Bijlage 7 Quickscan FF plus Voortoets Stikstofberekening
Tekst van het document
Quickscan flora & fauna en Voortoets stikstofdepositie Herinrichting Polderweg 30 en Oosterweg 6 te Hippolytushoef 19 april 2024, Hippolytushoef
Opdrachtgever: AMB Advies Korte Bosweg 55 1756 CA ‘t Zand Tel: 06-29148106 e-mail: info@ambadvies.nl
Opdrachtnemer: Bureau Aandacht Natuur Slingerweg 85 1777AG Hippolytushoef Tel: 06-24818383 e-mail: info@aandachtnatuur.nl www.aandachtnatuur.nl
Lid Netwerk Groene Bureaus
Bureau Aandacht Natuur
Inhoudsopgave 1. Inleiding…………………………………..…………………………………….. blz. 2 1.1 Aanleiding en doel……………..………..…………………………………….. blz. 2 1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet……....….…………………….…..blz. 2 2. Huidige situatie en methode….…………………………………………….... blz. 7 2.1 Locatiebeschrijving…………...………...……..………..…………..………… blz. 7 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen…….…blz. 9 2.3 Houtoptanden.....……………………………..………..…………..………….. blz. 9 2.4 Methode………...……………………………..………..…………..………….. blz. 10 3. Resultaten soortbescherming ….…..………..…………..………………….. blz. 11 3.1 Flora…………………………………………………….……...……………......blz. 11 3.2 Vogels…………………………………………………….…………………...... blz. 12 3.3 Zoogdieren……………………………………………….…………………...... blz. 12 3.4 Amfibieën…..…………………………………………….…………………...... blz. 14 3.5 Overige beschermde soorten.....…………………………………................. blz. 14 4. Resultaten gebiedsbescherming.…..………..…………..………………….. blz. 15 4.1 Natura 2000 gebieden…………………………………......……………........ blz. 15 4.2 Bijzonder Provinciaal Landschap……………..……….…………………...... blz. 24 4.4 Overige aspecten gebiedsbescherming…....…………….……………….... blz. 26 5. Conclusies en advies….……….…………..……………………………….… blz. 28 5.1 Soortbescherming...…………………………………….…………………...... blz. 28 5.2 Gebiedsbescherming…………………………..……….…………………...... blz. 31 5.3 Houtopstanden.………………………………………….…………………...... blz.
34 Literatuurlijst……...……………………………………………...…………………. blz. 35 Bijlage 1: Natuurbescherming in de Omgevingswet Bijlage 2: Aerius-berekening realisatiefase Bijlage 3: Aerius-berekening gebruiksfase
1
Bureau Aandacht Natuur
1. Inleiding In opdracht van AMB advies heeft een quickscan flora en fauna in het kader van de Omgevingswet plaatsgevonden met betrekking tot de bestemmingsplanwijziging en herinrichting van het erf aan de Polderweg 30 en Oosterweg 6 te Hippolytushoef Op 21 februari 2024 heeft een verkennend veldonderzoek plaatsgevonden. De bevindingen van dit onderzoek aangevuld met literatuurgegevens worden hieronder verder besproken. 1.1 Aanleiding en doel Aan de Polderweg 30 en Oosterweg 6 bestaat het voornemen om beide erven opnieuw in te richten als Stoeterij. Ten behoeve van de Polderweg 30 dient hiervoor de bestemming te worden gewijzigd van wonen naar agrarisch. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling heeft op 21 februari 2024 een verkennend veldonderzoek ten behoeve van de quickscan flora en fauna in het kader van de Omgevingswet plaatsgevonden. Het veldonderzoek is uitgevoerd door dhr. M. Volkers van Bureau Aandacht Natuur. Doel van het onderzoek is om vast te stellen of de beoogde locatie een functie heeft voor beschermde dier- en plantensoorten.
Figuur 1. Ligging van de projectlocatie aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6 te Hippolytushoef.
1.2 Aanvullingsspoor Natuur Omgevingswet Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden en omvat alle regels met betrekking tot activiteiten in de fysieke leefomgeving. De (voormalige) Wet Natuurbescherming (2017 t/m 2023) is hierbij onderdeel geworden van de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur richt zich op de bescherming van planten- en diersoorten, natuurgebieden, natuurverbindingen en houtopstanden. Bepaalde handelingen, waaronder ruimtelijke ingrepen, waarbij beschermde soorten of gebieden in het geding zijn, zijn slechts bij uitzondering en onder voorwaarden mogelijk. Centraal hierbij staat de specifieke zorgplicht. Deze specifieke zorgplicht houdt in dat 2
Bureau Aandacht Natuur
iedereen ‘voldoende zorg’ in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving. Hieronder volgt een beknopte toelichting van de verschillende onderdelen van de natuurbescherming in de Omgevingswet. Voor een meer uitgebreide toelichting wordt verwezen naar bijlage 1. Gebiedsbescherming Met de gebiedsbescherming zijn de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De beschermde gebieden uit de onder andere de vogel- en habitatrichtlijnen zijn hiermee opgenomen in de zogeheten Natura 2000-gebieden. Andere te beschermen gebieden zijn aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN), natuurverbinding of bijzondere natuurgebieden en/of bijzondere (provinciale) landschappen. Een project of activiteit die plaatsvindt in een Natura 2000 gebied en geen verband houdt met het beheer van het gebied, betreft een zogeheten Natura 2000-activiteit. Dergelijke plannen dienen dan ook vooraf te worden getoetst aan de hiertoe aangewezen instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000 gebied middels een Voortoets, Passende Beoordeling of een ADC-toets. Een onderdeel hiervan is tevens de beoordeling van externe effecten zoals de stikstof-emissie van projecten ten opzichte van eventueel aanwezige stikstofgevoelige habitats (Programma stikstofreductie en natuurverbetering).
Met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten in de wet een verplichting opgenomen tot het gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15). Als nadelige gevolgen niet voorkomen kunnen worden, dan verplicht de specifieke zorgplicht om met betrekking tot deze gevolgen passende preventieve maatregelen te nemen of, als dit niet gaat, om passende herstelmaatregelen te treffen. Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de activiteiten van deze maatregelen worden gemonitord. Voor de NNN, natuurverbindingen of andere beschermde gebieden gelden andere toetsingscriteria. Hierbij gaat het om een toetsing van de ‘wezenlijke’ of ‘landschappelijke’ kenmerken en waarden van een gebied of natuurverbinding. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de betreffende provincie. Soortenbescherming Een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren en planten, betreft een zogeheten flora en fauna-activiteit, en vallen hiermee onder de soortenbescherming. De soortenbescherming kent drie beschermingsregimes, namelijk voor soorten van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn (inclusief het verdrag van de Bern en Bonn) en een apart beschermingsregime voor ‘andere soorten’ die vanuit nationaal oogpunt beschermd zijn.
Het uitgangspunt van de wet is dat geen schade aan soorten en/of hun (functionele) leefomgeving mag worden toegebracht, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het ‘nee, tenzij-principe’). Voor een flora en fauna-activiteit, waarbij bekend is of het vermoeden bestaat dat er beschermde dieren- en plantensoorten voorkomen, staat de “specifieke zorgplicht”. Dit houdt in dat iedereen die een flora- en fauna-activiteit uitvoert, nadelige gevolgen zoveel mogelijk moet voorkomen, beperken of ongedaan maken. Naast de binnen de wet aangewezen beschermde soorten, heeft dit ook betrekking tot de algemeen voorkomende beschermde soorten waar een vrijstelling van de vergunningsplicht voor geldt. Om de instandhouding van de wettelijk beschermde soorten te waarborgen, moeten negatieve effecten op die instandhouding voorkomen worden. De mate van negatieve effecten is afhankelijk van soort, locatie en aard van de ingreep. Voor de soortbescherming zijn per beschermingsregime dan ook een aantal verbodsbepalingen van kracht.
3
Bureau Aandacht Natuur
Vogelrichtlijnsoorten Op alle in het wild voorkomende vogels is dit beschermingsregime van toepassing. Hiermee zijn schadelijke handelingen aan in het wild levende vogels niet toegestaan en betreffen: het opzettelijk storen, doden of vangen van vogels, het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels, het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels of het opzettelijk wegnemen van nesten. Vogelsoorten zijn voornamelijk tijdens de broedperiode beschermd. Voor het verstoren van broedende vogels of nesten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Buiten het broedseizoen mogen de nestplaatsen, zonder vergunning, worden verstoord, mits dit niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Daarnaast zijn de voortplantings- en vaste rust- of verblijfplaatsen van een aantal vogelsoorten jaarrond beschermd (mits niet definitief verlaten). Het betreft nesten van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Negatieve effecten dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren.
Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden, is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; - in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; - ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; - ter bescherming van flora of fauna; - voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, - om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen verslechtering van de staat van instandhouding van vogelsoort(en) optreedt. Habitatrichtlijnsoorten Deze soorten worden beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. Op deze soorten is het beschermingsregime van toepassing.
Schadelijke handelingen ten aanzien van habitatrichtlijnsoort betreffen: het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk doden of vangen van in het wild levende dieren, het beschadigen, vernielen of rapen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren en het opzettelijk verontrusten van bedoelde diersoorten. Met betrekking tot de hierin opgenomen plantensoorten bestaan schadelijk handelingen uit het in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen. Voor het verstoren van deze soorten kan in het belang van een ruimtelijk ingreep of bestendig beheer en onderhoud geen vergunning of vrijstelling worden verkregen. Negatieve effecten en daarmee een vergunningsaanvraag dienen te worden voorkomen door voorafgaand aan het project mitigerende (verzachtende) maatregelen op te stellen en uit te voeren. Als ondanks het treffen van mitigerende maatregelen niet kan worden voorkomen dat de verbodsbepalingen worden overtreden is een vergunning noodzakelijk, maar kan alleen op grond van de volgende belangen worden afgegeven: - in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; - ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 4
Bureau Aandacht Natuur
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; - voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of - om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Een vergunning kan mogelijk verleend worden, als door de maatregelen geen afbreuk wordt gedaan aan het streven de populaties van Europees beschermde soorten in hun natuurlijk verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
-
“Andere” nationaal beschermde soorten Dit betreffen de overige soorten welke bescherming vanuit nationaal oogpunt behoeven. In bijlage IX van artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving staat een limitatieve lijst van soorten uit de soortgroepen zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten. Schadelijke handelingen t.a.v. deze soorten betreffen: het opzettelijk doden of vangen van dieren, het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren en het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten. Het beschermingsregime voor deze 'nationaal' beschermde soorten is geïnspireerd op de Habitatrichtlijn, maar zijn in sommige opzichten minder streng. Zo zijn de hierboven genoemde verboden niet van toepassing op de bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Tevens is het mogelijk om voor deze soorten een vergunning of vrijstelling te verkrijgen in het kader van een ruimtelijke inrichting dan wel bestendig beheer en onderhoud. Ten aanzien van de ruimtelijke ordening en bestendig beheer is per provincie voor een aantal soorten een aparte vrijstellingslijst opgesteld.
Het betreft veelal algemeen voorkomende soorten uit het beschermingsregime ‘andere’ beschermde soorten. Bescherming houtopstanden Voor het vellen van bomen buiten de bebouwde kom1 in een houtopstand groter dan 10 are of een bomenrij van meer dan 20 bomen, dient dit vooraf te worden gemeld/ aangevraagd. De initiatiefnemer is hierbij verplicht om hetzelfde areaal te herplanten. Vrijstelling of vergunning Bij werkzaamheden waarbij een schadelijk effect optreedt voor beschermde soorten of gebieden, is een vergunning of vrijstelling nodig. De verantwoording van de Omgevingswet ligt, met uitzondering van projecten van nationaal belang, veelal bij Gedeputeerde Staten. Bij enkel- en meervoudige aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit (art. 4.6 Omgevingsbesluit) is de provincie het bevoegd gezag. Bij het indienen van een meervoudige aanvraag voor een omgevingsvergunning voor meerdere activiteiten, waaronder een Natura 2000-activiteit, ligt de bevoegdheidsverdeling anders en is de desbetreffende gemeente het bevoegd gezag. De gemeente is echter verplicht om een verzoek tot advies en instemming te vragen aan Gedeputeerde Staten of het ministerie van Natuur & Stikstof (art. 4.25, resp. art. 4.12 en 4.13 Omgevingsbesluit). 1
De begrenzing van de bebouwde kom zoals vastgesteld door het college als “bebouwde kom Boswet”
5
Bureau Aandacht Natuur
GS of de Minister voor Natuur & Stikstof wordt dan het adviesorgaan. Deze moet binnen 4 weken besluiten op het verzoek (art. 16.18 Omgevingswet). Het adviesorgaan dat instemming heeft verleend, heeft een mede-handhavingsbevoegdheid voor het deel waar zij mee is ingestemd (art. 13.3 Omgevingsbesluit). Het adviesorgaan dat de instemming heeft verleend, kan daarnaast het bevoegd gezag verplichten de omgevingsvergunning te wijzigen of in te trekken (art. 5.41 Omgevingswet). Gemeenten zijn als bevoegd gezag omgevingsvergunning er mede verantwoordelijk voor om te beoordelen of een aanvraag omgevingsvergunning compleet is. Het is ook mogelijk om een aparte vergunning of vrijstelling voor een flora en fauna-activiteit en/of Natura 2000-activitiet in het kader van de Omgevingswet aan te vragen bij de desbetreffende provincie (bevoegd gezag). De eindverantwoordelijkheid voor de aan te leveren informatie ligt bij de aanvrager/ initiatiefnemer. Voor het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit gelden de indieningsvereisten uit artikel 7.197h van de Omgevingsregeling. Hierbij dienen de voortoets en/of passende beoordeling (eventueel inclusief de ADC-toets) te worden bijgevoegd. Art. 16.64 van de Omgevingswet bepaald dat de algemene beslistermijn voor een omgevingsvergunningaanvraag 8 weken bedraagt (enkelvoudige aanvraag), of 12 weken (meervoudige aanvraag).
De eenmalige verlengingstermijn is (ten hoogste) 6 weken. Echter, met betrekking tot de vergunningsaanvraag voor Natura 2000-activiteiten is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (UOV-procedure) van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 3.4) van toepassing (art. 10.24, lid 1, onder j van het Omgevingsbesluit). Dan geldt een beslistermijn van 26 weken.
6
Bureau Aandacht Natuur
2. Huidige situatie en methode 2.1 Gebieds- en planbeschrijving Het projectgebied is gelegen op de hoek van de Polderweg en de Oosterweg in de Polder Waard Nieuwland, ten oosten van Hippolytushoef. De Polder Waard Nieuwland is een aangedijkte polder aan de zuidzijde van Wieringen en stamt uit 1847.
Figuur 2. Huidige situatie van het erf aan de Polderweg 30.
Figuur 3. Huidige situatie van het erf aan de Oosterweg 6.
7
Bureau Aandacht Natuur
De planlocatie bestaat uit het erf aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6. Beide erven grenzen aan elkaar, waarbij het zuidelijk gelegen erf aan de Polderweg 30 bestaat uit een woonboerderij met een kapschuur. Aan de noordzijde van het erf aan de Polderweg 30 bevindt zich een paardenweide, rijbak en tredmolen. Rondom het erf zijn restanten van windsingels aanwezig. De Oosterweg 6 betreft een boomrijk erf met een woning en een voormalige kippenschuur welke is aangepast tot een (tijdelijke) paardenstal en berging. Achter de stal bevindt zich een kleine paardenbak en een klein grasveld omzoomd door coniferen. De voor(oost)zijde van het erf is deels voorzien van een beton- en een half-verharding. Rond de kippenstal en aan de voor(oost)zijde van het erf is een dicht struweel aanwezig.
Figuur 4. Inrichtingsschets met betrekking tot de erven aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6.
Het planvoornemen bestaat uit een herinrichting van beide erven voor de realisatie van een stoeterij op de locatie. Voor de stoeterij zal achterop het erf aan de Polderweg 30 (aan de westzijde) een rijhal worden gebouwd. Hiervoor dient de aanwezige kapschuur te worden verwijderd. Aan de oostzijde van het erf komen de paddocks voor de stalling van de paarden. Tussen de rijhal en de paddocks zal het terrein worden verhard ten behoeve van transportbewegingen en parkeergelegenheid. Verder worden op het terrein aan de Polderweg 30 een longeercirkel, stapmolen en een mestopslag gerealiseerd. Voor de beoogde inrichting zal tevens de agrarische bebouwing (voormalige kippenschuur) aan de Oosterweg 6 verwijderd. De woonboerderij en woning op beide erven blijven gehandhaafd binnen de plannen. Verder voorziet het plan in een landschappelijke inrichting en zullen de erven van elkaar worden gescheiden door meer openheid in de vorm van een paardenweide op de plaats
8
Bureau Aandacht Natuur
van de kippenstal. Rond het erf aan de Polderweg 30 zal de bestaande (restanten van) de windsingel worden versterkt door extra aanplant van bomen en struiken. Ook aan de noordzijde van het erf aan de Oosterweg 6 zal de windsingel worden behouden en waar nodig versterkt met extra aanplant. 2.2 Ligging t.o.v. Natura 2000 gebieden, NNN en natuurverbindingen De planlocatie is niet gelegen in een Natura 2000 gebied of aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een natuurverbinding. Echter is de projectlocatie gelegen in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen, zie figuur 3. De planlocatie ligt verder op een afstand van circa 1,75 kilometer tot de dichtstbijzijnde Natura 2000 gebieden De Waddenzee en het IJsselmeer. Het plangebied bestaat uit twee erven in een vrij intensieve landbouwpolder (akkerbouw) en bevat geen elementen die de specifieke waarden van Natura 2000 gebieden versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten.
Figuur 4. Ligging van de projectlocatie (rood kader) in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen (donker groen) en ten opzichte van de Natura 2000 gebieden de Waddenzee en het IJsselmeer.
2.3 Houtopstanden Rond het erf zijn geen vergunningsplichtige houtopstanden aanwezig. De te kappen bomen en struweelranden binnen de projectlocatie zijn onderdeel van een erfbeplanting. Bij het verwijderen van bomen en struiken ten behoeve van de herinrichting is geen sprake 9
Bureau Aandacht Natuur
van een (aantasting van) beschermde houtopstand zoals bedoeld in het aanvullingsspoor natuur van de Omgevingswet. Uiteraard blijft voor de kap van bomen de gemeentelijke kapverordening van toepassing. 2.4 Methode Op 21 februari 2024 heeft overdag een veldbezoek plaatsgevonden aan de hierboven beschreven projectlocatie. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten binnen of in de directe omgeving van de projectlocatie. Verder is op ook basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
10
Bureau Aandacht Natuur
3. Resultaten soortbescherming Tijdens het veldonderzoek zijn met uitzondering van een aantal vogelsoorten geen beschermde soorten aangetroffen. Aanwezige opstallen zijn niet geschikt als vaste rusten verblijfplaats van beschermde soorten en ook in bomen in de directe omgeving zijn geen mogelijke vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels of vleermuizen aangetroffen. Tabel 1. Te verwachten beschermde soorten binnen het plangebied. soortgroep
te verwachten beschermde soorten
functie plangebied
flora
-
-
vogels
algemene vogelsoorten
broed- en foerageergebied
Vleermuizen
gewone dwergvleermuis
foerageergebied
laatvlieger
foerageergebied
ruige dwergvleermuis
foerageergebied
algemeen voorkomende zoogdieren
leefgebied
(kleine) marterachtigen
leefgebied
rugstreeppad
-
Overige zoogdieren overige soorten
Hieronder worden per soortgroep de bevindingen van het onderzoek verder omschreven en aangegeven welke beschermde soorten eventueel te verwachten dan wel uit te sluiten zijn binnen de projectlocatie. 3.1 Flora Binnen het projectgebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De projectlocatie bestaat uit twee erven met een gazon, verharding, singels en struweel. De aanwezige opstallen vormen geen groeiplaats voor (beschermde) muurplanten. Inheemse (on)kruiden tussen de bestrating en in het gras betreffen soorten als brede weegbree, gewone paardenbloem, gewone hoornbloem, zachte ooievaarsbek, madelief. Veldzuring, smalle weegbree, kruipende boterbloem, klein kruiskruid en witte klaver. De singles en struweelbeplanting bestaan uit verschillende loofhoutsoorten zoals grauwe abeel, veldiep, zomerlinde, zomereik, schietwilg, zwarte els, gewone esdoorn, veldesdoorn, éénsteilige meidoorn, sleedoorn en vlier. In de ondergroei zijn wilde planten soorten aanwezig als kamperfoelie, klimop, braam, hondsroos, fluitenkruid, grote brandnetel en kleefkruid. Beschermde plantensoorten worden gezien de aanwezige terreintypen niet verwacht. Uit de omgeving van het plangebied (0-5 km) is uitsluitend de beschermde plantensoort Tengere Distel bekend (FLORON/NDFF, 2023). De Tenger distel komt op Wieringen uitsluitend voor op de Wierdijk aan de zuidzijde van het voormalige eiland.
Gezien de aanwezige terreintypen worden beschermde plantensoorten niet verwacht aan of in de directe omgeving van het plangebied.
11
Bureau Aandacht Natuur
3.2 Vogels Met betrekking tot vogels zijn tijdens het veldonderzoek enkele algemene vogelsoorten zoals roodborst, winterkoning, merel, koolmees, houtduif, Turkse tortel, ekster, kauw, torenvalk, kokmeeuw en stormmeeuw waargenomen in de omgeving de projectlocatie. Op en rond de projectlocatie zijn geen vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats aangetroffen. In de singels rondom het terrein zijn geen bomen met een eventuele nestplaats van roofvogels zoals sperwer, havik, boomvalk of ransuil aanwezig. Ook in de opstallen (kapschuur en oude kippenstal) zijn geen sporen zoals nesten, braakballen, prooiresten of ruiveren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van vogels met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Beide schuren zijn wel toegankelijk voor een soort als kerkuil, maar van recente sporen van aanwezigheid van deze soort is geen sprake. Naast enkele oude krijtstrepen (mogelijke uitwerpselen van kerkuil) langs de oostgevel aan de binnenzijde van de kapschuur, zijn er geen recente sporen van gebouw bewonende vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaats aangetroffen.
Figuur 4. Kapschuur toegankelijk voor een soort als kerkuil
Met de herinrichting van de projectlocatie wordt tevens niet verwacht dat functioneel leefgebied van vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats wordt aangetast of vernield. De erven krijgen een agrarische bestemming en de aanwezige windsingels rond polderweg 30 zullen worden versterkt, waardoor jachtgebied van roofvogels of uilen niet zal verdwijnen. 3.3 Zoogdieren Met uitzondering van graafsporen van bruine rat, zijn er op of rond de projectlocatie zijn geen zoogdieren of sporen daarvan waargenomen. Verwacht wordt dat de projectlocatie het leefgebied vormt voor enkele algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoort als huisspitsmuis, veldmuis, bosmuis en egel. Bij een flora en fauna-activiteit geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft (ook) voor deze soorten de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet, te allen tijde van toepassing. Met betrekking tot de zwaarder beschermde soorten is bekend dat hermelijn, wezel, bunzing, steenmarter en boommarter voorkomen in het betreffende atlasblok (5x5km). Voor deze soorten geldt de bovengenoemde vrijstelling niet. 12
Bureau Aandacht Natuur
In de bebouwing zijn geen sporen (uitwerpselen, prooiresten of nestmateriaal) aangetroffen die wijzen op een verblijfplaats van marterachtigen. De singels rond de erven vormen daarentegen geschikt leefgebied voor kleine marterachtigen. Echter wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting het leefgebied van kleine marterachtigen zal verdwijnen. Genoemde marterachtigen hebben een groot territorium van soms enkele (tientallen) hectares, waar de singels onderdeel van uitmaken. Naast dat een deel van de singels wordt verwijderd voor het creëren van een doorzicht naar de polder. Daarbij voorziet het plan in versterking van landschapselementen zoals het versterken van de windsingel rond het erf aan de Polderweg 30. Mits delen van bestaande beplantingen worden verwijderd buiten de voortplantingsperiode van kleine marterachtigen (april t/m augustus), wordt niet verwacht dat met de herinrichting essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van (kleine) marterachtigen worden verstoord of verwijderd.
Figuur 5. Voormalige kippenstal niet toegankelijk voor vleermuizen, door aansluitende betimmeringen en struweel langs de zijgevels met lage goothoogte.
Verder kan worden verwacht dat er verschillende soorten vleermuizen voorkomen in de (directe) omgeving van de planlocatie. Gezien de situering van de projectlocatie en de aanwezige terreintypen, kan worden verwacht dat het projectgebied van enig belang is voor vleermuizen. De te slopen schuren vormen geen geschikte verblijfplaats voor vleermuizen. De voormalige kippenstal bestaat uit een houten betimmering en is geïsoleerd. De zijwanden zijn echter niet toegankelijk voor vleermuizen door de lage goothoogte en aanwezig struweel. De voorgevels bestaan uit een betimmering van houten plaatmateriaal en vertonen geen naden of kieren waar vleermuizen achter weg kunnen kruipen. Verder is het gebouw voorzien van een zadeldak met (asbest) golfplaten, welke niet geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De kapschuur betreft een enkelwandige constructie en is opgebouwd deels een halfsteens gevel (oostgevel) en een enkelwandige houten betimmering (gepotdekseld) en is daarmee niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Het dak bestaat uit een harde golfplaat en beidt eveneens geen ruimte als verblijfplaats voor vleermuizen. De dakranden zijn aan de westzijde afgewerkt met een metalen hoekprofiel, welke direct aan de kopgevel is geschroefd. De oostgevel betreft een 13
Bureau Aandacht Natuur
houten boeideel, welke eveneens direct tegen de kopgevel is bevestigd. Aan de kapschuur zijn dan ook geen tussenruimtes geconstateerd waar vleermuizen achter kunnen wegkruipen. Vleermuizen hebben veelal de voorkeur voor openingen die van onderaf toegankelijk zijn en toegang bieden tot ruimtes die een bepaalde temperatuurgradiënt hebben en tochtvrij zijn (www.zoogdiervereniging.nl). Door de enkelwandige constructies en de aanwezigheid van golfplaten dakconstructie, zijn de stal en kapschuur niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Ook in bomen op en rond het erf zijn geen holtes in bomen waargenomen die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Daarbij staan de singels rond beide erven niet in verbinding met andere lijnvormige structuren of opgaande landschapselementen in de omgeving, waardoor niet wordt verwacht dat de erfbeplanting van belang is als vliegroute of essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Als laatste is het voorkomen van waterspitsmuis bekend van Wieringen (voor 2005). De soort komt voor in schone, heldere wateren met een goed ontwikkelende watervegetatie en oevers die ruig begroeid zijn, variërend van vochtige kruidenrijke vegetaties tot elzenbroekbos.
Binnen het plangebied is echter geen sprake van geschikt leefgebied, aangezien watervoerende sloten of andere waterelementen met een rijke oeverbegroeiing of een goed ontwikkelende watervegetatie ontbreken. Andere beschermde (grondgebonden) zoogdieren worden gezien de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeur niet verwacht binnen of in de directe omgeving van het plangebied. 3.4 Amfibieën Met betrekking tot amfibieën is het mogelijk dat enkele algemeen voorkomende beschermde amfibieën, zoals gewone pad of bruine kikker, worden aangetroffen op en rond de projectlocatie. Bij een flora en fauna-activiteit geldt voor deze soorten een vrijstelling in het kader van de ruimtelijke ordening of bestendig beheer. Uiteraard blijft (ook) voor deze soorten de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving van de Omgevingswet, te allen tijde van toepassing. Met uitzondering van de omliggende kavelsloten zijn er op beide erven geen waterelementen aanwezig, waardoor geschikt voortplantingshabitat binnen het projectgebied ontbreekt voor genoemde amfibieën. Naast de aanwezigheid van algemeen voorkomende amfibieën, is tevens het voorkomen van de strikt beschermde soort rugstreeppad bekend uit de atlasblok gegevens waarbinnen de planlocatie valt (Creemers & van Delft, 2009 en telmee.nl).
Betreffende soort komt in de kop van Noord-Holland vrij algemeen voor en plant zich voort in ondiepe sloten en vaak tijdelijke waterplassen en poelen/vijvers. Aangezien waterelementen ontbreken op beide erven wordt niet verwacht dat rugstreeppad voorkomt binnen de projectlocatie. Echter is het mogelijk dat dieren voorkomen in omliggende akkers en zich voortplanten in de ondiepe kavelsloten in de omgeving van het projectgebied. Andere in de Wet Natuurbescherming aangewezen beschermde amfibieën komen aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens (Creemers & van Delft, 2009) niet voor in dit deel van Noord-Holland. 3.5 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd zijn niet aangetroffen op de projectlocatie. Overige beschermde soorten (vissen, reptielen, dagvlinders, libellen, kevers en andere ongewervelde) worden op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren niet verwacht binnen of in de omgeving van het projectgebied.
14
Bureau Aandacht Natuur
4. Resultaten gebiedsbescherming De projectlocatie is gelegen in het Bijzonder Provinciaal Landschap Wieringen en op 1,75 kilometer van de Natura 2000 gebieden De Waddenzee en het IJsselmeer. Hieronder wordt per onderdeel van de gebiedsbescherming de mogelijke externe effecten op het planvoornemen beschreven. 4.1 Natura 2000 gebieden De projectlocatie ligt op circa 1,75 kilometer van de Natura 2000 gebieden De Waddenzee en het IJsselmeer. Gezien de afstand en de ligging in het vrij intensieve landbouwgebied van Polder Waard Nieuwland ten zuiden van het voormalig eiland Wieringen, wordt niet verwacht dat er directe negatieve effecten zijn te verwachten van de sloop- en bouwactiviteiten zoals geluid, trillingen, licht, optische verstoring of mechanische effecten. Echter is het mogelijk dat een negatief effect ontstaat door stikstofdepositie in Natura 2000 gebieden in zowel de gebruiks- als realisatiefase van het project. Middels een stikstofberekening in Aerius dient te worden aangetoond dat er zowel tijdens de gebruiks- als realisatiefase geen sprake is van een extern effect op nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Al jaren is er in Natura 2000-gebieden een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden) door bijvoorbeeld mest van landbouwbedrijven en uitstoot door industrie en auto's. Dit is schadelijk voor de natuurgebieden.
Per Natura 2000 gebied is in beheerplannen aangegeven welke habitattypen gevoelig zijn voor (overmatige) stikstofdepositie en welke afspraken hierover zijn vastgelegd. Alleen als de hoeveelheid laag genoeg is (onder de gestelde drempelwaarde van 0,00 mol N per hectare per jaar), zijn nieuwe activiteiten met stikstofuitstoot mogelijk.
Om te beoordelen of het planvoornemen effecten heeft op de stikstofdepositie, en daarmee op Natura 2000 gebieden, zijn de beoogde werkzaamheden beoordeeld en doorgerekend middels het rekeninstrument Aerius. Aerius berekent hoeveel ruimte er is voor nieuwe (economische) ontwikkelingen, in dit geval de realisatie van een stoeterij aan de Polderweg 30 en de Oosterweg 6 te Hippolytushoef. Beoordeling van de stikstofdepositie In de huidige situatie hebben beide erven uitsluitend een woonbestemming en worden er hobbymatig 5 paarden gehouden. Met de realisatie van een stoeterij zal de bestemming aan de Polderweg 30 worden gewijzigd naar agrarisch met wonen. Voor de realisatie van een stoeterij zullen een rijhal met stallen en paddocks worden gerealiseerd. Ten behoeve van het planvoornemen zijn twee stikstofberekeningen gemaakt, één voor de realisatiefase en één voor de gebruiksfase. Aangezien Aerius rekent met een uitstoot per jaar, is
15
Bureau Aandacht Natuur
uitgegaan van de bouwfase in 2024 en de gebruiksfase vanaf 2025. Hierbij is tevens de referentie situatie met vijf hobbypaarden meegenomen in de berekening. Referentiefase Beide woningen op de percelen Polderweg 30 en Oosterweg 6 worden momenteel gasgestookt. Voor een vrijstaande woning geldt een gemiddeld gasverbruik van 2.200 m³ per jaar. Dit stemt overeen met het gasverbruik van de woning op Oosterweg 6. Voor de grote boerderij op Polderweg 30 geldt een gasverbruik van 6.500 m³ gas per jaar. In totaal betreft dit een gasverbruik van 8.700 m3 per jaar. Een stookinstallatie veroorzaakt enige mate van stikstofuitstoot (NOx). Op basis van het Activiteitenbesluit geldt dat rookgas van een ketelinstallatie met een nominaal vermogen van 1 Megawatt of meer aan de emissiegrenswaarde van 70mg/Nm³ moet voldoen. Op basis van deze gestelde eis wordt ervan uitgegaan dat de emissie per kubieke meter aardgas dus maximaal deze grenswaarde betreft. In dit geval heeft de stookinstallatie een vermogen kleiner dan 1 Megawatt (0,6 Megawatt), maar in artikel 3.10b van het Activiteitenbesluit staat aangegeven dat een kleinere installatie, aardgas gestookt, ook aan de emissiegrenswaarden van 70mg/Nm³ moet voldoen. Aardgas, 1 m³, gebruikt op basis van de samenstelling 8,43 Nm³ lucht (stoichiometrisch). Dit geeft een stoichiometrisch rookgasvolume van 7,7 Nm³ (droog).
Bij een zuurstofovermaat van 3% wordt dit getal gecorrigeerd met 21/ (21-3) = 1,16667. De concentratie NOx bedraagt 70 mg/Nm³. Met bovenstaande gegevens kan de jaaremissie van NOx van de ketel worden berekend. Het gasverbruik (in m³) x 7,7x1,16667 x 70/1.000.000 = emissie NOx kg/ per jaar. Een gasverbruik van 8.700 m³ per jaar leidt tot een stikstofemissie van 5,4 kg/jaar. Aantal aanwezige paarden In de huidige situatie worden hobbymatig 5 paarden op het perceel gehouden. Dit betreft paarden jonger dan 3 jaar. Verkeersbewegingen Voor beide vrijstaande woningen in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van 8,6 verkeersbewegingen per woning. Het aantal verkeersbewegingen in de huidige situatie is totaal 17,2 verkeersbewegingen per etmaal. Dit betreft 6278 (365 x 17,2) verkeersbewegingen per jaar. Realisatiefase Voor de realisatie van de stoeterij worden de bestaande, voormalige agrarische opstallen gesloopt. Voor de sloopwerkzaamheden wordt een mobiele kraan ingezet (32 uur) en een hoogwerker (32 uur). De verwachting is dat er 15 vrachtwagens (30 verkeersbewegingen) nodig zijn voor de aan- en afvoer van machines en sloopmateriaal. Gedurende 5 dagen rijden er twee bestelbusjes van en naar de planlocatie. Voor de realisatie van de stoeterij vinden er bouwwerkzaamheden plaats.
Voor het heien van de fundering wordt een heistelling ingezet (16 uur) en voor het koppen snellen een mobiele kraan (4 uur). Voor het maken van de betonfundering wordt een betonpomp gebruikt (6 uur). Diverse mobiele werktuigen zijn uitgevoerd met SCR-technologie, zodat AdBlue kan worden toegevoegd. AdBlue is een transparante vloeistof die onschadelijk is en eenvoudig te gebruiken. Dankzij de SCR-technologie en AdBlue zijn deze mobiele werktuigen schoner, omdat de stikstofemissies aanzienlijk lager zijn. Voor Stage IV werktuigen bedraagt de hoeveelheid Ad Blue 6% van het dieselverbruik. De mobiele kraan en bouwkraan zijn uitgerust met SCR-technologie.
16
Bureau Aandacht Natuur
De opbouw van de constructie, het aanbrengen van de dak- gevelbeplating en afrondende werkzaamheden wordt een bouwkraan (40 uur) en 2 hoogwerkers ingezet (160 uur). Alle overige werkzaamheden worden uitgevoerd met elektrisch materieel. Voor het leveren van beton en bouwmateriaal is de verwachting dat er 22 vrachtwagens nodig zijn (44 verkeersbewegingen). Gedurende 60 dagen rijden er twee bestelbusjes van en naar de planlocatie (240 verkeersbewegingen). Tabel 2. Overzicht van de extra verkeersbewegingen en de inzet van zwaar materieel in de bouwfase.
Bewegingen 3 maanden Vrachtwagen
74
Bestelbus Mobiele kraan Heistelling Betonpomp Bouwkraan Hoogwerkers
280
Uren
Klasse
36 16 6 40 192
75 – 560 kW 75 – 560 kW 75 – 560 kW 75 – 560 kW < 56 kW
Brandstof (l/j)
AdBlue (l/j)
432 256 90 560 1536
25
33
Gebruiksfase De nieuwe rijhal met stallen wordt niet verwarmd, waardoor er geen stikstofemissie optreedt als gevolg van het gebruik van aardgas. Voor beide woningen op de Polderweg 30 en Oosterweg 6 geldt dat door het gebruik van aardgas een stikstofemissie van 5,4 kg/jaar optreedt. Dit is gelijk aan de referentiefase. Aantal aanwezige paarden Het aantal paarden op het perceel zal toenemen van 5 naar maximaal 20 paarden in de stoeterij. Verkeersbewegingen Voor beide vrijstaande woningen in het buitengebied geldt een verkeersgeneratie van in totaal 6278 verkeersbewegingen per jaar (gelijk aan referentiesituatie). Het aantal verkeersbewegingen van en naar de planlocatie zal in verband met de ontwikkeling van de stoeterij wel toenemen. Voor de stoeterij geldt dat er gemiddeld 1 bezoeker per dag het bedrijf bezoekt gedurende de werkweek. Dit betreft 10 verkeersbewegingen per week en 520 verkeersbewegingen per jaar (52 x 10). Gemiddeld komt er 1 vrachtwagen per week om stro, voer of andere benodigdheden voor de stoeterij te brengen of mest af te voeren. Dit betreft 2 verkeersbewegingen per week en 104 verkeersbewegingen per jaar. Tabel 3. Overzicht van de extra verkeersbewegingen in de gebruiksfase.
Vrachtwagen
Extra bewegingen per jaar 104
Personenauto
520
Veranderingen in stikstofbalans Binnen dit planvoornemen zijn ook de bouwwerkzaamheden en bijbehorende verkeersbewegingen van het plan aan te merken als tijdelijke (minder dan een half jaar) stikstofbronnen voor de omgeving en de omliggende Natura 2000-gebieden. De uitstoot van extra stikstof door de verkeersaantrekkende werking en het (tijdelijke) brandstofverbruik van de zware machines zoals een heistelling, hoogwerker, graafmachine, 17
Bureau Aandacht Natuur
bouwkraan en betonpomp zijn de belangrijkste bronnen van stikstofemissie. In tabel 4 is de totale emissie per onderdeel van de bouwfase weergegeven. Tabel 4. Overzicht van de stikstof-emissie in kg/j, per onderdeel van de realisatiefase.
18
Bureau Aandacht Natuur
Ten aanzien van de gebruiksfase is gerekend met (de toename van) het aantal verkeersbewegingen en het aantal dieren, zie tabel 5. Het energieverbruik voor beide woningen, en daarmee ook de stikstofemissie, is gelijk aan de referentiefase. Tabel 5. Stikstofemissie (kg/jr) in de gebruiksfase van de stoeterij aan de Polderweg 30.
Ten behoeven van de stikstofberekeningen is het huidige gebruik op de projectlocatie als referentiesituatie ingevoerd, waarbij de reeds aanwezige hobbypaarden (5 dieren jonger dan 3 jaar) zijn opgenomen. Het gebruik en de verkeersbewegingen ten aanzien van de woningen aan de Polderweg 30 als de Oosterweg 6 blijven zowel tijdens de bouw- als gebruiksfase gelijk ten opzichte van de referentiesituatie. 19
Bureau Aandacht Natuur
De stikstofemissie door het planvoornemen in de tijdelijke bouwfase kent hierbij een toename van 50,3 kg NOx per jaar en 0,4 kg NH3 per jaar. Voor de gebruiksfase betreft het een structurele toename van 0,3 kg NOx per jaar en 31,5 kg NH3 per jaar. Middels het programma Aerius zijn de beoogde situaties ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat het nabij gelegen Natura 2000 gebieden tijdens de bouwfase geen overschrijding verkrijgt door de (extra) stikstofdepositie van de beoogde werkzaamheden (uitvoeringsfase), zie bijlage 2. Met het doorrekenen van de gebruiksfase blijkt echter dat het nabijgelegen Natura 2000 gebied de Waddenzee een overschrijding verkrijgt door (extra) stikstofdepositie, zie de Aeriusberekening van de gebruiksfase in bijlage 3. Voortoets stikstofdepositie gebruiksfase Middels het programma Aerius is de nieuwe situatie ingevoerd en doorgerekend. Hieruit blijkt dat er in het naastgelegen Natura 2000 gebied de Waddenzee een toename wordt verkregen van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen in de gebruiksfase door toedoen van het projectvoorstel. De toename van de stikstofdepositie in het natura 2000 gebied de Waddenzee is beperkt tot 2 hexagonen. Deze bevinden ten noorden van Den Oever.
Figuur 6. De twee hexagonen in het Natura 2000 gebied de Waddenzee, waar een overschrijding van de stikstofdepositie wordt verkregen door het planvoornemen.
Door het planvoornemen is er sprake van een toename in de stikstofdepositie op 0,57 hectare met een maximum van 0,08 mol per hectare per jaar. Het gaat hierbij om de volgende hectares per habitattypen:
20
Bureau Aandacht Natuur
De instandhoudingsdoelstelling van betreffende habitattypen zijn beschreven in het Natura 2000 beheerplan Waddenzee 2016-2022 (A. Nicolai, juli 2016). Het Natura 2000 beheerplan is per 12 december 2022 met instemming van de bevoegde gezagen verlengd, wat is vastgelegd in de Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden (Staatscourant 2022, 32331). Het betreffende Natura 2000 beheerplan is hiermee nog steeds leidend voor de toetsing. De instandhoudingsdoelstellingen voor de betreffende habitattypen zijn als volgt weergegeven (bron: www.natura2000.nl):
Voor de habitattypen H1330A, H1310A en H1320 is het instandhoudingsdoel behoud (=) van oppervlakte in het gebied. Voor “Schorren en zilte graslanden” (H1330A) wordt gestreefd naar een verbetering (>) van kwaliteit, met een kernopgave (1.16) behoud met alle successiestadia, zoet-zout overgangen, verscheidenheid in substraat en getijregime en mede als Hoogwatervluchtplaats. Voor “zilte pioniersbegroeiingen”(H1310A) en “Slijkgraslanden” (H1320) is het streven naar behoud (=) van kwaliteit. De relatieve bijdrage van deze habitattypen in de Waddenzee ten opzichte van de landelijke Staat van Instandhouding betreft >50% (A3) bij “zilte pioniersbegroeiingen” (H1310A) en “Schorren en zilte graslanden” (H1330A) en 30-50% (A2) voor “Slijkgraslanden” (H1320). De huidige trend in de Waddenzee van genoemde habitattypen is stabiel (A. Nicolai, juli 2016). Van bovengenoemde habitattypen is H1330A Schorren en zilte graslanden het meest gevoelig voor een toename van de stikstofdepositie. De kritische depositiewaarde (KDW) van dit habitattype is 1.429,00 mol stikstof (N) per hectare per jaar. De 2 hexagonen waar een toename in de stikstofdepositie is vastgesteld door toedoen van het projectvoornemen hebben een achtergronddepositie van 1.368,35 en 1.393,82 mol N per hectare per jaar. Hieronder worden de toenames in de stikstofdepositie per hexagoon verder uitgewerkt: 1.
Het eerste hexagonen (7200743) is gelegen aan de westzijde van de Schor van Den Oever en kent een toename van 0,08 mol stikstof (NOx + NH3). Zoals in figuur 7 aangegeven gaat het om een toename van 0,08 mol (0,10 – 0,02) NOx + NH3 per jaar op 0,2 hectare H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). 21
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 7. Hexagoon 1 met toename van 0,08 mol/ha door het planvoornemen.
De achtergronddepositie in het betreffende hexagoon bedraagt 1.368,35 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare per jaar. De kritische depositiewaarden (KDW) van aanwezige habitattypen (zie figuur 1) zijn hierbij als volgt: H1310A zilte pioniersbegroeiingen 1.643,00 NH3 + NOx per ha/jr. H1320 Slijkgraslanden 1.643,00 NH3 + NOx per ha/jr. H1330A Schorren en zilte graslanden 1.429,00 NH3 + NOx per ha/jr. De achtergronddepositie van 1.368,35 mol stikstof (NH3 + NOx) zal door het projectvoornemen toenemen met 0,08 mol; en bedraagt dan 1.368,44 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare. Dit is nog ruim 60 mol stikstof onder de kritische depositiewaarden (KDW) van het betreffende habitattypen, waardoor de KDW van genoemde habitattypen in dit hexagoon niet worden overschreden door het projectvoornemen. 2. Het tweede (naastgelegen) hexagoon (7205332) kent eveneens een toename van 0,08 mol stikstof (NH3 + NOx) door het projectvoornemen. Zoals in figuur 8 aangegeven gaat het om een toename van 0,08 mol op 0,3 hectare H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks). De achtergronddepositie in het betreffende hexagoon bedraagt 1.393,82 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare per jaar. De kritische depositiewaarden (KDW) van aanwezige habitattypen (zie figuur 8) zijn hierbij als volgt: H1330A Schorren en zilte graslanden 1.429,00 NH3 + NOx per ha/jr.
De achtergronddepositie van 1.393,82 mol stikstof (NH3 + NOx) zal door het projectvoornemen toenemen met 0,08 mol; en bedraagt dan 1.393,92 mol stikstof (NH3 + NOx) per hectare. Dit is nog ruim 35 mol stikstof onder de kritische depositiewaarden (KDW) van het betreffende habitattypen, waardoor de KDW van genoemde habitattypen in dit hexagoon niet worden overschreden door het projectvoornemen. 22
Bureau Aandacht Natuur
Figuur 8. Hexagoon 2 met toename van 0,08 mol/ha door het planvoornemen.
In figuur 9 zijn de totaal aantal hectares per habitattypen weergeven, waarop een toename van de stikstofdepositie is berekend door toedoen van het projectvoornemen. Zoals hierboven per hexagoon is weergegeven, leidt geen van genoemde toenames in de stikstofdepositie tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden van stikstofgevoelige habitattypen.
Figuur 9. Hoogste percentage aan toename van de kritische depositiewaarde per habitattype voor het planvoornemen is 0%.
Gezien de relatief lage achtergronddepositie in betreffende hexagonen leidt de ontstane toename van de stikstofdepositie niet tot een overschrijding van de kritische depositiewaarden (KDW), waardoor op betreffende habitattypen geen sprake is van een achteruitgang van het areaal dan wel een verslechtering van de kwaliteit.
23
Bureau Aandacht Natuur
4.2 Bijzonder Provinciaal Landschap De aanwijzing als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) betreffen gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn en niet vallen binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De regelgeving met betrekking tot deze gebieden is vastgelegd in de Omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland (NH2020) en is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. Het voormalig eiland Wieringen, waarbinnen het plangebied is gelegen, is zo’n deelgebied. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. De ontwikkeling van de Stoeterij in Polder Waard Nieuwland draagt bij aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek, door opnieuw agrarische activiteiten te ontplooien in de Polder Waard Nieuwland. In het BPL wordt beschreven dat de Polder Waard Nieuwland een rationeel agrarisch landschap heeft. De Stoeterij wordt zorgvuldig ingepast in het cultuurhistorische landschap en de ruimtelijke kwaliteit op de percelen wordt verbeterd door op de planlocatie onder andere meer doorzicht te realiseren.
Hieronder worden de ruimtelijke inpassing per kernkwaliteit behandeld Aardkundige en landschappelijke waarden Het historische reliëfrijke en kleinschalige landschap is typerend voor Wieringen. Het stuwwallandschap op het voormalige eiland heeft afwisselend hogere keileembulten en lagere kogen (vlakke en open hooilanden) en polders. Het contrast tussen dit glooiende landschap en de vlakke polders in de omgeving, maakt deze kernkwaliteit extra bijzonder. Ruimtelijke ontwikkelingen die zorgen voor zichtbare ophogingen of afvlakkingen van het reliëf of de zichtbaarheid van het reliëf verminderen, zijn een aantasting van deze kernkwaliteit.
Figuur 6. Ligging van de planlocatie (rood kader) in het BPL met de landschappelijke karakteristiek van de verkaveling in Polder Waard Nieuwland.
24
Bureau Aandacht Natuur
Het beoogde plan voorziet niet in een ophoging of een nivellering van de hoogte verschillen. De projectlocatie zijn gelegen in de Polder Waard Nieuwland en betreffen twee bestaande erven en worden niet opgehoogd of afgegraven ten behoeve van de planontwikkeling, Ook wordt de zichtbaarheid van het reliëf niet aangetast, aangezien de ontwikkeling plaatsvindt op reeds bestaand erven en wordt er geen afbreuk gedaan aan het landschappelijke karakter van het BPL. Van een significante aanpassing in de kavelstructuur van de Polder Waard Nieuwland is eveneens geen sprake.
Figuur 7. Ligging van de planlocatie (rood kader) in het BPL aangaande de kernkwaliteit openheid en ruimtebeleving.
Openheid en ruimtebeleving Wieringen kenmerkt zich door een afwisseling tussen openheid en beslotenheid. Het grootste gedeelte van Wieringen heeft een besloten en kleinschalig karakter. Dit komt hoofdzakelijk door het reliëf en de beplanting. In de kogen is openheid en ook Polder Waard-Nieuwland is aan weerszijden van de middenas open. Deze afwisseling tussen openheid en beslotenheid zorgt voor een hoge ruimtelijke kwaliteit in dit BPL. Ruimtelijke ontwikkelingen in het open landschap van de kogen en Polder Waard-Nieuwland zijn een aantasting van deze kernkwaliteit. De voorgestane ontwikkeling heeft betrekking op twee bestaande erven, welke reeds aan elkaar zijn verbonden middels erfbeplantingen (singels), waardoor er geen sprake is van een aantasting van het open landschap van de Polder waard Nieuwland. Daarbij voorziet het planvoornemen in het creëren van een oost-west zichtlijn tussen beide erven, door de sloop van de kippenstal en het verwijderen van de coniferen aan de westzijde van het erf aan de Oosterweg 6. De openheid aan weerszijden van de middenas van de Polder Waard Nieuwland, wordt hiermee niet aangetast door de voorgenomen ontwikkeling en is er geen sprake van een aantasting van deze kernkwaliteit.
De oostzijde van de Polder Waard Nieuwland is verder niet aangewezen als habitat voor weidevogels, waardoor er door versterking van de windsingels rond Polderweg 30 geen sprake is van een aantasting van de kernkwaliteit openheid voor weidevogels. Ruimtelijke dragers Met betrekking tot de kernkwaliteit “ruimtelijke dragers” heeft de projectplan geen gevolgen. Het BPL Wieringen kent verschillende ruimtelijke dragers, waaronder de historische wegen, dijken en linten. Het middenlint aan de Polderweg in Polder Waard25
Bureau Aandacht Natuur
Nieuwland fungeert als hoofdas en is bepalend geweest voor de verkaveling in de polder. Dit middenlint scheidt de polder in twee gelijke delen met geometrische kavels die loodrecht op deze middenas staan. De bebouwing ligt langs de Polderweg als verspreide enclaves in het open landschap. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk mits er voldoende doorzichten in het lint blijven bestaan en zij zorgvuldig worden ingepast in de karakteristiek van het lint. Ruimtelijke ontwikkelingen die bestaande doorzichten volledig blokkeren zijn een aantasting van de kernkwaliteit.
Figuur 8. Ligging van de planlocatie (rood kader) in het BPL aangaande de kernkwaliteit ruimtelijke dragers.
De voorgestane ontwikkeling heeft betrekking op twee bestaande erven, welke met elkaar zijn verbonden door de erfbeplanting (singels), waardoor er geen sprake is van een aantasting van bebouwingslint met doorzichten in de Polder Waard Nieuwland. Daarbij voorziet het planvoornemen in het creëren van een oost-west zichtlijn vanaf de Oosterweg door de sloop van de kippenstal en het verwijderen van de coniferen aan de westzijde van het erf aan de Oosterweg 6. Met de voorgenomen ontwikkeling is er dan ook geen sprake van een aantasting van deze kernkwaliteit. Beide erven zijn verder niet gelegen aan of op de Wierdijk of de Dijk Polder Waard Nieuwland, waardoor de planontwikkeling geen aantasting kent van deze ruimtelijke dragers. 4.3 Overige aspecten gebiedsbescherming De boogde plannen vinden verder niet plaats in of aan terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN of een natuurverbinding. De locatie is gelegen nabij (ca. 550 meter) gebieden aangewezen als NNN en betreffen vrij recent gerealiseerde, extensief beheerde graslandpercelen en de voorboezem langs de dijk aan de zuidzijde van Polder Waard Nieuwland. De natuurverbinding aan de Wierdijk is gelegen op eveneens 550 ten noorden van de projectlocatie. Aangezien de herinrichting plaatsvindt binnen het bestaande bouwblok van de (voormalige) agrarisch erven aan de Polderweg 30 en Oosterweg 6, zal 26
Bureau Aandacht Natuur
er geen sprake zijn van de aantasting van de kernkwaliteiten van de NNN en de natuurverbinding. Daarbij worden de ontwikkelingen en activiteiten visueel onttrokken door de aanwezige singels rond de erven. Een verdere toetsing ten aanzien van de NNN in het kader van de Wet Natuurbescherming is hiervoor niet aan de orde.
27
Bureau Aandacht Natuur
5. Conclusies en advies Hieronder worden de conclusies ten aanzien van de natuurbescherming onder de Omgevingswet verder beschreven. Per onderdeel van de natuurbescherming wordt hieronder besproken of en welke vervolgstappen noodzakelijk zijn. 5.1 Soortbescherming Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen de projectlocatie. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/ NDFF, 2024) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten niet aan de orde. Een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit ten aanzien van beschermde plantensoorten is niet noodzakelijk. Vogels Op en aan de planlocatie zijn enkele algemeen voorkomende (broed)vogels aangetroffen dan wel te verwachten. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de “specifieke zorgplicht” een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen2 uitgevoerd mogen worden.
Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels (categorie 1 t/m 4) verstoren zijn eveneens niet toegestaan. Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Aanwijzingen die wijzen op de aanwezigheid van andere jaarrond beschermde vaste rusten verblijfplaatsen zijn niet aangetroffen. In en rond de (voormalige) bedrijfsgebouwen zijn geen sporen van vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus, steenuil of kerkuil aangetroffen, Ook in de windsingels en bomen binnen de projectlocatie zijn geen (mogelijke) nestlocaties van roofvogels zoals sperwer, havik, boomvalk, buizerd of ransuil aanwezig. Met betrekking tot vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats is een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet noodzakelijk. Mitigerende maatregelen Met de nieuwbouw kan overwogen worden om nieuwe bebouwing in het plangebied geschikt(er) te maken voor een soort als huismus of andere soorten zoals spreeuw, boerenzwaluw of huiszwaluw.
Veel soorten verliezen namelijk steeds meer leefruimte. Ten aanzien van deze soorten is het mogelijk om middels natuur-inclusief bouwen reeds op voorhand geschikte nestplaatsen aan te bieden door het toepassen van nestkommen en (inbouw)nestkasten in delen van de stal waar genoemde dieren veilig kunnen broeden, 2 In het kader van een flora en fauna-activiteit wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum.
28
Bureau Aandacht Natuur
uitwerpselen goed verwijderd kunnen worden en hygiëne een minder belangrijke rol speelt. Hiermee is het mogelijk te sturen in de vestiging van vogelnesten en kan (wellicht) worden voorkomen dat vogels broeden boven voer- en drinkplaatsen. Indien overwogen wordt nestgelegenheid aan te bieden voor boerenzwaluw en/of huismus, wordt afgeraden om nestgelegenheid voor kerkuil aan te bieden. Raadzaam is om eventueel te plaatsen nieuwe nestgelegenheid in overleg met een ecoloog uit te voeren, zodat de functionaliteit ervan kan worden geoptimaliseerd.
Figuur 9. Inbouwmogelijkheden voor nestgelegenheid boerenzwaluw, huismus of andere vogelsoorten.
Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen en (kleine) marterachtigen kunnen uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren worden verwacht binnen de projectlocatie. Met betrekking tot de bedoelde algemeen voorkomende soorten geldt binnen de provincie Noord-Holland een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende)soorten geldt vanuit de “specifieke zorgplicht” dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken. Dit houdt in dat dieren en hun functionele leefomgeving niet opzettelijk worden verstoord, gedood of gevangen. Naar verwachting heeft de projectlocatie een beperkte functie in het leefgebied van marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter en boommarter. In en rond de (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen zijn geen sporen gevonden die wijzen op de eventuele aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) kleine marterachtigen of steenmarter. Mogelijk vormen de windsingels en struwelen op het erf onderdeel van het leefgebied van (kleine) marterachtigen. Aangezien slechts een klein deel van de windsingels/erfbeplanting zal verdwijnen en het plan voorziet in versterking van de windsingels rond Polderweg 30, wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting essentieel leefgebied van (kleine) marterachtigen zal verdwijnen.