Bijlage 2. Goflo EOS Groetpolder
Tekst van het document
EOS GROETPOLDER Hollands Kroon Ruimtelijke motivering BOPA-procedure
1/2
DATUM
01-08-2024
PROJECT PROJECTLEIDER
EOS Groetpolder M.V. van der Berg, MSc.
OPDRACHTGEVER Windmolens Groetpolder II B.V. PROJECTNUMMER 20240329 AUTEUR STATUS
2/2
M.V. van der Berg, MSc. Definitief
© RHO ADVISEURS BV
Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/ of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoudsopgave Toelichting Hoofdstuk 1
Inleiding
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging projectgebied
8
1.3
Vergunningprocedure
9
1.4
Leeswijzer
10
Beschrijving van het project en zijn omgeving
11
2.1
Huidige situatie
11
2.2
Toekomstige situatie
14
2.3
Activiteiten en met omgevingsplan strijdige activiteiten
17
2.4
Milieueffectrapportage
20
Participatie
21
3.1
Algemeen aanvraagvereiste participatie
21
3.2
Vooroverleg, participatie en aanvraag
21
Hoofdstuk 4
Beleidskader en toetsing daaraan
23
4.1
Inleiding
23
4.2
Rijk
23
4.3
Provincie
24
4.4
Regio
26
4.5
Gemeente Hollands Kroon
27
Beoordelingsregels
29
5.1
Inleiding
29
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
29
5.3
Stedenbouw, bouw(werken) en welstand
30
5.4
Mobiliteit en parkeren
31
5.5
Ecologie: soortenbescherming
31
5.6
Ecologie: gebiedsbescherming
32
5.7
Luchtkwaliteit
34
5.8
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
35
5.9
Geluid door activiteiten
35
5.10
Geur
36
Hoofdstuk 2
Hoofdstuk 3
Hoofdstuk 5
3/64
5.11
Omgevingsveiligheid
37
5.12
Trilling
38
5.13
Cultureel erfgoed
38
5.14
Bodem
39
5.15
Water
40
5.16
Gezondheid
42
5.17
Lokale meerwaarde (Brede welvaart)
43
Hoofdstuk 6
Economische uitvoerbaarheid
45
Hoofdstuk 7
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
47
Bijlagen Bijlage 1
Landschappelijke inpassing
Bijlage 2
Participatieplan en verslag
Bijlage 3
Ecologische quickscan
Bijlage 4
Stikstofberekening realisatie- en gebruiksfase
Bijlage 5
Stikstofmemo
Bijlage 6
Akoestisch onderzoek
Bijlage 7
VR Advies netbatterij Groetpolderweg
``
4/64
TOELICHTING
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Windmolens Groetpolder II B.V. (hierna: initiatiefnemer) is voornemens een energieopslagsysteem (hierna: EOS) te realiseren in de Groetpolder op een locatie waar zij reeds 6 windmolens beheren. De behoefte naar deze netbatterij komt voort uit de elektrificatie van de samenleving en de groeiende vraag naar duurzame energie. Dit leidt tot een disbalans tussen vraag en aanbod op het elektriciteitsnet. Wanneer vraag en aanbod niet in evenwicht zijn, leidt dit tot congestie waardoor het transport van elektriciteit wordt beperkt. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit van het energievoorzieningssysteem. Gevolgen van de netcongestie zijn onder andere dat nieuwe woningen en bedrijven niet gebouwd kunnen worden omdat ze geen aansluiting kunnen krijgen, bestaande bedrijven niet kunnen groeien, duurzame maatregelen zoals het aansluiten van warmtepompen lastiger worden, de invoeding van duurzame opwek zoals zonneparken en windprojecten niet meer mogelijk is en de kans op stroomuitval toeneemt. In Noord-Holland is dan ook een grote behoefte aan verzwaring van het energiesysteem, het beter benutten van bestaande capaciteit en het toevoegen van flexibel vermogen. Energieopslagsystemen bieden flexibiliteit en spelen een cruciale rol bij het verminderen van congestie op het elektriciteitsnet. Daarnaast kunnen deze opslagsystemen ondersteunende diensten aan netbeheerders leveren.
TenneT verwacht een behoefte van 9 GW aan netbatterijen in 2030 voor de leveringszekerheid van stroom. De initiatiefnemer wil inspelen op de grote behoefte aan batterijcapaciteit door een EOS te realiseren van 10 megawatt (MW). Netbeheerder Liander heeft de benodigde transportcapaciteit al ter beschikking gesteld, waarmee duidelijk is dat netbeheerder Liander ziet dat het EOS bijdraagt aan een stabiel elektriciteitsnetwerk en het project daarmee uitvoerbaar is. Initiatiefnemer heeft een principeverzoek ingediend bij de gemeente Hollands Kroon voor het mogelijk maken van het EOS (hierna: de ontwikkeling). De gemeente Hollands Kroon staat in beginsel, onder voorwaarden, positief tegenover dit verzoek omdat de batterij een positieve bijdrage onder de voorwaarde dat de batterij daadwerkelijk een positieve bijdrage levert aan het netbeheer. Om dit aan te tonen cq te onderbouwen is een positief schriftelijk advies* van de netbeheerder gewenst. Verder hechten de gemeente veel waarde aan de landschappelijke inpassing. De ontwikkeling is in strijd met het omgevingsplan gemeente Hollands Kroon. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een omgevingsvergunning voor de benodigde buitenplanse omgevingsplanactiviteiten (hierna: bopa) aangevraagd. Ten behoeve van de besluitvorming wordt deze aanvraag getoetst aan het geldende beleid en de beoordelingsregels voor de bopa.
Het voorliggende document bevat deze toetsing. *Liander heeft in een overleg met Windmolens Groetpolder II B.V. aangegeven geen schriftelijk advies te leveren. Liander werkt alleen mee aan de uitbreiding van het netwerk als dit niet leidt tot meer instabiliteit van het elektriciteitsnet. Windmolens Groetpolder II B.V. heeft de uitbreiding van het gecontracteerd transportvermogen (GTV) inmiddels bevestigd gekregen.
7/64
1.2
Ligging projectgebied
Het projectgebied is gelegen in de Groetpolder, een polder gelegen tussen het dorp Winkel en het Groetkanaal in de gemeente Hollands Kroon (provincie Noord-Holland). Het project ligt achter de Groetpolderweg 21 in Winkel en ten zuidoosten van een bestaande windturbine die is gesitueerd binnen het perceel kadastraal bekend als sectie A perceel 2920. Het projectgebied zelf maakt onderdeel uit van het perceel kadastraal bekend als sectie A perceel 2919. De oppervlakte van het projectgebied waarbinnen het EOS wordt gerealiseerd bedraagt circa 2.311 m².
Figuur 1.1: Kadastrale kaart, projectgebied aangeduid met paars kader (bron: PDOK).
Figuur 1.2: Locatie EOS in het landschap (bron: Anesco Nederland BV).
8/64
Figuur 1.3: Ligging EOS in het landschap (bron: Anesco Nederland BV).
1.3
Vergunningprocedure
De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt middels een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is een activiteit, inhoudende: a. een activiteit waarvoor het in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan; b. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan. Voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de beoordelingsregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dat betekent dat de vergunning alleen wordt verleend: c. met het oog op een evenwichtige toedeling van functies (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl); d. als daarbij voldaan wordt aan de beoordelingsregels uit artikel 8.0b en 8.0e van het Bkl. Die beoordelingsregels komen overeen met de regels die gelden voor het opstellen van een omgevingsplan. Dat betekent dat ook (onder andere) de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl gelden. In beginsel is de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing op een aanvraag omgevingsvergunning. Dit betekent dat op een aanvraag omgevingsvergunning binnen 8 weken moet worden beslist. Het bevoegd gezag voor het verlenen van de omgevingsvergunning ligt in dit geval bij de gemeente Hollands Kroon.
9/64
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft op welke wijze vooroverleg en participatie heeft plaatsgevonden en hoe dit heeft bijgedragen aan het ontwerp van het project op de locatie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het project getoetst aan het relevante beleidskader. In hoofdstuk 5 wordt het project getoetst aan de relevante beoordelingsregels. Hoofdstuk 6 bevat de financiële aspecten van het project. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
10/64
Hoofdstuk 2
Beschrijving van het project en zijn omgeving
2.1
Huidige situatie
2.1.1
Feitelijk situatie
Landschap Het projectgebied maakt onderdeel uit van de Groetpolder. Deze polder is in de 19e eeuw ontstaan door een inpoldering (1847) en vervolgens in gebruik gekomen als akkerland. In 1930 werd de oostelijk gelegen Wieringermeerpolder drooggelegd. Vervolgens is door het zuiden van de Groetpolder de provinciale weg (N242) aangelegd. In de huidige situatie is de Groetpolder nog steeds grotendeels in gebruik als akkerland. De verkaveling is grootschaliger opgezet dan vroeger. De polder was eerst opgedeeld in een grid zoals ook te zien is in de Wieringermeerpolder. Inmiddels is de verkaveling meer langgerekt in diagonale richting van zuidwest naar noordoost. Op de noordwest-zuidoost lijn van het oude grid zijn nu dertien windturbines gerealiseerd. De bebouwing is met name aan de oostzijde van de Westfriesedijk en de Groetpolderweg gelegen. In de navolgende figuur is de historische ontwikkeling van het projectgebied en de omgeving weergegeven.
Figuur 2.1: Historische ontwikkeling vanaf 1815 tot heden (bron: Rho Adviseurs).
11/64
Er zijn geen landschappelijke kernkwaliteiten aanwezig. Wel is aan de westkant de Provinciaal beschermde Westfriesedijk te zien. Dit valt echter buiten de invloed van het project. De Groetpolder is de afgelopen jaren in toenemende mate in gebruik genomen als energielandschap. Er staan dertien windturbines en langs de Ringdijk zijn zonnepanelen gelegen. Vanaf de Groetweg, aan de andere kant van de ringvaart, is de polder nauwelijks te zien door de dichte begroeiing. Vanaf de Groetpolderweg zijn de windturbines en akkers wel goed zichtbaar, tussen de boerderijen door. Langs de Groetpolderweg zijn enkele woningen gelegen. De afstand tot de dichtstbijzijnde woning aan de Groetpolderweg 21 is circa 360 meter. Gebruik De gronden in het projectgebied zijn momenteel in gebruik als akkerland en volledig onverhard. Er bevinden zich geen bouwwerken (zoals windturbines) in het projectgebied.
Figuur 2.2: Huidig gebruik projectgebied (bron: Van der Goes en Groot). 2.1.2 Relevante regels omgevingsplan Het omgevingsplan Hollands Kroon bevat regels voor het projectgebied. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in: De besluiten1, waaronder: 1. een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening; 2. een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet; 3. een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij; 4. een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening. De kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet; De Bruidsschat2. 1 2
Zie artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet Zie artikel 22.1 van de Omgevingswet
12/64
Hierna wordt kort ingegaan op de onderdelen uit het omgevingsplan die van belang zijn voor de ontwikkeling. In paragraaf 2.3 wordt getoetst aan dit toetsingskader en ingegaan op de strijdigheden van de ontwikkeling met het omgevingsplan. Vigerende bestemmingsplan Voor het projectgebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan) dat is vastgesteld op 1 oktober 2013 en geheel onherroepelijk in werking is. Op grond van dit plan heeft het projectgebied de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De voor agrarisch met waarden aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor de uitoefening van akkerbouw- en tuinbouwbedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Tevens zijn deze gronden bedoeld voor het behoud en versterking van aanwezige cultuurhistorische waarden in de vorm van waardevolle bestaande verkavelingspatronen. Binnen het projectgebied geldt verder de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Deze gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen basisbestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden.
Figuur 2.3: Uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp', onderdeel van het tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Hollands Kroon, met aanduiding projectgebied (paars kader) (bron: Omgevingsloket). Voor het projectgebied geldt ook het bestemmingsplan 'Gedeeltelijke herziening bijgebouwenregeling in diverse bestemmingsplannen van Hollands Kroon', dat is vastgesteld op 5 maart 2015 en geheel onherroepelijk in werking is. Dit bestemmingsplan bevat (onder andere) een correctie in de bijgebouwenregeling uit het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp'.
13/64
Ten slotte geldt voor het projectgebied het bestemmingsplan 'Parkeren en Wonen' en het bestemmingsplan 'facetplan - logies'. Deze plannen bevatten respectievelijk een parkeerregeling en gebruiksregeling ten aanzien van wonen en een logiesregeling. Voor het voorliggende project zijn de bestemmingsplannen 'Gedeeltelijke herziening bijgebouwenregeling in diverse bestemmingsplannen van Hollands Kroon', 'Parkeren en Wonen' en 'facetplan logies' niet relevant. Verordeningen Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke erfgoedverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater, mits de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld. Bodemkwaliteitskaart en bodemfunctieklassenkaart De gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen hebben gezamenlijk een Nota bodembeheer opgesteld waarin het bodembeleid en de bijbehorende beleidsregels van de deelnemende gemeenten beschreven zijn. In de Nota bodembeheer is de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassenkaart opgenomen als kaartbijlage 1 en kaartbijlage 2 in de Nota Bodembeheer. Bruidsschat In de Bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling.
De Bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.
2.2
Toekomstige situatie
2.2.1
Ontwikkeling
De ontwikkeling betreft het realiseren van een EOS van maximaal 10 megawatt (hierna: MW). Een EOS is opgebouwd uit verschillende componenten. Afhankelijk van de leverancier kan het aantal onderdelen van het EOS verschillen. Bij de voorliggende ontwikkeling is uitgegaan van een worst-case scenario op basis van de verschillende mogelijke leveranciers. Hierna volgt een indicatie van de verschillende componenten voor een 10 MW (20 MWH) systeem: de rijen van containers waarin de batterijen zijn ingepakt. Deze zijn niet toegankelijk voor de mens. Dit betreffen 3 rijen (4 batterijcontainers per rij) en zitten in een bereik van; 1. 10 - 25 meter lang; 2. 1,5 tot 3 meter breed; 3. lager dan 3,5 meter hoog. 3 medium voltage stations (mv-stations), bestaande uit omvormers en transformatoren; een onderstation; de verbinding tussen het energieopslagsysteem en het aansluitpunt. Om het EOS zal een hekwerk worden gerealiseerd dat wordt voorzien van een beveiligingssysteem. Op deze wijze is het batterijsysteem niet toegankelijk voor onbevoegden. Het terrein is vanwege veiligheidsoverwegingen toegankelijk via twee toegangspoorten in het zuidwesten en zuidoosten van het terrein.
14/64
Er is een netaansluiting aanwezig bij het elektriciteitsverdeelstation De Weel in 't Veld. Dit station is hemelsbreed op circa 7 kilometer afstand ten opzichte van het projectgebied gesitueerd. De aansluiting wordt gebundeld met het bestaande windturbinepark en heeft daarom geen nieuwe aansluiting richting dit elektriciteitsverdeelstation nodig. Via het elektriciteitsverdeelstation kan de elektriciteit weer verder worden getransporteerd naar energieafnemers.
Figuur 2.4: Layout EOS (bron: Anesco).
Figuur 2.5: Doorsneden EOS (bron: Anesco).
15/64
Landschappelijke inpassing De gemeente Hollands Kroon hecht veel waarde aan de landschappelijke inpassing van ontwikkelingen. Ten behoeve van de ontwikkeling is dan ook een landschappelijk inpassingsplan opgesteld, zie bijlage 1. Voor de landschappelijke inpassing van het EOS is het van belang de openheid en de bestaande structuren van het landschap te behouden. De componenten van het EOS zijn daarom zodanig afgewerkt dat deze opgaan in de omgeving. Het kleurgebruik sluit aan bij de omgeving, door gebruik te maken van groene tinten. Om het EOS aan het zicht te onttrekken zonder het open karakter van de polder te verstoren is het advies van de gemeente om een grondwal aan de zuidwestzijde en aan de zuidoostzijde te leggen van 1,5 meter hoog. Dit advies is overgenomen in het ontwerp. De grondwal en de omliggende gronden worden bezaaid met een inheems kruidenrijk plantenmengsel van de Cruydt Hoeck dat speciaal voor de gemeente Hollands Kroon is ontwikkeld. Dit mengsel bevat flora dat hier van origine voorkomt. In het navolgende figuur is de landschappelijke inpassing van het EOS weergegeven.
Figuur 2.6: Landschappelijke inpassing EOS (bron: Rho Adviseurs).
16/64
2.3
Activiteiten en met omgevingsplan strijdige activiteiten
2.3.1
Beschrijving onderdelen EOS
Het EOS bestaat uit verschillende onderdelen. Hiernavolgend wordt ingegaan op de kenmerken van de onderdelen. Rijen van batterijcontainers De containers waarin de batterijen zijn ingepakt zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde omdat deze niet voor mensen toegankelijk zijn. Het EOS staat opgesteld in 3 rijen met per rij 4 batterijcontainers. De containers zijn maximaal 3,5 meter hoog. Mv-stations De 3 mv-stations, bestaande uit omvormers en transformatoren, zijn een cruciaal onderdeel voor het werken van het EOS. De mv-stations zorgen voor een efficiënt transport van elektriciteit. De mv-stations zijn verbonden aan de batterijcontainers. De 3 mv-stations zijn bouwwerken geen gebouw zijnde omdat deze niet voor mensen toegankelijk zijn. Een mv-station is 5 meter lang en 2 meter breed. De bouwhoogte bedraagt in ieder geval minder dan de bouwhoogte van de batterijcontainers (< 3,5 meter, maar hoger dan 1 meter). Onderstation Het onderstation is aan te merken als een gebouw en is voor mensen betreedbaar. Het gebouw is 13,5 meter lang en 3,5 meter breed. De bouwhoogte van het gebouw bedraagt 3,5 meter. Hekwerk Rondom het EOS is een hekwerk (met beveiligingssysteem) beoogd. Dit hekwerk heeft een hoogte van 2 meter. Verharding De onderdelen van het EOS hebben gezamenlijk een oppervlakte van circa 310 m2.
De ontsluitingsweg wordt verhard uitgevoerd en heeft een oppervlakte van circa 376 m2. De overige gronden (circa 1.625 m2) binnen het projectgebied wordt ingericht als grondwal of uitgevoerd als grind en geheel waterdoorlatend geotextielmembraan.
Figuur 2.7: Overzicht onderdelen en oppervlakten (bron: Rho Adviseurs). 17/64
2.3.2
Welke activiteiten zijn nodig voor het project?
Deze paragraaf beschrijft de activiteiten die nodig zijn voor de ontwikkeling. De activiteiten die nodig zijn bestaan uit: Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren; Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en een bouwwerk; Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Tevens wordt in deze paragraaf kort ingegaan op de aanwijzing van een EOS als milieubelastende activiteit in het kader van het Besluit activiteiten leefomgeving. Ten slotte wordt ingegaan op de strijdigheden die ontstaan met het omgevingsplan als gevolg van de activiteiten. Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid uitvoeren De activiteit werk of bouwwerk aanleggen ten behoeve van het bouwrijp maken van de locatie is in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De activiteit afgraven en/of ophogen van gronden ten behoeve van het plaatsen van de rijen van batterijcontainers is op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.7 uit het BP 'Buitengebied voormalig gemeente Niedorp') enkel toegestaan met een omgevingsvergunning.
Ook is de activiteit het aanleggen van verharding op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.7) met een oppervlakte groter dan 100 m2, op basis van ditzelfde artikel enkel toegestaan met een omgevingsvergunning. Omgevingsplanactiviteit voor het gebruiken van gronden en een bouwwerk Het gebruik van de gronden ten behoeve van een EOS is in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.1 uit het bestemmingsplan). Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk Rijen van batterijcontainers De rijen met de batterijcontainers van het EOS overschrijden de toegestane bouwhoogte. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.2. lid i, sub 10) mag de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, buiten een bouwvlak niet meer dan 1 meter bedragen. Mv-stations De 3 mv-stations overschrijden de toegestane bouwhoogte. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.2. lid i, sub 10) mag de bouwhoogte van overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, buiten een bouwvlak niet meer dan 1 meter bedragen. De mv-stations hebben in ieder geval een bouwhoogte hoger dan 1 meter. Onderstation Het onderstation is een gebouw. Op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.2 lid a, sub 1) mogen gebouwen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van het projectgebied is geen bouwvlak aanwezig.
18/64
Plaatsen van een hekwerk Rondom het EOS wordt een hekwerk met beveiligingssysteem geplaatst. De bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag op basis van de bestemming 'Agrarisch met waarden' (artikel 3.2 lid i, sub 2) niet meer dan 2 meter bedragen. Het hekwerk krijgt een bouwhoogte van 2 meter maar het EOS past niet binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden', waardoor het hekwerk ten behoeve van het EOS in strijd is met de bestemming. Milieubelastende activiteit Opslag van energie of gebruik van EOS is in het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal) niet aangemerkt als milieubelastende activiteit. Totdat de aanwijzing van een EOS als milieubelastende activiteit in het Bal heeft plaatsgevonden, is het volgens het RIVM mogelijk om vooruitlopend op deze aanwijzing de PGS 37-1 richtlijn te gebruiken bij de beoordeling van aanvragen van een omgevingsvergunning of het stellen van maatwerkvoorschriften. De richtlijn is opgesteld als veiligheidsdocument en beschrijft de belangrijkste risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen voor omgevingsveiligheid, brandveiligheid en de veiligheid van werknemer. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.11. Strijdigheden omgevingsplan De activiteiten ten behoeve van de ontwikkeling zijn op verschillende onderdelen in strijd met het bestemmingsplan 'Buitengebied voormalig gemeente Niedorp'.
Er ontstaan als gevolg van de activiteiten geen strijdigheden met de gemeentelijke erfgoedverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater. Ook ontstaan er met de activiteiten geen strijdigheden met de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet. Ten slotte treedt er ook geen strijdigheid op met de Bruidsschat. 2.3.3 Welke omgevingsplanactiviteiten moeten worden vergund met een omgevingsvergunning voor de bopa? De activiteiten die in strijd zijn met het omgevingsplan en door middel van een omgevingsvergunning voor de bopa worden aangevraagd, worden mede op basis van onderzoek getoetst. Dit betreffen de volgende activiteiten:
19/64
Omgevingsplanactiviteit voor het uitvoeren van werken / werkzaamheden; Omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van bouwwerken en in stand houden van bouwwerken; Omgevingsplanactiviteit voor de gebruiksverandering van het projectgebied naar een energieopslagsysteem en het gebruiken van de bouwwerken en gronden ten behoeve van het opslaan en leveren van energie. Maatwerkvoorschrift aanvragen bij de gemeente, de rijksoverheid of de provincie - Aanvraag maatwerkvoorschrift.
2.4
Milieueffectrapportage
Algemeen In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een omgevingsvergunning voor een bopa project-merplichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt. Als hier het omgevingsplan wordt genoemd, wordt hieronder ook de omgevingsvergunning voor een bopa verstaan. Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten. De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen. Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning.
Toetsing De voorliggende ontwikkeling is geen onderdeel van de in bijlage V aangewezen projecten. Een mer-(beoordelings)plicht is voor het project dan ook niet aan de orde. Op basis van de toetsing van de ontwikkeling aan de beoordelingsregels kan voldoende inzicht worden verkregen in de milieueffecten.
20/64
Hoofdstuk 3 3.1
Participatie
Algemeen aanvraagvereiste participatie
De gemeente Hollands Kroon heeft in haar besluit van 24 november 2022 gevallen van verplichte participatie bij een aanvraag omgevingsvergunning aangewezen. Er is sprake van verplichte participatie door de initiatiefnemer (als indieningsvereiste bij het aanvragen van een omgevingsvergunning) als het initiatief de vestiging van niet agrarische bedrijven in het buitengebied mogelijk maakt. De vestiging van het EOS valt onder het vestigen van een niet agrarisch bedrijf in het buitengebied. Voor het voorliggende project is daarmee sprake van een participatieplicht.
3.2
Vooroverleg, participatie en aanvraag
Vooroverleg Hier worden te zijner tijd de uitkomsten van de omgevingstafel opgenomen en eventuele aanpassingen die naar aanleiding hiervan zijn doorgevoerd in het project. Participatie omgeving De gemeente Hollands Kroon heeft een participatieverordening. Het beleidskader uit de participatieverordening schrijft voor dat initiatiefnemer bij de start van een initiatief vaststelt op welke manier participatie wordt toegepast en hoe wordt omgegaan met reacties uit de omgeving. Voor het project is daarom een participatieplan en verslag opgesteld, zie Bijlage 2. In het participatieplan is opgenomen dat alle bewoners (omwonenden) aan de Groetpolderweg vanaf de Boerensluisweg aan de westkant van het EOS en de Winkelmadeweg aan de zuidkant worden betrokken. Per saldo zijn dit de bewoners in de Groetpolder tot circa 1 kilometer afstand van het EOS. Naast bewoners zijn ook de volgende stakeholders betrokken: Gemeente Hollands Kroon; Netbeheerders; Potentiële investeerders. Voor wat betreft de participatie zijn de volgende stappen gezet: 1. De documentatie over het project wordt beschikbaar gesteld aan de stakeholders. Voor omwonenden is al een eerste indruk van het project gepresenteerd middels een brief met een presentatie die 27 maart 2024 persoonlijk afgegeven of verstuurd is; 2. Er zijn keukentafelgesprekken gevoerd met omwonenden. Van deze gesprekken is verslag gedaan.
Zie hiervoor bijlage 1 bij Bijlage 2. In de vervolgfase zijn, indien daar aanleiding toe was, opnieuw gesprekken gevoerd; 3. Het conceptdocument met de voorgestelde landschappelijke inpassing is per e-mail gestuurd naar de omwonenden die gereageerd hebben op de eerste brief (van 27 maart 2024). Aanvullende vragen zijn door hen gesteld en ook weer beantwoord;
21/64
4. Naar aanleiding van de reacties op het conceptdocument met de voorgestelde landschappelijke inpassing hebben de initiatiefnemers een overleg gehad met de omwonenden die nog vragen en opmerkingen hadden. Als bijlage zijn de reacties/ideeën opgenomen en daarbij ook de reacties van de initiatiefnemers. In bijlage 1 en 2 van het Participatieplan en verslag is vermeld op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden en wat de resultaten zijn. Uit het participatietraject is naar voren gekomen dat het merendeel van de omwonenden geen bezwaar heeft tegen de realisatie van het EOS. Twee omwonenden verwachten een beperking in het weidse uitzicht door het EOS en hebben een alternatieve locatie rondom de windmolen voorgesteld. De initiatiefnemer heeft uitgelegd waarom deze locatie optimaal is, gevisualiseerd wat het effect is van het EOS op het uitzicht en besloten vast te houden aan de gekozen locatie.
22/64
Hoofdstuk 4 4.1
Beleidskader en toetsing daaraan
Inleiding
Door de verschillende overheden is beleid geformuleerd ten aanzien voor ontwikkelingen. Paragraaf 4.2 behandelt het rijksbeleid. Het provinciaal beleid is opgenomen in paragraaf 4.3 Tot slot wordt in paragraaf 4.4 de beoogde ontwikkeling getoetst aan het gemeentelijk beleid.
4.2
Rijk
4.2.1
Nationale Omgevingsvisie
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) wordt richting gegeven aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende 30 jaar ingrijpend zullen veranderen. De NOVI is vastgesteld op 11 september 2020 en geheel onherroepelijk in werking. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie 2. Duurzaam economisch groeipotentieel 3. Sterke en gezonde steden en regio's 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd.
Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
23/64
Toetsing Binnen de ambities van de NOVI staat de groei van duurzame energieopwekking in Nederland centraal. Door een groter aandeel hernieuwbare energie en elektrificatie zit echter steeds vaker 'het net vol', wat betekent dat de maximale transportcapaciteit dreigt te worden bereikt op een specifieke plek en moment in het jaar. Dit geldt voor zowel afname als voor invoeding van stroom. Hierdoor dreigt de netbeheerder de belofte van leveringszekerheid niet na te komen. Nieuwe aansluitingen komen op een wachtlijst. Met de energietransitie zal stijgende elektrificatie en uitrol van duurzame energie de druk op elektriciteitsnet ook in de toekomst steeds vergroten. Het EOS vermindert deze pieken door op het juiste moment op te laden of te ontladen. Hierdoor maakt een EOS de energie-infrastructuur geschikt voor (aansluiting van) duurzame energiebronnen. Netbeheerders werken aan speciale contracten voor batterijen: het wordt gestimuleerd de piek te verminderen. Zo worden batterijen onderdeel van de oplossing. Buiten de lokale piekmomenten kan de batterij worden ingezet om de pieken op landelijke schaal te verminderen. De voorliggende ontwikkeling draagt zodoende bij aan de verdere groei van duurzame energieopwekking in Nederland.
4.3
Provincie
4.3.1
Omgevingsvisie Noord-Holland
De 'Omgevingsvisie NH2050 - Balans tussen economische groei en leefbaarheid' is op 19 november 2018 door Provinciale Staten van Noord-Holland vastgesteld. In de omgevingsvisie heeft de provincie haar ruimtelijke toekomstvisie vastgelegd en heeft zij tevens aangegeven hoe zij deze visie denkt te zullen realiseren. Het uitgangspunt van de omgevingsvisie is dat Noord-Holland een relatief hoog welvaarts- en welzijnsniveau heeft. Om deze ook voor de toekomst vast te kunnen houden, richt de provincie zich op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid, zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Dit is de hoofdambitie. In de omgevingsvisie worden ook subambities genoemd op het gebied van de leefomgeving, het gebruik van de leefomgeving en de energietransitie. De ambities ten aanzien van de leefomgeving luiden: Klimaatverandering: Noord-Holland moet voorbereid zijn op klimaatverandering en waterrobuust worden ingericht. Gezondheid en veiligheid: de ambitie is het behouden en waar mogelijk verbeteren van de kwaliteit van bodem-, water- en lucht, externe veiligheid, geluidbelasting en (ontwikkelingen in) de ondergrond.
Gestreefd wordt naar een gezonde leefomgeving, wat inhoudt: een woon-werkomgeving waar je zo min mogelijk wordt blootgesteld aan ongezonde stoffen en veiligheidsrisico's en die een gezonde levensstijl ondersteunt. Biodiversiteit en natuur: de ambitie is om de biodiversiteit in Noord-Holland te vergroten, ook omdat daarmee andere ambities/doelen kunnen worden bereikt. Dit betekent dat ontwikkelingen zoveel mogelijk natuurinclusief zullen zijn.
24/64
De ambities ten aanzien van het gebruik van de leefomgeving luiden: Economische transitie: de ambitie is een duurzame economie, met innovatie als belangrijke motor. Economische ontwikkelingen dienen qua aard, omvang en vorm aan te sluiten bij de regio of plek. Wonen en werken: de ambitie is dat vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. Daarbij moet woningbouw, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends, vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden worden gepland. Mobiliteit: de ambitie is dat de inwoners en bedrijven van Noord-Holland zichzelf of producten effectief, veilig en efficiënt kunnen verplaatsen, waarbij de negatieve gevolgen van de mobiliteit op klimaat, gezondheid, natuur en landschap steeds nadrukkelijk meegewogen worden. Clustering van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. Landschap: de ambitie is het benoemen, behouden en versterken van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en de cultuurhistorie. Energietransitie: de ambities ten aanzien van de energietransitie is tot slot dat Noord-Holland als samenleving in 2050 volledig klimaatneutraal en gebaseerd is op (een maximale inzet op opwekking van) hernieuwbare energie.
Toetsing Een van de ambities uit de omgevingsvisie van Noord-Holland is om in 2050 volledig klimaatneutraal te zijn en maximaal in te zetten op de opwekking van hernieuwbare energie. Het voorliggende project bestaat uit het realiseren van een EOS en levert een bijdrage aan het opheffen van onbalans in het openbare elektriciteitsnet als gevolg van (onder andere) het toenemende aandeel van duurzame energieopwekking. De ontwikkeling draagt zodoende bij aan de ambitie uit de omgevingsvisie ten aanzien van de energietransitie door een verdere opwekking van hernieuwbare energie te faciliteren. 4.3.2 Omgevingsverordening Noord-Holland Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben neergelegd in de Omgevingsverordening NH2022. De omgevingsverordening is op 1 januari 2024 in werking getreden. Toetsing In de omgevingsverordening zijn regels voor duurzame energieprojecten opgenomen. Er zijn echter geen regels opgenomen met betrekking tot energieopslagsystemen. Het projectgebied is gelegen in het werkingsgebied landelijk gebied. Het volgende artikel is voor de ontwikkeling van toepassing: Artikel 6.70 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1.
Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c. bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. 2. n.v.t 3. n.v.t.
25/64
4. Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van het betrokken waterschap of het College van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeente kunnen de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies vragen, ook in een vroeg stadium, inzake de locatie afweging of de ruimtelijke inpassing. Toetsing Conform de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vragen ruimtelijke ontwikkelingen als (duurzame) energie om een nieuw ruimtelijk raamwerk voor de Groetpolder als gehele compositie (totaalontwerp). Daarbij dient wel het idee van het oorspronkelijke raamwerk van de polder gerespecteerd te worden. Dit ontwikkelprincipe is betrokken bij de inpassing van het EOS. Met het project wordt het EOS aangrenzend aan een windturbine gerealiseerd. Het EOS wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast en ligt in dezelfde lijn als de rij windturbines. Door aan te sluiten bij deze lijn blijven belangrijke doorzichten compleet en herkenbaar. Dit sluit aan bij het ontwikkelprincipe van een totaalconcept voor (duurzame) energiebronnen en behoud op deze wijze zoveel mogelijk de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het oorspronkelijke raamwerk van de polder. Er wordt zodoende rekening gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren. Er is sprake van een zorgvuldige belangenafweging.
4.4
Regio
4.4.1 Regionale Energiestrategie Noord-Holland Noord De RES 1.0 is in 2021 vastgesteld door de gemeenten in de regio Noord-Holland Noord. In de Regionale Energiestrategie (RES) van de regio Noord-Holland Noord is de ambitie uitgesproken om voor 2030 in de regio 3,6 TWh aan hernieuwbare elektriciteit met zon en wind op te wekken. Naast deze ambitie signaleert de RES 1.0 ook bloot dat andere maatregelen, zoals de opslag van duurzaam opgewekte energie, steeds belangrijker worden mede als gevolg van de problemen met het elektriciteitsnetwerk. Dit betekent dat bijvoorbeeld onderzoek en proeven worden gedaan met energiemanagementsystemen om opwek en gebruik van energie zo goed mogelijk te balanceren, opslag in batterijen, omzetting naar waterstof, groen gas, warmtenetten en warmteopslag. Herijking RES 2024 De RES 1.0 is in 2024 herijkt. De ambities en ontwikkelingen leiden ertoe dat het elektriciteitsnet in (onder andere) de Kop van Noord-Holland sinds de vaststelling van de RES 1.0 verder toenemende beperkingen kent. Enerzijds zit het gebied voor de vraag naar elektriciteit voor grote aanvragers op slot. Dit komt deels door congestie in het hoogspanningsnet van TenneT dat sinds 18 oktober 2023 speelt. De te verwachten termijn waarop dit zou zijn opgelost voor de Kop van Noord-Holland volgens TenneT rond 2034 – 2036.
Anderzijds zit de regio op dit moment ook voor een groot deel op slot voor teruglevering van elektriciteit. In grote delen van de regio worden pas na 2030 aansluitmogelijkheden voor grote duurzame elektriciteits-opwekkers verwacht. Het tekort aan capaciteit op verdeelstations maken het aansluiten van grote zon- en windprojecten (<2MW) op de korte termijn niet mogelijk.
26/64
Toetsing en conclusie Het voorliggende project bestaat uit het realiseren van een EOS en levert een bijdrage aan het opheffen van onbalans in het openbare elektriciteitsnet als gevolg van (onder andere) het toenemende aandeel van duurzame energieopwekking. De ontwikkeling draagt zodoende bij aan de ambitie uit de RES 1.0 en de Herijking RES 2024 door een verdere opwekking van hernieuwbare energie te faciliteren en huidige congestie op het elektriciteitsnetwerk op te lossen. Liander en Windmolens Groetpolder II B.V. zijn overeengekomen dat extra gecontracteerd transportvermogen (GTV) is toegekend aan WIndmolens Groetpoilder II ter realisatie en gebruik van het EOS. Liander staat alleen een uitbreiding toestaan als de betreffende installatie niet leidt tot meer instabiliteit van het elektriciteitsnet.
4.5
Gemeente Hollands Kroon
4.5.1 Omgevingsvisie Hollands Kroon Op 22 november 2016 is de Omgevingsvisie Hollands Kroon door de gemeenteraad vastgesteld. In de Omgevingsvisie voor de gemeente Hollands Kroon staan de ontwikkelingen van de fysieke leefomgeving voor op de lange termijn beschreven. Het uitgangspunt bij ontwikkelingen is 'ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit'. Daarbij gelden bij ruimtelijke ontwikkelingen in ieder geval de volgende uitgangspunten: Hollands Kroon is en blijft een agrarische gemeente wat betekent dat voor het buitengebied het agrarisch belang zwaarwegend is; Een aantrekkelijk en afwisselend gebied voor recreanten en toeristen; Landschappelijke verschillen en overgangen worden behouden en waar mogelijk versterkt, cultuurhistorische waarden worden gekoesterd; Bij maatwerk voor grootschalige projecten (groter dan 2 hectare) kunnen, indien dit voor landschappelijke inpassing wenselijk is, voorschriften worden opgelegd met betrekking tot de erfbeplanting. Concept omgevingsvisie Vanaf begin 2021 werkt de gemeente Hollands Kroon aan een nieuwe omgevingsvisie. In dit document komt te staan hoe de gemeente wil dat de leefomgeving er in 2040 uitkomt te zien. De concept omgevingsvisie is naar verwachting eind 2024 in concept gereed.
Toetsing Het realiseren van het EOS in het buitengebied van de gemeente Hollands Kroon gaat uit van een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Het EOS wordt landschappelijk ingebed door een te realiseren grondwal, uitgevoerd met een gebiedseigen inheems plantenmengsel. Door het plaatsen van het EOS naast een bestaande windturbine wordt het agrarisch buitengebied zo min mogelijk belast. De ontwikkeling is in overeenstemming met de omgevingsvisie.
27/64
28/64
Hoofdstuk 5 5.1
Beoordelingsregels
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de gevolgen voor de fysieke leefomgeving van de ontwikkeling onderzocht. De aard, omvang en locatie van de ontwikkeling zijn bepalend voor de omgevingsaspecten en andere thema's die onderzocht moeten worden, wat relevant beleid is waaraan wordt getoetst en welke beoordelingsregels relevant zijn en wat de uitkomsten van de belangenafweging daarbij zijn. Op basis hiervan wordt het besluit gemotiveerd en blijkt of eventuele voorschriften moeten worden verbonden aan de omgevingsvergunning. Dit alles is nodig met het oog op de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In dit hoofdstuk wordt het project aan de beoordelingsregels getoetst. De beoordelingsregels zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) en in de omgevingsverordening van de provincie Noord-Holland.
5.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Het Bkl regelt in paragraaf 5.1.5.4 de ladder voor duurzame verstedelijking. Het oogmerk van dit thema is het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl is het enige artikel in deze paragraaf en heeft de titel 'zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand'. Het artikel regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b, eerste lid onder a van het Bkl bepaalt dat hoofdstuk 5 van het Bkl ook geldt voor een bopa. Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Toetsing Op basis van jurisprudentie1 onder de Wet ruimtelijke ordening blijkt dat de Afdeling diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Als niet stedelijke ontwikkeling worden genoemd: een hoogspanningsverbinding, een windturbinepark, een zonnepark en een transformatorstation. Een EOS is aan te merken als een voorziening op het gebied van energiedistributie en is daarmee tevens niet aan te merken als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking.
29/64
Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat er grote behoefte bestaat aan een EOS binnen de regio Noord-Holland Noord. Met een EOS wordt de productiviteit van de duurzame energieopwekking verbetert. Tijdens piekuren kan energie worden opgeslagen in het EOS. Voor de stabiliteit van het elektriciteitsnetwerk en het stabiele aanbod van groene stroom is het belangrijk om dit overschot aan groene stroom op te slaan, zodat deze buiten de piekuren op het elektriciteitsnetwerk kan worden aangeboden. De voorliggende EOS is specifiek beoogd bij het windturbinepark van Windmolens Groetpolder II B.V. Het is noodzakelijk om een EOS in de nabijheid van een bestaande netaansluiting te realiseren. Het EOS maakt gebruik van de al aanwezige energie infrastructuur door aan te sluiten op dezelfde kabel als het naastgelegen windturbinepark. Het EOS wordt op deze wijze geïntegreerd binnen de lokale energie-infrastructuur. 1
ABRvS 23 januari 2019; ECLI:NL:RVS:2019:178, ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724.
Conclusie De ontwikkeling levert geen strijdigheid op met de beoordelingsregel in het Bkl. De ontwikkeling is niet aan te merken als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Desalniettemin is sprake van een gemotiveerde locatiekeuze.
5.3
Stedenbouw, bouw(werken) en welstand
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. In het omgevingsplan zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (artikel 22.7, Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (artikel 22.29, Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon). Beoordeling van een aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit Artikel 22.29 lid 1 onder b van het omgevingsplan gemeente Hollands Kroon bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken, zijn uitgesloten van deze welstandstoets. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente Hollands Kroon. Deze nota is vastgesteld op 19 december 2013 door de gemeenteraad. Het projectgebied is gesitueerd in een welstandsluw gebied.
De welstandsregels waar een bouw- of verbouwplan aan moeten voldoen zijn: geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief; geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is; geen toepassing van felle of contrasterende kleuren; geen toepassing van opdringerige reclames.
30/64
Toetsing en conclusie Op het moment van schrijven van de welstandsnota waren energieopslagsystemen nog geen bekend fenomeen. Het project houdt echter zoveel mogelijk rekening met de welstandsregels van het welstandsluwe gebied. Na het indienen van de omgevingsvergunning voor een bopa wordt het project voorgelegd aan de ambtelijke adviescommissie ter beoordeling.
5.4
Mobiliteit en parkeren
Algemeen Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Bkl stellen geen regels op dit gebied. Het beleid van de gemeente gaat wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk beleid blijven de CROW-richtlijnen belangrijk bij de beoordeling van de aspecten mobiliteit en parkeren. Hierna wordt ingegaan op de ontsluiting van het projectgebied, het parkeren en de verkeersgeneratie. Toetsing Het EOS wordt ontsloten via een erfweg die uitkomt op de Groetpolderweg. Via de erfweg is ook de naastgelegen windturbine te bereiken. Op deze erfweg wordt een aftakking gemaakt naar het projectgebied. De realisatie van het EOS leidt niet tot een structurele toename van de verkeersgeneratie. Alleen tijdens onderhoudswerkzaamheden zullen enkele verkeersbewegingen kunnen ontstaan. Op basis van soortgelijke projecten blijkt dat er naar verwachting op jaarbasis 20 keer iemand naar de locatie gaat voor onderhoud. In totaal zijn dit 40 verkeersbewegingen (20 x 2 (heen- en terug)) per jaar. De omliggende verkeersstructuur wordt in staat geacht deze zeer geringe toename zonder problemen op te kunnen vangen. Er is een opstelplaats in het projectgebied aanwezig waar een voertuig geplaatst kan worden. Conclusie Het aspect mobiliteit en parkeren vormt geen belemmering voor het project.
5.5
Ecologie: soortenbescherming
Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot soortenbescherming. Echter, bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen.
31/64
Toetsing Om te bepalen of er binnen het projectgebied beschermde soorten voorkomen is door ecologisch bureau Van der Goes en Groot een ecologische quickscan uitgevoerd, zie bijlage 3. Uit de quickscan volgen de volgende conclusies:
Het projectgebied is in potentie geschikt voor beschermde soorten amfibieën, vogels grondgebonden zoogdieren en vleermuizen; Gezien de uitgevoerde toetsing, kunnen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen vrijgestelde soorten verblijvend aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte vrijgestelde soorten hoeft geen vergunning te worden aangevraagd als werkzaamheden worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken project; Nabij het projectgebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Een vergunning is voor broedvogels dan niet nodig. Het broedseizoen loopt grofweg van half maart tot half juli; Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het projectgebied door overige vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus, buizerd, sperwer en ransuil), wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het projectgebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is.
Het projectgebied biedt geen essentieel leefgebied voor deze soorten en ze kunnen gemakkelijk uitwijken; Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het projectgebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het projectgebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Voor de vleermuizen die gebruik maken van de uit de NDFF bekende nabijgelegen vliegroute, worden geen negatieve effecten verwacht omdat het projectgebied op ruime afstand ligt van deze vliegroute.
Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek blijkt dat er geen negatieve effecten te verwachten zijn op beschermde soorten. Het aspect soortenbescherming vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
5.6
Ecologie: gebiedsbescherming
Algemeen Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat geen instructieregels met betrekking tot gebiedsbescherming. Echter, het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Om dit aan te tonen dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd. Hieronder wordt per locatie de positie ten opzichte van Natura 2000-gebieden beschreven.
32/64
Toetsing Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen ligt op circa 16 kilometer (zie figuur 5.1). Het Projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde onderdeel van Natuurnetwerk Nederland (NNN) bevindt zich op circa 530 meter(zie figuur 5.2).
Figuur 5.1: Ligging projectgebied (gemarkeerd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden.
Figuur 5.2: Ligging projectgebied (zwart omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland.
33/64
Vanwege de afstand zijn directe effecten zoals areaalverlies, versnippering, verandering van de waterhuishouding en verstoring op NNN en Natura 2000-gebied op voorhand uitgesloten. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatie- en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie bijlage 4). De bijbehorende memo is opgenomen in bijlage 5. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatie- en gebruiksfase van de ontwikkeling.
5.7
Luchtkwaliteit
Algemeen Het Bkl bevat § 5.1.4.1. Kwaliteit van de buitenlucht. Deze instructieregels zijn niet van toepassing op de aangevraagde activiteiten. Voor het toelaten van activiteiten, anders dan die zijn genoemd in artikel 5.50 en 5.51 Bkl, bevat het Bkl geen instructieregels. In die gevallen zal de gemeente moeten beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten activiteit aanvaardbaar is. De Omgevingswet bepaalt immers dat bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Ow). Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Toetsing Het projectgebied bevindt zich niet in Artikel 5.51 Bkl vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof. De overige artikelen zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling. Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof nabij het projectgebied ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 22.3 van het Bkl) lagen. De luchtkwaliteit ter plaatse is aanvaardbaar. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
34/64
5.8
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Toetsingskader Het Bkl bevat § 5.1.4.2a. Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan voorziet erin dat het geluid binnen het projectgebied aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden per geluidbronsoort. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden. Toetsing en conclusie Het EOS is geen gevoelig gebouw. Een toetsing aan geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is daarom niet nodig.
5.9
Geluid door activiteiten
Algemeen Het Bkl bevat § 5.1.4.2. Geluid door activiteiten. Het EOS is een (milieubelastende) activiteit, welke niet is toegestaan op basis van het huidige omgevingsplan. In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en het omgevingsplan voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Dit is het geval als bij het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in tabel 1 en 2 (hoofdstuk 5 Besluit kwaliteit leefomgeving) (zie tabel 5.1 en 5.2). De regels van hoofdstuk 5 zijn ook van toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit (bopa). Tabel 5.1: Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
Tabel 5.2: Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
Toetsing Een EOS veroorzaakt geluidemissie. Het geluid wordt veroorzaakt door de batterijen en de mv-stations. Om de geluidemissie inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie bijlage 6. Er is in het onderzoek uitgegaan van een worst-case scenario, waarbij sprake is van een continue bedrijfsduur in de dag-, avond- en nachtperiode. In het akoestisch rekenmodel zijn toets-/rekenpunten opgenomen ter plaatse van de woningen aan de Groetpolderweg en de Groetweg. Op basis van de berekeningen is het geluidniveau bepaald bij de woningen (zie tabel 5.3).