CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Ruimtelijke onderbouwing Noorderweg 5 Tiendeveen def

Raadsavond 4 december 2025, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) omgevingsvergunning Noorderweg 5 Tiendeveen.12.797 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Ruimtelijke onderbouwing Buitengebied Noord Hoogeveen, Noorderweg 5, Tiendeveen NL.IMRO.0118.2025PB9006011-CO01

Rombou Bezoekadres

: Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle

Postadres

: Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

: 01 oktober 2025

Projectleider

: J.P. Smit ism E. Lamberts

Telefoon

: 08 8236 8236

E-mail

: info@rombou.nl

Inhoudsopgave Ruimtelijke onderbouwin g

Hoofdstuk 1

Inleiding

4

1.1.

Aanleiding

4

1.2.

Ligging en begrenzing van het projectgebied

4

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

6

1.4.

Leeswijzer

7

Hoofdstuk 2

Projectbeschrijving

2.1.

Huidige situatie

2.2.

Beoogde situatie

Hoofdstuk 3

8

8 9

Beleid

11

3.1.

Rijksbeleid

11

3.2.

Provinciaal beleid

15

3.3.

Gemeentelijk beleid

24

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

28

4.1.

Algemeen

28

4.2.

Bodem

28

4.3.

Water

29

4.4.

Erfgoed

4.5.

Ecologie

34

4.6.

Luchtkwaliteit

38

4.7.

Bedrijven en milieuzonering

39

4.8.

Geluid

42

2

Noorderweg 5, Tiendeveen

32

4.9.

Externe veiligheid

45

4.10.

Verkeer en parkeren

48

4.11.

Kabels en leidingen

49

4.12.

M.e.r.

50

Hoofdstuk 5

Uitvoerbaarheid

5.1.

Financiële uitvoerbaarheid

53

5.2.

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

53

Hoofdstuk 6

Conclusie

Bijlagen

3

53

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 2

Watertoets

Bijlage 3

Quickscan flora en fauna

Bijlage 4

Stikstofdepositieberekening gebruiksfase

Bijlage 5

Stikstofdepositieberekening bouwfase

Bijlage 6

Inrichtingstekening met ruimtebeslag bebouwing en bedrijfsterrein

Bijlage 7

Akoestisch onderzoek

Bijlage 8

Weergave waterberging

Bijlage 9

Melding AIM

Noorderweg 5, Tiendeveen

56

Ruimtelijke onderbouwing Hoofdstuk 1 1.1.

Inleiding

Aanleiding

Deze ruimtelijke onderbouwing heeft betrekking op een in hoofdzaak agrarisch loonbedrijf dat is gevestigd aan de Noorderweg 5 in Tiendeveen. Initiatiefnemer is voornemens om twee loodsen te realiseren. Deze zijn hoofdzakelijk nodig om het in gebruik zijnde materieel en materiaal inpandig te kunnen stallen/opslaan. Voor de invoering van de Omgevingswet is een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. Vergunningverlening daarvan is niet mogelijk binnen de bestemmingsregels of met de afwijkingsregels die het bestemmingsplan biedt. Met behulp van een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan kan de gemeente medewerking verlenen aan het bouwplan. Voor het buitenplans afwijken geldt de uitgebreide procedure. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing toont aan dat de afwijking gelijk staat aan een 'goede ruimtelijke ordening' en daarom vanuit ruimtelijk oogpunt verantwoord is. 1.2.

Ligging en begrenzing van het projectgebied

Het plangebied is gelegen aan de Noorderweg 5 te Tiendeveen. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Hoogeveen, sectie S en nummers 1627, 1624 en 1491.

4

Noorderweg 5, Tiendeveen

Figuur 1 geeft het plangebied weer. Figuur 2 geeft de ligging van het plangebied ten opzichte van Hoogeveen weer.

Figuur 1. Luchtfoto van het plangebied

Figuur 2. Ligging van het plangebied t.o.v. de omgeving

5

Noorderweg 5, Tiendeveen

1.3.

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied is gelegen binnen het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Noord”. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 22 november 2007 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Drenthe op 26 maart 2008. In figuur 3 is te zien dat ter plaatse van het plangebied de enkelbestemming ''Landelijk gebied II'' geldt met een functieaanduiding ''bedrijven categorie B1''. Dit zijn niet agrarische bedrijven die een relatie hebben met het buitengebied (bijvoorbeeld een agrarisch loonbedrijf).

Figuur 3. Uitsnede bestemmingsplan In 2012 heeft de gemeente een Wabo-projectbesluit, op grond van artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo, genomen voor het afgeven van een vergunning voor de verlenging van een loods en een nieuwe loods voor het loonbedrijf. De locatie van één van de nu aangevraagde loodsen ligt in het plangebied van dat projectbesluit.

6

Noorderweg 5, Tiendeveen

Strijdigheid Volgens de voorschriften mogen de bedrijfsgebouwen binnen de planperiode met 10 % worden uitgebreid. In het bestemmingsplan is nog een vrijstellingsmogelijkheid aangegeven tot een uitbreiding met 25%. Een verdere vergroting is mogelijk, maar uitsluitend na goedkeuring door Gedeputeerde Staten en als de bedrijfseconomische noodzaak is aangetoond. Omdat de uitbreiding met bedrijfsgebouwen (inclusief een eerdere vergrotinjg in de planperiode) groter is dan de eerder genoemde 25% kan het niet middels een binnenplanse bestemmingsplanmogelijkheid worden vergund. Omdat voorliggend initiatief niet voldoet aan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is het afwijken van het bestemmingsplan middels een uitgebreide procedure volgens artikel 2.12 lid 1 onder 3 van de Wabo noodzakelijk. De bedrijfseconomische noodzaak van de beide loodsen wordt nader toegelicht in paragraaf 3.1.4 Ladder voor duurzame verstedelijking. 1.4.

Leeswijzer

Hoofdstuk 2 gaat in op de bestaande en de beoogde situatie. Het geldende beleid komt aan de orde in hoofdstuk 3, waarna in hoofdstuk 4 de milieu- en omgevingsaspecten worden toegelicht. De economische uitvoerbaarheid wordt in hoofdstuk 5 behandeld en tot slot wordt de conclusie beschreven in hoofdstuk 6.

7

Noorderweg 5, Tiendeveen

Hoofdstuk 2 2.1.

Projectbeschrijving

Huidige situatie

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Hoogeveen ten oosten van de kern Tiendeveen. Op het perceel is een in hoofdzaak agrarisch loonbedrijf gesitueerd dat is opgericht in 1987. Tachtig procent van de klanten zit in het buitengebied van Hoogeveen in een straal van ongeveer 15 km rondom de bedrijfslocatie. Het agrarisch loonwerkbedrijf richt zich op hoofdzakelijk loonwerk, fouragehandel en grondverzet. De agrarische sector is en blijft er voldoende vraag naar een professionele en betrouwbare dienstverlener. De verwachting is dat het klantenbestand jaarlijks toenemen zal. Het bedrijf heeft een goede reputatie en staat garant voor een persoonlijke aanpak en een flexibele inzet en het heeft een sterke focus op duurzaamheid. Klanten worden bediend met geavanceerd materieel (voorzien van bv gps). Het bedrijf gaat daarin mee met de wensen van hun klanten. De hoofdmoot van het agrarisch loonwerk bestaat uit: gras hakselen, mais hakselen, zaaien en oogsten van gewassen, mesttransport en mestverwerking. Bij de fouragehandel moet gedacht worden aan de verkoop/handel in agrarische producten als mais, hooi, stro, luzerne,kalk en bijvoorbeeld ligboxenvulling. Alhoewel het in hoofdzaak een agrarisch loonwerkbedrijf is gebleven zijn er inmiddels andere daaraan gelieerde diensten in het pakket opgenomen.

Zo is vanaf 1996 gestart met grondverzet, dat inmiddels is uitgegroeid tot een betekenisvolle divisie binnen het bedrijf. Dat grondverzet richt veelal op opdrachten in het buitengebied.

8

Noorderweg 5, Tiendeveen

Daarnaast houdt het bedrijf zich al meerdere jaren in de winter bezig met gladheidsbestrijding; daarvoor is bijvoorbeeld een zoutloods opgericht. De bebouwing op het erf bestaat uit meerdere loodsen en een bedrijfswoning. Het erf kent een logische opbouw waarbij de woning naar de weg gericht is, maar wel op afstand van de weg. Rondom het plangebied bevinden zich voornamelijk vrijstaande woningen en agrarische bedrijven. De directe omgeving kenmerkt zich met name als agrarisch gebied. 2.2.

Beoogde situatie

De eigenaar is voornemens twee loodsen te bouwen. Deze zijn bedoeld om het aanwezige materieel en materiaal voor het loonwerkbedrijf wat nu noodgedwongen buiten staat, verantwoord en droog te kunnen stallen en op te kunnen slaan. Omdat de loodsen compact worden gesitueerd binnen de lengte en breedte contour van het bestaande perceel/erf, zal sprake zijn van een minimale ruimtelijke impact. Een impressie van de beoogde situatie is hieronder te zien. Het is een uitsnede uit de erfinpassingstekening.

Figuur 4. Toekomstige situatie plangebied 9

Noorderweg 5, Tiendeveen

De gemeente heeft voorwaarden gesteld aan de toekomstige situatie. Met de bedoeling dat deze te zijner tijd vastgelegd/overgenomen worden in het Omgevingsplan. Zo mag de bestemming "Bedrijven 1 agarisch aanverwant" maximaal 3 hectare worden; zo groot als het besluitvlak van een eerder WABO projectbesluit. Het bouwvlak zal in een toekomstig Omgevingsplan op maat worden gemaakt met daarin een bebouwingsomvang van maximaal 1,5 hectare. Dit toekomstige ruimtebeslag is vastgelegd op een inrichtingstekening die onderdeel is van dit plan en als bijlage 6 is bijgevoegd. Door middel van de landschappelijke inpassing wordt geborgd dat de bebouwing op een passende manier wordt ingepast in het omliggende landschap.

Landschappelijke inpassing De te bouwen loodsen worden landschappelijk ingepast; als Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan opgenomen. Voor het erf is eerder een landschappelijke inpassing gemaakt. Deze is deels uitgevoerd, maar was te weinig gedetailleerd om 1 op 1 te handhaven. Deze inpassing is daarom deels overgenomen in de nu gemaakte landschappelijke inpassing. De ingreep zal zijn het aanbrengen van twee loodsen op de zijkanten van het erf. De gekozen nokrichting staat haaks op de vroegere bouwwerken. Dit wordt ingegeven door de werkwijzen en rijrichtingen. Voor de meest westelijke loods geldt het landschappelijk ook als voordeel, omdat de hoge en meer opvallende zijgevel daarmee niet naar de openbare ruimte is gekeerd maar de lagere gootlijn presenteert zich naar de weg toe. De landschappelijke inpassing bestaat uit een beheersmaatregel voor de wal aan de oostzijde en voor de westelijke loods uit een forse groenstructuur. Dit bosperceel ontneemt de loods en de naastgelegen loods aan het zicht. De keuze voor bospartij wordt ingegeven door de structuurvisie die aangeeft dat voor dit deel van de gemeente gezocht wordt naar bospercelen. De beheersmaatregel voor de al aangelegde boswal is gericht op het bevorderen van duurzame boomvormers op de wal. Dit gebeurt door zaailingen en opschot van esdoorn, hulst, eik en beuk te vrijwaren.

Het maairegime wordt dus teruggebracht en met de nodige omzichtigheid uitgevoerd. Naast deze maatregelen worden enkele solitairen aangebracht waardoor de open ruimtes naar de loodsen toe wordt verdicht. De bestaande landschappelijke inpassing wordt in stand gehouden en de essen worden 10

Noorderweg 5, Tiendeveen

vervangen en aangevuld door Noorse esdoorns.

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1.

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI geeft hiervoor richtlijnen. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: a. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. b. Duurzaam economisch groeipotentieel. c. Sterke en gezonde steden en regio's. d. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Prioriteit vier uit de NOVI is het toekomstbestendig ontwikkeling van het landelijk gebied. Dat houdt in dat het landgebruik in balans moet zijn met de natuurlijke systemen.

Verder moet er ingezet worden op natuur inclusieve landbouw en mogen ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Deze maatregelen moeten er voor zorgen dat het leefklimaat voor de verschillende soorten dieren in het landelijk gebied verbeterd. Het Rijk wil hierin een samenwerkende en faciliterende rol spelen. Ruimtelijke initiatieven worden behandeld door gemeenten maar vanuit de NOVI wordt ruimte geboden voor initiatieven op het moment dat deze duurzaam en inclusief zijn. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. 11

Noorderweg 5, Tiendeveen

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: a. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. b. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. c. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied waarbij nationale belangen worden geraakt. Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan geen afbreuk doet aan de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2

Regeling algemene regels ruimtelijke ordening

De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken. Deze regels zijn alleen opgenomen voor de gebieden of onderwerpen waar de nationale belangen dat noodzakelijk maken. Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen binnen een gebied waarbij nationale belangen worden geraakt. De Rarro vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

12

Noorderweg 5, Tiendeveen

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) voorziet in de juridische borging van het nationaal ruimtelijk beleid. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken. Deze regels zijn alleen opgenomen voor de gebieden of onderwerpen waar de nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: 'Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nederlands Natuurnetwerk, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied'. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'neeals' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking plangebied Met de realisatie van voorliggend plan worden geen nationale belangen geraakt. Het planvoornemen is niet strijdig met het Barro. 3.1.4

Ladder voor duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigd en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een

13

Noorderweg 5, Tiendeveen

motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Doorwerking plangebied Voordat de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt doorlopen, moet de vraag worden beantwoord of er wel sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Het Rijksbeleid laat zich niet specifiek uit over dergelijke ontwikkelingen. Het initiatief raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen' (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze definitie. Op voorliggende ontwikkeling is onder andere de overzichtsuitspraak ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat wanneer een bestemming voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2 er in beginsel sprake is van en stedelijke ontwikkeling en er getoetst moet worden aan de ladder van duurzame verstedelijking. Voorliggend plan betreft de realisatie van twee loodsen van meer dan 500 m².

Gelet op de begripsomschrijving is daarmee sprake van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens moet worden bepaald of de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. Wanneer een ontwikkeling voorziet in de reducering of verplaatsing van bebouwing wordt dit niet gezien als stedelijke ontwikkeling in de zin van de Ladder. Gelet op vorenstaande en de uitspraak ECLI:NL:RVS:2017:1724 kan geconcludeerd worden dat er derhalve sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder voor duurzame verstedelijking is daarmee van toepassing op het plan en de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beschreven. De behoefte moet worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling.

14

Noorderweg 5, Tiendeveen

Loonbedrijf Jansen is een in hoofdzaak agrarisch dienstverlenend bedrijf; met de focus op landwerkzaamheden,

oogstwerkzaamheden,

mestdistributie,

grondverzet

en

fouragehandel. In de winter wordt nog aan gladheidsbestrijding gedaan. Het bedrijf is sinds 30 april 1987 gevestigd in Tiendeveen. Het levert een relevante bijdrage aan de werkgelegenheid in de gemeente Hoogeveen, want meer dan 75% van de medewerkers is woonachtig in de gemeente Hoogeveen. Het gros van de klanten van het loonbedrijf zit binnen een straal van +/- 15 km rondom Tiendeveen. Voor het bedrijfstype agrarisch loonwerk is het kenmerkend dat zij lokaal opereren. Een loonwerker heeft een eigen verzorgingsgebied in een bepaalde straal rondom de bedrijfslocatie. Daarbuiten werkzaamheden zoeken/hebben is bedrijfs- economisch niet aantrekkelijk; dan overstijgen de kosten de opbrengsten, zeker ook omdat de marges in deze sector laag zijn. Afnemers van de aan te bieden diensten zullen een loonwerker op grotere afstand ook niet inschakelen. Zo iemand kan normaal gesproken in de prijsstelling niet concurreren tegen een plaatselijk gevestigd loonwerker. Ook deze agrarische loonwerker richt zich op landwerk- zaamheden in/rondom de oogstperioden. Weersomstandigheden vereisen dan nog al eens om een snelle/acute inzet. Op te grote afstand gevestigd zijn is dan een te grote handicap. De afgelopen jaren stond een deel van het materieel buiten op het erf gestald. Dat buiten gestald staan gaat ten koste van de levensduur.

Daarnaast is tegenwoordig veel materieel voorzien van gevoelige en kostbare apparatuur. Binnen kunnen stallen is dan beter voor de levensduur en verkleind ook de kans op diefstal. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt wil daarom de aanvrager het buiten stallen zoveel mogelijk gaan beperken door daarvoor twee loodsen bij te bouwen. 3.2.

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Drenthe 2018 en Provinciale Omgevingsverordening Drenthe

2018 De Omgevingsvisie Drenthe 2018 is het strategische kader voor de ruimtelijkeconomische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De

15

Noorderweg 5, Tiendeveen

Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. De basis van de Omgevingsvisie Drenthe is in 2010 in een interactief proces tot stand gekomen. In 2014 is een beperkte actualisatie van de Omgevingsvisie uitgevoerd. Tot slot is in 2018 de Omgevingsvisie gereviseerd. De Omgevingsverordening stelt vervolgens regels aan het gestelde in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie gaat in op de vraag hoe met vijf belangrijke ontwikkelingen moet worden omgegaan. Het gaat om: 

de demografische ontwikkeling;

de klimaatverandering;

de afname van de biodiversiteit;

de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie;

de transitie naar een duurzame energievoorziening.

Ruimtelijke kwaliteit De inzet van de provincie Drenthe is om de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe te behouden en, waar mogelijk, te ontwikkelen. Nieuwe ontwikkelingen dienen de zogenaamde kernkwaliteiten als uitgangspunten te nemen. Kernkwaliteiten – analyse Beoordeeld is of er sprake is van kernkwaliteiten waarmee rekening gehouden dient te worden. Daartoe is gebruik gemaakt van de kaartenviewer die onderdeel uit- maakt van de provinciale omgevingsvisie/omgevingsverordening. Dit levert de volgende kernkwaliteitenanalyse op:

Kernkwaliteit Landschap Het plangebied is onderdeel van het Landschap van de Veenkoloniën. Het meest voorkomende landschapstype in de provincie is het hoogveenontginningslandschap. Dit landschapstype beslaat in totaal ongeveer een kwart van het gehele grondgebied van de provincie. Tot dit landschapstype behoren behalve de DrentsGroningse Veenkoloniën ook het Odoornerveen, Hoogeveen-Hollandscheveld, Smilde 16

Noorderweg 5, Tiendeveen

en enkele kleinere gebieden bij Dalen en Roden. De meeste veen- ontginningen in Drenthe zijn onderling verbonden door kanalenstelsels. Kenmerkend voor deze hoogveengebieden is de strakke orthogonale verkaveling (‘haakse lijnen’), de bebouwingslinten langs kanalen en monden en de grote, weidse ruimtes met wijken. Elke ontginning heeft bovendien zijn eigen specifieke kenmerken, waaraan de tijd en de manier van ontginning is af te lezen. Zo heeft het gebied rond Hollandscheveld een kleinschalig, besloten karakter met veel verspreid voorkomende bebouwing en bosstroken. In Smilde vormt de Drentse Hoofdvaart de ruggengraat van de ontginning en zijn de Oude Veenkoloniën kleinschaliger dan de Veenkoloniën in de omgeving van Emmen.

Het provinciaal beleid is gericht op het behouden en versterken van de samenhang en de openheid met de wijken en de rechtlijnige landschapsstructuur. Doorwerking naar het plan Het voorliggend plan heeft geen impact op de samenhang met de wijken en de rechtlijnige landschapsstructuur.

Kernkwaliteit aardkundige waarden Drenthe heeft een eigen karakter, een eigen (ruimtelijke) identiteit, die door inwoners en bezoekers hoog gewaardeerd wordt. Het aardkundige landschap van Drenthe is hiervoor in belangrijke mate bepalend. Het provinciaal aardkundig erfgoed is de enige 17

Noorderweg 5, Tiendeveen

informatiebron over de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van Drenthe. Net als archeologische waarden zijn aardkundige waarden voor het merendeel onzichtbaar, onvervangbaar en niet te compenseren. Ze zijn per definitie kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. De provincie wil aardkundige waarden die bijdragen aan het specifieke Drentse karakter behouden en waar mogelijk herstellen zonder daarbij het normale (landbouwkundig) gebruik te belemmeren. Op het perceel rust een generiek beschermingsniveau zijnde het laagste beschermingsniveau.

Bij ontwikkelingen in deze gebieden kunnen aardkundige kwaliteiten als inspiratiebron worden gebruikt. Een gemeente kan bescherming geven aan kenmerkend aardkundig erfgoed via de gemeentelijke omgevingsvisie en kan plannen daar dan op beoordelen. Doorwerking naar het plan De beoogde situatie levert geen belemmering of aantasting op voor deze kernkwaliteit.

Kernkwaliteit natuur Natuur is een samenhangend geheel van planten, dieren, levensgemeenschappen, bodem- en grondsoorten, water en klimaat. Natuur is een verzamelbegrip. Het varieert van abstract (‘natuur is het kapitaal van Drenthe’) tot meer concreet (‘dat wat je ziet in het Dwingelderveld’). Het varieert van sterk door de mens beïnvloed (tuinnatuur), tot weinig door de mens beïnvloed (regenwoud, Waddenzee) en van weinig complex (zoals 18

Noorderweg 5, Tiendeveen

een akker) tot erg complex (zoals een levend hoogveen). De soort natuur die op een plaats ontstaat of ontwikkeld kan worden, hangt samen met het klimaat, de waterhuishouding en de bodem- en grondsoorten (abiotische factoren). Planten- en dierensoorten (biotische factoren) beïnvloeden elkaar onderling en kunnen op hun beurt de abiotische factoren beïnvloeden. Het wijzigen van een enkele abiotische of biotische factor kan een reeks gebeurtenissen in gang zetten, die kunnen leiden tot veranderingen in een levensgemeenschap of zelfs in het klimaat. Duurzame levensgemeenschappen (ecosystemen) zijn bestand tegen het wegvallen of het wijzigen van een enkele factor. Voor dergelijke systemen wordt ook wel de term ‘robuust’ gebruikt. Biodiversiteit betreft de verscheidenheid aan soorten en genen en is een indicatie voor de gezondheid van een ecosysteem. Ecosystemen, waarin dieren en planten samenleven zijn essentieel voor productie van zuurstof, afbraak van organisch materiaal, bestuiving van planten, waterzuivering en vele andere zogenaamde ecosysteemdiensten. Ook de mens is dus gebaat bij een hoge mate van biodiversiteit. Hoe groter de diversiteit binnen een ecosysteem, hoe beter het systeem zich kan aanpassen. Een weinig complex systeem kan relatief eenvoudig hersteld worden. Akkerkruiden die in een graanveld thuishoren, kunnen bij een gericht beheer elk jaar opnieuw ontkiemen.

In Drenthe is alle natuur – ook de natuur in reservaten en in Natura 2000-gebieden – beïnvloed door de mens en het resultaat van een meestal langdurig gebruik. Deze natuur blijft alleen in stand door permanente inspanning van de mens. Dat kan bestaan uit plaggen of maaien, maar ook zorgen voor een goede waterstand of luchtkwaliteit. Door het creëren van gunstige (abiotische) omstandigheden wordt de natuur robuuster, wat zal leiden tot een verlaging van de beheerinspanning. Volgens kaart D3 Natuurnetwerk Nederland ligt de locatie niet in een NNN gebied. Op

19

Noorderweg 5, Tiendeveen

onderstaande uitsnede is het lichtgroen aangeduide NNN en de druppel is de projectlocatie.

Doorwerking naar het plan Het project leidt niet tot versnippering of verlies van oppervlakte NNN.

Kernkwaliteit cultuurhistorie Ons cultuurlandschap, met daarin het gebouwde erfgoed als ankerpunten, is sterk bepalend voor hoe wij onze leefomgeving ervaren. Het geeft er betekenis aan en is zo direct verbonden met ons beeld van de Drentse identiteit. Daarvoor hebben wij de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), die ons provinciaal belang vastlegt, met daarin twee sturingsniveaus. Daarnaast hebben wij een provinciale monumentenlijst en beleid op het gebied van herbestemming. De gebieden van de Koloniën van Weldadigheid, waarvan er een aantal in Drenthe liggen, achten wij daarnaast van internationaal belang. Deze gebieden zijn sinds 2021 UNESCO Werelderfgoed. De leefomgeving, en dus ook ons cultuurlandschap, ontwikkelt zich tegelijk voortdurend en verandert mee met de grote opgaven van deze tijd. Wij zetten cultuurhistorie integraal in als ontwikkelfactor bij de ruimtelijke, economische en maatschappelijke opgaven, zoals krimp en leefbaarheid, duurzame energie, klimaatadaptatie, toekomstbestendige landbouw en vrijetijdseconomie. Hiervoor hebben wij ook beleid vastgelegd in de Cultuurnota 2021-2024, ‘Cultuur om te delen’. Hiermee draagt cultuurhistorie niet alleen vanuit kaders maar ook vanuit inspiratie bij aan herkenbare, ‘Drentse’ oplossingen.

20

Noorderweg 5, Tiendeveen

Deelgebied 9.A: Hollandscheveld en Hoogeveen. Karakteristieken/Omgevingsbeeld 

Ontginningsassen als lijnen georiënteerd op en verbonden met de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart;

Centraal groot ‘blok’ met daaromheen uitwaaierend (latere) blokken, onderling herkenbaar door de assen en de verschillende kavelrichtingen die ‘botsen’ bij de achtergrenzen;

Bossen bij Hollandscheveld die de smalle kavelstructuur en –richting volgen, met rafelige begrenzingen;

Hoogeveen

‘Het Kruis’ als ontstaanspunt herkenbaar in het kruispunt van twee –gedemptevaarten;

Noordelijk daarvan herkenbare historische percelering en bebouwings- structuur.

Ambitie Richtinggevend voor dit deelgebied is het behouden van het onderscheid tussen de verschillende ontginningsblokken in het veengebied. Dit is vooral zichtbaar te maken op de grenzen van de blokken. Wij sturen dan ook op: 

Het gebruik maken van de randen en contrasten tussen de verschillende ontginningsblokken bij nieuwe ontwikkelingen, en in het bijzonder de achter grenzen van de ontginningsblokken, waar verschillende kavelrichtingen bij elkaar komen;

Het zichtbaar houden van de plaatsing van de bospercelen van het bos bij Hollandscheveld binnen de oude perceelstructuren, en het in stand houden van de rafelige, verspringende randen van dit bos.

21

Noorderweg 5, Tiendeveen

Doorwerking naar het plan Het plan heeft geen uitwerking op de kernkwaliteit cultuurhistorie.

Kernkwaliteit archeologie Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraaf- plaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of slechts een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt ook archeologisch onderzoek gedaan naar in de bodem aanwezige overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog. Het provinciaal beleid voor de Drentse archeologie richt zich zowel op instand- houding en bescherming van het bodemarchief als op het ontsluiten, beleven en benutten ervan door een zo groot mogelijk publiek. Volgens kaart D4 bevinden zich er geen archelogisch waardevolle gebieden/waarden in de omgeving van het bedrijf.

Daarnaast geeft de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart aan dat op de locatie een lage verwachtingswaarde rust. Een lage archeologische waarde duidt erop dat er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. Het aspect archeologie biedt dus geen beperking voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling.

22

Noorderweg 5, Tiendeveen

Doorwerking naar het plan Het plan heeft geen uitwerking op de kernkwaliteit archeologie.

Kernkwaliteit rust ‘Stilte’ en ‘duisternis’ zijn indicatoren voor de kernkwaliteit rust. Bij elk gebied past een bepaalde hoeveelheid geluid en licht, van natuurlijke of menselijke oorsprong. Mensen verwachten dat in dit gebied deze hoeveelheid licht en geluid aanwezig is. Als de menselijke zintuigen geprikkeld worden door onverwacht meer kunstmatig licht of geluid, ervaren we het gebied als onrustig. De kernkwaliteit rust is ondersteunend aan de kernkwaliteiten Natuur Landschap. De locatie ligt, volgens kaart 2A, niet in een stiltegebied.

De bruin gearceerde gebieden zijn de aangewezen stiltegebieden. Doorwerking naar het plan Het plan heeft geen uitwerking op de kernkwaliteit rust. Samenvattend Het onderhavige plan omvat de realisatie van twee loodsen ten behoeve van de opslag van materiaal en materieel. De kernkwaliteiten worden niet door het plan aangetast. Het plan wordt landschappelijk ingepast om de aanwezige landschappelijke kernmerken te behouden of

te versterken.

Hiermee is het plan passend in het provinciale beleid.

23

Noorderweg 5, Tiendeveen

3.3.

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Structuurvisie Hoogeveen 2.0

De geactualiseerde structuurvisie is op 13 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. De visie is op enkele onderdelen bijgesteld t.o.v. de versie van 2004. De visie geeft aan hoe Hoogeveen tot 2030 omgaat met thema's als wonen, voorzieningen, bedrijvigheid, bereikbaarheid, landschap en duurzaamheid. Duurzame kwaliteit is en blijft daarbij de rode draad. In de visie kiest Hoogeveen voor beheerste groei waarbij de focus van woningbouw ligt op inbreiding in de stad. Daarnaast wordt gekozen voor geconcentreerde groei bij de dorpen en het landelijke gebied, passend bij de vraag. Voor het landelijk wonen zijn er kansen in de landgoederenzone en de kanalenzone. In de geactualiseerde structuurvisie is de visie op de bedrijvigheid op de volgende punten aangevuld en bijgesteld: Hoogeveen beschikt over voldoende bedrijven- en kantorenterreinen. Ruimte om te ondernemen wordt ook geboden door verruiming van functies in vrijkomende agrarische bebouwing en via werken aan huis. Bij bedrijvigheid wordt rekening gehouden met landelijke normen wat betreft regionale afstemming en hergebruik van bestaande bebouwing. Doorwerking plangebied en conclusie Het erf ligt volgens de Structuurvisie in het semi-besloten landschap wat daarnaast het zoekgebied is voor bospercelen ter versterking van het landschappelijke beeld.

De visie geeft daarmee richting aan de landschappelijke inpassing en de ruimte voor uitbreiding van het huidige erf. Ook worden geen nieuwe bedrijven opgericht, maar wordt een bestaand bedrijf uitgebreid. De beoogde ontwikkeling is daarom niet in strijd met de Structuurvisie Hoogeveen 2.0. 3.3.2

Visie op de omgeving

De afgelopen jaren zijn flinke stappen gezet in het realiseren van de ambities uit de fysieke Structuurvisie 2015 – 2030. Deze (omgevings)visie is vastgesteld in 2004 en in 2012 als Structuurvisie 2.0 geactualiseerd. De ''Visie op de omgeving'' uit 2018 beschrijft

24

Noorderweg 5, Tiendeveen

de gewenste waarden en kwaliteiten van de fysieke leefomgeving in het landelijk gebied, de dorpen en de stad. Deze actualisatie wordt niet langer de fysieke structuurvisie genoemd, maar ‘visie op de omgeving’. Het hebben van een omgevingsvisie is namelijk een verplichting vanwege de Omgevingswet. Er is een aantal hoofdthema's: 

Wonen;

Voorzieningen (toekomstbestendig stadscentrum en winkelgebieden);

Bedrijvigheid en bereikbaarheid;

Landschap;

Fysieke leefomgeving.

De thema's die voor voorliggende onderbouwing van belang zijn, zijn landschap en fysieke leefomgeving. Hoogeveen wil de kwaliteiten en waarden van landschap, dorpen en stad benutten en versterken. Landschap is de drager van de ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast wordt het landelijk gebied steeds meer een multifunctionele leef- en werkomgeving. Inwoners en bedrijven worden uitgenodigd initiatieven en oplossingen aan te dragen voor lokale problemen, samen met maatschappelijke partijen en de gemeente. Met fysieke leefomgeving bedoelt de gemeente de directe omgeving in Hoogeveen inclusief de thema’s klimaat, duurzaamheid, energie, en gezondheid en veiligheid. De gemeente kiest voor een duurzame ontwikkeling, inrichting en beheer van het landelijk gebied, de dorpen en de stad. Doorwerking plangebied en conclusie De realisatie van twee loodsen zorgt er voor dat het materieel/materiaal een veel langere levensduur heeft en

zal het risico van diefstal verkleinen. Als dienstverlenend in

hoofdzaak agrarisch loonbedrijf heeft het een onmisbare rol op de agrarische bedrijven in de directe omgeving waaraan het diverse iensten verleend. De gewenste ontwikkeling, waarbij de loodsen compact op het erf worden gesitueerd. wordt ruimtelijk ingepast. Uit de in hoofdstuk 4 opgenomen bespreking van de milieu- en omgevingsaspecten blijkt dat er geen neghatieve gevolgen zijn voor de leefomgeving van derden.

25

Noorderweg 5, Tiendeveen

3.3.3

Toekomstvisie Hoogeveen

In april 2018 is de Toekomstvisie Hoogeveen vastgesteld door de gemeenteraad. Deze toekomstvisie met bijbehorende stukken is bedoeld als omgevingsvisie in het kader van de Omgevingswet. De structuurvisie (vastgesteld in 2004 en geactualiseerd in 2012) is nog steeds een inspirerende, ambitieuze, integrale ruimtelijke visie die volledig van kracht blijft. In de toekomstvisie Hoogeveen wordt ingegaan op ambities op het gebeid van wonen, voorzieningen, bedrijvigheid en bereikbaarheid, landschap en de opgave voor de fysieke leefomgeving. Ook speelt duurzame kwaliteit in plaats van kwantiteit een rol in de ruimtelijke plannen. Hoogeveen wenst in 2040 een CO2-neutrale en in 2050 een klimaatrobuuste gemeente te zijn. Doorwerking plangebied en conclusie De loodsen worden gasloos gebouwd, daarmee ligt de beoogde ontwikkeling in lijn met de ambitie om de gemeente te verduurzamen. Verder worden geen belangen gemoeid uit de Toekomstvisie Hoogeveen. 3.3.4

Nota Ruimtelijke Kwaliteit

De Nota Ruimtelijke Kwaliteit van de gemeente Hoogeveen is in mei 2020 vastgesteld. Bij de behandeling van omgevingsvergunningaanvragen voor de activiteit bouwen speelt deze nota een rol. Een goede ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door drie waarden: gebruikswaarde (functie), belevingswaarde (vorm) en toekomstwaarde (tijd). De lintbebouwing in de gemeente Hoogeveen bestaat uit de dorpskernen van Hollandscheveld, Elim, Noordscheschut, Tiendeveen, Nieuweroord en Nieuwlande. Tiendeveen is ontstaan op het kruispunt van de Drijbersche Hoofdvaart en de weg naar Drijber. Later, in de jaren twintig van de vorige eeuw, werd het Linthorst Homankanaal gegraven als verbinding tussen de Hoogeveense Vaart en de Beilervaart. Criteria voor lintdorpen zijn onder andere dat bijgebouwen zo veel mogelijk achter het hoofdgebouw staan. De plattegrond moet eenvoudig en rechthoekig zijn. Bij nieuwbouw worden massa en vorm van naastliggende panden gerespecteerd.

26

Noorderweg 5, Tiendeveen

Doorwerking plangebied De gebieden rondom Tiendeveen wordt beschouwd als lintbebouwing. De beoogde loodsen worden gebouwd achter het hoofdgebouw. De loodsen worden zo gepositioneerd dat de eenvoudige en rechthoekige plattegrond behouden blijft. Daarnaast is bij het ontwerp rekening gehouden met de verhouding van de loodsen ten opzichte van de andere panden op het perceel. Geconcludeerd kan worden dat de Nota Ruimtelijke Kwaliteit geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

27

Noorderweg 5, Tiendeveen

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1.

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de milieu- en omgevingsaspecten. 4.2.

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade te verwachten is voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. 4.2.2

Onderzoek

Het gebruik van de twee te bouwen loodsen is niet te beschouwen als gevoelig gebruik. Een criterium in de afweging is ook dat de verblijftijd van mensen in de loodsen. Aangenomen wordt indien dat per dag lager zal liggen dan 1,5 uur dat er dan

geen reeel

bloot- stellingsrisico is. Mensen zijn alleen in de loodsen slechts zeer kortdurend aanwezig en wel alleen voor het halen/parkeren van materieel en voor het aan- en afkoppelen van machines/werktuigen. Daardoor zal de verwachte verblijftijd van mensen per dag lager liggen dan 1,5 uur.

28

Noorderweg 5, Tiendeveen

Het is al met al niet te verwachten dat door de realisatie van de loodsen schade kan worden berokkend aan gebruikers of milieu. Daarom kan een bodemonderzoek achterwege blijven. 4.2.3

Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering. 4.3.

Water

4.3.1

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De Europese Kaderrichtlijn Water (2003) De Europese Kaderrichtlijn Water gaat er vanuit dat water geen gewone handelswaar is, maar een erfgoed dat moet worden beschermd en verdedigd. Het hoofddoel van de richtlijn is daarop gebaseerd. De Kaderrichtlijn Water geeft het kader voor de bescherming van landoppervlaktewater, overgangswater, kustwater en grondwater. Dat moet ertoe leiden dat aquatische ecosystemen en gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van deze ecosystemen, voor verdere achteruitgang worden behoed, emissies worden verbeterd, duurzaam gebruik van water wordt bevorderd op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn en er wordt gezorgd voor een aanzienlijke vermindering van de verontreiniging van grondwater. Vierde Nota Waterhuishouding (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, 1998) De Vierde Nota Waterhuishouding geeft het kader voor het waterbeheer voor Nederland, nu en in de toekomst.

De hoofddoelstelling is "een veilig en goed bewoonbaar land en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen,

29

Noorderweg 5, Tiendeveen

waarmee een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd". Om de veerkracht van de watersystemen te vergroten dient de waterconservering en buffering te worden bevorderd en de afwenteling van (water-)problemen op naastgelegen gebieden te worden beperkt. Waterbeleid in de 21e eeuw (2000) De hoge waterstanden in de rivieren in 1995 en 1996 en de klimaatscenario's waarin naast de zeespiegelstijging ook meer en heviger buien worden voorspeld hebben geleid tot vernieuwde aandacht voor water. Nederland is met zijn lage ligging en hoge verstedelijkingsgraad kwetsbaar voor wateroverlast en de veiligheid is in de toekomst in het geding. Maar ook door de drogere zomers is er het risico van watertekorten en verdroging. De commissie "Waterbeheer 21e eeuw" heeft in opdracht van de regering duidelijk gemaakt dat we anders moeten omgaan met water en ruimte. Ruimte die nu beschikbaar is voor de bescherming tegen overstromingen en wateroverlast moet ten minste behouden blijven. De aanwezige ruimte mag niet sluipenderwijs verloren gaan bij de uitvoering van nieuwe projecten voor infrastructuur, woningbouw, landbouw of bedrijventerreinen. Beleid Waterschap Drents Overijsselse Delta Er is waterbergende compensatie nodig bij nieuwbouw van grote plannen en uitbreidingslocaties (stedelijk gebied & landelijk gebied > 500 m2).

Voor grote plannen en uitbreidingslocaties geldt als regel, dat voor het realiseren van verhard oppervlak een berging , ter compensatie voor de versnelde afvoer, van het

afstromende hemelwater

benodigd is. Compensatie volgt de volgende trap: vasthouden-bergen-afvoeren. Er moet rekening gehouden worden met een waterbergend oppervlakte van 80mm per m2. 4.3.2

Onderzoek

Op grond van artikel 12 uit het besluit op de ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van

30

Noorderweg 5, Tiendeveen

de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Waterschap Vechtstromen kijkt wat de invloed van het plan op de waterhuishouding is en geeft een wateradvies. Daarbij toetst het waterschap het plan aan het voorkeursbeleid dat is geformuleerd.

Watertoets De digitale watertoets is doorlopen. Met de watertoets is het plan naast het beleid van het waterschap gelegd. Hieruit is de conclusie naar voren gekomen dat het plan invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen. In dit geval gaat het om een normale procedure.

De watertoets is toegevoegd als bijlage.

Waterberging In de huidige situatie is circa 20.000 m2 verharding aanwezig. Hieronder vallen de bestaande bebouwing, parkeerplaatsen en bestrating. In 2010 is reeds 500 m² waterberging gerealiseerd om te voorzien in de bergingsopgave. Zoals in 4.3.1 is aangegeven moet conform het waterschapsbeleid voor elke m² extra verhard oppervlak 80 liter water worden geborgd. Het totaal aan verharding dat wordt toegevoegd is uiteengezet in onderstaande tabel. Berekening waterbergingsopgave Verhardingselement

Oppervlak

Loods 1

1.800 m2

Loods 2

1.800 m2 Totaal 3.600 m2

De totale waterbergingsopgave komt hiermee op 80mm/1000 (= 0,08) x 3.600 m2 = 288 m³ compensatie. De definitieve uitwerking van de maatregelen waarmee wordt gezorgd dat er 288 m³ geborgen wordt, wordt opgenomen in het

civieltechnisch ontwerp. De

bestaande berging (greppel, vijver, infiltratiekratten) binnen het plangebied kan de bergingsopgave ook grotendeels vervullen. Het definitieve civieltechnische ontwerp wordt met het waterschap en gemeente afgestemd. Als bijlage 8 is een tekening/ontwerp opgenomen van de beoogde waterberging.

31

Noorderweg 5, Tiendeveen

4.3.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan 4.4.

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

Algemeen In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.

Onderzoek Om vast te stellen of het doen van archeologisch onderzoek noodzakelijk is, moet de verwachtingswaarde binnen het plangebied worden bepaald. Het bestemmingsplan geeft aan dat er binnen het plangebied geen archeologische verwachtingen zijn.

32

Noorderweg 5, Tiendeveen

Daarnaast geeft de archeologische verwachtingskaart aan dat op de locatie een lage verwachtingswaarde rust. Een lage archeologische waarde duidt erop dat er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. Het aspect archeologie biedt dus geen beperking voor onderhavige ruimtelijke ontwikkeling. 4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht overheden om relevante cultuurhistorische waarden mee te laten wegen in het ruimtelijk beleid. Daarnaast worden gemeenten sinds 2012 verplicht door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) om cultuurhistorische belangen evenals archeologische verwachtingen in de bodem in ogenschouw te nemen bij het opstellen van een bestemmingsplan. In de brochure ''Ruimtelijke ordening en erfgoed; een handreiking voor cultuurhistorisch onderzoek'' gemaakt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed wordt gesteld dat cultuurhistorisch onderzoek interdisciplinair behoort te zijn. Dit wordt als volgt geduid: Cultuurhistorisch onderzoek in het kader van de ruimtelijke ordening richt zich op de aanwezigheid, aard, betekenis en waarde van: 1. in de bodem bewaarde sporen en resten van menselijke bewoning vanaf het allereerste begin (archeologie); 2. historische gebouwen, erven, tuinen, parken en stedenbouwkundige structuren; 3. het historisch landschap, waarin de wisselwerking tussen mens en maatschappij, en de fysieke omgeving terug te zien is. Derhalve is het voor ieder ruimtelijk plan belangrijk om maatwerk te bieden vanwege de meerdere betrokken belangen. Onderzoek De cultuurhistorische waardenkaart en de gemeentelijke monumentenlijst zijn geraadpleegd.

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast.

33

Noorderweg 5, Tiendeveen

4.4.3

Conclusie

Binnen en in directe omgeving van het plangebied zijn geen archeologische of cultuurhistorische waarden aanwezig. Het aspect erfgoed vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan. 4.5.

Ecologie

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000gebieden,

soortbescherming

en

houtopstanden

opgenomen

als

afzonderlijke

hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten. Ten behoeve van ruimtelijke ontwikkelingen dient onderbouwt te worden of er sprake is van een significant negatief effect op omliggende Natura 2000-gebieden door de mogelijke toename aan stikstofdepositie afkomstig van het plangebied. Als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied ten behoeve van woningbouw neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het onderzoeksgebied, tijdens de gebruiksfase en de

34

Noorderweg 5, Tiendeveen

realisatiefase (tijdelijk), mogelijk toe ten opzichte van de huidige situatie. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-gebied en gelet op de ligging binnen de bebouwde kom, kan een negatief effect van stikstof op een Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). 2. Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). 3. Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) als vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede alle de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming. De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones.

Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische

verankering

van

het

NNN

vindt

plaats

in

(gemeentelijke)

bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.

35

Noorderweg 5, Tiendeveen

4.5.2

Onderzoek

Quickscan flora en fauna De bedoeling is om de ene loods in 2024 te plaatsen en de andere (west) in 2025. Per loods is de verwachte bouwtijd circa 10 weken. Successie Natuurzaken heeft een ecologische toetsing uitgevoerd om duidelijkheid te verschaffen of de geplande werkzaamheden al dan niet in strijd zijn met de Wet natuurbescherming. De quickscan is toegevoegd als Bijlage 3 Quickscan flora en fauna. Het voornemen heeft door bijvoorbeeld trillingen, geluid en oppervlakte verlies geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het voornemen heeft geen negatief effect op overige beschermde gebieden onder de Wet natuurbescherming. Daarnaast is er geen sprake van een meld en/of herplantingsplicht omtrent houtopstanden. Op basis van de ter plaatse aanwezige omstandigheden en verspreidingsgegevens wordt niet verwacht dat het voornemen tot een overtreding van een verbodsbepaling zal leiden voor beschermde ongewervelden, vissen, amfibieën, reptielen en flora. Lijnvormige elementen in de directe omgeving van het plangebied, in de vorm van het bosperceel direct aan de noordzijde en de bomenrij aan de oostzijde, kunnen door vleermuizen worden gebruikt om te navigeren. Het is daarom van belang lichtverstrooiing richting de lijnvormige elementen zowel tijdens de realisatie als daarna te voorkomen. Tijdens het broedseizoen (grofweg 1 mrt.

t/m aug.) kunnen broedvogels in het plangebied broeden waarvan het nest niet jaarrond beschermd is o.a. merel, zwarte roodstaart, roodborst, koolmees. Voor deze soorten dient men rekening te houden met het feit dat ieder nest, mits op dat moment in gebruik, beschermd is. Dit houdt in dat er geen wezenlijke verstoring mag plaatsvinden, waardoor de vogel het nest verlaat. Daarom wordt het aangeraden om buiten het vogelbroedseizoen te werken. Indien men voornemens is binnen het vogelbroedseizoen te starten met de werkzaamheden, dan wordt aangeraden het plangebied vooraf te checken op (potentiële) broedgevallen door een deskundig ecoloog. Verder dient men tijdens de uitvoer van de werkzaamheden rekening te houden met de Zorgplicht (Artikel 1.11 wnb). De Zorgplicht geldt voor elke soort/individu in Nederland. Dit houdt in dat men tracht schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te 36

Noorderweg 5, Tiendeveen

voorkomen. Dit kan door een werkwijze te hanteren waarbij dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop. Lichtverstrooiing naar omliggend gebied dient te worden voorkomen i.v.m. vliegroute(s) en foeragerende vleermuizen. Stikstof Om te onderzoeken of de voorgenomen ontwikkeling een negatieve effect heeft op Natura 2000-gebieden is een stikstofdepositieberekening van de realisatie- en gebruiksfase uitgevoerd. De rapportage van de gebruiksfase is te vinden als bijlage 4 Stikstofdepositie- berekening gebruiksfase. Kenmerkend voor het bedrijf is dat er op het bedrijfsperceel nauwelijks/geen werkzaamheden (als laden en lossen) plaatsvinden. Omdat er op het perceel geen opslag van grond- en hulpstoffen ed. plaatsvindt is daar ook geen aanleiding toe. Zo gaat het bij de werkzaamheden die samenhangen met mest alleen om boer-boer transporten en is er geen (tussen)opslag van mest op het bedrijfsperceel. Al het materieel wordt elders ingezet voor klantopdrachten. Uit de inventarisatie van de werkzaamheden blijkt dan ook dat emissie hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door aan- en afvoerbewegingen met het materieel. De emissie vanuit de bedrijfswoning is niet in de beoordeling betrokken, omdat dat gebruik al voor de aanwijsdata van de omliggende gebieden plaatsvond en dus als referentie is toegestaan.

Voor de beoordeling is daarom de bedrijfswoning niet meegenomen. De rapportage van de bouw-/realisatiefase is toegevoegd als bijlage 5 Stikstofdepositieberekening bouwfase. In de daarbij behorende rapportage "Onderzoek stikstofedepositie" is alleen de beschrijving van de bouwfase relevant. De gebruikfase wordt immers separaat toegelicht en berekend in bijlage 4. Uit de rekenresultaten blijkt dat er zowel in de gebruiksfase als in de realisatiefase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j op een omliggend Natura 2000-gebied zijn. Daarmee vloeien er vanuit de Wet Natuurbescherming geen beperkingen voort voor het plan van initiatiefnemer. 37

Noorderweg 5, Tiendeveen

4.5.3

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) geen belemmering vormt voor de aangevraagde ontwikkeling. 4.6.

Luchtkwaliteit

4.6.1

Algemeen

In de Wet milieubeheer (verder: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierbij is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waaraan in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritische stoffen zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (fracties PM10 en PM2,5). Aan de andere stoffen die in de Wet worden genoemd wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan. Op grond van artikel 5.16 Wm kan de gemeenteraad een bestemmingsplan met mogelijke gevolgen voor de luchtkwaliteit alleen vaststellen wanneer aannemelijk is gemaakt dat: 

Het ruimtelijke plan niet leidt tot het overschrijven van de in de wet genoemde grenswaarden, of;

De luchtkwaliteit als gevolg van het project per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft, of een beperkte toename, door een met de ontwikkeling samenhangende maatregel of effect, per saldo verbetert, of;

Het project niet in betekende mate bijdraagt aan de concentratie van een stof waarvoor in de wet grenswaarden zijn opgenomen, of;

De ontwikkeling is opgenomen of past in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Niet in betekende mate (NIBM) bijdragen In de 'Regeling niet in betekende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een bijdrage is “niet in betekende mate” als de toename maximaal drie procent van de jaargemiddelde grenswaarde van fijn stof of stikstofdioxide bedraagt. Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. De categorieën van gevallen zijn: 38

Noorderweg 5, Tiendeveen

Woningbouwlocaties met niet meer dan 1.500 nieuwe woningen en één ontsluitingsweg;

Woningbouwlocaties met niet meer dan 3.000 nieuwe woningen en twee ontsluitingswegen;

Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 100.000 m2 en één ontsluitingsweg;

Kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlakte van niet meer dan 200.000 m2 en twee ontsluitingswegen.

4.6.2

Onderzoek

Voorliggend plan ligt niet in een uitzonderingsgebied zoals opgenomen in bijlage 5 van de Regeling NIBM, waardoor het plan getoetst kan worden aan de regeling NIBM. Onderhavig plan ligt ver onder de grenswaarde van 1.500 woningen. Er worden ten opzichte van de huidige situatie enkel twee loodsen mogelijk gemaakt. Gesteld kan worden dat bij voorliggend plan sprake is van een NIBM-project. Verdere toets aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit hoeft niet plaats te vinden. 4.6.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16268700/1