BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018_ontwerp_1compressed.pdf
Tekst van het document
Deze watergang voert het overtollige water uit de wijk Erflanden af via stuw Nijstad. Het huidige waterpeil in het plangebied is NAP 7,35 m. Aan de oostgrens van het plangebied ligt een droogvallende greppel. Deze greppel staat niet op de legger van het waterschap maar heeft een ontwaterende functie voor de Zuidwoldigerweg.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 33
6 april 2021
Figuur 9: Kaartbeeld bestaande waterhuishouding rond het plangebied Nijstad-oost Uitgangspunten Het waterschap heeft uitgangspunten geformuleerd waarvan het waterschap heeft aangegeven dat deze in het bestemmingsplan moeten worden verwerkt. In het onderstaande zijn deze uitgangspunten uiteen gezet. De uitgangspunten hebben betrekking op veiligheid, (grond)wateroverlast, waterkwaliteit en ecologie, riolering, volksgezondheid en beheer en onderhoud. In dit bestemmingsplan hebben wij de uitgangspunten, conform het verzoek van het waterschap, geborgd. Uitgangspunt veiligheid en overstromingsrisico's Met betrekking tot waterkeringen hanteert het waterschap een kernzone en verschillende beschermingszones. Een deel van de kade van de Hoogeveense Vaart is aangewezen als waterkering. Dit geldt niet voor de Hoogeveense vaart ter hoogte van Nijstad-Oost. Het plangebied Nijstad-oost loopt een verhoogd risico op overstroming bij een kadebreuk in het bovenstrooms gelegen pand van de Hoogeveense vaart. De kade langs de Hoogeveense Vaart is tot aan de Nieuwebrugsluis een regionale kering ter bescherming van het bebouwde gebied Erflanden. Voor de ontwikkeling van Nijstad-Oost is het van belang de aanleghoogte van de woningen zo te bepalen dat de woningen bij een eventuele overstroming als gevolg van een kadebreuk van de Hoogeveense vaart gevrijwaard blijven van water.
De erven waar de woningen op zullen worden gerealiseerd worden verhoogd uitgevoerd, wegpeil minimaal 0,3 m boven het omliggende maaiveldniveau. Het is vooral van belang dat de kapitaalgevoelige functie (de woningen) vrij gewaard zijn van water door overstromingen. Het is daarbij van belang dat naast de hogere ligging van de woningen het water uit de Hoogeveense vaart onbelemmerd doorstroomt naar de minder gevoelige functies in het gebied. Er komen enkele ‘kades’ in het plangebied om het water dat binnen het plangebied valt in extreme BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 34
6 april 2021
situaties goed te geleiden. Het is van belang dat deze kades lager liggen dan de overstromingsgevoelige functies (wonen en wegen). Riolering Verminderen hydraulische belasting RWZI. Beperking van (vuilwater) overstorten. Gescheiden afvoer: Er wordt in het plan rekening gehouden met gescheiden waterstromen. Het hemelwater wordt niet afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie, maar binnen het plangebied verwerkt. Bij het gescheiden afvoeren van hemelwater wordt rekening gehouden met de drempelhoogte in relatie tot de fluctuatie van het ontvangende water. Rioolcapaciteit: De capaciteit van het huidige rioolstelsel vormt een aandachtspunt. Bij uitbreiding van het rioolstelsel wordt rekening gehouden met de capaciteit van het bestaande stelsel en de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Uitgangspunt voor Nijstad-Oost i s een gescheiden afvoer. Na het vaststellen van het bestemmingsplan wordt een ontwerp voor de riolering en hemelwaterafstroming opgesteld t.b.v. het verkrijgen van de watervergunningen. Het ontwerp wordt opgesteld in afstemming met het waterschap en de gemeente.
Compensatie als gevolg van toename verhard oppervlak Vergroten veerkracht van watersysteem door niet afwentelen van problemen met water. Ontwerpen op basis van: 1 vasthouden – 2 bergen – 3 afvoeren. Ter compensatie van het toename aan verharding wordt waterberging gerealiseerd. Conform de uitgangspunten van WDODelta moet het plangebied worden getoetst bij een bui die 1 maal per 100 jaar wordt verwacht. Bij zo’n bui is de benodigde waterberging circa 80 mm (uitgaande van inloopverliezen en een waterafvoer naar de primaire watergang). Ten gevolge van de ontwikkeling mag de waterstand in de watergang van het waterschap (legger id = WH3-4-02_D) niet toenemen. Het huidige peil in het plangebied ligt op NAP +7,35 m en met een maximaal waterstand van NAP +7,60 m (zie uitgangspuntennotie). Omdat de greppels in het plangebied in principe droogvallen is de bui die 1 maal per 10 jaar niet van toepassing. In het plangebied wordt een verhard oppervlak gerealiseerd van circa 24.500 m2 . De benodigde waterberging bedraagt 1.958 m³. Voor de uitwerking en onderbouwing wordt verwezen naar bijlage 5. Dit is uitgangspunt voor Nijstad-Oost. Allen bij hevige neerslag zal er afvoer naar de waterschapswatergang plaatsvinden. Middels damwandstuwen wordt de afvoer beperkt tot de landelijke afvoernorm (circa 1,5 l/s/ha).
Waterkwaliteit en ecologie In (stads)wateren wordt gestreefd naar een situatie met helder water en een rijke vegetatiestructuur met zowel in het oevercompartiment als het watercompartiment een aanzienlijke bedekking met ondergedoken waterplanten, drijfbladplanten en helofyten. Saprobiëring (overmatige aanvoer van organisch materiaal): Riooloverstorten voorkomen door afkoppelen van hemelwater. Bij aanwezigheid van overstort niet lozen op stilstaande wateren en/of kleine watergangen in stedelijk gebied. Microverontreiniging: Er worden geen materialen gebruikt die een verontreiniging van het oppervlaktewater met zich meebrengen. Metalen, zoals lood, koper of zink worden niet gebruikt. Gebruik van bestrijdingsmiddelen wordt tegengegaan. Afstroming hemelwater: Hemelwater mag worden geloosd op oppervlaktewater in het stedelijke gebied. Minder schoon hemelwater wordt via een zuiverende passage/voorziening geloosd op het oppervlaktewater. Inrichting watersysteem: Door het toepassen van meerdere oevermodellen op verschillende plekken (zoals plasdrasberm, ruige oever, rietoever, kademuur, etc.) worden karakteristieke wateren ontwikkeld die uitstekend passen binnen het lokale sfeerbeeld. Inrichting watersysteem: De diepte van hoofdwatergangen i s minimaal 1 m. Overige watergangen hebben een diepte van minimaal 0,5 m.
Voor hoofdwatergangen met de functie BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 35
6 april 2021
viswater i s het streven dat minimaal 20% van wateroppervlak 1 m diep is, met lokale verdiepingen van 1,50 tot 2 m (ten opzichte van zomerpeil). Samenhang: Er bestaan verschillende watertypen in het stedelijke gebied. De inpassing van oevermodellen i s mede afhankelijk van kenmerken van het watersysteem, zoals stroming, peilfluctuatie en voedselrijkdom.
Uitgangspunt voor Nijstad-Oost is een gescheiden afvoer. Het hemelwater wordt afgevoerd naar de velden en greppels, waar het hemelwater kan infiltreren naar de bodem. Alleen bij hevige neerslag zal er afvoer naar de waterschapswatergang plaatsvinden. Het huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd door een niet aan te leggen vuilwateriool. Volksgezondheid Minimaliseren van risico’s op watergerelateerde ziekten en plagen en het reduceren van verdrinkingsrisico’s. Doorspoelen van water: Voorkom stilstaand en eutroof (voedselrijk) water door te zorgen voor voldoende doorspoelmogelijkheden. Kindervriendelijke inrichting: Wateren die toegankelijk zijn kindvriendelijk inrichten door bijvoorbeeld flauwe oevers (minimaal 1:4) of plasdrasbermen toe te passen.
Omdat de greppels in het plangebied in principe droogvallen zijn bovenstaande uitgangspunten niet van toepassing. Beheer en onderhoud Functiegericht beheer tegen de laagst mogelijke kosten.
Wijze van onderhoud: Er wordt rekening gehouden met de wijze van onderhoud (varend of vanaf de kant) en de daarbij geldende voorwaarden. Voor werkzaamheden binnen de aangegeven zones van het waterschap i s een vergunning op grond van de Waterwet noodzakelijk. Onderhoud vanaf de kant: Bij onderhoud vanaf de kant geldt een obstakelvrije zone van 5 m vanaf de boveninsteek van de watergang. Varend onderhoud: Varend onderhoud i s mogelijk bij een doorvaarbare watergang met een minimale totale oeverlengte van 300 m of een totale oppervlakte van 1.500 m 2. Er wordt rekening gehouden met een minimale doorvaarhoogte van 1,20 m ten opzichte van het regulier maximale waterpeil. De doorvaarbreedte i s minimaal 2,50 m. Voor varend onderhoud geldt tevens een minimale diepte van 1 m met een aanleg- en onderhoudsdiepte van 1,30 m. Elk onderhoudswater heeft een goed bereikbare inlaadplaats voor de boot en minimaal 1 losplaats ten behoeve van het schouwvuil per 100 m oeverlengte. Eigendom van water: a l l e wateren die een functie hebben in de waterhuishouding (afvoer, aanvoer of berging) liggen in openbaar gebied. Onder bepaalde voorwaarden neemt het waterschap het beheer en onderhoud van deze wateren over na realisatie in de bouwrijpfase.
Uitgangspunt voor Nijstad-Oost is onderhoud vanaf de kant en dat er rekening wordt gehouden met obstakelvrije zones. Dus er worden geen bomen of paaltjes of degelijke geplaatst op de onderhoudsroutes van de greppels. Plansituatie Voorgenomen inrichting
Nijstad-Oost wordt een buurtschap van 80 á 100 woningen met een klein park. De voorgenomen inrichting is beschreven in het DO Stedenbouwkundig Plan Nijstad-Oost, 13 februari 2020 (Atelier Dutch). Stedenbouwkundig bestaat het plan uit 9 erven. Een erf is cluster van woningen, tuinen en collectieve ruimte, welke verhoogd in het landschap wordt aangelegd. De erven hebben uitzicht op de collectieve velden, waar ook de waterberging wordt gerealiseerd. De velden behouden in principe hun huidige maaiveldverloop (geen vergraving). In het plangebied zit voldoende ruimte voor de inpassing van de watercompensatie. Uitgangspunt voor Nijstad-Oost is het natuurlijk af laten vloeien van het regenwater in de hele buurt. Dat BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 36
6 april 2021
betekent dat er geen riolering komt voor het regenwater. Het hemelwater van de woonvelden wordt bovengronds afgevoerd naar de velden en greppels. In de velden en de greppels zal het hemelwater van de woonerven volledig worden opgevangen, waarna het hemelwater via (natuurlijke) bodeminfiltratie wegvloeit. In de velden wordt het maaiveld niet vergraven. Wel worden waar nodig verhogingen gerealiseerd, zogenoemde kades, om afspoeling naar de omgeving te voorkomen. Voor de situatie met een bui T=100 toont onderstaande figuur de verwachte waterdieptes (voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 5).
Figuur 10: Berekende waterdiepte op de velden voor een situatie die 1 maal per 100 jaar wordt verwacht De watercompensatie van de Hollandse werkplaatsweg, inritten naar de woonerven en het fietspad vindt plaats in de greppels. In het stedenbouwkundig plan is een strook van 1,5 m voor greppels gereserveerd. In de greppels worden houten damwandstuwtjes gerealiseerd die de hemelwaterafvoer knijpen en daarmee borgen dan de beschikbare berging in het plangebied volledig wordt benut. De greppel aan de westzijde van de Zuidwoldigerweg wordt in de plansituatie afgedamd middels een verhoogde inrit naar Bakkerserf (veld 8). Ten noorden van het Haaipietpad stroomt het water richting Nijstad, waar het water via een houten damwandstuw kan afvoeren op de A-watergang. Ten zuiden van het Haaipietpad voer de greppel langs de Zuidwoldigerweg af richting de Hollandse Werkplaatsweg. Door de gewijzigde stroomrichting van de greppels langs de Zuidwoldigerweg ontstaat een eenvoudig watersysteem (alle houten damwand stuwen zijn gesitueerd nabij Nijstad) en blijft het aantal aantal houten damwandstuwen, dat nodig is voor het beperken van de afvoer, beperkt tot 4 stuks. Conclusie: Door het benutten van de velden en greppels kan meer dan 80 mm hemelwater worden opgevangen.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 37
6 april 2021
Verhoogde erven en verhoogde inritten De hoogteverschillen in de velden worden in stand gehouden. De erven, waar de woningen worden gerealiseerd, worden verhoogd aangelegd om droge voeten te houden en het regenwater op een natuurlijke manier te kunnen laten wegvloeien. De minimale weghoogte is 0,1 m boven de waterstand die 1 maal per 100 jaar wordt verwacht. Bijlage 5 beschrijft de berekende waterstanden. Onderstaande tabel geeft een samenvatting van de berekende waterstanden en de minimale weghoogte. Voor de situatie met een bui T=100 toont onderstaande tabel de verwachte waterstanden (voor een nadere toelichting wordt verwezen naar bijlage 5). De verhoogde erven, waarop de woningen, moet zorgen voor droge voeten bij hoosbuien of bij een mogelijke doorbraak van de kademuren van de Hoogeveense Vaart. Erven (nummer, naam) 1. De Vries 2. De Boer 3. Blokzijl 4. Benjamins 5. Van der Veen 6. Peters 7. Bos 8. Bakker
Waterstand T100 (m NAP) 7,98 7,98 8,16 8,50 7,98 8,16 8,50 8,50
Minimale weghoogte (m NAP) 8,08 8,08 8,26 8,60 8,08 8,26 8,60 8,60
Greppelsysteem Het waterschap beheert de A-watergangen. De gemeente beheert de primaire – en secundaire greppels op gemeentegronden. De secundaire greppels op privaat terrein worden privaatrechtelijk geborgd en blijven in eigendom en beheer van particulieren.
Figuur 11: Ligging van de watergang en greppels In lijn van het stedenbouwkundig plan zijn de dwarsprofielen getekend met een taludhelling 1:1. Een steil talud geeft een verhoogd risico op het wegzakken van taluds. Vanwege de BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 38
6 april 2021
bodemgesteldheid (fijn zand) wordt een taludhelling 1:1,5 geadviseerd (zie bijlage 5 voor de dwarsprofielen). Conclusie De gemeente heeft het waterschap geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Na het vaststellen van het bestemmingsplan wordt een ontwerp voor de riolering en hemelwaterafstroming opgesteld t.b.v. het verkrijgen van de watervergunningen. Het ontwerp wordt opgesteld in afstemming met het waterschap en de gemeente. Hetzelfde geldt voor het ontwerp van de houten damwandstuwen. Bij het bouwrijp maken van het terrein dient de humeuze teelaardelaag te worden verwijderd voordat het terrein wordt opgehoogd. Daarnaast moet verdichting van de bodem ten gevolge van rijden met zware machines worden voorkomen of worden hersteld middels grondbewerkingen (diepspitten).
5.4
Natuur en Ecologie
5.4.1
Normstelling
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft. Provinciale Staten hebben op 13 december 2019 de beleidsregels Wet Natuurbescherming Drenthe gewijzigd vastgesteld voor gebiedsbescherming, soorten- en faunabescherming en houtopstanden. In dit document zijn alle bestaande beleidsregels, die gebaseerd zijn op regelgeving die in de Wet Natuurbescherming samen komen, in één document samengevoegd. Daarnaast zijn voor de nieuwe taken enkele nieuwe bepalingen opgenomen.
5.4.2
Onderzoek en conclusie
Het is noodzakelijk om op basis van de Wet natuurbescherming vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere plannen en activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. Optredende negatieve effecten dienen zo veel mogelijk vermeden of geminimaliseerd te worden. Voor schade aan strikt beschermde soorten kan het noodzakelijk zijn om een ontheffing aan te vragen bij de Provincie Drenthe. In verband hiermee is in opdracht van de gemeente Hoogeveen een onderzoek uitgevoerd om de eventuele gevolgen van het plan op de beschermde natuurwaarden in kaart te brengen. Het onderzoeksrapport (Quickscan natuurtoets woningbouwproject, Nijland Oost, van 17 juli 2017 met kenmerk 17-232) dat in dit kader is opgesteld is als bijlage aan dit plan gevoegd. (zie bijlage 6). Gebiedsbescherming BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 39
6 april 2021
Het plangebied ligt buiten de begrenzing van zowel Natura 2000- als het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS- gebieden). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 500 meter afstand ten noorden van het plangebied. Vanwege deze ligging en de afstand tot het NNN heeft de geplande ontwikkeling geen negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden. Dat wil zeggen dat rust, donkerte, openheid landschap, de kwaliteit van de bodem, water en lucht, waterhuishouding, oppervlakte, robuustheid, aaneengeslotenheid en de samenhang van het NNN, niet worden aangetast door de geplande ontwikkeling. In het kader van goede ruimtelijke ordening heeft de geplande ontwikkeling dan ook geen negatieve invloed op het functioneren van het NNN. Het nemen van vervolgstappen is niet aan de orde. Natura 2000-gebied in relatie tot stikstofdepositie Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is het Dwingelderveld op een afstand van ruim 8 km van het plangebied. Door de bouw van maximaal 100 woningen is de mogelijkheid aanwezig dat tijdens de aanleg- en of gebruiksfase een toename van stikstofemissies plaats gaat vinden. De emissies kunnen vervolgens een stikstofdepositie veroorzaken op het Dwingelderveld.
Door de rijksoverheid is een handreiking ( handreiking woningbouw en aerius, januari 2020, kenmerk 20400607) opgesteld om initiatiefnemers, gemeenten en provincies inzicht te geven in de mogelijke indicatieve deposities (mol/ha/jaar) op basis van de afstand van het natuurgebied en het aantal te realiseren woningen. Uit de tabel blijkt dat bij de bouw van 100 woningen op een afstand van 8 km geen stikstofdepositie op treedt tijdens de gebruiksfase. Voor de aanlegfase wordt ter indicatie 0,01 mol/ha/jaar aangegeven. De effecten van de bouw van woningen zijn van tijdelijke aard en onderzoek heeft reeds aangetoond dat op voorhand dit niet zal leiden tot meetbare effecten en verslechtering van de natuurkwaliteiten (Sweco, 16 oktober 2019, stikstofdepositie en woningbouwontwikkeling) Vooralsnog zijn er echter geen drempelwaarden waar aan getoetst kan worden. We hebben daarom ecologisch bureau Ecogroen opdracht gegeven om de feitelijke situatie met betrekking tot stikstofdepositie ten gevolge van de bouw van maximaal 100 woningen in Nijstad -0ost in beeld te brengen. Uit de berekening blijkt dat geen toename is van stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/ja op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten binnen het Natura 2000-gebied Dwingelderveld en andere nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De rapportage is als bijlage 7 opgenomen (Ecogroen, kenmerk 20-131, d.d.
29 april 2020). Soortenbescherming Ook voor de soortenbescherming is de Wnb van belang en eventueel het provinciaal soortenbeleid. In de Wnb is bepaald dat beschermde dieren die in de wet zijn aangewezen, niet gedood, gevangen of opzettelijk verontrust mogen worden. Planten mogen niet geplukt of verzameld worden. Verder is het niet toegestaan om nesten, holen of andere vaste rust- of verblijfplaatsen van dieren te beschadigen, vernietigen of te verstoren. Het bevoegd gezag kan onder voorwaarden een ontheffing van de verbodsbepalingen verlenen. Uit de quickscan is gebleken dat in het plangebied geen beschermde plantensoorten zijn aangetroffen. Ook vaste verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten. Echter zijn met name langs de rand van het plangebied de gronden geschikt als foerageergebied voor vleermuizen zoals de Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Laatvlieger. Van belangrijk- of onmisbaar foerageergebied is echter geen sprake. In de directe omgeving zijn ruim voldoende alternatieve foerageergebieden aanwezig. Bovendien is het plangebied in de toekomstige situatie nog optimaler als foerageergebied voor vleermuizen. Vervolgstappen voor foerageergebieden van vleermuizen zijn dan ook niet aan de orde. Uit de quickscan is ook gebleken dat in het plangebied grondgebonden zoogdieren te verwachten zijn.
Dit zijn onder andere Mol, Haas, Huisspitsmuis, Bosspitsmuis spec., Bosmuis, Veldmuis en Rosse woelmuis. Bij de geplande ingrepen kunnen enkele exemplaren van deze grondgebonden zoogdieren geschaad worden. In voorliggende situatie geldt in de provincie Drenthe automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Wet natuurbescherming, waardoor het nemen van vervolgstappen voor deze zoogdieren niet aan de orde is. BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 40
6 april 2021
In het plangebied en in nabije omgeving (zone van 100m) zijn geen broedvogels met jaarrond beschermde nesten en onmisbare foerageergebieden aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht. Vervolgstappen voor deze soorten zijn niet aan de orde. Door de aanwezigheid van grasland, solitaire bomen en een watergang in en direct naast het plangebied is broedbiotoop aanwezig voor algemene vogelsoorten zoals Merel, Koolmees, Zwarte kraai, Meerkoet, Roodborst, Winterkoning, Houtduif, Ekster en Wilde eend. Ook zijn enkele weidevogels broedend te verwachten zoals Scholekster, Kievit en Graspieper. Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten, eieren of vaste rust- of verblijfplaatsen beschadigen of verstoren. Voor werkzaamheden met schadelijke effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd, omdat deze per soort en vaak per jaar kan verschillen. Van belang is of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum. Voor de meeste soorten kan de periode tussen half maart en eind juli worden aangehouden als broedseizoen.
Conclusie Voor de ontwikkeling van Nijstad-Oost worden op voorhand geen beperkingen verwacht voor wat betreft de Wnb. Wel dienen de werkzaamheden te worden afgestemd op de broedtijd van algemene vogelsoorten. Tevens blijft de algemene zorgplicht van kracht. Bij calamiteiten zal opnieuw moeten worden beoordeeld welke maatregelen passend zijn.
5.5
Geluid
5.5.1
Normstelling
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)).
In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 41
6 april 2021
veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.
5.5.2
Onderzoek en conclusie
Wegverkeerslawaai Voor wegverkeer is er een geluidberekening uitgevoerd om de geluidbelasting te bepalen op de locaties. Maatgevende wegen zijn: Rijksweg A28; Zuidwoldigerweg/Hoogeveenseweg (aan de oostzijde van de locatie); Nijstad.
Voor wat betreft wegverkeerslawaai is de 48 dB Lden contour van de Zuidwoldigerweg relevant. Wanneer er over een strook van 425 meter geluidreducerend asfalt, dat voldoet aan de voorwaarden van “Dunne Deklagen A“, wordt aangebracht zal de 48 dB contour zover worden gereduceerd dat het gehele plan zonder hogere waarden gerealiseerd kan worden. In het stedenbouwkundigplan en de plankaart is ook deze contour opgenomen, waardoor het toepassen van het geluidreducerend asfalt een vereiste is om het plan op deze wijze uit te voeren. De contour ziet er als volgt uit:
Figuur 11: Ligging geluidscontouren Windmolens In een eerder versie van het ontwerp waren aan de zuidzijde van het plan nog een aantal kleine agrarische windmolens voorzien. De RUD Drenthe heeft geadviseerd deze windmolens te schrappen, aangezien het aantal en de afstand tot de woonbebouwing tot hinder kan leiden en het BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 42
6 april 2021
een goed woon en leefklimaat niet ten goede komt. In het huidige ontwerp zijn de windmolens niet meer opgenomen. Industrielawaai Ten zuidwesten van het plangebied is een bestaande NAM-locatie aanwezig. De geluidscontour van 50 dB(A) van deze inrichting ligt op voldoende afstand van gevoelige objecten waardoor aan de geldende geluidsnormen wordt voldaan. Er wordt geconcludeerd dat het aspect geluid de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
5.6
Milieuzonering bedrijven
5.6.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
5.6.2
Onderzoek en conclusie
De beoogde locatie ligt buiten de geurcontour van de op 1.000 m afstand gelegen RWZI Echten. Ook agrarische bedrijven liggen op voldoende afstand. Bij de nabijgelegen NAM-locatie komen bij regulier bedrijf geen geuremissies voor. Incidentele geuremissies kunnen worden veroorzaakt door het openen van veiligheidskleppen of ten behoeve van het drukvrij maken van de installatie. Gezien het incidentele karakter zal dit niet leiden tot structurele overlast. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen veehouderijen meer aanwezig. Voor wat betreft geluid zijn als gevolg van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied geen knelpunten te verwachten. Inrichtingen moeten voldoen aan de geluidsnormen uit het Activiteitenbesluit of de omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu. Voor wat betreft het aspect externe veiligheid verwijzen wij naar paragraaf 5.9 van dit bestemmingsplan. Voor de volledigheid merken wij hier op dat het aspect externe veiligheid geen knelpunten geeft. Voor wat betreft andere milieugevolgen van bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied verwachten wij geen knelpunten. Als gevolg van bedrijfsactiviteiten in de omgeving van het plangebied zijn geen knelpunten te verwachten.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 43
6 april 2021
5.7
Milieueffectrapportage (MER)
5.7.1
Normstelling
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt a l s bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
5.7.2
Toetsing en uitgangspunten voor het plan
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 80 tot maximaal 100 woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op ….. is bij besluit van …. vastgesteld dat geen MER nodig is, zie bijlage 8. Ook is daar de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 44
6 april 2021
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang.
5.8.2
Onderzoek en conclusie
In de Wm en de daarop gebaseerde regelingen - Besluit NIBM (luchtkwaliteitseisen) en Regeling NIBM (luchtkwaliteitseisen) - is getalsmatig vastgelegd dat bepaalde projecten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het begrip 'niet in betekenende mate' is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor stikstofdioxide (NO2 ) en fijn stof (PM1 0). Indien een voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging, hoeft geen verdere beoordeling ten aanzien van luchtkwaliteit plaats te vinden. Voor wat betreft woningbouw wordt hier onder verstaan, een locatie met één uitvalsweg waar maximaal 1.500 woningen worden gepland of een locatie met twee uitvalswegen waar maximaal 3.000 woningen worden gepland. Het realiseren van maximaal 100 woningen valt onder de categorie woningbouwlocaties die niet-in-betekenende-mate bijdragen. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening moet op de voorgenomen locatie voldaan worden aan de luchtkwaliteitsgrenswaarden. Hieraan wordt op de beoogde locatie ruimschoots voldaan: jaargemiddeldeconcentratie stikstofdioxide (NO2) < 15 ìg/m3 (norm: 40 ìg/m3); jaargemiddeldeconcentratie fijn stof (PM10) < 18 ìg/m3 (norm: 40 ìg/m3); jaargemiddeldeconcentratie zeer fijn stof (PM2,5) < 10 ìg/m3 (norm: 25 ìg/m3).
(bron: https://geodata.rivm.nl/gcn/).
Er kan geconcludeerd worden dat de herontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet Luchtkwaliteit.
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Normstelling
Het aspect externe veiligheid heeft betrekking op de eventuele gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is door de Regionale Uitvoeringsdienst Drenthe (RUD) onderzoek verricht BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 45
6 april 2021
naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied. Binnen het plangebied wordt de realisatie van maximaal 100 woningen mogelijk gemaakt. Woningen zijn als kwetsbare objecten aangewezen en hiervoor geldt een grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar.
5.9.2
Onderzoek en conclusie
Binnen het plangebied en rondom het plangebied is een inventarisatie van de aanwezige risicobronnen uitgevoerd die voor het bestemmingsplan relevant kunnen zijn. Voor de inventarisatie is de Signaleringskaart EV (d.d. 20-01-2020) geraadpleegd. De volgende risicobronnen zijn in de nabijheid van het plangebied aanwezig: Risicobron Nam-locatie Ten Arlo Mijnbouwinrichting gaszuiveringsinstallatie Hoge druk aardgastransportleidingen Gasunie Hoge druk aardgastransportleidingen NAM Rijksweg A28 Transport gevaarlijke stoffen
Wet- en regelgeving Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) Mijnbouwwet Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Ligging risicobron Binnen plangebied
Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)
Buiten plangebied
Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Basisnet weg
Buiten plangebied
Buiten plangebied
Tabel 1. Relevante stationaire risicobronnen
Ten noorden van de Hoogeveense vaart is een gasontvangststation van de Gasunie en ten oosten de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) van het waterschap. Beide zijn op voldoende afstand gelegen en vormen geen risicobron voor het te ontwikkelen plangebied. Tevens ligt ten westen van het plangebied een bovengrondse hoogspanningslijn (Hessenweg-Hoogeveen) van Tennet TSO BV. De nieuwe woonwijk ligt ruimschoots buiten de indicatieve zone van de hoogspanningslijn en is dus niet relevant voor de gewenste ontwikkeling. Ook is beoordeeld het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A28. Uit de beoordeling van de RUD blijkt dat het plangebied waar de woningen worden gebouwd buiten het invloedsgebied ligt van de A28 en dat hierdoor geen gevolgen optreden voor het groepsrisico. Hiervoor is dan ook geen risicoanalyse uitgevoerd. Risicoanalyse (QRA) Voor de NAM-locatie en de hogedruk aardgastransportleidingen zijn kwantitatieve risicoanalyses (QRA) uitgevoerd om het PG en GR te kunnen beoordelen. Het PG en GR voor de NAM-locatie zijn berekend middels het rekenprogramma Safeti-nl. De meest voorkomende scenario's en verladingsactiviteiten van aardgascondensaat zijn doorgerekend. De bevolkingsgegevens die hiervoor nodig zijn, zijn opgevraagd middels het BAG populatiesysteem.
De populatie wordt in hoofdzaak gevormd door de oostelijk gelegen woonwijk Erflanden en enkele in de omgeving gelegen agrarische bedrijven, plus het paviljoen en woningen gelegen rondom recreatieplas Nijstad.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 46
6 april 2021
figuur 12: invloedsgebied NAM Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een risicobron plaatsvindt, moet het groepsrisico worden beoordeeld en worden verantwoord. De planlocatie Nijstad-Oost ligt binnen het invloedsgebied (1% letaliteit) van de NAM-locatie (zie figuur 12). Uit de berekening blijkt dat de bestaande situatie maximaal 4 slachtoffers tot gevolg zou kunnen hebben. Door de gewenste planontwikkeling, de bouw van 100 woningen, neemt het aantal slachtoffers toe naar 10. Op grond van het Bevi is dus nauwelijks sprake van een groepsrisico. Tevens wordt de orientatiewaarde niet overschreden. Overigens ligt de risicocontour PR10-6 van de NAM-locatie niet over de bouwkavels (zie figuur 13) Binnen de risicocontour worden geen objecten gerealiseerd waar personen kunnen verblijven, maar enkel groenvoorzieningen. De groenvoorzieningen worden volgens de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid niet aangemerkt als kwetsbaar of beperkt kwetsbare objecten.
figuur 13: PR 10-6 contour NAM-locatie De gegevens van de hoge druk aardgastransportleidingen die van invloed zijn, zijn opgevraagd bij de Gasunie en verwerkt in de berekeningen die zijn uitgevoerd met rekenprogramma CAROLA. Met CAROLA zijn het PG en het GR bepaald voor een aantal buisleidingen die in de omgeving van het plangebied liggen (zie figuur 14)
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 47
6 april 2021
figuur 14: ligging invloedsgebieden en 100% letaliteitszones. Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling binnen het invloedsgebied van een hoge druk aardgastransportleiding plaatsvindt dient het groepsrisico te worden verantwoord. Voor de berekening van het GR dient binnen het gehele invloedsgebied de bebouwing met het aantal personen te worden geïnventariseerd in de dag- en nachtperiode. Uit de berekening blijkt dat de bouw van 100 woningen geen verandering van de hoogte van het GR tot gevolg heeft. De nieuwbouw ligt namelijk buiten de 100% letaliteitszone. Overigens ligt de het plangebied ook ruimschoots buiten de PR-contouren van de hoge druk aardgastransportleidingen (zie figuur 15). Het plan voldoet hierdoor ook aan de grenswaarden van het PR 10-6 per jaar.
figuur 15: PR10-6contour hoge druk aardgastransportleidingen Onderdeel van het bestemmingsplan vormt het bedrijfsterrein van de mijnbouwlocatie van de NAM. Per abuis was er een dubbelbestemming gas voor de NAM-locatie opgenomen die met dit bestemmingsplan gecorrigeerd wordt in een bedrijfsbestemming. De wijziging is onder andere BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 48
6 april 2021
noodzakelijk om het plaatsen van een waterstofinstallatie mogelijk te maken. De activiteiten met betrekking tot levering, opslag en het reduceren van de gasdruk van waterstof, waarmee het waterstofnet wordt gevoed, worden gesitueerd op het bedrijfsterrein van de NAM. Hiervoor zal de omgevingsvergunning moeten worden gewijzigd en zal daarbij een QRA moeten worden opgesteld. De uitbreiding dient zodanig te worden ingericht dat geen overschrijding van de grenswaarde van het PG 10-6 per jaar zal plaatsvinden. Gestreefd moet worden naar een gelijkblijvende PR10-6-contour. Verantwoording groepsrisico Binnen het plangebied liggen een aantal risicobronnen, te weten de NAM-locatie, hoge druk aardgastransportleidingen en het transport van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A28, die van invloed kunnen zijn op de bouw van 100 woningen. Hiervoor moet het plaatsgebonden risico en groepsrisico worden verantwoord. NAM-locatie Ten Arlo Plaatsgebonden risico Binnen het plangebied bevindt zich een risicovolle inrichting, namelijk de NAM-locatie. Deze inrichting valt onder het Bevi. De nieuwe woningen worden buiten het plaatsgebonden risico contour geprojecteerd. Wanneer de PR-contour binnen bouwvlak zal komen te vallen, moet de contour op de verbeelding worden geplaatst.
Volgens de aangeleverde informatie worden binnen de PR-contour geen woningen geprojecteerd, waardoor het ruimtelijk plan aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar voldoet. Groepsrisico Het invloedsgebied van de NAM-locatie bedraagt ruim 500 meter vanaf de grens van de inrichting. Binnen het invloedsgebied worden 100 woningen geprojecteerd, waarbinnen overdag 105 personen verblijven en 's nachts 210. Voor de huidige situatie is er geen sprake van een aanwezig groepsrisico. Het aantal slachtoffers is namelijk minder dan 10 en bedraagt 4. Door de projectie van 100 woningen neemt het groepsrisico met 6 slachtoffers toe. Het groepsrisico overschrijdt daarbij de oriëntatiewaarde niet. De hoogte van het groepsrisico is voor de nieuwe situatie in onderstaande grafiek weergegeven.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 49
6 april 2021
figuur 16: Grafiek Fn-curve NAM-locatie nieuwe situatie In de omgevingsvergunning van de NAM-locatie Ten Arlo zijn geen specifieke maatregelen vastgelegd waardoor het groepsrisico wordt beperkt. Voor de huidige situatie was daarvoor overigens geen aanleiding, omdat er van een groepsrisico geen sprake was. Vanwege het ruimtelijk plan zijn er geen redenen aanwezig aanvullende maatregelen in de vergunning op te nemen om het groepsrisico verder te beperken. Het bestemmingsplan heeft betrekking op een nieuwe ontwikkeling die het mogelijk moet maken om huisvesting te bieden voor 100 woningen die op een waterstofnet aangesloten moet worden. Waterstof is een gevaarlijke stof dat risico's voor de omgeving kan opleveren. Om waterstof in het gasnet in te kunnen voeren is een waterstofopslag en een gasreduceerstation noodzakelijk. Dergelijke installatie zijn risicobronnen die conform het Bevi zullen worden behandeld. De NAM-locatie is tevens een risicobron waarop het Bevi van toepassing is. Het lag dus voor de hand om de NAM-locatie uit te breiden met een waterstofinstallatie. De NAM-locatie heeft een veiligheidscontour waarbinnen de waterstofinstallatie inpasbaar moet worden gemaakt. Deze locatie is vanuit het oogpunt van externe veiligheid één van de meest gunstigste locaties en is een onderzoek naar andere locaties niet zinvol.
Rijksweg A28 Plaatsgebonden risico Ten zuiden van het plangebied bevind zich de Rijksweg A28. De Rijksweg heeft een plaatsgebonden risico dat kleiner is dan 10-6 per jaar. Het ruimtelijk plan voldoet aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Groepsrisico Het invloedsgebied van deze Rijksweg bedraagt circa 355 meter. De ruimtelijke ontwikkeling met de projectie van 100 woningen vindt plaats buiten het invloedsgebied van de weg. Het groepsrisico ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijksweg A28 hoeft verder niet te worden verantwoord. De NAM-locatie ligt daarentegen wel binnen het invloedsgebied van de weg maar er vindt binnen dit deel van het plangebied geen verandering plaats die van invloed is op het groepsrisico.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 50
6 april 2021
Hoge druk aardgastransportleidingen Plaatsgebonden risico Ten westen van het plangebied liggen een aantal hoge druk aardgastransportleidingen van Gasunie. De hoge druk aardgastransportleidingen hebben een plaatsgebonden risico dat op 5 meter vanaf de leiding kleiner is dan 10-6 per jaar. De in noordwestelijke richting liggende PR-contour (groter dan 5 meter vanaf de leiding) ligt ruimschoots buiten het plangebied. Het ruimtelijk plan voldoet aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar. Groepsrisico Het plangebied zowel het noordelijk als het zuidelijk deel ligt binnen het invloedsgebied van drie hoge druk aardgastransportleidingen. Als gevolg van de uitbreiding met een woonwijk met 100 woningen neemt het berekende groepsrisico niet toe. Echter, de hoogte van het totaal berekende groepsrisico van twee buisleidingen bedraagt meer dan 0,1 van de oriëntatiewaarde. De oriëntatiewaarde wordt niet overschreden. Het groepsrisico overschrijdt de oriëntatiewaarde niet. De hoogte van het groepsrisico wijzigt vanwege het ruimtelijk plan niet. De woonwijk met 100 woningen ligt namelijk buiten de 100% letaliteitszone. De hoogte van het totaal berekende groepsrisico van twee buisleidingen bedraagt meer dan 0,1 van de oriëntatiewaarde. Volstaan kan worden met een beperkte verantwoording.
Advies VRD Op 28 januari 2020 is de Veiligheidsregio Drenthe (VRD) gevraagd om advies te geven over de mogelijkheid van rampenbestrijding en te adviseren over de mate van zelfredzaamheid van de bevolking binnen het plangebied. Het advies van de VRD hebben we op 13 maart 2020 ontvangen en is opgenomen als bijlage (9) bij dit plan. De VRD adviseert de volgende maatregelen: Plaats de activiteiten die verband houden met de waterstof levering aan de nieuwe woonwijk op het NAM terrein. Wij adviseren deze nieuwe activiteiten dusdanig te positioneren dat scenario's rond waterstof levering en opslag niet of nauwelijks effect kunnen hebben op de scenario's die zich kunnen voordoen op de NAM locatie. Realiseer geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-6 contour in het plangebied Maak het Haaipietpad en de volledige Hollandse werkplaatsweg toegankelijk voor hulpdiensten zodat het plangebied via twee onafhankelijke routes bereikbaar is. Zorg ervoor dat de erven (met een doodlopende weg van meer dan 40 meter en een wegbreedte van minimaal 4.5 meter) een keermogelijkheid heeft óf a l s alternatief een toegangsweg heeft van minimaal 5 meter breed.
We hebben het advies beoordeeld en hebben de aanbevelingen verwerkt in onderliggende plan. Conclusie
Het ruimtelijk plan is relevant voor externe veiligheid vanwege de aanwezigheid van de Mijnbouwlocatie van de NAM Ten Arlo en een aantal hoge druk aardgastransportleidingen. Het vervoer van gevaarlijke stoffen via de Rijksweg A28 is voor deze ontwikkeling eveneens relevant. De 100 nieuwe woningen die binnen het plangebied geprojecteerd zijn, worden aangemerkt als kwetsbare objecten. Voor kwetsbare objecten dient op grond van het Bevi, Bevb en het Bevt te worden getoetst aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico 10-6 per jaar en moet het groepsrisico worden bepaald en verantwoord. De RUD heeft hiervoor een onderzoek uitgevoerd waar hiervoor al nader is ingegaan. Het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Hoogeveen hebben kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en acht het groepsrisico aanvaardbaar en accepteert het restrisico. BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 51
6 april 2021
De nieuwe woningen worden niet op het aardgasnet aangesloten. Daarentegen wordt een waterstofnetwerk aangelegd, waarop de nieuwe woningen zullen worden aangesloten. De activiteiten met betrekking tot levering, opslag en het reduceren van de gasdruk van waterstof, waarmee het waterstofnet wordt gevoed, worden gesitueerd op het bedrijfsterrein van de NAM. Hiervoor zal de omgevingsvergunning van de NAM-locatie moeten worden gewijzigd en zal daarbij een QRA moeten worden opgesteld. In de algemene regels van dit bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het college om het waterstofnetwerk mogelijk te maken. Als voorwaarde is daarbij onder andere opgenomen dat aangetoond moet worden dat voldaan wordt aan de voorwaarden vanuit het Bevi.
5.10
Verkeer en parkeren
De nieuw te bouwen wijk wordt verdeeld in zogenaamde erven die afzonderlijk van elkaar functioneren. Ieder erf-met-naam heeft een aparte ingang voor het autoverkeer, uitmondend op de Zuidwoldigerweg (50 km-weg binnen de bebouwde kom) of op Nijstad zuid (60 km-weg, buiten de kom). De weg Nijstad (zuid) wordt in de huidige situatie ook gebruikt door bezoekers van het recreatieterrein Nijstad. In de toekomstige situatie zal de Nijstad zuid opgeknipt worden waardoor er geen verbinding meer is met het recreatieterrein. De verkeersroute vanaf Hoogeveen naar het recreatieterrein zal verlopen via de weg Nijstad Noord. Fietsers en voetgangers kunnen in de wijk van erf naar erf rijden/lopen. De Zuidwoldigerweg is een drukke gebiedsontsluitingsweg. In verband met de veiligheid voor de fietsers en de voetgangers is het noodzakelijk dat er oversteekvoorzieningen in de Zuidwoldigerweg worden gemaakt. Dat geldt ook voor de doorgaande fietsroute die vanaf De Laan in de wijk Erflanden aan de zuidkant van de nieuwe wijk richting de recreatieplas zal lopen en voor de fietsers en voetgangers die van en naar Nijstad zuid de Zuidwoldigerweg over willen steken. Het aantal parkeerplaatsen in de erven dient te voldoen aan de parkeernorm uit de Parkeernota 2011 (zoals opgenomen in bijlage 1 van de planregels). Die bedraagt 1,8 parkeerplaats per woning en worden gesitueerd op eigen terrein.
5.11
Duurzaamheid
Duurzaamheid Met de ontwikkeling van de nieuwe woonwijk Nijstad-Oost wordt een bijdrage geleverd aan een betere leefkwaliteit in Hoogeveen. Dit wordt gedaan door een kwalitatieve woonomgeving te realiseren, waar mensen graag wonen, werken en elkaar ontmoeten. De ambitie is om niet alleen voor de korte termijn, maar ook voor de langere termijn een bijdrage te leveren aan het verder verduurzamen van de gemeente Hoogeveen. Duurzaamheid, of liever toekomstbestendigheid, gaat over meer dan alleen energie. Het begint bij de basis van een houdbare structuur: een prettige wijk waar mensen zowel nu als in de toekomst graag willen wonen. Vervolgens wordt er naast energiegebruik ook gekeken naar het klimaat, het gebruik van grondstoffen, bewustwording en sociale duurzaamheid. Duurzaam energiegebruik Voor de woonwijk Nijstad-Oost streven wordt gestreefd naar de ontwikkeling van een energieconcept waarbij we zo veel mogelijk gebruik willen maken van lokale energieopwekking. Waterstof speelt binnen dit concept een belangrijke rol, al dan niet in een collectief systeem. Daarnaast moeten de woningen in Nijstad-Oost uiteraard voldoen aan de vigerende Bouwbesluit eisen. Met het intreden van de Wet voortgang energietransitie (Wet VET) op 1 juni 2018 mogen nieuwbouwwoningen niet meer van een gasaansluiting worden voorzien. De woningen van BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 52
6 april 2021
Nijstad-Oost worden aardgasloos uitgevoerd. Duurzame grondstoffen en (her)gebruik van materialen De overexploitatie van natuurlijke grondstoffen hebben enorme gevolgen voor onze aarde. Ontbossing, stijgende milieuvervuiling, gedegradeerde ecosystemen en verlies aan biodiversiteit zijn slechts een aantal voorbeelden. Ongebreideld gebruik van materialen behoort dan ook verleden tijd te zijn. Er wordt zo efficiënt mogelijk gebruik gemaakt van materialen, die ook nog eens geselecteerd zijn op duurzaamheid. Zo heeft al het hout het FSC-keurmerk, wordt gewerkt met gerecycled beton en wordt spaanplaat toegepast dat minder formaldehyde uitstoot. De hoeveelheid afval blijft zowel in de productie als op de bouwplaats gereduceerd. Afvalstoffen worden gescheiden, hergebruikt of gerecycled. Bewustwording, communicatie en duurzaam samenwerken Duurzaamheid begint met het voorkomen van onnodige inspanningen, bijvoorbeeld door zo 'lean' mogelijk te werken en waar mogelijk ketenintegratie toe te passen. Dit streven vraagt om koppeling van informatie en optimale communicatie. Sociale duurzaamheid (dit komt uit een plan van Assen maar toepasbaar op Nijstad richting het leven in erven. Niet alleen gebouwen, maar vooral de mensen maken de wijk. Het creëren van sociale binding is dan ook van cruciaal belang om een duurzame ontwikkeling te realiseren.
Er wordt dan ook gekozen om het 'ontmoeten' van toekomstige bewoners een centrale plaats te geven bij de ontwikkeling en realisatie van het plan. Er wordt vanaf start ontwikkeling de nodige tijdelijke en definitieve mogelijkheden en plaatsen geboden om elkaar te (blijven) ontmoeten, zowel fysiek in het plangebied als digitaal via onder meer Social Media. Bij de opzet en uitwerking van de plannen zetten wordt actief ingezet op deelname van toekomstige bewoners en geïnteresseerden van het plangebied en haar omgeving. Deze deelname kan onder meer bestaan uit actief meedenken bij het ophalen en eventueel uitwerken van de (woon-) wensen ten aanzien van woningtypologie, architectuurstijl, de inrichting van de omgeving met bijvoorbeeld speelplekken etc. Op deze manier worden plekken gecreëerd waar mensen zowel nu als in de toekomst graag willen wonen en werken.
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 53
6 april 2021
BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 54
6 april 2021
Hoofdstuk 6 6.1
Planbeschrijving
Juridisch systeem
Als opzet voor de planologische regeling van dit gebied, is gekozen voor een verbeelding met flexibele bestemmings- en bouwregels, waarin het door de gemeente vastgestelde beleid wordt omschreven. Hiermee wordt een materiële rechtszekerheid beoogd; alleen activiteiten die in het karakter van het gebied passen, zijn toegestaan. De in het plangebied voorkomende stedenbouwkundige kwaliteiten worden door de keuze van de bestemming en de daarin gegeven bouwregels zoveel mogelijk gewaarborgd. Het bestemmingplan valt onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), die op 1 juli 2008 in werking is getreden. Dit betekent dat het bestemmingsplan is opgezet volgens de nieuwste wettelijke regelgeving en volgens de nieuwste Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. Deze nieuwe standaard is per 1 juli 2013 verplicht volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het plan is technisch als een digitaal raadpleegbare versie uitgevoerd en voldoet aan de eisen van DURP (Digitale Uitwisseling in Ruimtelijke Processen). Deze digitale versie is bedoeld om de burger 'online' informatie te verschaffen omtrent het bestemmingsplan. Bovendien is de digitale versie bedoeld voor uitwisseling van gegevens binnen de gemeente en met andere overheidsinstanties. De digitale versie is voor (ontwerp)plannen die na 1 januari 2010 ter inzage worden gelegd verplicht op grond van de nieuwe Wro.
Er zal een analoge (papieren) versie van het bestemmingsplan naast het digitale plan blijven bestaan.
6.2
Regels
De regels zijn vervat in artikelen die onderverdeeld zijn in vier delen. In de "Inleidende regels" zijn algemene artikelen opgenomen die voor het gehele plan van belang zijn. In artikel 1 zijn omschrijvingen opgenomen van de in het plan voorkomende relevante begrippen. In artikel 2 is vastgelegd op welke wijze dient te worden gemeten. Door deze vaste omschrijving van de begrippen en van de wijze van meten wordt eenduidigheid in de bedoelingen van het plan gegeven en wordt de rechtszekerheid vergroot. In de "Bestemmingsregels" zijn de bestemmingen en de gebruiks- en/of bebouwingsmogelijkheden van de betreffende gronden aangegeven. De bestemmingen zijn op alfabetische volgorde benoemd. Deze bestemmingsregels worden in paragraaf 6.3 nader uitgewerkt. In de "Algemene regels" staan artikelen benoemd die voor alle of meerdere bestemmingen gelden. Het betreffen onder andere de voor alle bestemmingen geldende afwijkingsregels. De algemene afwijkingsregels zorgen voor enige verruiming ten behoeve van de flexibiliteit van het plan. Deze afwijkingen zijn niet specifiek op één bestemming gericht. Zij kunnen gebruikt worden ten aanzien van alle bestemmingen. In de "Overgangs- en slotregels" staan artikelen benoemd, die voor alle voorgaande regels gelden. Het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik is hierin geregeld alsmede de slotregel.
6.3
Verklaring van de bestemmingen
Artikel 3 Bedrijf - Nutsvoorziening Deze bestemming is van toepassing voor de in het zuidwesten van het plangebied aanwezige gasbehandelings- en compressorinstallatie van de NAM. De bestaande mogelijkheden vanuit het geldende plan zijn overgenomen. Voor gebouwen ten behoeve van de gaslocatie geldt dan ook een maximaal bebouwd oppervlak van 5%. De bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken mag niet BG Noord Hoogeveen, deelplan Nijstad Oost, 2018 ontwerp
NL.IMRO.0118.2018BP9006008-ON01 55
6 april 2021
meer dan 5 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte. Tevens dient te worden gebouwd op minimaal 2,5 m uit de perceelsgrens. Artikel 4 Groen Voor de groenstructuren in het plangebied is de bestemming 'Groen' van toepassing. De bestemming biedt ook mogelijkheden voor water(opvang), voet- en fietspaden en speelvoorzieningen. Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' zijn tevens in- en uitritten ten behoeve van de aangrenzende woonbestemming toegestaan. Artikel 5 Tuin - Collectief Deze bestemming is van toepassing voor de collectieve tuinen behorende bij de woonbestemming. De gronden kunnen in gebruik worden genomen als bijvoorbeeld een (pluk)tuin, maar tevens als natuurlijke zwemvijver. Ook biedt de bestemming mogelijkheden voor agrarisch hobbymatig gebruik, toegangswegen voor de aangrenzende woonbestemming en mogelijkheden voor waterberging. Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om gebouwen te realiseren of parkeervoorzieningen te realiseren. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan tot een bouwhoogte van 3 meter. Artikel 6 Verkeer Onder deze bestemming vallen alle wegen binnen het plangebied. Ook ondergeschikte groenvoorzieningen zijn hierin opgenomen. Artikel 7 Water De bestaande watergangen met de bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken, zoals bruggen en duikers vallen onder deze bestemming.
Ter plaatse van de aanduiding 'ontsluiting' zijn tevens in- en uitritten ten behoeve van de aangrenzende woonbestemming toegestaan. Gebouwen zijn verder niet toegestaan. Artikel 8 Wonen Binnen deze bestemming vallen de (te realiseren) woningen. Voor het gehele erf-ensemble is de bestemming dan ook van toepassing. De bestemming maakt het mogelijk om maximaal 100 woningen te realiseren, waarbij de maximale bouwmogelijkheden zijn opgenomen in de bestemmingsregels. Middels een voorwaardelijke verplichting dient aangetoond te worden dat de erfinrichting (per erf-ensemble voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen is in het stedenbouwkundigplan (bijlage 2 van de planregels). Voor de beeldkwaliteit van de woningen dient voldaan te worden aan de (welstands)eisen zoals die zijn opgenomen in het beeldkwaliteitsplan (bijlage 1 van de toelichting). Het beeldkwaliteitsplan zal, wanneer het bestemmingsplan is vastgesteld, onderdeel uitmaken van de nota Ruimtelijke kwaliteit. In het stedenbouwkundig plan wordt aangegeven wat het minimale en maximale aantal woningen mag bedragen per erf-met-naam. Ook wordt hierin geregeld waar het hoofdgebouw is toegestaan en zijn aanvullende regels opgenomen ten behoeve van de inrichting. Het is niet toegestaan om individuele bijgebouwen bij de woning te realiseren.