BOPA onderbouwing Heerenweg 12 Barsingerhorn
Tekst van het document
Onderbouwing BOPA Heerenweg 12, Barsingerhorn Gemeente Hollands Kroon
Colofon Gegevens over het project: Plannaam:
Heerenweg 12
Status:
Concept
Datum:
20 maart 2026
Projectnummer Buro SRO:
SR240538
Projectmedewerkers
Dhr. T. Oostrom | mevr. D. Neefjes
Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:
GeO Architecten
Gegevens Buro SRO: Bezoekadres:
’t Goylaan 11 3525 AA Utrecht
Telefoon:
030-2679198
E-mail:
utrecht@buro-sro.nl
Internet:
www.burosro.nl
pagina 2 van 39
Inhoudsopgave 1
2
Inleiding
4
1.1
Aanleiding en ambitie
4
1.2
Aanduiding plangebied
4
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
5
1.4
Leeswijzer
6
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7
2.1
Participatie
7
3
Huidige situatie
8
4
Planbeschrijving
10
5
Toetsing aan omgevingsplan
12
5.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
12
5.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
13
6
7
Beleid
14
6.1
Rijksbeleid
14
6.2
Provinciaal beleid
15
6.3
Gemeentelijk beleid
19
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
21
7.1
Welstand
21
7.2
Verkeer en parkeren
22
7.3
Duurzaamheid en gezondheid
23
7.4
Geluid
24
7.5
Activiteiten en milieuzonering
24
7.6
Luchtkwaliteit
27
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
27
7.8
Bodem
28
7.9
Omgevingsveiligheid
29
7.10
Natuur
32
7.11
Water
34
7.12
M.e.r.-beoordeling
35
8
Financiële haalbaarheid
37
9
Conclusie
38
pagina 3 van 39
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en ambitie
Het initiatief betreft de transformatie van een voormalig agrarisch erf naar een woonzorgerf aan de Heerenweg 12 in het dorp Barsingerhorn. Het voormalige agrarische bedrijf is gestopt en de eigenaar is niet voornemens het agrarische gebruik voort te zetten. Daarom heeft de initiatiefnemer het voornemen het perceel om te zetten tot een woonzorgerf met dagbesteding in de vorm van klein tuinwerk, dierenzorg en kantoorruimte. De gemeente Hollands Kroon heeft op 16 april 2025 positief gereageerd op het conceptverzoek dat op 15 oktober 2024 is ingediend. Voor het plangebied geldt het omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon, waar het voormalige bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ onderdeel vanuit maakt. In dit bestemmingsplan geldt een agrarische bestemming voor het plangebied. Het beoogde maatschappelijke gebruik past
niet
binnen
deze
bestemming.
Derhalve
dient
met
een
omgevingsvergunning
buitenplanse
omgevingsplanactiviteit (BOPA) van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan afgeweken te worden. Het plan betreft een BOPA die de functiewijziging van agrarisch naar maatschappelijk regelt. Er dient met een onderbouwing inzichtelijk te worden gemaakt dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderhavige onderbouwing voorziet hierin.
1.2
Aanduiding plangebied
De planlocatie ligt aan de Heerenweg 12 in Barsingerhorn (gemeente Hollands Kroon). Dit perceel staat kadastraal bekend onder gemeente Hollands Kroon, sectie G, perceelnummer 884. Het perceel heeft een oppervlakte van circa 3.755 m2. Onderstaande afbeeldingen geven de ligging en begrenzing van het plangebied aan.
Globale ligging planlocatie, rood omkaderd (bron: Google Maps)
pagina 4 van 39
Globale begrenzing planlocatie, rood omkaderd (bron: Google Maps)
1.3
Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit die niet voldoet aan de regels van het omgevingsplan en niet vergunningvrij voor het bouwen is. Er zijn twee varianten: 1.
Een activiteit waarvoor het omgevingsplan bepaalt dat een vergunning nodig is, maar het volgens de beoordelingsregels niet mogelijk is de vergunning te verlenen.
2.
Een andere activiteit in strijd met het omgevingsplan.
Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Bkl. Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: a.
met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl);
b.
als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden.
In beginsel is bij een buitenplanse omgevingsplanactiviteit conform artikel 16.62 Omgevingswet de reguliere procedure van titel 4.1 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn is acht weken, die met zes weken verlengd kan worden. In sommige gevallen kan het college echter bij buitenplanse omgevingsplanactiviteiten de uitgebreide procedure op basis van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing verklaren. In beide gevallen bestaat de mogelijkheid voor bezwaar en beroep. Bij de uitgebreide procedure bestaat de mogelijkheid zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen.
pagina 5 van 39
1.4
Leeswijzer
Na dit inleidende hoofdstuk wordt ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Hoofdstuk 3 omvat een beschrijving van de huidige situatie waarbij zowel de ruimtelijke aspecten als functionele aspecten aan de orde komen. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de beoogde ontwikkeling. In hoofdstuk 5 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Aansluitend daarop wordt in hoofdstuk 6 het van toepassing zijnde beleidskader voor de locatie/het gebied verwoord. In hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving, waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 8 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot wordt in hoofdstuk 9 een algehele conclusie getrokken.
pagina 6 van 39
2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
2.1
Participatie
Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De initiatiefnemer is in veel gevallen verplicht om te participeren met de betrokkenen. Bij een aanvraag omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit hoort een beschrijving van de wijze waarop de participatie plaats heeft gevonden en wat daarvan het resultaat is. De gemeente Hollands Kroon heeft voor initiatiefnemers op 1 januari 2023 de visie op participatie, en op 3 december 2024 de participatieverordening gepubliceerd. Participatie bij de gemeente richt zich op de doelstellingen een goede buur zijn, betere plannen maken en zorgvuldige besluiten nemen. Het creëren van draagvlak is hierbij geen doel op zich. Participatie draait om het informeren en kennis ophalen van belanghebbenden, en welke afwegingen gemaakt moeten worden. De gemeente geeft hierbij aan dat participatie zorgvuldig vormgegeven moet worden door middel van begrijpelijke taal, vroege uitnodigingen voor bewonersavonden en het op de hoogte houden van betrokkenen gedurende de rest van het proces. Bij de aanvang van een participatieproces moeten belanghebbenden geïnformeerd zijn over het doel van hun inzet en de mate van invloed die zij uit kunnen oefenen.
Een initiatiefnemer moet bij de start van het initiatief aangeven hoe participatie is toegepast, en het doel, de beïnvloedingsruimte, de kaders voor participatie, de fasen van betrokkenheid en de communicatiewijze bepalen. In een eindverslag wordt een overzicht gegeven van de gevolgde participatieprocedure en de opgehaalde reacties, waarbij ook gemotiveerd wordt welke reacties wel of niet zijn meegenomen in het initiatief. Op 11 mei 2022 is het schetsplan inzake Heerenweg 12 besproken met de bewoners van de Heerenweg 6, 8, 16, 3, 5, 7 en 9. De bewoners van Heerenweg 10 hebben konden niet aanwezig zijn en zijn later bijgepraat. De bewoners van huis nr. 14 hebben niet gereageerd. De bewoners van Heerenweg 14 hebben verder geen interesse getoond. Hierna is ieder half jaar het Pluzorg magazine bij de bewoners van Heerenweg 1 t/m 14 bezorgd. Op 15 mei 2025 heeft er op locatie weer een participatie bijeenkomst plaatsgevonden waarbij de geïnteresseerden zijn bijgepraat over het project. Er zijn drie omwonenden die expliciet hebben aangegeven zich zorgen te maken over de ontwikkeling. Met een van deze omwonenden is een individueel gesprek gevoerd. Tijdens dit gesprek gaf hij aan dat zijn wens is dat het woongebouw op de plek van de huidige schuur komt.
Onderhavige BOPA ziet echter niet toe op de positionering van de woningen, maar ziet enkel toe op het mogelijk maken van het woongebruik en de dagbesteding. Met een volgende BOPA zullen de woningen worden mogelijk gemaakt en zal ook de positie bepaald worden. De initiatiefnemer poogt nog met de andere twee omwonenden met bezwaren in gesprek te treden.
pagina 7 van 39
3
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan de Heerenweg, het lint van Barsingerhorn. Barsingerhorn is een klein dorp met minder dan 1.000 inwoners in de regio Kop van Noord-Holland. Het dorp bestaat uit een drie kilometer lange lintbebouwing aan de Heerenweg met veel kenmerkende stolpboerderijen. Vanaf de jaren ‘70, ‘80 en ‘90 is Barsingerhorn stapsgewijs gegroeid met een bescheiden uitbreiding aan de Leekerweg. Barsingerhorn is aangewezen als Provinciaal Beschermd Dorpsgezicht in 1994, wat inhoudt dat het verleden gerestaureerd en beschermd wordt, en als uitgangspunt dient voor veranderingen. Daarnaast is het plangebied ook onderdeel van het beschermde landschap Bijzonder Provinciaal Landschap Schagen. De dichtstbijzijnde kern is de stad Schagen. De planlocatie bevindt zich op korte afstand van de bushalte Barsingerhorn, en is bereikbaar via de provinciale wegen de N241 en de N248. Het perceel bestaat uit een ensemble van drie gebouwen: De voormalige stolpboerderij die dienst doet als bedrijfswoning, een veeschuur en een opslag. Het erf is in verval aan het raken. De omliggende gronden zijn ook in agrarisch gebruik. Op de navolgende afbeelding is de bestaande bebouwing weergegeven.
Overzicht bestaande gebouwen (bron: GeO Architecten)
Geschiedenis Het dorp is omringd door landbouwgrond en is onderdeel van het oude zeekleilandschap van West-Friesland. WestFriesland is ontstaan uit grote hoeveelheden sediment, die zijn afgezet door het Zeegat van Bergen. Dit getijdebekken, dat tot ver in het binnenland reikte, zorgde voor opslibbing met zand en klei uit zee. Vanaf de IJzertijd vernatte het gebied waardoor er veenontwikkeling tot stand kwam. Dit maakte het gebied ongeschikt voor bewoning. Vanaf de vroege middeleeuwen werd het gebied opnieuw in ontginning genomen. Rond Schagen werden al in de 8e of 9e eeuw veenontginningen gestart. Men trok steeds verder het veen in onder druk van de bodemdaling. De meeste nederzettingen in de veengebieden kregen de vorm van langgerekte linten. Barsingerhorn
pagina 8 van 39
is gelegen aan een lange dijk, waarschijnlijk aangelegd om het stijgende water vanuit de rivier de Kinloson tegen te houden tot de zuidelijk gelegen landerijen. Het land werd ontgonnen vanuit het lint, met een onregelmatige strooken blokverkaveling. Het veenpakket dat zich eerder op de kleibodem had ontwikkeld, is inmiddels verdwenen door oxidatie. Het gebied heeft echter wel de ruimtelijke karakteristieken van een veenontginningsgebied behouden. Rond 1999-2003 heeft de landinrichting Schagerkogge plaatsgevonden en is een grootschaligere structuur ontstaan. De structuur van de verkaveling is sterk veranderd, waarbij de kleinschalige landschapsstructuur is verdwenen. De hoofdstructuur van het landschap is nog herkenbaar, zoals de Heerenweg, de Leekerweg en een aantal grotere sloten.
Impressie huidige situatie plangebied (bron: Google Maps)
pagina 9 van 39
4
Planbeschrijving
Op het perceel aan de Heerenweg 12 wordt de realisatie van een woonzorgerf met dagbesteding mogelijk gemaakt. Op de navolgende afbeelding is een overzicht van de elementen op het erf weergegeven.
Situatieschets Heerenweg 12 (bron: GeO Architecten)
Met het voorliggende initiatief ontstaat de mogelijkheid om het verval van het erf en de stolp aan te pakken, waarbij aandacht is voor het behoud van het boerenkarakter en de bestaande details. Het opknappen van de stolp leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit aan het lint ten opzichte van de huidige situatie. Het perceel zal in overeenstemming met de huidige situatie bereikbaar zijn vanaf de Heerenweg, waarbij op het eigen terrein geparkeerd wordt. Door de parkeerplaatsen hier te situeren ontstaat ruimte voor een erf tussen de gebouwen. Het terrein wordt begrensd door natuurlijke afscheiding in de vorm van slootkanten met knotwilgen, struiken, hagen en een ecologische verbindingszone. De achterkant van het terrein wordt afgesloten met hekwerk. De eigenaar is voornemens om op de oostflank van het perceel zorg te dragen voor een ecologische verbindingszone naar overige bestaande ecologische linten. Deze verbinding versterkt de kansen van de lokale biodiversiteit en biedt daarmee een positieve en natuurlijke bijdrage voor de zorgontvangers op het erf. Groene erfafscheidingen op en langs de randen van het erf, in de vorm van hagen, dragen bij aan ruimtelijke definitie van het erf en dragen bij aan de biodiversiteit. Een inheemse houtsingel langs de randen draagt bij aan de landschappelijke inpassing van de herontwikkeling.
Aan de westzijde langs de sloot kan dit meer in de vorm van knotwilgen zijn, in plaats van een dichte singel.
pagina 10 van 39
Zorgvisie De ambitie is een integraal plan voor zorg en het hobbymatig houden van dieren (extensieve veehouderij). Op de zorgboerderij kunnen cliënten met een lichte tot matige verstandelijke beperking onder begeleiding wonen, logeren en van dagbesteding genieten. De dagbesteding bestaat naast basistaken in het huishouden ook uit activiteiten als het onderhouden van het erf en het verzorgen van de dieren. De dagbesteding is niet alleen gericht op bewoners van het erf, maar is ook voor cliënten die elders wonen. Echter zal de nadruk op het perceel liggen op het zorgwonen. Ontsluiting en verharding Het terrein wordt via de bestaande inrit ontsloten. Verhardingen van de inrit en rondom de bebouwing bestaan uit verhardingsmateriaal dat bij het landelijke boerenerf karakter past, zoals klinkerbestrating, schelpen, grind of een andere halfverharding. Door de erfinrichting sober te houden, sluit de ontwikkeling aan bij het landelijke karakter en identiteit en is het bovendien klimaatadaptief. Verder zijn parkeerplaatsen op het (voor)erf omzoomd met een haag.
pagina 11 van 39
5
Toetsing aan omgevingsplan
5.1
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden
Alle voorheen geldende bestemmingsplannen maken onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Hollands Kroon. Voor de planlocatie golden de bestemmingsplannen ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ (vastgesteld op 1 oktober 2014) en ‘Parkeren en Wonen’ (vastgesteld op 4 oktober 2018). Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het bestemmingsplan.
Uitsnede van bestemmingsplan buitengebied voormalige gemeente Niedorp (bron: omgevingsloket)
Het plangebied heeft de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Deze gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van akkerbouw- en tuinbouwbedrijven, dierhouderij-bedrijven, hobbymatig agrarisch gebruik, een bedrijfswoning, bijgebouwen en detailhandel ten behoeve van het agrarisch bedrijf en een recreatief verblijf. Een hoofdgebouw mag uitsluitend in het bouwvlak worden gebouwd, met een maximale oppervlakte van 120 m2, dan wel de hoogste bestaande oppervlakte (circa 300 m2 in de huidige situatie). De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan 3,5 en 9 meter, en de afstand tot de perceelsgrens is minstens 5 meter. De bebouwde oppervlakte van bijgebouwen mag bij een perceel van meer dan 1.000 m2 maximaal 150 m2 bedragen. Dit brengt het totaal toegestane bebouwde oppervlak op 450 m2. Verder geldt ter plaatse de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 2’ voor het merendeel van het perceel en ‘Waarde – Archeologie 3’ voor de meest zuidelijke strook van het perceel. Voor de waarde archeologie 2 verplicht het voorleggen van archeologisch onderzoek waarin wordt aangetoond dat de waarden reeds verstoord zijn of in hoeverre de waarden worden verstoord bij het realiseren van het initiatief bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 centimeter. Voor de waarde archeologie 3 geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 centimeter.
pagina 12 van 39
Het noordelijkste deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’. Met uitzondering van bestaande bouwwerken mag op deze gronden niet worden gebouwd, tenzij het ten behoeve is van de waterkering. Verder is het verboden om gronden af te graven of op te hogen en beplanting aan te brengen. Tot slot heeft het plangebied de waarde ‘Beschermd dorpsgezicht’. Deze gronden zijn mede bestemd voor het behoud en herstel van de karakteristieke, met historische ontwikkeling samenhangende structuur en de ruimtelijke kwaliteit van de gronden. Er mag slechts gebouwd worden indien het plan verenigbaar is met het behoud en herstel van de karakteristieken van het beschermd dorpsgezicht. Het uitvoeren van werkzaamheden zonder omgevingsvergunning is niet toegestaan. De voorgenomen ontwikkeling is niet toegestaan binnen het omgevingsplan. Derhalve dient ervan afgeweken te worden.
5.2
Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan
Het plan is op de volgende onderdelen strijdig met het omgevingsplan:
▪
Bestemming ‘Agrarisch met waarden’: o
Het beoogde woonzorggebruik is binnen deze bestemming niet toegestaan.
o
Dagbesteding is binnen deze bestemming niet toegestaan.
pagina 13 van 39
6
Beleid
6.1
Rijksbeleid
6.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2.
duurzaam economisch groeipotentieel;
3.
sterke en gezonde steden en regio's;
4.
toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.
Planspecifiek Onderhavig initiatief past binnen de derde prioriteit, waarmee het initiatief passend is binnen de intenties van dit rijksbeleid. Gezien de aard en omvang van het initiatief is de NOVI verder niet specifiek van toepassing op het plangebied.
6.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In artikel 5.129g wordt bepaald dat bij een plan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand, rekening gehouden moet worden met: a.
de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
b.
als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Planspecifiek In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor wat gezien wordt als
pagina 14 van 39
een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wel zijn in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hiervoor lijnen uitgezet. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een wijziging van het gebruik van agrarisch naar woonzorgerf met dagbesteding mogelijk gemaakt. Bij een maatschappelijke functie zoals een zorgcomplex is vanaf 500 m2 sprake van een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Derhalve is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dienen de ‘treden van de ladder’ te worden doorlopen. Behoefte In de woonvisie van de gemeente Hollands Kroon is beschreven dat de behoefte aan nieuwe vormen van samenwonen en combinaties van wonen en zorg toeneemt. Het beleid hiervoor wordt nog vastgelegd in een woonzorgvisie. De gemeente Hollands Kroon heeft een woonbehoefteonderzoek laten uitvoeren in 2023. De helft van de woningvoorraad is aanpasbaar aan de zorgvraag. Volgens dit onderzoek zijn er enkele honderden levensloopgeschikte woningen extra nodig, met daarbij 120 speciale woonzorgwoningen. Het voorliggende initiatief voorziet in dergelijke woningen. Gelet op voorgaande wordt ingespeeld op de vraag naar woningen in de regio en de gemeente en kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een kwantitatieve en een kwalitatieve behoefte naar speciale woonzorgwoningen.
Stedelijk gebied In de bijlage van het Bkl is stedelijk gebied als volgt geformuleerd: 'Stedelijk gebied is het samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaalculturele voorzieningen en infrastructuur. Het betreft het samenstel van bebouwing dat in een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.' In het lintdorp Barsingerhorn komen stedelijke en niet-stedelijke functies gemengd voor. Het dorp loopt dan ook geleidelijk over naar het buitengebied. Het plangebied ligt in het lint, tussen woningen. Een van de ambities uit de Woonvisie van de gemeente Hollands Kroon, die aan bod komt in paragraaf 6.3.2, is het herontwikkelen van vrijkomende agrarische percelen die grenzen aan kernen of dorpslinten. De planlocatie is dus geen onderdeel van het stedelijk gebied, maar is, gelet op de ligging in het lint, tussen woningen, hier goed voor geschikt. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan de ladder.
6.2
Provinciaal beleid
6.2.1 Omgevingsvisie Noord-Holland De omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 vastgesteld door de Provinciale Staten. Deze vervangt de structuurvisie voor ruimtelijke ordening, het waterplan, het milieubeleidsplan, het verkeers- en vervoerplan en de ruimtelijke aspecten van de natuurvisie uit de voorziene Wet natuurbescherming. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kúnnen investeren in een prettige leefomgeving. Daarbij wordt er uitgegaan van het principe ‘lokaal wat kan, regionaal wat moet’.
pagina 15 van 39
In de visie zijn 5 bewegingen met ontwikkelprincipes beschreven voor de ontwikkeling van de leefomgeving:
▪
Dynamisch schiereiland. Hierin is het benutten van de unieke ligging van Noord-Holland, te midden van water, leidend.
▪
Metropool in ontwikkeling. Hierin wordt beschreven hoe de Metropoolregio Amsterdam steeds meer als één stad functioneert.
▪
Sterke kernen, sterke regio’s, gaat over de ontwikkeling van centrumgemeenten die de gehele regio waarin ze liggen vitaal houden.
▪
Nieuwe energie, benut de economische kansen van de energietransitie.
▪
Natuurlijk en vitaal landelijke omgeving, staan het ontwikkelen van natuurwaarden en een economisch duurzame agrarische sector centraal.
Planspecifiek Het initiatief heeft betrekking op het ontwikkelprincipe ‘sterke kernen en regio’s’ uit de Omgevingsvisie NH2050. De provincie heeft de ambitie om regio’s verder te laten ontwikkelen en vitaal te laten blijven. Hierbij horen afspraken over woningbouw en de locaties van voorzieningen die gebiedsgericht zijn voor de ontwikkelingen in de regio. De beëindiging van een agrarisch bedrijf vormt hierbij een kans om binnen de bestaande dorpskernen te verdichten. Voorliggend initiatief is een vorm van ontwikkeling in het buitengebied waarbij aangesloten wordt bij het karakter van het dorpslint. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied is bereikbaarheid een belangrijke voorwaarde. Barsingerhorn valt onder het verzorgingsgebied van de kern Schagen en is goed bereikbaar per auto en openbaar vervoer. Derhalve kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie van NoordHolland.
6.2.2 Omgevingsverordening Nood-Holland De meest recente versie van de Omgevingsverordening NH2022 is op 3 januari 2026 in werking getreden. In de Omgevingsverordening NH2022 zijn gebieden benoemd waar uitgebreid omschreven staat welke activiteiten mogelijk zijn en onder welke voorwaarden. Enkele voorbeelden van deze zogeheten ‘werkingsgebieden’ zijn het Landelijk Gebied, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Provinciale Wegen. Deze gebieden en de bijbehorende regels zijn opgenomen in een digitale kaart (Regels op de kaart). Zo is in een oogopslag duidelijk welke regels waar gelden in Noord-Holland. De omgevingsverordening heeft de volgende doelstellingen:
▪
Het bereiken van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur;
▪
Het behoud en herstel van de biologische diversiteit; en
▪
Het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.
Planspecifiek Landelijk gebied Het omgevingsplan kan voorzien in een nieuwe stedelijke functie, maar dan moet voldaan worden aan de artikelen in paragraaf 6.2.2 van de omgevingsverordening. Het plan voldoet aan artikel 6.19a. Dit artikel voorziet in de
pagina 16 van 39
mogelijkheid de rechtmatig aanwezige bebouwing op een voormalig agrarisch bouwperceel, inclusief de agrarische bedrijfswoning, te gebruiken voor kleinschalige vormen van bijzondere huisvesting, werken, recreatie, gebruiksgerichte paardenhouderij of zorgactiviteiten, indien: a.
sprake is van volledige beëindiging van het agrarisch bedrijf;
b.
deze activiteiten de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarische bedrijven niet beperken;
c.
er geen buitenopslag buiten het bouwperceel plaatsvindt;
d.
deze activiteiten aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking hebben en er sprake is van een acceptabele verkeerssituatie;
e.
benodigde parkeerplaatsen op het eigen bouwperceel worden gerealiseerd;
f.
in geval van bijzondere huisvesting uitsluitend sprake is van afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgactiviteiten; en
g.
in geval van verblijfsrecreatie permanente bewoning wordt verboden.
Aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, aangezien er gebruik gemaakt wordt van rechtmatig aanwezige bebouwing en het plan gericht is op bijzondere huisvesting en zorgactiviteiten. Verder dient in het landelijk gebied rekening gehouden te worden met artikel 6.70. Deze luidt als volgt: Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a.
rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren;
b.
bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en
c.
bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.
Het plangebied is gelegen in het oude zeekleilandschap. Het zeekleigebied heeft door de ontstaansgeschiedenis de karakteristieken van een veenontginningsgebied, vooral herkenbaar aan de lange veenlinten en opstrekkende verkaveling haaks op de linten. De voormalige getijdegeulen zijn herkenbaar als relatief hooggelegen kreekruggen. De voormalige wadvlakten vormen laaggelegen en overwegend open kommen. In het Westfriese landschap zijn de ontginningsstructuren, vaarten en dijkwegen de belangrijkste lokale structuurlijnen. De lint(dorp) en met de vele stolpen zijn beeldbepalend en zijn van oudsher de ruimtelijke dragers van verstedelijking. Rondom Barsingerhorn is het landschap vrij open met lange zichtlijnen. Het groene beeld wordt bepaald door erfbeplanting en tuinen. In het lint staan stolpboerderijen.
pagina 17 van 39
Onderhavige aanvraag ziet enkel toe op het mogelijk maken van nieuw woonzorggebruik. De initiatiefnemer beoogt de uitstraling van ‘boerenerf’ voor de locatie te behouden. Groene erfafscheidingen op en langs de randen van het erf, in de vorm van hagen, dragen bij aan ruimtelijke definitie van het erf en dragen bij aan de biodiversiteit. Een inheemse houtsingel langs de randen draagt bij aan de landschappelijke inpassing van de herontwikkeling. Aan de westzijde langs de sloot kan dit meer in de vorm van knotwilgen zijn, in plaats van een dichte singel. Beschermd landschap Het plangebied is onderdeel van het beschermd landschap. Ontwikkelingen van meer dan 25 woningen of een toename van overige stedelijke functies met een bebouwd oppervlak van meer dan 500 m2 zijn hier op grond van artikel 6.59a niet toegestaan niet toegestaan. Kleinere ontwikkelingen zijn mogelijk mits de kernkwaliteiten niet geschaad worden. De kernkwaliteiten van het landschap komen uit het Bijzonder Provinciaal Landschap Schagen. Rondom het plangebied is een terp aanwezig. Terpen zijn verhogingen in het landschap, opgebouwd uit veen- en kleiplaggen. De terpen werden aangelegd als een stevige basis voor bebouwing in het inklinkende veenlandschap en als bescherming tegen hoog water. De openheid van het landschap rondom de lintbebouwing is een kernkwaliteit, en een hoge mate van verdichting tast dit aan.
Barsingerhorn heeft een stolpenstructuur, wat bestaat uit stolpboerderijen die kenmerkend zijn voor de Noord-Hollandse agrarische geschiedenis. Verstoringen van de onderlinge visuele samenhang binnen de stolpenstructuur en de relatie van het erf en het landschap zijn een aantasting van de kernkwaliteit. Het initiatief bevindt zich op een locatie met bestaande bebouwing waardoor de openheid van het landschap niet wordt aangetast. De stolpboerderij blijft behouden en zichtlijnen worden gerespecteerd. Daarnaast wordt het perceel groen ingericht met een ecologische verbindingszone. Risico's van klimaatverandering In artikel 6.75 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat bij een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering. In de beschrijving wordt in ieder geval betrokken op het risico op: a.
Wateroverlast: Bij een hevige bui van 140 millimeter in 2 uur is de waterdiepte op het merendeel van de planlocatie minder dan 5 centimeter. In het plangebied is enige wegzijging als gevolg van het grondwater, wat in 2050 om enige kwel. Dit is makkelijk op te vangen in de groene inpassing van het perceel.
b.
Overstroming: De planlocatie heeft geen kans op overstroming. Het aantal droge verdiepingen in Barsingerhorn is 80 tot 100%.
c.
Hitte: Het perceel bevindt zich in landelijk gebied en is niet gevoelig voor het stedelijk hitte eiland effect en extreme hittestress. De afstand tot de dichtstbijzijnde koele plaats is minder dan 200 meter.
d.
Droogte: Het plangebied is niet gevoelig voor bodemdaling als gevolg van droogte in de toekomst en licht gevoelig voor bodemdaling door ophoging. De locatie is niet gevoelig voor verschilzetting.
De verschillende risico’s van klimaatverandering vormen geen belemmering voor het initiatief. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het plan in lijn is met de bepalingen van de omgevingsverordening.
pagina 18 van 39
6.3
Gemeentelijk beleid
6.3.1 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon Op 19 februari 2026 is de Omgevingsvisie ‘HET VERHAAL VAN HOLLANDS KROON IN 2040’ vastgesteld. De visie is gericht op drie ambities van de gemeente: 1.
De omgeving is de basis voor het welzijn van inwoners: De gemeente ziet woningbouw als een middel om de leefbaarheid te verbeteren en wilt een geschikte woning voor elke doelgroep voorzien. Hierbij is het verduurzamen van de gebouwde omgeving met een natuurinclusieve buitenruimte.
2.
Agrarische hoofdstad van de toekomst: De gemeente wil een inspiratiecentrum voor innovatie worden met het landschap als fundament voor toekomstige agrarische activiteiten, waarbij natuur, water en landbouw samenwerken.
3.
Ruimte om te beleven: onder andere het zichtbaar maken van historie, het koesteren van bestaande trekpleisters, recreatie en het beleefbaar maken van unieke landschappen.
Barsingerhorn is onderdeel van het kernkwaliteitengebied ‘Noordelijk West-Friesland’. Het agrarische verleden en de ruilverkavelingen in de 20ste eeuw hebben het landschap beïnvloed. De kernkwaliteiten van het gebied zijn de cultuurhistorie van de kerken en vaarten, het karakteristieke open boerenlandschap, de diverse waterrijke natuurgebieden, het landelijk wonen in het buitengebied, de monumentale bebouwing, de waterstructuur, de eigen ontstaansgeschiedenis van de dorpen en de nabijheid van stedelijke voorzieningen.
Planspecifiek Het initiatief past bij de ambities van de omgevingsvisie. Het woonzorgerf draagt bij aan het creëren van een divers woningaanbod en helpt om een geschikte woningen te creëren voor bijzondere doelgroepen. De gemeente schrijft dat zorg zoveel mogelijk lokaal wordt georganiseerd, met ruimte voor geclusterde woonvormen en zorgboerderijen. Zorgboerderijen ziet de gemeente het liefst in het buitengebied aan de rand van een dorpskern met adequate voorzieningen. Met het in gebruik nemen van de stolpboerderij met bijbehorend perceel als woonzorg-erf, aan de rand van de dorpskern Barsingerhorn, wordt het voormalig agrarisch perceel herontwikkeld op de wijze die de omgevingsvisie voorschrijft. Het initiatief levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van het landschap in Hollands Kroon door aan te sluiten bij de ruimtelijke kwaliteit van het landschap, zoals omschreven in hoofdstuk 4. Het plan sluit aan op de ambities uit de omgevingsvisie en de concept omgevingsvisie.
6.3.2 Woonvisie Hollands Kroon ambitie en balans De woonvisie van de gemeente Hollands Kroon is vastgesteld op 17 september 2024. In de visie zijn vier inhoudelijke lijnen aanwezig: beschikbaarheid van woningen, betaalbaarheid voorop, duurzame kwaliteit en wonen, welzijn en zorg. De gemeente bouwt om de leefbaarheid en het voorzieningenniveau van de kernen te versterken in de verschillende kernen en dorpen. Tot 2030 wil de gemeente 3.200 nieuwbouwwoningen realiseren, inzetten op het splitsen van woningen en het benutten van vrijkomend agrarisch vastgoed. Hierbij is het belangrijk dat er voldoende betaalbare woningen toegevoegd worden. De gemeente werkt toe naar een aandeel van 30% sociale huur in een evenwichtige verdeling over kernen en wijken.
pagina 19 van 39
Bij het bouwen van nieuwe woningen en de bestaande woningvoorraad zet de gemeente in op duurzame kwaliteit. Dit gebeurt door middel van subsidies, energiecoaches en energieklussers. Woningcorporaties moeten voor 2028 woningen met een E, F of G label hebben aangepakt. Voor nieuwbouw is de bouwregelgeving (BENG) de norm, maar wordt ook biobased of circulair bouwen gestimuleerd. Tot slot wil de gemeente oud worden in het eigen dorp faciliteren. Er is veel vraag naar zorg door de toenemende vergrijzing, maar ook naar aangepaste woningen en combinaties van wonen en zorg. De gemeente faciliteert initiatieven in kleine dorpen, en voegt actief woningen toe in grotere dorpen. Zwaardere zorgvormen krijgen een plek in de kernen.
Planspecifiek Voor locaties die liggen aangrenzend aan de kernen of in of aan dorpslinten maakt de gemeente meer woningen mogelijk, door de vrijkomende agrarische percelen te herontwikkelen naar wooninitiatieven zoals erfdelen, hofwoningen voor senioren. Voorliggend initiatief past bij deze ambitie. Het initiatief bevindt zich naast het dorpslint van Barsingerhorn op een vrijkomend agrarisch perceel, en zet hier in op een maatschappelijke (woon)functie voor kwetsbare groepen. De woonvisie vormt geen belemmering voor het voorliggende initiatief.
pagina 20 van 39
7
Aspecten fysieke leefomgeving en milieu
De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord heeft op 16 april 2025 gereageerd op het conceptverzoek dat op 15 oktober 2024 is ingediend om een woonzorgerf met dagbesteding te realiseren op een agrarisch perceel. De GGD Hollands Noorden heeft ook gereageerd op de milieuaspecten geluid en spuitzones op 19 maart 2025. De Omgevingsdienst Noord-Holland Noord vraagt in de onderbouwing van de buitenplanse omgevingsplan activiteit om een uitgebreide milieuzonering met betrekking tot de woningen direct tegenover het perceel en de activiteiten die op het terrein van het woonzorgerf plaats kunnen vinden in verband met mogelijke geluidsoverlast. Het agrarisch gebruik uit het verleden verplicht tot een historisch vooronderzoek bodem en een mogelijk verkennend bodemonderzoek. De Omgevingsdienst adviseert ook een akoestisch onderzoek doordat de woningen die binnen de stolp gerealiseerd worden de voorkeursgrenswaarde overschrijden. De GGD Hollands Noorden benadrukt dat bron- en overdrachtsmaatregelen mogelijk nodig zijn, en adviseert isolerende maatregelen en een geluidsluwe zijde met een geluidbelasting van minder dan 50 dB Lden en 40 dB Lnight aan de slaapkamerzijde. Het perceel grenst aan agrarische gronden waar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan volgens het bestemmingsplan.
Er is een overeenkomst afgesloten met de eigenaar van het naastgelegen agrarisch erf om een spuitvrije zone van 50 meter aan te houden. De GGD Hollands Noorden heeft een reactie gegeven met betrekking tot de spuitzones en de mogelijkheid om op het voormalig agrarisch gebied van de spuitzones een natuurlijke inrichting te creëren. De door ODNHN en GGD genoemde aandachtspunten komen in onderhavig hoofdstuk aan bod.
7.1
Welstand
Artikel 22.29 lid 1 onder b (bruidsschat) bepaalt dat bestaande en nieuwe bouwwerken niet in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Veel gemeenten hebben deze welstandsnota waarin zij de beleidsregels hebben opgenomen. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. In het omgevingsplan kunnen welstandscriteria echter ook worden opgenomen in de ruimtelijke planregels, in plaats van in beleidsregels. Ook zijn er gemeenten die bepaalde gebieden hebben aangewezen die welstandsvrij zijn. Er vindt in deze gebieden dan geen welstandstoets plaats. Ook kunnen voor nieuwe ontwikkelingen bijvoorbeeld specifieke welstandsregels gelden die zijn opgenomen in een beeldkwaliteitsplan. Nota Omgevingskwaliteit Op 29 januari 2026 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hollands Kroon de Nota Omgevingskwaliteit vastgesteld. Deze nota geeft richting aan het behouden en ontwikkelen van omgevingskwaliteit bij ruimtelijke initiatieven. De nota fungeert als inspiratiebron, toetsingskader en handhavingsinstrument.
Planspecifiek Onderhavige aanvraag ziet enkel toe op het mogelijk maken van gebruik als woonzorgerf, waardoor toetsing aan de welstandsnota niet aan de orde is.
pagina 21 van 39
7.2
Verkeer en parkeren
7.2.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.
Planspecifiek Met behulp van de CROW-publicatie 744 kan in veel gevallen de verkeersgeneratie van de beoogde situatie worden berekend. Voor de stedelijkheidsgraad van de planlocatie wordt aangesloten bij de bevolkingsgegevens van het CBS, wat uitkomt op ‘niet stedelijk’. De planlocatie is gelegen in de ‘rest bebouwde kom’ van het dorp Barsingerhorn. Er komen steeds meer verschillende woonvormen voor zorgbehoevenden, die verschillen in de wijze waarop, en de mate waarin, wordt voorzien in zorg. Voor het toepassen van de parkeerkencijfers is het met name van belang in welke mate bewoners nog in staat zijn om zelf auto te rijden. Als ze een auto hebben en gebruiken, zijn de betreffende woningen te beschouwen als een ‘gewone’ woning. Is dat niet het geval, dan is meer sprake van een woonzorgcentrum. In onderhavig geval zal de doelgroep, mensen met een WLZ-indicatie, niet meer beschikken over rijbewijs en/of auto. De verkeersbewegingen zullen dan ook enkel door personeel, bezoek en leveranciers veroorzaakt worden. Voor dagbesteding zijn geen normen beschikbaar. De verkeersgeneratie is bij deze functie sterk afhankelijk van de praktijksituatie. De initiatiefnemer is voornemens om drie tot zes cliënten per dag te ontvangen. De cliënten worden opgehaald en gebracht door twee werknemers. Daarnaast komen op de locatie gemiddeld drie tot vier vrijwilligers.
Met deze gegevens kan het dagelijkse aantal verkeersbewegingen op ongeveer 12 per dag worden geschat. Het initiatief zal geen grote verkeersaantrekkende werking hebben en leidt dan ook niet tot problemen leiden op omliggende wegen. Wel is de wens uitgesproken door de gemeente om voldoende zicht op de uitrit te garanderen door groen te verwijderen, beperken of verplaatsen.
7.2.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type functie. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 744 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden
pagina 22 van 39
verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
Planspecifiek Om het aantal benodigde parkeerplaatsen in beeld te brengen wordt gebruik gemaakt van de ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’, vastgesteld op 2 juli 2021. De parkeerbehoefte van het woonzorgerf komt voornamelijk voort uit bezoek en personeel. Cliënten die komen voor dagbesteding worden gebracht door twee werknemers. Omdat hierbij sprake is van kiss&ride hoeft hiervoor geen extra parkeerplaatsen te worden aangelegd. In totaal zijn 10 parkeerplaatsen voorzien op het eigen terrein voor gebruik door bezoekers, werknemers en dagbesteding. De gemeente Hollands Kroon benadrukt in een reactie op het conceptverzoek dat een inschatting van het benodigde aantal parkeerplaatsen afhankelijk is van de hoeveelheid personeel dat gelijktijdig aanwezig is. Het beoogde aanbod voorziet in de parkeerbehoefte van zowel personeel als bezoek. Verder wordt geadviseerd om de hoekparkeerplaatsen 3 meter breed te maken zodat men comfortabel kan uitstappen zonder in het groen te staan. Aan deze eis zal voldaan worden.
7.3
Duurzaamheid en gezondheid
De aspecten duurzaamheid en de gezondheid van mensen zijn steeds belangrijkere thema’s geworden. Om die reden zijn duurzaamheid en gezondheid in de Omgevingswet verankerd. In artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit als een belangrijk maatschappelijk doel opgenomen. In een omgeving die gezond gedrag stimuleert, zijn de bewoners over het algemeen gezonder dan in een omgeving die daar niet op is ingericht. Toetsing aan de aspecten duurzaamheid en gezondheid is sterk afhankelijk van het gemeentelijk beleid op deze thema’s. Het gemeentelijk beleid ten aanzien van duurzaamheid en/of gezondheid in het omgevingsplan, zijn vastgelegd in de vorm van omgevingswaarden. De Rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw, die nu zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De nieuwe eisen zijn opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Gemeente Hollands Kroon Hollands Kroon heeft zich aangesloten bij het Convenant Toekomstbestendige Woningbouw, waarmee eisen gesteld worden aan nieuwe woningbouwprojecten op het gebied van energie, klimaatadaptatie, mobiliteit, biodiversiteit en circulariteit. De gemeente ambieert om brons of hoger te scoren op onderwerpen waar de ambitie al gehaald is. Voor energie, circulariteit en loop- en fietsroutes houdt de gemeente de ambitie brons aan. Voor de laadpalennorm, deelmobiliteit, klimaatadaptatie en natuurinclusiviteit en biodiversiteit streeft de gemeente de ambitie goud na. Voor groenblauwe structuren geldt de ambitie zilver.
pagina 23 van 39
Planspecifiek Omdat de verbouwing van de bebouwing ingrijpend is moeten de BENG-eisen worden nageleefd. In het kader van de bouwtechnische aanvraag wordt dan ook een BENG-berekening gemaakt. In ieder geval wordt de bebouwing sterk verduurzaamd.
7.4
Geluid
De regels voor geluid zijn opgenomen in de bruidsschat en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag moet bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De kern is dat geluidgevoelige gebouwen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. Een geluidgevoelig gebouw (artikel 3.21 Bkl) wordt gedefinieerd als een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:
▪
woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
▪
gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
▪
bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Het beschermen van een geluidgevoelig gebouw gebeurt aan de hand van vastgestelde geluidaandachtsgebieden, waarbij instructieregels gelden. De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale
wegen,
gemeentewegen,
waterschapswegen,
hoofdspoorwegen,
lokale
spoorwegen
en
industrieterreinen.
Planspecifiek Het planvoornemen voorziet in het mogelijk maken van woonzorg. Woningen zijn geluidgevoelige gebouwen zoals bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het projectgebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Heerenweg, derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeer uitgevoerd (Buro SRO, d.d. 20 maart 2026, zie bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat de hoogste waarde van het gezamenlijk geluid 53 dB bedraagt (stolp). Volgens het Bbl moet de minimale karakteristieke geluidwering van de gevel 20 dB (53 – 33 = 20 dB) zijn, waardoor een acceptabel woon- en leefklimaat geborgd wordt. Voor de gevels van de woningen die in de stolp gehuisvest worden zijn geen aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig; er wordt immers voldaan met de minimale waarde uit het Bbl (20 dB). Hiermee voldoet het plan aan de kaders van de Omgevingswet.
7.5
Activiteiten en milieuzonering
De ‘Vereniging van Nederlandse Gemeenten’ (VNG) heeft in 2024 de uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gepubliceerd. De nieuwe handreiking ondersteunt de uitvoeringspraktijk bij keuzes over de toelaatbaarheid en inpassing van 'milieuhinderlijke activiteiten' onder de Omgevingswet. Het begrip ‘milieuhinderlijke activiteiten’ wordt gehanteerd om alle (bedrijfs)activiteiten met een hindercontour vanwege geur- en/of geluidproductie in één passende term te vangen. Door middel van milieuzonering kan een kader worden vastgelegd voor de toelating van deze activiteiten ten opzichte van gebieden waar wordt gewoond en waar milieugevoelige activiteiten aanwezig zijn. Onder een milieugevoelige activiteit wordt een activiteit verstaan waarvoor de ondervonden milieubelasting bepalend is voor het bereiken en in stand houden van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
pagina 24 van 39
Een gemeente kan in haar omgevingsplan voorzien in een set regels voor bedrijventerreinen en andere werkterreinen, in het bijzonder voor geluid en geur. Uitgangspunt blijft functiescheiding waar dat nodig is en het toepassen van inwaartse zonering binnen bedrijventerreinen en andere werkterreinen. Daarbij geldt: hoe groter de afstand tot de woonomgeving, hoe meer gebruiksruimte voor geluid en geur per milieuhinderlijke (bedrijfs-)activiteit beschikbaar is. De inwaartse zonering krijgt vorm door maximaal drie zones voor geluid en twee zones voor geur. De zones zijn afhankelijk van de ligging ten opzichte van gebieden met milieugevoelige activiteiten. Zones, waarden en afstanden Voor een milieuhinderlijke activiteit op een bedrijventerrein of ander werkterrein geldt voor geluid de basiswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde tot de grens van het woongebied of op 50 meter van de grens van de locatie waar de activiteit wordt verricht. De gemeente heeft de mogelijkheid in het omgevingsplan een zone ‘geluid verruimd’ toe te passen om op bedrijventerreinen, niet zijnde industrieterreinen, ook de zwaardere milieuhinderlijke activiteiten te voorzien van voldoende standaard geluidruimte (50 dB(A) tot maximaal 100 m van eigen terreingrens). Ook kan de zone ‘geluid beperkt’ toegepast worden. In dat geval mag er maximaal 45 dB(A) op de grens van het rustig woongebied geproduceerd worden.
Voor geur geldt de basiswaarde 0,5 ouE/m³ als 98-p en 2 ouE/m³ als 99,9-p traploos over eerste 50 meter tot grens woongebied of vanaf de eigen terreingrens. Ook voor geur kan de gemeente een zone ‘verruimd’ of ‘beperkt’ aan een bedrijventerrein of werkterrein toekennen. Gebiedstypen In de meeste omgevingsplannen worden, behalve regels voor het hele ambtsgebied, ook regels opgenomen voor verschillende gebiedstypen, bijvoorbeeld voor woongebied, centrumgebied, bedrijventerrein, industrieterrein en buitengebied. Er wordt onderscheid gemaakt in twee soorten woongebieden: het gebiedstype ‘rustig woongebied’ en ‘gemengd gebied met wonen’. De gemeente dient in het omgevingsplan de locatie van de gebiedstypen aan te wijzen en hier regels aan te verbinden. Met een rustig woongebied wordt in de handreiking de gebruikelijke woonwijk en woonbuurt bedoeld. Met gemengd gebied met wonen wordt een gebied bedoeld waar een menging van aan een locatie toegedeelde milieugevoelige en milieuhinderlijke activiteiten aanwezig is of wordt beoogd. Onder een gemengd gebied met wonen kan ook lintbebouwing en woongebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen worden verstaan. Voor een gemengd gebied met wonen geldt geen functiescheiding met inwaartse zonering.
Hierdoor zijn er geen aanvullende planregels nodig die inwaartse zonering vormgeven, zoals die volgens deze handreiking wel gelden op een bedrijventerrein en andere werkterreinen. Het uitgangspunt in een gemengd gebied met wonen is dat hier alleen milieuhinderlijke activiteiten gevestigd worden, die naar aard en impact op de omgeving passend zijn. In de basis mag het gebruik niet leiden tot milieuhinder buiten de grens van de bedrijfslocatie, dan wel verder reiken dan de overzijde van de openbare weg waaraan de activiteit ligt. De standaard (gebiedsgerichte) regels in het omgevingsplan (en in eerste instantie de Bruidsschat) bieden de basis om activiteiten wat betreft hun milieugebruiksruimte evenwichtig aan locaties toe te kunnen delen. Bestaande activiteit Wanneer van een bestaande rechtmatige activiteit bekend is dat deze niet voldoet aan de nieuwe milieuwaarden voor geur en geluid, ligt het voor de hand om de bestaande milieugebruiksruimte specifiek (op maat) te regelen. Dit
pagina 25 van 39
kan bijvoorbeeld via een eigen functieaanwijzing met regels of met een maatwerkvoorschrift. Voor de bestaande activiteiten kan daarom een overgangsbepaling worden opgenomen op basis waarvan een bestaande, maar niet onderkende overschrijding van de waarden onder voorwaarden kan worden voortgezet. Het moet gaan om een rechtmatige en feitelijk aanwezige geluid- of geurbelasting, ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging van het omgevingsplan. Andere milieuthema’s dan geur en geluid Een groot aantal milieuthema’s is al op een andere wijze afdoende gereguleerd, waardoor de VNG-handreiking niet op deze milieuthema’s is gericht. Het betreft:
▪
Luchtverontreiniging.
▪
Externe veiligheid en gevaar.
▪
Trillinghinder.
▪
Geur door agrarische activiteiten in het buitengebied.
▪
Lichthinder.
▪
Spuitzones.
▪
De hinder door verkeer aantrekkende werking.
Planspecifiek Met het beoogde initiatief wordt een agrarisch perceel (milieubelastende activiteit) omgezet naar een milieugevoelige functie (woonzorg). Dit kan bedrijven hinderen in hun bedrijfsvoering. Daarnaast dient inzichtelijk te worden gemaakt dat ter plaatse van de beoogde woonzorgwoningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Navolgend wordt beschouwd of dit aan de orde is. Aan de hand van het bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’ is gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied. In de omgeving bevinden zich meerdere activiteiten met een agrarische of bedrijfsfunctie. Om dit te toetsen is bijlage 5 van de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten geraadpleegd. In de directe omgeving van het te realiseren initiatief bevinden zich een begraafplaats, een ijssalon en een bed en breakfast. Voor deze activiteiten is ten alle tijden functiemenging mogelijk. Bij agrarische activiteiten, die ook in de omgeving aanwezig zijn, is geur en geluid van het bebouwingsensemble maatgevend. Het plangebied bevindt zich tussen landerijen, maar ligt niet in de buurt van agrarische bebouwing. Geluid en geur van agrarische activiteiten zijn dan ook uit te sluiten. Spuitzones Bij agrarische activiteiten zijn ook spuitzones relevant.
De uit de jurisprudentie gegroeide vuistregel bedraagt 50 m tussen agrarische percelen en gevoelige functies. Er is geen harde wettelijke norm, maar in vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak geldt 50 meter als een redelijke minimale afstand. Er kan gemotiveerd worden afgeweken als maatregelen of omstandigheden dat rechtvaardigen. Het plangebied grenst aan drie zijden aan percelen die in agrarisch gebruik zijn. Op de betreffende agrarische gronden worden geen planten, bomen of gewassen geteeld. De kans dat er bestrijdingsmiddelen worden gebruikt
pagina 26 van 39
is dan ook klein. Desalniettemin biedt het omgevingsplan wel de mogelijkheid om hier gewassen te telen en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. Om de spuitzone weg te nemen koopt de initiatiefnemer de betreffende gronden aan. Daarnaast wordt het middels een maatwerkvoorschrift bij de vergunning onmogelijk gemaakt gewasbeschermingsmiddelen toe te passen. Dit maatwerkvoorschrift gaat gelden voor de zone zoals weergegeven in bijlage 6 bij deze onderbouwing. Conclusie Omliggende milieubelastende activiteiten worden niet gehinderd in hun uitvoering. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een goed woon- en leefklimaat.
7.6
Luchtkwaliteit
De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.
Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.
2.
Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.
Planspecifiek De planlocatie ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 3.000 woningen (twee ontsluitingswegen) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van de Atlas Leefomgeving is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De totale concentraties over 2023 van fijnstof PM10, fijnstof PM2,5 en stikstofdioxide O2 in het plangebied bedragen respectievelijk 13,5 μg/m³ fijnstof PM10, 6,1 μg/m³ fijnstof PM2,5 en 8,47 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
7.7
Archeologie en cultuurhistorie
In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed
pagina 27 van 39
onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen. De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan.