CConstaterende datHoogeveen
Koppel je AI →
Document · PDF

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie_ontwerp_1.pdf

Raadsavond 6 oktober 2022, gemeente HoogeveenBij agendapunt: Vaststelling Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie24.786 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie Werkzaamheden die broedbiotopen met aanwezige, nestelende of broedende vogels beschadigen of verstoren dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering op te starten in de periode half december – half februari. Wanneer buiten bovenstaande periode wordt gewerkt adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden de invloedssfeer te controleren op broedende vogels en nesten. Mochten broedvogels aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van verplichte vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.

5.5

Geluid

5.5.1

Normstelling

De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.

Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 32

3 mei 2022

In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)). In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.

5.5.2

Onderzoek en conclusie

De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Drenthe heeft een integraal advies uitgebracht ten aanzien van geluid. De onderzoeksresultaten worden bondig beschreven. Het advies is opgenomen als bijlage 3. Waterstofinstallatie De locatie waar de opslagfaciliteit en het waterstoflosstation wordt gerealiseerd ligt ten zuiden van de NAM mijnbouwlocatie Ten Arlo.

Figuur 5.4: inrichtingstekening van het de waterstofinstallatie In de figuur hierboven is de locatie van de waterstofinstallatie aangegeven. Het waterstof wordt op Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 33

3 mei 2022

de waterstoflocatie met een tubetrailer aangeleverd, waarbij de trailer op de locatie aangekoppeld blijft staan. De tubetrailer wordt met een afleverslang gekoppeld aan het gasontvangststation (GOS). In het GOS wordt de hoge druk van waterstof teruggebracht naar een werkdruk van 4 bar. Er zijn geen geluidgegevens bijgevoegd. Gezien het type activiteit wordt aangesloten bij de VNG bedrijven- en milieuzonering richtafstanden van een Benzineservicestation(s) waarbij voor geluid een richtstafstand van 30 meter is opgenomen. De nieuwe woonwijk ten noorden van deze locatie en Erflanden ten oosten van de locatie liggen op een grotere afstand dan de richtafstand, waardoor er ruimtelijk geen belemmering aanwezig is. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de doorgang van het plan.

5.6

Milieuzonering bedrijven

5.6.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen nieuwe bedrijvigheid en woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).

5.6.2

Onderzoek en conclusie

Waterstoftankstations zijn niet genoemd in de VNG-publicatie. Voor de aspecten geur, stof en geluid kan de gemeente aansluiten bij de richtafstanden voor benzinetankstations. De richtafstand voor geur is 30 meter. voor stof nul meter en voor geluid 30 meter (zie ook paragraaf 5.5). Voor gevaar is een aanvullende onderbouwing nodig voor een veilige afstand. Hier is onderzoek naar gedaan, zie paragraaf 5.9. Gezien de afstand van meer dan 200 meter tussen het plangebied en (geprojecteerde) woningen in de omgeving wordt aan de richtafstanden voldaan en kan een goed woon- en leefmilieu worden gegarandeerd. Het waterstoflosstation is geen milieugevoelige functie die belemmerd wordt door omliggende bedrijven voor de aspecten stof en geluid. Omdat er op de locatie geen werknemers verblijven is het aspect geur niet relevant. In dat kader merken we voor de zorgvuldigheid op dat het plangebied buiten de geurcontour van de op 1.000 m afstand gelegen RWZI Echten ligt. Ook agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand. In de uitgevoerde QRA (zie bijlage 2) is ingegaan op het aspect externe veiligheid. In paragraaf 3.4 van de QRA is aangegeven dat er geen risico verhogende objecten zijn geïdentificeerd. Zowel de NAM locatie Ten Arlo en de buisleiding van de NAM (NM-000612) hebben een PR 10-6 contour die over de inrichting van het plangebied valt.

Op basis van de HARI 4.2 dienen externe domino-effecten van deze aard niet meegenomen te worden in de QRA. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er voor wat betreft de aspecten geur, geluid, gevaar en stof in het plangebied en bij de milieugevoelige functies in de omgeving van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 34

3 mei 2022

geschaad door de ontwikkeling. Ook ondervindt de bedrijfsvoering van het waterstoflosstation geen belemmeringen vanuit de omgeving.

5.7

Milieueffectrapportage (MER)

5.7.1

Normstelling

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmimgsplan plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.

5.7.2

Onderzoek en conclusie

De activiteiten betreffen de aanvoer en bovengrondse opslag van waterstof en de aanleg van een nieuwe waterstofleiding voor de transport van waterstof. Categorie D 25.3 'de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie bestemd voor de ondergrondse opslag van gasvormige brandstoffen' uit de bijlage D bij het Besluit milieueffectrapportage is niet van toepassing omdat de gasvormige brandstof waterstof uitsluitend opgeslagen wordt in bovengrondse opslagvoorzieningen. Conclusie De beoogde activiteiten zijn niet genoemd in bijlage C en/of D van het Besluit mer. Een mer-beoordeling is derhalve niet nodig daardoor is het opstellen van een aanmeldnotitie en een mer-beoordeling niet nodig.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 35

3 mei 2022

5.8

Luchtkwaliteit

5.8.1

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof stikstofdioxide (NO2 ) fijn stof (PM1 0) fijn stof (PM2,5)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die i s vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 bij twee ontsluitingswegen.

5.8.2

Onderzoek en conclusie

In de Wm en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Indien een voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, hoeft geen verdere beoordeling ten aanzien van luchtkwaliteit plaats te vinden. Het waterstof wordt door vrachtwagens aangevoerd met tubetrailers. Zoals aangegeven in paragraaf 5.10 wordt in de wintermaanden rekening gehouden met maximaal één truckbeweging per dag. Het is plan is op basis hiervan getoetst met de NIBM-tool (versie 28 maart 2019), waarvan de resultaten hieronder zijn weergegeven.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 36

3 mei 2022

Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet op de voorgenomen locatie voldaan worden aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden. Hieraan wordt op de beoogde locatie ruimschoots voldaan: jaargemiddeldeconcentratie stikstofdioxide (NO2) < 15 ìg/m3 (norm: 40 ìg/m3); jaargemiddeldeconcentratie fijn stof (PM10) < 18 ìg/m3 (norm: 40 ìg/m3); jaargemiddeldeconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) < 10 ìg/m3 (norm: 25 ìg/m3).

(bron: https://geodata.rivm.nl/gcn/). Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet Luchtkwaliteit.

5.9

Externe veiligheid

5.9.1

Normstelling

Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.

5.9.2

Onderzoek en conclusie

De Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Drenthe heeft een integraal advies uitgebracht ten aanzien van externe veiligheid. De onderzoeksresultaten worden bondig beschreven. Het volledige advies is opgenomen als bijlage 3. Het advies van het RUD heeft betrekking op de locatie waar de druk van het aangeleverde waterstof ten behoeve van de nieuwe woonwijk wordt gereduceerd. Het reduceren van de druk is nodig om het waterstof via ondergrondse transportleidingen naar de nieuwe woonwijk te kunnen transporteren. Hieronder een schematische weergave van de waterstoflocatie.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 37

3 mei 2022

Figuur 5.5: Schematische weergave van de waterstofinstallatie

Waterstofinstallatie De locatie waar het waterstof reduceerstation en de aanlevering van waterstof plaatsvindt ligt ten zuiden van de NAM mijnbouwlocatie Ten Arlo. Voor deze activiteit met waterstof is een QRA (24-02-2021) opgesteld (zie bijlage 2. Het rekenmodel is met Safeti-NL versie 8.3 opgesteld. De risicocontouren van deze waterstofinstallatie bereiken de nieuwe woonwijk niet. In de afbeelding hieronder is de locatie van de waterstofinstallatie met bijbehorende PR10-6 en het invloedsgebied weergegeven.

Figuur 5.6: Waterstof reduceerstation en aanleverlocatie

In de figuur hierboven is de locatie van de waterstofinstallatie aangegeven. Het waterstof wordt op de waterstoflocatie met een tubetrailer aangeleverd, waarbij de trailer op de locatie aangekoppeld blijft staan. De tubetrailer wordt middels een afleverslang gekoppeld aan het gasontvangststation (GOS). In het GOS wordt de hoge druk van waterstof teruggebracht naar een werkdruk die geschikt is om het waterstofgas via een ondergronds leidingnet naar de nieuwe woonwijk te kunnen transporteren. De waterstofinstallatie is een risicobron, waarop het Bevi formeel niet van toepassing is. Echter, omdat het hier om een risicovolle activiteit gaat, wordt de waterstofinstallatie wel als zijnde een Bevi inrichting behandeld. Er dient te worden getoetst aan het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar en het groepsrisico dient te worden beoordeeld. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico 10-6 veroorzaakt door de waterstofinstallaties reikt tot buiten de Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 38

3 mei 2022

inrichtingsgrens. De PR10-6 contour ligt voor een klein gedeelte op het terrein van de mijnbouwlocatie NAM Ten Arlo. De NAM-locatie is een inrichting die onder het Bevi valt en wordt op grond van artikel 1, tweede lid van het Bevi niet als een (beperkt) kwetsbaar object aangemerkt en hoeft hierdoor niet aan het PR10-6 van de waterstoflocatie te worden getoetst. De PR-contour ligt verder over uitsluitend agrarisch gebied, waar volgens het bestemmingsplan geen andere activiteiten zijn toegestaan. Er wordt dus voldaan aan de grens- en richtwaarde van het PR10-6 per jaar. De nieuwe waterstoflocatie, zijnde een risicobron, is volgens de in 2010 vastgestelde EV-visie inpasbaar op deze locatie. De waterstoflocatie wordt met de volgende PR 10-6 contour opgenomen op de plankaart.

Figuur 5.7: De PR 10-6 contour van de waterstoflocatie in Hoogeveen Groepsrisico In verband met het ontbreken van een populatie binnen het invloedsgebied (PR10E-30) is er geen groepsrisico berekend. Binnen het invloedsgebied zijn namelijk geen verblijfsobjecten aanwezig dan wel geprojecteerd. Het groepsrisico hoeft ten aanzien van de waterstofinstallatie verder niet te worden verantwoord. Voor de waterstofontvangst en het reduceren van de werkdruk van het waterstof dient een omgevingsvergunning (milieu) te worden aangevraagd. De uitgevoerde QRA kan ook bij de vergunningsaanvraag worden overgelegd. Na de vergunningverlening zal de waterstoflocatie als risicobron op de risicokaart moeten worden weergegeven. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de doorgang van het plan.

5.10

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Koedijk. Het waterstof wordt door vrachtwagens aangevoerd met tubetrailers. Het te realiseren losstation faciliteert twee standplaatsen voor een tubetrailer van maximaal 800 kilogram waterstof. In alle gevallen zal er minimaal één voldoende gevulde tubetrailer ter plaatse op locatie staan en tijdig worden vervangen door de ander. Dit zal gebeuren indien de resterende voorraad niet meer toereikend is om twee dagen te overbruggen. De losstraat wordt dubbel uitgevoerd (twee separate rijstroken) waardoor de ene tubetrailer de andere eenvoudig kan vervangen. Het specifieke moment van overname zal afhankelijk zijn van het Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 39

3 mei 2022

verbruik van de woningen. Met het piekverbruik in de wintermaanden wordt rekening gehouden met maximaal één truckbeweging per dag. In de zomer ligt de frequentie van het aantal truckbewegingen lager. Het plan heeft daarmee een zeer beperkte vekeersaantrekkende werking. Parkeren Het plan leidt niet tot een parkeerbehoefte. Het parkeren vanwege bezoekers voor onderhoud van het waterstoflosstation wordt op eigen tererein opgelost. Het plangebied biedt darvoor voldoende ruimte.

5.11

Duurzaamheid

Duurzaam energiegebruik Voor de woonwijk Nijstad-Oost wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een energieconcept waarbij we zo veel mogelijk gebruik willen maken van lokale energieopwekking. Waterstof speelt binnen dit concept een belangrijke rol, al dan niet in een collectief systeem. Voorliggend plan voorziet in de mogelijkheid om de woonwijk Nijstad-Oost aan te sluiten op waterstof. Duurzame grondstoffen en (her)gebruik van materialen De overexploitatie van natuurlijke grondstoffen hebben enorme gevolgen voor onze aarde. Ontbossing, stijgende milieuvervuiling, gedegradeerde ecosystemen en verlies aan biodiversiteit zijn slechts een aantal voorbeelden. Ongebreideld gebruik van materialen behoort dan ook verleden tijd te zijn. Er wordt zo efficiënt mogelijk gebruik gemaakt van materialen, die ook nog eens geselecteerd zijn op duurzaamheid. De hoeveelheid afval blijft zowel in de productie als op de bouwplaats gereduceerd. Afvalstoffen worden gescheiden, hergebruikt of gerecycled. Bewustwording, communicatie en duurzaam samenwerken Duurzaamheid begint met het voorkomen van onnodige inspanningen, bijvoorbeeld door zo 'lean' mogelijk te werken en waar mogelijk ketenintegratie toe te passen. Dit streven vraagt om koppeling van informatie en optimale communicatie.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 40

3 mei 2022

Hoofdstuk 6 6.1

Planbeschrijving

Juridisch systeem

Als opzet voor de planologische regeling van dit gebied, is gekozen voor een verbeelding met flexibele bestemmings- en bouwregels, waarin het door de gemeente vastgestelde beleid wordt omschreven. Hiermee wordt een materiële rechtszekerheid beoogd; alleen activiteiten die in het karakter van het gebied passen, zijn toegestaan. Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de nieuwste Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro. Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.

6.2

Regels

De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd, die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.

6.3

Verklaring van de bestemmingen

Artikel 3 Agrarisch Deze gronden zijn enerzijds opgenomen in het plangebied om de aanleg van de waterstofleiding tussen het waterstoflosstation en de bestaande aardgasleidingen van de NAM, waarop wordt aangesloten, mogelijk te maken. De geldende beheersveordening staat de aanleg van nieuwe leidingen niet toe. Hiervoor is de bestemming 'Agrarisch - 1' inhoudelijk één op één overgenomen uit de geldende beheersverordening waarbij in de planregels ten behoeve van voorliggend plan de aanleg van een nutsvoorziening in de vorm van een waterstofleiding is toegestaan. Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 41

3 mei 2022

Anderzijds ligt de PR 10-6 contour van het waterstoflosstation deels over gronden met een agrarische bestemming. Ten behoeve van het bescherming van de omgeving in het kader van externe veiligheid is in de algemene regels op de agrarische gronden een aanduiding 'veiligheidzone - waterstof' opgenomen, die bepaalt dat de PR-10-6 contour niet buiten deze zone mag liggen en dat er geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd. Hiermee is de omgeving beschermd tegen externe veiligheids risico's vanwege voorliggend plan en het waterstofstaiton tegen (mogelijke) ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied. Artikel 4 Bedrijf - Nutsvoorziening Deze gronden met de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' zijn de gronden van de NAM-locatie ten noorden van het waterstoflosstation voor zover hier de PR 10-6 contour overheen is gelegen. Hiervoor is de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' inhoudelijk één op één overgenomen uit het geldende bestemmingsplan BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018, waarbij aanvullend de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'veiligheidzone - waterstof'. Hiervoor zijn in de algemene aanduidingsregels regels opgenomen. Artikel 5 Bedrijf - Nutsvoorziening 1 Deze bestemming is van toepassing voor de gronden waar het waterstoflosstation is geprojecteerd.

Voor gebouwen ten behoeve van het waterstoflosstation geldt dan ook een maximaal bebouwd oppervlak van 5%.. De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken mag niet meer dan 5 m bedragen. Tevens dient te worden gebouwd op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens. Artikel 6 Leiding - Gas 1 De in het plangebied aanwezige ondergrondse hogedruk aardgastransportleiding heeft de dubbebestemming 'Leiding - Gas' gekregen. Hierbij is rekening gehouden met een zone van 5 meter waarbinnen de realisatie van bebouwing, anders dan ten behoeve van de bestemming, niet is toegestaan.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 42

3 mei 2022

Hoofdstuk 7 7.1

Handhaving

Algemeen

Het bestemmingsplan wil een sturend instrument zijn voor de ruimtelijke en functionele inrichting van het plangebied. Aan de hand van de in het bestemmingsplan opgenomen regels worden voorgenomen activiteiten (activiteiten en gebruik van gronden) getoetst. Als blijkt dat zonder of in afwijking van de regels activiteiten danwel gebruik plaatsvinden en de afwijking niet op enige wijze kan worden gelegaliseerd en niet past binnen het gemeentelijk beleid, is handhaving in enge zin aan de orde, gericht op het ongedaan maken van een overtreding. Handhaving is belangrijk om de sturing die het bestemmingsplan beoogt tot haar recht te laten komen.

7.2

Inventarisatie

Door de gemeente Hoogeveen is een kadernota integrale handhaving vastgesteld. Deze nota is de start van programmatisch handhaven in de gemeente Hoogeveen. Programmatisch handhaven is een structurele en integrale aanpak van de handhaving, waarbij de uitvoering onder andere is gebaseerd op een handhavingsprogramma. Daarbij worden door het bestuur de prioriteiten bepaald en worden handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In deze aanpak worden beleid en uitvoering opgevolgd door evaluatie en bijsturing. Programmatisch handhaven is daarmee een cyclisch, democratisch, integraal en transparant proces.

7.3

Beleidskeuzen

Door de gemeente Hoogeveen is een kadernota integrale handhaving vastgesteld. Deze nota is de start van programmatisch handhaven in de gemeente Hoogeveen. Programmatisch handhaven is een structurele en integrale aanpak van de handhaving, waarbij de uitvoering onder andere is gebaseerd op een handhavingsprogramma. Daarbij worden door het bestuur de prioriteiten bepaald en worden handhavingsactiviteiten zoveel mogelijk op elkaar afgestemd. In deze aanpak worden beleid en uitvoering opgevolgd door evaluatie en bijsturing. Programmatisch handhaven is daarmee een cyclisch, democratisch, integraal en transparant proces.

7.4

Inzet gemeentelijk apparaat

Op basis van de kadernota Toezicht en handhaving wordt jaarlijks een gemeentelijk werkprogramma opgesteld. Hierin worden op basis van een evaluatie voor het komende jaar de prioriteiten (bij)gesteld. In dit werkprogramma worden alle taken, taakonderdelen, de wettelijke of gewenste prioriteitstelling, prestatie en capaciteitstoekenning op het gebied van handhaving opgenomen. Tevens wordt de voortgang van de projecten die spelen inzichtelijk gemaakt. De werkprogramma's worden gemonitord en geëvalueerd (jaarverslagen). Voor de monitoring en evaluaties zal aansluiting worden gezocht bij de programmasturing zoals die in Hoogeveen wordt gebruikt. Aan deze programma's ligt een visie (1x10 jaar) ten grondslag die vervolgens worden uitgewerkt in beleidsnota's (1x4 jaar) en uitvoeringsprogramma's (jaarlijks). Tevens wordt beoordeeld of nog de juiste prioriteiten worden gesteld en of het handhavingsbeleid en de handhavingsstrategieën nog doelmatig en effectief zijn. Ieder jaar rapporteert het college van B&W de evaluatie aan de gemeenteraad. Indien nodig worden op basis van de evaluatie aanpassingen gedaan in de kadernota. Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 43

3 mei 2022

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 44

3 mei 2022

Hoofdstuk 8 8.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het conceptbestemmingsplan is ingestuurd voor vooroverleg conform artikel 3.1.1 Bro. Van de provincie en de Veiligheidsregio Drenthe zijn inhoudeliujke reacties ontvangen. WBDO-delta heeft ook gereageerd en heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben bij deze ontwikkeling. In de reactienota (zie bijlage zijn de reacties samengevat en voorzien van een beatnwoording. Indien de reacties hebben geleidt tot een aanpassing vna het bestemmingsplan, is dat in de reactie vermeld. Vervolgprocedure Het ontwerpbestemmingsplan zal vervolgens ter inzage worden gelegd gedurende een periode van 6 weken. Gedurende deze inzagetermijn kan een ieder een zienswijze kenbaar maken. De bekendmaking hiervan zal plaatsvinden in de Hoogeveensche Courant alsmede in de Staatscourant en via elektronische weg. Het vervolg daarop bestaat, kort samengevat, uit de volgende stappen in de procedure: vaststelling (al dan niet gewijzigd) door de gemeenteraad; beroepsmogelijkheid bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

8.2

Economische uitvoerbaarheid

De plankosten worden gedekt vanuit de grondexploitatie voor het plan van Nijstad-Oost. Dit deelproject maakt daar onderdeel van uit. Vanwege vertragingen die het zou opleveren is dit deelproject uit het bestemmingsplan BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 geknipt en is hier een apart plan voor opgesteld. Planschade wordt gedekt middels een overeenkomst met de grondeigenaar.

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 45

3 mei 2022

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 46

3 mei 2022

Bijlagen toelichting

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 47

3 mei 2022

Bijlage 1

Natuurtoets Waterstofinstallatie Nijstad-oost

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 48

3 mei 2022

natuurtoets Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving

Gemeente Hoogeveen

Concept

Barchman Wuytierslaan 10 3818 LH Amersfoort T 0384236464 E info@ecogroen.nl I www.ecogroen.nl

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving

21-520

3 maart 2022

Concept

I. (Iwan) Veeman

R. (Remo) Wormmeester

Gemeente Hoogeveen

© Ecogroen bv Alles uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt, mits onder vermelding van bron en status. Veeman, I. (2022). Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen. Inventarisatie en beoordeling in het kader van natuurwetgeving. Rapport 21-520. Ecogroen bv.

Inhoud Samenvatting

1

1.

inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen

3 3 3

2.

Wettelijk kader en werkwijze 2.1 Wettelijk kader 2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) 2.3 Werkwijze

5 5 6 6

3.

Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 3.2 Natuurnetwerk Nederland en overige provinciale regels

7 7 7

4.

Soortbescherming 4.1 Flora 4.2 Zoogdieren 4.3 Vogels 4.4 Amfibieën 4.5 Overige soortgroepen

9 9 9 10 11 12

5.

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1 – Beoogde inrichting

13

Samenvatting Aanleiding en doelstelling Gemeente Hoogeveen is betrokken bij plannen voor de realisatie van een waterstofinstallatie nabij de NAM locatie Ten Arlo. De waterstofinstallatie wordt aangelegd om in de energiebehoefte te voorzien in de woonwijk Nijstad-Oost in Hoogeveen. Voor de aanleg is een bestemmingsplanwijziging nodig. Realisatie van het plan gaat mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Op verzoek van gemeente Hoogeveen heeft Ecogroen het plan beoordeeld ten aanzien van de wettelijke bescherming van natuurwaarden.

Gebiedsbescherming •

•

Het plangebied ligt niet binnen Natura 2000-gebied. De locatie ligt op minimaal 8 kilometer afstand van omliggende Natura 2000-gebieden Dwingelderveld en Mantingerzand. Vanwege tussenliggende afstand, bebouwing en infrastructuur zijn effecten als oppervlakteverlies en verstoring op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden uitgesloten. Stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden als gevolg van de bouwfase van projecten is onder de vigerende Wet stikstofreductie en natuurverbetering vrijgesteld van de natuurvergunningsverplicht. Een stokstofberekening is bij voorliggend plan niet aan de orde. Het plangebied ligt niet binnen Natuurnetwerk Nederland, maar op minimaal circa 900 meter van de begrenzing van Natuurnetwerk Nederland (NNN). Met de boogde ontwikkeling wordt afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Gezien de afstand en de aanwezigheid van tussenliggende bebouwing, infrastructuur en groenstructuren veroorzaakt het plan geen aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. Vervolgstappen ten aanzien van het NNN zijn hier niet aan de orde.

Soortbescherming •

• •

• •

Singels met ruigte en braam rond het plangebied vormen potentieel leefgebied voor de beschermde en niet van ontheffing vrijgestelde grote bosmuis. Bij het beoogde plan blijft het (potentieel) biotoop behouden en worden zodoende geen negatieve effecten op grote bosmuis verwacht. Effecten op vleermuizen zijn uit te sluiten. Er zijn in en nabij het plangebied geen (potentiële) verblijfplaatsen aanwezig en daarbij blijven aanwezige singels rondom het plangebied behouden. In het plangebied en directe omgeving zijn geen in gebruik zijnde nesten aangetroffen van vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Wel is broedbiotoop aanwezig van algemene vogelsoorten. Het betreft vogels zoals zoals koolmees, winterkoning en houtduif. Het plangebied bevat enig leefgebied van zoogdieren en amfibieën met een provinciale vrijstelling zoals veldmuis en gewone pad. Binnen het plangebied zijn geen vaste groei- of verblijfplaatsen aangetroffen of te verwachten van beschermde flora, reptielen, vissen en ongewervelden.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

01

Eindconclusie en aanbevelingen •

•

Werkzaamheden die broedbiotopen met aanwezige, nestelende of broedende vogels beschadigen of verstoren dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering op te starten in de periode half december – half februari. Wanneer buiten bovenstaande periode wordt gewerkt adviseren we om voorafgaand aan de werkzaamheden de invloedssfeer te controleren op broedende vogels en nesten. Mochten broedvogels aanwezig zijn, dan dienen de werkzaamheden ter plekke te worden uitgesteld tot de jongen zijn uitgevlogen. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren en verblijfplaatsen van algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën verloren gaan. Voor deze soorten geldt in voorliggende situatie een provinciale vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van verplichte vervolgstappen voor deze soorten niet aan de orde is.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

02

1. inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Gemeente Hoogeveen is betrokken bij plannen voor de realisatie van een waterstofinstallatie nabij de NAM locatie Ten Arlo. De waterstofinstallatie wordt aangelegd om in de energiebehoefte te voorzien in de woonwijk Nijstad-Oost in Hoogeveen. Voor de aanleg is een bestemmingsplanwijziging nodig. Realisatie van het plan gaat mogelijk gepaard met effecten op beschermde natuurwaarden. Op verzoek van gemeente Hoogeveen heeft Ecogroen het plan beoordeeld ten aanzien van de wettelijke bescherming van natuurwaarden. Er is getoetst op gebieds- en soortbescherming. Er heeft geen toetsing van houtopstanden plaatsgevonden. De resultaten van het onderzoek zijn in voorliggende rapportage uitgewerkt.

1.2 Huidige situatie en voorgenomen ontwikkelingen Het plangebied is weergegeven in figuur 1.1. De beoogde locatie ligt ten zuiden van de bestaande NAMlocatie Ten Arlo, ten zuidwesten van de kern Hoogeveen. De planlocatie bestaat uit weiland dat ten tijde van het veldonderzoek (oktober 2021) nog begraasd was. Langs de rand ligt een strook opgaande beplanting bestaande uit eenstijlige meidoorn, hazelaar en opslag van es (zie foto voorblad). In het verleden hebben hier essen gestaan, deze zijn naar verwachting verwijderd in verband met aantasting door essentaksterfte. Net buiten het plangebied staat een strook met essen, deze zijn flink aangetast door essentaksterfte. Oppervlaktewater ontbreekt in het plangebied.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

03

Figuur 1.1 Situering plangebied (rood omlijnd). Bron kaartondergrond: OpenStreetMap.

Het voornemen betreft het aanleggen van een kleine waterstofinstallatie plus opslag die woningen van energie gaat voorzien. Alle opgaande beplanting wordt ingepast en blijft behouden, met uitzondering van een solitaire boom aan de zuidelijke zijde van het plangebied. De beoogde inrichting is weergegeven in bijlage 1.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

04

2. Wettelijk kader en werkwijze 2.1 Wettelijk kader De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden. In voorliggende rapportage wordt getoetst op gebieds- en soortbescherming. In voorliggende rapportage blijft het onderdeel houtopstanden buiten beschouwing. Voor de volledige wettekst van de Wet natuurbescherming wordt verwezen naar: https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/. In onderstaand kader 2.1 is een samenvatting opgenomen van de relevante wetteksten betreffende gebieds- en soortbescherming.

Kader 2.1 Wet natuurbescherming Zorgplicht (artikel 1.11) De Wet natuurbescherming (ook: Wnb) kent een zorgplicht voor natuur en soorten. De zorgplicht is altijd van kracht, ook ten aanzien van niet beschermde natuur. Artikel 1.11 schrijft voor dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor beschermde gebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Iedereen die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn/haar handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een beschermd gebied of voor in het wild levende soorten, laat deze handelingen achterwege of voorkomt de gevolgen. Dit laatste kan door het treffen van maatregelen ter voorkoming van schade of -als zelfs dat niet kan- de ontstane schade zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Een voorbeeld van (een maatregelen in het kader van) zorgplicht is het werken in de minst kwetsbare periode van soorten. Natura 2000 (hoofdstuk 2) Hoofdstuk 2 regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, bestaande uit Habitatrichtlijngebieden (HR) en Vogelrichtlijngebieden (VR). Per Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelen geformuleerd voor de bescherming van natuurlijke habitats, habitats van soorten en leefgebieden van vogels. Artikelen 2.1 tot en met 2.11 van de Wet regelen de bescherming van (de doelen voor) Natura 2000-gebieden.

Artikel 2.7 verplicht om vooraf te beoordelen of plannen en projecten in of in de nabijheid van Natura 2000-gebieden significant negatieve gevolgen kunnen hebben op de voor deze gebieden geformuleerde doelen. Als uit de beoordeling blijkt dat geen significant negatieve gevolgen optreden dan kan een plan worden vastgesteld of is een vergunning voor een project niet nodig. Zijn significant negatieve gevolgen niet uit te sluiten dan is een nadere beoordeling nodig. Artikel 2.8 bevat de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan voor het vaststellen van een plan of het verlenen van een vergunning. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of handeling plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Soorten (hoofdstuk 3) Hoofdstuk 3 regelt de bescherming van soorten. De bescherming van soorten is verdeeld over de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10. Het betreft de bescherming van: • Vogels zoals genoemd in de Vogelrichtlijn (artikel 3.1), in de praktijk vaak onderverdeeld in: – Vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals huismus, gierzwaluw en buizerd. – Overige vogels, waarvan nesten alleen tijdens het broedseizoen zijn beschermd (periode van nestbouw, ei-leg, broeden en voeren van de jongen op het nest). • Soorten (exclusief vogels) van de Habitatrichtlijn (bijlage IV) en de Verdragen van Bern (bijlage II) en Bonn (bijlage I), zoals bedoeld in artikel 3.5.

• Andere soorten (artikel 3.10), onderverdeeld in: – Soorten waarvoor een ontheffing vereist kan zijn. – Soorten waarvoor -op basis van de betreffende provinciale verordening- vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt. Indien effecten niet zijn uit te sluiten moet -voorafgaand aan het vaststellen van een plan- zijn beoordeeld of er uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing. Als er aantoonbaar uitzicht is op het verkrijgen van een ontheffing dan kan het plan worden vastgesteld. Als bij ruimtelijke ingrepen verbodsbepalingen worden overtreden dan is het noodzakelijk om een ontheffing aan

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

05

te vragen bij het bevoegd gezag, tenzij gewerkt kan worden volgens een goedgekeurde gedragscode. Het bevoegd gezag is meestal de provincie waar (het grootste deel van) de ingreep of activiteit plaatsvindt, soms is dat het Rijk. Voor het verkrijgen van een ontheffing moet zijn beschreven hoe de initiatiefnemer ervoor zorgt dat schade aan beschermde soorten tot een minimum beperkt blijft, welke mitigerende en compenserende maatregelen nodig zijn, dat alternatieven ontbreken, aan welk wettelijk belang wordt voldaan en dat de staat van instandhouding van de betreffende soort niet in gevaar komt.

2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (https://wetten.overheid.nl/BWBR0030378/2020-12-01) en uitgewerkt in provinciale verordeningen. In het Barro staat dat bij provinciale verordening gebieden moeten worden aangewezen die het Natuurnetwerk Nederland vormen. De ligging van die gebieden wordt geometrisch vastgelegd. Bij provinciale verordening worden in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. Voor nieuwe ontwikkelingen binnen het NNN, waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, geldt een ‘nee, tenzij’-afweging. Dit houdt kortweg in dat significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet toegestaan is. Regels voor beoordeling van effecten op het NNN zijn vastgelegd in provinciale verordeningen.

2.3 Werkwijze Een quickscan natuurtoets bestaat uit een literatuuronderzoek en een veldbezoek. Voorafgaand aan het veldbezoek is literatuuronderzoek uitgevoerd, waarbij is nagegaan of het plangebied in of nabij beschermde gebieden ligt. Daarnaast is op basis van bekende verspreidingsgegevens uit de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) nagegaan of er beschermde soorten in en om het plangebied te verwachten zijn (zie hoofdstuk 5 voor een volledig overzicht van de geraadpleegde bronnen). De verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek vormt de basis voor het veldonderzoek dat in de ochtend van 14 oktober 2021 is uitgevoerd door een ecoloog van Ecogroen. Het veldonderzoek is uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden (16℃, bewolkt, weinig wind en droog). Tijdens het veldonderzoek is het plangebied met omliggende groenstructuren (tot ca 50 meter rondom) geïnspecteerd op (de potentie voor) beschermde flora en fauna. Aan de hand van de verzamelde informatie uit het literatuuronderzoek en het veldbezoek is bepaald welke effecten kunnen optreden op beschermde soorten en gebieden en welke gevolgen dit heeft voor de voorgenomen ontwikkeling.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

06

3. Gebiedsbescherming 3.1 Natura 2000 Het plangebied ligt op minimaal 8 kilometer afstand van omliggende Natura 2000-gebieden (respectievelijk Dwingelderveld en Mantingerzand). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand van het plangebied. Vanwege de tussengelegen afstand is direct negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden uitgesloten. Er is bijvoorbeeld geen sprake van negatieve effecten zoals oppervlakteverlies, versnippering of verstoring. Tijdens de aanlegfase van de installatie is mogelijk wel sprake van een tijdelijke toename van stikstofdepositie. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is een partiële vrijstelling van de natuurvergunningplicht, waardoor eventuele stikstofuitstoot tijdens bouw-, aanleg- en sloopfase niet vergunningplichtig is. Onder de vigerende wetgeving is het berekenen van eventuele overschrijding van de normen voor stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden derhalve niet noodzakelijk voor dit plan.

3.2 Natuurnetwerk Nederland en overige provinciale regels Uit het Geoportaal van provincie Drenthe blijkt dat het plangebied niet binnen het natuurnetwerk Nederland ligt. De dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 1 kilometer van het plangebied (zie figuur 3.1). De provinciale regels van Drenthe over het NNN gelden echter alleen voor gronden binnen het NNN. De “nee, tenzij” afweging is daarom niet aan de orde. In het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’ is het wel noodzakelijk te waarborgen dat een plan de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aantast. Goede ruimtelijke ordening houdt in dat naastgelegen functies elkaar niet mogen hinderen. Door de afschermende werking van het tussenliggende gebied en infrastructuur en de afstand tot de NNNgebieden, heeft het plan geen negatieve effecten op de kernkwaliteiten van het NNN. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

07

Figuur 3.1 Ligging van het plangebied (rode vak) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen). Bron: Geoportaal Provincie Drenthe.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

08

4. Soortbescherming 4.1 Flora Tijdens het veldonderzoek zijn geen in de Wet natuurbescherming beschermde plantensoorten aangetroffen. Binnen het plangebied groeien vooral algemeen voorkomende of door mensen ingebrachte plantensoorten. Op basis van de aangetroffen soortensamenstelling, de terreingesteldheid en bekende verspreidings-gegevens (NDFF, 2022) worden ook geen wilde beschermde plantensoorten verwacht. Het aanvragen van een ontheffing is hier niet aan de orde voor flora. De Wet natuurbescherming vormt ten aanzien van flora dan ook geen belemmering voor wijziging van het bestemmingsplan en de uitvoering. Vervolgstappen voor flora zijn niet aan de orde.

4.2 Zoogdieren Vleermuizen Het leefgebied van vleermuizen bestaat uit verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden (zie ook kader 4.1). Hieronder worden deze onderdelen nader beschreven. Kader 4.1 Vleermuizen Verblijfplaatsen Verblijfplaatsen kunnen zich bevinden in donkere en voor vleermuizen bereikbare ruimten in bomen, huizen, kelders et cetera en kunnen aanwezig zijn in de vorm van kraamverblijven / zomerverblijven, baltslocaties / paarverblijven en winterverblijven. Verstoring, beschadiging, vernietiging of het verwijderen van deze verblijfplaatsen is verboden. Vliegroutes Voor oriëntatie tijdens de trek van en naar hun verblijfplaatsen en foerageergebieden gebruiken vleermuizen veelal jarenlang dezelfde structuren. Vanwege dit traditiegetrouwe gedrag van vleermuizen vormen bepaalde lijnvormige structuren (bijvoorbeeld rijen woningen, watergangen en bomenrijen) een belangrijk onderdeel van een vliegroute. Wanneer alternatieve structuren ontbreken zijn dergelijke structuren ‘onmisbaar’ en zodoende beschermd. Foerageergebieden Locaties waar insecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld langs randen van bossen, bomenrijen of boven water zijn van belang als foerageergebied voor vleermuizen. Foerageergebied van vleermuizen geniet binnen de Wet natuurbescherming echter geen juridische bescherming, tenzij het onmisbaar is voor het voortbestaan van een populatie.

Verblijfplaatsen In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen aangetroffen. Er is geen bebouwing aanwezig en de bomen rondom de locatie zijn ongeschikt als vaste verblijfplaatsen van vleermuizen door het ontbreken van geschikte holten en spleten. Vervolgstappen ten aanzien van verblijfplaatsen van vleermuizen zijn niet aan de orde.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

09

Vliegroutes De bomenrijen rondom het plangebied vormen lijnvormige elementen die door vleermuizen gebruikt kunnen worden ter oriëntatie en dus als vliegroute. De bomenrijen blijven behouden en effecten op (onmisbare) vliegroutes zijn in voorliggende situatie uit te sluiten. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen zijn niet aan de orde. Foerageergebieden De opgaande beplanting rondom het plangebied vormt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Er is bij het voorgenomen plan echter geen sprake van verlies van (onmisbaar) foerageergebied. Vervolgstappen voor foerageergebieden van vleermuizen zijn zodoende niet aan de orde.

Grote bosmuis In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen bekend van grote bosmuis (NDFF, 2022). Singels met ruigte en braam rond het plangebied vormen potentieel leefgebied voor deze soort. Hier kunnen verblijfplaatsen worden verwacht. Het grasland zelf en de locatie waar een solitaire boom wordt gekapt zijn ongeschikt voor grote bosmuis aangezien er geen dekking voor grote bosmuis aanwezig is. Met het beoogde plan gaat geen potentieel biotoop voor grote bosmuis verloren. Er zijn zodoende geen effecten op grote bosmuis te verwachten. Vervolgstappen voor grote bosmuis zijn daarom niet aan de orde.

Overige grondgebonden zoogdieren Verblijfplaatsen van overige juridisch zwaarder beschermde grondgebonden zoogdieren zoals steenmarter worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022), het uitgevoerde veldonderzoek en terreinkenmerken niet verwacht in het plangebied. Bij de ingrepen kunnen enkele exemplaren van vrijgestelde beschermde zoogdieren als veldmuis geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincies Drenthe vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming. Vervolgstappen voor deze zoogdieren zijn niet aan de orde.

4.3 Vogels Bij vogels wordt onderscheid gemaakt in twee categorieën met een verschillend beschermingsregime (zie kader 2.1). Van veel vogels zijn nesten alleen gedurende het broedseizoen beschermd. Nestlocaties kunnen dan buiten het broedseizoen zonder overtreding van de Wet natuurbescherming verwijderd worden. Voor een aantal vogelsoorten geldt echter dat de nestlocaties inclusief de functionele omgeving jaarrond beschermd zijn (zie kader 4.2).

Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Kader 4.2 Vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen Onder jaarrond beschermde nesten van broedvogels wordt in Drenthe verstaan: in functie zijnde nesten van de ooievaar, boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, wespendief, zwarte wouw, slechtvalk, sperwer, steenuil, kerkuil, oehoe, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, en huismus. Voor sommige andere soorten geldt dat de nesten jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

10

Nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten worden op basis van bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) en het uitgevoerde veldonderzoek niet in en in de directe nabijheid (50 meter) van het plangebied verwacht. Vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming zijn voor vogels met jaarrond beschermde nesten daarom niet aan de orde.

Overige vogels De bomen en struiken rondom het plangebied bieden geschikt broedbiotoop voor enkele algemene vogels zoals koolmees, pimpelmees, winterkoning en houtduif. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Verstoren is echter alleen verboden wanneer de storing van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Voor de te verwachten soorten kan verstoring die van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding (altijd) worden voorkomen door te werken buiten het broedseizoen. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Daarmee is het dus van belang of een broedgeval wordt beschadigd of verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen 1 maart en 15 juli worden aangehouden als broedseizoen. Met name te verwachten soorten als de houtduif en merel kunnen tot laat in het seizoen doorgaan met broeden en ook vroeg in het seizoen starten met broeden. Daarom adviseren we – zeker wanneer werkzaamheden binnen de periode van half februari tot half december worden gestart - om een broedvogelcontrole uit te voeren.

Tijdens de broedvogelcontrole wordt bepaald of zich broedende vogels ophouden binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden. Bij het aantreffen van nesten van vogels wordt in overleg met een ecologisch deskundige bepaald hoe de werkzaamheden op een zorgvuldige wijze binnen de kaders van de Wet natuurbescherming kunnen worden uitgevoerd.

4.4 Amfibieën Door de afwezigheid van oppervlaktewater wordt voortplanting van amfibieën binnen het plangebied uitgesloten. Op basis van het veldbezoek, terreinkenmerken en verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) wordt ook overwintering van de in de Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn en nationaal beschermde amfibieën zonder provinciale vrijstelling (zoals poelkikker en heikikker) uitgesloten. Wel is in de nabijheid van het plangebied onder de struiken of in oude muizenholen overwintering van algemene soorten amfibieën zoals gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander te verwachten. Omdat de werkzaamheden vrijwel geheel plaatsvinden op een weiland met zeer beperkte schuilmogelijkheden is kans op effecten op amfibieën gering. In voorliggende situatie geldt voor genoemde soorten in de provincie Drenthe bovendien vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze amfibieën niet aan de orde is.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

11

4.5 Overige soortgroepen Op basis van de terreinkenmerken, habitateisen en bekende verspreidingsgegevens (NDFF, 2022) worden in het plangebied geen vaste verblijfplaatsen verwacht van beschermde vissen, reptielen en ongewervelden. Het nemen van vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde voor deze soortgroepen.

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

12

5. Geraadpleegde bronnen Literatuur Provincie Drenthe (2022). Provinciale omgevingsverordening Drenthe.

Internet NDFF (2022). (www.ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal). Geraadpleegd 24 februari 2022. RAVON.nl (website met soortinformatie over reptielen, amfibieën en vissen) SOVON.nl (website met soortinformatie over vogels). Geoportaal provincie Drenthe (https://geo.drenthe.nl/geoportaal/). Overheid (2022). Actuele tekst Wet natuurbescherming. http://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/. Geraadpleegd februari 2022. Zoogdiervereniging.nl (website met soortinformatie over zoogdieren).

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

13

Bijlage 1 – Beoogde inrichting

Quickscan natuurtoets waterstofinstallatie Nijstad-Oost, Hoogeveen

14

H H

H H H

H

LEGENDA

H

H H H H

H H

bestaande situatie

H H H

kadastrale grens met perceelnummer

Z 74

H H

H

H

H

H

H

H

H

GOS-station

Z 117 Z 118

verwijderen boom aanbrengen hekwerk aanbrengen halfverharding

R=

18. 0

0

aanbrengen betonmuur aanbrengen verharding met rijbaan

obv huidige gegevens bochtverbreding vereist nadere inventarisatie benodigd

verbeteren verharding fietspad 14.00

kabels en leidingen

10.00

R=8.00

waterstofleiding

6.00

buisleiding gevaarlijke inhoud datatransport

D

15.00

5.00

5.00

riool vrijverval

5.00

vervallen buisleiding gevaarlijke inhoud

52.00

00

Z 135

R=

12.

R=1

6.00

27.50

Z 74 5.00

te handhaven begroeiing

R=1

6.00 D

R=1

6.00

Koedijk

Z 123

D

D

D D D

Overzicht

D

D

D

D

D

D

5.00

D

D

D

verplaatsen paal en borden

D

D

0

5

10

15

20m

D

D

D

D

Z 68

schaal 1 : 5000

D

D D

Schaal 1:500

D

D D

D

D

D

D

Maten in meters en materiaalmaten in millimeters, tenzij anders vermeld. Peilmaten in meters t.o.v. N.A.P.

D

D

D D

D

D

D

0 Wijz.

D D D

TSt Get.

RWi Gec.

Eerste uitgave Omschrijving

17-02-2022 Datum

D D

Project:

D D D

D

Inrichting laad- en losstation waterstof Hoogeveen

D

D D

Opdrachtgever:

D

Situatie schaal 1 : 500

Zernikelaan 8 9351 VA LEEK

N-tra

Postbus 136 9350 AC LEEK

Onderdeel:

0594 55 24 20 info@mug.nl www.mug.nl

Nieuwe situatie

Projectnummer:

22300234

Tekeningnummer: 09-001 Schaal: Formaat: Blad:

01

CONCEPT

1:500 A2 van 01

C:\Users\tstuip\Dijkstra Groep\22300234 - Inrichting laad- losstation waterstof Hoogeveen - IWN Leek - A - Documenten\Projectdata\ONTWERP\xx-02-2022\22300234_nieuwe situatie_xx-02-2022.dwg

Z 82

Bijlage 2

Kwantitatieve risicoanalyse (QRA) externe veiligheid

Buitengebied Noord, deelplan Nijstad, uitbreiding NAM locatie ontwerp

NL.IMRO.0118.2021BP9006013-ON01 67

3 mei 2022

KWANTITATIEVE RISICOANALYSE (QRA) HOOGEVEEN - WATERSTOF WIJK 24 FEBRUARI 2021

KWANTITATIEVE RISICOANALYSE (QRA) HOOGEVEEN WATERSTOF WIJKLIVEFREE HOOGEVEEN

Contactpersoon NICO VAN RODEN Thema leider Industrial Risk and Opportunity management

T 0627060803

Arcadis Nederland B.V. Postbus 220 3800 AE Amersfoort Nederland

2

KWANTITATIEVE RISICOANALYSE (QRA) HOOGEVEEN WATERSTOF WIJK

INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING

5

AFKORTINGEN

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11866942/1