B1. Toelichting Bestemmingsplan Gemaal Van der Sterr
Tekst van het document
Dit is ter plaatse van ruimtelijke eenheid RE2 (puinhoudende bodem) en ter plaatse van ruimtelijke eenheid RE4 (puinverharding). In beide gevallen is het gemeten asbestgehalte kleiner dan de interventiewaarde/hergebruiksnorm, waardoor er geen er geen risico’s worden verwacht en er aanleiding is tot sanerende maatregelen. Ter plaatse van de ruimtelijke eenheden RE1 (verharding van menggranulaat) en RE3 (puinhoudende bodem) is geen asbest aangetroffen met het nader asbestonderzoek. Het overige perceel wordt beschouwd als onverdacht op het voorkomen van asbest.
afb.14 Overzicht boorpunten
2
Verkennend (water)bodem en aanvullend asbestonderzoek, Grondslag bv, 13 oktober 2022
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
28
Afweging Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen werkzaamheden en bestemmingsplanwijziging op locatie. Betekenis voor dit project Ten aanzien van het aspect bodemverontreiniging zijn er vooralsnog geen belemmeringen voor deze ontwikkeling.
4.5
Erfgoed
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) verplicht gemeenten om rekening te houden met cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische monumenten. Archeologie is sinds 1 juli 2016 geregeld in de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 die op termijn naar de Omgevingswet over gaan, blijven van kracht tot die wet in werking treedt. Ze zijn opgenomen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet.
4.5.1 Landschap en cultuurhistorie Cultuurhistorische waarde Het gebied tussen Wieringen en de tegenwoordige Westfriese Omringdijk vormde in de Vroege Middeleeuwen een groot veengebied. Dit veenkussen werd in de Volle Middeleeuwen gekoloniseerd en ontgonnen. In de 12de eeuw brak de Zuiderzee steeds verder in. Tegen deze inbreuk werden bescheiden dijken gebouwd. De invloed van de zee nam echter verder toe. In de 13de eeuw verdronken een aantal nederzettingen en werd veel gebied prijsgegeven. Uiteindelijk liep het gebied in de 14de eeuw grotendeels onder. De dijken gingen verloren. De bouw van een vroege polder, de Herenkoog, bood ook geen soelaas. Vóór 1434 werd de Westfriese Omringdijk teruggelegd op de huidige plaats en ontstond een nieuw deel van de Waddenzee, het Wieringer Vlak. Het plangebied ligt in de Waardpolder, in het bemalingsgebied Waardpolder-Wieringerwaard. De nabijgelegen Wieringerwaard is ingepolderd in 1610. Pas in 1834 werd ten oosten van de Wieringerwaard de Waardpolder ingedijkt. Om deze polder droog te houden plaatste men aan de oostzijde van de droogmakerij een vijzelmolen, werden molensloten en een boezem gegraven en werd een nieuwe dijk aangelegd. Van dit waterstaatkundige geheel zijn in het plangebied nog meerdere resten aanwezig, waaronder een deel van de molensloot, de boezem, de funderingen van de Waardpoldermolen en uiteraard de polder zelf.
De funderingsresten van de molen liggen slechts enkele centimeters onder het maaiveld. De Waardpoldermolen staat afgebeeld op de historische kaart rond 1900 (zie afb.9). De molen is gebouwd in 1844-1845 en in 1928 weer afgebroken. Het is goed mogelijk dat rondom de molen bijgebouwtjes hebben gestaan. In 1879 werd een stoomgemaal gebouwd naast de molen. Vanaf 1936 vindt de bemaling van de Waardpolder plaats door middel van een elektrisch gemaal. Afweging De Waarddijk is een ruimtelijke drager: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. De algemene ambitie is om ruimtelijke ontwikkelingen de kernwaarden van de dijken te versterken door ontwikkelingen: • bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek; • bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid; • helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Uit de onderbouwing in paragraaf 3.3.3 blijkt dat het project de aanwezige landschappelijke karakteristiek van de Waardpolder versterkt.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
29
De aanwezigheid van de funderingen van de Waardpoldermolen en de landschappelijke ligging geven het plangebied een hoge cultuurhistorische waarde die uniek is voor Noord-Holland. Deze waarde kan worden gebruikt om het verhaal van de waterstaatkundige geschiedenis van de Waardpolder zichtbaar te maken en te vertellen. Het huidige schetsplan doet recht aan de hier aanwezige waarden. De hoger gelegen molenplaats blijft intact.
4.5.2 Archeologie Het Verdrag van Malta (1992), beoogt het cultureel erfgoed dat zich in de bodem bevindt beter te beschermen. Op 1 september 2007 is de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) in werking getreden. Hiermee worden de uitgangspunten van het Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen: 'de veroorzaker betaalt'. Voor de ruimtelijke ordening is het van belang dat de Wamz uitgaat van de koppeling van archeologische waarden aan de ruimtelijke ordening. Voor bestemmingswijzigingen betekent dit dat de verplichting is neergelegd om bij de vaststelling van de wijziging rekening te houden met in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische waarden. Zo nodig dient door de initiatiefnemer, voorafgaand aan bodemingrepen, archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Archeologie West-Friesland heeft een archeologische quickscan uitgevoerd naar het aspect archeologie met betrekking tot het vervangen van een gemaal (bijlage 4)3. Onderzoeksresultaten Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is van plan om het huidige gemaal aan de P.
van der Sterrweg te amoveren en iets zuidelijker een nieuw gemaal te realiseren. Het nieuwe gemaal komt op een terrein van HHNK waarop resten van de oude Waardpoldermolen aanwezig zijn. Deze resten zijn in 2021 gedocumenteerd (bijlage 5)4. Om te voorkomen dat de funderingsresten van de Waardpoldermolen weer bedekt en beschadigd raken door onkruid en bramenstruiken is destijds in samenspraak met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier besloten om de resten met grond af te dekken.
afb.15 De opgraving van de molenplaats in 2021 3 Archeologisch Quickscan, Archeologie West-Friesland, 23 november 2022 4 Briefrapport archeologisch onderzoek 2021, Archeologie West-Friesland, 8 november 2021
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
30
Op basis van archeologische en geologische bronnen heeft het plangebied in principe een middelhoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit het Laat-Neolithicum. In de buurt van Kolhorn zijn in het verleden resten uit het Laat-Neolithicum aangetroffen. De omvang van de geplande ingrepen is echter te gering om onderzoek naar een eventueel aanwezige vindplaats uit de prehistorie te rechtvaardigen. Daarbij komt dat de oostzijde van het plangebied in het verleden lijkt te zijn afgegraven. Dit zal vermoedelijk een verstoring van het bodemarchief teweeg hebben gebracht. Binnen het plangebied worden op basis van de huidige kennis geen vindplaatsen uit de Middeleeuwen verwacht. Afweging De molenresten worden niet aangetast door de geplande ontwikkeling. Het nieuwe gemaal met uitstroom komt meer oostelijk op het perceel. Tussen de oude molen en het gemaal zal een maalkom worden uitgegraven. Indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, is nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. Archeologie West-Friesland adviseert de voorgenomen ingrepen vrij te geven met betrekking tot het aspect archeologie. Ten behoeve van het doen van waarnemingen dient wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren.
Conclusie: Er zijn met onderhavige ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen op het gebied van cultureel erfgoed te verwachten. Cultuurhistorische waarden en archeologie zijn in beeld en worden gerespecteerd. Indien bij bodemingrepen archeologische resten worden aangetroffen, geldt op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.
4.6
Natuurtoets
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. In deze zijn de oude Boswet, Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet samengevoegd tot één Natuurwet. Uitgangspunt van de wet is dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan. In de praktijk betekent dit dat bij een ruimtelijke ingreep of voorgenomen activiteit bekeken moet worden of er sprake is van effecten of beschermde dieren en planten (soortenbescherming) en in bepaalde gevallen op natuurgebieden (gebiedsbescherming).
4.6.1 Toetsing in het kader van de Wet natuurbescherming Soortenbescherming Voorafgaand aan de herinrichting van het terrein en de bouw van het gemaal is een natuurtoets uitgevoerd (zie bijlage 65). De conclusie van de natuurtoets luidt dat er tijdens het veldbezoek geen jaarrond beschermde nesten zijn vastgesteld. Nader onderzoek is noodzakelijk naar de aanwezigheid van vleermuizen in het gemaalgebouw ten behoeve van de mitigerende maatregelen. Op basis van eerste conclusies uit het bovenstaande onderzoek is een nader onderzoek naar de aanwezigheid van waterspitsmuizen uitgezet (zie bijlage 96). De resultaten van het onderzoek tonen aan dat de aanwezigheid van Waterspitsmuis is uitgesloten in het plangebied. Er is geen sprake van negatieve effecten op deze soort, voor het uitvoeren van deze werkzaamheden is daarom voor deze soort geen ontheffing nodig In een op te stellen uitvoeringsplan flora en fauna wordt invulling gegeven aan de uitvoering conform de gedragscode Wet natuurbescherming (Gedragscode Wet Natuurbescherming voor 5 Natuurtoets Gemaal van der Sterr, Waterproef, 19 januari 2023 6 Nader ecologisch onderzoek (muizenonderzoek), Waterproef, 19 januari 2023
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
31
waterschappen; onderdeel soortbescherming. Bestendig beheer& onderhoud. Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 22 januari 2019). Gebiedsbescherming Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is, buiten eventuele indirecte gevolgen door toegenomen stikstofemissie, op voorhand uit te sluiten dat beschermde gebieden onder de Wnb of andere (provinciaal) beschermde of aangewezen gebieden, direct beïnvloed worden door de plannen. Het geplande project leidt tot emissie van stikstof. Ten behoeve van de planontwikkeling is een analyse nodig van de hierdoor veroorzaakte extra depositie van stikstof op gevoelige habitattypen in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als deze depositie boven 0,00 mol/ha/jaar komt bestaat een vergunningsplicht. Het aanvullend onderzoek naar de stikstofdepositie op Natura 2000gebied is beschreven in paragraaf 4.6.2.
4.6.2 Onderzoek stikstofdepositie Om vast te stellen of het project kan leiden tot verhoogde emissie van stikstof is een stikstofberekening gemaakt met behulp van de meest recente versie van het rekenprogramma AERIUS. AERIUS berekent de stikstofdepositie als gevolg van plannen en projecten op Natura 2000-gebieden (zie bijlage 7)7. Uit de berekening van stikstofemissie in de sloop- en aanlegfase (bouw) blijkt dat de beoogde ontwikkeling in de realisatiefase resulteert in een toename van de depositie in omliggende stikstofgevoelige Natura2000 gebieden van minder dan 0,005 mol/ha/jaar. De gebruiksfase is niet doorgerekend, omdat dit uitsluitend verkeerbewegingen ten behoeve van onderhoud aan het gebouw betreft (verkeersbewegingen van gebruikers). De verkeersproductie is zeer beperkt (zie paragraaf 4.7) en dit leidt niet tot waarneembare depositie op Natura 2000gebied. Deze situatie is vergelijkbaar aan de bestaande situatie. Afweging De ontwikkeling is verantwoord. Zowel de realisatiefase als de gebruiksfase leiden tot een toename van de depositie in omliggende stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden van minder dan 0,005 mol/ha/jaar. Een vergunning of ontheffing is niet nodig. Hieruit volgend kan geconcludeerd worden dat er voor het aspect stikstofdepositie geen belemmeringen zijn geconstateerd voor de realisatie van het plan.
Conclusie • Gebiedsbescherming in het kader van Natura 2000, weidevogelleefgebied en NNN is niet aan de orde. • Stikstofdepositie op Natura 2000-gebied vanuit dit project vormt geen belemmering voor beoogde ontwikkeling. • Nader onderzoek is noodzakelijk naar de aanwezigheid van vleermuizen in het gemaalgebouw. In het gebied zijn verder geen beschermde soorten aangetroffen. • Het voorzorgsbeginsel uit de Wet natuurbescherming blijft van toepassing. Van grondeigenaren en gebruikers mag worden verwacht dat ingrepen en handelingen die negatieve effecten kunnen hebben op planten- of diersoorten, zodanig worden uitgevoerd dat schade tot een minimum beperkt blijft.
7 AERIUS-berekening, Dutch Process Inovators, 3 maart 2023
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
32
4.7
Verkeer en parkeren
De realisatie van het gemaal brengt geen verandering van de verkeersproductie en -attractie met zich mee. De verkeersaantrekkende werking van een gemaal blijft in de regel beperkt tot één of enkele personenwagens enkele malen per jaar voor beheer en onderhoud. Eens in de maand bezoekt een vrachtwagen het gemaal voor de afvoer van kroosgoed. De huidige weginrichting is toereikend om het verkeer op een acceptabele manier af te kunnen wikkelen. Aan- en afvoer van materieel en materiaal vindt plaats over de P. van der Sterrweg die via de Waardpolderweg aansluit op de N248. Er wordt geen overschrijding van de maximale belasting van lokale wegen verwacht. Er zijn in de directe omgeving van het gemaal geen woonhuizen aanwezig. Overlast door aan- en afvoer van materieel is dan ook niet te verwachten. Er is bij het gemaal voldoende parkeergelegenheid voor dit verkeer. De molenplaats heeft geen eigen parkeervoorzieningen maar is toegankelijk voor wandelaars via de P. van der Sterrweg en het Noord-Hollandpad op de Waarddijk. Conclusie: • Verkeer en parkeren vormen geen belemmeringen voor dit project, overeenkomstig de bestaande situatie.
4.7
Geluidhinder
Ten aanzien van de geluidhinder is de Wet geluidhinder van kracht. Doel van deze wet is het terugdringen van hinder als gevolg van geluid en het voorkomen van een toename van geluidhinder in de toekomst. De Wet geluidhinder kent drie geluidsbronnen: wegverkeer, spoorweg- en industrielawaai. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) moet bij het realiseren van geluidsgevoelige objecten onderzocht worden of aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan. Afweging Een gemaal is geen geluidgevoelig object. Het aspect geluid in het kader van de Wet geluidhinder is daarmee niet relevant. Hiermee zijn er vanuit het aspect geluid er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan. Conclusie: • Vanuit het aspect geluid (Wet geluidhinder) zijn er geen belemmeringen voor de beoogde bestemmingswijziging.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ruimtelijke afstemming tussen bedrijfsactiviteiten, voorzieningen en gevoelige functies (waaronder woningen) noodzakelijk. Bij deze afstemming kan gebruik worden gemaakt van de richtafstanden uit de basiszoneringslijst van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). Gemalen zijn geen vergunningplichtige inrichtingen, maar vallen onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals geluid, geur, gevaar en stof. Richtlijnen voor afstanden zijn opgenomen in de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’.De genoemde richtafstanden in de publicatie geven slechts indicatieve informatie en zijn niet als standaard-norm bedoeld. Afweging Geluid Met betrekking tot geluidemissie van het gemaal wordt de installatie op een dergelijke wijze gebouwd dat deze voldoet aan de gestelde grenswaarden uit het Besluit algemene regels voor
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
33
inrichtingen milieubeheer (Barim). De richtwaarde voor de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen bedraagt 50 dB(A). Het gemaal is niet opgenomen in de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering'. Voor de codering van een gemaal kan het beste aansluiting worden gezocht bij de omschrijving 'waterdistributiebedrijf', waarbij onderscheid wordt gemaakt in pompvermogen. Bij de bepaling van deze richtafstanden is uitgangspunt dat de inrichting continu in werking is. Het pompvermogen van het gemaal is kleiner dan 1 MW. De richtafstand van 30 meter is hiermee leidend. Het gemaal wordt opgericht op meer dan 30 meter van de nabijgelegen woning. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project. Van een extra geluidsbelasting op de omgeving is alleen sprake tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Transport, sloop- en grondwerk en het trillen of het heien kunnen belastend zijn voor de omgeving. In de wijde omgeving is echter geen sprake van bebouwing waar overlast kan worden ervaren. In het door de uitvoerder op te stellen uitvoeringsplan wordt aangegeven wanneer welke werkzaamheden worden uitgevoerd. In dit uitvoeringsplan worden ook de werktijden benoemd, die voor werken binnen de gemeente van toepassing zijn. Geur Als gevolg van de gemaalactiviteiten wordt geen geurhinder verwacht.
In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is voor een rioolgemaal een richtafstand van 30 meter opgenomen ten opzichte van woningen. Het betreffende gemaal zal minder geuremissie veroorzaken dan een rioolgemaal. Het gaat namelijk enkel om kroosvuil dat zich kan ophopen in het rooster. Dit vuil wordt regelmatig opgeruimd. Het gemaal wordt opgericht op meer dan 30 meter van de nabijgelegen woning. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project. Verlichting Er zal verlichting worden gevoerd gedurende de werktijden (07:00 – 17:00) als het donker is. ’s Nachts zal er geen licht aan staan. Om het effect van de voorgenomen werkzaamheden met betrekking tot het gebruik van kunstlicht op de omgeving te beperken worden er restricties opgelegd aan de uitvoerder ten aanzien van het gebruik van kunstlicht. De bouwverlichting wordt tot een minimum beperkt. De toe te passen verlichting mag niet zorgen voor hinder in de omgeving en moet voldoen aan de normering welke hoort bij een omgevingstype E1 als bedoeld in de richtlijn lichthinder van de NSVV. Bij het nieuwe gemaal wordt verlichting geplaatst met al dan niet een bewegingssensor. Conclusie: • In de omgeving van de planlocatie bevinden zich geen bedrijven of activiteiten die hinder veroorzaken. Bestaande bedrijven of activiteiten worden niet gehinderd in hun functioneren.
• De beoogde ontwikkeling veroorzaakt ook geen milieuhinder voor de omliggende woningen.
4.9
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet Milieubeheer. Op 15 november 2007 is het onderdeel luchtkwaliteit van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoeoverschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdtrekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg vaninfrastructuur.Projecten die in dit programma passen, behoeven niet meer te worden getoetst aan denormen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werkinggetreden. Het NSL is op 6 december 2016 voor een tweede maal verlengd tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1 januari 2024).
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
34
Op grond van de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn (onder andere) de volgende projecten vrijgesteld van toetsing: • woningbouwprojecten met 1 ontsluitingsweg en minder dan 1.500 woningen; • kantoorlocaties met een vloeroppervlak van minder dan 100.000 m2; • projecten die leiden tot minder dan 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10). Afweging De realisatie van het gemaal leidt niet tot een toename van het verkeer, alleen voor regulier en speciaal onderhoud is sprake van bestemmingsverkeer. Het gemaal wordt voorzien van elektrisch aangedreven pompen en een elektrische verwarmingsinstallatie. Dit betekent dat emissies niet aan de orde zijn. Een relevante bijdrage van de verontreinigende stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) is daarom op voorhand uit te sluiten. Het plan valt dan ook onder de regeling 'Niet in betekende mate bijdragen' en is daarmee vrijgesteld van aanvullend onderzoek. Conclusie: Vanuit het aspect luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
4.10 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om de veiligheid van mensen in een plangebied in relatie tot de opslag, het gebruik, de productie en het transport van gevaarlijke stoffen in of nabij het plangebied, voor zover die activiteiten risico’s voor de bevolking kunnen geven. Het beleid voor inrichtingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Voor het transport van gevaarlijke stoffen geldt de Handreiking Risicoanalyse Transport (HART) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Afweging Bij ontwikkeling van nieuwe functies die een risico kunnen veroorzaken of bij ontwikkeling van risicogevoelige functies dient onderzoek plaats te vinden naar eventuele gevolgen voor het plaatsgebonden en groepsrisico. Het gemaal is geen risicovolle inrichting. Op de risicokaart (www.risicokaart.nl) is aangegeven dat zich in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen bevinden. Betekenis voor dit project Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de wijziging van het bestemmingsplan.
4.11 Kabels en Leidingen Ten behoeve van het plan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en planologisch relevante leidingen. Afweging Op de planlocatie zijn geen relevante planologische leidingen aanwezig. De nieuwe uitstroomkoker wordt in voorliggend bestemmingsplan opgenomen en verankerd. Conclusie: In en rondom de planlocatie zijn geen kabels en leidingen bekend die de ontwikkeling belemmeren. De nieuwe uitstroomkoker wordt in dit bestemmingsplan opgenomen en is daarmee planologisch verankerd.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
35
4.12 Niet gesprongen explosieven Bij het roeren van de ondergrond, is een kans aanwezig dat gestuit wordt op niet gesprongen explosieven (NGE) in de bodem. Deze explosieven kunnen een gevaar vormen bij de uitvoering van de grondwerkzaamheden. NGE resteren uit bombardementen en gevechten in de Tweede Wereldoorlog. Deze bombardementen hebben vooral plaatsgevonden op strategische doelen, zoals binnensteden, verbindingswegen, spoorwegen, spoorwegstations, bruggen en havens. In de omgeving van die doelen kunnen in enkele gevallen blindgangers voorkomen, of dropping van niet gebruikte explosieven. Ver buiten die doelen is de kans klein op het aantreffen van NGE. Verkenning NGE Bureau REASeuro heeft in opdracht van HHNK historisch vooronderzoek gedaan naar het mogelijke voorkomen van Niet Gesprongen Explosieven (NGE). Het literatuuronderzoek is al bijlage 78 bij de toelichting opgenomen. De projectlocatie betreft Hollands Kroon gemaal P. vd Sterr. Het onderzoeksgebied betreft het gebied binnen een straal van 250 meter rond de projectlocatie. Door gebruik te maken van een onderzoeksgebied wordt een zo compleet mogelijk beeld van de omgeving van de projectlocatie ten tijde van de Tweede Wereldoorlog verkregen. Uit de analyse van het bronnenmateriaal en de oorlogshandelingen wordt niet verwacht dat er NGE zijn achtergebleven binnen de projectlocatie.
Afweging Uit het raadplegen van het bronmateriaal blijkt dat binnen het projectgebied geen oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden waardoor NGE kunnen zijn achtergebleven. De conclusie van het onderzoek luidt dat de werkzaamheden regulier doorgang kunnen vinden, zonder verdere maatregelen.
4.13 Vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 1 april 2011 is het nieuwe Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging die daarin is aangebracht, is dat voor de vraag of een m.e.r.-beoordelingsprocedure moet worden doorlopen, toetsing aan de drempelwaarden in de D-lijst niet toereikend is. Indien een activiteit een omvang heeft die onder de drempelwaarden ligt, dient op grond van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling te worden vastgesteld of belangrijke nadelige gevolgen van de activiteit voor het milieu kunnen worden uitgesloten. Pas als dat het geval is, is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets volgt of belangrijke nadelige milieueffecten al dan niet zijn uitgesloten. In het geval dat bedoelde effecten zijn uitgesloten is de activiteit niet m.e.r.- beoordelingsplichtig - en in het andere geval wel. Afweging In de onderhavige situatie is de beoordeling voor de bouw en het gebruik van een gemaal aan de orde. Omdat hierbij geen sprake is van overschrijding van een drempelwaarde genoemd in de bijlagen C en D van het Besluit MER, geldt er geen formele m.e.r.-beoordelingsplicht.
Dat neemt niet weg dat moet worden nagegaan of het plan mogelijk aanzienlijke milieugevolgen heeft, die aanleiding geven tot een formele m.e.r.-beoordeling of zelfs het opstellen van een volledig milieueffectrapport (MER). Hoewel deze beoordeling vormvrij is, moet wel gemotiveerd worden waarom geen m.e.r.- beoordeling of MER nodig wordt geacht. Uit voorliggende onderbouwing blijkt dat de milieubelasting beperkt is, als gevolg van de activiteiten van het gemaal zijn geen mogelijk belangrijk nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten. Het gemaal bevindt zich in een gebied met verspreid liggende woon- en agrarische bebouwing waar agrarische activiteiten plaatsvinden, in een omgeving die extensief in gebruik is. Op grond van hetgeen is beschreven kan uitgesloten worden dat bouw en bedrijfsvoering van het gemaal belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Er bestaat derhalve geen plicht of aanleiding voor het volgen van een m.e.r.(beoordelings)procedure.
8 Update vooronderzoek niet gesprongen explosieven, REASeuro, 6 oktober 2022
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
36
Bij de voorbereiding van de plannen is tevens een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd in het kader van de Natuurbeschermingswet. Conclusie van dit verkennende onderzoek is dat er geen significant negatieve effecten van het plan worden verwacht (zie bijlage 4, P.M., ?). Het opstellen van een passende beoordeling of een planMER is daardoor ook niet aan de orde. Conclusie: Het doorlopen van een mer-procedure voor dit bestemmingsplan is niet aan de orde.
4.14 Conclusie toets van de omgevingsaspecten Het in de voorgaande paragrafen beschreven onderzoek naar milieuaspecten geeft aan dat belangrijke nadelige milieugevolgen, als gevolg van de in dit bestemmingsplan voorgenomen ontwikkeling, zijn uitgesloten. Aandachtspunten zijn: • in het kader van de Waterwet moet een projectplan worden vastgesteld voor onder andere het graven van een oppervlaktelichaam, het aanbrengen van verhard oppervlak, het aanleggen/verplaatsen van kabels en leidingen, activiteiten in de waterbodem en voor activiteiten in, op of nabij een waterkering; • voor een deel van de werkzaamheden is een watervergunning noodzakelijk. De watervergunning is een procedure buiten de RO-procedure om; • ten behoeve van het doen van waarnemingen dient wel in de omgevingsvergunning te worden opgenomen dat Archeologie West-Friesland toekomstige graafwerkzaamheden wil monitoren. Geconcludeerd wordt dat, met inachtneming van bovengenoemde randvoorwaarden, in onderhavige situatie sprake is van een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
37
5.
JURIDISCHE PLANOPZET
5.1
Algemeen
Voorliggend bestemmingsplan is gericht op de realisatie van het nieuwe Gemaal Van der Sterr. De Wet ruimtelijke ordening geeft het bestemmingsplan als instrument aan de gemeente voor het mogelijk maken van deze ontwikkeling. In het bestemmingsplan moet aan ieder stuk grond een bepaalde bestemming (en omschrijving van het toegestane gebruik) worden gegeven. Uitgangspunt voor dit bestemmingsplan is het op een zodanige manier inpassen van de nieuwe ontwikkelingen dat recht wordt gedaan aan de aanwezige kwaliteiten van de nabijgelegen gebieden. Het bestemmingsplan zoekt zoveel mogelijk aansluiting bij de voorschriften van het bestemmingsplan Buitengebied Anna Paulowna en recente bestemmingsplannen in de gemeente Hollands Kroon.
5.2
Juridische vormgeving
5.2.1 Wettelijke vereisten De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.
5.2.2 Opzet planregels De planregels van het bestemmingsplan kennen de volgende hoofdstuk indeling: Hoofdstuk 1: Inleidende regels Dit hoofdstuk begint met de begripsbepalingen, waarin - om misverstanden bij de toepassing van het bestemmingsplan te voorkomen - een aantal in het bestemmingsplan gehanteerde begrippen wordt toegelicht. In het daarop volgende artikel, de wijze van meten, wordt aangegeven op welke wijze de in het bestemmingsplan opgenomen maatvoering moet worden berekend. Ook dit artikel dient om interpretatieproblemen te vermijden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de voorschriften opgenomen die behoren bij de verschillende op de plankaart opgenomen bestemmingen die aan de gronden zijn toegekend. Ieder artikel begint met een bestemmingsomschrijving, waarin duidelijk de bestemmingen zijn weergegeven, waarvoor de gronden met de betreffende bestemming gebruikt mogen worden. Vervolgens wordt door middel van de bouwregels aangegeven wat en in welke mate op de gronden met deze bestemming mag worden bebouwd. In de ontheffing van de bouwregels staat onder welke voorwaarde van welk bouwvoorschrift mag worden afgeweken. De gebruiksregels geven aan wat verboden gebruik is en tenslotte wordt in de strafbepaling beschreven wat strafbaar is in dit kader. Onder voorwaarden mag soms ook van de gebruiksregels worden afgeweken.
Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn de anti-dubbeltelbepaling, algemene aanduidingsregels, de uitsluiting aanvullende werking bouwverordening, de algemene afwijkingsbevoegdheid, de overgangsbepalingen, de procedureregels en de slotbepaling opgenomen. Dit zijn regels die in hun
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
38
algemeenheid voor het gehele bestemmingsplan gelden en min of meer losstaan van de bestemmingsbepalingen. In de Algemene Afwijkingsregels zijn mogelijkheden opgenomen om af te wijken van de verschillende maatvoeringen in het plan. Deze afwijkingen zijn uitdrukkelijk bedoeld om op onvoorziene ontwikkelingen te kunnen inspelen. Het bestemmingsplan wordt afgesloten met de Overgangs- en slotregels, hoofdstuk 4.
5.2.3 Verbeelding Met de digitalisering van ruimtelijke plannen is het lezen en interpreteren van de verbeelding (voorheen plankaart) veranderd. Via de website www.ruimtelijkeplannen.nl kunnen bestemmingsplannen (ook in voorbereiding zijnde plannen voor zover deze ter inzage zijn gelegd) worden ingezien. Alhoewel de digitale verbeelding het uitgangspunt vormt, blijft het mogelijk het bestemmingsplan analoog in te zien. Op de verbeelding zijn alle functies zodanig bestemd, dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de verbeelding zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. Bestemmingsvlak en bouwvlak De in het plan voorkomende bestemming bestaat uit twee vlakken: een bestemmingsvlak én een bouwvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar een bepaald gebruik is toegestaan. Het bouwvlak is een gebied dat op de verbeelding is aangeduid waarvoor de mogelijkheden om gebouwen te bouwen in de regels zijn aangegeven. Het bestemmingsvlak is op de verbeelding voorzien van aanduidingen.
5.3
Verantwoording keuze van de bestemmingen
In deze paragraaf wordt een korte toelichting gegeven op de inhoud van de bestemmingen in dit bestemmingsplan. De bestemmingen ‘Nutsvoorzieningen’ en ‘Cultuurhistorisch gebied met natuurwetenschappelijke waarden’, aangezien het huidige en toekomstige gebruik van de gronden met deze bestemming een ander gebruik kent, namelijk 'Bedrijf – Nutsvoorziening', Verkeer – Verblijf’ en ‘Water’ en de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Leidingstrook’, ‘Waarde – Archeologie’, ‘Waarde – Cultuurhistorie’ en 'Waterstaat - Waterkering'. Bedrijf – Nutsvoorziening Voor het gemaal is de bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' opgenomen. Omdat het gemaal grenst aan de provinciale weg en deel uitmaakt van de berm van deze weg, is de bestemming mede bestemd voor wegen, paden, bermen, een vispassage en inlaat. Om de gebouwen beperkt te houden is in de planregels bepaald dat gebouwen binnen een bouwvlak moeten worden gebouwd. Ook is er een maximale bouwhoogte bepaald, waardoor de bebouwing ruimtelijk ondergeschikt blijft aan de waterkering. Voor de toeritten en het terrein boven de instroomvoorziening geldt ook deze bestemming. Hier mogen geen gebouwen worden gebouwd, maar wel bouwwerken worden geplaatst. Ook de maatvoering van hekwerken en overige bouwwerken zoals de kroosverwijderaar zijn gebonden aan een maximum. Binnen de bestemming wordt ook het voetpad op de dijk geregeld.
Maatschappelijk Voor de molenplaats is de bestemming ‘Maatschappelijk’ opgenomen. Deze bestemming doet het meest recht aan de ‘museale’ en dagrecreatieve functie van de locatie. Bebouwing is niet toegestaan. Verkeer – Verblijf De ontsluitingsweg in het gebied heeft de bestemming ‘Verkeer-Verblijf’. Water Het water in het gebied heeft de bestemming ‘Water’.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
39
Leiding - Leidingstrook De persleidingen van het gemaal door de dijk worden inbestemd door middel van de dubbelbestemming 'Leiding - Leidingstrook'. Ter bescherming van de leidingen geldt ter plaatse van deze dubbelbestemming een omgevingsvergunningplicht voor graafwerkzaamheden. Waarde - Archeologie Ter bescherming van archeologische waarden zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 3’ opgenomen. De gronden binnen deze dubbelbestemming zijn bestemd voor het behoud van de aanwezige archeologische waarden. Op basis van de archeologische beleidskaart Hollands Kroon uit 2022 behoort de molenplaats tot de zwaarste archeologische beschermingscategorie: bij grondroerende werkzaamheden van meer dan 100 m2 is archeologisch onderzoek nodig. Voor de rest van planlocatie geldt een grens van 2500 m2. Waterstaat – Waterkering Het plangebied is voorzien van deze dubbelbestemming. Het plangebied betreft een primaire waterkeringen. Deze waterkering is van belang voor de bescherming van het achterland tegen het water. Het plangebied betreft een waterkering met cultuurhistorische waarde. Ook vanwege deze aspecten is het van belang dat het plangebied een vertaling krijgen in het bestemmingsplan. De bestemming 'Waterstaat -Waterkering' voorziet hierin.
Met deze bestemming wordt voorzien in het behoud, het herstel en het beheer van de waterstaatsdoeleinden en de cultuurhistorische waarde van de waterkering. Ter bescherming van de waterkerende functie en de cultuurhistorische waarde is voor diverse werken en werkzaamheden, waaronder het ophogen en afgraven van gronden, het aanbrengen van diepwortelende beplanting en het aanbrengen van ondergrondse of bovengrondse leidingen een omgevingsvergunning nodig. Alvorens de vergunning wordt verleend, wordt de beheerder om advies gevraagd. Daarnaast mogen er geen gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken worden gebouwd, uitgezonderd de bestaande gebouwen, overkappingen en andere bouwwerken. Via afwijking kunnen nieuwe gebouwen worden toegestaan. Bij een dergelijke aanvraag moet worden getoetst aan verschillende -ruimtelijke- criteria, welke in de bestemming zijn genoemd. Ook hierbij wordt de waterbeheerder om advies gevraagd. De omgevingsvergunning wordt vervolgens door Burgemeester en wethouders verleend.
5.4
Handhaving
De Wet ruimtelijke ordening bevat een algemeen verbod om de gronden en bebouwing in strijd met het bestemmingsplan te gebruiken. Een belangrijk juridisch aspect in de uitvoering van het plan is de handhaving en het toezicht op de naleving van het bestemmingsplan. Deze handhaving is van cruciaal belang om de in het plan opgenomen ruimtelijke kwaliteiten ook op langere termijn daadwerkelijk te kunnen ‘vasthouden’. Daarnaast is de handhaving van belang uit een oogpunt van rechtszekerheid: de grondeigenaren en gebruikers dienen door de gemeente op een zelfde wijze daadwerkelijk aan het plan te worden gehouden. In het bestemmingsplan is in dit verband gestreefd naar een zo groot mogelijke eenvoud van, in het bijzonder, de planregels van het plan.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
40
6.
HAALBAARHEID
6.1
Algemeen
Wettelijk gezien bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheidaspecten van een bestemmingsplan. In dat verband wordt onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Belanghebbenden Rond het gemaal bevindt zich tot een afstand van ruim 300 meter (Wieringermeer, achter twee waterkeringen en breed water) en circa 1 kilometer (Waardpolderhoofdweg) geen bewoning. Gezien deze afstanden is geen overlast of (plan-) schade, en zijn weinig meekoppelkansen te verwachten. De relatief nabijgelegen omwonenden in de Waardpolder en de Wieringermeer zijn inmiddels via een bewonersbrief op de hoogte gebracht van de plannen en worden geïnformeerd op het moment van vergunningverlening en start uitvoering. Naast tijdelijk transport vanwege de werkzaamheden zijn geen nadelige effecten voor deze stakeholders te verwachten. Met direct betrokken omliggende grondeigenaren/belanghebbenden in het gebied zijn keukentafelgesprekken gevoerd. De ontsluiting van één perceel aan de zuidzijde loopt via de westzijde van het terrein. Deze ontsluiting blijft onbeperkt in stand. De eigenaar van dit terrein is akkoord met de aanpassing van de dam met duiker naar haar eigen dam. Een tweede eigenaar heeft de wens aansluitend aan het bestaande pad naar het perceel van eigenaar 1 via het terrein een nieuwe ontsluiting naar zijn perceel te realiseren. Realisatie van deze ontsluiting wordt niet beperkt door de bouw van het gemaal en de inrichting van het terrein.
De initiatiefnemer zal zelf de benodigde toestemmingen (waaronder een watervergunning) aan moeten vragen voor deze dam met ontsluiting. Mogelijke wensen of beperkingen vanwege de nabijheid van de molenfundering (door gemeente) of synergie met de bouw van het gemaal zal in later stadium worden bezien. De ontsluiting ten behoeve van dijkonderhoud en pacht van de dijkgrond blijft in stand. Omwonenden binnen een cirkel van ca 1 km zijn geïnformeerd over de plannen. Nadelige effecten op hun belangen wordt niet verwacht.
6.2.2 Bestemmingsplanprocedure Het ontwerpbestemmingsplan heeft op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegen, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad konden worden ingediend. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Daarnaast wordt het plan ook voorgelegd aan de betrokken diensten en instanties als bedoeld in het overleg ex artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. De opmerkingen van deze overlegpartners zullen in het bestemmingsplan worden verwerkt. Crisis en herstelwet Omdat het bouwplan de realisatie van een waterstaatswerk beoogt, valt het plan onder de Crisisen herstelwet (waterstaatswerken zijn opgenomen in de lijst van specifieke projecten, bijlage 2 Chw). De Crisis en herstelwet (Chw) bevat procedureregels voor de behandeling van beroepen. In de ontwerpfase gelden de reguliere procesregels.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vatgesteld 21 maart 2024
41
6.3
Economische uitvoerbaarheid en grondexploitatie
Het gaat hier om een initiatief van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Op de meerjarenbegroting van HHNK is budget gereserveerd voor de realisatie van dit gemaal. De gemeente draagt bij dit plan geen financiële risico's. De economische uitvoerbaarheid is daarmee voldoende aangetoond. Grondexploitatie Met de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten, indien sprake is van bouwplannen zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken en kosten voor het bestemmingsplan. Daarnaast hebben gemeenten sturingsmogelijkheden, omdat in het geval van grondexploitatie door derden diverse eisen en regels gesteld kunnen worden. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn alle kosten die verband houden met het initiatief, te weten de kosten voor het maken van het bestemmingsplan (inclusief onderzoekskosten), geregeld. Planschade In de Waterwet (artikel 7.14) is de planschade geregeld. Hierin is bepaald dat eventuele planschade voor rekening van het hoogheemraadschap komt. Het afsluiten van een planschaderisico overeenkomst tussen het hoogheemraadschap en de gemeente is daarom niet aan de orde.
Conclusie: Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd.
Toelichting bestemmingsplan P. van der Sterr, vastgesteld 21 maart 2024
42