Bestemmingsplan Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN
Nieuwlande
deelplan Johannes Poststraat 24
vastgesteld
8 december 2022
Bestemmingsplan Nieuwlande, Deelplan Johannes Poststraat 24 Gemeente Hoogeveen Status: Vastgesteld Datum: 8 December 2022 IMRO-Idn: NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01, Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 _____________________________________________________________________________________ Status voorontwerp ontwerp vastgesteld onherroepelijk
datum besluit B&W / Raad 8 juli 2022 20 september 2022 8 dec 2022
publicatiedatum
inzagetermijn
28 sept 2022
29 sept t/m 10 nov 2022
_____________________________________________________________________________________ Vaststellingsbesluit
...........................................................................
Raad van State (onherroepelijk)
...........................................................................
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
Aanleiding Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 2
Beschrijving van het plan
11
Huidige situatie Beoogde situatie
11 12
Beleid
13
Europees beleid Rijksbeleid en regelgeving Provinciaalbeleid Regionaalbeleid Gemeentelijk beleid
13 13 14 15 15
Milieu- en omgevingsaspecten
17
Algemeen Bodem Water Erfgoed Flora en fauna Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Verkeer en parkeren Kabels en leidingen MER-toets
17 17 17 19 21 22 24 24 28 29 30 31
Juridische plantoelichting
33
Juridische aspecten Handhaving
33 35
Uitvoerbaarheid
37
Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijkeuitvoerbaarheid
37 37
2.1 2.2
Hoofdstuk 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Hoofdstuk 5 5.1 5.2
Hoofdstuk 6 6.1 6.2
Bijlagen bij toelichting
39
Bijlage 1
40
Digitale watertoets
Regels
45
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
46 46 49 NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01
2
8 december 2022
Hoofdstuk 2
Bestemmingregels
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6
Hoofdstuk 3
Maatschappelijk Tuin Wonen Waarde - archeologie 3
Algemene regels
Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Hoofdstuk 4
Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels Overige regels
Overgangs- en slotregels
Artikel 12 Artikel 13
Overgangsrecht Slotregel
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
50 50 52 53 55
57 57 58 59 60 61
62 62 63
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 3
8 december 2022
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 4
8 december 2022
Toelichting
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 5
8 december 2022
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 6
8 december 2022
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De Gereformeerde Kerk Hollandscheveld Nieuwlande-Geesbrug is voornemens de woning Joh. Poststraat 24 te Nieuwlande behorend bij de kerk te verkopen. Omdat de woning in het bestemmingsplan 'Nieuwlande 2009' is bestemd als 'Maatschappelijk' en nader is aangeduid als 'specifieke vorm van maatschappelijk - dienstwoning' is bewoning van de woning door derden die niet zijn verbonden aan de kerk niet toegestaan. Om bewoning door derden wel mogelijk te maken is het noodzakelijk de bestemming van de woning te wijzigen naar 'Wonen'. De gemeente Hoogeveen heeft reeds per brief medegedeeld in principe medewerking te verlenen aan het herstemmen van de dienstwoning. Omdat het bestemmingsplan hiervoor geen mogelijkheden bevat is het noodzakelijk het bestemmingsplan partieel te herzien. Voorliggend plan voorziet hier in.
1.2
Ligging en begrenzing van het plangebied
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Nieuwlande. Het plangebied staat kadastraal bekend als (kadastrale) gemeente Hoogeveen, sectie L, percelen 3965, 4885 en 4886 . In figuur 1.1 is middels een rood kader het plangebied aangeduid.
Figuur 1.1 ligging plangebied
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het vigerende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied betreft het gemeentelijk bestemmingsplan 'Nieuwlande 2009', vastgesteld op 25 juli 2012. Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 7
8 december 2022
Op basis van dit bestemmingsplan zijn de gronden in het plangebied bestemd als 'Maatschappelijk' met functieaanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - dienstwoning'. Eveneens geldt de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - bouwklasse 2' voor deze locatie. Voor deze gebieden geldt een maximum aantal bouwlagen van 3, een goothoogte van maximaal 6 meter, een bouwhoogte van maximaal 10 meter en een dakhelling van minimaal 30°.
Figuur 1.2 Uitsnede bestemmingsplan 'Nieuwlande 2009'
Het bouwplan voldoet op de volgende punten niet aan de regels uit het vigerend bestemmingsplan: 1.
in de bestemmingsomschrijving van de bestemming 'Maatschappelijk' i s ter plaatse van de aanduiding 'dienstwoning' een bedrijfswoning toegestaan. Indien de woning wordt verkocht aan derden die niet zijn verbonden aan de kerk i s sprake van strijd met de bestemming.
Naast het bestemmingsplan 'Nieuwlande 2009' geldt eveneens het plan 'Kernen Hoogeveen, parapluherziening aan- en bijgebouwenregeling' vastgesteld op 15 mei 2014. Dit plan biedt een herziening van de regels ten aanzien van aan- en bijgebouwen. De voorgenomen ontwikkeling past binnen dit plan. Om de realisatie van de voorgenomen ontwikkeling juridisch-planologisch te regelen wordt het middels het voorliggende plan mogelijk gemaakt het het perceel te herbestemmen naar 'Wonen' en 'Tuin'.
1.4
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan "Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24" bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding; regels.
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 8
8 december 2022
zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.
1.5
Leeswijzer
De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de economische uitvoerbaarheid van het plan. In het laatste hoofdstuk van dit plan wordt ingegaan op het (voor)overleg, de inspraak en de procedure.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 9
8 december 2022
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 10
8 december 2022
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van het plan
Huidige situatie
Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Nieuwlande aan de Joh. Poststraat 24. Het plangebied betreft een dienstwoning van 3 bouwlagen behorend bij de naastgelegen kerk, met de daarbij behorende voor- en achtertuin. Het plangebied wordt omringd door woningen gelegen langs de Joh. Poststraat, het kerkgebouw en achterliggende akker- en graslanden. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Hersteld Hervormde Gemeente kerk gelegen aan de Joh. Poststraat 26. Aan de noordzijde van het plangebied bevinden zich woningen gelegen aan de Joh. Poststraat 22 en 20. Verder ligt er op circa 250 meter ten zuiden van het plangebied een agrarisch bedrijf gelegen aan de Joh. Poststraat 38. Op een afstand van circa 1.170 meter ten noorden van het plangebied is de rijksweg A37 gelegen.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 11
8 december 2022
Figuur 2.1 Aanzicht bestaande situatie
Figuur 2.2 Luchtfoto bestaande situatie
2.2
Beoogde situatie
In de beoogde situatie vinden er geen fysieke aanpassingen plaats, maar wordt de bestemming veranderd van 'maatschappelijk' naar 'Wonen' en 'Tuin' waardoor de bedrijfswoning wordt omgevormd tot reguliere woning.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 12
8 december 2022
Hoofdstuk 3 3.1
Beleid
Europees beleid
In 1992 werd het Europese Verdrag van Valletta (Malta) ondertekend door een groot aantal EU-landen, waaronder Nederland, met als doel om het (Europese) archeologische erfgoed veilig te stellen. De ondertekenaars hebben zich verplicht, archeologische belangen tijdig te betrekken bij de ruimtelijke planvorming voor woningbouw, landinrichting, wegenaanleg en dergelijke. Het beleid is gericht op het behoud van de archeologische waarden in de bodem en de planologische bescherming van waardevolle archeologische vindplaatsen. De uitgangspunten van het verdrag zijn op nationaal niveau uitgewerkt in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz, 2007). Voor archeologische waarden geldt per 1 september 2007 op basis van de gewijzigde Monumentenwet 1988 de wettelijke verplichting om bij vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten monumenten. De gronden vallende binnen voorliggend plangebied zijn op basis van dit verdrag getoetst. Een nadere beschrijving van het thema erfgoed staat in Hoofdstuk 4. Bij het opstellen van bestemmingsplannen wordt aandacht gevraagd voor het veiligstellen van beschermde flora en fauna. De uitvoeringsinstrumenten voor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in Nederland zijn de Natuurbeschermingswet 1998 (of kortweg Nb-wet 1998) en Flora- en faunawet (Ff-wet).
Sinds 1 januari 2017 vervangt de nieuwe Wet natuurbescherming deze wetten alsmede de Boswet. De gronden vallende binnen dit plan zijn aan deze wet getoetst. Uitwerking hiervan is te vinden in Hoofdstuk 4.
3.2
Rijksbeleid en regelgeving
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie. Duurzaam economisch groeipotentieel. Sterke en gezonde steden en regio's. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden i s scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 13
8 december 2022
combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans i s tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. Afwentelen wordt voorkomen: het i s van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is geen sprake van een lokale ontwikkeling waarmee Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.
3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit plan.
3.3
Provinciaal beleid
Algemeen In de Omgevingsvisie 'Omgevingsvisie Drenthe 2018' (september 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Drenthe de Omgevingsverordening Drenthe vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Omgevingsvisie Drenthe 2018 Deze omgevingsvisie is het strategisch kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijk domein. De provincie heeft een aantal ambities en belangen opgesteld. De provincie ziet 5 belangrijke ontwikkelingen in de toekomst: de demografische ontwikkeling; de klimaatverandering; de afname van de biodiversiteit; de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie; de transitie naar een duurzame energievoorziening;
Provinciale omgevingsverordening Drenthe De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 14
8 december 2022
provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planspecifiek Het plangebied ligt binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Hoogeveen en valt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Groene Ontwikkelingszone (GO) of Natura 2000-gebieden. Volgens artikel 5.3 van de omgevingsvisie wil de provincie anticiperen op een veranderende bevolkingssamenstelling en de effecten hiervan op de leefomgeving en de woningmarkt. Om de voorzieningen van dorpen in stand te houden doelt de provincie op het concentreren van nieuwe woningbouw in dorpen. Gezien dit plan een nieuwe particuliere woning realiseert en hiermee de woningvoorraad in Nieuwlande vergroot, is dit in lijn met de omgevingsvisie. Verdere doelen voor wonen zijn in de gemeentelijke woonvisie van Hoogeveen benoemd.
3.4
Regionaal beleid
Het plangebied is gelegen binnen het gebied van waterschap Vechtstromen. Het waterschap laat in het waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten in de samenwerking met partners gelegd worden. Bij ruimtelijke plannen adviseert het waterschap om te komen tot een duurzame ruimtelijke inrichting. Ruimtelijke aanpassingen kunnen bijdragen aan het voorkomen van een overstroming of wateroverlast en het beperken van eventuele gevolgen. Daarnaast gaat het ook om de bijdrage die inwoners, gemeenten, provincies en belangenorganisaties zelf kunnen leveren aan waterveiligheid. De betrokkenheid vanuit de samenleving bij de gewenste veiligheid is een belangrijk aandachtspunt in de planperiode. Doelstellingen voor ruimtelijke plannen: Het beperken van de gevolgen van wateroverlast en overstromingen (overlast, schade en slachtoffers). Het vergroten van het bewustzijn van de (resterende) eigen verantwoordelijkheid van de inwoners, overheden en bedrijven.
Het plan betreft een geringe ruimtelijke ingreep welke geen invloed van betekenis heeft op de eisen vanuit het waterplan. Dit plan voldoet aan de doelstellingen en criteria van het voornoemde Waterschapsbeleid. Op grond van voorgaande vormt dit plan geen beletsel voor de uitvoering vanuit het Waterschapsbeleid. Er is in het kader van de planvorming uitvoering gegeven aan de watertoets. De resultaten worden weergegeven in Hoofdstuk 4.
3.5
Gemeentelijk beleid
2017 Structuurvisie Hoogeveen In de gemeentelijke structuurvisie '2017 Structuurvisie Hoogeveen', vastgesteld op 8 maart 2018, wordt de huidige structuurvisie van de gemeente Hoogeveen weergegeven. Hierin worden de trends en ontwikkelingen, de huidige situatie en de visie voor de toekomst van de gemeente Hoogeveen in uitgelegd. Hoogeveen wil een goede woongemeente zijn waar iedereen een thuis vindt. Ze leggen de focus op het wonen in de kern Hoogeveen en realiseren wervende en aansprekende stedelijke woonmilieus, passend bij de vraag en met behoud van groene en open ruimtes. In de dorpen zoals Nieuwlande ligt het accent op het uitvoeren van de huidige bouwplannen en wordt er ruimte geboden voor specifieke woonwensen. De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de structuurvisie van Hoogeveen. Woonvisie Hoogeveen 2017-2020
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 15
8 december 2022
De gemeente Hoogeveen heeft in 2017 de Woonvisie Hoogeveen 2017-2020 vastgesteld. In deze woonvisie zet de gemeente koers uit op het gebied van wonen tot 2020 en bevat concrete ambities en acties voor de korte termijn. De woonvisie is in 5 hoofdambities opgedeeld: a. b. c. d. e.
behoud van kwaliteit en gewildheid toevoegen wat gevraagd wordt voor iedereen betaalbaar ouderdom of zorg, ook dan goed wonen ambitie en uitvoering
De combinatie van nabijheid en voorzieningen van de kern Hoogeveen vergroot de gewildheid van de dorpen als woonlocatie. Hierbij is het belangrijk om de huidige bouwplannen tot uitvoering te laten komen. Gemeenten in het hele land werken met de ladder voor duurzame verstedelijking. Dat houdt in dat bij woningbehoefte eerst gekeken wordt of die binnen de bestaande bebouwde kom kan worden ingevuld. De herbestemming van het plangebied vindt plaats in het bestaand stedelijk gebied en voorziet in een toename van de woningmarkt in Nieuwlande waarbij geen nieuwbouw genodigd is. Het voorliggend plan is in lijn met de woonvisie.
3.5.1
Conclusie
Uit het gemeentelijk beleid blijkt dat het planvoornemen past binnen de gemeentelijke structuuren woonvisie gezien er sprake is van de herontwikkeling van een bestaand stedelijke locatie. Het planvoornemen voldoet daarmee aan het ruimtelijke beleid van de gemeente Hoogeveen.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 16
8 december 2022
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Algemeen
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.
4.2
Bodem
4.2.1
Algemeen
Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.
4.2.2
Onderzoek
Het gebouw heeft in de huidige situatie al een verblijfsfunctie in de vorm van wonen. In de beoogde functie wijzigt de woonfunctie niet. Daarnaast hoort de woning bij de naastgelegen kerk. Op het terrein hebben geen bodemverontreinigende activiteiten plaatsgevonden, waardoor verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk is.
4.2.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
4.3
Water
4.3.1
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening moeten ruimtelijke plannen zijn voorzien van een waterparagraaf. Hiervoor moet het proces van de watertoets worden doorlopen. Bij het watertoetsproces gaat het om het hele proces van vroegtijdig meedenken, informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten.
Beleidskader Nationaal Waterplan 2016-2021 In 2015 is het Nationaal Waterplan vastgesteld. Het plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 17
8 december 2022
vormen van gebruik van water. Belangrijke punten uit het nationaal waterplan zijn: Eerst vasthouden, dan bergen en dan pas afvoeren; Hemelwater zo veel mogelijk afkoppelen, mits schoon (anders eerst zuiveren); Uitbreiding van verhard oppervlak zo veel mogelijk compenseren met hectares oppervlaktewater.
Nationaal Bestuursakkoord Water Met het NBW-Actueel (2008) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Een actualisatie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) uit 2003 komt voort uit de invoering van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de noodzaak tot het aanscherpen van een aantal begrippen en het beschikbaar komen van nieuwe klimaatscenario's. Ook is een nieuwe fase aangebroken in het samenwerkingsproces, waarbij het zwaartepunt verschuift van planvorming naar uitvoering. Het NBW is een uitwerking van de uitvoering van waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; verbetering van de waterkwaliteit. Kaderrichtlijn Water (KRW) Door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft Nederland een resultaatsverplichting voor het bereiken van de gewenste waterkwaliteit en ecologie van grond- en oppervlaktewatersystemen. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRWwaterlichamen, zijn hiertoe doelen opgesteld.
De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. Voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe, dit betekent dat de toestand van de wateren er niet op achteruit mag gaan. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen.
4.3.2
Onderzoek
Ten behoeve van het voorliggende plan voorliggende plan is een digitale watertoets uitgevoerd, daaruit is onderstaande uitgekomen. Voor de gehele digitale watertoets wordt verwezen naar Bijlage 1. Digitale watertoets Uit de digitale watertoets is gebleken dat de voorgenomen ontwikkeling geen waterschapsbelangen raakt. Het plan betreft alleen een functieverandering van bestaande bebouwing en heeft geen invloed op de waterhuishouding. Met de voorgenomen ontwikkeling zijn geen waterbelangen gemoeid. De ontwikkeling heeft geen nieuwe lozing op oppervlaktewater tot gevolg. In het gebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Het waterschap Vechtstromen heeft dan ook geen bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling. Deze conclusie is getrokken naar aanleiding van een digitale watertoets. Het proces van de watertoets is goed doorlopen.
Hemelwater In de huidige situatie wordt het hemelwater geïnfiltreerd in de bodem. Gezien er in de beoogde situatie geen sprake is van fysieke aanpassingen, neemt het verhardingsoppervlak niet toe en neemt het waterverwerkende vermogen van het plangebied niet af. Afvalwater Het vervuilde water wordt opgevangen in de riolering en zo afgevoerd .In de beoogde situatie zijn er geen fysieke aanpassingen, dus heeft dit geen negatief effect op het opvangen van het vervuilde Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 18
8 december 2022
water. Gezien er in de huidige situatie geen probleem is met de opvang van het vervuilde water, zou het in de beoogde situatie ook geen probleem vormen.
4.3.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
4.4
Erfgoed
4.4.1
Archeologie
Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet.
Onderzoek Het plangebied heeft, volgens de vigerende bestemmingsplan, geen (verhoogde) verwachtingswaarde betreffende de aanwezigheid van archeologisch materiaal. Conform het vigerende bestemmingsplan 'Nieuwlande 2009' en de 'beleidskaart archeologie'(vastgesteld 24 november 2016) geldt voor graafwerkzaamheden met een oppervlak groter dan 500 m² en die over dit gehele oppervlak dieper in de bodem reiken dan 30 cm geen onderzoeksplicht. Voorliggend plan betreft een herbestemming waarbij gronden niet worden geroerd. Archeologisch onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het aspect archeologie geen belemmering oplevert voor de realisatie van het onderhavige plan. Ook voor het plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet, dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
4.4.2
Cultuurhistorie
Algemeen Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 19
8 december 2022
leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze in 2019 in werking treedt. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn archeologische monumenten kaarten en gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten opgesteld.
De Archeologische Monumenten Kaart (AMK) bevat een overzicht van belangrijke archeologische terreinen in Nederland. In het plangebied zijn geen archeologische monumenten aanwezig waarmee rekening gehouden dient te worden. Onderzoek
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 20
8 december 2022
Het plangebied heeft een lage archeologische en cultuurhistorische verwachtingswaarde op basis van de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Tevens zijn er op basis IKAW geen (rijk)monumenten gelegen binnen het plangebied en/of in de directe omgeving. Daarnaast geldt voor het plangebied geen cultuurhistorische waarden op basis van het vigerend bestemmingsplan. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. In de (directe) omgeving van het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.5
Flora en fauna
4.5.1
Algemeen
Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.
In een habitattoets worden de projecten, plannen of activiteiten getoetst op hun invloed op de instandhoudingsdoelstellingen en of (onder bepaalde voorwaarden) toestemming voor de uitvoering kan worden verleend. Soortbescherming De Wet natuurbescherming kent naast het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden drie beschermingscategorieën onder het hoofdstuk 'soortbescherming': 1. 2. 3.
Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels op grond van de Vogelrichtlijn (art 3.1). Soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn (art. 3.5). Nationaal beschermde 'andere soorten' (art.3.10) a l s vermeld in Bijlage A van de Wet Natuurbescherming alsmede a l l e de vaatplanten van de soorten genoemd in bijlage B van de Wet Natuurbescherming.
De Soortbescherming is alleen (met uitzondering van de zorgplicht) van toepassing op soorten genoemd onder deze drie beschermingscategorieën. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 21
8 december 2022
Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Het NNN is ruimtelijk in de Provinciale Structuurvisie vastgelegd. Het vormt een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen deze gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot het NNN. De planologische verankering van het NNN vindt plaats in (gemeentelijke) bestemmingsplannen. Wanneer bij ruimtelijke ontwikkelingen een bestemmingsplan wijziging moet worden doorgevoerd dient altijd een 'Nee, tenzij'- toets te worden uitgevoerd. Hierin wordt beoordeeld of er als gevolg van de voorgenomen maatregelen significante effecten op de wezenlijke waarden en kenmerken van het netwerk optreden.
4.5.2
Onderzoek
De voorgenomen ontwikkeling heeft geen fysieke wijzigingen tot gevolg waardoor eventueel aanwezige flora en fauna als gevolg van onderhavig plan niet worden aangetast. Een quickscan flora en fauna is daarom niet noodzakelijk. Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is niet relevant voor onderhavig plan. Er vinden geen activiteiten plaats die invloed uitoefenen op de stikstofemissie afkomstig van het plan. Een berekening is niet noodzakelijk.
4.5.3
Conclusie
Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.6
Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai
4.6.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.
In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.
In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 22
8 december 2022
de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter.
De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een a l s woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur.
Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden.
Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd.
4.6.2
Onderzoek
Geluidbijdrage afkomstig van spoorwegen en industrie Het plangebied is niet gelegen nabij geluidsbronnen zoals spoorwegen en industrie. Wel is de woning gelegen naast de kerk. Dit aspect is nader gemotiveerd in paragraaf 'bedrijven en milieuzonering'. Geluidbijdrage afkomstig van het verkeer Het plangebied is gelegen aan een gezoneerde weg zoals bedoeld in de wet geluidhinder. Indien nieuwe geluidgevoelige objecten worden gerealiseerd is het noodzakelijk om een onderzoek uit te voeren naar gevelbelastingen. Omdat in onderhavig plan sprake is van een bestaand geluidgevoelig object is een onderzoek niet noodzakelijk.
4.6.3
Conclusie
Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect akoestiek geen belemmering vormt voor de realisatie van het plan.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 23
8 december 2022
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Algemeen
De 'Wet milieubeheer' is één van de maatregelen die de overheid heeft getroffen om: negatieve effecten op de volksgezondheid a l s gevolg van te hoge niveaus van luchtverontreiniging aan te pakken; mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling te creëren ondanks de overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit.
De paragraaf luchtkwaliteit in de 'Wet milieubeheer' voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit' geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkeling als: er geen sprake i s van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, a l dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt, wat wil zeggen dat een project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging (meer dan 3% ten opzichte van de grenswaarde); een project i s opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het NSL, dat op 1 augustus 2009 in werking i s getreden, nadat de EU op 7 april 2009 derogatie heeft verleend.
NIBM-grens woningbouwlocatie, 3% criterium: < 1.500 woningen (netto) bij minimaal een ontsluitingsweg, met een gelijkmatige verkeersverdeling; < 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling.
4.7.2
Onderzoek
Het voorliggende plan voorziet in de herbestemming van een bedrijfswoning naar een particuliere woning, waarbij het aantal verkeersbewegingen gelijk blijft waardoor onderhavig plan 'Niet In Betekenende Mate Bedraagt' aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.
4.7.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) in de directe omgeving van zogenoemde milieuhinder gevoelige bestemmingen (zoals wonen) kunnen hinder vanwege geur, stof, geluid, gevaar en dergelijke veroorzaken. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zoals dat uitgangspunt is van de Wro, dient te worden aangetoond dat ter plaatse van milieuhinder gevoelige bestemmingen sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat'. VNG-publicatie 'Bedrijven & milieuzonering" Om niet alle ontwikkelingen bij voorbaat te onderwerpen aan een onnodig langdurig en kostbaar onderzoek is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uitgebracht. Deze uitgave maakt gebruik van het principe 'functiescheiding'. Door voldoende afstand aan te houden tussen nader bepaalde milieubelastende activiteiten en milieugevoelige bestemmingen kan eenvoudigweg in veel gevallen worden aangetoond dat sprake Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 24
8 december 2022
is een 'goed woon- en leefklimaat'. De VNG-publicatie betreft zgn. pseudowetgeving (geen wetgeving maar een algemeen door de rechter aanvaarde methode). De VNG-publicatie maakt gebruik van een basiszoneringslijst waarin voor nader gedefinieerde bedrijfscategorieën richtafstanden zijn bepaald. Een richtafstand wordt beschouwd als de minimaal aan te houden afstand tussen een milieubelastende activiteit en de milieuhinder gevoelige bestemming waarbij onaanvaardbare milieuhinder als gevolg van milieubelastende (bedrijfs)activiteiten betreffende geluid, geur, stof en gevaar redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De genoemde maten zijn indicatief; met een goede motivering kan hiervan worden afgeweken. Naast de gegeven richtafstanden hanteert de VNG-publicatie twee omgevingstypen, namelijk: een rustige woonwijk/buitengebied en een gemengd gebied. In een rustige woonwijk of buitengebied (omgevingstype 1) wordt functiescheiding nagestreefd. Tussen milieuhinder gevoelige functies en bedrijven dient de minimaal aan te houden 'richtafstand' in acht te worden genomen. In geval van een gemengd gebied (omgevingstype 2), waar sprake is van functiemenging, kan een verkleinde richtafstand worden gehanteerd. In tegenstelling tot rustige woongebieden worden in dergelijke levendige gebieden milieubelastende activiteiten op kortere afstand van milieuhinder gevoelige functies acceptabel geacht.
De richtafstand mag in deze gebieden met één afstandsstap worden verkleind (10 meter behorende bij milieucategorie 1 wordt 0 meter, 30 meter van milieucategorie 2 wordt 10 meter van milieucategorie 1, etc.). Relatie tussen milieucategorie, richtafstanden en omgevingstype Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk en buitengebied 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
De gegeven richtafstanden zijn in het algemeen richtafstanden en geen harde afstandseisen. Ze moeten daarom gemotiveerd worden toegepast. Dit betekent dat geringe afwijkingen in de lokale situatie mogelijk zijn
4.8.1
Onderzoek
Type gebied: Rustige woonwijk en buitengebied Kijkend naar deze definitie omschrijving uit de VNG brochure kan de omgeving van het plangebied getypeerd worden als een 'rustige woonwijk en buitengebied'. Langs de Joh. Poststraat, nabij het deelgebied, bevinden zich relatief weinig verschillende functies naast elkaar. Aan het plangebied grenzen voornamelijk woningen en agrarische percelen. De omgeving wordt derhalve beschouwd als 'rustige woonwijk en buitengebied'. Milieubelastende activiteit of milieuhindergevoelige functie De te realiseren herbestemming van bedrijfswoning naar particuliere woning betreft geen milieubelastende activiteiten. Er hoeft derhalve niet te worden getoetst of omliggende milieugevoelige functies last ondervinden van de woning als milieubelastende activiteit. Er dient wel te worden beoordeeld of ter plaatse van het plangebied sprake is van een 'goed woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd Nabijgelegen milieubelastende activiteiten Om te kunnen beoordelen of in het plangebied ter plaatse van de woning sprake is van een 'goed Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 25
8 december 2022
woon- en leefklimaat' en of omliggende milieubelastende functies in de bedrijfsvoering worden belemmerd zijn hieronder alle nabijgelegen milieubelastende activiteiten weergegeven. Op basis van deze tabel kan geconcludeerd worden of de voorgenomen ontwikkeling belemmering ondervindt of oplevert van/voor omliggende milieubelastende activiteiten. Adres Joh. Poststraat 2 6 Joh. Poststraat 3 8 Joh. Poststraat 3 7 Joh. Poststraat 5 1
Omschrijving cf. Richtafstand (m) systematiek VNG Kerkgebouw 30 Fokken en houden van 5 0 rundvee Akkerbouw 10 Handel en reparatie 10 van auto's
Werk. Afstand (m) 0 250
Milieubepalend aspect Geluid Geur
220 470
Geluid Geluid
Joh. Poststraat 38 Op het perceel gelegen aan de Joh. Poststraat 38 bevindt zich een veehouderij en tevens een Bed & Breakfast. Deze veehouderij valt onder de omschrijving agrarisch - fokken en houden van rundvee conform de VNG-publicatie, met een bijbehorende richtafstand van 50 meter voor geur in een gemengd gebied. De richtafstand van de veehouderij wordt niet overschreden. Daarnaast geldt op grond van de Wet geurhinder en veehouderij een afstand van minimaal 100 meter tussen dierenverblijven en geurgevoelige objecten in de bebouwde kom. Ook deze afstand wordt niet overschreden. Joh. Poststraat 26 De voorgenomen ontwikkeling betreft de herbestemming van een bedrijfswoning. Het 'bedrijf' waar de woning bij hoorde betreft de naastgelegen kerk, de feitelijke afstand tussen de woonbestemming en de maatschappelijke bestemming bedraagt 0 meter. Aan de hand van het activiteiten besluit dient beoordeeld te worden of de voorgenomen ontwikkeling hinder ondervindt van de kerk. Artikel 2.18.1.C van het activiteitenbesluit stelt dat bij het bepalen van de geluidsniveaus, voor onder anderen het langtijdgemiddelde, het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbschouwelijke bijeenkomsten en plechtigheden buiten beschouwing gelaten kan worden.
Het gebruik van de kerk zal hierdoor niet worden beperkt, zolang het met de onderdelen te maken heeft genoemd in 2.18 lid 1 onder c. Indien er vergaderingen of andere activiteiten in de avondperiode plaatsvinden kan de situatie zich voordoen dat de maximale geluidsniveaus getoetst moeten worden. Hiervoor is een model opgesteld, waarin het langsrijden van de voertuigen als ook het dichtslaan van portieren is opgenomen. Het dichtslaan van de portieren (98 dB(A)), op basis van metingen kan voldoen aan de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Het langsrijden kan niet aan 65 dB(A) voldoen op de gevel, maar voldoet zeer waarschijnlijk wel aan 65 dB(A) op 7,5 meter. Handelend in de geest van art. 2.18 lid 4, onder b, het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 meter van het motorvoertuig niet hoger is van 65dB(A) is er daarom ook een rekenpunt op 7,5 meter van de rij-lijn van de personenwagens gepositioneerd en is de waarde daar berekend.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 26
8 december 2022
Figuur 4.1: Rekenmodel geluid Het maximale geluidsniveau ten gevolge van de autoportieren voldoet aan de grenswaarde voor de avondperiode en ook wordt er voldaan aan de 65 dB(A) op 7,5 meter van het langsrijden van de auto’s. Ter plaatse van de zijgevel ontstaat er een geluidniveau van 69 dB(A) in de avondperiode. Dit is hoger dan regulier toegestaan, echter vinden deze niveaus in de huidige situatie ook al plaats. Bovendien zal dit om beperkte aantallen in de avondperiode gaan, waardoor er geen ontoelaatbare hinder ontstaat. Mocht er hinder ontstaan door het langsrijden van de voertuigen kan het plaatsen van een scherm worden overwogen. Echter door de beoordeling op 4,5 meter hoogte in de avondperiode, is het maar zeer de vraag of dit wenselijk zal zijn aangezien deze circa 2,5 meter hoogte zal moeten zijn en langs de gehele zijgevel geplaatst moet worden (ca 20 meter).
Figuur 4.2: Rekenmodel geluid met geluidsscherm
4.8.2
Conclusie
Vanuit het oogpunt van milieuzonering zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 27
8 december 2022
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Algemeen
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.
Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.
Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen.
4.9.2
Onderzoek
Met behulp van de risicokaart is beoordeeld of er risicobronnen in en rond het plangebied aanwezig zijn. In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 28
8 december 2022
Figuur 4.3 uitsnede risicokaart In de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: de buisleiding N-552-50 op een afstand van circa 457m; de rijksweg A37 o peen afstand van circa 1.195 m.
In het plan worden geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd en er gaan als gevolg van de herbestemming niet meer mensen in het plangebied verblijven. Onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Bovendien zijn de afstanden tot de risicobronnen dermate ruim dat ook geen onderzoek noodzakelijk is.
4.9.3
Conclusie
Op basis van bovenstaande valt te concluderen dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Algemeen Om te bepalen of het plan geen negatieve effecten heeft op omliggende wegen en de parkeersituatie, wordt in deze paragraaf de effecten beschreven van het plan op het verkeer en parkeersituatie. Voor parkeren wordt getoetst aan de voor het plangebied geldende parkeernormen.
4.10.2 Onderzoek Verkeer Ervan uitgaande dat de woning in de bestaande situatie ook bewoond wordt, blijft het aantal verkeersbewegingen hetzelfde. Om de verkeersgeneratie te berekenen wordt gebruik gemaakt van kencijfers van de CROW-publicatie 'Toekomstbestendig parkeren (381, december 2018)'. De Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 29
8 december 2022
verkeersgeneratie voor deze woning is 8,2 verkeersbewegingen per dag. Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Parkeren Op basis van het 'Parkeernota Hoogeveen 2021' valt de woning te classificeren als een vrijstaande koopwoning gelegen in rest bebouwde kom. Hiervoor geldt een parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen. Kijkend naar de lengte van de oprit is er genoeg ruimte op het perceel om aan deze parkeernorm te voldoen. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor onderhavig plan.
4.10.3 Conclusie Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan geen nadelige gevolgen heeft voor de verkeersbewegingen.
4.11
Kabels en leidingen
4.11.1 Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen (hoofdtransportleidingen). Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
4.11.2 Onderzoek Aardgastransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen aardgastransportleidingen. Hoogspanningsleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen hoogspanningsleidingen. Rioolleidingen De rioolleidingen leiden voor dit plan leidt dit niet tot enige belemmering. Watertransportleidingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen watertransportleidingen. Straalverbindingen In het plangebied of in de nabijheid hiervan bevinden zich geen straalverbindingen. Kabels en niet planologisch relevante leidingen Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning wordt de wettelijk verlichte KLIC-melding uitgevoerd. Een dergelijke melding zorgt ervoor dat netwerkbeheerders van kabels en leidingen een melding krijgen van geplande werkzaamheden in de ondergrond. Aan de hand van de melding sturen netwerkbeheerders tekeningen naar de aanvrager. De tekeningen kunnen vervolgens gebruikt worden om na te gaan of er kabels en leidingen aanwezig zijn op de plaats waar gegraven gaat worden. Tijdens het bouwrijp maken van het plangebied worden deze bestaande kabels en leidingen verwijderd dan wel omgelegd.
Nieuwlande, deelplan Johannes Poststraat 24 vastgesteld
NL.IMRO.0118.2022BP8021008-VG01 30
8 december 2022
4.11.3 Conclusie In en nabij het plangebied van dit plan zijn geen planologisch relevante leidingen en/of verbindingen aanwezig. Er zijn daarom geen belemmeringen te verwachting. Bij graafwerkzaamheden op het terrein dient wel rekening te worden gehouden met eventueel aanwezige kabels en niet-planologische leidingen.
4.12
MER-toets
4.12.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffect-rapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd i s in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bij-lage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd i s in kolom 4 (besluiten).
In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). In het geval dat een activiteit wel genoemd staat in de D-lijst maar onder de genoemde drempelwaarde blijft, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig.
4.12.2 Onderzoek 4.12.2.1 Drempelwaarden Besluit m.e.r. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: 'de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'. Daarom dient te worden getoetst of er sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: een oppervlakte van 100 hectare of meer; een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m 2 of meer.