CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Quickscan Coevorderstraatweg 1sept2025

Raadsavond 6 november 2025, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Bomen Coevorderstraatweg10.991 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

CONCEPT Quickscan 15 bomen Coevorderstraatweg Toetsing aan de Omgevingswet 1 september 2025

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Verantwoording Titel

Quickscan 15 bomen Coevorderstraatweg

Opdrachtgever

SWO De Wolden Hoogeveen

Projectleider

Johan Karbet

Auteur(s)

Tjebbe Leen

Tweede lezer

Jeroen Reimerink

Uitvoering meet- en inspectiewerk

Daniël Kollen

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Aantal pagina’s

31 (exclusief bijlagen)

Datum

1 september 2025

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv W.A. Scholtenstraat 3a Postbus 722 9400 AS Assen T +31 59 23 91 30 0 E info.assen@tauw.com

2/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Inhoud 1

2

3

4

Inleiding ..................................................................................................................................... 5 1.1

Doel .................................................................................................................................... 5

1.2

Wettelijk kader.................................................................................................................... 5

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? ....................................................................... 5

1.3.1

Natura 2000-gebieden ................................................................................................ 5

1.3.2

Provinciaal beschermde gebieden .............................................................................. 6

1.3.3

Houtopstanden ............................................................................................................ 7

1.3.4

Beschermde soorten ................................................................................................... 7

1.4

TAUW en biodiversiteit ....................................................................................................... 7

1.5

Kwaliteit .............................................................................................................................. 8

Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten....................................................... 8 2.1

Huidige situatie ................................................................................................................... 8

2.2

Beoogde ontwikkeling ...................................................................................................... 10

2.3

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing .................................................................. 11

Houtopstanden ........................................................................................................................ 11 3.1

Inleiding ............................................................................................................................ 11

3.2

Toetsing houtopstanden ................................................................................................... 11

Soortenbescherming ............................................................................................................... 12 4.1

Beschermingsregime en bepalingen ................................................................................ 12

4.2

Vrijstellingen ..................................................................................................................... 13

4.3

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht .................................................................. 14

4.4

Werkwijze ......................................................................................................................... 15

4.5

Te toetsen soorten ........................................................................................................... 15

4.5.1

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek ................................. 15

4.5.2

Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep ........................ 16

4.6

Toetsing beschermde soorten .......................................................................................... 17

4.6.1

Grondgebonden zoogdieren ..................................................................................... 17

4.6.2

Vleermuizen .............................................................................................................. 18

4.6.3

Vogels ....................................................................................................................... 21

4.6.4

Reptielen ................................................................................................................... 23

3/31

Kenmerk

4.6.5 5

6

Specifieke zorgplicht ................................................................................................. 23

Aanbevelingen en kansen biodiversiteit .................................................................................. 25 5.1

Aanleiding ........................................................................................................................ 25

5.2

Kansen in dit project ......................................................................................................... 25

Conclusies en aanbevelingen.................................................................................................. 25 6.1

Aanleiding en doel ............................................................................................................ 25

6.2

Relevante natuurwet- en regelgeving .............................................................................. 26

6.3

Conclusies toetsing .......................................................................................................... 26

6.3.1

Omgevingswet .......................................................................................................... 26

6.3.2

Provinciaal beschermde gebieden ............................................................................ 28

6.4 7

R001-1301288TJL-V01

Consequenties planvorming en uitvoering ....................................................................... 28

Literatuur ................................................................................................................................. 28

Bijlage 1

VTA-controle resultaten ............................................................................................ 30

Bijlage 2

Samenvattende tabel met verschillende scenario’s vliegroute ................................. 31

4/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

1 Inleiding Dit hoofdstuk beschrijft het doel van de toetsing, de relevante natuurwetgeving en de wijze van kwaliteitsborging.

1.1

Doel

In opdracht van Gemeente Hoogeveen heeft TAUW onderzoek gedaan naar de consequenties van de geldende natuurwet- en regelgeving voor het potentiële kappen van 3 of 15 bomen aan de Coevorderstraatweg. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze niet in strijd is met de natuurwetgeving, of als de benodigde omgevingsvergunningen worden verleend. In deze rapportage volgt het antwoord op de volgende vragen:    

Hoe is de natuur in Nederland beschermd? In hoeverre kan de beoogde ontwikkeling gevolgen hebben voor beschermde natuur? Zijn maatregelen en/of een omgevingsvergunning nodig? Wat betekent dit voor de verdere planvorming en uitvoering?

1.2

Wettelijk kader

De Omgevingswet (hierna: ‘Ow’) beschermt bijzondere natuurgebieden (met name Natura 2000gebieden), planten- en diersoorten en houtopstanden. De bescherming is geregeld in de Ow en/of in 1 van de 4 uitvoeringsbesluiten. Die uitvoeringsbesluiten zijn:    

Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: ‘Bal’) Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: ‘Bkl’) Besluit bouwwerken leefomgeving Omgevingsbesluit

In deze quickscan wordt waar relevant verwezen naar de artikelnummers in de wet of de uitvoeringsbesluiten. Het beschermingsregime gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. Dit betekent dat plannen of projecten geen schade mogen toebrengen aan natuurgebieden, beschermde planten en dieren of houtopstanden tenzij daarvoor onder voorwaarden toestemming is verleend in de vorm van een omgevingsvergunning. Naast de Ow gelden door de provincie in de omgevingsverordening vastgelegde (aanvullende) beschermingsregels voor natuurgebieden die deel uitmaken van provinciaal beschermde gebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland (hierna: ‘NNN’).

1.3

Hoe is de natuur in Nederland beschermd?

1.3.1

Natura 2000-gebieden

In Nederland zijn ruim 162 gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied, gebieden met in Europees opzicht belangrijke natuurwaarden. De hierbij relevante Europese richtlijnen zijn de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). De verplichting om gebieden aan te wijzen is

5/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

vastgelegd in artikel 2.31a, lid 1 van de Ow. Daarnaast geldt voor Natura 2000-gebieden conform artikel 11.6 van het Bal ook een specifieke zorgplicht. De aanwijzing van Natura 2000-gebieden is een bevoegdheid van het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN; artikel 2.44 van de Ow). De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Mantingerzand is circa 4,3 kilometer (figuur 1.1). Verstoringsfactoren zoals geluid, licht en optische verstoring tijdens de aanlegfase en gebruiksfase zorgen vanwege de afstand en kleinschalige aard van de werkzaamheden en gelijkblijvende activiteit met zekerheid niet tot negatieve effecten in Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten door stikstofdepositie zijn vanwege de aard van de werkzaamheden en de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen (in het Natura 2000-gebied Lieftingsbroek op circa 7 kilometer afstand) niet te verwachten. Zekerheid kan echter alleen verkregen worden door een AERIUS-toetsing uit te voeren. Dit is geen onderdeel van deze rapportage.

Figuur 1.1 Plangebied ten opzichte van N2000-gebieden en NNN

1.3.2 Provinciaal beschermde gebieden Veel natuurgebieden in Nederland zijn beschermd als het Natuurnetwerk Nederland (NNN), een netwerk van bestaande en nieuw in te richten natuurgebieden door heel Nederland. De meeste Natura 2000-gebieden maken ook deel uit van het NNN. De begrenzing van het NNN is, behalve in Rijkswateren, een bevoegdheid van GS van de provincies, vast te leggen in de omgevingsverordening (artikel 2.44, lid 4 van de Ow). Ook worden daarin regels gesteld met als

6/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

doel ‘de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland’ (artikel 7.8 van het Bkl). Het plangebied maakt geen deel uit van het NNN. De afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied betreft 10 meter (figuur 1.1). Een onderzoek naar de mogelijke effecten van dit project op het NNN is niet verplicht omdat in de provincie Drenthe mogelijke gevolgen van ontwikkelingen die buiten het NNN plaatsvinden (externe werking) niet onderzocht hoeven worden. In de provincie Drenthe zijn naast het NNN ook gebieden aangeduid en beschermd als Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap, Nationaal Park Drentsche Aa, Beekdal en bergingsgebied en ganzenrustgebied. Het plangebied maakt geen deel uit van deze gebieden. Een toetsing van effecten op deze gebieden is daarom niet aan de orde, omdat ook hiervoor niet aan de externe werking getoetst hoeft te worden. 1.3.3 Houtopstanden Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are (0,1 hectare) zijn beschermd, met enkele uitzonderingen (artikel 11.111 van het Bal). De bescherming heeft als doel het totale bosoppervlak in Nederland ten minste te behouden. Voor houtopstanden geldt conform artikel 11.116 van het Bal ook een specifieke zorgplicht. Eventuele effecten op beschermde houtopstanden zijn hier aan de orde, omdat wel bomen worden gekapt.

Een melding bij de Provincie is vereist. Daarnaast geldt er een herplantplicht. Dit dient op dezelfde locatie plaats te vinden of er dient een plan voorgelegd te worden voor herplanten op een andere locatie. In opdracht van Gemeente Hoogeveen is tevens een VTA-controle uitgevoerd op de 15 potentieel te kappen bomen binnen het plangebied. De resultaten hiervan zijn vermeld in bijlage 1. 1.3.4

Beschermde soorten

Diverse planten- en diersoorten zijn beschermd, wat betekent dat negatieve effecten zoveel mogelijk voorkomen moeten worden. Onderscheid wordt gemaakt in Europeesrechtelijk beschermde soorten en soorten die in nationaal opzicht (artikel 11.54 van het Bal, inclusief bijlage IX met een lijst van soorten) beschermd worden. Bij Europeesrechtelijk beschermde soorten wordt onderscheid gemaakt in vogels (artikel 11.37 van het Bal) en andere soorten (artikel 11.46 van het Bal). Vanwege het mogelijk voorkomen van (beschermde) flora en fauna in en nabij het plangebied is onderzoek naar de mogelijke gevolgen voor beschermde soorten noodzakelijk.

1.4

TAUW en biodiversiteit

Naast de natuurwet- en regelgeving zijn er in alle projecten kansen waarmee dit project kan bijdragen aan herstel van biodiversiteit. In het hoofdstuk ‘Conclusies en aanbevelingen’ zijn enkele van deze kansen voor dit project beschreven.

7/31

Kenmerk

1.5

R001-1301288TJL-V01

Kwaliteit

Door inzet van deskundige ecologen en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethodes wordt de kwaliteit van deze quickscan zoveel mogelijk gewaarborgd. Mede daarom is TAUW aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, een samenwerkingsverband van adviesbureaus die (ook) ecologisch advies geven en ecologisch onderzoek verrichten. Ondanks de inzet van deskundigen kan geen volledige zekerheid worden gegeven over de aan- of afwezigheid van beschermde soorten. Dat komt doordat sommige beschermde soorten een hele lage trefkans hebben, soms in heel kleine aantallen voorkomen en in sommige jaren zelfs helemaal afwezig kunnen zijn.

2 Huidige situatie, beoogde ontwikkeling en uitgangspunten Dit hoofdstuk beschrijft de huidige situatie, het voorgenomen plan, de uit te voeren werkzaamheden en de uitgangspunten die tijdens deze toetsing gehanteerd zijn.

2.1

Huidige situatie

Figuur 2.1 toont de ligging van het plangebied. Figuur 2.2 geeft een sfeerimpressie van het gebied. Het plangebied bestaat uit de rij bomen aan de noordzijde van de Coevorderstraatweg waar mogelijk 3-15 bomen gekapt worden. De bomenrij bestaat uit een enkele rij bomen die samen met de bomen aan de zuidzijde plaatselijk een dubbele rij vormen van zomereiken, afgewisseld met enkele exemplaren van andere boomsoorten zoals linde, fladderiep, gewone beuk, tamme kastanje en zilveresdoorn. Vooral de lindes en fladderiepen zijn recent aangeplant. De berm heeft een grasvegetatie met veelvoorkomende soorten als vogelwikke, rode klaver en smalle weegbree, en wordt grotendeels ingesloten door een betonnen fietspad en een 60 km/uweg. Op circa 10 meter afstand van een groot deel van de laan ligt permanent oppervlaktewater in de vorm van ondiepe sloten, die sterk begroeid zijn met eendenkroos en oeverbeplanting, maar die wel regelmatig worden geschoond. Aan beide zijdes van het autoweg staan diverse boerderijwoningen, weilanden en op enig afstand zijn ook enkele boompercelen aanwezig. Verder richting het noorden, ligt op ongeveer 750 meter de Hoogeveensevaart en richting het zuiden ligt op 350 meter de A37.

8/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Figuur 2.1 Ligging van het plangebied (globaal begrensd)

9/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Figuur 2.2 Impressie van het plangebied

2.2

Beoogde ontwikkeling

Figuur 2.3 geeft de beoogde ontwikkeling weer. In de bomenrij zijn op basis van objectief verkeerskundig onderzoek 15 bomen aangewezen die een negatief effect kunnen hebben op de verkeersveiligheid (van der Hoogen, 2023). Voor 3 van deze bomen bestaat draagvlak voor kap, deze staan ook op een lijst met hinderlijke bomen die door bewoners is aangeleverd. Het gaat hierbij om bomen “1, 5 en 6”, weergegeven in figuur 2.3.

Figuur 2.3 De beoogde ontwikkeling betreft het mogelijk kappen 3 bomen, bomen 1, 5 en 6

10/31

Kenmerk

2.3

R001-1301288TJL-V01

Uitgangspunten werkzaamheden en toetsing

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd bij het onderzoek naar effecten op beschermde soorten:  Er worden geen gebouwen gesloopt of gerenoveerd. Als dit later wel nodig blijkt moet opnieuw getoetst worden of dit gevolgen heeft voor beschermde soorten Er wordt geen oppervlaktewater vergraven of gedempt. Als dit later wel nodig blijkt moet opnieuw getoetst worden of dit gevolgen heeft voor beschermde soorten

3 Houtopstanden In dit hoofdstuk wordt onderzocht of het voorgenomen plan negatieve effecten heeft op beschermde houtopstanden.

3.1

Inleiding

‘Houtopstanden’ zijn bospercelen of bomenrijen. Op bepaalde uitzonderingen na (zie artikel 11.111 Bal) zijn ze beschermd door de Omgevingswet en/of de bijbehorende uitvoeringsbesluiten. De regels voor houtopstanden hebben als doel de instandhouding van het Nederlandse bosareaal. Ze zijn alléén van toepassing buiten de grenzen van de daarvoor vastgestelde ‘bebouwingscontour houtkap’1. Deze moet worden vastgelegd in het Omgevingsplan (artikel 5.165b Bkl). Het is niet toegestaan een beschermde houtopstand te vellen zonder voorafgaande melding aan GS (artikel 11.126 Bal). Daarbij geldt doorgaans een herplantplicht (artikel 11.129 Bal). Door gemeenten kunnen in het Omgevingsplan regels gesteld worden voor de kap van bomen. Deze regels gelden alléén binnen de ‘bebouwingscontour houtkap'. Er kan daarom een omgevingsvergunning nodig zijn voor het kappen van bomen2. Dit moet door een ter zake kundige nader worden beoordeeld.

3.2

Toetsing houtopstanden

De in het plangebied te kappen bomen vallen buiten de bebouwingscontour houtkap (figuur 3.1). De te kappen bomen maken deel uit van een rij van meer dan 20 bomen, en vallen niet onder de uitzonderingen benoemd in de Wnb, artikel 4.1 of artikel 4.4. Het is daarom noodzakelijk om een kapmelding te doen bij provincie Drenthe. Een voorwaarde voor het toestaan van de velling is dat de initiatiefnemer de houtopstand op bosbouwkundig verantwoorde wijze herplant op dezelfde grond binnen 3 jaar na het vellen. Met een maatwerkvoorschrift van provincie Drenthe mag de herplant plaats vinden op een andere locatie.

1 2

Deze werd tot 2017 de ‘Bebouwde kom Boswet’ genoemd en sinds 2017 de ‘Bebouwde kom houtopstanden’ Deze werd tot 2017 een ‘kapvergunning’ genoemd

11/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Figuur 3.1 Weergave van te kappen bomen ten opzichte van de grenzen bebouwingscontour houtkap

4 Soortenbescherming Dit hoofdstuk beschrijft of het voorgenomen plan of project negatieve effecten heeft op beschermde flora en fauna en of vervolgstappen nodig zijn.

4.1

Beschermingsregime en bepalingen

De Ow beschermt in het wild levende dier- en plantensoorten. Het gaat onder meer om soorten die in Nederland, maar soms ook in Europa in hun voortbestaan worden bedreigd. Er worden 3 beschermingsregimes onderscheiden:  Vogels: het gaat hier om alle inheemse vogels in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Wettelijk kader: artikel 11.37 van het Bal. Ze zijn Europees beschermd via de Vogelrichtlijn 

(1979) Dieren en planten: het gaat hier om inheemse dieren en planten, die Europees beschermd zijn door de Habitatrichtlijn (1992) en/of de verdragen van Bern en Bonn (1979). Wettelijk kader: artikel 11.46 van het Bal Nationaal beschermde soorten: het gaat hier om soorten die niet onder de reikwijdte van de Vogel- of Habitatrichtlijn of de verdragen van Bern en Bonn vallen. Wettelijk kader: artikel 11.54 van het Bal. Deze soorten zijn wel nationaal beschermd

12/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Per beschermingsregime geldt een verbodsbepaling. Tabel 4.1 geeft een samenvatting van de verbodsbepalingen. Ze voorzien in de bescherming van verblijfplaatsen en de bescherming tegen verstorende invloeden. GS van provincie Drenthe kan een omgevingsvergunning voor een floraen fauna-activiteit verlenen waarmee het bevoegd gezag ondanks die verbodsbepalingen toch toestemming geeft voor een bepaald project. Dit kan alleen wanneer er sprake is van een geldend wettelijk belang, er geen reële alternatieven zijn en er geen effect is op de staat van instandhouding van beschermde soorten. Wettelijk kader bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het Bkl, en dan in het bijzonder de artikelen 8.74j, 8.74k en 8.74l voor respectievelijk vogels, andere Europeesrechtelijk beschermde soorten en nationaal beschermde soorten.

4.2

Vrijstellingen

In bijlage IX bij het Bal is ook een aantal in Nederland algemene soorten amfibieën en zoogdieren vermeld die landelijk beschermd zijn. Het wettelijk kader is artikel 11.54 van het Bal. Voorbeelden van zulke soorten zijn gewone pad, bruine kikker en vos. PS van de provincie Drenthe heeft bij verordening deze soorten ‘vrijgesteld’. Dit betekent dat voor deze soorten geen omgevingsvergunning nodig is voor werken gericht op ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en beheer en onderhoud. Wel geldt ook voor deze soorten de zorgplicht (zie paragraaf 4.3). Vrijgestelde soorten zijn niet meegenomen in deze quickscan. Tabel 4.1 Verbodsbepalingen soortenbescherming. VR = Vogelrichtlijn, HR = Habitatrichtlijn. Cijfers verwijzen naar de wetsartikelen in het Besluit activiteiten leefomgeving Beschermingsregime

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling Dieren of planten: Doden of vangen

11.37.1.a

11.46.1 a

Storen/verstoren

11.37.1.d

11.46.1 b

11.54.1.a

(tenzij 11.37.3) Plukken, verzamelen,

11.46.1.e

11.54.1.c

afsnijden, ontwortelen of vernielen Onder zich hebben of

11.39.1

11.47.1.b

11.47.1.b

vervoeren Nesten, voortplantingsplaatsen, rustplaatsen: Vernielen, beschadigen

11.37.1.b

of wegnemen nesten Beschadigen of vernielen

11.37.1.b

11.46.1.d

11.54.1.b

rustplaatsen (alleen HR

13/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Beschermingsregime

Vogels - VR

Dieren –

Planten –

Dieren -

Planten -

HR/Bonn/Bern

HR/Bonn/Bern

nationaal

nationaal

Verbodsbepaling en nationaal: of (vaste) voortplantingsplaatsen) Eieren: Vernielen (alleen VR en

11.37.1.b

11.46.1.c

Rapen

11.37.1.c

11.46.1.c

Onder zich hebben

11.37.1.c

11.54.1.c

nationaal: of beschadigen)

4.3

Algemene zorgplicht en specifieke zorgplicht

Voor alle activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor planten- en diersoorten geldt zowel een ‘algemene zorgplicht’ als een ‘specifieke zorgplicht’. De algemene zorgplicht (artikelen 1.6 – 1.7a van de Ow) houdt in dat eenieder ‘voldoende zorg’ draagt voor de fysieke leefomgeving (artikel 1.6 van de Ow) en dat activiteiten waarvan men kan weten dat die schadelijk zijn voor de fysieke leefomgeving achterwege worden gelaten of dat mogelijke gevolgen daarvan tot een minimum beperkt worden (artikel 1.7 van de Ow). De ‘specifieke zorgplicht’ is aanvullend op de ‘algemene zorgplicht’. Deze specifieke zorgplicht is voor wat betreft flora- en fauna-activiteiten3 wettelijk vastgelegd in artikel 11.27 van het Bal. Een ‘flora- en fauna-activiteit’ is een ‘activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten’. Het onderzoek dat ter voorbereiding van een flora- en fauna-activiteit gedaan moet worden en de voorwaarden waaraan zo’n activiteit in elk geval moet voldoen, zijn aangegeven in lid 2 van artikel 11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht geldt voor alle soorten, dus ook voor bedreigde soorten die niet in één van de lijsten van beschermde soorten vermeld worden en die dus niet expliciet beschermd worden.

Het betreft in elk geval de volgende soorten en hun leefgebieden of natuurlijke habitats:  In het wild voorkomende vogelsoorten  In het wild levende planten- en diersoorten die vermeld zijn in de bijlagen II, IV of V van de  

Europese Habitatrichtlijn Nationaal beschermde planten- en diersoorten (bijlage IX van het Bal) Bedreigde soorten planten en dieren die zijn vermeld in rode lijsten4

Uit het voorgaande blijkt dat bij projecten niet alleen rekening gehouden moet worden met beschermde soorten maar ook met andere, onder andere bedreigde soorten. Deze quickscanbeschrijft en beoordeelt alle mogelijke effecten op strikt beschermde soorten en geeft een advies wat de meest verstandige vervolgstappen zijn. Bij uitvoering van werkzaamheden 3 4

Begrippenlijst in de bijlage bij artikel 1.1 van de Ow Wettelijk kader: artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 3˚ Ow

14/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

dient rekening gehouden te houden met het eventueel voorkomen van andere -niet strikt beschermde- soorten (zoals rode-lijstsoorten) waarvoor de zorgplicht van toepassing is. In paragraaf 4.6.5 wordt de specifieke zorgplicht uitgewerkt. Hiertoe wordt in beeld gebracht welke ecotopen er in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Daarnaast wordt bepaald of er, aanvullend op de beschermde soorten, ook (andere) rode-lijstsoorten voorkomen en in welke mate. Vervolgens wordt op ecotoopniveau beschreven welke maatregelen nodig zijn om negatieve effecten op te verwachten soorten te minimaliseren 5.

4.4

Werkwijze

De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten en van andere soorten waarvoor de specifieke zorgplicht geldt is bepaald aan de hand van de volgende gegevens:  Regionale en landelijke verspreidingsatlassen en -data   

Nationale Databank Flora en Fauna (hierna: ‘NDFF’), geraadpleegd op 1 september 2025 De Ecoviewer van TAUW Een oriënterend veldbezoek op 4 augustus 2025. Tijdens het oriënterende veldbezoek is gecontroleerd of de locatie voldoet aan eisen die soorten aan hun leefomgeving stellen. Ook is gekeken naar de aanwezigheid van (sporen van) beschermde soorten.

4.5

Te toetsen soorten

4.5.1

Mogelijk aanwezige soorten op basis van literatuuronderzoek

Tabel 4.2 geeft een overzicht van alle beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen. Tabel 4.2 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten

Flora

Drijvende waterweegbree, Kartuizer anjer, kluwenklokje (artikel 11.54 Bal)

Grondgebonden zoogdieren

Boommarter, bunzing, das, eekhoorn, grote bosmuis, hermelijn, steenmarter, wezel (artikel 11.54 Bal), otter, wolf (artikel 11.46 Bal)

Vleermuizen

Gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart, baardvleermuis (allen artikel 11.46 Bal)

Vogels - jaarrond beschermde nesten

Aalscholver, blauwe reiger, boomvalk, bosuil, draaihals, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, huiszwaluw, kerkuil, oehoe, raaf, ransuil, ringmus, rode wouw, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil,

5

Er is nog weinig jurisprudentie over de invulling van de specifieke zorgplicht ten aanzien van rode-lijstsoorten die niet strikt beschermd zijn onder een ander artikel van de Ow. TAUW geeft daarom naar eigen interpretatie invulling aan deze specifieke zorgplicht. Wanneer nieuwe jurisprudentie aanleiding geeft om deze werkwijze te veranderen, passen wij die in natuurtoetsen aan en worden lopende projecten daarvan op de hoogte gebracht. TAUW kan u eraan helpen herinneren wanneer wijzigingen in jurisprudentie gevolgen kunnen hebben voor uw plan of project en desgewenst de rapportage aanvullen of aanpassen zodat deze ook met de nieuwe jurisprudentie in overeenstemming is.

15/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Soortgroep

Mogelijk aanwezige beschermde soorten wespendief, zeearend, zwarte specht, zwarte stern, zwarte wouw (allen artikel 11.37 Bal)

Vogels - jaarrond beschermd:

Bergeend, boerenzwaluw, buizerd, gekraagde roodstaart, glanskop,

afhankelijk van ecologische factoren

ijsvogel, kleine bonte specht, kokmeeuw, kraanvogel, middelste bonte specht, oeverzwaluw, paapje, scholekster, spreeuw, torenvalk, visdief, wilde zwaan (allen artikel 11.37 Bal)

Vogels – in gebruik zijnde nesten

Algemene soorten zoals merel, kraai en houtduif (allen artikel 11.37 Bal)

Amfibieën

Alpenwatersalamander (artikel 11.54 Bal), heikikker, poelkikker, rugstreeppad (artikel 11.46 Bal)

Reptielen

Adder, hazelworm, ringslang, levendbarende hagedis (artikel 11.54 Bal)

Vissen

Grote modderkruiper (artikel 11.54 Bal)

Vlinders

Grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine ijsvogelvlinder, sleedoornpage (artikel 11.54 Bal), teunisbloempijlstaart (artikel 11.46)

Libellen

Gevlekte witsnuitlibel, Noordse winterjuffer (artikel 11.46 Bal)

Overige ongewervelden

-

4.5.2 Met zekerheid afwezige soorten op basis van habitat en/of ingreep Op basis van de afwezigheid van geschikt habitat in en nabij het plangebied worden de aanwezigheid van en negatieve effecten op de volgende beschermde soortgroepen op voorhand uitgesloten:  Flora: Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikte groeiplaatsen voor drijvende waterweegbree, kartuizer anjer en kluwenklokje. De berm bestaan enkel uit gras wat te 

intensief beheerd wordt voor deze soorten. Grondgebonden zoogdieren: Binnen het plangebied ontbreekt het aan geschikt habitat voor grote bosmuis, wolf en otter. De bermen in en langs het plangebied bieden weinig tot geen schuilmogelijkheden. Tevens blijven de watergang en oevers ongemoeid. Ook voor grote bosmuis en wolf ontbreekt het aan een voorkeurshabitat, voldoende beschutting en mogelijkheden voor verblijfplaatsen

Amfibieën: Het plangebied bevat geen water of geschikt landhabitat voor de soorten gezien dit enkel uit de bomenrij en bermen bestaat. Tevens blijven de omliggende sloten (welke suboptimaal zijn voor de soorten) ongemoeid tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden. Het voorkomen van beschermde amfibiesoorten is hierdoor uitgesloten Reptielen: Binnen het plangebied ontbreekt het aan een geschikt habitat voor levendbarende hagedis en adder. De bomenlaan en bermen zijn geen leefgebied van deze soorten waardoor het voorkomen van levendbarende hagedis en adder is uitgesloten Vlinders: Door het ontbreken van geschikt habitat, zoals schrale graslanden en natte heiden, én het ontbreken van waardplanten voor deze soorten, zoals wilg, sleedoorn en populier, is het voorkomen van beschermde vlindersoorten uitgesloten. Libellen: Door het ontbreken aan geschikt habitat, zoals laagveenmoerassen, hoogveen- en heidevennen en het ontbreken van verlandingszones, is het voorkomen van gevlekte witsnuitlibel en Noordse winterjuffer uitgesloten

16/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Deze soortgroepen worden om de volgende redenen niet verder behandeld in deze rapportage. Samengevat zijn alleen grondgebonden zoogdieren, vleermuizen en (broed)vogels relevant voor deze toetsing.

4.6

Toetsing beschermde soorten

In de volgende paragrafen zijn de effecten van de beoogde ontwikkeling op de in tabel 4.2 genoemde soorten beschreven, tenzij deze soorten in paragraaf 4.5.2 al zijn uitgesloten. 4.6.1

Grondgebonden zoogdieren

Das Das komt voor in kleinschalige landschappen en is nachtactief. De voorwaarden van geschikt leefgebied is de aanwezigheid van voldoende foerageergebied en plekken waar ze een burcht kunnen graven. Geschikt foerageergebied bestaat uit bos of grasland dat een groot voedselaanbod (regenwormen) heeft. Das graaft burchten in de hoge gelegen zandgronden met voldoende dekking in de vorm van bos of struweel. Ook voor de looproutes (wissels) is het belangrijk dat er voldoende dekking is in de vorm van struwelen, bossen, bosschages of bomenrijen. Dassen zijn door hun slechte zichtvermogen vaak verkeerslachtoffer. In en direct naast het plangebied zijn geen dassenburchten aangetroffen. Effecten op verblijfplaatsen zijn daardoor uitgesloten. Das kan ’s nachts foerageren op graslanden en migreren in de omgeving van het plangebied. In dit project worden slechts enkele bomen gekapt direct naast de autoweg. Het kappen van de bomen heeft geen negatieve invloed op het potentiële leefgebied van das in de omgeving. Negatieve effecten op das zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. Eekhoorn Eekhoorn is een typische bos- en boombewoner maar komt soms ook voor in tuinen binnen bebouwd gebied.

Hij gebruikt holtes, dichte klimopbegroeiingen of oude nesten van (roof)vogels als verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn er geen eekhoorns, eekhoornnesten, geschikte holtes of sporen van de soort waargenomen in en rondom het plangebied. De bomenlaan blijft op enkele bomen na intact en de enkele bosschages en bospercelen op enige afstand van het plangebied blijven tevens ongemoeid tijdens de kap van de 3 bomen. Negatieve effecten op eekhoorn zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. Boommarter Boommarter is een typische bos- en boombewoner. Ze gebruiken holtes in bomen, dichte klimopbegroeiingen of oude nesten van (roof)vogels als verblijfplaats. Ook foerageergebied en migratieroutes dienen voldoende dekking te bieden. Het plangebied en de directe omgeving biedt geen geschikt verblijfplaatsen voor de soort. In het plangebied zijn namelijk geen geschikte nesten en boomholten aanwezig en bevinden zich geen tot weinig dekkingsmogelijkheden. Effecten op

17/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

deze soort zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. Steenmarter Steenmarters hebben een voorkeur voor gebieden met kleinschalige landbouw, met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes, maar komen ook voor in stedelijk gebied. Ze maken gebruik van takkenhopen, dichte struwelen, zolders, spouwmuren en kruipruimtes als verblijfplaats. De aanwezigheid van elementen zoals groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen is daarbij van belang als foerageergebied. Tijdens het veldbezoek zijn bovengenoemde gecombineerde elementen in de directe omgeving van het plangebied aangetroffen in de vorm van enkele lijnvormige bosschages langs het plangebied en de bomenlaan. Echter ontbreekt het verder in het plangebied aan geschikte verblijfplaatsen gezien de bomenlaan enkel langs wegbermen, fietspaden en een autoweg loopt. Eventuele verblijfplaatsen in of bij gebouwen, takkenhopen en dichte struwelen in de omgeving blijven ongemoeid. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. Bunzing, hermelijn en wezel Bunzing, hermelijn en wezel vallen onder de kleine marterachtigen.

Deze soorten kunnen voorkomen in verschillende landschappen, zolang er voldoende voedsel en beschutting aanwezig zijn. Ze hebben een voorkeur voor gebieden met lijnvormige elementen, zoals houtwallen, greppels, sloten, heggen en houtstapels. Deze lijnvormige elementen bieden niet alleen voedselbronnen, maar ook dekking en corridors voor de soorten om zich door het gebied te verplaatsen. Mogelijke biotopen waar ze voorkomen zijn onder andere bossen, duin, weiakkerland, kleinschalige landschappen en buitenwijken. De verblijfplaatsen van de soort bevatten voornamelijk holen van bijvoorbeeld muizen en konijnen, maar ze komen ook voor bij takkenstapels en stallen. Het plangebied zelf heeft een lijnvormig element in de vorm van de bomenlaan. Buiten het plangebied zijn er lijnvormige elementen in de vorm van kleine bosschages langs boerderijwoningen en zijn er sloten aanwezig. Bij of in de bomen zijn geen mogelijke verblijfplaatsen of sporen van kleine marterachtigen waargenomen. De voorgenomen werkzaamheden bevatten het kappen van 3 bomen. Eventuele bosschages langs het plangebied blijven verder ongemoeid waardoor er geen negatieve effecten ontstaan op kleine marterachtigen. Negatieve effecten op deze soorten zijn daarom uitgesloten. Nader onderzoek voor deze soorten is daarom niet nodig.

4.6.2 Vleermuizen Hoewel vleermuizen zoogdieren zijn, worden deze vanwege hun afwijkende eigenschappen als afzonderlijke groep behandeld. Er zijn 3 typen leefgebied van vleermuizen te onderscheiden, namelijk: verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroutes. Deze worden hieronder per type leefgebied beschreven. Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn te allen tijde wettelijk beschermd. Indien foerageergebied en/of vliegroutes een essentieel onderdeel van het leefgebied van vleermuizen vormen, zijn deze functies eveneens wettelijk beschermd. Niet-essentiële vliegroutes en foerageergebieden zijn niet beschermd. Er wordt daarom voor zover mogelijk in

18/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

een quickscan onderscheid gemaakt in essentiële foerageergebieden en vliegroutes en niet-essentiële foerageergebieden en vliegroutes. Het onderscheid tussen een vliegroute en foerageeractiviteit langs een lijnvormig object is niet altijd even duidelijk. 4.6.2.1 Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich, afhankelijk van de soort, in woningen, allerlei andere bouwwerken zoals kerken, kantoorpanden en bunkers, in grotten, in boomholtes of achter schors en in kieren van bomen. Globaal kan daarbij onderscheid gemaakt worden tussen in gebouwen verblijvende vleermuissoorten en in bomen verblijvende vleermuissoorten. Omdat vleermuizen een duidelijke jaarcyclus kennen, maken we onderscheid tussen verschillende typen verblijfplaatsen, namelijk zomer-, kraam-, paar- en winterverblijfplaatsen. Boombewonende vleermuizen Mogelijk voorkomende soorten in bomen in de omgeving zijn ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en watervleermuis. Tijdens het veldbezoek zijn de bomen in het plangebied en in de directe omgeving van het plangebied gecontroleerd op verblijfplaatsen van deze soorten, zoals holtes en loshangend schors. Dergelijke mogelijke verblijfplaatsen is 1 keer waargenomen op ongeveer 260 meter van de dichtstbijzijnde te kappen boom (figuur 4.1).

Directe negatieve effecten op verblijfplaatsen door het verwijderen van de beoogde bomen is uitgesloten. Indirecte negatieve effecten op de potentiële verblijfplaatsen door verlichting kunnen echter wel optreden bij bomen met mogelijke verblijfplaatsen in de omgeving. Dit kan echter worden voorkomen door maatregelen te treffen (zie paragraaf 4.6.2.2).

Figuur 4.1 Mogelijke verblijfplaats vleermuizen bij een boom in de bomenlaan

Gebouwbewonende vleermuizen

19/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Zowel gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis, franjestaart, baardvleermuis als tweekleurige vleermuis maken gebruik van bebouwing als verblijfplaats. Deze verblijfplaatsen bestaan bijvoorbeeld uit open stootvoegen, kieren in gevels, gleuven bij dakranden en openingen bij dak/nokpannen, welke ook in gebouwen nabij het plangebied voorkomen. Gezien het plangebied bestaat uit een bomenlaan en er alleen aan bomen werkzaamheden gaan plaatsvinden ontstaat er geen direct negatief effect op gebouwbewonende vleermuizen. 4.6.2.2 Te nemen maatregelen ter voorkoming van indirecte effecten Vleermuizen zijn gevoelig voor verlichting wat kan zorgen dat verlichte verblijfplaatsen ongeschikt worden. Het is hierdoor belangrijk om verstoring door (extra) verlichting te voorkomen. Dit geldt voor zowel tijdens de werkzaamheden als in de nieuwe situatie. De bomenrij, gebouwen en bosschages rondom het plangebied dienen om deze reden niet direct belicht te worden tussen zonsondergang en zonsopgang. Tijdens de werkzaamheden kan dit worden gerealiseerd door de werkzaamheden overdag uit te voeren en/of buiten de actieve periode van vleermuizen (april tot en met november) te werken.

Indien verlichting in de uren tussen zonsondergang en zonsopgang gebruikt wordt, dient deze dusdanig afgesteld te zijn dat deze enkel het plangebied belicht. Mits deze maatregelen genomen worden, zijn negatieve effecten uitgesloten en is een nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet nodig. Als het blijkt dat deze maatregelen niet opgevolgd kunnen worden, is het noodzakelijk een nader onderzoek uit te voeren en, afhankelijk van de resultaten, mogelijk een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna activiteit aan te vragen. 4.6.2.3 Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn onder andere (lijnvormige) groen- of waterstructuren zoals struweel, bomenrijen, andere opgaande begroeiing en watergangen. Een voorbeeld van een groene structuur is de bomenlaan en een voorbeeld van een waterstructuur is de Hoogeveense vaart ongeveer 750 meter ten noorden van het plangebied. Deze lijnvormige structuren kunnen goed als vliegroute gebruikt worden. De beoogde werkzaamheden hebben effect op de bomenlaan. Het is zeer aannemelijk dat de bomenlaan een ecologische belangrijke verbindingsfunctie betreft. Omdat deze een verbinding vormt tussen diverse bospercelen, bomenlanen, een kanaal en omliggende dorpen.

De laan fungeert daardoor hierdoor waarschijnlijk als een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Het is mogelijk dat deze bomenlaan wordt gebruikt door meerdere soorten, bijvoorbeeld gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, gewone grootoorvleermuis en mogelijk watervleermuis. Het verwijderen van deze 3 eiken kan leiden tot het ontstaan van “gaten” in deze vliegroute. Hoewel de lijnvormige functie deels kan worden opgevangen door naastliggende bomen bij ‘boom 1’ en door bomen aan de overzijde van de weg bij ‘bomen 5 en 6’, kan dit de kwaliteit van de vliegroute negatief beïnvloeden. Met name wind kan hierdoor meer invloed hebben, wat de bruikbaarheid/kwaliteit van de route voor

20/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

vleermuizen vermindert. Het is niet bekend hoe groot dit effect daadwerkelijk is. Alleen door middel van een nader onderzoek kan meer inzicht verkregen worden over het gebruik van de bomenlaan. Omdat vleermuizen sterk afhankelijk zijn van zulke lijnvormige structuren voor hun oriëntatie en bescherming tegen wind en predatoren, kan een beperkte aantasting van de bomenlaan leiden tot een lagere kwaliteit van deze vermoedelijke vliegroute. Gelet op de ecologische waarde van de bomenlaan en de mogelijke impact van het kappen bomen, wordt geadviseerd om een nader onderzoek naar de mogelijke vleermuisvliegroute uit te voeren. Dit onderzoek kan vaststellen in welke mate de bomenlaan momenteel wordt gebruikt door vleermuizen, welke soorten dit betreft en welke rol de te kappen bomen hierin vervullen. Op basis van de onderzoeksresultaten kan vervolgens worden bepaald of mitigerende/compenserende maatregelen noodzakelijk zijn om de functie van de vliegroute te behouden. In bijlage 2 is een samenvattende tabel opgenomen met verschillende scenario’s voor het gebruik van de vliegroute. 4.6.3 Vogels 4.6.3.1 Vogels - jaarrond beschermde nesten De nesten van deze vogelsoorten zijn het hele jaar beschermd, evenals de functionele leefomgeving rondom het nest.

Rond het plangebied zijn binnen een straal van 100 meter geen bomen, nesten, nestkasten of holten waargenomen die door aalscholver, blauwe reiger, bosuil, boomvalk, buizerd, draaihals, havik, grote gele kwikstaart, oehoe, sperwer, raaf, ransuil, rode wouw, roek, wespendief, zeearend, zwarte stern, zwarte specht en zwarte wouw in gebruik kunnen zijn als nestlocatie. Op basis van het veldbezoek zijn negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Huismus, gierzwaluw en huiszwaluw Huismus, gierzwaluw en huiszwaluw zijn gebouwbroeders en nestelen voornamelijk onder dakpannen, nokpannen, kieren, tegen boeiboorden en in openingen in gevels. Een voorwaarde van huismus is dat er voldoende (winter)groen in de directe omgeving aanwezig is, zoals heggen, struiken en klimop. Groen dient als dekking en foerageergebied voor huismus. In het plangebied zijn geen nestplaatsen voor huismus, gierzwaluw en huiszwaluw aanwezig gezien het ontbreekt aan bebouwing op het plangebied. De soorten maken mogelijk wel gebruik van woningen en andere gebouwen rondom het plangebied. Deze potentiële nestplaatsen liggen buiten het plangebied en gezien de werkzaamheden slechts tijdelijk zijn en enkel effect hebben op wegbermen zullen er geen negatieve effecten optreden voor deze soorten. Negatieve effecten op huismus, gierzwaluw en huiszwaluw zijn uitgesloten.

Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig.

21/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Ringmus Ringmus komt voornamelijk voor in kleinschalig cultuurlandschap met bouwland en in dorpen. Het voorkeurshabitat is een omgeving met veel struikgewas, weilanden en oude bomen. Ringmus broedt voornamelijk in (kleine) holten en kan soms ook in nestkasten broeden. Er zijn geen geschikte holten of andere mogelijke nestlocaties van ringmus vastgesteld in de te kappen bomen tijdens het veldbezoek. Negatieve effecten op ringmus zijn uitgesloten. Nader onderzoek en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is voor ringmus niet nodig. Kerkuil en Steenuil Kerkuil en steenuil broeden in kleinschalig agrarisch landschap. Kerkuil broedt in nestkasten en daarnaast in ruimtes in gebouwen zoals schuren. Steenuil is afhankelijk van nestplaatsen in natuurlijke holtes in bomen (wilg), rustige hoekjes of nissen in gebouwen en opstallen, evenals speciale nestkasten met gevarieerde erven bij boerderijen of vrijstaande huizen, houtwallen, heggen, weides en knoestige bomen in de directe omgeving. De meeste van deze elementen zijn niet tot minimaal aanwezig in het plangebied. De bomenlaan bestaat voornamelijk uit grote hoge bomen en bieden zelf geen geschikte nestlocaties voor de soorten. Mogelijk komen de soorten wel voor bij boerderijen en dergelijke gebouwen in de omgeving, maar de voorgenomen werkzaamheden hebben hier geen negatieve effecten op.

Negatieve effecten op steenuil en kerkuil zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig. 4.6.3.2 Vogels – jaarrond beschermd: afhankelijk van ecologische factoren Bij vogelsoorten uit deze categorie gaat het om vogels die vaak elk jaar terugkeren naar de omgeving waar ze eerder gebroed hebben, maar die wel flexibel zijn en een nieuw nest kunnen maken of zich elders kunnen vestigen. Het gaat dus om de bescherming van het functionele leefgebied en dit is alleen aan de orde als de betreffende soort voor zijn voortplanting uitsluitend afhankelijk is van dat functionele leefgebied en er geen alternatieven of uitwijkmogelijkheden in de omgeving zijn. Een omgevingsscan is nodig om per soort te bepalen of het nest en het functionele leefgebied bij dit voornemen jaarrond beschermd zijn. Daarbij spelen de landelijke staat van instandhouding van de soort (die bepaald wordt door onder andere verspreiding, populatie en trend), het belang van de in en nabij het plangebied aanwezige populatie en de aanwezigheid van alternatief leefgebied in de directe omgeving een belangrijke rol. Hieronder worden de soorten behandeld die een ongunstige of zeer ongunstige staat van instandhouding hebben en mogelijk in (de omgeving van) het plangebied voorkomen.

Boerenzwaluw, gekraagde roodstaart, paapje, scholekster, spreeuw en torenvalk hebben een zeer ongunstige staat van instandhouding (Sovon, 2025). Deze nestkast-, grond-, gebouw- en boom-broedende soorten kunnen voorkomen in de directe omgeving van het plangebied. Er worden slechts 3 bomen gekapt en deze beschikken niet over de mogelijke nestlocaties van deze soorten. Gezien verdere bomen, bosschages, gebouwen en bouwwerken rondom het plangebied

22/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

ongemoeid blijven zijn er geen directe negatieve effecten op de soorten. Wel dient men rekening te houden met het broedseizoen (paragraaf 4.6.3.3) Negatieve effecten op de hierboven beschreven soorten zijn hiermee met zekerheid uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soorten is daarom niet nodig. 4.6.3.3 Vogels – in gebruik zijnde nesten De nesten van alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd wanneer ze als broedlocatie in gebruik zijn. Bij het veldbezoek zijn geschikte nestlocaties van broedvogels aangetroffen, zoals de bomen, kleine bosschage en gebouwen rond het plangebied. De kans op een broedgeval is het grootst in de periode maart tot en met augustus. Ook buiten deze periode zijn broedende vogels mogelijk aanwezig en beschermd. Het is daarom belangrijk om hier voorafgaand aan de werkzaamheden rekening mee te houden. Het is noodzakelijk om voorafgaand aan de werkzaamheden contact op te nemen met een kundig ecoloog om te bepalen of een controle op nesten van broedvogels noodzakelijk is (een broedvogelcontrole). Indien een broedvogelcontrole nodig wordt geacht, dient deze uitgevoerd te worden door een ecologisch deskundige. Als een broedende vogel aanwezig is, kan het nodig zijn om de werkzaamheden uit te stellen totdat de jongen zijn uitgevlogen en niet meer afhankelijk zijn van het nest.

Mogelijk kan een deel van de werkzaamheden wel uitgevoerd worden door het aanhouden van een door een ecoloog vastgestelde verstoringsvrije zone. Binnen deze verstoringsvrije zone mogen geen tot zeer beperkt werkzaamheden worden uitgevoerd. 4.6.4 Reptielen Ringslang Ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes in de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren waaronder vissen (RAVON, 2025). Ringslangen broeden in zogenaamde ‘broeihopen’, waarin de eieren van de soort worden afgezet. Het plangebied bestaat vooral uit bomen en bermen die bestaan uit gras en langs het plangebied lopen enkele sloten. Het plangebied en de omgeving biedt weinig tot geen beschutting voor de soort waardoor negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. Nader onderzoek naar en het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor deze soort is daarom niet nodig. 4.6.5 Specifieke zorgplicht Er geldt een aantal generieke en specifieke (locatiegebonden) maatregelen. De generieke maatregelen zijn bij elk project van toepassing, de specifieke maatregelen zijn afhankelijk van de aanwezige ecotopen binnen het plangebied.

Deze gelden zowel voor algemene soorten als gewone pad en huismuis als voor Rode Lijstsoorten. Welke Rode Lijstsoorten in het plangebied

23/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

kunnen voorkomen is in tabel 4.3 weergegeven. Welke maatregelen van toepassing zijn is hieronder weergegeven. Tabel 4.3 Mogelijk in het plangebied aanwezige Rode Lijstsoorten Soortgroep

Soorten

Dagvlinders

Oranje zandoogje

Grondgebonden zoogdieren

Haas, konijn

Kokerjuffers & Mollusken

Veel verschillende soorten

Vaatplanten

Kleine ratelaar, krabbenscheer, moeraswespenorchis, steenanjer

Vissen

Kroeskarper

Weekdieren

Lichte aardslak, wijngaardslak

Rode draad:  Start het werk met ongeschikt maken, doe dat binnen de minst kwetsbare periode (afhankelijk

van de aanwezige soorten, zie specifieke maatregelen en indien van toepassing het ecologisch werkprotocol) Geef mobiele soorten daarmee de kans het plangebied te verlaten.

Generieke maatregelen:  Houd het werkterrein zo klein mogelijk  

  

Houd de doorlooptijd zo kort als redelijkerwijs mogelijk is Stel de rij- en werksnelheid van machines en de hoogte van een eventuele maaibalk zo af (bijvoorbeeld 10 centimeter) dat dieren zoveel mogelijk kunnen wegvluchten. Bij voorkeur wordt stapvoets gereden Maak zoveel als mogelijk gebruik van bestaande infrastructuur Werk één kant op en in de richting van te behouden leefgebied, zodat dieren tijdig en veilig kunnen vluchten. Werk bijvoorbeeld naar open water of open gebied toe Voorkom schade aan graslanden, bermen, slootkanten, houtsingels, bosjes en bomen(rijen) die binnen het voornemen niet worden aangetast (bijvoorbeeld door insporing). Het kappen van de bomen dient bij voorkeur handmatig te worden uitgevoerd, zodat het gebruik van grote machines wordt vermeden. Op deze manier blijven de omliggende bermen zoveel mogelijk ongemoeid.

 

Zet natuurvriendelijk materieel en/of natuursparende technieken in die zo min mogelijk verstoring veroorzaken (zoals: geluidsoverlast, betreding en omwoelen van de oevers) Voer werkzaamheden bij daglicht uit. Als werkzaamheden ‘s nachts worden uitgevoerd, wordt alleen de werkplek verlicht en uitstraling naar de omgeving voorkomen met gerichte armaturen

24/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

5 Aanbevelingen en kansen biodiversiteit In dit hoofdstuk zijn aanbevelingen en kansen voor biodiversiteit omschreven. De voorgestelde maatregelen zijn niet wettelijk verplicht.

5.1

Aanleiding

TAUW gelooft dat samen de achteruitgang van biodiversiteit in Nederland gestopt kan worden. TAUW is daarom aangesloten bij het Deltaplan Biodiversiteitsherstel waarin overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties samenwerken aan biodiversiteit als kerndoel voor de openbare ruimte. Vanuit deze ambitie wordt met opdrachtgevers gekeken naar concrete en realistische mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel in allerlei projecten.

5.2

Kansen in dit project

De ecologen van TAUW kijken verder dan de aanwezigheid van strikt beschermde soorten. Vanuit het motto ‘meer biodiversiteit achterlaten dan je aantreft’ worden kansen voor dit project gesignaleerd om bij te dragen aan het herstel van biodiversiteit. Hieronder worden op beknopte wijze enkele kansen besproken. Indien gewenst vindt er een overleg plaats over deze voorstellen en worden de praktische aspecten verder uitgewerkt. Voor dit project liggen er mogelijkheden voor biodiversiteitsherstel door het opstellen van een concreet ecologisch beheer- en/of inrichtingsplan. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de (toekomstige) situatie in het projectgebied, gemeentelijk natuurbeleid en regionale doelsoorten en potenties. Biodiversiteit vraagt om maatwerk en ieder project is anders. In een plan worden de beste passende maatregelen opgenomen. Voorbeelden van potentiële maatregelen zijn:  Het vergroten en versterken van leefgebieden voor planten en dieren door ecologisch beheer van (openbaar) groen, bijvoorbeeld door het beheer van graslandvegetaties af te stemmen op bloemrijkdom en insecten  Het verbinden van leefgebieden door het aanbrengen of herstellen van lijnvormige landschapselementen (houtwallen, singels, hagen, sloten) of het realiseren van andere ontsnipperingsmaatregelen (bijvoorbeeld faunapassage).

Voor de Coevorderstraatweg ligt hier een concrete kans; door gaten in de rij te herstellen en aansluiting op andere bomenrijen en bosschages te verbeteren met herplant kan ecologische meerwaarde gerealiseerd worden  

Het versterken van leefgebied en migratiezones door het aanbrengen van natuurlijke elementen als takkenrillen, dood hout of stenige elementen Het beperken van verstoring door bijvoorbeeld verlichting of geluid

6 Conclusies en aanbevelingen 6.1

Aanleiding en doel

In opdracht van Gemeente Hoogeveen heeft TAUW onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van het potentiële kappen van 3 of 15 bomen aan de Coevorderstraatweg op beschermde planten- en diersoorten. De ontwikkeling kan alleen doorgaan als deze geen gevolgen heeft voor

25/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

beschermde soorten óf wanneer de benodigde omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit kan worden verleend.

6.2

Relevante natuurwet- en regelgeving

Voor de toetsing van de effecten van het voornemen is de volgende wet- en regelgeving van toepassing:  Ow/Bal: Gebiedsbescherming - Natura 2000 Beschermde houtopstanden Soortenbescherming 

Provinciaal beschermde gebieden: Natuurnetwerk Nederland Bijzonder provinciaal natuurgebied of landschap, Nationaal Park Drentsche Aa, Beekdal en bergingsgebied en ganzenrustgebied

6.3

Conclusies toetsing

6.3.1 Omgevingswet Natura 2000-gebieden Er is geen sprake van effecten door verstoringsfactoren op Natura 2000-gebieden. Indirecte effecten van stikstof zijn niet te verwachten. Uitsluitsel kan enkel verkregen worden door een toetsing met AERIUS. Een bevoegd gezag kan hier ten alle tijden naar vragen. Beschermde houtopstanden De in het plangebied te kappen bomen vallen onder de bescherming van artikel 11.126 van het Bal. Een kapmelding bij de provincie Drenthe is noodzakelijk evenals een plan voor herplant wat beoordeeld moet worden. Het is daarnaast noodzakelijk in de gemeentelijke regels na te gaan en te beoordelen of een omgevingsvergunning nodig is voor het kappen van de bomen in het plangebied. Daarvoor is het belangrijk te weten of het plangebied geheel of gedeeltelijk binnen de in het omgevingsplan vastgelegde ‘bebouwingscontour houtkap’ is gelegen (artikel 5.165b van het Bkl). Voor meer informatie over de vitaliteit van de 15 extra onderzochte bomen zie bijlage 1. Soortenbescherming De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk negatieve effecten op door de Ow beschermde soorten, namelijk verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen en algemene broedvogels. Door het nemen van mitigerende maatregelen kunnen negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en algemene broedvogels worden voorkomen. Nader onderzoek naar deze soorten is daarom niet nodig.

Voor de overige soorten is het noodzakelijk nader onderzoek uit te voeren conform de vastgestelde soort specifieke protocollen en methodes. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit noodzakelijk zijn. De mitigerende werkzaamheden zijn als volgt:

26/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Gedurende de werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (april tot en met

november) moet lichtuitstraling naar omliggende groen- en waterstructuren, zoals het de bomenlaan en andere bomen en bebouwing worden voorkomen Voor broedvogels geldt te werken buiten het broedseizoen (loopt globaal van maart tot september). Indien het werken buiten het broedseizoen niet mogelijk is, moet een broedvogelcontrole uitgevoerd worden voorafgaand aan de start van de werkzaamheden

Vliegroutes van vleermuizen Het voorkomen van negatieve effecten op vliegroutes van vleermuizen is niet uitgesloten. Het uitvoeren van nader soortgericht onderzoek volgens het Vleermuisprotocol (NGB, 2021/2025) is noodzakelijk om hier uitsluitsel over te geven. Er dienen verspreid 2 veldbezoeken uitgevoerd te worden, grofweg van halverwege mei tot en met september, om uitsluitsel te geven over de aanof afwezigheid van een vliegroute van vleermuissoorten. Eén bezoek vindt plaats in het voorjaar (tijdens de kraamperiode) en het andere bezoek vinden plaats in het najaar. Afhankelijk van het nader onderzoek kan het nemen van maatregelen en/of het aanvragen van een vergunning floraen fauna-activiteit noodzakelijk zijn. Zie voor meer informatie bijlage 2 Tabel 6.1 Samenvatting van de resultaten van de toetsing van effecten op beschermde soorten Soortgroep

Overtreding

Nader onderzoek

Te nemen maatregelen

Nee

Nee

Niet van toepassing

Mogelijk

Ja, in de volgende periodes:

vliegroute

Wnb Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

Gedurende de werkzaamheden en in

2 bezoeken tussen 15

de nieuwe situatie moet in de actieve

mei en 15 september

periode van vleermuizen (april tot en met november van zonsondergang tot zonsopgang) lichtuitstraling naar bomen, groen- en waterstructuren en bebouwing voorkomen worden 

Vogels -

Nader onderzoek naar vliegroutes

Nee

Nee

Niet van toepassing

Nee

Nee

Indien mogelijk werken buiten het

jaarrond beschermde nesten Vogels functioneel

broedseizoen (maart tot en met september).

leefgebied nest

Als dit niet mogelijk is dient voorafgaand aan

beschermd

de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Mogelijk zijn aanvullende maatregelen nodig. Buiten het broedseizoen dient voorafgaand de werkzaamheden contact opgenomen te

27/31

Kenmerk

R001-1301288TJL-V01

Soortgroep

Overtreding

Nader onderzoek

Te nemen maatregelen

Wnb worden met een ecologisch deskundige. Mogelijk is een broedvogelcontrole en aanvullende maatregelen nodig Vogels -

Nee, mits

broedvogels

maatregel

Mogelijk broedvogelcontrole

Indien mogelijk werken buiten het broedseizoen (maart tot en met september). Als dit niet mogelijk is dient voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden. Mogelijk zijn aanvullende maatregelen nodig. Buiten het broedseizoen dient voorafgaand de werkzaamheden contact opgenomen te worden met een ecologisch deskundige. Mogelijk is een broedvogelcontrole en aanvullende maatregelen nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16132096/1