CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting en regels BP Krommewijk 16.pdf

Raadsavond 21 april 2022, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Bestemmingsplan BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord26.722 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 30

4 januari 2022

Uitsnede geluid in Nederland van wegverkeer (Lden) kaart, plangebied (rood), zorgappartementen (blauw), bedrijfswoning (paars) (bron: Atlas voor de leefomgeving)

Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.6

Milieuzonering bedrijven

5.6.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

5.6.2

Onderzoek en conclusie

Op het plangebied bevinden zich reeds hindergevoelige functies ((zorg)wonen) en hinderveroorzakende functies (schapenhouderij). Met voorliggend plan zal deze situatie niet veranderen, maar wel intensiveren. In dit kader is een beoordeling van het aspect geur relevant. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 5.7. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen functies die hinder kunnen ondervinden aan de ontwikkelingen. Zodoende vormt het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 31

4 januari 2022

5.7

Geur

5.7.1

Normstelling

Bij de ontwikkeling van geurgevoelige functies dient getoetst te worden of er op de locatie sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast dient getoetst te worden of de omliggende veehouderijen niet in hun milieu- of planologische rechten wordt geschaad. Het bestemmingsplan maakt de verplaatsing van de bedrijfswoning en 4 zorgappartementen mogelijk. Een bedrijfswoning en zorgappartementen worden gezien als geurgevoelig. Dit geldt ten opzichte van nabij gelegen veehouderijen. Dit is hier echter niet aan de orde. Veehouderijen van derden liggen op ruim voldoende afstand. De bedrijfswoning(en) en zorgappartementen worden niet beschermd tegen geur afkomstig van de eigen veehouderij (schapen en paarden) omdat deze objecten tot dezelfde inrichting behoren. Aan de huidige werkingssfeer van het bedrijf ter plaatse binnen het Activiteitenbesluit verandert niets.

5.7.2

Onderzoek en conclusie

De bedrijfswoning en zorgappartementen die met onderliggend plan mogelijk worden gemaakt zijn verbonden aan het agrarische bedrijf. Derhalve hoeven deze niet getoetst te worden aan de geurbelasting van het eigen bedrijf, wel dienen de veehouderijen in de omgeving beschouwd te worden. Daarnaast wordt er een extra stal op het perceel gerealiseerd. Het aantal dieren zal echter niet toenemen, waardoor de geurbelasting niet vergroot wordt.

De bedrijfswoning wordt voorzien aan de noordzijde van het plangebied en zal verder van de omliggende veehouderijen af komen te liggen ten opzichte van de bestaande (zorg)woningbouw binnen het plangebied. Hierdoor zal het woon- en leefklimaat ter plaatse daarmee voldoende geborgd zijn. De nieuw beoogde zorgappartementen worden voorzien ter hoogte van de bestaande schuur. Deze bebouwing is eerder getoetst aan de Wet Geurhinder en Veehouderijen en ook aan de rechten van de omliggende veehouderijen. Aangezien de zorgappartementen binnen de huidige bebouwing wordt voorzien, zal dit geen negatief effect hebben op de milieu- en planologische rechten van de omliggende veehouderijen.

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van voorliggend plan.

5.8

Milieueffectrapportage (MER)

5.8.1

Normstelling

Voor plannen en activiteiten, die mogelijk belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, kan het noodzakelijk zijn dat een milieueffectrapport wordt opgesteld. In hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage is dit geregeld. Er is een m.e.r.-plicht voor plannen (planMER) en een m.e.r.-plicht voor besluiten. Een plan is plan-m.e.r.-plichtig als het plan kaders stelt voor m.e.r.-plichtige activiteiten. De milieueffectrapportage is bij heel veel (ook kleinere) projecten aan de orde. Hieraan moet in de toelichting van het bestemmingsplan aandacht besteedt worden.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 32

4 januari 2022

5.8.2

Onderzoek en conclusie

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is door Craeft een m.e.r. beoordelingsnotitie opgesteld (zie bijlage 6). Op basis van het Besluit Milieu Effect Rapportage zijn in onderdeel D van de bijlage van dit besluit activiteiten aangewezen waarvoor een m.e.r. beoordelingsplicht geldt. De voorgenomen activiteiten kunnen onder meer betrekking hebben op de gevallen genoemd in categorie D11.2 en D.14 van het besluit. Voor de voorgenomen uitbreiding geldt dat het bevoegd gezag middels een vormvrije M.E.R. dient te beoordelen of voor de activiteiten toch alsnog een M.E.R. rapportage dient te worden opgesteld. Indien uit deze vormvrije M.E.R. beoordeling blijkt dat belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden uitgesloten kan het bevoegd gezag op die basis de verschillende onderdelen van de omgevingsvergunning beoordelen. De voorgenomen activiteiten zijn getoetst en beoordeeld aan de hand van relevante wet- en regelgeving. Samenvattend kunnen de onderstaande conclusies aan de toetsing worden verbonden. De voorgenomen activiteiten zijn passend binnen het geldige bestemmingsplan en de verleende vergunningen.

De activiteiten zijn mogelijk binnen de vereisten gesteld binnen de Wet ruimtelijke ordening, het Besluit Milieueffectrapportage, de Wet Milieubeheer, de Wet Ammoniak en Veehouderij; de Wet Geurhinder en Veehouderij, de Wet Luchtkwaliteit, de Wet natuurbescherming en diverse aanverwante ministeriële regelingen. Mogelijk negatieve stikstofeffecten op de omliggende Vogel- en Habitatrichtlijngebieden zijn uitgesloten door een vermindering van emissie (interne saldering) en een onherroepelijke Wnb-vergunning; Overige milieueffecten zijn voldoende geborgd middels maatregelen op de locatie; Door de combinatie van factoren en een feitelijke verbetering bestaan er geen noemenswaardige risico's voor de volksgezondheid; Er i s geen sprake van cumulatieve effecten.

Op basis hiervan kan, gelet op de kenmerken en plaats van het plan en de kenmerken van potentiële effecten, geconcludeerd worden dat de voorgenomen activiteiten niet zullen leiden tot significant negatieve effecten. Vanwege het ontbreken van belangrijke nadelige effecten is er geen volledige m.e.r. op grond van het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop kan het College van Burgemeester & wethouders van de gemeente Hoogeveen geadviseerd worden om af te zien van een volledige milieueffectenrapportage. Het aspect MER vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

5.9

Luchtkwaliteit

5.9.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven.

Tabel Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof stikstofdioxide (NO2 )

Toetsing van jaargemiddelde concentratie

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

Grenswaarde 40 µg/m³

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 33

4 januari 2022

fijn stof (PM1 0)

jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

fijn stof (PM2,5)

40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die i s vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 bij twee ontsluitingswegen.

5.9.2

Onderzoek en conclusie

De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is = 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het plan voorziet per saldo in de toevoeging van vijf (zorg)woningen en zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Verdere toetsing van het plan is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens een overschrijding berekend. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Hiervoor is de waarde van het meest nabijgelegen rekenpunt gehanteerd. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven.

Kenmerk Stikstofdioxide (NO2 ) fijnstof (PM1 0) zeer fijnstof (PM1 0)

Achtergrondconcentratie (2020, huidig) < 35 µg/m3 < 35 µg/m3 < 20 µg/m3

Achtergrondconcentratie (2030) < 35 µg/m3

Grenswaarde

< 35 µg/m3 < 20 µg/m3

40 µg/m3 25 µg/m3

40 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 34

4 januari 2022

5.10

Externe veiligheid

5.10.1 Normstelling Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.

5.10.2 Onderzoek en conclusie Ten behoeve van voorliggend plan is door RUD Drenthe een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd (zie bijlage 7). In het onderzoek wordt ervan uitgegaan dat er zorg wordt geboden in de vorm van 24-uurs verblijf (begeleid wonen) voorjongeren met een gedragshandicap. Deze doelgroep kan in het kader van externe veiligheid als voldoende zelfredzaam worden beoordeeld. Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn de normen voor externe veiligheid in het Bevb vastgelegd. Nabij de planlocatie liggen vier hoge druk aardgasleidingen van de Gasunie die relevant zijn voor externe veiligheid.

Belemmeringenstrook Op grond van artikel 14 van het Bevb moet, indien een buisleiding binnen het plan aanwezig is, de buisleiding en de zogenaamde belemmeringenstrook van de hoge druk aardgasleidingen op de verbeelding worden weergegeven. De belemmeringenstrook bedraagt 5 meter aan weerszijden van een buisleiding, gemeten uit het hart van de leiding. Tevens is een veiligheidszone opgenomen, welke het hele plangebied omvat. Door toedoen van de aanduiding zijn geen nieuwe objecten c.q. is geen gebruik toegestaan voor verblijf van verminderd zelfredzame personen. Met voorliggend plan wordt zorg geboden in de vorm van 24-uurs verblijf (begeleid wonen) ten behoeve van jongeren met een gedragshandicap. Deze doelgroep kan in het kader van externe veiligheid als voldoende zelfredzaam worden beoordeeld.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 35

4 januari 2022

Ontwikkeling buiten de (potentiële) gas-infrastructuur (Bron: Ontwerpbureau Luijendijk)

Binnen de belemmeringenstrook mogen geen locaties worden bestemd waar bouwwerken kunnen worden opgericht. Daarnaast geldt een vergunningenstelsel voor werken of werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de integriteit en werking van de buisleiding, niet zijnde graafwerkzaamheden als bedoeld in de Wion.

Invloedsgebied buisleidingen Binnen het invloedsgebied van de buisleidingen moet het groepsrisico worden beoordeeld en worden verantwoord. De grootte van de invloedsgebieden varieert van circa 540 tot 580 meter vanaf de buisleidingen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van alle vier de leidingen. Binnen het invloedsgebied, zoals hiervoor vermeld, is tevens de 100% letaliteitszone van belang. Deze zone varieert van circa 200 tot 210 meter vanaf de buisleidingen. Het plangebied ligt eveneens binnen deze zone. In onderstaande figuur wordt de ligging van het invloedsgebied en de 100% letaliteitszone weergegeven van de maatgevende buisleiding A-661.

Ligging invloedsgebied en 100% letaliteitszone buisleidingen A-661 (bron: RUD Drenthe) BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 36

4 januari 2022

Verantwoording groepsrisico Het groepsrisico is met behulp van het rekenprogramma Carola bepaald. Uit deze analyse is gebleken dat het hoogste groepsrisico wordt berekend vanwege de maatgevende buisleiding A-516. De hoogte van het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Daarnaast neemt de hoogte van het groepsrisico vrijwel niet toe. In dit geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Een beperkte verantwoording houdt in dat een onderzoek naar maatregelen die leiden tot een lager groepsrisico niet noodzakelijk is. Dit geldt eveneens voor het uitvoeren van een onderzoek naar alternatieve locaties. Uit de beperkte verantwoording blijkt: Het groepsrisico verandert vanwege de ruimtelijke ontwikkeling nauwelijks en ligt over het algemeen vrij laag; Het gehele plangebied ligt binnen de 100% letaliteitszone, dit heeft tot gevolg dat de hoogte van het groepsrisico alleen binnen het plangebied 15 slachtoffers bedraagt; De oriëntatiewaarde van het groepsrisico wordt niet overschreden; De hoogte van het groepsrisico bedraagt minder dan 10% van de oriëntatiewaarde; Er zijn geen maatregelen noodzakelijk die tot een lager groepsrisico leiden.

In verband met de zelfredzaamheid en hulpverlening is advies ingewonnen bij de VRD. Zij hebben aangegeven dat de rea

5.11

Verkeer en parkeren

Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Een veel gebruikte methode is om de verkeersbewegingen af te stemmen op de parkeernormentabel of de CROW-normering. Er worden één bedrijfswoning en vier zorgappartementen toegevoegd. De zorgcliënten beschikken niet over eigen vervoer. Er wordt daarom uitgegaan van verkeersbewegingen voor de vrijstaande woning, omdat dit de facto hetgeen is wat toegevoegd wordt. Om toch met een worst-case scenario te werken (bijvoorbeeld bezoekers voor de zorgcliënten) zijn maal een factor 5 gedaan. Er wordt uitgegaan van de volgende CROW- verkeersgeneratiecijfers: - Vrijstaande koopwoning: ca. 10,0

Derhalve wordt aangesloten op een verkeersgeneratie van 32 auto's per etmaal over het gehele project. Dit is een worst-case scenario op basis van CROW-cijfers, aansluitend op het beoogde (zorg)woningbouwprogramma. Dit verkeer kan worden opgevangen op de Krommewijk.

Parkeren Met voorliggend plan worden één bedrijfswoning en vier zorgappartementen toegevoegd binnen het plangebied. Zoals hiervoor besproken beschikken de zorgcliënten niet over eigen vervoer. De parkeernorm voor een vrijstaande koopwoning is 2.7. Op het eigen terrein is meer dan voldoende ruimte voor de realisatie van dit aantal parkeerplaatsen. Voorts is voldoende ruimte voor bezoekers om te parkeren. BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 37

4 januari 2022

In de regels van dit bestemmingsplan wordt het gemeentelijk parkeerbeleid juridisch-planologisch vastgelegd. Dit betekent dat bij de omgevingsvergunning voor het bouwen getoetst zal worden of het plan voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Daarmee wordt gesteld dat het aspect 'parkeren' voldoende in dit plan is gewaarborgd. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 38

4 januari 2022

Hoofdstuk 6 6.1

Planbeschrijving

Juridisch systeem

Als opzet voor de planologische regeling van dit plangebied wordt zoveel mogelijk aangesloten op de systematiek en de regels uit het moederplan van de gemeente Hoogeveen. Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de nieuwste Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro.

6.2

Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 Verklaring van de bestemmingen nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduidingsregels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. De algemene aanduidingsregels geven de mogelijkheid voor algemene aanduidingen, die als een extra laag over meerdere bestemmingen liggen.

In dit bestemmingsplan betreft dit de 'vrijwaringszone - buisleidingenstraat'. In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.

6.3

Verklaring van de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een verklaring gegeven van de inhoud van de bestemmingen. De bestemmingen worden in alfabetische volgorde besproken.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 39

4 januari 2022

6.3.1

Agrarisch

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor het behoud en herstel van de landschappelijke en natuurlijke waarden, de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, bosbouw, dagrecreatie een bedrijfswoning (als aangegeven), zorgappartementen (als aangegeven) en bijbehorende voorzieningen. Er gelden separate bouwregels voor gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en bijgebouwen. Er kan onder voorwaarden worden afgeweken van de bouw- en gebruiksregels.

6.3.2

Leiding - Gas

De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van een ondergrondse hogedruk gastransportleiding. Er mogen enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 40

4 januari 2022

Hoofdstuk 7

Uitvoerbaarheid

7.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1.1

Overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voert het college van burgemeester en wethouders, dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan, overleg met andere bestuursorganen van bijvoorbeeld buurgemeenten, het waterschap en de provincie. Het overleg tussen de bestuurlijke instanties dient in een redelijke verhouding te staan tot de aard en omvang van het bestemmingsplan. Het overleg dient dan ook beperkt te blijven tot die overheidsinstanties waarmee overleg werkelijk noodzakelijk is om te voorkomen dat de taak of verantwoordelijkheid van het andere overheidsorgaan ontoelaatbaar wordt beperkt, of dat het door dat orgaan te behartigen belang aantoonbaar wordt benadeeld. Voor het bestemmingsplan zijn de provincie Drenthe, het waterschap WDO Delta, de gasunie, Rendo en de VRD benaderd. Het waterschap laat in de reactie weten dat als de uitgangspuntennotitie nog wordt toegevoegd het bestemmingsplan akkoord is. De notitie is als bijlage bij de toelichting toegevoegd. Met de gasunie is nader contact geweest over de leidingsstrook. Na een toelichting konden zij akkoord gaan met de plannen. Wel moet er aandacht zijn voor het aanplanten van diepwortelende pbelanting nabij gasleidingen. De overige overleg partners hebben geen bezwaren.

7.1.2

Procedure

Het bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft een ieder de mogelijkheid gekregen een zienswijze in te dienen. Eventuele zienswijzen worden in deze paragraaf besproken.

7.2

Economische uitvoerbaarheid

Op basis van artikel 3.1.6, lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk worden gemaakt door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, omdat er anders sprake is van een oneigenlijke bestemming. Het voorliggende plan wordt gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de ontwikkelaar als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het plan verzekerd van kostendekking, het opstellen van een exploitatieplan is daarom overeenkomstig artikel 6.12, lid 2 onder a. van de Wet ruimtelijke ordening niet nodig. Gesteld kan worden dat er geen verplichting is om tegelijkertijd met de ruimtelijke procedure een exploitatieplan op te stellen. De economische uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan is hiermee aangetoond.

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 41

4 januari 2022

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 42

4 januari 2022

Bijlagen toelichting

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 43

4 januari 2022

Bijlage 1

Bodem- en asbestonderzoek

BG Zuid Hoogeveen, deelplan Krommewijk 16, Nieuweroord ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9000003-ON01 44

4 januari 2022

De Klinker Milieu Adviesbureau

VERKENNEND BODEMONDERZOEK en ASBESTONDERZOEK volgens NEN 5740 en NEN 5707 Krommewijk 16 Nieuweroord

Datum:

15 september 2021

Adviesbureau:

De Klinker BV Verlengde Ooyerhoekseweg 9 7207 BJ Zutphen 0575-517298

Rapportnummer:

K20C471-V2

Opdrachtgever:

Zorgboerderij en Schapenhouderij De Groote BV

Auteur:

Paraaf

Gecontroleerd door

Paraaf

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................2 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................3 2.1 Onderzoekslocatie .....................................................................................................................3 2.2 Terreininspectie.........................................................................................................................3 2.3 Historische informatie ...............................................................................................................4 2.4 Klicmelding ................................................................................................................................5 2.5 Verwachte bodemkwaliteit .......................................................................................................5 2.6 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................5 2.7 Beïnvloeding vanuit de omgeving .............................................................................................6 2.8 Bodemonderzoek noodzakelijk? ...............................................................................................6

2.9 Hypothese en strategie .............................................................................................................6 3 ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................7 3.1 Onderzoeksopzet.......................................................................................................................7 3.2 Veldonderzoek...........................................................................................................................7 3.3 Chemisch onderzoek .................................................................................................................8 4 ONDERZOEKSRESULTATEN ...............................................................................................................9 4.1 Globale bodemopbouw .............................................................................................................9 4.2 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................9 4.3 Veldmetingen ............................................................................................................................9 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest ......................................................9 4.5 Toetsingskader

..........................................................................................................................9 4.5.1 Wet bodembescherming ................................................................................................ 10 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit................................................................................................... 10 4.5.3 Asbest ............................................................................................................................. 11 4.6 Analyseresultaten grond en grondwater ............................................................................... 11 4.7 Grond ...................................................................................................................................... 12 4.8 Grondwater ............................................................................................................................ 12 4.9 Asbest ..................................................................................................................................... 12 4.10 Toetsing hypothese ................................................................................................................ 13 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN .................................................................................................

14 5.1 Conclusies ............................................................................................................................... 14 5.2 Algemeen................................................................................................................................ 14 Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:

Ligging onderzoekslocatie Boorstaten en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten Toetsingstabellen Situering monsterpunten Checklist vooronderzoek

Rapportnummer: K20C471

1

1 INLEIDING In opdracht van Zorgboerderij en Schapenhouderij De Groote BV is door De Klinker Milieu Adviesbureau een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5707 op de locatie Krommewijk 16 te Nieuweroord. Het perceel is kadastraal bekend als:  gemeente Hoogeveen;  sectie K;  perceelnummers 5663, 5661, 3875 en 5560 (ged).. De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 5.299 m2. In bijlage 1 is de regionale ligging opgenomen en bijlage 5 voor een overzicht van de onderzoekslocatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bouw van een woning en het realiseren van zorgappartementen in een bestaande schuur. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het door De Klinker Milieu Adviesbureau gehanteerde kwaliteitssysteem en de toepassing daarvan voldoet aan NEN-EN-ISO 9001 (2008). Tussen De Klinker Milieu Adviesbureau en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. In voorliggende rapportage wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek.

In hoofdstuk 2 worden de tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie, de globale bodemopbouw, de geohydrologische gegevens en de hypotheses weergegeven. Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksopzet en de uitgevoerde werkzaamheden. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten weergegeven in hoofdstuk 4. Tot slot worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 5.

Rapportnummer: K20C471

2

2

VOORONDERZOEK

Onderstaand wordt de informatie gepresenteerd die tijdens uitvoering van het vooronderzoek is verzameld. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. 2.1 Onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Hoogeveen, sectie K, perceelnummers 5663, 5661, 3875 en 5560 (ged). (bron: Kadaster). Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken. De onderzoekslocatie betreft een locatie waar thans een zorgboerderij en schapenhouderij gehuisvest is en ligt ten oosten van het dorp Nieuweroord. De omgeving van de locatie wordt gekarakteriseerd door agrarische terrein. Ten noorden van de locatie stroomt het kanaal ‘Hoogeveense vaart’ en ten zuiden bevindt zich de autosnelweg A37.

Op het erf wordt een woning en op termijn een nieuwe schuur gerealiseerd. Voor het realiseren van de woning wordt een bestemmingsplanprocedure gevoerd (toekennen bouwvlak, de woning betreft een bedrijfswoning). In de meest zuidelijke schuur (bestaand) worden vier zorgappartementen gerealiseerd. Hierdoor wijzigt de functie van agrarisch naar agrarisch met aanduiding 'zorgwoningen'. 2.2 Terreininspectie Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden op 14 januari 2021 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. De onderzoekslocatie is bebouwd met een woning, schuur en loods (foto’s 1, 2 en 3). Het terrein bestaat deels uit gras en is deels verhard met een klinkerverharding en braakliggend terrein (foto’s 4, 5 en 6). Op de panden is deels een asbestverdachte dakbedekking aanwezig. De afvoer van het regenwater vindt grotendeels plaats boven een verhard terreindeel of via een dakgoot (foto 1, 4, 8 en 9). Uitzondering hierop is een klein strookje aan de zuidzijde (zie foto 7). Op het veld is een ‘vuurton’ aanwezig (foto 1) .

Foto 1

Rapportnummer: K20C471

Foto 2

Foto 3

3

Foto 4

Foto 7

Foto 5

Foto 8

Foto 6

Foto 9

2.3 Historische informatie Uit informatie van de gemeente Hoogeveen (Samenwerkingsorganisatie De Wolden Hoogeveen) blijkt dat op de locatie noord eerder bodemonderzoek is uitgevoerd. Ook bij het bodemloket is geen bodemonderzoek geregistreerd. Door de gemeente is een inrichtingstekening aangeleverd van de vergunningsaanvraag uit 1999. Het terrein was toen in gebruik voor stalling van paarden, manege en minicamping. Op de tekening zijn geen verdachte locaties te zien. Uit historische gegevens van www.topotijdreis.nl is waar te nemen dat aan het begin van de vorige eeuw een over het perceel een watergang liep. Na 1920 is deze watergang gedempt en is op deze plek een weg aanwezig. Deze weg is tot ca 2000 in gebruik gebleven. De bebouwing op de locatie is vanaf de jaren ’80 van de vorige eeuw op de locatie aanwezig. Daarvoor had het gebied een agrarische bestemming.

1920

Rapportnummer: K20C471

1931

1962

4

1980

1988

2006

2.4 Klicmelding Voorafgaand aan het veldwerk is een Klicmelding uitgevoerd. Een deel van de onderzoekslocatie ligt n de nabijheid van een buisleiding met gevaarlijke inhoud. Nabij deze buisleiding mogen geen grondwerkzaamheden plaatsvinden zonder toezicht (Eisvoorzorgmaatregel). Op dit deel zijn geen boringen uitgevoerd. Op de onderstaande afbeelding is de ligging van de buis en het gebied waar een Eisvoorzoorgsmaatregel geldt weergegeven.

Gegevens Klicmelding

2.5 Verwachte bodemkwaliteit De locatie is volgens de bodemkwaliteitskaart van Drenthe gelegen in deelgebied Landbouw/natuur met de volgende bodemkwaliteitsklassen: - Ontgravingskwaliteit: Landbouw/natuur - Bodemfunctieklasse: Landbouw/natuur - Toepassingseis: Landbouw/natuur (bron: Bodemkwaliteitskaart Drenthe 2019). Uit de asbestdakenkaart van de provincie Drenthe blijkt dat op de bestaande schuur een asbestverdachte dakbedekking aanwezig is. Daar waar geen regengoot aanwezig is en de asbestdakbedekking afwatert op onbedekte bodem is mogelijk asbest in de bodem aanwezig. Op basis van de terreininspectie blijkt dat dit op één plek het geval is. 2.6 Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B17D1478 van

Rapportnummer: K20C471

5

het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. De bodemopbouw laat zich globaal als volgt beschrijven:

Regionale bodemopbouw (bron: Dinoloket)

De regionale grondwaterstroming is zuidwestelijk (bron: Grondwatertools). 2.7 Beïnvloeding vanuit de omgeving Vanuit de omgeving zijn geen zaken bekend die van invloed kunnen zijn op de bodemkwaliteit van de huidige onderzoekslocatie. 2.8 Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. Uit de locatie inspectie blijkt dat er op één plaats een druppelzone aanwezig is. Deze locatie is separaat onderzocht op de aanwezigheid van asbest (foto 7). Tijdens de veldwerkzaamheden was een vuurton aangetroffen, deze locatie wordt niet als verdacht aangemerkt, er wordt wel een boring geplaatst. Het is niet bekend met welk materiaal de voormalige watergang is aangelegd en de voormalige weg is vehard. De locatie van de voormalige watergang / weg en de bouwlocatie worden gecombineerd onderzocht met het overig terrein. 2.9 Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: geselecteerde deellocaties en strategie

Deellocatie Druppelzone A Overig terrein (incl. bouwlocatie)

Oppervlakte/lengte 5m 5300 m²

Hypothese verdacht onverdacht

verdachte stoffen asbest, toplaag -

strategie* paragraaf 6.4.5 NEN 5707 ONV-NL

* ONV-NL = onverdachte, niet lijnvormige locatie

Indien in de geanalyseerde monsters geen van de onderzochte stoffen aanwezig zijn in een concentratie boven de streefwaarde uit de “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en of de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop) wordt de hypothese onverdacht aangenomen.

Rapportnummer: K20C471

6

3

ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1 Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van 5.299 m2. Het aantal boringen, gaten en peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en NEN 5707 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In tabel 3.1. worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven. Tabel 3.1: Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Locatie

Veldwerk

Analyses

Druppelzone A

1 gat (0,3*0,3*0,1 m)

1x asbest in grond

Overig terrein (incl. bouwlocatie)

12 boringen tot 0,5 m-mv, en 3 boringen tot 2,0 m-mv en 1 peilbuis

2 x Standaardpakket grond (laag 0,0-0,5 m-mv) 2 x Standaardpakket grond (laag 0,5-2,0 m-mv) 1 x Standaardpakket grondwater

De opgeboorde grond wordt in trajecten van maximaal 50 cm bemonsterd, of anders afhankelijk van de veldwaarnemingen en bodemlagen. 3.2 Veldonderzoek In tabel 3.2 worden de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 3.2: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie

Aantal boringen (excl. peilbuizen)

Aantal peilbuizen

Druppelzone A

1 gat (0,3*0,3*0,1 m) (G1)

-

Overig terrein (incl. bouwlocatie)

12 boringen tot 0,5 m-mv (05 t/m 16), en 3 boringen tot 2,0 m-mv (02 t/m 04) en

1 peilbuis (PB01, filterstelling 3,0-4,0 m-mv)

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 14 januari 2021 (boorwerkzaamheden) en op 25 januari 2021 (monsterneming grondwater) door

I.v.m de resultaten is peilbuis 01 op 3

maart 2021 nogmaals bemonsterd door

. Zowel De Klinker Milieu Adviesbureau

als en (certificaat K25343/16).

zijn erkend voor het uitvoeren van deze werkzaamheden

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001, 2002 en 2018. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olie-achtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2.

Rapportnummer: K20C471

7

3.3 Chemisch onderzoek De geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling staan weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling Deellocatie

Monster

Samenstelling

Traject (m-mv)

Analyse

Druppelzone A AMA

A

G1

0-0,1

Asbest in grond

Overig terrein BG1 (incl. BG2 bouwlocatie) OG1

G

01-1, 03-1, 05-1, 06-1, 07-1, 08-1, 09-1

0-0,5

Standaardpakket grond

G

04-1, 12-1, 13-1, 14-1, 15-1, 16-1

0-0,5

Standaardpakket grond

G

02-2, 02-3, 02-4, 03-2, 03-3, 03-4

0,5-2,0

Standaardpakket grond

OG2

G

01-2, 01-3, 01-4, 04-2, 04-3, 04-4

0,5-2,0

Standaardpakket grond

01-1-1

W

PB01

3,0-4,0

Standaardpakket grondwater

01-1-21

W

PB01

3,0-4,0

Zink

G=grond W=grondwater A=grondmonsters i.k.v. asbestonderzoek

Het samenstellen van de mengmonsters en de grond- en grondwateranalyses is uitgevoerd door Eurofins Analytico Milieu te Barneveld (Raad voor de Accreditatie (RvA)- erkend laboratorium (NEN-ENISO/IEC 17025). Tevens is Eurofins Analytico Milieu ISO 14001 (2004) gecertificeerd en AS 3000 erkend. In de onderstaande tabel worden de samenstelling van de standaard analysepakketten weergegeven Tabel 3.4: Samenstelling standaard analysepakketten. Grond

Grondwater

metalen: Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK (10 van VROM))

*

PCB (7)

*

minerale olie

*

*

vluchtige aromaten, incl. naftaleen en styreen

*

vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride, chloorpropanen en bromoform)

*

geleidbaarheid, pH en troebelheid

*

organische stof en lutum

1

*

In verband met de concentratie Zink in het grondwater heeft een herbemonstering plaatsgevonden.

Rapportnummer: K20C471

8

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1 Globale bodemopbouw Een globale beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen onderstaande tabel. Tabel 4.1: Lokale bodemopbouw Diepte [m-mv] 0,0 – 1,0 1,0 – 4,0

Bodemsamenstelling Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus Zand, matig grof, sterk siltig

Opmerkingen -

4.2 Zintuiglijke waarnemingen Op zintuiglijke wijze zijn geen afwijkingen waargenomen welke wijzen op verontreiniging van de bodem. Boringen 04 en 11 t/m 13 zijn geplaatst ter plaatse van de voormalige watergang / weg. Ook hier zijn geen zintuiglijk waarnemingen gedaan welke wijzen op gebruik van bodemvreemd dempings of verhardingsmateriaal. 4.3 Veldmetingen Bij bemonstering van het grondwater uit de peilbuizen is de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De meetresultaten zijn opgenomen in tabel 4.2. Tabel 4.2: Grondwaterstand, zuurgraad, geleidbaarheid en de troebelheid grondwater Peilbuis

Plaatsingsdatum

Bemonsteringsdatum

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

Zuurgraad pH

Geleidbaarheid EGV (µS/cm)

Troebelheid (ntu)

01

14-1-2021

25-1-2021

3,0-4,0

1,3

5,93

1126

19,9

01

14-1-2021

3-3-2021

3,0-4,0

1,45

5,23

1980

n.b.

De troebelheid van het grondwater is hoger dan 10 NTU. Een hoge troebelheid kan invloed hebben op de analyseresultaten. Tevens is de geleidbaarheid en de zuurgraad van het grondwater aan de hoge kant. Geen van de overige gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest Ten tijde van het veldonderzoek heeft een visuele beoordeling van asbest op de bodem plaatsgevonden (maaiveld inspectie). Op het maaiveld is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Op de locatie is 1 gat gegraven. De grond uit het gat is gezeefd en beoordeeld op de aanwezigheid van asbest. In de grond uit het gat is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. 4.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa).

Rapportnummer: K20C471

9

4.5.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde2 tussenwaarde3

= =

interventiewaarde

=

referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek

De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde

= = = =

niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd

De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren.

Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota.

2

Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.

3 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.

Rapportnummer: K20C471

10

Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie (a)

(b)

= = =

Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie

De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X

2

7

16

27

37

Y

1

2

3

4

5

De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X

7

16

27

37

Y

2

3

4

5

4.5.3 Asbest In de circulaire Streef/ en interventiewaarden bodemsanering (Staatscourant 2000, 39) is voor asbest een interventiewaarde opgenomen van 100 mg/kg (gewogen: serpentijnasbestconcentratie vermeerderd met 10 maal de amfiboolasbestconcentratie). Bij concentraties asbest beneden de 100 mg/kg gewogen zijn geen risico’s aanwezig en wordt vastgehouden aan de benadering dat beneden deze norm het materiaal als asbestvrij beschouwd mag worden. Echter bij een verkennend asbestonderzoek kan door de lage intensiteit van het onderzoek niet direct worden getoetst aan de interventiewaarde, maar dient deze waarde gecorrigeerd te worden met factor 2. Indien het asbestgehalte groter is dan de helft van de interventiewaarde is een nader onderzoek asbest verplicht. In de circulaire bodemsanering is aangegeven dat er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging, wanneer er asbest wordt aangetroffen in een concentratie boven de interventiewaarde (onafhankelijk van het volume).

4.6 Analyseresultaten grond en grondwater In tabel 4.3 zijn de analyseresultaten van de grond en grondwater weergegeven en wordt per analysemonster het eindoordeel met betrekking tot de Wet bodembescherming en een indicatieve toetsing ten aanzien van het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4, de toetsingsresultaten in bijlage 5.

Rapportnummer: K20C471

11

Tabel 4.3: Analyseresultaten Monster

Traject

Toetsing Wbb

Toetsing Bbk

[m-mv)

Beoordeling

Kritieke parameter

Beoordeling

-

n.v.t.

Duppelzone A

AMA

0-0,1

-

Grond

BG1

0-0,5

-

AW

BG2

0-0,5

-

AW

OG1

0,5-2,0

-

AW

OG2

0,5-2,0

-

01-1-1

3,0-4,0

+++ ++ +

Zink Barium Kobalt, cadmium, nikkel, naftaleen

n.v.t.

01-1-24

3,0-4,0

+++

Zink

n.v.t.

< Achtergrond-/streefwaarde > Achtergrond-/streefwaarde > Tussenwaarde > Interventiewaarde

AW NT

Grondwater

AW

+ ++ +++

Achtergrondwaarde Niet toepasbaar

4.7 Grond In zowel de boven als ondergrond zijn geen van de onderzochte componenten aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde. 4.8 Grondwater In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte zink en een matig verhoogd gehalte barium aangetroffen. Tevens zijn de concentraties kobalt, cadmium, nikkel en naftaleen licht verhoogd waargenomen. Na een herbemonstering is de concentratie zink nog steeds aanwezig boven de interventiewaarde. In het grondwater is een sterk verhoogd gehalte zink en een matig verhoogd gehalte barium aangetroffen. Normaliter is een sterk of matig verhoogd gehalte een waarde waar nader onderzoek naar nodig is. Echter, in het grondwater is hoge zuurgraad en hoge geleidbaarheid gemeten. De mobiliteit van metalen is afhankelijk van de zuurgraad en redox-potentiaal. Verzuring van de bodem resulteert in een hogere oplosbaarheid van metalen en vermindering van adsorptie. Dit wordt bevestigd doordat ook overige metalen verhoogd zijn aangetroffen. Gezien bovenstaande, en het feit dat in de bodem ter plaatse van de voormalige watergang / weg geen afwijkingen zijn aangetroffen, wordt ervan uitgegaan dat het een natuurlijk verhoogde gehalte en de verhoogde concentraties in het grondwater geen verband houden met de aanwezigheid van de voormalige watergang en weg. 4.9 Asbest In de bodem onder de druppelzone is geen asbest aangetroffen.

4

In verband met de concentratie Zink in het grondwater heeft een herbemonstering plaatsgevonden.

Rapportnummer: K20C471

12

4.10 Toetsing hypothese In de onderstaande tabel staan de hypotheses weergegeven. Tevens wordt aangegeven of deze aangenomen of verworpen kan worden. Tabel 4.4: Toetsing hypotheses Deellocatie Oppervlakte/lengte Druppelzone A 5m Overig terrein 5300 m² (incl. bouwlocatie)

Hypothese verdacht onverdacht

verdachte stoffen asbest, toplaag -

Toetsing verworpen verworpen

Door het niet aantreffen van asbest in de bodem onder de druppelzone kan de hypothese ‘verdachte’ locatie verworpen worden. Door de aangetroffen verontreinigingen in het grondwater dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. De aangetroffen gehalten zijn van dien aard dat de onderzoeksinspanning niet hoeft te worden herzien.

Rapportnummer: K20C471

13

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van Zorgboerderij en Schapenhouderij De Groote BV is door De Klinker Milieu Adviesbureau een bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 en NEN 5707 op de locatie Krommewijk 16 te Nieuweroord. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bouw van een woning en het realiseren van zorgappartementen in een bestaande schuur. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. 5.1 Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  in de grond van het gehele terrein zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen;  het grondwater is sterk verontreinigd met zink, matig verontreinigd met barium en licht verontreinigd met kobalt, cadmium, nikkel en naftaleen;  de grond onder de druppelzone is niet asbesthoudend;  de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Gezien de veldmetingen tijdens de monstername van de peilbuizen én omdat er geen zintuiglijke afwijkingen zijn aangetroffen, wordt ervan uitgegaan dat de verhoogd aangetroffen concentraties zink en barium een natuurlijk verhoogde gehalte betreffen en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is.

Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik. 5.2 Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). De conclusies hebben uitsluitend betrekking op de geselecteerde deellocaties en de geanalyseerde componenten. Gezien het verkennende karakter van dit onderzoek is het, ondanks de zorgvuldigheid waarmee het is uitgevoerd, altijd mogelijk dat eventueel lokaal voorkomende verontreinigingen niet zijn ontdekt.

Rapportnummer: K20C471

14

BIJLAGE 1: LIGGING ONDERZOEKSLOCATIE

Rapportnummer: K20C471

BIJLAGE 2: BOORSTATEN EN ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN

Rapportnummer: K20C471

Boring:

G1

Boring:

01

X:

235188,38

X:

235190,35

Y:

526793,01

Y:

526831,73

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte: Opmerking:

maaiveld Gat druppelzone A

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0 1

0

tuin

20

Zand, matig fijn, zwak siltig, sterk humeus, donker bruinzwart, Schep

0

0

weiland Zand, matig fijn, zwak siltig, zwak humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50 2 100

100

Zand, matig grof, sterk siltig, neutraal bruingrijs, Edelmanboor

3 150 4 200 5 250 6 300 7 350 8 400

400

Boring:

02

Boring:

05

X:

235170,98

X:

235201,28

Y:

526874,62

Y:

526872,77

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

weiland

1 50 2 100

Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, sporen kiezel, licht bruingeel, Edelmanboor, Roest spoortjes op 150 cm-mv

3 150 4 200

Projectcode: K20C471

0

weiland Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50

100

200

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

50

Boring:

03

Boring:

06

X:

235183,33

X:

235183,86

Y:

526840,11

Y:

526862,90

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

weiland

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1

50

weiland

50

50 2 100

100

Zand, matig fijn, matig siltig, sterk humeus, donkerzwart, Edelmanboor

3 150

150

Zand, matig grof, zwak siltig, zwak grindig, licht bruingeel, Edelmanboor

4 200

200

Boring:

07

Boring:

08

X:

235196,26

X:

235168,50

Y:

526847,38

Y:

526849,09

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

weiland

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1

50

50

Boring:

09

Boring:

10

X:

235167,66

X:

235194,52

Y:

526823,04

Y:

526820,77

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50

weiland

50

Projectcode: K20C471

0

weiland Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50

weiland Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1

50

50

0

50

Boring:

04

Boring:

11

X:

235202,53

X:

235162,91

Y:

526807,61

Y:

526808,50

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

klinker

0

Zand, matig grof, zwak siltig, neutraal bruingeel, Edelmanboor

1

klinker Zand, matig grof, zwak siltig, licht bruingeel, Edelmanboor

1

50

50

0

50

50 Zand, matig grof, matig siltig, neutraal blauwgrijs, Edelmanboor

2 100 3 150

150

Zand, matig grof, zwak siltig, neutraal groengrijs, Edelmanboor

4 200

200

Boring:

12

Boring:

13

X:

235184,76

X:

235229,98

Y:

526808,22

Y:

526808,06

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

2

0

Zand, matig grof, zwak siltig, neutraal bruingeel, Edelmanboor

1 50

klinker

40 50

Zand, matig fijn, matig siltig, donker zwartbruin, Edelmanboor

50

50

14

Boring:

15

X:

235163,53

X:

235180,10

Y:

526792,69

Y:

526782,84

Datum:

14-1-2021

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

Zand, matig fijn, matig siltig, neutraal grijsbruin, Edelmanboor

1 50

klinker

50

Projectcode: K20C471

0

tuin Zand, uiterst fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50

klinker Zand, matig grof, zwak siltig, neutraal bruingeel, Edelmanboor

1

Boring:

0

0

50

Boring:

16

X:

235191,99

Y:

526781,59

Datum:

14-1-2021

Maaiveldhoogte:

maaiveld

0

0

Zand, matig fijn, zwak siltig, matig humeus, donker bruinzwart, Edelmanboor

1 50

tuin

50

Projectcode: K20C471

Legenda (conform NEN 5104)

grind

klei Grind, siltig

geur Klei, zwak siltig

geen geur zwakke geur

Grind, zwak zandig

matige geur

Klei, matig siltig

sterke geur Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie Grind, uiterst zandig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11389108/1