Bijlage 1. Nota Omgevingskwaliteit
Tekst van het document
• Brede panden zijn veelal een bouwlaag met kap, bij twee bouwlagen met kap bij voorkeur opbreken of onderverdelen van de eenheid. • Gevels staan op de grond/borstwering onder kozijnen. • Gevel en plint zijn in samenhang, per gevel een duidelijk architectonische verschijningsvorm voor gevel en plint. • Bestaande details zichtbaar maken en waar mogelijk herstellen. • Bedrijfskleuren zijn geen onderdeel van (de vaste onderdelen van) de gevels. • Reclame is onderdeel van de gevelopening en/of bestaat uit losse letters.
Hippolytushoef, foto: Lisette Tomassen
Den Oever, foto: Lisette Tomassen
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
53
Detaillering, materiaal en kleur bebouwing • Gevels zijn (bij voorkeur) in traditioneel metselwerk met rode of gele stenen en/of hout (topgevels) en de daken met gebakken (bij voorkeur rode of zwarte) pannen. • Het kleurgebruik is overwegend traditioneel en is in samenhang met de omgeving. • De detaillering is sober (niet overdadig) en fijn gedetailleerd. • Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Uitbreidingswijken Erf en ligging • Groene tuin, beperk verharding. • De erfafscheidingen voor de voorgevellijn maximaal 1 meter hoog, achter de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog. • Erfafscheidingen hebben een eenduidige consequente vormgeving en zijn bij voorkeur groen beplant en terughoudend in kleur. Bebouwing • De bebouwing is met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg. • De bebouwing staat in de bestaande rooilijn. • Er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s, variërend van één tot twee bouwlagen met kap. • De massaopbouw is per cluster of rij in onderlinge samenhang, maar kent bij vrijstaande bebouwing individuele kenmerken. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt. • Aan- en uitbouwen zijn in een afgeleide architectuur en bij voorkeur mee ontworpen dan wel volgens het principe van een trendsetter. Detaillering, materiaal en kleur bebouwing • Per cluster of rij is er sprake van een samenhang. • Vrijstaande bebouwing kent eigen individuele detailleringen. • Nieuwe ontwikkelingen dragen bij aan de kernkwaliteiten van Wieringen. Accenten kunnen modern zijn, maar dragen op een positieve wijze bij aan deze kernkwaliteiten. • De detailleringen zijn overwegend eenvoudig maar verzorgd. • Gevels zijn in principe in baksteen en dakbedekking met pannen, maar bij bijzondere bestaande situaties kan daar passend bij de situatie een uitzondering op gemaakt worden.
• Aan- en uitbouwen zijn qua materiaal verwant aan het hoofdgebouw.
54
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Uitbreidingswijk Hippolytushoef, foto: Lisette Tomassen
Bedrijventerreinen Erf en ligging • De afstand tussen bebouwing en de omgeving is ruim, door: ○ Voldoende afstand tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen minimaal 5x de maximale toegestane bouwhoogte aan de voorzijde en minimaal 3x aan de achterzijde. Op zichtlocaties minimaal 8x de maximale bouwhoogte; ○ Een rustig beeld aan de voorzijde; ○ Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen. • Openbare functies liggen aan de rand. Zo kan de weg aan de voor- of achterzijde benut worden voor beplanting, ondergrondse kabels en leidingen of voor watercompensatie in lijn met de verkavelingsstructuur en slotenpatronen. • Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen. • De erfgrens is groen en kent gebiedseigen beplanting. De representatieve zijde(s) kent een rustig beeld, door: ○ Langs de voor- en achterzijde over de hele lengte een samenhangende groene zone met gebiedseigen soorten te hanteren.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
55
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
○ De groene zone is aan de voorzijde of zichtlocatie is minimaal 1 à 1,5 meter hoog – zodat de gebouwen zichtbaar zijn en kleine elementen op maaiveld uit het zicht ontnomen worden – en mag sierwaarde hebben; variatie in soorten. Het heeft de voorkeur om ook aan de achterzijde kleine losse elementen en opslag uit het zicht te nemen en daar de beplanting van 5 meter hoog te hanteren; ○ Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen aan de voorzijde, de zichtlocatie of door deze uit het zicht te ontnemen. Parkeren kan ingepast worden met een laag groen of haag van 1 à 1,5 meter hoog; ○ Als de gevels van de gebouwen onderling sterk verschillen in vorm en kleur, kan een bomenrij zorgen voor een rustig beeld van de bovenrand van de bedrijventerreinen; ○ De bomen en beplanting sluiten aan bij de kenmerkende groenelementen van de omgeving. Er wordt meerwaarde voor natuur en biodiversiteit gecreëerd door zachte en gelede overgangen en variatie in de beplantingssoorten.
• De plaatsing van de bebouwing hangt samen met de richting en oriëntatie van het landschap: ○ De entree is geplaatst aan de ontsluitingsweg en de bebouwing is georiënteerd op de ontsluitingsweg; ○ Wegen en watergangen sluiten aan op de richting en ordening van de verkavelingsstructuur en het slotenpatroon; ○ De overige bebouwing is evenwijdig of haaks op de richting als de verkavelingsstructuur en of het slotenpatroon georiënteerd. Bebouwing • Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de belangrijkste weg. • Bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn van bedrijfswoningen. • Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht. • Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. • Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. • Geen uitbouwen aan uitbouwen. • Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein kennen gebouwen een samengestelde massaopbouw, waarbij de representatieve delen sterker worden geaccentueerd. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. • Ontwerpaandacht voor alle details.
56
| Gebiedsgericht beleid
• Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk. • Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. • Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. • Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. • Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Haven Erf en ligging • De hoofdmassa heeft een representatieve zijde en de verharding is waar mogelijk beperkt. • Parkeren gebeurt achter of naast de representatieve zijde van het hoofdgebouw. • De erfafscheidingen zijn beperkt.
Haven Den Oever, foto: Lisette Tomassen
Bebouwing • Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de haven en naar voorkeur op twee zijden, waarbij één gericht is op de weg/dijk en één op de haven. • Gebouwen hebben door hun ligging een duidelijke relatie met de dijk en de haven. • Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
57
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
• Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. • Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. • Geen uitbouwen aan uitbouwen. • Op zichtlocatie en langs de randen van de haven mogen de representatieve delen van de gebouwen sterker worden geaccentueerd.
Haven Den Oever, foto: Lisette Tomassen
Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Op zichtlocaties en langs de randen van de haven wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. • Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering. • Ontwerpaandacht voor alle details van de bebouwing, maar ook van op het erf staande elementen zoals trappen en hekken. • Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies binnen de haven zijn wenselijk. • Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. • Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. • Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan.
58
| Gebiedsgericht beleid
Sport en recreatieterreinen Ligging in de omgeving • De overgang tussen bebouwing en het landschap is harmonieus, bebouwing is ondergeschikt aan het landschap. • De inrichting sluit aan bij het open en groene karakter van het omliggende landschap • Buitenruimte zichtbaar vanaf het openbare gebied is zorgvuldig ingericht. • In de jachthaven blijft de visuele openheid van het gebied behouden. Uitzichten op het water blijven behouden of worden versterkt.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bebouwing • Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. • Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met bij voorkeur een zadeldak. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex. • Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt vormgegeven en afgestemd op het hoofdgebouw. • De recreatiewoningen staan vrij op het maaiveld. • In de jachthaven zijn steigers, voorzieningen en eventuele bebouwing functioneel, kleinschalig en landschappelijk ingepast. Verharding en bouwwerken zijn uitsluitend ondersteunend aan de havenfunctie. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Materialen en kleuren aanpassen aan de direct aangrenzende gebouwen, percelen, of objecten. • Gevels zijn van baksteen of hout. • Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. • Kleuren zijn terughoudend en aangepast aan de landschappelijke omgeving. • Detaillering is eenvoudig en verzorgd. • In jachthavens wordt gekozen voor materialen en kleuren die passen in de natuurlijke omgeving.
Lutjestrand, foto: Lisette Tomassen
Lutjestrand, foto: Lisette Tomassen
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
59
60
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Visualisatie karakteristieken Wieringermeer, beeld: Milou van der Gragt
4.2 Wieringermeer
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
In 1930 viel de Wieringermeerpolder droog. Daarmee is deze polder de jongste droogmakerij binnen de gemeente Hollands Kroon. Toch zijn er in de droogmakerij sporen gevonden die verder teruggaan in de tijd. De Wieringermeerpolder is net als de andere polders primair opgezet als agrarisch productielandschap. Ondanks de nadruk op de functie van productielandschap was er in het ontwerp ook veel aandacht voor landschappelijke kwaliteit en dat werd al vroeg in het ontwerpproces meegenomen. Anders dan in de andere polders in Hollands Kroon is hier een driehoekige webstructuur ontwikkeld, met een zorgvuldige compositie van vaarten, linten, regelmatig verspreid liggende erven en enkele kernen, liggend aan vaarten. In de polder is een uitgebreid hiërarchisch stelsel van waterwegen gevormd dat zorg draagt voor de afwatering via gemaal Lely bij Medemblik en Leemans bij Den Oever. De hoofdvaarten lopen allemaal in de richting van de gemalen, met uitzondering van het Waard- en Groetkanaal in het westen. Tussen de vaarten ligt een stelsel van tochten die afwateren op de vaarten. Ze liggen vrijwel altijd loodrecht op of lopen parallel aan de vaarten en wegen. Loodrecht op de tochten liggen tenslotte de kavelsloten. Het verkavelingsplan is niet ontworpen vanuit een middenlijn naar de randen toe, zoals gebruikelijk was, maar vanuit de randen naar het centrum toe.
Hierdoor zijn restkavels aan de randen vermeden en ontstond een driehoekig centrum met restkavels. De Wieringermeer werd bij aanvang ingericht als vaarpolder, maar door het opkomende wegvervoer werd veel aandacht besteed aan goede wegen. Het landschap weerspiegelt deze revolutionaire wijziging van vervoer; de Wieringermeer werd zowel een vaar- als rijpolder. Alleen ten zuidwesten van de polder is bij planvorming nog wel duidelijk uitgegaan van vervoer over water. Daarvoor werden aanmerkelijk grotere kavels gecreëerd. Dit leidde tot de stichting van vrij grote bedrijven in dat gedeelte van de polder. Rond het centrale hoofddorp Middenmeer werden verschillende dorpen getekend op de ontwerptafel. Uiteindelijk zijn drie dorpen gerealiseerd: elk op een plek waar kanalen en wegen elkaar kruisen. De kanalen vormen telkens een rand van het dorp. Het bedrijventerrein ligt langs het kanaal.
Klik hier om terug te gaan naar de gebiedenkaart Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
61
Elk dorp heeft een eigen karakter in overeenstemming met de plaats en functie binnen de polder. Slootdorp werd door ontwerper Granpré Molière getypeerd als een ‘landbouwersdorp in de vlakte’. Middenmeer was door haar ligging aan een kruising van (water)wegen voorbestemd het zakelijk centrum te worden. Voor Wieringerwerf, het bestuurlijk centrum, werd een meer voornaam karakter nagestreefd. De ligging nabij De Terp draagt hieraan bij, maar ook de bouw van het Domeinenkantoor, het gemeentehuis, de brandweerkazerne en later een middelbare school. Wieringerwerf en Middenmeer zijn de grootste dorpen en hebben min of meer een gelijke opzet met een doorgaande verkeersweg waar andere wegen op aansluiten, parallelwegen met huizen, brinken (open ruimten), representatieve bouwwerken en een grotere variatie in bebouwing/bouwhoogte.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
De dorpscentra van Wieringerwerf, Middenmeer en Slootdorp zijn in de jaren ’30 gerealiseerd. De bebouwingskarakteristiek is voor de afzonderlijke kernen grotendeels hetzelfde en gebaseerd op het gedachtegoed van Granpré Molière. Granpré Molière streefde naar concentrische groei, waarbij het centrum ook in de toekomst zijn centrale positie zou behouden. Daarom werd het centrum ingericht door (niet té) ruime spreiding van de beeldbepalende gebouwen en terreinen, zoals de kerk(en) aan de brink, de scholen ver van de hoofdweg en de begraafplaats aan de rand van het dorp. Kenmerkend voor de Wieringermeer is dat er in elke kern drie scholen en drie kerkgebouwen gepland werden.
Ruime opzet van de kernen, foto: Lisette Tomassen
62
| Gebiedsgericht beleid
Het ontwerp van de dorpscentra is geïnspireerd op een brinkdorp: een centrale groene ruimte waaromheen de bebouwing ligt. Aan de ene zijde van de hoofdbrink zijn de voorzieningen en winkels gerealiseerd in een overwegend dichte bebouwingswand. Aan de andere zijde verrezen de wat ‘rijkere’ huizen in een iets opener bebouwingsstructuur, waarbij de woningen voor het overgrote deel in dezelfde rooilijn werden gebouwd. In dorpskernen zijn meerdere bijzondere gebouwen (zoals een kerk, school of overheidsgebouw) gerealiseerd op een stedenbouwkundig markante plaats. De winkelpanden aan de brinken en de huizen van notabelen zijn overwegend in twee bouwlagen met een kap gerealiseerd. De bijgebouwen liggen achter de woningen en zijn daaraan ondergeschikt. Vanaf de brink zijn deze bijgebouwen nauwelijks zichtbaar vanwege de dichte bebouwingsstructuur.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Aan de straten lag strook- en blokbebouwing. De huizen bestonden uit één bouwlaag met kapverdieping en de noklijn ligt evenwijdig aan de weg. De zadeldaken met royale dakkapellen waren gedekt met rode Hollandse pannen en de gevels waren van geelrode baksteen. Dit alles was in een eenvoudige traditionele architectuur uitgevoerd. De winkels aan de hoofdbrink bestonden uit twee bouwlagen met kapverdieping, evenals de pastorieën en de huizen van notabelen. Na de inundatie van 1945 werden de huizen op dezelfde fundamenten weer opgebouwd, met dit verschil dat er nu in twee bouwlagen met een kap werd gebouwd. De dakkapellen werden meer bescheiden van omvang of verdwenen zelfs helemaal. De woningnood van de jaren vijftig was er de oorzaak van dat deze woningen, via kleine aanpassingen tot duplexwoningen werden omgebouwd. Ook afwijkend van het oorspronkelijke plan is de realisatie van villabouw aan de oostkant van de Brugstraat in Middenmeer en aan de zuidkant van de Granpré Molièrestraat in Wieringerwerf. Na 1960 zijn vrijwel alle duplexwoningen weer tot ééngezinswoningen terug gerenoveerd. Ook kwamen in de jaren ’60 en jaren ’70 een aantal uitbreidingswijken tot stand in Wieringerwerf, Middenmeer, Slootdorp en Kreileroord. Deze wijken worden gekenmerkt door blokken rijenwoningen hoofdzakelijk in twee bouwlagen met kap.
Afgezien van de dorpen ligt alle bebouwing (voornamelijk boerderijen met opvallende oranje daken) verspreid, waarbij de situering op regelmatige afstand van elkaar zeer kenmerkend is. Bospercelen en beplanting langs wegen, waterlopen, dijken, op erven en om dorpen spelen een belangrijke rol bij de beleving van het gebied. Door deze beplanting wordt de eindeloze vrijheid van het landschap teruggebracht tot voor het menselijk oog nog taxeerbare afmetingen.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
63
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Aan het noordelijkste puntje van Wieringermeer is aan het IJsselmeer een jachthaven gesitueerd. Naast aanlegsteigers en gebouwen voor jachthavenvoorzieningen, zijn op een eilandje een aantal recreatiewoningen gebouwd. Het betreft een aantal vrijstaande recreatiewoningen in twee bouwlagen met een vrij flauwe kap. De woningen zijn typologisch verwant, maar onderscheiden zich in grootte, plaatsing en kleurgebruik. De lichte kleur van de gevels schikt zich heel goed in het kleurenspectrum van de schepen in de haven, waarin de kleur wit domineert. De recreatiewoningen zijn in een duidelijke rij gebouwd. Aan de zuidoostzijde van het gebied is een horecavoorziening gebouwd, die qua hoofdvorm afwijkt van de recreatiewoningen. Een andere locatie waar recreatiewoningen te vinden zijn is bij deAfsluitdijk, aan deSluismeesterA. deVisserstraat. Deze recreatiewoningen bestaan uit één bouwlaag met een plat dak. De muren zijn gemaakt met metselwerk met rode baksteen, en aan de voorzijde met plaatwerk zoals trespa. De huizen zijn onderling sterk variërend op het gebied van kleur en erfafbakening. Halverwege de IJsselmeerdijk, ten noordoosten van Kreileroord ligt werkhaven Oude Zeug.
De werkhaven, vernoemd naar een zandplaat in de voormalige Zuiderzee, werd gebruikt voor de aanvoer van materialen voor de drooglegging en is één van de drie punten van waaruit men begon met de aanleg van de dijk rondom de Wieringermeer. Bebouwing in het buitengebied Het buitengebied van de gemeente Wieringermeer kent een duidelijke lineaire structuur. De infrastructuur (water en wegen), in de meeste gevallen vesterkt door beplanting, benadrukt deze rechtlijnigheid in het landschap. Net als de lijnopstellingen van de windturbines. De bebouwing (voornamelijk boerderijen) is zeer gelijkmatig verdeeld over het buitengebied en wordt geaccentueerd door een singel van opgaande beplanting. De onderlinge afstand is per wegzijde vrijwel gelijk. De verkaveling is van grote betekenis voor de inrichting en vormgeving van de verschillende gebieden. Wanneer de kavels groter zijn, zijn ook de boerderijen groter en andersom. Onder andere landschapsarchitect Bijhouwer heeft zich ingespannen deze landschappelijke kwaliteit te realiseren. Ten zuiden van Middenmeer is een gedeelte van de polder ingericht naar de inzichten van Mansholt, die uitging van zeer grote kavels en een primaire ontsluiting over het water. De bebouwing is planmatig ontwikkeld met op de assen van de polder eerst ontginningsschuren en daarna seriematige toevoeging van de zo specifieke Wieringermeerboerderijen.
Gedurende de ontwikkelingsperiode en na de inundatie ontstonden er circa 20 Wieringermeerboerderijtypen. Sinds de jaren ’80 en ’90 zijn bij veel boerderijen wijzigingen aangebracht. Opvallend in het gehele buitengebied is de nieuwbouw van bedrijfsbebouwing die geheel los staat van de authentieke bedrijfsgebouwen en in de meeste gevallen qua architectuur geen overeenkomst
64
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
vertoont met die authentieke bebouwing, maar ook afwijkt qua schaal en volume. Het betreft in de meeste gevallen koel- en opslagloodsen voor akkerbouwproducten en veestallen. Naast agrarische bebouwing en de daaraan gerelateerde woonbebouwing komt in het buitengebied andere prominente bebouwing voor. Voorbeelden daarvan zijn het Lely-gemaal en het Dijkmagazijn.
Dijkmagazijn, foto: Anna Groentjes
Wieringerwerf Wieringerwerf is ontworpen als het bestuurlijk poldercentrum. Meer dan in Middenmeer zijn de brinken in Wieringerwerf ingezet als beeldbepalende elementen. Ze fungeren als gebruiksruimte (Terpstraat) of benadrukken een belangrijk openbaar bouwwerk (voormalig Domeinenkantoor, gemeentehuis). In het centrum is enige nieuwbouw tot stand gekomen, maar aan de westzijde van de Terpstraat is een bijzonder gave bebouwingsrand aanwezig. Hier staan uniforme dubbele woningen in twee bouwlagen met kap die een tegelstelling vormen met het gemêleerde ensemble van winkelpanden aan de oostzijde van de Terpstraat. De woningen vormen een waardevolle weerspiegeling van het gedachtegoed van Granpré Molière die de individuele woning haar waardigheid trachtte te geven door een reductie tot haar essentie. De inrichting met parkeerplaatsen en plaatsing van prominent straatmeubilair doen afbreuk aan de voorname groene routes door het dorp. De Terp draagt bij aan het karakter van Wieringerwerf als hoofddorp en is naast vluchtplaats ontworpen als centraal uitkijkpunt over de polder.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
65
Dit concept is verwaterd door bebouwing tegen de terp en het aanplanten met bomen. Wieringerwerf kent een zorgvuldige enscenering van straten. Vrijwel elke straat heeft een visueel begin, midden en eind. Dit is aan de hand van stedenbouwkundige maatregelen aangegeven en of architectonisch opgelost: terugspringend bouwblok, afwijking van het ritme op de koppen, verbijzonderde hoeken d.m.v. erkers of uitbouwen. Voor de uitbreidingen werd weinig rekening gehouden met de oorspronkelijke verkavelingsstructuur.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Aan de oostzijde van het dorpscentrum is tussen de Ir. Gr. Molièrestraat en de Brinkweg en ten noorden van de Brinkweg een aantal straten met uniforme blokken woningen gerealiseerd. De straten zijn in de meeste gevallen evenwijdig aan de Terpstraat gelegen. Ten noorden van de Brinkweg is de uniformiteit groter dan ten zuiden daarvan, waar verschillende blokken woningen elkaar afwisselen. De nokrichting van de woningen is evenwijdig aan de weg en het materiaalgebruik is traditioneel. Aan- en uitbouwen aan de voorzijde van de woningen komen nauwelijks voor. Wanneer bijvoorbeeld dakkapellen voorkomen aan de voorzijde, dan zijn deze mee ontworpen met het woonblok. Aan de Ir. Gr. Molièrestraat kwamen eveneens woningen en de kerk in stijl van de Delftse School. Het stratenpatroon in de wijken ten oosten van de Ir Ovingstraat en de Dorsmolen is veel minder rechtlijnig. De projectmatige ontwikkeling van dit gebied is typerend voor de wijken die in de jaren ’80 en ’90 zijn ontstaan. Veel hofjes en kronkelige wegen die aan weerszijden zijn bebouwd met verschillende typen rijenwoningen of geschakelde woningen. De vormgeving van de bebouwing is minder traditioneel, maar in de meeste gevallen één of twee bouwlagen met een kap. Incidenteel komt ook hogere bebouwing voor, zoals aan de Vogelzwin.
Woningen met een aanbouw aan de voorgevel, zoals een entree komen veelvuldig voor, evenals dakkapellen aan de voorzijde van de woningen. Incidenteel komt binnen deze gebieden individuele bebouwing voor, maar deze heeft niet de overhand. Met name aan de Vliestroom, Slenk, Galjoen, Fregat en Jol zijn vrijstaande woningen gesitueerd die een individuele uitstraling hebben. In de jaren ’90 en ‘00 gaat de uitbreiding van Wieringerwerf (Oosterterp) door. Typische kenmerken voor deze periode zoals diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte zijn ook in deze wijk te vinden. De ontwikkelingen van de laatste twee decennia vinden plaats binnen de grenzen van de dorpen, het zijn vaak stroken individuele bebouwing aan de randen van het dorp of aan belangrijke doorgaande wegen. De architectuur van deze woningen is modern. De woningen zijn over het algemeen in een duidelijke voorgevelrooilijn gebouwd. Op het oude bedrijventerrein, dat met de kern is ontwikkeld, is weinig aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit. De bebouwing op deze terreinen wordt gedomineerd door bedrijfsloodsen in overwegend gedekte kleuren. Op sommige plaatsen, zoals aan de Havenweg en op het bedrijventerrein Schelphorst in Wieringerwerf wordt gewoond in los van de bedrijfsgebouwen gesitueerde woningen, ofwel in de bedrijfsgebouwen
66
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
geïntegreerde bedrijfswoningen. Het minder oude bedrijventerrein De Stek is op basis van duidelijke kwaliteitseisen tot stand gebracht. Zo heeft de bebouwing aan de entree en langs hoofdwegen een architectonisch representatief voorkomen gekregen. In sommige gevallen is er een losstaand kantoorgebouw voor de bedrijfshal(len) geplaatst, waardoor het geheel representatief in de ruimte is geplaatst. De kleuren van de gebouwen zijn modern en veelal licht, terwijl de kantoorgebouwen in de meeste gevallen een duidelijk accent geven. Even ten noorden van het bedrijventerrein De Stek is een klein gebied ontwikkeld voor bedrijvigheid. Op de hoek van de Oosterterpweg en de Dorsmolen is op een stedenbouwkundig markante plaats een architectonisch gedurfd gebouw gerealiseerd. De overige bebouwing in dit gebied minder markant, maar wel degelijk representatief aan de voorzijde. Hier en daar zijn bedrijfswoningen gebouwd.
Wieringerwerf, foto: Lisette Tomassen
Middenmeer Het stratenpatroon van Middenmeer is grotendeels afgeleid van het verkavelingspatroon ter plekke, waarbij de brink en de begraafplaats de schakelpunten vormen tussen verschillende verkavelingsrichtingen. De brink (Brugstraat) vormt de duidelijke (sociale) kern van het dorp. Met aan de westelijke zijde voorzieningen en aan de oostelijke zijde meer variatie in woningbouw. In het noordwestelijke gedeelte van Middenmeer is in de jaren ’50 en ’60 een wijk gerealiseerd waarbij bijzondere aandacht is besteed aan de architectuur.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
67
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Dit komt tot uitdrukking in een veelheid aan architectonische accenten in en aan de gevel (verbijzondering van de entree, raamindelingen, gootlijsten, mee-ontworpen dakkapellen, smeedijzeren accenten op erkers en dakkappelen en schoorstenen, plinten e.d.). Bovendien zijn diverse woningtypen toegepast. Het gebied is kenmerkend voor de wederopbouwperiode en vormt als het ware een schakel tussen de traditionalistische architectuur van de Delftse School en de latere bouwstroom-architectuur. Ook in andere delen van Wieringermeer komt dit voor, maar dit gebied is het meest representatief en vormt een duidelijke eenheid binnen de dorpsstructuur van Middenmeer.Tussen deze wijk en de Brugstraat ligt een bijzondere begraafplaats, ontworpen door landschapsarchitect Bijhouwer.Hetiseenbijzonderparkvanwegehetbeplantingsplanendediverseboomtypen die hier staan. De projectmatige uitbreidingswijken in Middenmeer zijn in de ’60 en ’70er jaren gerealiseerd. Het stratenpatroon is rechtlijnig, hetgeen wordt benadrukt door de bebouwing in blokken rijenwoningen. De blokken zijn evenwijdig aan de weg gelegen. Hier en daar is een straatzijde (zoals aan de Dr. Lovinkstraat) bebouwd met dubbele woningen, min of meer in dezelfde bouwstijl als de rijenwoningen. Aan de Elzenhof zijn geschakelde platte woningen gebouwd.
Ook komt individuele bebouwing voor, zoals aan de Beukenlaan, waar woningen in onderlinge samenhang qua bouwmassa, nokrichting en situering ten opzichte van de weg zijn gerealiseerd. In de jaren ’70 en jaren ‘80 breidt Middenmeer (deel Kroonwaard) uit. Deze uitbreiding bestaat uit vrijstaande huizen, twee-onder-een-kap-huizen en rijtjeshuizen. In de jaren ’90 en ‘00 gaat de uitbreiding van Middenmeer (Schelpenhoek en meest zuidelijke deel van Middenmeer) door. Typische kenmerken voor deze periode zoals diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte zijn ook in deze wijken te vinden. De meest recente ontwikkelingen, uit de laatste twee decennia, vinden plaats binnen de grenzen van het dorp. Aan de noordzijde is in belangrijke mate projectmatig en modern gebouwd in clusters van gelijke woningen. Aan de zuidzijde was de bouw individueler van aard en de architectuur van de woningen vrij traditioneel in één bouwlaag met kap. Het kleurgebruik van de woningen is vrij licht. In Middenmeer is in de jaren ’00 een bedrijventerrein ontwikkeld aan de westzijde van de Wieringerwerfvaart. Het terrein is royaler van opzet als het oude bedrijventerrein dat met tegelijk met de ontwikkeling van het dorp tot stand kwam. De bebouwing bestaat voornamelijk uit bedrijfsloodsen in een overwegend lichte kleurstelling.
Het oude terrein maakt evenwel deel uit van een herinrichting en heeft een meer representatief karakter gekregen, mede gelet op de ontsluiting van de nieuwbouw.
68
Typische erfbeplanting, beeld: Van Paridon x de Groot landschapsarchitecten | Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Kreileroord Vrijwel het gehele dorpsgebied van Kreileroord bestaat uit projectmatige uitbreidingswijken. Langs de Korenstraat en de daaraan parallel gelegen straten zijn blokken woningen gerealiseerd van eenvoudige architectuur. Hier en daar zijn aan- en uitbouwen gerealiseerd, zoals dakopbouwen, luifels boven de voordeur en garages aan hoekwoningen. Aan het doodlopende gedeelte van de Tuinbouwstraat is een aantal woonwagens gesitueerd. Aan de Korenhof is een aantal vrijstaande woningen gebouwd.
Kreileroord, foto: Lisette Tomassen
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
69
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Slootdorp Ten oosten van de Brink en de Koningin Wilhelminaweg is voornamelijk projectmatige bebouwing tot stand gekomen. Langs de Langeweg is een groot aantal blokken rijenwoningen gesitueerd, evenwijdig aan de weg en van eenvoudige architectuur. Hier en daar zijn luifels boven de voordeur aangebracht. De woningen aan de Kerkstraat zijn, in tegenstelling tot die aan de Langeweg in één bouwlaag met kap. De dakkapellen aan de voorzijde zijn hier mee-ontworpen met de woningen. In de jaren ’90 en ‘00 krijgt Slootdorp een kleine uitbreiding, ten noorden van het dorp, met een diversiteit in uiterlijk van woningen per straat en groen in de straten en openbare ruimte. De bouwstijl is vrij traditioneel in één of twee bouwlagen met een zadeldak en de nokrichting van de woningen staat haaks op de weg.
Wieringermeer, foto: Lisette Tomassen
70
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon Wegen met lanen en beplantingen, erven in de ‘groene jas’ en kenmerkende oranje dakvlakken.
Typische erfinrichting, beeld: Van Paridon x de Groot landschapsarchitecten Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
71
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Kernkarakteristieken Wieringermeer • Geometrische driehoekige webstructuur met vaarten als hoofdassen en bewoningskernen op de kruispunten. • Beplanting langs rechtlijnige wegen en vaarten, bij de dorpen (dorpsbossen) en op de erven. Productiebos Robbenoordbos (op arme grond), Sluitgatbos, Dijkgatbos en Dijkgatsweide. • Ritmiek van erven met erfbeplanting en boerderijen met opvallende oranje daken in open ruimte. • Subtiele hoogteverschillen door oude kreekruggen in het noordwesten van de polder. • Een van de meest open landschappen van Noord-Holland, al is dat in een deel van de polder door ruimtelijke ontwikkelingen langs de A7 verdwenen. • De dijken omringen de droogmakerij en bieden weidse vergezichten. • De dijk langs het Waardkanaal en Amstelkanaal staat in stevige beplanting. De IJsselmeerdijk is recht en kaal, maar wordt onderbroken door wielen (diepe poelen als gevolg van de dijkdoorbraak). • Vluchtheuvels als toevluchtsoorden bij overstromingen in de droogmakerij, waaronder De Terp. • Bebouwing is planmatig ontwikkeld met op de assen van de polder eerst ontginningsschuren en daarna seriematige toevoeging van de zo specifieke Wieringermeerboerderijen. Gedurende de ontwikkelingsperiode en na de inundatie ontstonden er circa 20 Wieringermeerboerderijtypen. • Kenmerkende groenstructuren langs wegen, vaarten, dijken, erven en om de dorpen.
• De dorpscentra worden bepaald door prominente, royale brinkachtige ruimten. De brinken zijn veelal groen, vaak begrensd met bomen en strakke bebouwingswanden aan weerszijden. • De dorpen kennen van oudsher voornamelijk strook- en blokbebouwing. De huizen bestaan uit twee bouwlagen met kapverdieping en de noklijn evenwijdig aan de weg. • Elk dorp heeft van oudsher een bedrijventerrein langs de vaart. • In de jaren ’60 en jaren ’70 een aantal uitbreidingswijken tot stand in Wieringerwerf, Middenmeer, Slootdorp en Kreileroord. Deze wijken worden ook gekenmerkt door blokken rijenwoningen, hoofdzakelijk in twee bouwlagen met kap.
72
| Gebiedsgericht beleid
• Stedenbouwkundige accenten worden door hun ligging en vormgeving vaak gevormd door bijzondere functies, zoals kerken en schoolgebouwen. • De dorpscentra zijn ontworpen met oog op toekomstige uitbreidingen door de beeldbepalende gebouwen en terreinen te spreiden, zoals de kerk(en) aan de brink, de scholen ver van de hoofdweg en de begraafplaats aan de rand van het dorp. • Afgezien van de dorpen ligt alle bebouwing (voornamelijk boerderijen met opvallende oranje daken) verspreid, waarbij de situering op regelmatige afstand van elkaar zeer kenmerkend is.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Kwaliteitsdoelen Wieringermeer • Respecteren en beheren en waar mogelijk versterken van de aanwezige omgevingskwaliteit. • Beheer en waar mogelijk versterken van de kenmerkende groenstructuren. • Beschermen van het buitengebied als een samenhangend, aantrekkelijk en open landschap. • Beheer en handhaven en waar mogelijk versterken van de bijzondere architectonische en stedenbouwkundige kwaliteiten van de bebouwing uit de jaren ’40 en ’50. • Clusteren van grootschalige ontwikkelingen. • Versterken van de recreatieve routes (wandelen, fietsen en varen) tussen de dorpen. • Voorkomen dat de omgevingskwaliteit onder druk komt te staan door vermarkting met als voorbeeld (lichtgevende) reclame. • Uitbreiden en van fiets-, wandel- en vaarroutenetwerk door het agrarisch landschap. die de recreatiegebieden met elkaar verbinden en/of ervoor zorgen dat het agrarische landschap beleefd kan worden. • De omgevingskwaliteit van de bedrijventerreinen langs de A7 versterken. • Bos op plekken waar dit aansluit op dorpen (dorpsbossen) of op bestaande waardevolle gebieden met opgaande beplanting. • Versterken van de groenblauwe dooradering in de Wieringermeer. • Rechtlijnige grootschalige verkavelingsstructuur behouden.
73
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Criteria Landschap/Ruimtelijke samenhang • De structuur en doorlopende groene oevers van bestaande sloten wordt gekoesterd. Geef waar mogelijk de voorkeur aan natuurlijke oevers; beschoeiingen zijn passend als ze maximaal 15 cm boven de waterlijn uitsteken. • Met de kenmerkende openheid van het gebied wordt rekening gehouden, door buiten de regelmatige gesitueerde oorspronkelijke erven geen of zo min mogelijk nieuwe erven te ontwikkelen. • De groenstructuren, zoals bomenrijen en singels houden hun continuïteit of worden in geval van ontwikkelingen zoveel mogelijk hersteld. • De onderlinge ritmische samenhang tussen de boerderijen, het erf en het landschap, wordt geborgd en waar mogelijk versterkt. • Dijken blijven duidelijke groene structuren die als een herkenbaar en samenhangend geheel door het landschap lopen en de polder begrenzen. • Kleinschalige ontwikkelingen worden zorgvuldig in het landschap ingepast. • In de Wieringermeer is vanaf de aanleg veel beplanting langs wegen en vaarten aangelegd. Hierdoor is een grootschalig groen netwerk ontstaan dat past bij de maat en schaal van het landschap. Dat moet gekoesterd worden. • Gebiedseigen beplanting bestaat uit inheemse soorten met grote bomen als populier, esdoorn, iep en linde en verschillende inheemse struiken.
De inheemse basis kan worden aangevuld met soorten en cultivars die betere tegen ziektes en klimaatverandering kunnen.
Laanbeplanting, foto: Anna Groentjes
Samenhang boerderij, erf en landschap, foto: Anna Groentjes
Bebouwing in het buitengebied Erf en ligging • Gebouwen passen in de ritmiek van het landschappelijke patroon en bij de landschappelijke lijnen. • Gebouwen staan vrij met behoud van doorzichten op het landschap. • Bijzondere functies zoals windmolens, transformatoren e.d. worden binnen het erfensemble geplaatst en kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing.
74
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
• De erfbeplanting in een singel rondom het erf wordt waar mogelijk versterkt, waarbij de aan de weg gelegen zijde van het perceel vrij dient te blijven van een dergelijke singel. In de Wieringermeer zijn de erven groot. Hier past bij uitstek een robuuste randbeplanting van formaat die de zijkanten en achterzijde omringt. Op het verdere erf zijn veel mogelijkheden om natuurwaarden te versterken. Denk aan de aanplant van een boomgaard, bloemrijke heesters en kruiden of aanleg van een poel. • Voor aanpassing en vernieuwing van erven wordt inspiratie gehaald uit historische kenmerken. De oorspronkelijke opzet, architectuur en uitstraling bieden houvast en inspiratie voor verdere ontwikkeling van het erf. • De heldere scheiding tussen voor- en achtererf wordt aangehouden. • Op erven is een herkenbaar onderscheid tussen hoofd- en bijgebouwen, dit vormt een samenhangend ensemble. • De erfinpassing is robuust. De omvangrijke ontwikkelingen op het erf vragen om een evenredig grote erfinpassing die aansluit op de schaal en omvang van het bedrijf. • Het erf draagt bij aan beleving en verbinding met de omgeving. • Het erf geeft ruimtelijk en functioneel invulling aan toekomstige maatschappelijke opgaven. Bebouwing • In het straatbeeld wordt er gestreefd naar samenhangende variatie, niet naar een verzameling van contrasten.
Ieder gebouw aan het lint is uniek, maar toont tegelijkertijd een nauwe samenhang met de andere bebouwing. De samenhang wordt bereikt in bouwvorm, kleur en schaal. • Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm van één laag met zadeldak, mansardekap of piramidedak. • De massaopbouw is enkelvoudig (woning en bedrijfsgedeelte onder één dak) of kent een duidelijk onderscheid tussen het representatieve deel (woonhuis) en een bedrijfsgedeelte. • Bijgebouwen hebben een eenvoudige vorm. • Geen aan- of uitbouwen aan aan- of uitbouwen. • Zijgevels hebben vensters, dus geen blinde zijgevels. • Schaalvergroting door bijvoorbeeld samenvoeging of grote aanbouwen wordt voorkomen. • Bijzondere functies hebben een eenvoudige hoofdvorm.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
75
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Detaillering, materiaal en kleurgebruik • De detaillering is eenvoudig en verzorgd. • Gevels zijn (bij voorkeur) rode baksteen en/of hout (topgevels) en de daken met gebakken (bij voorkeur matte, rode) pannen. • Het kleurgebruik is overwegend traditioneel, passend bij het kleurpalet in de directe omgeving. • Agrarische gebouwen kunnen in moderne materialen en er worden gedekte kleuren toegepast. • Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik.
Bebouwing in het buitengebied, foto: Anna Groentjes
Bebouwing in het buitengebied, foto: Van Paridon x de Groot landschapsarchitecten
Bijzondere kernen en linten Erf en ligging • Gebouwen richten op de belangrijkste weg. • Hoofdmassa’s in de rooilijnen bouwen. • Bijgebouwen liggen zoveel mogelijk geclusterd achter of naast het hoofdgebouw. • Groene erfafscheidingen verdienen de voorkeur boven gebouwde. Bebouwing • De hoofdmassa’s zijn met de voorgevel georiënteerd op de straat en worden in de bestaande rooilijn gebouwd. • De nokrichting is overwegend evenwijdig aan de weg en incidenteel haaks op de weg. • De hoofdmassa bestaat uit één of twee bouwlagen met een zadeldak. • De bijgebouwen liggen bij voorkeur achter het hoofdgebouw en uit het zicht en zijn qua bouwhoogte ondergeschikt aan het hoofdgebouw. • Aan- en uitbouwen zoals erkers en dakkapellen zijn ondergeschikt en bij voorkeur in een afgeleide architectuur. • Gevels hebben een traditionele indeling waarbij de gevelopeningen vooral een verticale gerichtheid hebben.
76
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Gevels zijn in traditioneel roodbruin metselwerk. • De detaillering is sober en fijn gedetailleerd. • Bijgebouwen zijn afgestemd op het hoofdgebouw in materiaal- en kleurgebruik. • Het kleurgebruik is overwegend traditioneel en is in samenhang met de omgeving. • Het hebben van een open en uitnodigende uitstraling bij gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte heeft de duidelijke voorkeur. Rolluiken passen niet binnen dit beeld en worden bij voorkeur niet toegepast aan deze gevels.
Bebouwing in het buitengebied, foto: Anna Groentjes
Uitbreidingswijken Erf en ligging • De hoofdmassa heeft een representatieve zijde aan de belangrijkste weg en een groene (voor-)tuin, beperk verharding. • De erfafscheidingen aan de representatieve zijde zijn beperkt (voor de voorgevellijn maximaal 1 meter hoog, achter de voorgevellijn maximaal 2 meter hoog, eenduidige vormgeving en terughoudend in kleur). Groene erfafscheidingen krijgen de voorkeur boven gebouwde erfafscheidingen. • Overwegend per cluster samenhang qua positie van de voorgevel dan wel per cluster een vrijere ligging op de kavel.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
77
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bebouwing • In het straatbeeld wordt er gestreefd naar samenhangende variatie, niet naar een verzameling van contrasten. Ieder gebouw aan het lint is uniek, maar toont tegelijkertijd een nauwe samenhang met de andere bebouwing. De samenhang wordt bereikt in bouwvorm, kleur en schaal. • De bebouwing is met de voorgevel georiënteerd op de openbare weg, dan wel naar de groene openbare ruimte. • De bebouwing staat in de bestaande rooilijn. • Er is sprake van overwegend enkelvoudige bebouwingsmassa’s, variërend van één tot twee bouwlagen met een eenduidige kap. Hoger is vooral uitzondering. • De massaopbouw is per cluster of rij in onderlinge samenhang. • Bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur. • Aan- en uitbouwen zijn in een afgeleide architectuur en bij voorkeur meeontworpen dan wel volgens het principe van een trendsetter. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Per cluster/rij is er een duidelijke samenhang. Voor projectmatige bouw is dat in een sterk onderlinge verwantschap terwijl bij clusters van individuele bouwwerken er een grotere differentiatie mogelijk is. • Nieuwe invullingen kunnen modern, mits ze respect tonen voor de bestaande en omliggende kwaliteiten. • De detailleringen zijn overwegend eenvoudig maar verzorgd. De kozijnen, goten, dak- en gootlijsten e.d. in de jaren ’50 en ’60 zijn sober maar zorgvuldig gedetailleerd.
Bij verbouw de bestaande detaillering aan de zichtzijde behouden of respecteren. • Bij de projectmatige individuele bouw is de vormgeving van de gevels sterk individueel en sober getailleerd, en zijn gevelindelingen per cluster verwant met ruimte voor onderlinge verschillen in detaillering. • Gevels in baksteen en/of hout, dan wel toepassingen conform de bestaande bijzondere situatie. • Dakbedekking met pannen, dan wel toepassingen conform de bestaande bijzondere situatie. In de jaren ’50 en ’60 en ’70 wijken is de dakbedekking met gebakken pannen en het kleurgebruik traditioneel. • Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn qua materiaal verwant aan het hoofdgebouw. • Per cluster/rij is samenhang in kleurgebruik. Voor individuele woningen is differentiatie mogelijk. • Het hebben van een open en uitnodigende uitstraling bij gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte heeft de duidelijke voorkeur. Rolluiken passen niet binnen dit beeld en worden bij voorkeur niet toegepast aan deze gevels.
78
| Gebiedsgericht beleid
Wieringerwerf, foto: LIsette Tomassen
Middenmeer, foto: Lisette Tomassen
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bedrijventerreinen incl. Oude Zeug Erf en ligging • De afstand tussen bebouwing en de omgeving is ruim, door: ○ Voldoende afstand tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen minimaal 5x de maximale toegestane bouwhoogte aan de voorzijde en minimaal 3x aan de achterzijde. Op zichtlocaties minimaal 8x de maximale bouwhoogte; ○ Een rustig beeld aan de voorzijde; ○ Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen tussen de bebouwing en de ontsluitingswegen. • Openbare functies liggen aan de rand. Zo kan de weg aan de voor- of achterzijde benut worden voor beplanting, ondergrondse kabels en leidingen of voor watercompensatie in lijn met de verkavelingsstructuur en slotenpatronen. • Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen. • De erfgrens is groen en kent gebiedseigen beplanting. De representatieve zijde(s) kent een rustig beeld, door: ○ Langs de voor- en achterzijde over de hele lengte een samenhangende groene zone met gebiedseigen soorten te hanteren. De groene zone is aan de voorzijde of zichtlocatie minimaal 1 à 1,5 meter hoog – zodat de gebouwen zichtbaar zijn en kleine elementen op maaiveld uit het zicht ontnomen worden – en mag sierwaarde hebben; variatie in soorten.
Het heeft de voorkeur om ook aan de achterzijde kleine losse elementen en opslag uit het zicht te nemen en daar de beplanting van 5 meter hoog te hanteren; ○ Kleine losse elementen en opslag niet te plaatsen aan de voorzijde, de zichtlocatie of door deze uit het zicht te ontnemen. Parkeren kan tussen de volumes in of ingepast worden met een laag groen of haag van 1 à 1,5 meter hoog. • Als de gevels van de gebouwen onderling sterk verschillen in vorm en kleur, kan een bomenrij zorgen voor een rustig beeld van de bovenrand van de bedrijventerreinen.
79
• De bomen en beplanting sluiten aan bij de kenmerkende groenelementen van de omgeving. Er wordt meerwaarde voor natuur en biodiversiteit gecreëerd door zachte en gelede overgangen en variatie in de inheemse beplantingssoorten. • De plaatsing van de bebouwing hangt samen met de richting en oriëntatie van het landschap: ○ De entree is geplaatst aan de ontsluitingsweg en de bebouwing is georiënteerd op de ontsluitingsweg; ○ Wegen en watergangen sluiten aan op de richting en ordening van de verkavelingsstructuur en het slotenpatroon; ○ De overige bebouwing is evenwijdig of haaks op de richting van de verkavelingsstructuur en of het slotenpatroon georiënteerd. • Om klimaatadaptatie te bevorderen en hittestress tegen te gaan wordt verharding van de terreininrichting zoveel mogelijk voorkomen.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bebouwing • Gebouwen met de voorgevel en representatieve functies richten op de belangrijkste weg. • Bedrijfsgebouwen liggen achter de voorgevelrooilijn van bedrijfswoningen. • Opslag zoveel mogelijk achter op het terrein en op zichtlocaties niet in het zicht. • Bebouwing heeft een eenvoudige hoofdvorm; op een punt met een stedenbouwkundige aanleiding kan een accent worden gemaakt. • Zo min mogelijk dichte gevels aan de straat. • Geen uitbouwen aan uitbouwen. • Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein kennen gebouwen een samengestelde massaopbouw, waarbij de representatieve delen sterker worden geaccentueerd. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen, houten betimmering of gevouwen staalplaat. • Ontwerpaandacht voor alle details. • Accenten en geledingen ten behoeve van het onderscheiden van functies zijn wenselijk. • Veranderingen en aanbouwen in stijl en afwerking zorgvuldig afstemmen op het hoofdvolume en vormgeven als zelfstandig element. • Op zichtlocaties en langs de grenzen van het bedrijventerrein wordt een meer representatieve geleding en detaillering vereist. • Gevels van bedrijfswoningen kennen een evenwichtige compositie. • Het kleurgebruik is terughoudend (met name op de zichtlocaties en langs de randen); accentkleuren zijn niet toegestaan.
80
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bedrijventerrein Agriport Ligging in omgeving • Ontwikkelingen voegen zich naar (en versterken waar mogelijk) de functionele en ruimtelijke structuur, maat en ordeningsprincipes van het landschap van de Wieringermeer. • Polderlijnen als vaarten, wegen (ook de A7) en tochten blijven behouden en ingezet in het ontwerp. • Zones langs de polderlijnen worden open gehouden; leeg gelaten of met invulling van functies die de zone niet verdichten. • De overgang tussen het landschappelijk raamwerk en bebouwing is geleidelijk en vloeiend en draagt bij aan beleving, herkenning en betekenis voor inwoners en passanten. • Het terrein wordt beschouwd als een aanvullende gebruikslaag in het productielandschap van de polder en maakt daar onderdeel van uit. • De lengterichting van de kavel wordt als basis genomen. • Rechte, vaste rooilijnen. • Lange samenhangende gevels. • Lijnelementen langs de randen. • Bebouwing heeft een functionele en ingetogen uitstraling. Bebouwing • Bouwwerken zijn gepositioneerd met voldoende afstand tot de A7 en andere openbare ruimte. • Bouwwerken kennen samenhang in uitstraling, schaal en materialisering. Het samenhangend totaalbeeld kent consistente opbouw van massa’s, materialisatie en relatie tot het landschap. • Verlichting is functioneel en terughoudend. Detaillering, materiaal en kleurgebruik • Gevels aan de snelwegzijde vormen een rustig en geordend beeld.
• Terughoudend kleur- en materiaalgebruik en details in gevels. • Maak zichtbaar wat ‘binnen’ in gebouwen gebeurd.
Agriport, foto: Anna Groentjes
Agriport, foto: Anna Groentjes
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
81
Sport en recreatieterreinen Ligging in omgeving • De overgang tussen bebouwing en het landschap is harmonieus, bebouwing is ondergeschikt aan het landschap. • De inrichting sluit aan bij het open en groene karakter van het omliggende landschap. • Buitenruimte zichtbaar vanaf het openbare gebied is zorgvuldig. • De inrichting van de haven sluit aan bij het open en groene en blauwe karakter van het omliggende landschap. • In de jachthaven blijft de visuele openheid van het gebied behouden. Uitzichten op het water blijven behouden of worden versterkt.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bebouwing • Gebouwen hebben een eenvoudige hoofdvorm. • Gebouwen bestaan uit een onderbouw van één laag met bij voorkeur eenof zadeldak. • Bijbehorende bouwwerken zijn ondergeschikt en maken deel uit van de totale compositie van het gebouw of complex. • Aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt vormgegeven en afgestemd op het hoofdgebouw. • De recreatiewoningen staan vrij op het maaiveld. • In de jachthaven zijn steigers, voorzieningen en eventuele bebouwing functioneel, kleinschalig en landschappelijk ingepast. Verharding en bouwwerken zijn uitsluitend ondersteunend aan de havenfunctie. Detaillering, materiaal en kleurgebruik bebouwing • Materialen en kleuren aanpassen aan de belendingen. • Gevels zijn van baksteen of hout. • Grote vlakken bestaan uit materialen met een structuur zoals baksteen of houten betimmering. • Kleuren zijn terughoudend en aangepast aan de landschappelijke omgeving. • Detaillering is eenvoudig en verzorgd. • Aan- en uitbouwen zijn qua materiaal en kleurgebruik afgestemd op het hoofdgebouw. • In jachthavens wordt gekozen voor materialen en kleuren die passen in de natuurlijke omgeving.
82
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Robbenoordbos, foto: Lisette Tomassen
Sluitgatweg en Noorderdijkweg, foto: Lisette Tomassen
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
83
84
| Gebiedsgericht beleid
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Visualisatie karakteristieken Wieringerwaard, beeld: Milou van der Gragt
4.3 Wieringerwaard Begin zeventiende eeuw werd een hoog opgeslibd deel van het Waddengebied, dat aan het oude land van West-Friesland lag, bedijkt. De Zijpe was enkele jaren daarvoor definitief drooggevallen (1597). In 1610 viel de Wieringerwaard droog en kon de voormalige waddenbodem in cultuur worden genomen. De polder werd geometrisch ingedeeld, met rechte wegen, vaarten, percelen en bewoningslinten. Dat maakt de Wieringerwaard een typische droogmakerij, maar de rechte lijnen kregen enige grandeur. De belangrijkste assen van de polder, de Noord Zijper/Sluizerweg en de Barsingerweg kregen een dubbele weg gecombineerd met een vaart, beplanting en herenboerderijen. Dit gaf de polder een chique karakter. De Wieringerwaardpolder wordt aan de noord- west- en zuidkant visueel begrensd door dijken. Aan de oostkant loopt de polder over in de Waardpolder. Dit deel van de polder lag voor de inpoldering van de Waardpolder en de Wieringermeerpolder nog aan zee. Die historie is bij Nieuwesluis nog goed terug te lezen. De bebouwing aan wester-zijde van de dijk aanzienlijk ouder dan oost-zijde. En de Pishoek is overgebleven als driehoek waar 3 polders samenkomen. De Noordwesterdijk vormt samen met de Noorderdijk de grens met de Anna Paulownapolder. De dijk beschermde in eerste instantie de polder tegen de Zuiderzee, en is parallel aan de verkaveling aangelegd.
De waterkerende functie is vervallen bij de inpoldering van de Anna Paulowna polder. De met enkel gras begroeide dijk ligt nog steeds als herkenbaar element in het landschap. De dijk grenst niet aan een ringvaart of een kanaal, en er ook ligt er geen weg op of aan. Aan de zuidkant grenst de Wieringerwaard aan de Westfriese omringdijk. Deze dijk is een stuk ouder dan de meeste dijken die ten noorden ervan liggen en heeft dus een veel grilliger verloop dan bijvoorbeeld de Noordwesterdijk.
Klik hier om terug te gaan naar de gebiedenkaart Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
85
Op de met gras begroeide Westfriese omringdijk ligt een weg, en aan de beide zijdes aan de voet liggen verspreide erven. Deze erven hebben soms opgaande beplanting, die de dijk een afwisselend beeld geeft. De Slikkerdijk verbindt aan de westkant van de Wieringerwaard de Noordwesterdijk en de Westfriese omringdijk. De dijk loopt vanaf de Noordwesterdijk langs de Grote Sloot, tot dit kanaal naar het westen ‘afslaat’. Daarna grenst de dijk verder niet aan een ringvaart of kanaal. De dijk is met enkel gras begroeid en heeft een weg. Tot de knik van het kanaal loopt deze weg op de dijk, daarna ligt de weg aan de voet. Ook aan de voet liggen enkele erven.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
De Wieringerwaardpolder is een vrij grootschalig gebied en vertoont een karakteristiek ontsluitingspatroon, dat georiënteerd is op een systeem van volslagen vierkanten. In het midden zijn de blokken binnen de wegen ongeveer 1800 bij 1800 meter. Voor de randen geldt ongeveer de halve afstand, afhankelijk van de restmaten en onregelmatigheden van de randen. De hoofdtochten in het gebied hebben een karakteristiek profiel waarbij aan beide zijden van de tocht een ontsluitingsweg loopt. De andere wegen hebben wegsloten aan weerszijden en een hoofdtocht op halve afstand tussen de weg. Wegsloten zijn plaatselijk gedempt nu een zeer intensief slootsysteem door een betere bemaling niet meer nodig is. De kavelmaat varieert tegenwoordig van klein tot groot, door het dempen van sloten.
Water met laanbeplanting, foto: Van Paridon x de Groot landschapsarchitecten
86
| Gebiedsgericht beleid
De assen (polderlijnen) met water en laanbeplantingen zijn karakteristiek voor de Wieringerwaard. De erven liggen hier onregelmatig aan verspreid, waardoor delen van de bewoningslinten in het open landschap liggen en andere delen een meer dorpse uitstraling hebben. Elke as heeft een eigen karakter. Restanten van voormalige buitenplaatsen en royaal opgezette erven met watercarrés dragen sterk bij aan het groene kleinschalige karakter van de assen. De verkaveling is van origine georiënteerd op de (geknikte) wegen en linten.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
Bebouwing in het buitengebied Toen de polder in 1610 werd drooggelegd werden de lange nieuwe polderwegen en waterlopen ingericht met enige grandeur. In de 19e eeuw verwierf de Wieringerwaard de bijnaam ‘Pauwenstad’, door de grote, prachtige boerderijen die werden gebouwd door de winsten in de handel van vlees, graan en melk. De boeren investeerden in de eigen polder door het bouwen van prachtige boerderijen. Wieringerwaard heeft drie bijzonder linten. Het grootste gebied bestaat uit de Noord- en Zuid Zijperweg en de Sluizerweg. Het gebied is overwegend een tweezijdig lint met een breed profiel, opgedeeld door de Sluizerweg en de vaart. Hierlangs liggen verspreid erven met veel groen en herenboerderijen. Bijzonder aan dit lint is de oudere bebouwing en de diversiteit in bebouwing. Bij de kruising met de Molenweg, ook wel bekend als Tweewegen, is het lint verdicht met ook kleinere woningen. De bebouwing bestaat tegenwoordig zowel uit kleine woningen als grote boerderijen, verdichte en ruime gebieden. Het lint aan de Molenweg is een eenzijdig lint met karakteristieke bebouwingen, met een bekroning in de vorm van de Watertoren. Het derde bijzonder lint is de Barsingerweg. Dit lint heeft net als de Noord en Zuid Zijperweg een tweezijdig lint met een vaart. De Barsingerweg is erg ruim opgezet, de kavels liggen vaak ver uit elkaar.
De overige linten bestaan uit een enkele weg, met aan weerszijde bebouwing. De bebouwing staat ver uit elkaar, en heeft een agrarisch karakter. De linten hebben vergelijkbare architectuurkenmerken. Veel bebouwing bestaat uit één laag met daarop een kap. Veel voorkomende daken zijn het wolfsdak, zadeldak en schilddak, daarnaast komt de mansardekap ook af en toe voor. Dakpannen zijn vaak rood of antraciet. De panden zijn vaak gemetseld met rood baksteen, of wit gepleisterd. Geschilderde houten bekleding op de gevel komt ook voor, in de vorm van zowel de gevel als alleen de topgevel tussen het dak.
Klik hier om terug te gaan naar de inhoudsopgave |
87
Veel van de panden uit de rijke tijd van polder zijn ook heden ten dage te herkennen. Kenmerkend voor deWieringerwaard zijn de stolpboerderijen en villa-/herenboerderijen die verspreid langs de lange polderlijnen liggen. De grote piramidevormige kappen schemeren tussen de bomen door boomkruinen. De erven bieden beslotenheid, groen, afwisseling, detail en vooral menselijke maat aan de polderlijnen. De boerderijen hebben hier vaak rijkelijke detaillering. De herenboerderijen zijn ook overblijfselen een agrarische bloeiperiode in de 19e eeuw. Het zijn fraai vormgegeven voorhuizen met daarachter de boerderij. De grotere huizen hebben vaak extra decoratieve elementen in het metselwerk van de (voor)gevel, bijvoorbeeld met accenten en/of andere steenkleuren. Ook rijk versierd houtsnijwerk in de windveer en makelaar van o.a. het voorhuis komt veel voor.
Nota Omgevingskwaliteit | Hollands Kroon
De stolpboerderij van het Noord-Hollandse type komt vaak in deze polder voor. Bij het Noord-Hollandse type bevinden de dorsdeuren zich aan de achterkant, omdat de percelen van de agrariër meestal bij elkaar aan de achterkant van de boerderij lagen. In de hoofdopzet liggen de erven (meestal) met hun voorkant aan de assen, georiënteerd op de publieke infrastructuur. De erven bieden beslotenheid, groen, afwisseling, detail en menselijke maat aan de polder.