Bestemmingsplan
Tekst van het document
BESTEMMINGSPLAN
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39
ontwerp
25 januari 2022
Bestemmingsplan Hollandscheveld, Deelplan Holl. Opgaande 39 Gemeente Hoogeveen Status: Ontwerp Datum: 25 Januari 2022 IMRO-Idn: NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01, Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39
_____________________________________________________________________________________ Status voorontwerp ontwerp vastgesteld onherroepelijk
datum besluit B&W / Raad 5 febr 2021 25 jan 2022
publicatiedatum
inzagetermijn
26 jan 2022
27 jan t/m 9 mrt 2022
_____________________________________________________________________________________
Vaststellingsbesluit
...........................................................................
Raad van State (onherroepelijk)
...........................................................................
Inhoudsopgave Toelichting
5
Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Opgave bestemmingsplan Opbouw toelichting
7 7 7
Hoofdstuk 2
Huidige situatie
9
Plangebied Vigerend recht Ruimtelijke structuur plangebied Functionele structuur plangebied
9 9 10 10
Hoofdstuk 3
Beleidskader
11
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaalbeleid Gemeentelijk beleid
11 12 14
2.1 2.2 2.3 2.4
Hoofdstuk 4 Gewenste ontwikkeling en uitgangspunten 4.1 4.2
Hoofdstuk 5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
Hoofdstuk 6 6.1 6.2 6.3
Hoofdstuk 7 7.1 7.2 7.3
Hoofdstuk 8 8.1 8.2
17
Ruimtelijke structuur Beeldkwaliteit
17 17
Omgevingsaspecten
19
Bodem Archeologie en Cultuurhistorie Water Natuur en Ecologie Geluid Milieuzonering bedrijven Milieueffectrapportage (MER) Luchtkwaliteit Externe veiligheid Verkeer en parkeren
19 20 21 23 24 25 26 27 28 29
Planbeschrijving
31
Juridisch systeem Regels Verklaring van de bestemmingen
31 31 31
Handhaving
33
Algemeen Beleidskeuzen Inzet gemeentelijk apparaat
33 33 33
Uitvoerbaarheid
35
Maatschappelijkeuitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid
35 35
Bijlagen toelichting
37
Bijlage 1
38
Verkennend bodemonderzoek
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 2
25 januari 2022
Bijlage 2
Watertoets
79
Regels
83
Hoofdstuk 1
Inleidende regels
Artikel 1 Artikel 2
Hoofdstuk 2
84 89
Bestemmingsregels
90
Artikel 3 Artikel 4
Hoofdstuk 3
Tuin Wonen
90 92
Algemene regels
95
Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9
Hoofdstuk 4
84
Begrippen Wijze van meten
Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene procedureregels Overige regels
Overgangs- en slotregels
Artikel 10 Artikel 11
Overgangsrecht Slotregel
95 96 97 98 99
100 100 101
Bijlagen regels
103
Bijlage 1
105
Parkeernota Hoogeveen
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 3
25 januari 2022
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 4
25 januari 2022
Toelichting
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 5
25 januari 2022
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 6
25 januari 2022
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Aanleiding voor dit bestemmingsplan is het verzoek om op het perceel Hollandscheveldse opgaande 41 een woning te realiseren. Hierdoor wijzigt de huidige agrarische bestemming naar de bestemming 'wonen' en 'tuin'. Daarnaast zal het perceel Hollandscheveldse opgaande 41 gesplitst worden, waardoor het nieuwe perceel Hollandscheveldse opgaande 39 ontstaat.
1.2
Opgave bestemmingsplan
Voorliggend bestemmingsplan maakt de wijziging van een agrarische bestemming naar een bestemming 'wonen' op het perceel Hollandscheveldse opgaande 41 mogelijk. Daarnaast zal het perceel Hollandscheveldse opgaande 41 gesplitst worden, waardoor het nieuwe perceel Hollandscheveldse opgaande 39 ontstaat.
1.3
Opbouw toelichting
Achtereenvolgens komen na deze inleiding (hoofdstuk 1) de volgende onderwerpen aan bod: hoofdstuk 2 beschrijft de bestaande situatie en benoemt de huidige planologische regels; hoofdstuk 3 bevat het beleidskader met relevant rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid; hoofdstuk 4 geeft de gewenste ontwikkeling en de uitgangspunten van het plan weer; hoofdstuk 5 gaat in op de randvoorwaarden en belemmeringen vanuit omgevings- en milieu aspecten, zoals bodem, geluid, luchtkwaliteit, water, etc.; hoofdstuk 6 gaat in op de planologische regels en de daarbij behorende verbeelding; hoofdstuk 7 gaat in op de handhaafbaarheidvan het bestemmingsplan; hoofdstuk 8 gaat in op de maatschappelijke en financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 7
25 januari 2022
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 8
25 januari 2022
Hoofdstuk 2 2.1
Huidige situatie
Plangebied
Het plangebied betreft het perceel Hoogeveen, sectie D, nummer 5678. Het plangebied is gelegen binnen de bebouwde kom van Hollandscheveld en wordt begrensd door het Hollandscheveldse Opgaande aan de zuidkant en weilanden aan de noordkant. Daarnaast ligt het plangebied tussen de Hollandscheveldse Opgaande 35 en 41.
2.2
Vigerend recht
Het plangebied is gelegen binnen het bestemmingsplan Hollandscheveld, 2011. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Agrarisch'. Binnen deze bestemming is het realiseren van een woning niet toegestaan.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 9
25 januari 2022
2.3
Ruimtelijke structuur plangebied
Het Hollandscheveldse Opgaande heeft van een verkaveling gebaseerd op het slotenpatroon. Hier is om de 140 meter een hoofdwijk en na 70 meter een tussenwijk. Het bestaande bebouwingspatroon bestaat uit om de 35 meter een woning. Er zijn bewust een aantal percelen opengehouden. Deze percelen liggen als groene weilandjes tussen de bebouwing waardoor het geheel een 'luchtig', groen en landschappelijk aanzien heeft. De weitjes geven daarnaast soms ook doorzicht naar het achterliggende landschap, voor zover dat nog aanwezig is. Ten noorden van de woningen aan de noordzijde van het Hollandscheveldse Opgaande wordt het berdrijventerrein Buitenvaart II aangelegd. Dit is zichtbaar in de vorm van de eerste bedrijfsbebouwing en in de groene wal en water rondom dit bedrijventerrein. Met de komst van het bedrijventerrein wordt het landschap aan de noordzijde van de Hollandscheveldse Opgaande meer gesloten en zijn de doorkijkjes beperkt.
2.4
Functionele structuur plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Hollandscheveldse Opgaande en heeft momenteel een agrarische bestemming. Het bestaande bebouwingspatroon bestaat uit om de 35 meter een woning. Er zijn voornamelijk vrijstaande woningen en twee-onder-een-kap woningen aanwezig.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 10
25 januari 2022
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Het beleid van Europa en de rijksoverheid is van invloed op het te voeren Drentse omgevingsbeleid. Zo is er op Europees niveau veel aandacht voor het verbinden van economische kerngebieden door vervoersnetwerken, de aansluiting van relatief zwak ontwikkelde regio’s, landsoverschrijdende samenwerking, stroomgebieden, ecologische relaties en duurzame ontwikkeling. Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vastgesteld. De SVIR heeft een horizon tot het jaar 2040 en vervangt onder andere de Nota Ruimte. Daarmee wordt de SVIR het kader voor thematische of gebiedsgerichte uitwerkingen van rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en vormt de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Het rijk kiest met de structuurvisie voor een selectievere inzet van de onderstaande 13 rijksbelangen: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13.
een excellente ruimtelijk-economische structuur van Nederland door een aantrekkelijk vestigingsklimaat in en goede internationale bereikbaarheid van de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren; ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie; ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen; efficiënt gebruik van de ondergrond; een robuust hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen; betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem; het instandhouden van het hoofdnet van wegen, spoorwegen en vaarwegen om het functioneren van het mobiliteitssysteem te waarborgen; verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's; ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en kaders voor klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling; ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten; ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten; ruimte voor militaire terreinen en activiteiten; zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij a l l e ruimtelijke en infrastructurele besluiten.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt dieper ingegaan op deze 13 rijksbelangen. Het rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien: een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en de valleys; over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed; een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend i s en ofwel een hoog afwentelingsrisico kent ofwel in beheer bij het rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 11
25 januari 2022
Geconstateerd wordt dat voor het plangebied in de SVIR geen onderwerpen zijn opgenomen die aangemerkt worden als nationaal belang.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het kabinet heeft in de SVIR vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen moet worden ingezet. De SVIR bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze zijn bedoeld om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wro, gewenst. Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. In het Barro zijn geen specifieke regels opgenomen voor het onderhavig plangebied.
3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Daarin is in artikel 3.1.6 een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen (inclusief detailhandel) in bestemmingsplannen. De ladder ondersteunt gemeenten en provincies in vraaggerichte programmering van hun grondgebied, het voorkomen van overprogrammering en de keuzes die daaruit volgen. In het gewijzigde Bro, van kracht sinds 1 juli 2017, is artikel 3.1.6, lid 2 gewijzigd in: "De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied".
Nieuwe stedelijke ontwikkeling De eerste vraag die beantwoord moet worden is of de ontwikkeling waarvoor dit bestemmingsplan opgesteld is aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Jurisprudentie heeft uitgewezen dat het toevoegen van één nieuwe woning niet aan te merken is als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Derhalve kan een verdere motivatie aan de hand van de ladder achterwege blijven.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2018
Provinciale Staten hebben op 3 oktober 2018 de Omgevingsvisie Drenthe 2018 vastgesteld. De Omgevingsvisie is voor Drenthe een centraal visiedocument. Deze Omgevingsvisie is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De ambitie ziet toe op het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten. Deze ambitie vormt het hart van ons beleid waarmee wordt ingezet op ‘ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit’, mede vanuit de wetenschap dat landschapskwaliteit een belangrijke vestigingsfactor is. In de omgevingsvisie worden zes verschillende kernkwaliteiten benoemd die de Drentse ruimtelijke identiteit inhoud geven. Het gaat Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 12
25 januari 2022
om landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten is belangrijk voor een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving in Drenthe. Even belangrijk is een gezond economisch klimaat, met voldoende bedrijvigheid en werkgelegenheid, en een gezond sociaal klimaat, met voldoende variatie in het aanbod van woonmilieus en voorzieningen met een hoge leefbaarheid. De provincie wil met haar beleid voorwaarden creëren voor het ontwikkelen van een robuuste sociaaleconomische structuur van Drenthe. Daarbij wordt rekening houden met de economische en demografische ontwikkeling. De provincie streeft naar aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus die voorzien in de woonvraag. Vanuit de doelstelling om zorgvuldig en doelmatig om te gaan met de ruimte in Drenthe, hanteert de provincie het uitgangspunt ‘inbreiding gaat voor uitbreiding’. Dit houdt in dat de provincie Drenthe prioriteit geeft aan herstructurering (inclusief verduurzaming) van de woningvoorraad en aan het herontwikkelen en herbestemmen van gronden en panden. Daarnaast ligt er een beperkte opgave om de woningvoorraad uit te breiden. In dit geval is er alleen sprake van inbreiding voor uitbreiding. Dit is in overeenstemming met provinciaal beleid.
cultuurhistorie De provincie heeft op verschillende manier haar beleid en omgang met cultuurhistorie ingezet, zoals de beleidsnota voor het ruimtelijk cultuurhistorisch beleid: Het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe (2009). Deze is gekoppeld aan de Omgevingsvisie (2018) van provincie Drenthe. Met de cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) en beleidsvisie versterkt de provincie de ruimtelijke identiteit van Drenthe. Het is een inspirerend kompas dat, vanuit de samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten, partijen kaders en ruimte biedt om verantwoordelijkheid te nemen bij het afwegings- en ontwerpproces bij ruimtelijke ontwikkelingen. De CHS verbindt alle elementen, structuren en gebieden die in hun onderlinge samenhang van provinciaal belang worden geacht In het Cultuurhistorisch Kompas is de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) beschreven in 10 deelgebieden. Het plangebied maakt onderdeel uit van deelgebied 9: het Hollandscheveld en Hoogeveen – kruising van richtingen. Het deelgebied wordt omschreven als een gebied met een onduidelijke structuur als drager. Dit komt door de relatief complexe en kleinschalige aanpak van de oudere veenontginningen vanaf de 17e eeuw. De (verlengde) Hoogeveensche Vaart vormt de basis en verbindende schakel in de veenontginningen.
De structuur hiervan is nog goed zichtbaar aan de 'opgaanden' die als ontginningsas dienden, en aan de verschillende kavelrichtingen van de -vele- ontginningsblokken. Richtinggevend voor dit gebied is het behouden van het onderscheid tussen de verschillende ontginningsblokken in het veengebied. Door het toevoegen van een woning aan de ontginningsas Hollandscheveldsche Opgaande, wordt geen afbreuk gedaan aan de herkenbaarheid van de verschillende ontginningsblokken. conclusie Verder is vanuit de kernkwaliteiten-analyse gebleken dat er geen sprake is van provinciale kernkwaliteiten waarmee in dit plan rekening moet worden gehouden.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 13
25 januari 2022
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Toekomstvisie
In april 2018 is de nieuwe Toekomstvisie voor Hoogeveen vastgesteld door de gemeenteraad. In deze toekomstvisie staan ontwikkelingen en opgaven weergegeven op het gebied van bestuur, veiligheid, sociaal, omgeving en economie. De visie en opgave voor wonen maakt hiervan onderdeel uit en luidt als volgt: Hoogeveen wil een goede woongemeente zijn waar iedereen een thuis vindt. Waarbij betaalbaar wonen voor iedereen mogelijk moet zijn. De focus wordt gelegd op het wonen in de kern Hoogeveen en het realiseren van wervende en aansprekende stedelijke woonmilieus, passend bij de vraag en met behoud van groene open ruimtes. Om aan deze toenemende vraag in de kern te voldoen wordt ook gekeken naar uitbreidingslocaties. In de dorpen ligt het accent op het uitvoeren van de huidige bouwplannen en bieden we ruimte voor specifieke woonwensen. Verder wil Hoogeveen manieren vinden om alle woningen sneller te verduurzamen en de bestaande buurten en dorpen aantrekkelijk te houden.
3.3.2
Structuurvisie Hoogeveen 2015-2030
Als vervolg op de Toekomstvisie is op 23 december 2014 door de gemeenteraad de Structuurvisie Hoogeveen 2015–2030 vastgesteld. Deze Structuurvisie is eigenlijk de ruimtelijke vertaling van de Toekomstvisie. Hij spreekt zich uit over de ruimtelijke ontwikkeling van de gehele gemeente en beschrijft de huidige en gewenste waarden en kwaliteiten voor het buitengebied, de dorpen en de stad. De Structuurvisie is een voorbeeld van planning van onderop, vanuit het lokale denken. Deze Structuurvisie heeft daarom het oude POP II niet als vertrekpunt genomen, maar nam een voorschot op de nieuwe Omgevingsvisie Drenthe. Deze aanpak past overigens goed binnen de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. Het Rijk laat meer over aan gemeenten en provincies. De Structuurvisie gaat in op verschillende onderdelen van de stad. Daarbij is een volgorde van binnen naar buiten aangehouden, vanuit het hart naar de stadsranden. De doelstelling is primair om het aantrekkelijke winkelbestand voor de toekomst te waarborgen door een prettiger verblijfsklimaat te scheppen. In de Structuurvisie wordt niet expliciet ingegaan op de verschillende woonwijken die rondom het centrum liggen. De herstructurering van de oudere wijken wordt beschouwd als een autonoom proces, dat zich geleidelijk en over vele jaren zal voltrekken.
Het woonprogramma wordt hierin uiteindelijk uitgewerkt, vanuit een onderbouwing in de Woonvisie 2011 – 2020. De Structuurvisie beschrijft hiervoor de ruimtelijke kaders en de uitgangspunten voor het proces van herstructurering, die neerkomen op het toepassen van maatwerk. De visie op het wonen vanuit de Structuurvisie 2004, is daarentegen gericht op het verbeteren van de bestaande woningvoorraad en op het aanbieden van nieuwe woonmilieus in de stad, de dorpen en in het landelijk gebied. De aandacht voor de woonopgave verschuift van kwantiteit naar kwaliteit. De focus van woningbouw ligt de komende jaren op de stad. Daarnaast wordt gekozen voor geconcentreerde groei bij de dorpen en in het landelijk gebied. De marktvraag bepaalt uiteindelijk welke woningen op welke beschikbare locatie, hoeveel en in welk tempo gebouwd gaat worden. Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van één woning in de bebouwde kom van Hollandscheveld. Dit sluit aan bij de focus op geconcentreerde groei in de dorpen. Dit is overeenkomstig met de structuurvisie.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 14
25 januari 2022
3.3.3
Structuurvisie Hoogeveen 2.0
De Structuurvisie uit 2004 is nog steeds een inspirerende, ambitieuze, integrale ruimtelijke visie, die in stand blijft en met “Structuurvisie Hoogeveen 2.0” op onderdelen is bijgesteld. De visie geeft aan hoe Hoogeveen tot 2030 omgaat met thema's als wonen, voorzieningen, bedrijvigheid, bereikbaarheid, landschap en duurzaamheid. Duurzame kwaliteit is en blijft daarbij de rode draad. De geactualiseerde structuurvisie is op 13 december 2012 door de gemeenteraad vastgesteld. In de visie kiest Hoogeveen voor beheerste groei waarbij de focus van woningbouw ligt op inbreiding in de stad. Daarnaast wordt gekozen voor geconcentreerde groei bij de dorpen en het landelijke gebied, passend bij de vraag. Voor het landelijk wonen zijn er kansen in de landgoederenzone en de kanalenzone. In de geactualiseerde structuurvisie is de visie op wonen op de volgende punten aangevuld en bijgesteld: De focus van woningbouw ligt de komende jaren op de stad. Daarnaast kiest de gemeente voor geconcentreerde groei bij de dorpen en in het landelijk gebied, passend bij de vraag. Voor het landelijk wonen zijn er kansen in de landgoederenzone en de kanalenzone. De oude plannen van havens in de kanalenzone en grote landschapsinvesteringen wordt losgelaten. Er wordt ingezet op kleinschaliger initiatieven. Het bebouwen van het Hollandsche Veld, Nijstad en Alteveer nabij de snelweg vervalt.
Voor verdichting van de linten aan het Hollandscheveldse Opgaande en Zuideropgaande blijven we ruimte bieden. Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van één woning aan het Hollandscheveldse Opgaande. Hierdoor vindt verdichting plaats van het lint. Dit is overeenkomstig met de structuurvisie Hoogeveen 2.0.
3.3.4
Visie op de omgeving
In 2018 is de 'visie op de omgeving' vastgesteld door de raad. De trends en ontwikkelingen vragen om voortdurend te kijken of de gemeente nog op de juiste koers zit. Met deze visie is een aanvulling gedaan op Structuurvisie Hoogeveen 2015-2030 en de Structuurvisie Hoogeveen 2.0. De Hoogeveense uitgangspunten duurzaamheid, ambitie en kwaliteit blijven daarbij onveranderd van kracht. Deze actualisatie wordt niet langer de fysieke structuurvisie genoemd maar ‘visie op de omgeving’. Het hebben van een omgevingsvisie is namelijk een verplichting vanwege de Omgevingswet. Het Rijk voert deze wet waarschijnlijk in 2021 in.
3.3.5
Woonvisie 2017-2020
In de Structuurvisie is de ambitie van de gemeente voor de komende 15 jaar, met een doorkijk naar het jaar 2030, neergelegd ten aanzien van veel beleidsterreinen, waaronder het wonen. De nieuwe Woonvisie 2017-2020 is vastgesteld in maart 2017. Deze vervangt het gelijknamige beleidskader dat werd vastgesteld in 2011 en zet de ingezette koers door naar 2025. In de woonvisie is wonen in Hoogeveen in een breed perspectief geplaatst. Het gaat dan niet alleen om voldoende beschikbare woningen. Maar ook om de betaalbaarheid en duurzaamheid, de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en de woonomgeving, de toegankelijkheid daarvan en de zelfredzaamheid van haar inwoners. Daartoe heeft de gemeente een viertal ambities geformuleerd; behoud van kwaliteit en gewildheid toevoegen wat gevraagd wordt voor iedereen betaalbaar ouderdom of zorg; ook dan goed wonen
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 15
25 januari 2022
Deze ambities zijn in de woonvisie verder uitgewerkt. In dorpen is er vaak sprake van maatwerk. Rode draad van dit thema is: vrijheid bieden, zodat ieders vraag te bedienen is" Het toevoegen van een enkele woonbestemming middels een bestemmingsplanwijziging is het soort maatwerk waar de woonvisie op doelt. Het bestemmingsplan past binnen het actuele woonbeleid.
3.3.6
Nota ruimtelijke kwaliteit
Op 21 december 2017 heeft de Hoogeveense gemeenteraad de Nota Ruimtelijke Kwaliteit vastgesteld. De Nota Ruimtelijke kwaliteit vervangt de Welstandsnota met de daarbij behorende oplegnotitie voor de pilot 'welstandsvrij bouwen'. De pilot welstandsvrij bouwen is succesvol verlopen en krijgt een vervolg in de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In de Nota Ruimtelijke Kwaliteit zijn alleen gebieden en gebouwen opgenomen, die echt (cultuurhistorisch) waardevol zijn en daarom beschermd moeten worden. Het plangebied is gelegen in lintbebouwing. Het wonen in de bebouwingslinten wordt gewaardeerd vanwege het landelijke karakter en de ruimte die aanwezig is. De waarde van de bebouwing in dit gebied zit vooral in de afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis. Positie van de bebouwing, nokrichting, materialisering en kleurstelling dragen bij aan die afleesbaarheid. Voor dit bestemmingsplan vertaalt zich dit in een woning met een haakse nokrichting op de weg, een rechthoekig hoofdgebouw met bruinrode baksteen en een oranje/rode of donkere pannendak al dan niet incombinatie met rietbedekking. De bebouwingsvoorschriften zijn afgestemd op de nota ruimtelijke kwaliteit. Hiermee voldoet het plan aan de nota ruimtelijke kwaliteit.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 16
25 januari 2022
Hoofdstuk 4 4.1
Gewenste ontwikkeling en uitgangspunten
Ruimtelijke structuur
Het grootste deel van het grondgebied van Hoogeveen is gevormd door de hoogveenontginning. Vanaf de 17e eeuw werd deze planmatig ter hand genomen door o.a. de Hollandsche Compagnie van de 5000 Morgen en de van Echtens Compagnie. Eerst in zuidoostelijke richting, daarna, in de 19e en 20e eeuw meer in oostelijke en noordoostelijke richting en op een grootschaliger manier. In deze ontginningen ligt de oorsprong van de kenmerkende rechthoekige (orthogonale) structuur van kanalen en wijken, die ook nu nog goed herkenbaar is in het landelijk gebied van Hoogeveen. Nabij de (achter)grenzen tussen de diverse vervenings compagnien worden verhoogde paden, dijken en greppels voor de waterbeheersing aangelegd. Bij enkele kruispunten van kanalen en dijken onstonden geleidelijk nederzettingen. De meeste kanalen zijn inmiddels echter gedempt. Alleen de Verlengde Hoogeveensche Vaart en de Middenraai bij receptievelijk Noorscheschut en Nieuweroord bestaan nog als oorspronkelijk veenontginningskanaal. maar ook waar de kanalen gedempt zijn is de oorspronkelijke kanalen en wijkstructuur vaak nog herkenbaar. Deze linten liggen in het landelijke gebied. Het Hollandscheveldse Opgaande is ook een gedempt kanaal. Dit is herkenbaar aan het brede straatprofiel en komt terug in de naam. Een woord voor kanaal was in ontginningsperiode Opgaande.
Het plangebied van de Hollandscheveldse opgaande 39 is gelegen aan het gedempte kanaal. De woning die wordt toegevoegd aan de hollandscheveldse opgaande wordt in het lint gebouwd. Hierdoor blijft de afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van de lintbebouwing aan het gedemte kanaal bestaan.
4.2
Beeldkwaliteit
Het plangebied is gelegen in lintbebouwing. Het wonen in de bebouwingslinten wordt gewaardeerd vanwege het landelijke karakter en de ruimte die aanwezig is. De waarde van de bebouwing in dit gebied zit vooral in de afleesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis. Positie van de bebouwing, nokrichting, materialisering en kleurstelling dragen bij aan die afleesbaarheid. Voor dit bestemmingsplan vertaalt zich dit in een ontwerp met een haakse nokrichting op de weg, een rechthoekig hoofdgebouw met bruinrode baksteen en een oranje/rode of donkere pannendak al dan niet incombinatie met rietbedekking. De bebouwingsvoorschriften zijn afgestemd op de nota ruimtelijke kwaliteit. Hiermee voldoet het plan aan de nota ruimtelijke kwaliteit.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 17
25 januari 2022
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 18
25 januari 2022
Hoofdstuk 5
Omgevingsaspecten
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de relevante omgevingsaspecten. Op grond van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) dient te worden bezien of het plan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening verenigbaar is met de eisen die aan de omgeving worden gesteld. Het plan dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te waarborgen en de belangen van omwonenden en of bedrijven niet te schaden.
5.1
Bodem
5.1.1
Normstelling
Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur te worden gerealiseerd op bodem die geschikt is voor het beoogde gebruik.
5.1.2
Onderzoek en conclusie
Er is geen bodeminformatie over deze locatie bekend, zowel geen historische gegevens als op het bodemloket. Wel zijn 2 bodemonderzoeken in de nabijheid uitgevoerd: in 1995 i s een verkennend onderzoek uitgevoerd op het naastliggende perceel nummer 35, waaruit blijkt dat de bovengrond licht verhoogde gehalten aan PAK bevat. Het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan enkele metalen. in 2014 i s een verkennend onderzoek uitgevoerd ten noorden van het perceel, ten behoeve van de realisatie van een watergang. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen sprake i s van verhoogde gehalten in de grond. Grondwater i s niet in de directe nabijheid onderzocht.
Op topotijdreis lijkt er sprake te zijn van bebouwing in het verleden. De nummering suggereert dit ook. Waarschijnlijk is de bebouwing halverwege de jaren zestig verdwenen. Ook is er een indicatie van een sloot/watergang aan de westzijde. In hoeverre deze voormalige watergang tot het perceel behoort is op basis van deze gegevens niet aan te geven. Verdwenen bebouwing uit die periode geeft een mogelijke verdenking op asbest in de bodem. Via streetsmart blijkt dat op de locatie meerdere gebouwen aanwezig zijn. Ook is het aannemelijk dat de gedempte sloot op het betreffende perceel aanwezig is. Het is onbekend waarmee de demping is uitgevoerd. De bodem is op basis van de gedempte sloot en in het verleden uitgevoerde sloop van gebouwen (mogelijk puin met asbest) verdacht van bodemverontreiniging. Bij een bestemmingsplanwijziging dient vastgesteld te worden of de locatie geschikt is voor het voorgenomen gebruik (woningbouw). In dit geval is een onderzoek naar de verdachte verontreinigingen noodzakelijk. Er is een verkennend bodemonderzoek conform de NEN5740 uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen belemmeringen zijn bij de voorgenomen bestemmingswijziging, zie Bijlage 1.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 19
25 januari 2022
5.2
Archeologie en Cultuurhistorie
5.2.1
Normstelling
Per 1 juli 2016 is de Monumentenwet 1988 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat later over naar de Omgevingswet. Dit geldt ook voor de verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn archeologische monumenten kaarten en gemeentelijke cultuurhistorische beleidskaarten opgesteld. De cultuurhistorische beleidskaart is vastgesteld op 26 januari 2012. Onderzoek en conclusie Onderhavig plangebied is op de archeologische beleidskaart van Hoogeveen gelegen binnen de legenda-eenheid ‘Archeologische Waarde – 5’. Deze eenheid wordt gevormd door de zones met een lage archeologische verwachting. Hier wordt geen archeologisch onderzoek verlangd. Daarom wordt voor deze categorie geen dubbelbestemming in het bestemmingsplan opgenomen.
Alleen in het geval van zeer grootschalige ontwikkelingen (groter dan 3 hectare) kan sprake zijn van archeologisch onderzoek om het verwachtingsmodel te toetsen. Er zijn daardoor geen belemmeringen wat betreft archeologie. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet blijft voor bodemverstoringen wel de meldplicht van kracht. Als tijdens graafwerkzaamheden alsnog archeologische vondsten of indicatoren worden aangetroffen dan dient het werk onmiddellijk te worden stilgelegd en moet dit gemeld worden bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en wetenschap, dan wel bij de provinciaal archeoloog en de gemeente.
5.2.2
Cultuurhistorie
Ontwikkelingsgeschiedenis Halverwege de 17e eeuw worden de veengronden in gemeente Hoogeveen langzaamaan in cultuur gebracht door de Compagnie van 5000 morgen. Al snel na de start in 1632 wordt besloten om de compagnie onder te verdelen en alle participanten een eigen ondercompagnie te laten vormen. Deze compagnieën hebben elk een deel van het veen ontgraven. In de huidige landschappelijke opzet is dat nog goed terug te zien. De grenzen tussen elk van de compagnieën zijn vaak nog duidelijk herkenbaar als dijk of als achtergrens. Aan weerszijden van deze grens is te zien hoe de verkaveling (als resultaat van de ontginning) verandert van opzet en richting. De Hoogeveensche Vaart vormt de centrale drager van de ontginningen. Vanaf de Hoogeveensche Vaart worden verschillende opgaanden gegraven, zoals de Hollandscheveldse Opgaande door de Hollandsche Compagnie. Hollandscheveld is dan ook een karakteristiek dorp van de veenontginning. Ontginningsdorpen zijn lineair van karakter, langs vaarten, met woningen op de kop van de kavels en haaks ten opzichte van de weg. In het geval van Hollandscheveld gaat het om een langgerekt bebouwingslint van boerderijtjes en arbeiderswoningen aan het Hollandscheveldsche Opgaande en Zuider Opgaande. Onderzoek en conclusie Op de beleidskaart historische bebouwing is het plangebied gelegen in ensemble ENS10 Hollandscheveld, Hollandscheveldsche Opgaande.
Dit ensemble heeft een middelhoge waardering Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 20
25 januari 2022
(zie onderstaande afbeelding). Bij een middelhoge waardering zijn cultuurhistorische waarden richtinggevend en wordt er ingezet op het behoud van de samenhang en karakteristieken.
Het ensemble combineert historische geografie en historische bouwkunst, en betreft de hoofdontginningsas van het veenkoloniale kanaaldorp Hollandscheveld: de Hollandscheveldse Opgaande. Deze opgaande is een van de oudste in de ontstaansgeschiedenis van Hoogeveen en dateert uit eind 17e eeuw. Het is aangelegd ten behoeve van de veenontginningen van de Hollandsche Compagnie. Het kanaal is tegenwoordig verdwenen. Het toevoegen van een woning aan het Hollandscheveldsche Opgaande binnen de bestaande structuur, doet geen afbreuk aan de afleesbaarheid van cultuurhistorische waarden van de ontginningsas. Er zijn geen monumenten of beeldbepalende panden op korte afstand van het plangebied gelegen. Er zijn geen belemmeringen wat cultuurhistorie betreft.
5.2.3
Onderzoek en conclusie
Onderhavig plangebied is op de archeologische beleidskaart van Hoogeveen gelegen binnen de legenda-eenheid ‘Archeologische Waarde – 5’. Deze eenheid wordt gevormd door de zones met een lage archeologische verwachting. Hier wordt geen archeologisch onderzoek verlangd. Wat betreft cultuurhistorie doet het toevoegen van één woning geen afbreuk aan de bestaande cultuurhistorische structuur. Er zijn daardoor geen belemmeringen wat betreft archeologie en cultuurhistorie.
5.3
Water
5.3.1
Algemeen
In dit bestemmingsplan worden nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Deze waterparagraaf is erop gericht om de actuele watersituatie en het actuele waterbeleid in beeld te brengen. Daarnaast is de waterparagraaf vooral bedoeld om een brug te slaan naar de procedures en toetsingsinstrumenten van de waterbeheerder. De gemeente Hoogeveen is gelegen in het beheersgebied van het waterschap Drents Overijsselse Delta en het waterschap Vechtstromen, welke beiden verantwoordelijk zijn voor het waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheer.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 21
25 januari 2022
5.3.2
Normstelling
De waterschappen Drents Overijsselse Delta en Vechtstromen vormen samen met waterschap Rijn en IJssel het waterschapsgebied Rijn-Oost. De waterschappen hebben hun beleid voor stedelijk waterbeheer vastgelegd in de gezamenlijke beleidsnotitie 'Water Raakt'. Deze notitie vormt op hoofdlijnen het beleid voor de wijze waarop de waterschappen in stedelijk gebied invulling geven aan het waterbeheer. Het waterbeheer richt zich op de volgende drie beleidsthema's: 1.
2.
3.
Voor het dagelijkse waterbeheer i s dat het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regime (GGOR). Doel daarvan i s gedurende een heel groot deel van het jaar die wateromstandigheden te realiseren die het beste passen bij de functie zoals de provincies die hebben vastgesteld; Om in extreem natte en extreem droge omstandigheden de schade a l s gevolg van wateroverlast of watertekort te beperken i s het WB21 opgesteld. Hierin zit de trits vasthouden-bergen-afvoeren a l s voorkeursvolgorde en afwegingskader en het principe van niet afwentelen. Het stedelijk gebied dient dus waterneutraal te zijn. Mocht dit door enige goede redenen - de veiligheid i s ernstig in het geding, de kosten zijn te hoog, er spelen nijpende ruimtevraagstukken - niet kunnen, dan komen het waterschap en de gemeente passende afspraken overeen. Doel i s het watersysteem zo in te richten dat het in extreme omstandigheden en in de toekomst goed functioneert; Voor het bereiken van de goede ecologische toestand van het water zijn er de Europese richtlijnen voor ecologie en waterkwaliteit. Dit thema bestaat uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Vogel- en Habitatrichtlijnen (vertaald in de Wet natuurbescherming). Doel daarvan i s dat al le Europese wateren, zowel oppervlaktewater a l s grondwater, zich in 2015 in een goede ecologische en goede chemische toestand bevinden.
Met goede argumenten i s uitstel mogelijk tot uiterlijk 2027. Voor de Natura 2000-gebieden i s geen uitstel mogelijk.
Deze drie thema's hangen zo met elkaar samen dat het niet mogelijk is ze afzonderlijk van elkaar te realiseren. Er wordt gezorgd dat het watersysteem tijdig op orde is, duurzaam is ingericht, voldoet aan de landelijke normen voor het voorkomen van wateroverlast, bijdraagt aan het bereiken van grond- en oppervlaktewaterpeilen in relatie tot de functies van die wateren en gebieden, verdroging tegengaat en rekening houdt met de eisen vanuit de KRW. Om aan deze punten te voldoen is in december 2009 de Waterwet in werking getreden. De Waterwet vervangt acht bestaande wetten voor het waterbeheer in Nederland. Deze wet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert deze wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Hierdoor zijn waterschappen, gemeenten en provincies beter in staat wateroverlast, waterschaarste en watervervuiling tegen te gaan. Ook voorziet de Waterwet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, natuur, landbouw, industrie en recreatie. Op basis van deze functies worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het water. De instrumenten vanuit de Waterwet zijn Waterplannen (rijk en provincie), waterbeheer-plannen (waterbeheerder) en vergunningen. Watertoetsproces In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het verplicht de Watertoets uit te voeren.
De Watertoets is een waarborg voor water in ruimtelijke plannen en besluiten. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta is op 9 september 2020 geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets (zie Bijlage 2 Watertoets. Op basis daarvan is de standaard waterparagraaf opgenomen. Invloed op de waterhuishouding Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. Binnen het bestemmingsplan worden niet meer dan tien wooneenheden gerealiseerd en de toename van het verharde oppervlak bedraagt niet meer dan 1500 m2 . Binnen het plangebied is geen sprake van (grond)wateroverlast. Voorkeursbeleid hemelwaterafvoer Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 22
25 januari 2022
In het plan wordt er naar gestreefd het voorkeursbeleid van het waterschap op te volgen. Als de hemelwaterafvoer: niet wordt aangesloten op een gescheiden rioolstelsel; of niet wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel,
is oppervlakkige afvoer en infiltratie in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Aanleghoogte van de bebouwing Voor de aanleghoogte van de gebouwen (onderkant vloer begane grond) wordt een ontwateringsdiepte geadviseerd van minimaal 80 centimeter ten opzichte van de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG). Bij een afwijkende maatvoering is de kans op structurele grondwateroverlast groot. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Om wateroverlast en schade in woningen en bedrijven te voorkomen wordt geadviseerd om een drempelhoogte van 30 centimeter boven het straatpeil te hanteren. Ook voor lager, beneden het maaiveld, gelegen ruimtes (kelders, parkeergarages) moet aandacht worden besteed aan het voorkomen van wateroverlast.
5.3.3
Onderzoek en conclusie
De gemeente heeft het waterschap geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het onderhavige plan heeft geringe invloed op de waterhuishouding. "De procedure in het kader van de watertoets is goed doorlopen. Het Waterschap Drents Overijsselse Delta gaat akkoord met het plan. Het aspect water leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
5.4
Natuur en Ecologie
5.4.1
Normstelling
Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet vervangen. De bescherming van Natura 2000 gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen (houtopstanden) wordt nu via deze wet geregeld. De provincie is per 1 januari 2017 het bevoegde gezag voor soortenbescherming en houtopstanden. Deze bevoegdheden lagen voorheen bij het Rijk. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag gebleven voor Natura 2000 bescherming en faunabeheer. De provincie is verantwoordelijk voor het afgeven van vergunningen en ontheffingen voor al deze gebieden. Hierop geldt alleen een uitzondering als het rijksaangelegenheden betreft. Gedeputeerde Staten hebben op 20 november 2020 de beleidsregels Wet natuurbescherming Drenthe vastgesteld. In dit document zijn alle bestaande beleidsregels, die gebaseerd zijn op regelgeving die in de Wet natuurbescherming samen komen, in één document samengevoegd. Deze beleidsregels gaan over gebiedsbescherming, het toedelen van ontwikkelingsruimte in relatie tot de PAS (Natura 2000), soortenbescherming en houtopstanden. De provincie Drenthe zet zich ook in voor actieve soortenbescherming.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 23
25 januari 2022
5.4.2
Onderzoek en conclusie
Het is noodzakelijk om op basis van de Wet natuurbescherming vooraf te toetsen of ruimtelijke ingrepen en andere plannen en activiteiten niet conflicteren met aanwezige beschermde plant- en diersoorten en habitats. Optredende negatieve effecten dienen zo veel mogelijk vermeden of geminimaliseerd te worden. Voor schade aan strikt beschermde soorten kan het noodzakelijk zijn om een ontheffing aan te vragen bij de Provincie Drenthe. Gebiedsbescherming Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is het Mantingerzand op een afstand van ruim 8 km van het plangebied. Vanwege de afstand tussen het plangebied en de beschermde waarden en vanwege de aard van de boogde ontwikkeling wordt als gevolg van de aanleg- en gebruiksfase geen toename van stikstofdepositie op beschermde waarden verwacht. Een vervolgtraject in het kader van de Natuurbeschermingswet is dus niet noodzakelijk. Het plangebied ligt niet binnen het Nationaal Natuurnetwerk (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS)). Het voorliggend plan heeft dan ook geen negatieve effecten op de natuurdoelen van het Nationaal Natuurnetwerk. Soortenbescherming De nationale databank Flora- en fauna is geraadpleegd. In het plangebied zijn geen beschermde soortgroepen naar voren gekomen. Het plan heeft vooralsnog geen effecten op de beschermde natuurgebieden en soortenbescherming.
Bij elk voornemen voor een toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied zal worden getoetst wat de effecten hiervan zijn op de aanwezige beschermde soorten.
5.5
Geluid
5.5.1
Normstelling
De Wet geluidhinder beschermt de volgende objecten: woningen; andere geluidsgevoelige gebouwen; geluidsgevoelige terreinen.
Deze bescherming geldt als het gebruik van deze objecten is toegestaan volgens het bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening. Op tijdelijk afwijken van het bestemmingsplan met een periode van maximaal 10 jaar is de Wet geluidhinder niet van toepassing. Onder "woning" wordt verstaan (artikel 1 Wet geluidhinder): gebouw of gedeelte van een gebouw waar bewoning is toegestaan op grond van de geldende planologische status (bestemmingsplan, de beheersverordening, omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan of beheersverordening). De Wet geluidhinder kent het begrip bedrijfswoning niet. Een bedrijfswoning is gewoon een woning, waarvoor het mogelijk is een hogere waarde (als nodig) te verlenen. Dit geldt natuurlijk alleen voor bedrijfswoningen die zijn gelegen in een geluidzone. Hotels, recreatiewoningen en kantoren zijn niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. In het Activiteitenbesluit zijn voorschriften opgenomen die bescherming bieden tegen geluidhinder van inrichtingen die onder het Besluit vallen. Deze bescherming wordt geboden aan gevoelige objecten (gevoelige gebouwen en gevoelige terreinen (artikel 1.1)).
In artikel 1.1 is in de definitie van gevoelige gebouwen aangegeven dat gebouwen die bij de inrichting horen (dienst- of bedrijfswoningen) geen geluidsgevoelig object zijn waarvoor de grenswaarden uit het besluit gelden. Dienst- of bedrijfswoningen die niet tot de inrichting behoren zijn gewoon woningen van Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 24
25 januari 2022
derden waarvoor de grenswaarden wel gelden. Op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) is rond inrichtingen die 'in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken', wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur en spoorwegen een geluidzone van kracht. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen deze geluidzones moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de in de wet bepaalde voorkeursgrenswaarde. Wanneer niet aan deze grenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag, in de meeste gevallen de gemeente, hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd.
5.5.2
Onderzoek en conclusie
Ten gevolge van de Hollandscheveldse Opgaande bedraagt de geluidbelasting ten hoogste 58 dB Lden inclusief aftrek. Hiermee wordt niet voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB Lden. Voor het realiseren van geluidgevoelige bestemmingen in stedelijk gebied binnen de geluidzone van een weg is een maximale hogere waarde mogelijk van 63 dB Lden. Aangezien de maximale grenswaarde van 63 dB Lden niet wordt overschreden, is er geen belemmering de bestemming te wijzigen naar wonen. Voor een bestemmingswijziging naar wonen zal een hogere waarde van 58 dB Lden ten gevolge van de Hollandscheveldse Opgaande moeten worden aangevraagd. De locatie is gesitueerd binnen de geluidzone van het industrieterrein Buitenvaart. Ten tijde van de vaststelling van de geluidzone van het industrieterrein Buitenvaart is voor meerdere woningen binnen de geluidzone een hogere waarde vastgesteld. Voor de naast deze locatie gelegen woningen op nummer 35 en 41 is een hogere waarde verleend van respectievelijk 52 en 51 dB(A). Dit betekent dat voor onderhavige locatie een hogere waarde van 52 dB(A) dient te worden aangevraagd en dat de woning niet dichter op het industrieterrein gebouwd mag worden dan de achterste rooilijn van nummer 35.
Op basis van de berekende waarden (geluidbelasting voor wegverkeer exclusief aftrek bedraagt 63 dB) kan niet met zekerheid worden gesteld dat het vereiste binnenniveau van 33 dB in de geluidgevoelige ruimten is gewaarborgd. Derhalve is een bouwakoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel nodig. Resumerend is er geen belemmering voor een bestemmingswijziging naar wonen. Wel zal voor het waarborgen van het binnenniveau een bouwakoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevel moeten worden uitgevoerd. Dit onderzoek moet aan ons ter beoordeling worden voorgelegd.
5.6
Milieuzonering bedrijven
5.6.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.
Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009).
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 25
25 januari 2022
5.6.2
Onderzoek en conclusie
In de directe nabijheid van het adres Hollandscheveldse Opgaande, tussen nummer 35 en 41, te Hollandscheveld zijn geen bedrijven gelegen die door het voorgenomen bouwplan worden beperkt in hun bedrijfsontwikkeling. De milieuzonering staat de voorgenomen ontwikkeling daarom niet in de weg.
5.7
Milieueffectrapportage (MER)
5.7.1
Normstelling en beleid
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt a l s bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
5.7.2
Toetsing en uitgangspunten voor het plan
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 1 woning. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. Op ….. is bij besluit van …. vastgesteld dat geen MER nodig is (zie bijlage..) Ook is daar de aanmeldingsnotitie voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen. Daaruit blijkt dat, gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten, geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Mitigerende maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 26
25 januari 2022
5.8
Luchtkwaliteit
5.8.1
Normstelling
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 5.1 weergegeven. Tabel 5.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof stikstofdioxide (NO2 ) fijn stof (PM1 0) fijn stof (PM2,5)
Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg /m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die i s vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m 2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m 2 bij twee ontsluitingswegen.
5.8.2
Onderzoek en conclusie
Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het voorliggende plan betreft de nieuwbouw van een enkele woning. Er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit ten opzichte van de huidige situatie. Er is derhalve sprake van een 'NIBM'-situatie waardoor nader onderzoek achterwege kan blijven. Het aspect lucht vormt leidt niet tot een belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 27
25 januari 2022
5.9
Externe veiligheid
5.9.1
Normstelling
Het aspect Externe Veiligheid heeft te maken met de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en de bescherming hiertegen. De veiligheidsrisico's worden uitgedrukt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is de berekende kans per jaar dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het groepsrisico (GR) is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Verder kunnen de veiligheidsrisico's worden verdeeld in risico's veroorzaakt door bedrijvigheid (inrichtingen) en in risico's veroorzaakt vanwege het transport (weg, spoor, water, buisleidingen) van gevaarlijke stoffen. Conform het nationale veiligheidsbeleid en de Visie externe veiligheid van de gemeente Hoogeveen is onderzoek verricht naar de veiligheidssituatie rondom het plangebied.
5.9.2
Onderzoek en conclusie
In bovenstaande figuur is te zien dat de planlocatie binnen de 100% letaliteitszone (blauwe onderbroken lijn) van de hoge druk aardgastransportleiding ligt en daarmee ook binnen het invloedsgebied (blauwe lijn). Hollandscheveld, deelplan Holl. Opgaande 39 ontwerp
NL.IMRO.0118.2020BP8024007-ON01 28
25 januari 2022
Om op de gevraagde locatie een woning te mogen realiseren zal het bestemmingsplan moeten worden gewijzigd. Omdat de woning binnen het invloedsgebied van de hoge druk aardgastransportleidingen ligt moet het groepsrisico worden verantwoord. Het gaat om een uitbreiding met slechts één woning met een populatie van 2,1 personen. Deze toename is in de totale hoogte van het groepsrisico praktisch niet van invloed. Verder is het groepsrisico in deze omgeving lager dan 10% van de oriëntatiewaarde en het groepsrisico neemt praktisch niet toe. Dit heeft tot gevolg dat het groepsrisico beperkt hoeft te worden verantwoord. Dat het groepsrisico minder dan 10% van de oriëntatiewaarde bedraagt is met verschillende QRA's in vergelijkbare situaties aangetoond. Daarom is voor deze wijziging van het bestemmingsplan dan ook afgezien om een QRA op te stellen, omdat deze weinig toevoegt aan de onderbouwing van het groepsrisico. Verder zijn er geen onderzoeken noodzakelijk om alternatieve locaties te onderzoeken die kunnen leiden tot een lager groepsrisico. Ook maatregelen die leiden tot een lager groepsrisico hoeven niet te worden onderzocht. Het plan voldoet aan de grenswaarde van het plaatsgebonden risico10-6 per jaar. Er zijn verder geen maatregelen nodig om de zelfredzaamheid of bestrijdbaarheid te kunnen verbeteren.
Dit komt doordat de locatie binnen de 100% letaliteitszone valt van hogedruk aardgastransportleidingen. Ongevalscenario's met hogedruk aardgastransportleidingen ontwikkelen zich zo snel dat ten aanzien van de bestrijdbaarheid of de zelfredzaamheid geen aanvullende maatregelen kunnen worden geadviseerd.
5.10
Verkeer en parkeren
Met het toevoegen van één woning zullen de verkeersbewegingen niet in betekenende mate toenemen. parkeren wordt op eigen terrein gerealiseerd conform de parkeernormen zoals genoemd in Bijlage 1 Parkeernota Hoogeveen.