CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Noorderweg 5 Tiendeveen def

Raadsavond 4 december 2025, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) omgevingsvergunning Noorderweg 5 Tiendeveen.12.797 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit is geen belemmering voor de realisatie van het project. 4.7.

Bedrijven en milieuzonering

4.7.1

Algemeen

Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijk ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering' Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de 39

Noorderweg 5, Tiendeveen

publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen.

In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht. De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.).

40

Noorderweg 5, Tiendeveen

Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype

De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn. 4.7.2

Onderzoek

Milieuhindergevoelige functie Er wordt geen milieuhindergevoelige functie gerealiseerd. Om die reden hoeft niet gekeken te worden welke invloed nabijgelegen milieubelastende activiteiten hebben op onderhavig plan. Milieubelastende activiteiten Daarentegen is het loonbedrijf wel een milieubelastende activiteit. Er moet derhalve worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies hinder ondervinden van het onderhavige plan als milieubelastende activiteit. Het plangebied wordt gekarakteriseerd als gemengd buitengebied. Rondom de locatie zijn verschillende functies (bedrijven, woningen) aanwezig. Daarnaast heeft de naastgelegen provinciale weg veel impact op de beleving in het gebied. Voor het bepalen van de richtafstand wordt daarom aangesloten bij die voor een gemengd gebied. Hieronder is in een tabel de richtafstand en de daadwerkelijke afstand tot de dichtstbijzijnde woning weergegeven. 41

Noorderweg 5, Tiendeveen

Richtafstand bedrijven en milieuzonering Adres

Omschrijving cf. systematiek

Richtafstand

Werk. afstand

Milieu

VNG-richtlijn

(m)

tot

bepalend

dichtstbijzijnde aspect woning (m) Noorderweg 5

Algemeen (o.a. loonbedrijven):

30

45

Geluid

b.o. > 500 m² De twee te bouwen loodsen zijn bedoeld voor de opslag van het materieel/materiaal wat nu al buiten gestald/opgeslagen staat. Het inpandig opslaan leidt daarmee niet tot een significante verandering/uitbreiding van de bestaande bedrijfsvoering en daarmee de geluidemissie richting omliggende woningen. Eerder mag verwacht worden dat het inpandig stallen/opslaan tot een verbetering ten opzichte van de huidige situatie leidt. Het bedrijf is overigens ook gehouden om te voldoen aan de geluidvoorschriften in het Omgevingsplan. Het voldoen daaraan borgt voor de geluidgevoelige objecten in de omgeving dat er geen geluidhinder optreedt. Naar verwachting zorgt de provinciale weg voor een hoger achtergrondniveau. 4.7.3

Conclusie

Vanuit het oogpunt van de systematiek van het boekje "Bedrijven en milieuzonering" zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8.

Geluid

4.8.1

Algemeen

De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig

42

Noorderweg 5, Tiendeveen

object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: 

de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied;

het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: 

wegen met een of twee rijstroken: 200 meter;

wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.

In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: 

wegen met een of twee rijstroken: 250 meter;

wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter;

wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: 

wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied;

wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.

Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen 43

Noorderweg 5, Tiendeveen

rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden. Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. 4.8.2

Onderzoek

Voorliggende onderbouwing voorziet in het toevoegen van twee loodsen. Er worden geen nieuwe gevoelige objecten gerealiseerd. Daarnaast zal door de toevoeging van

de twee

loodsen geen extra geluidshinder worden veroorzaakt. Eerder zal de geluidemissie minder worden omdat er meer bewegingen/activiteiten inpandig zullen plaatsvinden. Ook zullen de loodsen zorgen voor afscherming richting de omgeving. Dit betekent dat geen akoestisch onderzoek hoeft plaats te vinden vanuit de Wgh. Echter, omvat geluid meer dan alleen de Wgh en wegverkeerslawaai, namelijk ook geluidbelasting in kader van een goede ruimtelijke ordening. Met name in het kader daarvan is een akoestisch onderzoek uitgevoerd; het is als bijlage 7 toegevoegd.

44

Noorderweg 5, Tiendeveen

Het doel van het onderzoek is geweest om te bepalen of de inrichting in de gewenste vorm akoestisch inpasbaar is. Daarvoor is de geluidsbelasting van de inrichting op de omgeving bepaald en is getoetst aan de geluidnormen uit de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering en het Omgevingsplan. Wat de ruimtelijke inpasbaarheid betreft wordt geconcludeerd dat: •

het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet aan de richtwaarde voor het omgevingstype 'rustige woonwijk’;

•

het maximale geluidsniveau voldoet aan de normstelling;

•

de geluidsbelasting ten gevolge van de indirecte hinder voldoet aan de normstelling.

Al met al wordt de inrichting, voor wat betreft geluid, in de onderzochte bedrijfssituaties ruimtelijk inpasbaar geacht. Uit een toetsing aan het Omgevingsplan blijkt dat: •

Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voldoet aan de normstelling uit het Omgevingsplan;

•

het maximale geluidsniveau voldoet aan de normstelling uit het Omgevingsplan.

4.8.3

Conclusie

Het plan is passend binnen de kaders van de Wet Geluidhinder en getuigt, gelet op het akoestisch onderzoek, van een goede ruimtelijke ordening.

4.9.

Externe veiligheid

4.9.1

Algemeen

Op het moment dat er in de nabije omgeving van het plangebied buis- of spoorlijnen liggen waardoor/ over gevaarlijke stoffen vervoerd worden of wanneer er opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt vormt dit mogelijk een belemmering voor de geplande ontwikkeling. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe 45

Noorderweg 5, Tiendeveen

veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt.

Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen 46

Noorderweg 5, Tiendeveen

Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. 4.9.2

Onderzoek

Met behulp van de risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. In figuur 10 is te zien dat het plangebied zich niet in een risicocontour bevindt. Op circa 340 meter van het plangebied bevindt zich een propaanopslag aan de Noorderweg 6a. Op circa 570 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een buisleiding. Ten oosten van het plangebied is een buisleiding gelegen op 876 meter. Voor de buisleidingen geldt dat de afstanden dermate groot zijn, dat dit geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. In de nabije omgeving van het plangebied zijn geen transportwegen gesitueerd waardoor/over gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat externe veiligheid geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

Figuur 5. Afstand plangebied tot risicovolle inrichtingen

47

Noorderweg 5, Tiendeveen

4.9.3

Conclusie

Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavig plan. 4.10.

Verkeer en parkeren

4.10.1 Algemeen In november 2014 is de zogenaamde Reparatiewet BZK 2014 in werking getreden. Deze wet regelt formeel dat de grondslag voor het opnemen van stedenbouwkundige bepalingen in de bouwverordening komt te vervallen. Alle stedenbouwkundige bepalingen uit de bouwverordening moeten worden opgenomen in ruimtelijke onderbouwingen.

Voor parkeren geldt dat in een ruimtelijke onderbouwing

opgenomen dient te worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig moet zijn. In de ruimtelijke onderbouwing moet opgenomen worden hoe bepaald wordt of sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 4.10.2 Onderzoek Verkeer De beoogde loodsen worden enkel gebouwd ten behoeve van opslag van materieel en materialen wat nu buiten gestald staat. De loodsen hebben derhalve geen extra verkeersaantrekkende werking. Het voornemen leidt niet tot een relevante verandering van het aantal verkeersbewegingen. De ontsluiting blijft onveranderd plaatsvinden via de in-/uitrit van het bedrijf en dan via de Noorderweg richting de N374. Het aan- en afkomende verkeer wordt direct opgenomen in het heersend verkeersbeeld van die relatief drukke provinciale weg en onderscheidt zich daarin niet meer van het overige verkeer. Conclusie verkeer Het bedrijfsverkeer wordt op het bedrijfsperceel op een verkeersveilige manier afgewikkeld zonder dat er congestie kan plaatsvinden. Realisatie van de loodsen zal niet

48

Noorderweg 5, Tiendeveen

leiden tot een relevante verandering in de verkeersbewegingen. De aanwezige infrastructuur leent zich voor het aan- en afkomende verkeer.

Parkeren Op het erf is voldoende parkeergelegenheid aanwezig. De twee extra loodsen zorgen niet voor extra parkeerdruk/-behoefte op het terrein. Conclusie parkeren Voorliggend plan zorgt niet voor meer parkeerdruk op het terrein en daarmee is de parkeergelegenheid geen belemmering voor het plan. 4.10.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de ruimtelijke ontwikkeling.

4.11.

Kabels en leidingen

4.11.1 Algemeen In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning dient rekening te worden gehouden met

de

aanwezigheid

van

ondergrondse

planologisch

relevante

leidingen

(hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In

het

plangebied

of

in

de

nabijheid

hiervan

bevinden

zich

geen

aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. 49

Noorderweg 5, Tiendeveen

Rioolleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen rioolleidingen. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen . Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verplichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. 4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachten. 4.12.

M.e.r.

4.12.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats en integrale afweging in deze ruimtelijke onderbouwing te geven. Een omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

50

Noorderweg 5, Tiendeveen

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. 4.12.2 Onderzoek In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel van activiteiten op de Dlijst. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht.

Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben.

51

Noorderweg 5, Tiendeveen

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r., de verwachte milieuhinder en cumulatie met andere projecten), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Eén en ander wordt bevestigd in de in Hoofdstuk 4 opgenomen bespreking van de milieu- en omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. 4.12.3 Conclusie Voorliggend plan is niet m.e.r.-plichtig. Gelet op het plan en de directe omgeving

zijn er

ook geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de ontwikkeling. Het bedrijf valt onder het Besluit Activiteiten Leefomgeving (BAL). Daartoe is eerder een melding AIM gedaan. Deze is als bijlage 9 bijgevoegd.

52

Noorderweg 5, Tiendeveen

Hoofdstuk 5 5.1.

Uitvoerbaarheid

Financiële uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een ruimtelijke procedure dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Bro onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Met de inwerkingtreding van de Wro op 1 juli 2008 is de gemeente verplicht, op grond van artikel 6.12 lid 1 van die wet, tot kostenverhaal bij grondexploitatie. Deze verplichting houdt in dat als de gemeente er bij een ruimtelijke ontwikkeling niet in slaagt met alle particuliere eigenaren in het gebied een overeenkomst te sluiten over grondexploitatie, de gemeente publiekrechtelijk de kosten moet verhalen bij alle eigenaren in het exploitatiegebied waarmee niet is gecontracteerd. Gemaakte kosten (limitatief opgesomd in artikelen 6.2.3 tot en met 6.2.5 van het Bro) zoals plankosten, onderzoekskosten, kosten van inrichting van de openbare ruimte etc. kunnen worden verhaald door middel van een exploitatieplan dat gelijktijdig met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De toepassing voor het afdwingbare kostenverhaal richt zich op bouwplannen. De definitie van wat onder een bouwplan wordt verstaan is opgenomen in artikel 6.2.1 Bro (o.a. bouw van 1 of meer woningen, bouw van 1 of meer hoofdgebouwen). Voorliggende vergunningaanvraag voorziet in de realisatie van twee loodsen. Deze ontwikkeling maakt daarmee geen bouwplan mogelijk in de zin van artikel 6.2.1 Bro.

Het kostenverhaal beperkt zich tot het betalen van leges conform de legesverordening van de gemeente Hoogeveen. 5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, wordt de uitgebreide procedure uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) gevolgd. De procedure hiervoor is opgenomen in artikel 2.12 eerste lid sub a onder 3 van de Wabo. Zo is er verplicht vooroverleg nodig, waarbij gedacht kan worden aan vooroverleg met de

53

Noorderweg 5, Tiendeveen

provincie, het Waterschap en het Drents Landschap. Hierna worden de reacties van deze vooroverlegpartners aangehaald.

Vooroverleg reactie Drents landschap Op 22 april 2025 heeft het Drents Landschap via een aan de gemeente gerichte mail een reactie gegeven. Deze luidt als volgt: “De voorgenomen bouw van de 2 loodsen vindt plaats op een perceel grenzend aan een bosperceel in eigendom van Het Drentse Landschap. Dit perceel is onderdeel van de bossen Tiendeveen waarvoor de Stichting een beheerplan heeft opgesteld, en heeft als beheertype Dennen, eiken, beukenbos (N15.02). Met betrekking tot de bouw van de twee loodsen hebben we de diverse documenten waaronder de ruimtelijke onderbouwing doorgenomen. Op zichzelf hebben we geen bezwaar tegen de voorgenomen bouw van de twee loodsen. Ook de inpassing via groenstructuren lijkt ons juist, al vragen we ons wel af of het verminderde onderhoud op de al bestaande boswal aan de oostzijde van het perceel tot een vlotte ontwikkeling van een groenstructuur zal leiden die de loods uit het zicht brengt: ‘De beheersmaatregel voor de al aangelegde boswal is gericht op het bevorderen van duurzame boomvormers op de wal. Dit gebeurt door zaailingen en opschot van esdoorn, hulst, eik en beuk te vrijwaren’. Naar verwachting geeft het inplanten van de boswal een sneller en beter resultaat.

Verder adviseren we om in de fase van aanleg van de loodsen en later in de fase van gebruik licht- en geluidsoverlast in relatie tot de noordelijk aangrenzende bospercelen zoveel mogelijk te beperken.”

Vooroverleg reactie provincie Drenthe Per brief van 8 april 2025 (kenmerk 1002320-1006232) heeft de provincie een advies uitgebracht. Hieronder de letterlijke weergave daarvan: Landschap De locatie is gelegen in het hoogveenontginningslandschap. Kenmerkend voor dit landschapstype is de strakke orthogonale verkaveling en de regelmaat. Het provinciaal belang is gericht op het behouden en versterken van de samenhang en de openheid met 54

Noorderweg 5, Tiendeveen

de wijken en de rechtlijnige landschapsstructuur. Een vertaling van de rechtlijnige landschapsstructuur in het plan is summier onderbouwd. Het plan trekt de huidige bosrand visueel naar voren. Hierdoor ligt de nieuwe westelijke loods tussen de bosrand en het nieuwe boselement in. Deze boselementen moet wel geborgd worden en daarom adviseren wij aan de omgevingsvergunning een voorschrift te verbinden: De landschappelijke inpassing dient voor aanvang van de werkzaamheden te zijn aangelegd en in stand te worden gehouden. Conclusie Gelet op de inhoud van het plan en bovenstaande aspecten zijn wij van mening dat het provinciaal belang voldoende geborgd is, mits aan de omgevingsvergunning een voorschrift verbonden wordt.

Vooroverlegreactie waterschap Drents Overijsselse Delta Op 9 juni 2025 heeft de gemeente via de mail een reactie van het waterschap ontvangen; inhoudende: “Het waterschap was aan de voorkant voldoende meegenomen en de uitwerking van de watertoets in het plan is ook voldoende. Vanuit ons daarom akkoord en geen aanvullende vragen.”.

Het college van burgemeester en wethouders beslissen op een gegeven moment over het verlenen van de vergunning. Daarna moet de aanvraag zes weken ter visie worden gelegd, waarbij de mogelijkheid aan een ieder wordt geboden voor het indienen van zienswijzen. Na de bekendmaking van het besluit kan beroep worden ingesteld.

55

Noorderweg 5, Tiendeveen

Hoofdstuk 6

Conclusie

In deze ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er, gelet op alle relevante ruimtelijke aspecten, geen belemmeringen zijn voor het toevoegen van twee loodsen. Daarnaast is aangetoond dat het gebruik van beide loodsen geen nadelig effect heeft op het woon- en leefklimaat van de omwonenden.

56

Noorderweg 5, Tiendeveen

Bijlagen

57

Noorderweg 5, Tiendeveen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16268700/1