CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA onderbouwing Heerenweg 12 Barsingerhorn

Raad 16 april 2026, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend Advies Heerenweg 12 Barsingerhorn12.916 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie Zoals reeds in paragraaf 5.1 aan bod kwam heeft het plangebied de aanwijzingen ‘Waarde – Archeologie 2’ en ‘Waarde – Archeologie 3’. Bij bouwplannen en werkzaamheden die niet dieper gaan dan 40 cm -Mv is geen archeologisch onderzoek nodig. Omdat onderhavige aanvraag enkel toeziet op het mogelijk maken van het gebruik en de bodemingrepen nog niet duidelijk zijn is er geen archeologisch onderzoek vereist. Bij opvolgende aanvragen die toezien op het mogelijk maken van de bebouwing zal beschouwd worden of archeologisch onderzoek vereist is. Cultuurhistorie Het plangebied bevindt zich in het beschermd dorpsgezicht. Het behoud en herstel van de karakteristieke, met historische ontwikkeling samenhangende structuur en de ruimtelijke kwaliteit van de gronden staat hier voorop. Onderhavige aanvraag ziet enkel toe op het mogelijk maken van een woonzorgerf. Dat doet geen afbreuk aan de structuur en ruimtelijke kwaliteit van het beschermd dorpsgezicht.

7.8

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

pagina 28 van 39

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in de realisatie van woningen, een bodemgevoelige functie. Het plangebied heeft in het verleden gefunctioneerd als bedrijfsterrein. Er is dus sprake van het toepassen van een gevoeliger gebruik. Derhalve dient met een bodemonderzoek aangetoond te worden dat de milieuhygiensche kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen en zorg). Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Vlam Bodem Advies en te vinden in bijlage 2 (28 januari 2022, projectnummer 051004495). Op basis van het vooronderzoek houdt het rapport de hypothese ‘verdacht’ aan. Deze wordt bevestigd in het veldonderzoek waar licht verhoogde gehalten zink, kwik, lood en PAK in de bovengrond zijn aangetoond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties aan nikkel, molybdeen en cis en trans-1,2dichlooretheen aangetoond. De aangetoonde verhoging vormt echter geen belemmering voor de verkoop van de percelen. Daarnaast is door hetzelfde bureau onderzoek gedaan naar asbest. In de druppelzone van de grote schuur is onder de beschadigde dakrand is 345 mg/kg aan asbest gemeten met een omvang van 2,5 m3. Dit gehalte ligt boven de interventiewaarde van 100 mg/kg, waardoor gesproken kan worden van ernstige bodemverontreiniging. Hiervoor geldt een saneringsplicht.

Voor de kleine schuur geldt dat het onder de interventiewaarde valt (29 mg/kg), waar geen verder onderzoek voor nodig is. Sanering is niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen in combinatie met de grote schuur omdat het asbestgehalte nog steeds kan oplopen zolang de bron niet wordt verwijderd. In de puinlaag rondom de grote schuur is 50 mg/kg asbest aangetoond. Dit overschrijdt de interventiewaarde niet, waardoor niet gesproken kan worden van ernstige bodemverontreiniging. De puinlaag is verhard met klinkers waardoor geen contact mogelijk is. Het onderzoeksbureau adviseert om de asbesthoudende daken van beide schuren door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te laten verwijderen. Er is geen vervolgonderzoek nodig.

7.9

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in

pagina 29 van 39

het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage VI van het Bkl.

Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden.

Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico. Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen

pagina 30 van 39

Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek Het

initiatief

voorziet

in

de

ingebruikname

van

een

zeer

kwetsbaar

gebouw.

Om

het

aspect

omgevingsveiligheid/externe veiligheid te beoordelen is gebruik gemaakt van Atlas Leefomgeving. Onderstaande kaart brengt de risicobronnen in de omgeving in beeld.

Kaart externe veiligheid (bron: Atlas Leefomgeving)

Transportroutes gevaarlijke stoffen Nabij de planlocatie bevinden zich geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Buisleidingen De dichtstbijzijnde buisleiding ligt circa 2,4 kilometer afstand van de planlocatie. Dit betreft een aardgastransleiding. Het plangebied ligt buiten de aandachtsgebieden en het plaatsgebonden risico van deze leiding, waardoor gevolgen in geval van een calamiteit niet verwacht worden. Risicovolle activiteiten Op ongeveer 2 kilometer afstand ten westen van de planlocatie bevindt zich een particuliere ammoniak koelinstallatie. De planlocatie ligt buiten de aandachtsgebieden van deze activiteit.

pagina 31 van 39

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

pagina 32 van 39

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Onderhavig plan gaat vooral gepaard met inpandige aanpassingen, maar ook aanpassingen aan de gevels en daken zijn denkbaar. In dit kader is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Vonk Ecologie, 23-242, d.d. 12 oktober 2023, zie bijlage 3). Navolgend worden de conclusies beschouwd. Gebiedsbescherming Het plangebied bevindt zich op circa 9,6 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Zwanenwater en Pettemerduinen’. Het plangebied bevindt zich op circa 800 meter en 1,8 kilometer afstand van het Natuurnetwerk Nederland ‘Schagerwad en reservaten rond Kolhorn’. Er worden geen negatieve effecten verwacht. Desondanks is bij de quickscan flora en fauna een stikstofonderzoek uitgevoerd. Omdat deze uitgangspunten inmiddels verouderd zijn is met de AERIUS Calculator een nieuwe berekening gemaakt (d.d. 2 december 2025, zie bijlagen 4a, 4b en 4c). Hieruit blijkt dat het initiatief geen significant effect op omliggende Natura 2000-gebieden heeft. Soortenonderzoek De daken van twee van de gebouwen (stolp en aanbouw) hebben potentie voor vleermuizen en huismussen. Vooralsnog is nog niet duidelijk of er ingrepen aan de daken van deze gebouwen plaatsvinden. Desalniettemin is in 2025 een aanvullend soortenonderzoek uitgevoerd (Vonk Ecologie, 23-242, d.d. 16 maart 2026). Hieruit blijkt dat er geen schade aan beschermde diersoorten wordt toegebracht.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen kapwerkzaamheden voorzien waarvoor een vergunning- of meldingsplicht geldt. Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep zal gezien de beperkte omvang geen negatief effect hebben op de natuurwaarden (soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). De bepalingen omtrent natuur uit de Omgevingswet worden gerespecteerd.

pagina 33 van 39

7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterprogramma provincie Noord-Holland Het regionaal waterprogramma Noord-Holland 2022-2027 is vastgesteld op 31 januari 2022, en beschrijft het beleid van de provincie op de opgaven goede waterkwaliteit, bescherming tegen overstromingen en het op peil houden van de watervoorraad. Het waterprogramma geeft uitvoering aan het waterbeleid in de Omgevingsvisie NH2050.

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Het hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft op 1 januari 2025 de waterschapsverordening vastgesteld, waarin de taken van het waterschap, de regels over de kwaliteit van het oppervlaktewater, de regels over grondwater oppompen en lozen en de verboden activiteiten bij water, dijken en gemalen.

Planspecifiek Watercompensatie Het aanbrengen van verhard oppervlak heeft een versnellend effect op de afvoer van regenwater, waarmee het risico op wateroverlast toeneemt. Om dit te compenseren wordt wateroppervlak toegevoegd ter grootte van 10%

pagina 34 van 39

van de toe te voegen verharding. Wanneer het nieuw aangebrachte verharde oppervlak kleiner is dan 800 m 2 is het risico op wateroverlast gering en compensatie niet nodig. Op het bestaande perceel wordt verharding verwijderd en opnieuw aangebracht. Hierdoor kan aangenomen worden dat de toename verhard oppervlak minder dan 800 m2 betreft, en compensatie niet nodig is. Waterafvoer Er wordt onderzocht op welke wijze het afvalwater van de beoogde woningen wordt verwerkt. In Barsingerhorn speelt de problematiek dat de rioolleidingen klein zijn en het afvalwater middels opvoerpompen wordt verplaatst naar hoger gelegen gebied. De huidige riolering is aangelegd voor de toenmalige bebouwing en de maximale capaciteit is bereikt. Er wordt daarom onderzocht of de capaciteit voldoende is of dat afvalwater op een andere wijze verwerkt dient te worden. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het gemeentelijke riool, maar afgekoppeld en zo lang mogelijk vastgehouden binnen het plangebied en/of afgevoerd op de naastgelegen watergangen. Waterkeringen Het noordelijke deel van het plangebied heeft de bestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ in het bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’. In de legger waterkeringen van het hoogheemraadschap is het aangewezen als een primaire waterkering.

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te plaatsen in het beperkingengebied primaire waterkering. Werkzaamheden moeten buiten het stormseizoen (15 oktober tot 15 april) uitgevoerd worden. Aangezien de bestaande stolp behouden wordt en het beoogde plan geen bebouwing toevoegt binnen de grenzen van de waterkering vormt het geen belemmering voor het initiatief. Oppervlaktewater Het plangebied grenst in het westen aan een watergang. In de legger Wateren 2024 van het hoogheemraadschap Hollands Hoofdkwartier wordt de watergang beoordeeld als tertiair. Voor een tertiaire watergang geldt geen bijzondere bescherming in de waterschapsverordening. Conclusie Geconcludeerd wordt dat onderhavig plan voldoet aan de gestelde eisen en dat het geen negatieve gevolgen heeft voor het watersysteem.

7.12 M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer

pagina 35 van 39

getoetst worden aan de limitatieve lijst van m.e.r.-plichtige plannen en programma’s uit de bijlage bij het Besluit m.e.r. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r.beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt aangewezen. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een m.e.r.-plicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een m.e.r.-beoordelingsplicht. Een m.e.r.-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage.

De initiatiefnemer van een m.e.r.-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de m.e.r.-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de m.e.r.-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project

2.

de plaats van het project

3.

de kenmerken van de potentiële effecten

Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het inmiddels vervallen Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Navolgende punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

▪

Er wordt met onderhavige aanvraag omgevingsvergunning enkel een nieuw gebruik mogelijk gemaakt.

▪

De zeer kleine schaal van het project, waardoor de milieueffecten beperkt zijn

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, zoals beschreven in bijlage V van het Omgevingsbesluit. Dit betekent dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

pagina 36 van 39

8

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bevoegd gezag kan voorschriften verbinden aan een vergunning voor een BOPA. Deze voorschriften mogen betrekking hebben op het gebied waar de omgevingsvergunning voor geldt en de aangevraagde ontwikkeling. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied. Als er geen overeenkomst is gesloten, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden.

Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal in dat geval publiekrechtelijk. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek Het initiatief geschiedt voor rekening en risico van de initiatiefnemer, waaraan geen directe kosten voor de gemeente zijn verbonden. De plankosten door de gemeente Hollands Kroon worden via de anterieure overeenkomst verhaald op de initiatiefnemer. Ook de tegemoetkoming in eventuele nadeelcompensatie wordt geregeld in de anterieure overeenkomst. Het plan is financieel uitvoerbaar.

pagina 37 van 39

9

Conclusie

De initiatiefnemer is voornemens om het voormalige agrarische bedrijf aan de Heerenweg 12 te Barsingerhorn te ontwikkelen tot maatschappelijk woonzorgerf. Om te bepalen of het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is deze getoetst aan de relevante beleidsstukken en omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat het initiatief past binnen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Verder komen uit het grootste deel van de relevante omgevingsaspecten geen belemmeringen voor het uitvoeren van dit initiatief voort. Wel dient onderzoek te worden verricht naar de capaciteit van de riolering. Mits dit opgelost kan worden kan geconcludeerd worden dat het initiatief voorziet in een evenwichtige toedeling van ruimtelijke functies aan locaties. De gemeente Hollands Kroon kan een omgevingsvergunning verlenen.

pagina 38 van 39

pagina 39 van 39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=68d2ec1a-f2e6-4301-85dc-7b8417e11750