart 2021
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Leeuweriklaan 33-35 Hoogeveen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel
BTW-ID: E: Tel:
Opdrachtgever:
Projectnummer en versie: 2539 versie 1.0 Veldmedewerker(s):
Auteur:
Status: definitief Rapportdatum: 22-4-2020
Ligging projectgebied: Leeuweriklaan 33-35 Hoogeveen
1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1 Inleiding ......................................................................................................................................... 5 Hoofdstuk 2 Het plangebied .............................................................................................................................. 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3 Voorgenomen activiteiten ............................................................................................................. 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ...............................................................................................................
8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 Hoofdstuk 4 Gebiedsbescherming ..................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Natuurnetwerk Nederland ....................................................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 12 Hoofdstuk 5 Soortenbescherming; het onderzoek .......................................................................................... 13 5.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 13 5.2 Methode .................................................................................................................................................
13 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 15 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 21 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 Hoofdstuk 6 Conclusies .................................................................................................................................... 22
2
SAMENVATTING Algemeen Er zijn concrete plannen voor herontwikkeling van een perceel aan de Leeuweriklaan 33-35 te Hoogeveen. De in het plangebied aanwezige bebouwing wordt gesloopt om ruimte te maken voor de nieuwbouw van een gastenhuis. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 21 april 2020 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen en foerageergebied van vogels met jaarrond beschermde nesten zoals huismus en steenuil. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk Nederland en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Drenthe. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging van het plangebied op enige afstand van het meest nabijgelegen het Natura2000-gebied (Mantingerzand), is het niet aannemelijk, dat voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht om de wettelijke consequenties vast te kunnen stellen. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in de toegankelijke gebouwen, bezetten sommige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een verblijf- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)verblijfplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden. Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van verblijf- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
3
Samenvattende conclusie Het plangebied bestaat uit bebouwing, omgeven door een parkachtige omgeving met solitaire bomen, gazon, struiken, heesters en vaste planten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten, zoals vleermuizen, grondgebonden zoogdieren, amfibieën en vogels. Mits bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties. Voor de beschermde dieren die mogelijk gedood worden, en waarvan de vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats mogelijk beschadigd of vernield wordt, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen omdat de werkzaamheden uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek (visuele inspectie) kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het gebouw niet uitgesloten worden. De bouwstijl (apart gebouw) en potentiële invliegopeningen, maken het gebouw tot een potentiële verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
4
HOOFDSTUK 1 INLEIDING Er zijn concrete plannen voor herontwikkeling van een perceel aan de Leeuweriklaan 33-35 te Hoogeveen. De in het plangebied aanwezige bebouwing wordt gesloopt om ruimte te maken voor de nieuwbouw van een gastenhuis. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd de wettelijke consequenties van de wenselijke ontwikkeling, in het kader van soort- en gebiedsbescherming, in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2 HET PLANGEBIED 2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Leeuweriklaan te Hoogeveen (Leeuweriklaan 33 en 35). Het ligt in de stad Hoogeveen en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron afbeelding: pdok.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een kerkgebouw, gebouwd in 1970, met aangebouwde pastorie en woning. alle bebouwing in het plangebied is gebouwd van bakstenen. De aanbouw aan de kerk bestaat uit een enkele bouwlaag met plat dak. De bakstenen buitengevels beschikken over een (holle) spouw. De staat van onderhoud van de gebouwen is redelijk; de gebouwen zijn wind- en waterdicht, maar in de buitengevels van het kerkgebouw zijn een aantal forse scheuren zichtbaar. Rondom de gebouwen is een parkachtige tuin aanwezig met solitaire bomen, gazon, heesters, klimop en sierplanten. Voor een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok). 6
HOOFDSTUK 3 VOORGENOMEN ACTIVITEITEN 3.1 Algemeen Het voornemen bestaat om alle bebouwing in het plangebied te slopen en nieuwe bebouwing (gastenhuis) in het plangebied te bouwen. Mogelijk wordt een deel van de aanwezige erfverharding en beplanting verwijderd. De solitaire loofbomen rondom de bebouwing worden in het nieuwe plan ingepast. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld van het plan weergegeven.
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: B+O)
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Slopen bebouwing; Verwijderen erfverharding en beplanting; Bouwrijp maken bouwplaats; Bouwen nieuwbouw; Het effect van het feitelijke gebruik van de inrichting wordt in deze studie niet onderzocht. Daarvoor worden aparte onderzoeken uitgevoerd, waaronder een stikstofberekening.
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
7
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar in een gebied rondom het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
HOOFDSTUK 4 GEBIEDSBESCHERMING 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN (voorheen EHS). Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.
De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Drenthe. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v.
het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 2,1 kilometer afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
9
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de ligging ten opzichte van Natura2000gebied, is een negatief effect, als gevolg van de uitvoering van fysieke werkzaamheden uitgesloten. Als gevolg van de uitvoering van de voorgenomen activiteiten zijn effecten zoals geluid, trillingen en optische verstoring niet waarneembaar in Natura2000-gebied. Ook wordt het areaal Natura2000-gebied niet verkleind en wordt grond- en oppervlaktewater niet aangetast. Beoordeling Stikstof Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een voor verzuring gevoelig Natura2000-gebied. Als gevolg van de inzet van materieel met een verbrandingsmotor, zoals een mobiele kraan, hijskraan en betonpomp en als gevolg van transportbewegingen tijdens de ontwikkel- en gebruiksfase, vindt er enige emissie van stikstof(oxiden) plaats. Deze emissie is echter vrij gering en het plangebied ligt op dusdanige afstand van stikstofgevoelige Habitattypen, dat het niet aannemelijk is dat uitvoering van de voorgenomen activiteiten zal leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied. Een stikstofberekening (met behulp het computerprogramma Aerius Calculator), wordt niet noodzakelijk geacht om duidelijkheid gegeven over de wettelijke consequenties.
Wettelijke consequenties Omdat aangenomen wordt, dat voorgenomen activiteiten niet zullen leiden tot een negatief effect op Natura2000-gebied, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Drenthe. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging van het plangebied op enige afstand van het meest nabijgelegen het Natura2000-gebied (Mantingerzand), is het niet aannemelijk, dat voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht om de wettelijke consequenties vast te kunnen stellen.
12
HOOFDSTUK 5 SOORTENBESCHERMING; HET ONDERZOEK 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uit bebouwing, omgeven door een parkachtige omgeving met solitaire bomen, gazon, struiken, heesters en vaste planten. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar mogelijk behoort het plangebied tot potentieel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 21 april 2020 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; NDFF Verspreidingsatlas; Het weer tijdens het veldbezoek Onbewolkt, droog, temperatuur 18⁰C, wind 3-4 Bft
1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 13
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels, omdat sommige vogels in deze tijd van het jaar wel territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen, en sommige soorten een bezet nest hebben, maar nog niet alle trekvogels zijn teruggekeerd zijn uit hun overwinteringsgebieden. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties.
Verschillende grondgebonden diersoorten bezetten de voortplantingsplaats en hebben zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.
Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar zomerverblijfplaatsen van vleermuizen en beperkt geschikt voor onderzoek naar winterverblijfplaatsen. In deze tijd van het jaar bezetten de meeste vleermuizen nog de winterrustplaats en zitten dan diep weggekropen in gebouwen, andere bouwwerken (kelder/grotten) of holle bomen. Sommige winterverblijfplaatsen kunnen bezocht worden en daarbij kan de aanwezigheid van overwinterende vleermuizen vastgesteld worden, maar de meerderheid van vleermuizen verblijft op een onbekende plek, vermoedelijk diep weggekropen in een gebouw, bouwwerk of boom. Gewone dwergvleermuizen hebben in de periode half augustus-half september de massawinterverblijfplaatsen bezocht tijdens de donkere uren van de nacht (zogenaamde middernachtzwermen), wat soms nog zichtbaar is door de aanwezige uitwerpselen en urine op muren, ramen en op de grond nabij de invliegopening(en). Gewone dwergvleermuizen kunnen al wel (kortstondig) actief zijn in deze periode van het jaar en de zomerverblijfplaatsen bezetten. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in het plangebied duiden.
Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied.
Amfibieën De onderzoeksperiode is redelijk geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Verschillende amfibieënsoorten, zoals gewone pad, rugstreeppad, heikikker, bruine kikker, kamsalamander en kleine watersalamander hebben de winterverblijfplaats verlaten en bezetten de land- of voortplantingsbiotoop, maar een deel van de ‘groene kikkers’ en de boomkikker, zit nog diep weggekropen in de 14
winterverblijfplaats. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied wordt als functioneel leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er ieder voortplantingsseizoen vogels in nestkastjes, in opgaande beplanting en tussen dichte vegetatie op de grond. Er zijn in het plangebied geen huismussen waargenomen en de bebouwing in het plangebied wordt niet als potentiële nestplaats voor huismussen beschouwd (ontbreken dakpannen). Vogelsoorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn heggenmus, roodborst, winterkoning, vink, tjiftjaf, zwartkop, merel, houtduif, koolmees, pimpelmees, Turkse tortel en groenling. Er zijn in het plangebied geen roofvogelnesten (sperwer) of potentiële nesten van de ransuil waargenomen. De bebouwing wordt niet als potentiële nestplaats van de gierzwaluw beschouwd. Potentiële nestplaatsen, zoals holle ruimtes onder dakpannen, ontbreken in het plangebied. Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield.
Als gevolg van het vernielen van een bezet vogelnest worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels gedood. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten en het wenselijke eindbeeld, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat grondgebonden zoogdieren een rust- en/of voortplantingslocatie bezetten in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied echter wel als functioneel leefgebied van verschillende grondgebonden zoogdiersoorten beschouwd. Mogelijk benutten soorten als egel, bosmuis, huisspitsmuis, konijn en steenmarter de buitenruimte als foerageergebied en mogelijk bezetten bosmuis en huisspitsmuis er ook een vaste verblijf- en voortplantingsplaats. Voorgenoemde soorten kunnen een verblijf- en/of voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder groen(afval) en in/onder opgeslagen spullen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de egel of steenmarter een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezet.
De gebouwen zijn niet toegankelijk voor de steenmarter en potentiële verblijfplaatsen, zoals een houthok, ontbreken in het plangebied. Geschikte (winter)verblijfplaatsen voor de egel, zoals een takkenbos of dik strooiseldek, ontbreken in het plangebied.
15
Door het rooien van beplanting en het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Uitvoeren grondverzet;
Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een verblijfplaats in het plangebied bezetten. De aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in de te slopen bebouwing kan echter, op basis van het uitgevoerde onderzoek, niet uitgesloten worden. De te slopen bebouwing beschikt over een gemetselde buitenmuur met (holle) spouw en op meerdere plekken zijn potentiële invliegopeningen waargenomen die vleermuizen kunnen benutten om de spouw te betreden. Aan de noordzijde van het kerkgebouw zijn open stootvoegen en is een schuur in de buitengevel waargenomen, en in de laagbouw zijn open stootvoegen en kieren rond de kozijnen waargenomen die vleermuizen in staat stellen de spouw te betreden.
Potentiële invliegopeningen in de buitengevel van de kerk.
Kieren in de laagbouw.
16
Vleermuizen kunnen de bebouwing benutten als zomer-, kraam-, paar en winterverblijfplaats. Door het slopen van de bebouwing wordt mogelijk een vleermuis verstoord en gedood en wordt mogelijk een verblijfplaats vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing (hele jaar); Foerageergebied De buitenruimte van het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Mogelijk foerageren soorten als laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis rond de randen en kronen van de opgaande beplanting en rond de bebouwing. Vanwege de kleine oppervlakte, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied beperkt. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de betekenis van het plangebied als foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen.
Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen en gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt de buitenruimte van het plangebied als geschikt functioneel leefgebied voor amfibieën beschouwd. Vermoedelijk benutten soorten als bastaardkikker, gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander de buitenruimte als foerageergebied en mogelijk bezetten ze er een winterverblijfplaats. Potentieel voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een winterverblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder groen(afval), strooisel, bladeren en opgeslagen materialen. Door het rooien van beplanting en het uitvoeren van grondverzet, wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een winterverblijfplaats vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen plannen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting (hele jaar); - Uitvoeren grondverzet (hele jaar); Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen.
Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
17
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Drenthe van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op doden voor sommige beschermde soorten, mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Dit kan de Gedragscode Ruimtelijke Ontwikkeling en Inrichting zijn van Stadswerk (2016).
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
18
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten (met eieren) beschadigd en vernield en worden mogelijk jonge, niet vlieg-vlugge jonge vogels gedood. Voor het verstoren/vernielen van een bezet vogelnest (eieren) of het doden van een vogel, kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De nestplaats van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is niet beschermd. De beplanting dient bij voorkeur gerooid te worden buiten de voortplantingsperiode. Voorgenoemde werkzaamheden mogen wel uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, als geen bezette vogelnesten negatief beïnvloed worden. Vanwege de onoverzichtelijkheid van het plangebied, kan de aanwezigheid van een bezet vogelnest niet uitgesloten worden op basis van een broedvogelscan. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien buiten voortplantingsperiode; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het slopen van de bebouwing, kan niet uitgesloten worden dat vleermuizen verstoord en/of gedood en dat verblijfplaatsen vernield worden. Om vleermuizen te mogen verstoren en om verblijfplaatsen te mogen vernielen, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen te zijn.
Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn jaarrond beschermd. Om de functie van de bebouwing voor vleermuizen vast te kunnen stellen, dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar zomer-, paar-, kraam- en (massa)winterverblijfplaatsen van (gebouwbewonende) vleermuizen. Dergelijk onderzoek dient uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol2. Dergelijk onderzoek bestaat uit zes bezoeken aan het plangebied in de periode half mei – half september. De verplichting voor nader onderzoek komt zowel voort uit Artikel 1.11 (zorgplicht) van de Wet natuurbescherming, alsmede uit het Besluit ruimtelijke ordening. In het kader van een ruimtelijk besluit is het Besluit ruimtelijke ordening van belang (is het project uitvoerbaar?), en t.b.v. de sloop van de gebouwen is inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit van belang om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt. Op basis van de uitkomsten van het nader onderzoek, kunnen de wettelijke consequenties bepaald worden. Indien vleermuizen een verblijfplaats bezetten in het plangebied, dient een ontheffing aangevraagd te worden, alvorens de bebouwing gesloopt mag worden.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied; Essentieel foerageergebied Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot aantasting van essentieel foerageergebied van vleermuizen en leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen;
2
https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol 19
Vliegroute Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot aantasting van een vliegroute van vleermuizen en leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Grondgebonden zoogdieren Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een verblijf- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren niet aangetast. Voor de soorten die een verblijf- en voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de verblijf- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Amfibieën Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een verblijfplaats beschadigd en vernield. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor amfibieën niet aangetast. Voor de amfibieën die een verblijfplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van de verblijf- en voortplantingsplaats’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
20
HOOFDSTUK 6 CONCLUSIES De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Drenthe een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’, en het opzettelijk beschadigen en vernielen van verblijf- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd3. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de Minister goedgekeurde gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Drenthe.
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, en de ligging van het plangebied op enige afstand van het meest nabijgelegen het Natura2000-gebied (Mantingerzand), is het niet aannemelijk, dat voorgenomen activiteiten zullen leiden tot een negatief effect. Nader onderzoek, zoals een stikstofberekening, wordt niet noodzakelijk geacht om de wettelijke consequenties vast te kunnen stellen. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten. Mogelijk nestelen er jaarlijks vogels in de toegankelijke gebouwen, bezetten sommige beschermde grondgebonden zoogdiersoorten er een verblijf- en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)verblijfplaats en bezetten vleermuizen er een verblijfplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden die leiden tot het beschadigen/vernielen van vogelnesten, dienen buiten de voortplantingsperiode uitgevoerd te worden.
Voor de beschermde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een vaste verblijf- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen en vernielen van verblijf- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Vleermuizen en hun verblijfplaatsen zijn jaarrond beschermd. Op basis van het uitgevoerde onderzoek (visuele inspectie) kan de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het gebouw niet uitgesloten worden. De bouwstijl (apart gebouw) en potentiële invliegopeningen, maken het gebouw tot een potentiële verblijfplaats voor verschillende vleermuissoorten. Om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten vast te kunnen stellen dient nader onderzoek uitgevoerd te worden.
3
De lijst met soorten waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling, is per 1-12-2019 aangepast. Egel en kleine marterachtigen vallen dan vermoedelijk niet meer onder de vrijstelling. 22
Bijlagen Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
23
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.