bijlage 6 Natuuronderzoek
Tekst van het document
Natuurtoets GemaalP vd Ster
Auteur:
Opdrachtgever: Datum: Collegiale toets: Status rapport: Projectnummer Waterproef: Registratienummer:
Drs. W.P.J. Teunissen M.Römkens J. Georgiades Hoogheemraadschap Hollands Noorder kwartier (HHNK) 19 januari 2023 Dr. W. Gotjé Definitief hbodz002-127 430708
Stichting Waterproef, laboratoriumvooronderzoek vanwateren bodem DijkgraafPoschlaan 6 - 1135 GP Edam T 0299 39 17 00 - klantenservice@waterproef.nl
23.0019880
Inhoud 1 Inleiding ................................................................................................................................. 2 1.1 Opdrachtgever en project 2 1.2 Doel van het project en van het rapport 2 2 Beschrijving project .............................................................................................................. 3 2.1 Ligging 3 2.2 Voorgenomen werkzaamheden 4 2.3 In te zetten materieel 5 2.4 Planning werkzaamheden 5 2.5 Uitgangspunten uitvoering 5 3 Beschrijving plan- en studiegebied .................................................................................... 6 3.1 Plangebied 6 3.2 Studiegebied 6 3.3 Beschrijving plan- en studiegebied 6 4 Wettelijk kaderen toetsing ................................................................................................
11 4.1 Beoordelingskader Wet natuurbescherming -Natura 2000- gebiedsbescherming 11 4.2 Beoordelingskader Wet natuurbescherming -Soortenbescherming 11 4.3 Beoordelingskader Natuurnetwerk Nederlanden Natuurverbindingen 13 4.4 Beoordelingskader Kernkwaliteit Habitatvoor Weidevogelleefgebied binnen Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) 13 4.5 Toetsingsmethode 15 5 Afbakening..........................................................................................................................16 5.1 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden 16 5.2 Potentiële effecten 16 5.3 Afbakening effecten 19 5.4 Reikwijdte van effecten 25 6 Natura 2000 gebieden (Voortoets) ................................................................................... 29 7 Soortenbescherming ..........................................................................................................30 7.1 Verspreidingsgegevens 30 7.2 Vaatplanten 30 7.3 Vogels 31 7.4 Grondgebonden zoogdieren 31 7.5 Vleermuizen 32 7.6 Zeezoogdieren 33 7.7 Reptielen 33 7.8 Amfibieën 34 7.9 Vissen 34 7.10 Overige soorten 34 7.11 Overzicht te verwachten soorten 36 7.12 Effectbeoordeling en toetsing 37 8 Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natuurverbindingen .............................................
39 8.1 Ligging 39 8.2 Noodzaak toetsing 39 9 Habitatvoor Weidevogels ................................................................................................. 40 9.1 Ligging Habitatvoor Weidevogels binnen Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) 40 9.2 Noodzaak toetsing kernkwaliteit Habitatvoor Weidevogels 40 10 Conclusie ........................................................................................................................ 42 10.1 Natura 2000 42 10.2 Soortenbescherming 42 10.3 Natuurnetwerk Nederland 44 10.4 Habitatvoor Weidevogels binnen Bijzonder Provinciaal Landschap 44 11 Bronnen ...........................................................................................................................45
Stichting Waterproef________ Natuurtoets GemaalP vd Sterr
1
Inleiding
1.1
Opdrachtgeveren project Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) wil een nieuw gemaalbou wen aande P. van der Sterrweg, gelegen langs de westkant van het Waardkanaal te Wieringerwaard.Dit gemaalwordt gebouwd ter vervanging van het oude gemaal,datop ter mijn zal worden gesloopt. Zowel de bouw, als de sloop maken onderdeel uit van de werk zaamheden. Het plangebied ligt in de gemeente Hollands Kroon in de provincie Noord-Holland. Het totale plangebied is circa 60 meter breed en 90 meter lang.
1.2
Doel vanhet project en vanhet rapport
1.2.1
Doelvan hetproject HHNK wil in verband met de toekomstbestendigheid het gemaalvervangen. Om zo het lo kalewaterbeheer ook in de toekomst veilig uit te kunnen voeren. "Het doel is om na de uit voering van het project een gemaalte hebben dat voldoet aande huidige eisen en normen die worden gesteld aanpeil regulerende objecten van de afdeling WS van het HHNK" (Mul der, 2022).
1.2.2 Doelvan hetrapport HHNK wil graagweten met welke beschermde soorten en gebieden ze rekening moet hou den, zodat in lijn met de wet- en regelgeving voor natuur gewerkt kan worden. Naaraanlei ding van de geplande werkzaamheden heeft HHNK opdracht gegeven aanStichting Wa terproef om een Natuurtoets uit te voeren. De Natuurtoets heeft als doel om te beoordelen: 1. of er sprake kan zijn van negatieve effecten van het project op Natura 2000-gebieden of datsignificant negatieve gevolgen kunnen worden uitgesloten; 2. of er sprake kan zijn van overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbe scherming ten aanzienvan beschermde soorten en zo ja, hoe deze voorkomen kunnen worden door het treffen van mitigerende maatregelen; 3. of er sprake kan zijn van een aantastingvan de wezenlijke kenmerken en waardenvan het Natuurnetwerk Nederland; 4. of er sprake kan zijn van aantastingof verstoring van de kernkwaliteit Habitatvoor Wei devogels in Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL).
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
2 430708
2 2.1
Beschrijving project Ligging Het plangebied beslaateen oppervlakte van circa 100 bij 60 meter aande westoever van het Waardkanaal te Wieringerwaard.Het oude gemaalen geplande nieuwe gemaalzijn te bereiken via de P. van der Sterrweg. De bouw van het nieuwe gemaalis ten zuiden van het huidige gemaalgepland op een voormalig composteringsterrein. Het betreft een aan eengesloten plangebied. Het plangebied ligt in gemeente Hollands Kroon, in de provincie Noord-Holland (Afbeelding 1).
Stichting Waterproef__________________________________________________________________________ 3 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
2.2
Voorgenomen werkzaamheden In Afbeelding 2 is een schematische weergave van de nieuwe situatie aangegeven met het nieuwe gemaal,de ontvangstkom en aangepasteduikers. De exacte uitvoeringswijze is nog niet bekend. Om het project toch te kunnen toetsen wordt op voorhand uitgegaan van de volgende mogelijke werkzaamheden: ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ •
^ ^ ^ ^
^
^
Het nieuwe gemaalgebouwwordt ca. 8x6meter (bovenbouw) en wordt omheind (de toegang tot de dijk en het recreatievewandelpadblijven wel in stand); Binnen de omheining wordt de bodem verhard en komt er een trafo huisje; Aan de kanaalzijdekomt een nieuwe uitstroomvoorziening, de binnendiameter van de 2 uitstroom kokers wordt vermoedelijk ca 0,7m; Het gemaalzalworden uitgevoerd met twee pompen met een capaciteitvan 90 m^min (2x45 m^min). De pompen zijn visvriendelijk, er wordt echter geen vispassageaangelegd. Het oude gemaalgebouwwordt gesloopt, nadathet nieuwe is geplaatsten geheel functioneel is; Oude constructies, inclusief de uitstroomkokers in het kanaal,worden verwijderd; Bij het plaatsenvan de nieuwe uitstroomvoorziening en het verwijderen van de oude voorziening wordt de functie van de waterkering geborgd. Mogelijk moeten hiervoor tijdelijke damwandenworden ingetrild;
Er wordt voor het nieuwe gemaaleen nieuwe maalkom gegraven. Deze maalkom wordt circa 1500 vierkante meter groot; De oevers van deze maalkom worden natuurvriendelijk aangelegdmet geleidelijk verlopende oevers; Tevens komt er in de maalkom een boothelling om toegang tot een maaiboot te bieden; De maalkom wordt gevoed via drie te plaatsenen/of te renoveren duikers die vol doen aande daaraan te stellen eisen vanuit de waterhuishouding (2x doorsnede 1200mm en 1x 2500x2500 mm met voldoende drooglegging). Met deze robuuste doorstroming wordt geborgd dat extra afkalvingvan agrarische oevers rond het ter rein en directe omgeving wordt voorkomen. De molenfundering blijft behouden. Deze wordt, ter onderscheiding in het land schap, met een halve meter grond opgehoogd. Het terrein ten noorden van het gemaalis in beheer en eigendom van Landschap Noord-Holland. Landschap Noord-Holland heeft de suggestie gedaanals meekoppelproject een ijsvogelwandte plaatsennabij de projectlocatie. HHNK neemt dit voorstel over, de aanlegvan de ijsvogelwand wordt onderdeel van de werkzaam heden.
Algemene werkzaamheden betreffen: Graafwerkzaamheden; Maaiwerkzaamheden; Plaatsendamwand; Plaatsennieuwe constructies; Slopen van oude constructies; Verharden bodem.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
4 430708
Amoveren gemaal
Jsvogenvand
P vander Sterrweg Duiker DN 1200. BOB -4.40
Duiker 2500x2000
Opstelplaats Maaiboothellmg Maaikom
Molenfundonng
„
Uitstroom
Nieuw gemaal
Duiker DN1200. BOB -4.40
Afbeelding 2. Schematischeweergavevanhet plangebied en de voorgenomen werkzaamheden (bron: HHNK);
2.3
In te zetten materieel Op het moment van schrijven van deze Natuurtoets wordt ingezet voor de dijkverbetering.
is het nog onbekend welk materieel
2.4
Planning werkzaamheden Op het moment van schrijven van deze Natuurtoets is het nog onbekend wanneer de werk zaamheden worden uitgevoerd.
2.5
Uitgangspuntenuitvoering HHNK voert de werkzaamheden uit zorgvuldig
uit in verband met de zorgplicht.
Er worden geen werkzaamheden 's nachts uitgevoerd. Indien het na afloop van de werkzaamheden noodzakelijk blijkt om het gebied opnieuw in te zaaien.Dan worden bij het inzaaienvan de dijk alleen inheemse soorten én daarvanal leen soorten die lokaal voorkomen gebruikt.
Stichting Waterproef__________________________________________________________________________ 5 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
3 Beschrijving plan- en studiegebied 3.1
Plangebied Het plangebied is het terrein waarbinnende werkzaamheden plaatsvinden.
3.2
Studiegebied Het studiegebied betreft het te onderzoeken gebied waarbinneneffecten plaatskunnen vinden. Het studiegebied is over het algemeen groter dan het plangebied.
3.2.1
3.3
Afbakening studiegebied De omvang van het studiegebied wordt bepaalddoor de effecten die relevant zijn én het verst reiken. Van alle te verwachten factoren (buiten stikstofdepositie) is meestal geluidsverstoring relevant en het meeste verreikend. Het studiegebied beperkt zich daarom mini maaltot datdeel datvalt binnen de reikwijdte van geluid, een afstandmet een straalvan maximaal1500m vanafhet plangebied. Voor het bronnenonderzoek is in dit geval een straalvan ca 2500 meter rondom het plangebied naarverspreidingsgegevens gekeken, o.a. in de NDFF en zijn de instandhoudingsdoelstellingen van nabijgelegen Natura 2000gebieden beoordeeld. Beschrijving plan- en studiegebied Het plangebied betreft gebied van 60 bij 90 meter langs de noordwestelijke dijk van het Waardkanaal. Het plangebied staathaaks op de P. van der Sterrweg. De oevers van het Waardkanaal bestaanvoor een groot gedeelte uit rietkragen. De riet kragen zijn maximaal5 meter breed. Op de dijk groeit gras dat onderhouden wordt door middel van schapen begrazing. Langs de sloot die parallellangs de P. van der Sterrweg stroomt staaneen aantalbomen, populieren. De toegangsweg naarhet gemaalis de P. van der Sterrweg, deze is geasfalteerd.De berm tussen de weg en de sloot is op de meeste plekken ongeveer 3 meter breed. Het binnentalud van de ernaastgelegen sloot is steil en bestaatuit verruigde grassen en brandne tels.
Voor de bouw van het nieuwe gemaalis ruimte beschikbaarop de dijk en het grasveld ten zuiden van het huidige gemaal.Rondom dit grasveld ligt een ondiepe sloot met steile oeverkanten. Aan de westzijde ligt de fundering van een oude molen. Ten noordwesten van het gemaalligt de huidige maalkom en terreinen in beheer van Landschap Noord-Holland. Op het dichtstbijzijnde schiereiland wordt een ijsvogelwand aangelegd.Op het eiland liggen watverruigde terreinen met bramen en riet.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
6 430708
Afbeelding 3 Impressieplangebied.
Afbeelding 4 Impressieplangebied.
Afbeelding 5 Impressieplangebied.
Stichting Waterproef__________________________________________________________________________ 7 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
Afbeelding 6 Impressieplangebied.
Afbeelding 7 Impressie plangebied.
Afbeelding 8 Impressieplangebied.
Stichting Waterproef__________________________________________________________________________ 8 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
Afbeelding 9 Impressie plangebied.
Afbeelding 10 Impressieplangebied.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
9 430708
Afbeelding 11 Impressieplangebied.
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 10 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
4 4.1
Wettelijkkaderen toetsing Beoordelingskader Wet natuurbescherming- Natura2000- gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden zijn beschermd via de Wet natuurbescherming (Wnb). Voor pro jecten die leiden tot significant negatieve effecten op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van beschermde waardenin Natura 2000 gebied, geldt een vergunningplicht. Significante negatieve effecten kunnen optreden tijdens de aanlegfaseen/of de gebruiks fase van een project. Er is sprake van directe effecten op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen in N2000 gebied, als een project plaatsvindtin Natura 2000-gebied of omdat de effecten van een project reiken tot in Natura 2000-gebied. Of er is sprakevan indirecte effecten op soor ten die leven in Natura 2000 maardaarbuiten essentieel leefgebied hebben datwordt aan getast door de werkzaamheden: Externe werking. Zodra er sprake is van negatieve effecten, moet beoordeeld worden of er sprake kan zijn van cumulatie met negatieve effecten van andere projecten die gelijktijdig op het Natura 2000-gebied van invloed zijn. Negatieve effecten zijn (mogelijk) significant zodra deze (kunnen) leiden tot het niet behalen van instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Indien significante negatieve effecten op voorhand niet zijn uit te sluiten, dient een Pas sende beoordeling (PB) te worden opgesteld.
Als daaruit blijkt dater inderdaadsprake is van significant negatieve effecten, dan dient de beoordeling en de te nemen maatregelen aanhet bevoegd gezag te worden voorgelegd ten behoeve van het verkrijgen van een ver gunning.
4.2
Beoordelingskader Wet natuurbescherming- Soortenbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze vervangt de Flora- en faunawet. De wetswijziging heeft o.a. geleid tot wijziging van soortenlijsten en verbodsbepalingen. Effecten worden getoetst aande verbodsbepalingen en soorten van de Wet natuurbescherming (Tabel 1). Tabel 1. VerbodsbepalingenWet natuurbescherming.
Verbodsbepaling
Verbod op opzettelijk verstoren van individuen Verbod op opzettelijk eieren te rapen/onder zich te hebben Verbod op opzettelijk verwonden/doden van individuen Verbod op opzettelijk beschadigen/verwijderen van verblijven/nesten Verbod op verwijderen van planten
Van toepassingopA V1 HR2 NL3
X4 X X X
Ad 1. Vogelrichtlijnsoorten van artikel 3.1 lid 1 Ad 2. Habitatrichtlijnsoorten van artikel 3.5 lid 1 Ad 3. ‘Nationale' andere soorten van artikel 3.10 lid 1 Ad 4. Tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staatvan instandhouding
X X X X X
X X X
van de soort.
Het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Holland. Hierdoor is de vrijstellingsrege ling van de provincie van kracht (Provincie Noord-Holland, 2016a). Bij de toetsing wordt uitgegaan van een zorgvuldige uitvoering van het project, waarbijre kening wordt gehouden met algemeen voorkomende beschermde planten en dieren. Hier bij wordt uitgegaan van in ieder geval de volgende maatregelen: 1. Nesten van broedvogels worden niet beschadigd of vernietigd; 2. Het verwonden en doden van dieren wordt zoveel mogelijk voorkomen, bijvoor beeld door altijd richting een open einde te werken;
Stichting Waterproef Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
11 430708
3. Brede watergangenworden niet continu sterk verlicht tussen zonsondergang en zonsopkomst in de periode april t/m oktober. Zodoende wordt rekening gehouden met vleermuizen. 4.2.1 Jaarrond beschermdevogelnesten Voor vogels is het van belang om onderscheid te maken tussen nesten die niet jaarrond beschermd zijn en nesten die datwel zijn. Om te bepalen of een vogelnest wel of niet jaar rond beschermd is, wordt verwezen naarde "Aangepastelijst jaarrond beschermde vogel nesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep" (Dienst regelingen, 2009b). Hoewel deze lijst is opgesteld voor de inmiddels vervallen Flora- en faunawet, wordt de lijst nog steeds gehanteerd door het bevoegd gezag (de Provincie Noord-Holland) binnen het kader van de Wet natuurbescherming. De lijst is opgebouwd uit 4 categorieën (categorie 1 t/m 4) waarvanhet nest altijd jaarrond beschermd is en één categorie (categorie 5) waarvanhet nest slechts in uitzonderingsge vallen jaarrond beschermd is. De categorieën zijn (bron: Dienst Regelingen, 2009a): Categorie 1: Categorie 2:
Categorie 3:
Categorie 4:
Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats(voorbeeld: Steenuil). Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaatsbroe den en die daarinzeer honkvast zijn of afhankelijkvan bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaatszijn vaakzeer specifiek en li mitatiefbeschikbaar (voorbeeld: Roek, Gierzwaluw en Huismus). Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaatsbroeden en die daarinzeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaatszijn vaakzeer spe cifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: Ooievaar, Kerkuil en Slechtvalk). Vogels die jaarin jaaruit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staatzijn een nest te bouwen (voorbeeld: Boomvalk, Buizerd en Ransuil).
En de laatstecategorie vormt een apartegroep. Nesten van vogels uit deze categorie zijn in principe, als het nest niet in gebruik is, niet jaarrond beschermd. Ze verdienen echter wel aandacht,omdat deze nesten uit categorie 5 onder bijzondere omstandigheden namelijkwel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegendefeiten of ecologische omstandigheden dat recht vaardigen.Bijvoorbeeld als er geen alternatievenestlocaties in de omgeving aanwezigzijn. Categorie 5:
Nesten van vogels die weliswaarvaakterugkeren naarde plaatswaarzij het jaardaarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan,maardie wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, alsde broedplaats verloren is ge gaan,zich elders te vestigen.
Nesten die niet jaarrond beschermd zijn Nesten van soorten die niet jaarrond beschermd zijn mogen weggehaald worden, indien het nest op dat moment aantoonbaarniet in gebruik is als broedlocatie. Het seizoen is hierbij niet relevant, wat er toe doet, is of het nest in gebruik is voor het broeden. Indien de soort nestindicerend gedrag vertoont, zoals het aanslepenvan nestmateriaal,is het niet langer toegestaan het nest te verwijderen of de broedlocatie ongeschikt te maken. Dit is namelijk onderdeel van het broeden (OD NHN, 2018). Nesten die wel jaarrond beschermd zijn Nesten van jaarrond beschermde soorten mogen binnen de broedperiode niet worden ver wijderd, zelfs als dit nest op datmoment niet in gebruik is om te broeden en niet aangetoond kan worden dat het nest permanent verlaten is (OD NHN, 2018). Om deze nesten buiten het broedseizoen te mogen verwijderen is een ontheffing noodzakelijk . Aan deze ont heffing kunnen door het bevoegd gezag voorwaarden worden gesteld, zoals het aanbieden Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 12 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
van functionele alternatieveverblijfplaatsen,het onderbouwen van de geschiktheid van deze alternatievenen een gewenningstijd aandeze nieuwe verblijfplaatsen. 4.3
Beoordelingskader Natuurnetwerk Nederland en Natuurverbindingen De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en Natuurverbindingen is plano logisch geregeld. In Provincie Noord-Holland dient voor activiteiten eerst te worden vastge steld of deze leiden tot een wijziging van een bestemmingsplan, een 'omgevingsvergunning met afwijken bestemmingsplan' of een peilbesluit. Is dit niet het geval, dan pastde voorgenomen activiteitof ruimtelijke aanpassingbinnen de bestemming. Er is dan alleen sprakevan compensatieplicht, als de voorgenomen activiteiten tevens leiden tot een signi ficante aantastingvan de "wezenlijke kenmerken en waarden"van de (toekomstige) natuurbestemming, oppervlakteverlies van het NNN of de natuurverbindingen of leiden tot vermindering van de samenhang tussen de gebieden. In die gevallen geldt het “nee, tenzij” regime. Is er voor de uitvoering van de activiteitwel sprake van een wijziging van een be stemmingsplan, een 'omgevingsvergunning met afwijken bestemmingsplan' of een peilbe sluit dan kan de activiteit in eerste instantie niet doorgaan. Hier kan van worden afgeweken door het bevoegd gezag, waardoor de activiteit in een ruimtelijk plan mogelijk wordt ge maakt,mits a. er sprake is van een groot openbaar belang; b. er geen reële alternatievenzijn; en c.
de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden,oppervlakte en sa menhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardigworden gecompen seerd. De provincie Noord-Holland hanteert voor de wezenlijke kenmerken en waarden(wkw) de volgende definitie: "De wkw van het NNN in Noord-Holland bestaan(op deelgebiedsniveau) uit de aanwezige actuele en potentiële natuurwaarden waarvoor de provincie op (inter)nationaalof regionaal niveau een grote (beleidsmatige) verantwoordelijkheid draagt,inclusief alle noodzakelijke abiotische en ruimtelijke condities voor deze natuurwaarden". De wezenlijke kenmerken en waardenstaanbeschreven in de Omgevingsverordening NH2020 (Provincie Noord-Holland, 2020a). Hierin worden per deelgebied de wezenlijke kenmerken en waardenuitgewerkt in 6 kernkwaliteiten: 1. Algemene gegevens 2. Oppervlakte en samenhang NNN 3. Landschapsecologische karakteristiek 4. Natuurwaarden 5. Abiotische en ruimtelijke condities 6. Vervangbaarheid De beheertypen uit de ambitiekaart van het Programma natuurontwikkeling (Provincie Noord-Holland, 2019b) zijn gebaseerd op de natuurbeheertypen Natuur en Landschap en geven een verdere, ruimtelijke interpretatie.
4.4
2020 -2024 van de Index
Beoordelingskader Kernkwaliteit Habitatvoor Weidevogelleefgebied binnen Bijzon der ProvinciaalLandschap(BPL) De bescherming van weidevogels is vastgelegd in de Omgevingsverordening NH2020 (Provincie Noord-Holland, 2020a). Er liggen gebieden met een weidevogelbestemming bin nen de begrenzing van het NNN. Deze vallen onder de regelgeving van het NNN en wor den in dit rapport niet behandeld onder de kernkwaliteit Habitatvoor Weidevogels. Daar naastzijn er gebieden die habitatvoor weidevogels herbergen en binnen het Bijzonder Provinciaal landschap (BPL) liggen. Dit is, indien van toepassing, vastgelegd in de kern kwaliteiten van de afzonderlijke BPL-gebieden.
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 13 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
"De Provincie Noord-Holland heeft in de Omgevingsvisie NH2050 het benoemen, behou den en versterken van de unieke kwaliteiten van landschap en cultuurhistorie als ambitie benoemd. Het daarbijbehorende ontwikkelprincipe geeft aandat ‘ontwikkelingen en be heer moeten passen bij de waarden,de karakteristieken het draagvermogen van het land schap’. In het BPL staathet behoud en versterken van de landschappelijke waardenen de betekenis van het landschap voor het aangrenzendestedelijk gebied centraal"(Provincie Noord-Holland, 2020a). In de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan dateen ontwikkeling in het BPL mogelijk maakt,moet worden gemotiveerd datde ter plaatsegeldende kernkwaliteiten niet worden aangetast. De kernkwaliteiten zijn beschreven aande hand van drie provinciale kernwaarden: 1. Landschappelijke karakteristiek:de landschapstypen en de belangrijkste kenmer ken van deze landschappen; 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriënta tiepunten; 3. Ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. De beschrijving van de kernkwaliteiten van het BPL is opgenomen in de omgevingsverordening.
Per BPL-deelgebied wordt een algemene kenschets gegeven, de begrenzing en context worden weergeven, er is een toelichting op de ontstaansgeschiedenis van het be treffende landschap en de kernkwaliteiten zijn uiteengezet. Aan de beschrijving van de kernkwaliteiten zijn indicatieve themakaartenter verduidelijking toegevoegd (Provincie Noord-Holland,2020a). Voor activiteiten die leiden tot schade aande kernkwaliteit Habitatvoor Weidevogels geldt een compensatieplicht.
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 14 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
4.5 Toetsingsmethode 4.5.1 Wetnatuurbescherming - Natura 2000-gebiedsbescherming Op basis van landelijke databases wordt de ligging van het plangebied bepaaldten op zichte van Natura 2000-gebieden en kwalificerende habitattypen. De Natura 2000-gebieden, waarop het project mogelijk negatieve effecten kan hebben, en de instandhoudingsdoelstellingen worden kort beschreven. Op basis van de geplande activiteiten wordt beoordeeld of het project kan leiden tot nega tieve effecten op kwalificerende habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Hier bij wordt onderscheid gemaakttussen mogelijke effecten tijdens de aanlegfaseen moge lijke effecten tijdens de gebruiksfase. Beoordeeld wordt of er sprake kan zijn van significant negatieve effecten, op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen. Tot slot worden aanbevelingengedaanom het project in lijn met de gebiedsbescherming uit te kunnen voeren. Mogelijke aanbevelingen betreffen het uitbreiden van het huidige on derzoek, het voorleggen van de beoordeling aanhet bevoegd gezag of het aanvragenvan een vergunning. 4.5.2
Wetnatuurbescherming - Soortenbescherming Op basis van literatuuronderzoek in verspreidingsatlassenen de Nationale DatabankFlora en Fauna (NDFF) wordt beoordeeld welke beschermde soorten in en nabij het plangebied verwacht kunnen worden. Beschermde soorten van de Wet natuurbescherming zijn behan deld, met uitzondering van vrijgestelde soorten. Tijdens één veldbezoek is de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten onderzocht door ecologisch deskundige J. Georgiades en M. Römkens op 8november 2022. Hierbij is het plangebied onderzocht op habitatgeschiktheid voor beschermde soorten. Op basis van het bronnenonderzoek en het veldbezoek wordt beoordeeld of de onderzochte be schermde soorten in het plangebied aanwezig(kunnen) zijn, watde mogelijke functie van het plangebied voor de aanwezigesoorten is en of het een essentiële en onmisbare functie betreft voor de functionele leefomgeving van de soorten. Op basis van het voorkomen van beschermde soorten en de voorgenomen activiteiten wordt beoordeeld of leefgebieden, verblijfplaatsenof individuen van beschermde soorten worden aangetastdoor de voorgenomen werkzaamheden. Hierbij wordt uitgegaan van een uitvoering van het project in lijn met een goedgekeurde gedragscode.
4.5.3
NatuurnetwerkNederland enNatuurverbindingen Op basis van provinciale databases wordt de ligging van het plangebied bepaaldten op zichte van het Natuurnetwerk Nederland en/of natuurverbindingen. Bij een ligging in of na bij het Natuurnetwerk Nederland of in een natuurverbinding wordt vastgesteld of de werk zaamheden leiden tot een wijziging van een bestemmingsplan, een 'omgevingsvergunning met afwijken bestemmingsplan' of een peilbesluit. Tevens worden de wezenlijke kenmer ken en waardennageslagen in de Omgevingsverordening NH2020 en de beheertypen uit de ambitiekaart van het Programma natuurontwikkeling 2020 -2024 (Provincie Noord-Holland, 2019b). Vervolgens wordt beoordeeld of het project leidt tot een aantastingvan deze wezenlijke kenmerken en waarden.Indien dit het geval is wordt aanbevolen om het plan voor te leggen aanhet bevoegd gezag.
4.5.4
Habitat voorweidevogels binnenBijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Op basis van provinciale databases wordt de ligging van het plangebied bepaaldten op zichte van Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Binnen dit BPL kunnen kernen met ha bitatvoor weidevogels liggen. Indien aanwezig,betreft dit een kernkwaliteit van het BPL, waarbijbehoud van belang is. Er wordt beoordeeld of het project leidt tot een aantasting van deze kernkwaliteit van het gebied. Aantastingis mogelijk door een planologische af name van het oppervlak of de kwaliteitvan het leefgebied voor weidevogels. Indien dit het geval is wordt aanbevolen om het plan voor te leggen aanhet bevoegd gezag. Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 15 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
5 Afbakening 5.1
Ligging plangebied ten opzichte vanNatura2000-gebieden Het plangebied ligt buiten de begrenzing van Natura 2000-gebieden. Het Natura 2000-gebied “Waddenzee” ligt het meest in de buurt. In vogelvlucht is de kortste afstandtussen dit Natura 2000-gebied en het plangebied 9,3 kilometer. In onderstaande afbeelding is de lig ging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden weergegeven (Afbeelding 12). Het IJsselmeer en overige Natura 2000-gebieden - die op nog veel grotere afstandlig gen- liggen buiten de invloedsfeer van de werkzaamheden. Deze gebieden wordt buiten beschouwing gelaten.
Afbeelding 12. Globale ligging plangebied ten opzichte vanNatura2000-gebieden
5.2
Potentiële effecten Bij de effectenanalysewordt gebruik gemaaktvan de Effectenindicator voor het dichtst bij liggende Natura 2000-gebied "Waddenzee" aangepastaande activiteit "Peilbeheer opper vlaktewater"(Tabel 2). De volgende potentiële effecten treden volgens de Effectindicator mogelijk het meest op:
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 16 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
Tabel 2 Effectenindicator voor Natura2000-gebied "Waddenzee" met activiteit"Peil beheer oppervlaktewater".
z zeer gevoelig O ţû. řt s ™ i s
gevoelig niet gevoelig n.v.t, onbekend
lû
Storingsfactor Permanent overstroomde
5 ř 5 4
1 * lí lU
2 4 zandbanken
3
3
iû û
5
3
2 á T" rt 3 O 2, 5' EL s ro3. a tû a rt 'C JJ3 3 D wt 3 ĩu S 3 3 8 -Si (6 3 ĩ 3 3 2. S 3 Sr a a r»
6 8 9 10 11 12
BB00ĒĒBBB
Estuaria Slik- en zandplaten
IIIS1BIII
Zilte pionierbegroeiingen
IIS^XIII
Slijkgrasvelden
lllūlūlll
Schorren en zilte graslanden
iixnxxin
Embryonale duinen Witte duinen *Grijze duinen Duindoornstruwelen Kruipwilgstruwelen Vochtige duinvalleien *Noordse woelmuis
llūlll
Bruinvis
■ BIB............. fl ...
Fint
BB-BIBBŪB
Gewone zeehond
B B B B.............fl ...
Grijze zeehond
B fl B fl.............fl ...
Stichting Waterproef Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
1
17 430708
Aalscholver (niet-broedvogel) Bergeend (niet-broedvogel) Blauwe Kiekendief (broedvogel) Bontbekplevier (niet-broedvogel) Bontbekplevier (broedvogel) Bonte strandloper (niet-broedvogel) Brandgans(niet-broedvogel) Brilduiker (niet-broedvogel) Bruine Kiekendief (broedvogel) Drieteenstrandloper (niet-broedvogel) Dwergstern (broedvogel) Eider (broedvogel) Eider (niet-broedvogel) Fuut (niet-broedvogel) Goudplevier (niet-broedvogel) Grauwe Gans (niet-broedvogel) Groenpootruiter
(niet-broedvogel)
Grote stern (niet-broedvogel) Grote stern (broedvogel) Grote Zaagbek(niet-broedvogel) Grutto
(niet-broedvogel)
Kanoet (niet-broedvogel) Kievit (niet-broedvogel) Kleine Mantelmeeuw (broedvogel) Kleine Zwaan(niet-broedvogel) Kluut (broedvogel)
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 18 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
Naastbovengenoemde effecten leidt mogelijk ook het geluid en de beweging van in te zet ten materieeltot verstoring. Deze zogenaamde verstoring door geluid en optische versto ring wordt ook meegenomen in de effecten analyse. De storingsfactoren worden bij de afbakeningvan effecten (paragraaf 5.3) verder uitge werkt, om vastte stellen of deze factoren ook daadwerkelijkeen rol kunnen spelen bij uit voering van voorliggend project. 5.2.1 Aanlegfase De sloop- en bouwfase is vooral verstorend. Hierbij kunnen bovenstaande effecten spelen. 5.2.2 Gebruiksfase Tijdens de gebruiksfase is geen sprake van aanvullende activiteit. Effecten die hun oor sprong hebben in de aanlegfase(bijvoorbeeld oppervlakteverlies), kunnen tijdens de ge bruiksfase nog steeds optreden. 5.3
Afbakening effecten Bij de afbakeningvan de effecten wordt van de potentiële storingsfactoren bepaaldof zij ook daadwerkelijkrelevant zijn voor de specifiek voorgenomen werkzaamheden binnen dit project. Als effecten van storingsfactoren geen rol spelen, worden ze daarnaniet verder behandeld in het rapport.
Stichting Waterproef_________________________________________________________________________ 19 Natuurtoets GemaalP. vd Sterr 430708
5.3.1
Oppervlakteverlies Bij oppervlakteverlies gaathet om verlies van oppervlak beschermd habitaten leefgebied van beschermde soorten door het project. Dit kan veroorzaakt worden door ruimtebeslag in Natura 2000-gebied. Omdat het plangebied niet binnen de begrenzing van Natura 2000gebieden ligt, kan direct oppervlakteverlies worden uitgesloten. Ook kan er sprake zijn van verlies aanleefgebied buiten Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld verlies van foerageergebied of broedgebied, voor soorten waarin Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd (externe werking). De werkzaamheden vin den plaatsop en naastde dijk op een relatiefklein oppervlak. Er ligt geen essentieel en on misbaarleefgebied voor soorten die instandhoudingsdoelstellingen in naburige Natura 2000-gebieden hebben, waardoor externe werking op voorhand is uit te sluiten.
5.3.2
Versnippering Van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering in de soortensamenstelling en het eco systeem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefge bied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling (synbiosys.alterra.nl). De werkzaamhe den vinden plaatsbuiten Natura 2000-gebied. Na het bouwen van het nieuwe gemaalen het slopen van het huidige gemaaltreedt er geen aanvullende verstoring meer op. Het wa ter van de vaartenblijft gedurende de hele uitvoeringsperiode voor uitwisseling van soorten beschikbaar. Significant negatieve gevolgen, veroorzaakt door versnippering kunnen wor den uitgesloten. Deze worden niet verder besproken in de effecten analyse.
5.3.3
Verzuring& VermestingdoorN-depositie Tijdens de uitvoeringsfase worden tijdelijk werktuigen ingezet. Bij de verbranding van brandstof (Diesel) komen stikstofoxiden vrij. In de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ko men habitattypen en leefgebieden voor die gevoelig zijn voor vermesting en verzuring door stikstof uit de lucht. Na afloop van de werkzaamheden is er geen sprake van aanvullende stikstofdepositie. Dit komt verder aande orde bij de reikwijdte van de effecten.
5.3.4
Verzoeting Verzoeting treedt op als het chloridegehalte in het waterafneemt, en niet meer geschikt is voor de beoogde zoute of brakke natuurtypen. In (voormalig) brakke of zoute wateren leidt verzoeting tot vermesting. Door de verzoeting zal brakwatervegetatieverdwijnen. Dit heeft tot gevolg datdoor het afsterven van algen en wieren een verslechtering van de waterkwa liteit kan optreden. Verder kan door verzoeting de gevoeligheid voor eutrofiëring sterk toe nemen. Naastverandering van vegetatie zal bij een verdere verzoeting ook de macro fauna- en visstand samenstelling veranderen (synbiosys.alterra.nl). Het project heeft geen effect op het zoutgehalte van het omliggende waterof het opborrelende kwelwater. Dit ef fect wordt daarom niet verder behandeld bij de verdere effectenanalyse.
5.3.5 Verzilting Verzilting betreft de ophoping van oplosbare zouten (kalium, natrium, magnesium, calcium) in bodems en wateren. In wateren komt verzilting over het gehele spectrum tussen zoet ^200 mg Cl/l) en zeer zout ^ 30.000 mg Cl/l) voor en is dus niet beperkt tot zoet en brak water(synbiosys.alterra.nl). Verzilting van bodems treedt vaakop ten gevolge van verdro ging. Dit aspectspeelt geen rol in de effectenanalyse.Het project heeft geen effect op de zoet/zout gradiënt van het omliggende water, waterdatdoor het gemaalwordt opgepompt komt van dezelfde brongebieden. Er treedt hierin geen verandering op die kan leiden tot een anderzoutgehalte. Dit effect wordt daarom niet verder behandeld bij de verdere effec tenanalyse. Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
20 430708
5.3.6
Verontreiniging Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, van stoffen die onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concen traties aanwezigzijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stof fen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactiefen niet radio actief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bo dem, grondwater, lucht (synbiosys.nl). De bouwfase wordt onder vigerende regelgeving uitgevoerd. datde aanlegwerkzaamhedenleiden tot verontreiniging.
Er wordt daarom niet voorzien
Sloop van het oude gemaalvindt juist plaatsom het gebouw niet te laten verkrotten en daardoor ongewild stoffen bouwmateriaal in het milieu te krijgen. Het gebouw wordt onder vigerende regelgeving gesloopt en materiaalen stoffen worden hergebruikt, of afgevoerd naardaarvoor bestemde depots. Omdatgeen verontreinigende stoffen in het milieu terecht komen, is dit effect niet relevant voor het effectenonderzoek en komt het niet verder aande orde in de effectenanalyse.In de gebruiksfase kan verontreiniging worden uitgesloten, omdat er geen aanvullende activi teiten meer plaatsvinden. 5.3.7
Verdroging Verdroging uit zich in lagere grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grond waterstandis zo lager dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Verdroging kan te vens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging te vens tot vermesting en bodemdaling. Er zijn ook gebieden waarverdroging kan optreden zonder datde grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt.Het gaatdaarbijom gebieden waarvan oudsher grondwater omhoogkomt. Dit waterheet kwelwater. Kwelwater is water datelders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naarhet laagstepunt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aanijzer en cal cium, arm aanvoedingsstoffen en niet zuur, maargebufferd. Schade aande natuur die veroorzaakt wordt door een afnameof het verdwijnen van kwelwateren het vervangen van dit type watermet gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging. De verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteitvan het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype (synbiosys.alterra.nl).
Het project wordt uitgevoerd om slijtage en schade door ouderdom aanappratuur te voorko men en ook om in de toekomst, onder toename van extreme weersomstandigheden door een veranderend klimaat,het huidig peil te kunnen handhaven. Met het project wordt daarom niet beoogd meer water uit het gebied te onttrekken en leidt dus niet tot meer droogte. Dit effect komt daarom verder niet meer aanbod in de effectenanalyse.
5.3.8
Vernatting Vernatting manifesteert zich in hogere grondwaterstanden en/of toenemende kwel veroor zaaktdoor menselijk handelen. Vernatting kan leiden tot verzoeting en verandering van de waterkwaliteit,bijvoorbeeld als gevolg van inlaatvan gebiedsvreemd water. Vernatting is een storende factor voor vegetatietypen en soorten die van nature onder drogere omstan digheden voorkomen. Vernatting grijpt in op de bodem- of watercondities. Bij verdergaande vernatting kan een gebied ongeschikt worden voor planten en dieren en zo leiden tot een verandering in de soortensamenstelling en uiteindelijk het habitattype (synbiosys.alterra.nl). Het project wordt uitgevoerd om slijtage en schade door ouderdom aanappratuur te voorkomen en ook om in de toekomst, onder toename van extreme weersomstandighe den door een veranderend klimaat,het huidig peil in de polder te kunnen handhaven. Door veranderend klimaatkan het voorkomen dat meer waterwordt afgevoerd dan momenteel het geval is. Dit wordt echter in de boezem afgevoerd en vandaaruitverspreid over een Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
21 430708
zeer groot stroomgebied, lozen.
5.3.9
waardoor dergelijke effecten op die grote schaal zijn te verwaar
Verandering stroomsnelheid Verschillen in stroomsnelheid (langzaamof snel) en dimensies (van bovenloop tot riviertje) leiden tot duidelijke verschillen in levensgemeenschappen en kenmerkende soorten hier van. Door verandering in stroomsnelheid verdwijnen kenmerkende soorten en levensge meenschappen. Verandering van stroomsnelheid van beken en rivieren kan optreden door menselijke ingrepen zoals plaatsenvan stuwen, kanaliserenof weer laten meanderen (synbiosys.nl). Bij een piekbelasting kan het voorkomen dat er veel waterin korte tijd wordt gespuid op het boezemwater. Dit betreft een lokaal effect en vindt plaatsop zeer grote af stand van Natura 2000-gebieden ^9 km), waardoor effecten op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten en effecten van verandering in stroomsnelheid worden niet verder behandeld bij de effectenanalyse.
5.3.10 Verandering overstromingsfrequentie Dit betreft effecten waarinde duur en/of frequentie van de overstroming van beken en rivie ren verandert door menselijke activiteiten. Overstromingen zijn van invloed op de vochttoestand, de zuurgraad, de voedselrijkdom en het zoutgehalte van een gebied. Voor een voedselarme vegetatie bijvoorbeeld leidt een toenemende overstroming met voedselrijk watertot vermesting: verrijking van de bodem en daardoor verruiging van de vegetatie. Bij boezemlanden die regelmatig worden overstroomd leidt een afnamevan de overstromings frequentie tot verzuring van de bodem, waardoor basenminnende plantensoorten kunnen verdwijnen. Langdurige overstroming kan leiden tot zuurstofgebrek in de wortels van plan ten waardoor planten kunnen afsterven. Uiteindelijk grijpt een verandering in de overstromingsdynamiek zo in op de soortensamenstelling (synbiosys.nl). Door veranderend klimaat kan het voorkomen dat meer waterwordt afgevoerd dan momenteel het geval is. Dit wordt echter in de boezem afgevoerd en vandaaruitverspreid over een zeer groot stroomgebied, waardoor dergelijke effecten op die grote schaal zijn te verwaarlozen. 5.3.11 Verandering dynamieksubstraat Er kan een verandering in de bodemdichtheid of bodemsamenstelling van terrestrische of aquatische systemen optreden, bijvoorbeeld door aanslibbingof verstuiving.
Verandering van dynamiek van het substraat kan leiden tot verandering van de abiotische randvoor waardenwaardoor levensgemeenschappen kunnen veranderen. Dynamiek van het sub straatis bijvoorbeeld van belang voor droge pioniervegetaties in de duinen en stuifzanden, of voor mosselbanken in de Waddenzee (Synbiosys.nl). Bodemwerkzaamheden vinden zeer lokaal plaatsop bij het aanbrengenvan grond of het vergraven gronden. Er wordt daarbijniet gewerkt binnen Natura 2000-gebieden. Bij deze lokale werkzaamheden veran dert de bodem mogelijk wel enigszins, maarniet de dynamiek. Effecten van veranderende dynamiekworden daarom uitgesloten en worden daarom niet verder behandeld bij de ef fectenanalyse. 5.3.12 Verstoringdoorgeluid Het gaathierbij om verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid van wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij uitvoering van de werkzaamhe den. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. In de aanlegfase wordt er allerlei materieel ingezet datgeluid veroorzaakt. Dit geluid kan leiden tot verstoring van vogels in de omgeving en kan in principe ook reiken tot in Natura 2000-gebied. Verstorende geluidsniveaus voor vogels kunnen op flinke afstandliggen, afhankelijk van de afstandten opzichte van de werkzaamheden en het type geluidsbron.
Na afloop van de werkzaamheden is de situatie vergelijkbaaraande huidige situatie en treedt er geen additionele verstoring door geluid op. Dit effect tijdens de aanlegfasekomt verder aan de orde bij de reikwijdte van de effecten.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
22 430708
5.3.13 Verstoringdoorlicht Het gaathierbij om verstoring door kunstmatige lichtbronnen. Soorten kunnen worden aan getrokken of verdreven door licht. Dit maaktdat het natuurlijke gedrag van nachtactieve soorten kan worden verstoord en dat leefgebieden voor soorten minder geschikt worden door een overmaat aankunstmatige licht. Voor licht wordt meestal een verstoringsafstand van 60 meter genomen (Overbosch, 2006). Uitgangspunt van de werkzaamheden is dater geen werkzaamheden 's nachts worden uitgevoerd, waardoor er in de aanlegfasegeen ne gatieve effecten kunnen optreden. In de gebruiksfase is de situatie vergelijkbaarmet de huidige situatie: de werkzaamheden leiden niet tot permanente nieuwe lichtbronnen. Daarom is dit effect niet relevant voor het effectenonderzoek en komt het niet verder aan de orde in de effectenanalyse. 5.3.14 Verstoringdoortrilling Er is sprake van trillingen in bodem en waterals dergelijke trillingen door menselijke activi teiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaienvan rotorbladen etc. Afhankelijk van de ondergrond kunnen opgewekte trillingen tot op enkele honderden meters meetbaar zijn in de bodem. Maarbijvoorbeeld uit onderzoek aanheiactiviteiten blijkt dat al op korte afstandtrillingen in de bodem snel dempen tot aanvaardbare niveaus.
In de uitvoerings fase wordt materieel ingezet dat in principe trillingen in de ondergrond kan veroorzaken. Na afloop van de werkzaamheden is het gebruik vergelijkbaarmet de huidige situatie. Effecten van trilling kunnen onder waterwel leiden tot oriëntatie en communicatieproblemen voor onderwater organismen, maarook tot fysiologische schade, stress en vermijdingsgedrag. Dit komt verder aande orde bij de reikwijdte van de effecten. 5.3.15 Optischeverstoring Het materieel datgebruikt wordt bij de werkzaamheden beweegt. Daarbijraken vogels en andere dieren rond de werkzaamheden verstoord. Het gaathier om een effect dat alleen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden optreedt. Na afloop van de werkzaamheden is het gebruik vergelijkbaarmet de huidige situatie. Dit effect in de aanlegfasewordt verder behandeld bij de reikwijdte van effecten. 5.3.16 Verstoringdoormechanischeeffecten Bedoeld worden veranderingen in betreding, golfslag of optredende luchtwervelingen. Der gelijke effecten treden alleen lokaal op tijdens de werkzaamheden in de aanlegfase.Omdat de werkzaamheden ver buiten Natura 2000-gebieden (op meer dan 9 km afstand)plaats vinden is een lokaal effect uit te sluiten en wordt dit niet verder behandeld bij de effecten analyse.
5.3.17 Verandering populatiedynamiek De storende factor verandering in populatiedynamiek treedt op indien er een direct effect is van een activiteitop de populatie-opbouw en/of populatiegrootte. Er wordt hier vooral ge doeld of de situatie wanneer er sprake van sterfte van individuen door wegverkeer, wind molens, of door jacht of visserij. Bewuste, menselijke ingrepen op populatieniveau kunnen leiden tot directe problemen en problemen in de toekomst. Een verandering in populatieomvang is een direct effect. Een verandering in populatie-opbouw (verandering van de ver houding sterfte-reproductie) leidt in de toekomst tot effecten. Zowel minder organismen (een kleinere populatie) en zeker een verandering in samenstelling van de populatie (bijv. meer oude dieren) kunnen leiden tot een verandering in de geboorte/sterfte ratio. En daar mee kan er iets veranderen in de populatiedynamiek (het gedrag in de tijd). Dit kan uitein delijk leiden tot het (tijdelijk) verdwijnen van soorten, waardoor het evenwicht van het eco systeem verschuift. De gevoeligheid is sterk afhankelijk van diverse populatiekenmerken zoals de generatietijd van een soort en de huidige grootte van populaties (synbiosys.nl). Dit effect treedt niet op door de werkzaamheden en komt verder ook niet meer aanbod in de effectenanalyse.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
23 430708
5.3.18 Bewusteverandering soortensamenstelling Bedoeld wordt een bewust ingrijpen in de natuur door herintroductie van soorten, introduc tie van exoten, uitzetten van vis, inzaaienvan genetisch gemodificeerde organismen etc. Er treedt concurrentie op in voedselbeschikbaarheid, nestgelegenheid, etc. Deze concur rentie kan leiden tot het verdringen (opvullen van de niche) van de oorspronkelijke soorten. Ook kunnen soorten verdwijnen door predatie van de geïntroduceerde soort. Hierdoor kun nen relaties binnen het ecosysteem worden verstoord (synbiosys.nl). Er worden geen soor ten geherintroduceerd of uitgezet. Wel wordt mogelijk na afloop van de werkzaamheden, het plangebied opnieuw ingezaaid.Hierdoor kan gebiedsvreemd plantenmateriaal worden ingezaaid,dit kunnen ook inheemse soorten zijn, maarvan andere populaties. Er wordt echter vanuit gegaandatalleen inheemse én alleen lokale soorten worden ingezaaid.Ef fecten door bewuste verandering soortensamenstelling kunnen daarom op voorhand wor den uitgesloten en komen verder niet meer aanbod bij de effectenanalyse. 5.3.19 Samenvattingrelevanteeffecten Tabel 3. Relevantestoringsfactoren Effect treedt op in | gebruiksfase
Storingsfactor
aanlegfase
Oppervlakteverlies Versnippering
-
-
-
-
w -
-
-
-
Verontreiniging
-
-
Verdroging
-
-
Ve matting
-
-
Verandering stroomsnelheid
-
-
Verandering overstromingsfrequentie
-
-
Verandering dynamiek substraat
-
-
Verstoring door geluid Verstoring door licht
w -
-
Verstoring door trilling Optische verstoring
-
Verzuring 81 Vermesting door N-depositie Verzoeting Verzilting
Verstoring door
mechanische effecten
Verandering populatiedynamiek Bewuste verandering soortensamenstelling
-
-
w -
(x) = er treden mogelijk effecten op, maarde matewaarinis afhankelijkvan de materiele inzet, keuze van uitvoeringsvarianten de reikwijdte van de effecten.
Stichting Waterproef Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
24 430708
5.4 Reikwijdte vaneffecten Bij de afbakeningvan de effecten is van de potentiële storingsfactoren bepaaldof zij ook daadwerkelijkrelevant zijn voor de voorgenomen specifieke werkzaamheden van voorlig gend project. Als de effecten van het voorliggend project relevant zijn, moet vervolgens be paaldworden of deze effecten ook binnen Natura 2000-gebieden optreden of bij externe werking tot in nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen reiken. Alleen de reikwijdte van de relevante storingsfactoren wordt hier besproken. Als de effecten van een relevante storingsfactor niet tot in Natura 2000-gebieden reiken, ook niet door externe werking, dan wordt deze effecten niet nader uitgewerkt in de effectenanalyse. 5.4.1
Stikstofdepositie
Let op! Wijzigingen in regelgevingvolgenelkaar momenteelsnelop en eengedegen toetsingis daaromnu vrijwelonmogelijk.Dit is vanwegede stroom aanwijzigingen maarook omdat de rekenmodellen terdiscussie staan.Stikstofuitstootin de bouw faseis nietlangervrijgesteld en daardoormomenteelweervergunningplichtigalsde uitstoot veroorzaakt door de werkzaamheden vanhetprojectleidentot overschrij ding vanKritischedepositiewaarden (KDW) vanstikstofgevoelig habitattypenof leefgebied. Effecten van stikstof depositie kunnen ver reiken. In diverse Natura 2000-gebieden, ook op grotere afstand^20 km) komen stikstofgevoelige habitats en soorten voor. Dit betekent datzonder bepaling van de stikstofdepositie in deze gebieden niet kan worden uitgesloten datdoor het project veroorzaakte stikstofdepositie leidt tot verslechtering of aantastingvan de natuurlijke kenmerken van de relevante Natura 2000-gebieden. Onderzoek naarde effecten van stikstof depositie valt echter buiten de scope van deze natuurtoets. Relevant om hierbij te vermelden is dat bestendig beheer niet vergunningplichtig is. Echter is er, met de beoogde werkzaamheden, sprake van een ruimtelijke ingreep, waardoor een overschrijding van stikstofdepositie wel vergunningplichtig is. 5.4.2
Verstoringdoorgeluid Aanlegfase In de aanlegfasewordt er allerlei materieel ingezet datgeluid veroorzaakt. Dit geluid leidt tot verstoring van dieren in de omgeving, zowel boven waterals onder water. Op basis van deze Nederlandse onderzoeken (Reijnen en Foppen, 1991aen 1991b) wordt normaliter voor verstoring door verkeer waardenaangehouden van 42 dB(A) in/bij bos of voor sterk gevoelige vogelsoorten en 47 dB(A) in/bij agrarisch cultuurland of voor minder gevoelige vogelsoorten bepaald.Meestal wordt boven wateruitgegaan van een grens van 1500 me ter. In Tabel 4 zijn indicatieve contourafstanden weergegeven van bouwwerkzaamheden. Afhankelijk van het soort activiteiten leidt bijvoorbeeld heien bovengronds tot geluidsni veaus van ca 60 dB(A) op een afstandvan 400 tot 1200 meter. Daarbijtreedt dus versto ring op van vogels. Als vuistregel geldt dat een verdubbeling van de afstandleidt tot een afnamevan ca 3 dB(A) bij puntbronnen en ca 6 dB(A) bij bewegende bronnen. Als worstcase zal 1500 meter als maximaleverstoringsafstand worden gehanteerd. Bij een grens van 1500m raaktde geluidscontour de begrenzing geen van de nabijgelegen Natura 2000gebieden (Afbeelding 12). Het dichtstbijzijnde gebied "Waddenzee" gebied ligt op 9,3 kilome ter afstand,dit is ver buiten de reikwijdte van deze verstoringsfactor. Er treedt in het worstcasescenario geen geluidsverstoring op.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
25 430708
Tabel 4 Indicatievecontourafstandenvangeluid tijdens bouwactiviteiten(bron: Rijkswater staat,2013). __________________________________________________ activiteit
õOdB(A)
LWr
|
65dB(A)
|
70 dB(A)
|
75 dB(A)
|
80 dB(A)
dB(A) ref. afstard tot activiteit (m)
10” W heien betonpaler
126
•400
250
150
80
-e en
140
1200
850
550
350
230 75
er d. eee er
50
-een de—.vanden
130
550
350
225
125
m:r I en D.spe e-
121
250
150
80
50
25
ntr I en danwanċen
125
350
200
125
75
50
Geluidarm aaa reaaat
93
15
10
«CIO
«10
«10
te te e- nsr-ere-
119
220
140
75
45
25
ontgraven (dragline)
107
60
30
20
10
«10
/uur
106
30
17
10
«10
«10
schip
104
35
15
10
«10
«10
pneumatisch
6 vrachtwagenbe weging en (dumpers)
bron:
http://www.chri.nl/upload/a rt%20Bojwlawaat%20Gwitiachnfek%200412.pdf
Toelichting: Bij de berekeningen van de indicatieve contourafstanden is uitgegaan van de volgende aannamen: «
gemiddelde brorsterkte volgens de tabel op basis van ervaringscijfers;
«
volledig harde bodem;
«
geen afscherming van gebouwen
«
ontvangerhoogte
«
effectieve bednjfsduur
heien/trillen 6 uur
«
effectieve bednjfsduur
graven, beíte'en, hameren 8 uur
«
effectieve bednjfsduur
aggregaat,pomp 12 uur
«
geen meteocorrectie;
«
geen mpulstoeslag (5dB(A)).
en dergelijke;
5 m boven maaiveld: in de dagpen ode; .n de dagpenode;
in de dagperiode;
Opmerking: í z
e'-;zaamheden worden uitgevoerd
jitoevoerd.
in de avond- en nachtperiode dient nader onderzoek
te worden
Dit is nu net het uitaanqspunt.
Ook in een gebied buiten de Natura 2000-gebieden treedt mogelijk verstoring door geluid op. Daarzou dus op zich sprake kunnen zijn van externe werking op vogels. Maarde be treffende gebieden (voornamelijk weiland, erven en stedelijk gebied) zijn niet essentieel voor vogels in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, omdat buiten de Natura 2000-gebied veel vergelijkbare leefgebieden liggen waarvogels altijd terecht kunnen. Van externe werking door geluidsverstoring is derhalve geen sprake. Gebruiksfase Na afloop van de werkzaamheden is de situatie vergelijkbaaraande huidige situatie en treedt er geen additionele verstoring door geluid op. 5.4.3
Verstoringdoortrilling Aanlegfase Effecten door trilling treden uitsluitend op in de aanlegfase.Afhankelijk van de ondergrond kunnen opgewekte trillingen tot op enkele honderden meters meetbaarzijn in de bodem. Maarbijvoorbeeld uit onderzoek aanheiactiviteiten blijkt dat al op korte afstandtrillingen in de bodem snel dempen tot aanvaardbare niveaus. Effecten hiervan boven waterop Natura 2000-gebieden kunnen dan ook worden uitgesloten. Onder waterkunnen dergelijke im pulsgeluiden, zoals veroorzaakt door heiwerkzaamheden echter tot grote afstandenreiken. En kunnen zelfs op afstandenleiden tot fysiologische schade of gedragsveranderingen van onder waterlevende organismen zoals vissen en zoogdieren (Opzeeland et al, 2007). Deze trillingen verplaatsenzich dan als geluid door het wateren worden dan ook niet apart alstrillingen behandeld, maarverder besproken bij de effecten van geluid. Gebruiksfase In de gebruiksfase is geen sprake van additionele effecten door trilling veroorzaakt door het project.
Stichting Waterproef_________ Natuurtoets GemaalP. vd Sterr
26 430708
5.4.4
Optischeverstoring Aanlegfase Directe optische verstoring in Natura 2000-gebied, treedt alleen op in de aanlegfasevan de dijkverbetering. Optische verstoring reikt maximaal tot 2000 meter vanafeen bron (Krijgsveld et al., 2022). In het rapport van Krijgsveld (Krijgsveld, et al., 2022) worden zogenaamde bufferafstanden ten opzichte van verstoring opgenomen. Een bufferafstand is een minimale afstandvanaf waargeen verstoring meer plaatsvindt.Komt een bron dichterbij, dan is er niet meteen sprakevan ernstige verstoring, maarworden vogels bijvoorbeeld wel alert, watten koste kan gaanvan hun foerageergedrag. Er is dan sprake van verstoring. Voor een aantalzeer gevoelige soorten worden afstandenvan 2000 meter genoemd, bij de andere soorten is dit al gauw veel minder. Dit betekent dat in een worstcasescenario, zonder verder naarde soorten te kijken, er tot maximaal 2000 meter mogelijk sprake is van optische verstoring. De werkzaamheden worden echter uitgevoerd op minimaal9,3 kilometer afstandvan een nabijgelegen Natura 2000-gebied. Effecten van optische verstoring zijn daarom uit te slui ten, omdat de door de werkzaamheden veroorzaakte optische verstoring niet tot in Natura 2000-gebieden reikt.
Ook in een groot gebied buiten het Natura 2000-gebied treedt mogelijk optische verstoring op. Daarzou dus op zich sprake kunnen zijn van externe werking op vogels. Maarde be treffende gebieden zijn niet essentieel voor vogels in het Natura 2000-gebied, omdat buiten het Natura 20000-gebied veel vergelijkbare leefgebieden liggen waarvogels altijdterecht kunnen. Van externe werking door optische verstoring is derhalve geen sprake. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen veroorzaakt door deze externe werking kunnen daaromworden uitgesloten buiten het Natura 2000-gebied. Gebruiksfase In de gebruiksfase treedt geen effecten meer op, omdat er geen activiteiten in het plange bied plaatsvinden. 5.4.5 Samenvattingreikwijdte Van de effecten die door de werkzaamheden op kunnen treden (relevante effecten), heb ben geen van de optredende storingsfactoren (met uitzondering van stikstofdepositie) een reikwijdte vanafhet plangebied tot in Natura 2000-gebied. Dergelijke negatieve effecten zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Externe werking van deze storingsfactoren is even eens uitgesloten. Effecten van stikstofdepositie kunnen ver reiken en zijn sterk afhankelijk van het ingezette materieel. Omdatdit nog onvoldoende bekend was bij het opstellen van de Natuurtoets, maaktedit geen onderdeel uit van de scope van het rapport.