ontwerp bestemmingsplan Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018_ontwerp_2.pdf
Tekst van het document
5.2.2
Onderzoek aardkundige waarden
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden. Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten, vastgesteld op 24 november 2016, ligt het plangebied in een gebied met archeologische waarde 3, hoge of middelhoge archeologische verwachting, waarvoor inventariserend veld onderzoek moet worden uitgevoerd. In het gemeentelijke beleid is een vrijstellingsgrens opgenomen van 1000 m2 . Deze grens wordt overschreden en daarom is in opdracht van de initiatiefnemer een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is uitgevoerd door archeologisch onderzoeks- en adviesbureau De Steekproef (Bijlage 2). Het doel van het onderzoek was om vast te stellen wat de kans is op de aanwezigheid van archeologische resten in de bodem. Uit het bureauonderzoek is het volgende naar voren gekomen. Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 26
10 december 2019
Het plangebied Damhert raakte omstreeks de bronstijd overwoekerd door veenmoeras. De dichtstbij gelegen vondstmelding ligt op 250 meter zuidelijk van het terrein. Bij wegaanleg is bewerkt vuursteen uit het laat-paleolithicum gevonden. Op meer dan 500 meter afstand zijn in het verleden vondsten gedaan van onder meer een grafheuvel uit de bronstijd of ijzertijd, een urnenveld uit de late bronstijd of vroege ijzertijd en een nederzetting uit de romeinse tijd. Halverwege de twintigste eeuw is het terrein in gebruik genomen als landbouwgrond. Daarvoor maakte het deel uit van een heidegebied. Begin eenentwintigste eeuw is de tegenwoordige woonwijk Erflanden aangelegd. In het dekzand heeft zich een podzolbodem gevormd. Dat betekent dat het gebied voorafgaand aan de vernatting en veenvorming langdurig droge omstandigheden heeft gekend. Op basis daarvan lijkt het een geschikte vestigingsplek voor de mens te zijn geweest. De bodem is verstoord tot ongeveer 0,3 meter in het zand. Eventueel archeologische grondsporen kunnen in diepere delen bewaard gebleven zijn. Het archeologisch onderzoek heeft geen vondsten opgeleverd, aanwijzingen voor een archeologische vindplaats zijn er dus niet. Noodzaak tot een nader archeologisch onderzoek is er niet en het terrein kan op archeologische gronden worden vrijgegeven voor de geplande ontwikkeling.
5.2.3
Meldplicht
Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet geldt voor bodemverstoringen een meldplicht. Als tijdens graafwerkzaamheden archeologische vondsten of indicatoren worden aangetroffen dan dient het werk onmiddellijk te worden stilgelegd en moet dit gemeld worden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en wetenschap, dan wel bij de provinciaal archeoloog en de gemeente.
5.2.4
Cultuurhistorie
Uit het Geoportaal provincie Drenthe blijkt dat geen cultuur historische hoofdstructuren lijnen, locaties en/of gebieden in het plangebied aanwezig zijn die door toedoen van onderhavig plan aangetast kunnen worden. Om deze reden zijn er geen belemmeringen ten aanzien van dit aspect.
5.2.5
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat ten aanzien van het aspect archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen bestaan voor de geplande ontwikkeling in het gebied.
5.3
Water
5.3.1
Algemeen
Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. De gemeente Hoogeveen is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta en het waterschap Vechtstromen, welke beiden verantwoordelijk zijn voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer.
5.3.2
Beleid en regelgeving
Waterbeleid De Europese Kaderrichtlijn Water is richtinggevend voor de bescherming van de oppervlaktewaterkwaliteit in de landen in de Europese Unie. Aan alle oppervlaktewateren in een stroomgebied worden kwaliteitsdoelen gesteld. Ruimtelijk relevant rijksbeleid is verwoord in de Nota Ruimte en het Nationaal Waterplan (inclusief de stroomgebiedbeheerplannen). Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 27
10 december 2019
Waterschappen hebben een speciale verantwoordelijkheid voor het water. Ze hebben wettelijk vastgelegde taken die aangeven wat de maatschappij van hun mag verwachten. Namelijk het zorgen voor een goede bescherming tegen hoog water, voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het zuiveren van afvalwater. In het waterbeheerplan 2016-2021 staat beschreven hoe het waterschap Drents Overijsselse Delta hier uitvoering aan gaat geven en welke maatregelen hiervoor nodig zijn. Het beleidsplan van het waterschap Drents Overijsselse Delta is opgesteld in gezamenlijkheid met de waterschappen Rijn en IJssel en Vechtstomen, dit door de ligging in het deelstroomgebied Rijn-Oost welke behoort tot het internationale stroomgebied van de Rijn. Voor dit stroomgebied zijn de doelen van het waterbeheer en de aanpak ervan in grote lijnen gelijk. Per waterschap zijn aanvullingen of uitvoeringsmaatregelen voor het eigen beheergebied toegevoegd. Het waterschap Drents Overijsselse Delta richt zich op de volgende aspecten: -
Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: veilig water
-
Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: voldoende water
-
Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: schoon water
-
Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: afvalwater
Het waterschap adviseert bij ruimtelijke plannen (o.a. bestemmingsplannen) om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Dit is een van de manieren om de vorengenoemde aspecten mee te laten wegen in de diverse besluitvormingsprocessen. Tevens wordt de betrokkenheid en de waterschapsbelangen gewaarborgd met het doorlopen van de digitale watertoets.
Veilig water De waterschappen zijn verantwoordelijk voor het op orde brengen en houden van de dijken om overstromingen en wateroverlast te voorkomen. Dit met het oog op de waterveilige regio, waarin inwoners veilig kunnen wonen, werken en recreëren. Door klimaatverandering is de kans op overstromingen vergroot. Om de gevolgen te beperken adviseert het waterschap bij ruimtelijke ontwikkelingen en werkt zij aan het vergroten van de bewustwording van risico's op wateroverlast en overstromingen.
Afvalwaterketen Het waterschap Drents Overijsselse Delta zorgt voor het opvangen en zuiveren van het afvalwater van bijna alle inwoners en bedrijven. Zo draagt zij bij aan de volksgezondheid en een goede waterkwaliteit. De afvalwaterbehandeling is een gedeelde zorg met de gemeente, omdat de gemeente verantwoordelijk is voor de riolering. Hoofddoel van het waterschap is een effectieve en efficiënte behandeling van afvalwater en een effectieve en efficiënte (afval)waterketen. Er is een functionele samenhang tussen het rioolstelsel, de rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) en het oppervlaktewater. De waterschappen en gemeenten in Rijn-Oost hechten daarom veel belang aan goede samenwerking binnen deze samenhang. Samenwerking leidt tot optimalisatie van de afvalwaterketen, betere dienstverlening, betere waterkwaliteit en tot kostenbesparing. Dit alles kan leiden tot een duurzamer afvalwaterketen.
Specifiek is in het waterschapsbeleid ten aanzien van de opvang en transport van afvalwater het volgende opgenomen: - Waterkwaliteitsspoor Het waterkwaliteitsspoor wordt gebruikt om de kwaliteit van het water in het stedelijk gebied te Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 28
10 december 2019
verbeteren door inzicht te krijgen in de vervuilingsbronnen (bijv. overstorten) - Afkoppelen verhard oppervlak Optimaliseren van bestaand bergingscapaciteit in het stedelijk gebied door het regenwater van de riolering af te koppelen en het bestaande rioleringsstelsel te optimaliseren - Verminderen rioolvreemd water Het terugdringen van rioolvreemd water (bijv. drainage en/of bronneringswater) draagt bij aan minder lozingen uit overstorten, een betere kwaliteit van het gezuiverde afvalwater en een lager energieverbruik.
5.3.3
Watertoetsproces
De gemeente heeft het waterschap Drents Overijsselse Delta geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (Bijlage 3). De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets is toegepast. de bestemming en de grootte van het plan hebben een geringe invloed op de waterhuishouding in ruimtelijke zin. Naar aanleiding van deze digitale watertoets hebben wij van het waterschap een advies ontvangen. Dit advies hebben wij in navolgende hoofdstukken overgenomen.
5.3.4
Invloed op waterhuishouding
Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verhard oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2. Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voor de aanleghoogte wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 cm. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en onderzijde bouwvloer. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een kleinere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast binnen woningen en bedrijven te voorkomen adviseert het waterschap om een drempelhoogte van 30 cm boven straatpeil te hanteren (as van de weg). Voor lager gelegen ruimtes, zoals kelders en parkeergarages, wordt aandacht besteed aan het voorkomen van wateroverlast door bijvoorbeeld instromend hemelwater.
Voorkeursbeleid hemelwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater moet het afstromend hemelwater ter plaatse in de bodem dan wel op het oppervlaktewater worden teruggebracht. Het waterschap heeft de voorkeur om het hemelwater, daar waar mogelijk, te infiltreren in de bodem. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool (IT-riool) of infiltratiekratten een mogelijkheid. Als infiltratie niet mogelijk is dan kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. De afvoer van overtollig hemelwater uit het plangebied mag, ongeacht de toegepaste methode, niet tot wateroverlast leiden op aangrenzende percelen of het omliggende watersysteem. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. De bestaande riolering in de straat Damhert in Erflanden wordt uitgebreid. Het overtollig regenwater van de walwoningen wordt afgevoerd naar het regenwaterriool. Dit regenwaterriool loost op de aanwezige watergang welke rondom het Bosmilieu. Infiltratie in dit gebied is vanwege slechtdoorlatende lagen en de leemondergrond niet mogelijk.
Compensatie van waterberging kan aangebracht worden door uitbreiding van de watergang nabij de stuw aan de Boommarter binnen Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 29
10 december 2019
hetzelfde peilvak. De stuw aan de Boommarter heeft een niveau van 10.45+N.A.P.
Afvalwater Het afvalwater sluit aan op het vuilwaterriool van het gescheiden stelsel in Erflanden.
Watergangen De woningen worden aan de noordzijde afgeschermd door een wal met een talud van 1:1. De wal begint op de insteek van het talud 1:4 van de huidige watergang. Hierdoor verdwijnt het huidige onderhoudspad. Op het talud 1:4 van de watergang worden geen obstakels aangebracht. Het onderhoud van het wal- en vijvertalud, alsmede het obstakelvrij houden van de kernzone zal daarom via de koopakte worden opgelegd aan de nieuwe kaveleigenaren. Omdat het onderhoudspad en talud in de beschermings- en kernzone van de watergang ligt zal de gemeente een keurontheffing aanvragen. De wijzigingen m.b.t. het onderhoud zijn in ambtelijk overleg met het waterschap afgesproken.
5.3.5
Watervergunning (of melding) op grond van de Keur
Het wateradvies dat is afgegeven in het kader van de watertoets is geen watervergunning of melding. Op basis van de gegevens uit de watertoets blijkt dat een A-watergang (schouwsloot) zich in het plangebied bevind. Als vergunningplichtige werkzaamheden in de beschermingszone worden uitgevoerd, dan moet een watervergunning worden aangevraagd. Dat is in deze het geval.
A watergangen (schouwsloten) In het plan bevindt zich een A-watergang. A-watergangen hebben een belangrijke functie voor de waterafvoer- en berging en zijn in beheer en onderhoud van het waterschap. Deze watergangen staan op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs watergangen van het waterschap vergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten hebben zijn algemene regels vastgesteld. Hierdoor kan er sprake zijn van vrijstelling of hoeven deze activiteiten alleen te worden gemeld. Er dient in het plan rekening te worden gehouden met de Keur van het waterschap. Er wordt tijdig melding gemaakt of een vergunning aangevraagd.
Regionale keringen In het plan bevindt zich een regionale waterkering langs de Hoogeveense vaart. Deze kering speelt een belangrijke rol bij het voorkomen van wateroverlast als gevolg van een dijkdoorbraak. De waterkering staat op de legger van het waterschap en de Keur is van toepassing. Volgens de Keur zijn alle activiteiten die plaatsvinden in, op of langs een waterkering van het waterschap vergunningsplichtig. Voor minder ingrijpende activiteiten hebben zijn algemene regels vastgesteld. Hierdoor kan er sprake zijn van vrijstelling of hoeven deze activiteiten alleen te worden gemeld. Er dient in het plan rekening te worden gehouden met de Keur van het waterschap. Er wordt tijdig melding gemaakt of een vergunning aangevraagd.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 30
10 december 2019
figuur 3: zonering waterkering
5.3.6
Conclusie
Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft een positief wateradvies gegeven. Tevens past deze ontwikkeling in ons eigen waterbeleid. Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.4
Natuur en Ecologie
5.4.1
Wettelijk kader
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft. Provinciale Staten hebben op 14 december 2016 regels gesteld en vrijstelling gegeven over de soortenbescherming, faunabeheer en houtopstanden in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. In deze verordening zijn de vrijstelling voor beweiden en bemesten en de soortenvrijstellingen van het rijk overgenomen. Verder zijn er regels gesteld om faunabeheer mogelijk te maken. Ten slotte de spelregels voor houtopstanden (voorheen Boswet) vastgelegd. Zo is bepaald aan welke eisen een compensatieverzoek moet voldoen en is de mogelijkheid voor het aanleggen van tijdelijk bos geregeld.
Daarnaast hebben Gedeputeerde Staten op 20 december 2016 de beleidsregels Wet natuurbescherming Drenthe vastgesteld. Deze beleidsregels gaan over het toedelen van ontwikkelingsruimte in relatie tot de PAS (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden. De provincie Drenthe zet zich ook in voor actieve soortenbescherming. Deze taak wordt verder uitgewerkt overeenkomstig het Flora- en faunabeleidsplan en de natuurvisie.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 31
10 december 2019
5.4.2
Onderzoek
Het is noodzakelijk om op basis van de Wet natuurbescherming vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere plannen en activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. Optredende negatieve effecten dienen zo veel mogelijk vermeden of geminimaliseerd te worden. Voor schade aan strikt beschermde soorten kan het noodzakelijk zijn om een ontheffing aan te vragen bij de Provincie Drenthe. Het voorliggend plan bevat het bouwen van 4 woningen en het aanpassen van twee bouwblokken in het plangebied.
In opdracht van de initiatiefnemer is door adviesbureau Eco Reest BV een quicscan (Bijlage 4) uitgevoerd. Doel van de quicscan is een beeld te krijgen van de aanwezige habitats en de voorkomende beschermde dier- en plantensoorten ter plaatse. Het onderzoeksgebied heeft een oppervlakte van circa 6000 m2 en bestaat uit grasveld met enkele beukenhagen, struiken, bomen en bossages. Voor het plan is daarnaast een berekening stikstofdepositie uitgevoerd (Bijlage 9). Hieronder volgt een korte samenvatting van de rapporten.
Gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is gelegen ten zuiden van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Dwingelderveld. De afstand tussen de onderzoekslocatie en dit Natura 2000-gebied bedraagt ruim acht kilometer. Gelet op de afstand tot het gebied, de kernopgave van het gebied en de aard van de geplande ingreep is er geen onderzoek in het kader van gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Daarnaast is de locatie gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland. Daar er geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN is verder onderzoek naar invloeden op het NNN niet van toepassing.
Soortenbescherming Binnen de onderzoekslocatie zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogels als beschreven in de Wet natuurbescherming aangetroffen. Daarnaast zijn er geen beschermde soorten of potentiële nest – of verblijfplaatsen voor beschermde soorten aangetroffen. De overige te verwachten diersoorten zijn aangemerkt als vrijgestelde soorten waarvoor in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, onderhoud aan infrastructuur of ruimtelijke ontwikkelingen een vrijstelling geldt. Dit houdt in dat in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing noodzakelijk is voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden. Daarnaast worden populaties van bovengenoemde soorten niet in gevaar gebracht. Het zal voornamelijk gaan om verstoring van individuen. In de bomen kunnen algemene vogelsoorten tot broeden komen. Alle in gebruik zijnde vogelnesten zijn beschermd. Voor het broedseizoen wordt geen standaard periode gehanteerd, van belang is of er een broedgeval aanwezig is. Globaal loopt het broedseizoen van vogels van 1 maart tot 1 september. Dit is afhankelijk van de soort en van de klimatologische omstandigheden.
Stikstofberekening In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is inzicht in de te verwachten effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden nodig. Uit de uitgevoerde AERIUS-bereking blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 32
10 december 2019
2000-gebieden. Het project is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig.
5.4.3
Zorgplicht
Wij merken op dat te allen tijde de zorgplicht blijft gelden. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Deze zorg geldt voor alle individuen van in Nederland voorkomende soorten planten en dieren, ongeacht of deze soort beschermd is en ongeacht of ontheffing of vrijstelling is verleend. Bij elk voornemen voor een toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied zal worden getoetst wat de effecten hiervan kunnen zijn op de mogelijke aanwezige beschermde soorten.
5.4.4
Conclusie
Het plan heeft vooralsnog geen effecten op gebiedsbescherming, soortenbescherming en de nabijgelegen Natura-2000 gebieden. Belemmering ten aanzien van natuur zijn er voor de uitvoering van het bestemmingsplan niet. Bij elk voornemen voor een toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied zal worden getoetst wat de effecten hiervan kunnen zijn op de mogelijke aanwezige beschermde soorten.
5.5
Geur
In de directe nabijheid van het adres Damhert te Hoogeveen zijn geen (agrarische) bedrijven gelegen die door het voorgenomen ontwikkelingen worden beperkt in hun bedrijfsontwikkeling. Het aspect geur staat de voorgenomen ontwikkeling daarom niet in de weg.
5.6
Geluid
5.6.1
Algemeen
Voor het aspect geluid zijn vier verschillende bronnen van belang: - Wegverkeerslawaai; - Industrielawaai; - Luchtvaartverkeerlawaai; - Spoorwegverkeerlawaai.
In het kader van de Wet geluidhinder is bij vaststelling of wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai en luchtvaartlawaai. Dit bestemmingsplan heeft geen invloed op geluidsbronnen. Er worden geen nieuwe wegen, spoorwegen of industrielocaties mogelijk gemaakt. Bovendien vindt geen wijziging van het luchtvaartverkeer plaats op basis van het bestemmingsplan. In dat kader is dan ook geen onderzoek noodzakelijk.
5.6.2
Wettelijk kader
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: --
woningen;
--
andere geluidsgevoelige gebouwen;
--
geluidsgevoelige terreinen.
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 33
10 december 2019
beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing.
Onder 'woning' wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder.
5.6.3
Onderzoek
De situatie is akoestisch beschouwd voor het onderdeel wegverkeerslawaai, omdat de geplande woningen zich bevinden in de geluidszone van de rijkswegen A28, A37 en N48. Door ingenieursbureau Spreen is een akoestisch onderzoek (Bijlage 5 ) opgesteld om aan te tonen dat de woningen voldoen aan de voorkeurs- en/of grenswaarden van de Wet geluidhinder. Als de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet onderzoek worden gedaan naar mogelijke bronen/of overdrachtsmaatregelen. Indien bron- en/of overdrachtsmaatregelen als niet doelmatig worden aangemerkt, moet er een hogere waarde worden aangevraagd.
Grenswaarden Bij de realisatie van woningen of andere geluidsgevoelige bestemmingen moeten de wettelijke grenswaarden in acht worden genomen. De voorkeursgrenswaarde voor wegverkeerslawaai bedraagt Lden = 48 dB. Indien deze voorkeursgrenswaarde wordt overschreden moet er onderzoek worden gedaan naar mogelijke bron- en/of overdrachtsmaatregelen. Zijn maatregelen niet mogelijk dan kunnen Burgemeester en Wethouders ontheffing van de voorkeursgrenswaarde verlenen. Hierbij kan voor nieuwe woningen in buitenstedelijk gebied een hogere waarde van ten hoogste 53 dB worden vastgesteld en in binnenstedelijk gebied een hogere waarde van ten hoogste 63 dB.
Rekenmodel en geluidbelasting Voor het berekenen van de geluidbelasting is gebruik gemaakt van het rekenprogramma Geomilieu V4.41 van DGMR. De vier walwoningen bestaan uit twee bouwlagen. Hier is de geluidsbelasting berekend op een hoogte van 1,5 meter en 4,5 meter boven maaiveld. De 5e woning (Damhert 25) betreft een woning met één bouwlaag. Hier is de geluidsbelasting berekend op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld. De geluidsbelasting ten gevolge van de Rijkswegen bedraagt op diverse gevels meer dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar ook meer dan de grenswaarde van 53 dB (zie figuur 4 en bijlage 4 uit het akoestisch rapport).
Maatregelen Aangezien de grenswaarden worden overschreden, zijn maatregelen overwogen om de geluidsbelasting te reduceren. Langs het plangebied ligt reeds een hoge geluidswal.Het verhogen van deze wal om de geluidsbelasting te verlagen op vijf woningen is niet doelmatig. Om de geluidsbelasting op de begane grond van de zuidoostgevel van woning 4 te reduceren tot de grenswaarde van 53 dB dient een scherm van 260 cm hoog en 75 cm lang te worden geplaatst in Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 34
10 december 2019
het verlengde van de noordoostgevel (zie blauw scherm in afbeelding 4).
afbeelding 4: geluidscherm woning 4 Maatregelen om de woningen aan de voorkeursgrenswaarde te laten voldoen zijn niet als doelmatig beschouwd. Voor de diverse gevels waar de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai boven de voorkeursgrenswaarde ligt, maar onder de grenswaarde, worden hogere waarden vast gesteld. De gevels op de verdieping kunnen niet voldoen aan de grenswaarde en dienen te worden uitgevoerd als "dove gevels" (zie afbeelding 5) . De gevels van de solitaire woning voldoen tevens niet aan de voorkeursgrenswaarde. Ook hier worden hogere waarden voor vastgesteld. Tevens is vastgelegd dat woning maar mag bestaan uit één bouwlaag.
afbeelding 5: dove gevels verdieping Binnenniveau Aangezien er hogere waarden worden vastgesteld, moet op basis van het Bouwbesluit worden aangetoond dat het binnenniveau van 33 dB wordt behaald. Bij de aanvraag omgevingsvergunning moet middels een bouwakoestisch onderzoek worden aangetoond dat hieraan wordt voldaan.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 35
10 december 2019
5.6.4
Conclusie
Ten gevolge van wegverkeerslawaai afkomstig van de Rijksweg A28 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de grenswaarde van 53 dB uit de Wet geluidhinder overschreden. Naast het plaatsen van een geluidscherm als geluidreducerende maatregel, worden hogere waarden afgegeven zodat de woningen gerealiseerd kunnen worden. Tevens zal de solitaire woning bestaan uit een bouwlaag. Het aspect geluid staat de gewenste ontwikkeling vervolgens niet in de weg.
5.7
Milieuzonering bedrijven
5.7.1
Wettelijk kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
5.7.2
Onderzoek
In de directe omgeving van het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die de nieuwbouw belemmeringen. Anderzijds worden bedrijven ook niet beperkt in hun ontwikkelingen door de voorgenomen ontwikkeling. In dit geval hoeft geen aanvullende toetsing aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' plaats te vinden.
5.7.3
Conclusie
Het aspect milieuhinder staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.
5.8
Milieueffectrapportage (MER)
5.8.1
Wettelijk kader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de ruimtelijke onderbouwing planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: -
de kenmerken van de projecten;
-
de plaats van de projecten;
-
de kenmerken van de potentiële effecten.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 36
10 december 2019
5.8.2
Onderzoek
De bouw van een viertal woningen zou betrekking kunnen hebben op een activiteit die voorkomt op de D-lijst in de bijlage bij het Besluit mer, namelijk categorie 11.2: de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. De drempelwaarden voor een formele m.e.r.-beoordeling in het Besluit m.e.r. liggen op: - een oppervlakte van 100 hectare of meer; - een aaneengesloten gebied met 2000 of meer woningen; - een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
In de ruimtelijke procedure wordt invulling gegeven aan de bouw van een viertal woningen. De ruimtelijke ontwikkeling ligt ruimschoots onder de drempelwaarden en is daarom niet rechtstreeks plan m.e.r.-, project m.e.r. of m.e.r.-beoordelingsplichtig. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage onder D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een zogeheten “vormvrije” m.e.r.-beoordeling. Vooruitlopend op het ruimtelijke plan is een besluit genomen over de noodzaak voor het opstellen van een milieueffectrapportage. Op basis van de omvang van de ontwikkeling, de ligging van het project en de reeds uitgevoerde sectorale onderzoeken voor de ruimtelijke procedure is in de notitie een beoordeling gegeven van de kenmerken, de plaats en de potentiële effecten van de ontwikkeling.
Gelet op de aard en relatieve kleine omvang van het project, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten worden geconcludeerd dat geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde kunnen zijn die het opstellen van een MER nodig maken.
5.8.3
Conclusie
De beoogde ontwikkeling valt onder categorie D. 11.2 het Besluit mer. Voor dit bestemmingsplan is daarom een vorm-vrijemerbeoordeling opgesteld. Geconcludeerd is dat geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde kunnen zijn die het opstellen van een MER nodig maken.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 37
10 december 2019
5.9
Luchtkwaliteit
5.9.1
Wettelijk toetsingskader
Met betrekking tot de luchtkwaliteit moet rekening worden gehouden met het gestelde in de Wet milieubeheer (Wm), hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen en de bijbehorende bijlagen. In deze wet en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantooren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor wat betreft woningbouw wordt hier onder verstaan, een locatie met één uitvalsweg waar maximaal 1.500 woningen worden gepland of een locatie met twee uitvalswegen waar maximaal 3.000 woningen worden gepland.
5.9.2
Beoordeling
Aan de straat Damhert in Hoogeveen gaat het om een 5-tal woningen, deze zullen niet-in-betekenende-mate bijdragen. Nader onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Om te toetsen of er ter plaatse sprake kan zijn van een goede ruimtelijke ordening voor wat luchtkwaliteit betreft, is met het luchtkwaliteitsmodel Geomilieu V4.50 gekeken naar de heersende achtergrondconcentratie in het gebied. Uit deze toetsing blijkt dat ter plaatse ruimschoots aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden voor stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) wordt voldaan en ook aan de luchtkwaliteitsadvieswaarde van de WHO.
5.9.3
Conclusie
Het aspect lucht vormt leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.10
Externe veiligheid
5.10.1 Wettelijk kader Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes via de weg, het spoor of via buisleidingen. Voor deze categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico's voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico's gekwantificeerd, namelijk door middel van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.
Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 38
10 december 2019
5.10.2 Onderzoek De ontwikkellocatie ligt in de nabijheid van de Rijksweg A28. Deze transportas wordt aangemerkt als een risicobron. Verder in de omgeving zijn geen risicobronnen aanwezig die op deze locatie van invloed zijn. Ten behoeve van de beoordeling van het aspect Externe Veiligheid voor deze ontwikkeling heeft de Regionaal Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) een veiligheidsstudie uitgevoerd. Dit onderzoek bestaat uit de volgende onderdelen: - inventarisatie van de risicobronnen in en nabij het plangebied; - analyse van de invloed van risicobronnen op de veiligheid; - toetsing van de veiligheidssituatie aan de geldende veiligheidsnormen; - uitvoering van een kwantitatieve risicoanalyse; - beoordeling van de noodzaak voor een verantwoording van het groepsrisico. De ontwikkellocatie ligt ten westen van de Rijksweg A28 nabij het knooppunt Hoogeveen. Aan de noordzijde ligt de Hoogeveense vaart. Via de Hoogeveense vaart worden geen gevaarlijke stoffen vervoerd en blijft verder in dit advies buiten beschouwing. Het bouwplan houdt een verplaatsing van het bouwvlak van Damhert 25 in. Dit bouwvlak wordt in noordelijke richting verplaatst. Daarnaast worden 4 zogenaamde walwoningen aan de kanaalzijde geprojecteerd.
5.10.3 Risicoanalyse transport Het plangebied ligt binnen 200 meter afstand vanaf de Rijksweg A28, waarover gevaarlijke stoffen worden getransporteerd. Het aspect externe veiligheid moet worden beoordeeld wanneer een ruimtelijke ontwikkeling binnen 200 meter vanaf een transportroute met gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Voor het opstellen van de QRA voor het transport via de spoorlijn is gebruik gemaakt van het softwareprogramma RBMII, versie 2.4. In figuur 6 is de ligging van de 200 meter zone weergegeven.
figuur 6: plangebied met 200 meter zone Bevt Route en transportgegevens Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 39
10 december 2019
Het transport van gevaarlijke stoffen over de weg valt onder de bepalingen van het Bevt (Besluit externe veiligheid transportroutes). De Rijksweg A28 maakt deel uit van het Basisnet weg. Voor de beoordeling van het groepsrisico moet op grond van het Bevt gebruik worden gemaakt van de Basisnet tabel weg van de Regeling Basisnet. Voor de risicobeoordeling van de weg is zeer brandbaar gas (GF3), zoals propaan en LPG, bepalend voor het invloedsgebied, namelijk circa 355 meter (bron: HART 2017). Het transportroute gevaarlijke stoffen over de A28 is gemodelleerd in drie aansluitende trajecten met verschillende transporthoeveelheden GF3. De transporthoeveelheden zijn afgeleid van de Basisnettabel weg. Het rekengebied zoals deze in RBMII is gemodelleerd is in de figuur hieronder weergegeven.
figuur 7: Rekengebied Rijksweg A28
Plaatsgebonden risico PR10-6 per jaar (transport) Bij het vaststellen van besluiten die ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk maken langs wegen die deel uitmaken van het Basisnet Weg, kan de berekening van het plaatsgebonden risico achterwege blijven. Voor het plaatsgebonden risico gelden namelijk de generieke PR-gegevens van het Basisnet Weg zelf. De Basisnettabel Weg is in bijlage 1 van de Regeling Basisnet opgenomen. Voor de Rijksweg A28 bedraagt de afstand voor de veiligheidszone (PR10-6 per jaar) 0 meter. De ruimtelijke ontwikkeling op Damhert 25 voldoet vanwege het transport van gevaarlijke stoffen over de weg aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Woningen worden namelijk aangemerkt als kwetsbare objecten, waarvoor op grond van het Bevt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar geldt.
Plasbrandaandachtsgebied(PAG) Op basis van het Bevt geldt voor de Rijksweg A28 een plasbrandaandachtsgebied (PAG) van 30 meter, gemeten vanaf de rand van de buitenste rijstrook. Binnen dit gebied wordt geadviseerd om geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten te realiseren. Wanneer dit desondanks wel Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 40
10 december 2019
noodzakelijk is, dan moeten op basis van het nieuwe Bouwbesluit extra brandveiligheidseisen aan een gebouw worden gesteld dat binnen het PAG zal worden gerealiseerd. De ruimtelijke ontwikkeling ligt buiten het PAG van de Rijksweg en is voor de bouwkundige aspecten dus niet relevant.
Groepsrisico transport Om het plan uiteindelijk vast te kunnen stellen moet het groepsrisico worden beoordeeld en worden verantwoord. Het groepsrisico is met het rekenprogramma RBMII berekend en beoordeeld. Het groepsrisico is bepaald binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A28. Het invloedsgebied van de Rijksweg wordt hoofdzakelijk bepaald door het transport van brandbaar gas, zoals propaan en LPG. Het invloedsgebied van de Rijksweg bedraagt circa 355 meter voor het transport van brandbare gassen. In de figuur hierna is de ligging van het invloedsgebied veroorzaakt door het transport van LPG/propaan weergegeven.
figuur 8: Invloedsgebied Rijksweg A28
Groepsrisico Rijksweg A28 (huidige situatie) Binnen circa 355 meter vanaf de A28 is de populatiedichtheid gebaseerd op de populatiegrootte van de BAG-populatieservice. Het berekende groepsrisico van de Rijksweg voor de huidige situatie bedraagt 2,6% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico met 129 slachtoffers. Het maximaal aantal slachtoffers bedraagt 308 (1.2E-09). Zie afbeelding hieronder
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 41
10 december 2019
Figuur 9: fN-curve groepsrisico van de Rijksweg A28
Groepsrisico Rijksweg A28 (nieuwe situatie) Het groepsrisico is eveneens berekend voor de nieuwe situatie waarbij de 4 walwoningen en de verplaatsing van Damhert 25 in noordelijke richting zijn inbegrepen. De gehanteerde populatiegrootte van het woningbouwproject bedraagt 12 personen. Het berekende groepsrisico van deze situatie bedraagt eveneens 2,6% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico met 136 slachtoffers. Het aantal slachtoffers neemt ten opzichte van de oriëntatiewaarde met 7 toe. Het maximaal aantal slachtoffers bedraagt evenals in de bestaande situatie 308 bij een frequentie van 1.2E-09. De ontwikkeling van het woningbouwproject Damhert 25 heeft nagenoeg geen invloed op de hoogte van het groepsrisico. Het aantal slachtoffers neemt met 7 toe, maar deze toename bedraagt minder dan 10%. Verantwoording groepsrisico Rijksweg A28 Het groepsrisico is met behulp van het rekenprogramma RBMII, versie 2.4 bepaald. Uit deze analyse is gebleken dat het groepsrisico ten aanzien van de Rijksweg A28 beneden de oriëntatiewaarde van het groepsrisico ligt. Uit de berekening van het groepsrisico is gebleken dat door de toename van het aantal personen in het plangebied, dat binnen het invloedsgebied van de weg ligt, een toename van het groepsrisico wordt berekend van minder dan 10%.
Tevens bedraagt het groepsrisico langs de gehele transportroute minder dan 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Op grond van artikel 8 van het Bevt kan in dit geval worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Hierdoor is het niet noodzakelijk om maatregelen te onderzoeken die kunnen leiden tot een lager groepsrisico. Evenmin is een onderzoek naar een alternatieve locatie noodzakelijk. De gemeente Hoogeveen dient, vanwege de ligging van het woningbouwproject binnen het invloedsgebied, advies te vragen bij de VRD in verband met de aspecten van zelfredzaamheid en hulpverlening. Het advies van de VRD dient onderdeel te zijn van de verantwoording van het groepsrisico.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 42
10 december 2019
5.10.4 Veiligheidsregio Drenthe (VRD) De VRD is in de gelegenheid gesteld om advies uit brengen op onderhavig bestemmingsplan. Het plangebied is op diverse onderdelen getoetst (zie Bijlage 6).Ten aanzien van de bereikbaarheid adviseert de VRD om een wegbreedte van minimaal 5 meter aan te houden. Een doodlopende weg zonder keermogelijkheid is namelijk toegestaan mits de wegbreedte minimaal 5 meter bedraagt. In dit plan bedraagt de rijbaan 4,5 meter, met een loop- en parkeerstrook van minimaal 2,0 meter. Daarnaast verbreedt de rijbaan aan het eind van de straat Damhert over een afstand van 8 meter tot een breedte van meer dan 10 meter, waardoor een keermogelijkheid ontstaat. Kijkend naar het aspect Externe Veiligheid constateert de VRD dat er scenario's denkbaar zijn waar gevaarlijke stoffen bij betrokken zijn en welke invloed hebben op de nieuwe ontwikkeling. Met de beschreven maatregel kan de kans op voorkomen van een dergelijk scenario verkleinen of de zelfredzaamheid van de personen vergroten of de bestrijdbaarheid optimaliseren.
5.10.5 Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.11
Verkeer en vervoer
Het plangebied wordt ontsloten door het doodlopende gedeelte van de straat Damhert te verlengen. Deze weg wordt voor het plan deels zuidwaarts verlegd. Het einde van de doodlopende weg wordt voorzien van een keerpleintje. De straat Damhert ontsluit op Het Loo. Via de Tweelandenbrug wordt Het Loo verbonden met de Schutlandenweg en de woonwijk De Weide. Langs het nieuw aan te leggen weggedeelte van de straat Damhert wordt het bestaande profiel aangehouden, te weten een loop- en parkeerstrook van minimaal 2,00 meter, een rijbaan van 4,50 meter en een strook van 2,00 meter met daarin bomen en bodembedekkers en waar niet geparkeerd mag worden. Het parkeren dient grotendeels plaats te vinden op eigen terrein. Volgens de Parkeernota Hoogeveen geldt voor de ontwikkeling van woningen in de wijken en dorpen in de gemeente Hoogeveen een parkeernorm van 1,8 per wooneenheid. Het plangebied is aan te merken als woongebied. In Artikel 5 van de regels is opgenomen dat er op eigen terrein ruimte moet zijn voor minimaal twee parkeerplaatsen. Het parkeermodel in de wijken en dorpen gaat uit van parkeren op eigen terrein met aanvullende parkeergelegenheid in het openbare gebied (0,5 p.p. per woning). Er worden maximaal 5 nieuwe woningen gerealiseerd en voor één bestaande woning wordt het bouwblok verlegd. In totaal zijn er 6 woningen opgenomen in het plangebied.
Bij de bestaande woning zijn al 2 parkeerplaatsen gerealiseerd. Bij het realiseren van zes woningen moeten minimaal 12 parkeerplaatsen gerealiseerd worden op de kavels en 3 in het openbaar gebied. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning.
5.12
Duurzaamheid
5.12.1 Beleid Hoogeveen streeft naar een duurzame ontwikkeling in haar gemeente. De gemeente heeft haar ambities op het gebied van duurzaamheid verwoord in de Milieuvisie. Een van de speerpunten is energieneutraal bouwen. Er moet een stap worden gezet naar een duurzame leefomgeving. Belangrijk hierbij is het vergroten van de bewustwording. Duurzaam bouwen is niet alleen het ontwikkelen van een woning die zo lang mogelijk kan voldoen aan onze woonbehoefte. Het is vooral ook een bouwwijze die goed is voor mens en milieu. Het Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 43
10 december 2019
betekent verantwoord omgaan met water, energie, grondstoffen en ook de open ruimte. Duurzaam bouwen vraagt met andere woorden om een integrale aanpak waarbij je bewust vooraf keuzes maakt.
5.12.2 Milieukwaliteit Met betrekking tot milieukwaliteit (en daaraan de gezondheidskwaliteit gekoppeld) van woningen, gebouwen en andere bouwwerken kunnen drie belangrijke thema's worden onderscheiden: energiebesparing en toepassing van opties van hernieuwbare energie met a l s doel de terugdringing van de CO2-emissie door de gebouwde omgeving; toepassing van verantwoord materiaalgebruik ten einde de condities voor het milieu te verbeteren; maatregelen gericht op verbetering van het binnenklimaat met het oog op de gezondheid van bewoners en gebouwgebruikers.
Er zijn verschillende strategieën voor het ontwerp van duurzame woningen en gebouwen. In onderstaande afbeelding zijn verschillende mogelijkheden weergegeven die toegepast kunnen worden bij de bouw van een nieuwe woning.
afbeelding 10: Mogelijkheden voor energiezuinige woning
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 44
10 december 2019
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridisch systeem
Als opzet voor de planologische regeling van dit gebied, is gekozen voor een verbeelding met flexibele bestemmings- en bouwregels, waarin het door de gemeente vastgestelde beleid wordt omschreven. Hiermee wordt een materiële rechtszekerheid beoogd; alleen activiteiten die in het karakter van de wijk passen zijn toegestaan. De in het plangebied voorkomende stedenbouwkundige kwaliteiten worden door de keuze van de bestemming en de daarin gegeven bouwregels zoveel mogelijk gewaarborgd. Het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP 2012). Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.
6.2
Verklaring van de bestemmingen
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In "Begrippen" zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In "Wijze van meten" wordt de wijze van meten toegelicht. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde opgenomen. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.2 nader toegelicht. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels en de algemeen geldende aanduidingsregels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. De algemene aanduidingsregels geven de mogelijkheid voor algemene aanduidingen, die als een extra laag over meerdere bestemmingen liggen.
In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
6.2.1
Groen
De structuurbepalende groenvoorzieningenelementen zijn bestemd tot Groen. Binnen de bestemming zijn voet- en fietspaden, water en speelvoorzieningen toegestaan. Het overige aanwezige 'kleinschalige woongroen en/of ondergeschikte groen is geregeld binnen de Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 45
10 december 2019
bestemming 'Verkeer'.
6.2.2
Tuin
Deze bestemming is van toepassing op de tuinen in het plangebied. Op deze gronden is het niet toegestaan om bijgebouwen te realiseren. De situering van de tuinen zijn veelal gelegen tussen de voorgevel en/ of zijgevel van de gebouwen en de openbare weg. In dit specifieke geval rust er ook op de wal de bestemming tuin, dit om te voorkomen dat hier bijgebouwen worden gerealiseerd. Binnen de bestemming tuin zijn aanduidingen opgenomen. Ter plaatse van de functieaanduiding 'erker toegestaan' is het mogelijk en erker op te realiseren. Ter plaatse van de functieaanduiding 'geluidwal' geldt een instandhoudingsverplichting van de wal met een hoogte van 4 meter en mogen geen bouwwerken en bouwwerken, geen gebouw zijnde worden gerealiseerd.
6.2.3
Verkeer
Onder deze bestemming vallen alle wegen binnen het plangebied. Ook de parkeervoorzieningen, eventuele uitbreiding van de parkeervoorzieningen, ondergeschikte groenvoorzieningen zijn hierbij opgenomen.
6.2.4
Water
Het water van belang voor de waterhuishouding met de bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, zoals bruggen en duikers vallen onder deze bestemming. Gebouwen zijn verder niet toegestaan.
6.2.5
Wonen
Deze bestemming is van toepassing op de woningen in plangebied. In de bestemmingsregeling is opgenomen waar het hoofdgebouw toegestaan is en zijn regels opgenomen ten aanzien van aan- en uitbouwen en bijgebouwen, als mede erfafscheidingen. Tevens worden regels gegeven voor de toegelaten aan-huis-verbonden beroepen en bedrijvigheid. Voor de woningen met de sba-4, sba-5 en sba-6 zijn regels opgenomen met betrekking tot het realiseren van dove gevels.
6.2.6
Overige regelingen
In dit bestemmingsplan worden de gronden in het plangebied voor verschillende doeleinden bestemd. Daarbij worden regels gegeven voor het gebruik van de gronden en van de gebouwen, voor zover dat in het belang van een goede ruimtelijke ordening nodig is. Een bestemmingsplan bevat dus niet alle regels die het bouwen op en het gebruik van de grond regelen. Zo zijn er bijvoorbeeld nog andere gemeentelijke verordeningen, de milieuwetten en de waterschapskeur, waarin eisen en beperkingen kunnen voorkomen, waarover het bestemmingsplan zich niet uitspreekt. Bij een procedure waarbij vergunningen (bijvoorbeeld een bouwvergunning) worden verleend, kunnen die andere regels beperkingen opleggen op andere gronden dan planologische.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 46
10 december 2019
Hoofdstuk 7 7.1
Handhaving
Algemeen
Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat in afwijking van de regels activiteiten plaatsvinden, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.
7.2
Beleidskeuzen
De gemeenteraad heeft op 3 februari 2011 de Kadernota Toezicht en handhaving vastgesteld. Het handhavingsbeleid maakt onderdeel uit van het programma Veilig. De looptijd van de kadernota Integrale handhaving loopt van 2015-2018, waarmee wordt aangesloten bij andere plannen waarin op onderdelen wordt verwezen naar handhaving. Dit zijn het Drentse veiligheidsplan, Integrale veiligheidsplan Hoogeveen en de visie externe veiligheid. De afgelopen jaren is er veel veranderd en de komende jaren gaat er nog veel veranderen. Er vindt een verschuiving plaats van vergunningplicht naar steeds meer algemene regels in het VROM-domein. Gevolg hiervan is dat er meer nadruk komt te liggen op de uitvoering van de handhaving.
7.3
Inzet gemeentelijk apparaat
Op basis van de kadernota Toezicht en handhaving wordt jaarlijks een gemeentelijk werkprogramma opgesteld. Hierin worden op basis van een evaluatie voor het komende jaar de prioriteiten (bij)gesteld. In dit werkprogramma worden alle taken, taakonderdelen, de wettelijke of gewenste prioriteitstelling, prestatie en capaciteitstoekenning op het gebied van handhaving opgenomen. Tevens wordt de voortgang van de projecten die spelen inzichtelijk gemaakt. De werkprogramma's worden gemonitord en geëvalueerd (jaarverslagen). Voor de monitoring en evaluaties zal aansluiting worden gezocht bij de programmasturing zoals die in Hoogeveen wordt gebruikt. Aan deze programma's ligt een visie (1x10 jaar) ten grondslag die vervolgens worden uitgewerkt in beleidsnota's (1x4 jaar) en uitvoeringsprogramma's (jaarlijks). Tevens wordt beoordeeld of nog de juiste prioriteiten worden gesteld en of het handhavingsbeleid en de handhavingsstrategieën nog doelmatig en effectief zijn. Ieder jaar rapporteert het college van B&W de evaluatie aan de gemeenteraad. Indien nodig worden op basis van de evaluatie aanpassingen gedaan in de kadernota.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 47
10 december 2019
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 48
10 december 2019
Hoofdstuk 8 8.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het conceptbestemmingsplan 'Erflanden, deelplan Walwonignen Damhert 2018' is ingestuurd voor vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro. Hierop is door de de provincie Drenthe, Rendo, Woon Advies Commissie en Waterschap Drents Overijsselse Delta een reactie gegeven. Daarnaast heeft het plan als voorontwerp ter inzage gelegen, hier zijn 39 inspraakreacties vanuit de buurt op gekomen. De vooroverlegreacties en inspraakreacties zijn puntgewijs samengevat en beantwoord in de reactienota bestemmingsplan Erflanden, Deelplan Walwoningen Damhert 2018, die in Bijlage 7 is opgenomen. De reacties zijn per aangehaald punt beantwoord. Waar de reacties tot aanpassingen hebben geleid wordt dit vermeld. De reacties zijn geanonimiseerd in verband met de privacywetgeving rondom het plaatsen van documenten op het internet. Vervolgprocedure Het ontwerpbestemmingsplan zal vervolgens ter inzage worden gelegd gedurende een periode van 6 weken. Gedurende deze inzagetermijn kan een ieder een zienswijze kenbaar maken. De bekendmaking hiervan zal plaatsvinden in de Hoogeveensche Courant alsmede in de Staatscourant en via elektronische weg. Het vervolg daarop bestaat, kort samengevat, uit de volgende stappen in de procedure: vaststelling (al dan niet gewijzigd) door de gemeenteraad; beroepsmogelijkheid bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.2
Economische uitvoerbaarheid
Conform artikel 3.1.6. van het Besluit ruimtelijke ordening dient een onderzoek te worden verricht naar de uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente Hoogeveen heeft met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, zodat de economische uitvoerbaarheid 'anderszins verzekerd' is. De kosten voor de uitvoering van dit bestemmingsplan komen voor rekening van de initiatiefnemer. Gelet op bovenstaande wordt het plan economisch uitvoerbaar geacht.
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 49
10 december 2019
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 50
10 december 2019
Bijlagen bij de toelichting
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 51
10 december 2019
Bijlage 1
Verkennend bodemonderzoek
Erflanden, deelplan walwoningen Damhert 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP8020004-ON02 52
10 december 2019
Verkennend bodemonderzoek ter plaatse van:
Damhert te Hoogeveen
projectnummer
182391
Pagina 2 van 16
TITELBLAD Rapport Type onderzoek Locatie onderzoek Projectnummer Versie rapportage Auteur Controle en vrijgave Paraaf vrijgave
Verkennend bodemonderzoek Damhert te Hoogeveen 182391 1 E.P. van Hunnik R.J.J. Jonker
Datum
21 december 2018
Opdrachtgever Naam
De Stijll B.V. Van Limburg Stirumstraat 19 7901 AM Hoogeveen
Contactpersoon
Dhr. G. Reitsema
Uitgevoerd door Info@ecoreest.nl www.ecoreest.nl Kantoor Zuidwolde Industrieweg 20 7921 JP Zuidwolde Tel: 0528 373 982
Kantoor Appingedam Opwierderweg 160 9902 RH Appingedam Tel: 0596 633 355
Kantoor Almere Transistorstraat 91-34 1322 CL Almere 036 82 00 397
DISCLAIMER Dit rapport is het resultaat van een verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd ter plaatse van Damhert te Hoogeveen, in opdracht van De Stijll B.V.. Ten behoeve van de juiste interpretatie van dit rapport is het noodzakelijk te beschikken over de gehele rapportage, inclusief bijlagen. Het rapport is ongeschikt voor toepassing in een juridische context indien: - de paginanummering van het rapport onjuist of onvolledig is - de bijlagen genoemd in de inhoudsopgave (deels) ontbreken - het projectnummer in het rapport en op de bijlage niet overeenkomt We stellen dit rapport alleen ter beschikking aan derden in geval van schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2001-2002
Verkennend bodemonderzoek Damhert te Hoogeveen (kenmerk: 182391)
Pagina 3 van 16
Inhoud 1. 1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.3.3 1.4
INLEIDING ........................................................................................................................... 4 AANLEIDING EN DOELSTELLING ........................................................................................................ 4 KWALITEITSBORGING ALGEMEEN ...................................................................................................... 4 KWALITEITSBORGING ONDERZOEK .................................................................................................... 4 Normen onderzoeksstrategie .................................................................................................. 5 Veldwerkzaamheden ............................................................................................................... 5 Laboratoriumwerkzaamheden ................................................................................................. 6 LEESWIJZER .................................................................................................................................. 6
2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
VOORONDERZOEK (NEN 5725:2017)................................................................................... 7 SYSTEMATIEK MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK ............................................................................. 7 STAP 1; AANLEIDING VOORONDERZOEK ............................................................................................. 7 STAP 2; ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................................................... 7 SAMENVATTING VOORONDERZOEK ................................................................................................... 8 VOLLEDIGHEID EN BETROUWBAARHEID VOORONDERZOEK ..................................................................... 9 AFWIJKINGEN VOORONDERZOEK ...................................................................................................... 9 ONDERZOEKSHYPOTHESE (NEN5725) EN -STRATEGIE (NEN5740) ....................................................... 9