4 Nota zienswijzen.pdf
Tekst van het document
Nota zienswijzen Ontwerp bestemmingsplan Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1
1
1. Inleiding Onderdeel van de werklocatie Agriport A7 te Middenmeer is het bestaande bedrijventerrein Venster-West. Op dit bedrijventerrein is de vestiging van o.a. datacenters toegestaan. In de ‘Omgevingsvisie Hollands Kroon’ is de mogelijkheid tot uitbreiding van dit bedrijventerrein aangegeven. Als er voldoende aantoonbare behoefte is aan nieuwe bedrijfsgrond, ligt uitbreiding in de aangegeven (noordelijke) richting van dit terrein voor de hand. Het ontwerp bestemmingsplan ‘Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1’ is opgesteld om voor een uitbreidingsgebied gelegen direct ten noorden van het bestaande bedrijventerrein Venster West, aan de oostkant van de Cultuurweg en aan de westkant van de rijksweg A7, de vestiging van datacenters mogelijk te maken. Er is behoefte aan uitbreiding van dit terrein en door de gemeente Hollands Kroon is de bestemmingsplanprocedure hiervoor gestart. Het ontwerp bestemmingsplan heeft (op grond van artikel 3.8 Wet ruimtelijk ordening) gedurende zes weken, vanaf 16 oktober 2020 tot en met 26 november 2020, ter inzage gelegen. Er zijn tijdens de ter inzage termijn geen mondelinge reacties gegeven. Er zijn binnen de inzage termijn 105 schriftelijke reacties (hierna te noemen zienswijzen) ontvangen. Een deel van de schriftelijke reacties betreffen reacties die zijn ingediend door meerdere indieners.
Zo is de zienswijze van LTO mede ingediend namens 49 personen. Een aantal andere zienswijzen is ook door meerdere personen ingediend. Dit alles resulteert in 18 unieke zienswijzen.
2. Leeswijzer Behoudens instanties, zijn de indieners van zienswijzen in deze Nota zienswijzen met het unieke postregistratienummer vermeld. De zienswijzen zijn in hoofdstuk 4 (waar noodzakelijk geacht geanonimiseerd) samengevat en beantwoord. Daarbij is ook vermeld of de zienswijze aanleiding heeft gegeven tot aanpassing van het bestemmingsplan. Zoals in de inleiding aangegeven, is een aantal zienswijzen door meerdere indieners ingediend. Daarnaast bevatten diverse zienswijzen reacties over dezelfde onderwerpen. De gemeente realiseert zich ook dat het nodige te doen is geweest over diverse ontwikkelingen in de Wieringermeer, waaronder de ontwikkeling van datacenters. Gegeven deze signalen is gemeend een extra hoofdstuk in te voegen, hoofdstuk 3, waarin de in zienswijzen (en media) vaak voorkomende onderwerpen worden behandeld. Verder is geconstateerd dat een aantal ambtshalve wijzigingen moeten worden doorgevoerd voor het definitieve bestemmingsplan. In hoofdstuk 5 is aangegeven op welke onderdelen van de regels en/of de verbeelding een ambtshalve wijziging wordt doorgevoerd in het definitieve bestemmingsplan. Naast aanpassing van de regels en de verbeelding, zijn waar nodig ook de toelichting, en de bij de toelichting behorende bijlagen, geactualiseerd of aangevuld. Dit zijn aanpassingen van de toelichting die volgen uit reacties (zie o.a.
hoofdstuk 4) of aanpassing van tekst gegeven voortschrijdend inzicht of aanpassingen naar aanleiding van actualisatie van bijvoorbeeld een berekeningsmethode (voor de stikstof depositie) of beleidskader (naar aanleiding van de nieuwe Omgevingsverordening Noord Holland). Deze Nota zienswijzen is opgesteld ter ondersteuning van de besluitvorming door de gemeenteraad en wordt opgenomen als bijlage van de toelichting van het definitieve bestemmingsplan. 2
3. Thematische beantwoording zienswijzen Om recht te doen aan verschillende standpunten, meningen en posities, maar ook om o.a. afspraken uit het coalitieakkoord na te komen, is besloten het ontwerp bestemmingsplan ‘Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1’ ter inzage te leggen. Een deel van de ontvangen reacties op dit ontwerpplan heeft betrekking op dezelfde onderwerpen. Een aantal zienswijzen is ingediend door meerdere indieners. Vaak genoemde onderwerpen zijn ook in andere procedures soms naar voren gebracht of in de media. In dit hoofdstuk worden deze in de zienswijzen vaak genoemde onderwerpen behandeld. In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 4, wordt daar waar dat aan de orde is, voor beantwoording van een zienswijze dan verwezen naar de beantwoording opgenomen in dit hoofdstuk. Naar aanleiding van de zienswijzen en berichten in de media over de ontwikkeling van datacenters in de Wieringermeer zijn er vier (beeldvormende en reguliere) vergaderingen geweest. In deze vergaderingen heeft de raad zich nader laten informeren over specifieke zaken rond deze ontwikkeling. Een aantal onderwerpen dat is toegelicht en beantwoord in deze raadsvergaderingen overlapt de onderwerpen die worden genoemd in zienswijzen. De vragen die door de gemeenteraad zijn gesteld, en beantwoord door het college, zijn daarom ook gebruikt om hierna deze onderwerpen te beantwoorden.
Het schriftelijk verslag en het videoverslag van de betreffende raadsvergaderingen gehouden op 1 december 2020, 3 december 2020, 10 december 2020 en 19 januari 2021 kunt u vinden op de website van gemeente (www.hollandskroon.nl en dan onder ‘bestuur’, ’vergaderkalender’, ‘december 2020’ respectievelijk ‘januari 2021’). Op deze website zijn ook raadsvragen over het onderwerp datacenters te vinden. Aanvullende informatie is hier ook te vinden zoals een factsheet van Microsoft opgesteld met gegevens inzake een bestaand datacenter op
Agriport
A7
(zie
www.hollandskroon.nl)
en
een
samenvatting
van
gegevens
over
de
datacentersector
van
het
DDA
(zie
tevens
https://dutchdatacenters.nl/datacenters/datacenter-mythes-en-feiten/). Deze informatie is voor iedereen te raadplegen en daarom niet bij deze Nota zienswijzen opgenomen. De algemene onderwerpen die in dit hoofdstuk behandeld worden zijn: a) Voorbereiding bestemmingsplan, Omgevingsvisie Hollands Kroon en (concept) Gebiedsplan Wieringermeer b) Landbouw effect rapportage c) Landschappelijke inpassing – zone langs de snelweg A7 d) Werkgelegenheid – arbeidsmigranten – huisvesting e) Lichthinder f)
Energievraag bedrijven en duurzame energie productie
g) Restwarmte h) Duurzaamheid, circulair en natuurinclusief bouwen 3
a) Voorbereiding bestemmingsplan, Omgevingsvisie Hollands Kroon en (concept) Gebiedsplan Wieringermeer In antwoord op vragen van de gemeenteraad van Hollands Kroon over lopende datacenter initiatieven, en daarmee ook de voorbereiding van dit bestemmingsplan, is een beantwoording opgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders (zie memo 27 oktober 2020 op website www.hollandskroon.nl). Er zijn veel vragen gesteld over de status van de ‘Omgevingsvisie Hollands Kroon’, de actualisering daarvan en het proces van het ‘Gebiedsplan Wieringermeer’ in relatie tot bestaande/lopende initiatieven zoals dit ontwerp bestemmingsplan ‘Uitbreiding Agriport A7, deelgebied B1’. Deze vragen zijn ook gesteld door een deel van de indieners van zienswijzen. Wij hebben daarom de antwoorden aan de gemeenteraad hierover, zoals bovengenoemde memo, vermeld als referentie. Onderstaande tekst beoogt deze informatie kort samen te vatten, te ordenen en waar nodig geacht (gegeven de zienswijzen) aan te vullen. In 2014 is een bestuursopdracht opgesteld voor het starten van het proces voor de Omgevingsvisie Hollands Kroon. In de opdracht is beschreven dat de visie de status zou krijgen van een ‘Structuurvisie’ in kader van de Wet ruimtelijk ordening.
Deze status zou voortduren tot de nieuwe Omgevingswet van kracht zou zijn, waarna het een Omgevingsvisie zou worden in kader van deze nieuwe Omgevingswet. Destijds werd verwacht dat de Omgevingswet in 2018 in werking zou treden. Het in werking treden van de Omgevingswet is door de rijksoverheid meermaals uitgesteld. Momenteel is uitstel tot 1 januari 2022 aangegeven. De Omgevingsvisie heeft op basis van de huidige wetgeving de status van Structuurvisie. Een dergelijke visie is zelfbindend. Zelfbindend betekent dat het opgestelde document (de Omgevingsvisie) alleen verplichtingen schept voor degene die het document heeft gemaakt (dus als beleidskader voor besluiten van gemeente Hollands Kroon). De ‘Omgevingsvisie Hollands Kroon’ is november 2016 (met een paar amendementen) vastgesteld door een ruime meerderheid van de gemeenteraad. De reacties op de ontwerp-Omgevingsvisie waren over het algemeen positief. Als voorbeeld de reactie van LTO op de ontwerp-Omgevingsvisie: “LTO Noord Hollands Kroon wil haar waardering uitspreken voor de open en transparante werkwijze die door de gemeente is gehanteerd bij het opstellen van de Omgevingsvisie.
Voorts willen we het college, de leden van de gemeenteraad alsmede het projectteam een compliment geven voor de getoonde betrokkenheid bij de totstandkoming van de visie als gevolg waarvan er een goede uitwisseling van belangen/visie/standpunten vanuit de agrarische sector heeft kunnen plaatsvinden. Op hoofdlijnen kan de ontwerp-Omgevingsvisie onze goedkeuring wegdragen. De “Ja tenzij-benadering” spreekt ons bijzonder aan. Hiermee creëert de gemeente ruimte om
op basis van voortschrijdend inzicht invulling te geven aan de dynamische ontwikkelingen binnen de agrarische sector.” De bovengenoemde “Ja tenzij benadering” uit de Omgevingsvisie was ook van toepassing op de in de Omgevingsvisie aangegeven uitbreidingsrichting voor de werklocatie Agriport A7. De gemeente heeft aangegeven dat initiatieven in lijn met de Omgevingsvisie konden worden ingediend, bijvoorbeeld in de vorm van een bestemmingsplan. Het onderhavig ontwerp bestemmingsplan is in lijn hiermee voorbereid en ingediend. Het plan is een voortzetting van het bestaande bedrijventerrein Venster West zoals 4
aangeven in de Omgevingsvisie. In het ontwerp bestemmingsplan voor deelgebied B1 is het bovenstaande ook beknopt verwoord (zie o.a. bestemmingsplan toelichting tabel pagina 18 onder ‘Gemeentelijk beleid’). Het plan sluit daarmee aan op het bestaande en actuele gemeentelijke beleid. Er is na vaststelling van de Omgevingsvisie ook een proces gestart om voor de het deelgebied Wieringermeer binnen Hollands Kroon een gebiedsplan op te stellen. Over het proces voor dit plan, de verschillende stappen en het uiteindelijke besluit dit proces te staken zijn veel raadsvragen gesteld en beantwoord. Deze vragen zijn bijvoorbeeld ook opgenomen in de zienswijze van LTO (zienswijzen onder 1 punten 1.1 t/m 1.11 in de brief van LTO zie tevens hoofdstuk 4 voor beantwoording hiervan). Voor de beantwoording van vragen over het proces rond het ‘Gebiedsplan Wieringermeer’ wordt verder verwezen naar de informatie opgenomen bij bovengenoemde extra raadsvergaderingen december 2020. We merken op dat deze vragen soms politiek van aard zijn en deels voortkomen uit een in het (ingetrokken) gebiedsplan genoemd zoekgebied, voor uitbreiding van bedrijfsterrein in verschillende delen van de Wieringermeerpolder voor o.a. datacenters (met een grote omvang van de uitbreiding van in eerste aanleg tot 2500 ha).
De vragen die daarop waren gericht zijn veelal niet van toepassing op dit ontwerp bestemmingsplan (dat een uitbreiding betreft van circa 50 ha van een bestaand bedrijventerrein). Een aantal initiatieven in de Wieringermeer, o.a. voor de ontwikkeling van datacenters op of nabij de werklocatie Agriport A7, is tijdelijk aangehouden om ruimte te geven aan het proces van het Gebiedsplan Wieringermeer. De gemeente Hollands Kroon is samen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Provincie NoordHolland dit proces gestart, met als doel het vaststellen van een raamwerk voor grotere ontwikkelingen in deze polder. Het proces om te komen tot het gebiedsplan Wieringermeer is uiteindelijk beëindigd. Bij dit besluit is vanuit het college aangegeven dat de lopende initiatieven nog worden afgehandeld. Het onderhavige ontwerp bestemmingsplan is zo’n bestaand/lopend initiatief en wordt samen met de zienswijzen en de beantwoording daarvan in deze nota voorgelegd aan de raad ter besluitvorming. De procedure voor dit bestemmingsplan is dus (in lijn met bovenstaande) na juni 2019 verder opgepakt met o.a. het uitvoeren van het wettelijke vooroverleg met de gebruikelijke overlegpartners. Het plan is daarna opgemaakt als een ontwerp bestemmingsplan voor het starten van de formele bestemmingsplan procedure.
Deze procedure is gestart met de ter inzage legging van het ontwerpplan en parallel daaraan de besluitvorming over de ‘aanmeldingsnotitie m.e.r. beoordeling’ en het afsluiten van de anterieure overeenkomst. Er is veel informatie gewisseld over bovenstaande onderwerpen en we kunnen ons voorstellen dat voor een aantal indieners van zienswijzen, die minder bekend zijn met visies en bestemmingplannen en procedures, dit nog meer uitleg behoeft. We blijven bereid, als daar behoefte aan is, een indiener van een zienswijze hierover aanvullende informatie te verstrekken.
5
b) Landbouweffectrapport Een aantal indieners heeft een reactie gegeven op het Landbouweffectrapport (LER). In een zienswijze wordt gesteld dat een LER had moeten worden opgesteld en dat deze ontbreekt. In een aantal reacties wordt gesteld dat bepaalde aspecten in de LER niet of onvoldoende zijn beschreven en beoordeeld. Het LER voor dit plan is in samenwerking met LTO in de voorbereidingsfase van het plan (2017) opgesteld en afgerond. Er is zo vroeg mogelijk in de voorbereiding van het plan gelegenheid geboden de landbouwbelangen in te brengen en te beoordelen. Het LER was/is opgenomen als bijlage (bijlage 14) bij de toelichting van het bestemmingsplan en was al beschikbaar als bijlage van het concept ontwerp bestemmingsplan dat is voorgelegd aan de overlegpartners in kader van het vooroverleg. Het LER voldeed aan de gebruikelijke vereisten. Eerst is gezamenlijk gekeken welke effecten op de landbouw voor het plan beschreven en beoordeeld zouden moeten worden. Deze effecten zijn daarna opgenomen in het LER. Het LER is destijds opgezet voor de ontwikkeling van het gehele deelgebied B, circa 150 ha, voor datacenters, omdat in de voorbereidingsfase de omvang voor de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein Venster West nog niet was bepaald.
Om deze reden is de beoordeling gemaakt voor als het hele deelgebied B zou worden onttrokken aan het agrarische gebruik en zou worden bestemd als bedrijfsterrein voor datacenters. De uitkomsten van de LER zijn in het vooroverleg over dit plan gepresenteerd en aanvaardbaar geacht. In recente jaren is er veel commotie ontstaan rond de landbouw. Het proces rond het ‘Gebiedsplan Wieringermeer’ heeft samen met verschillende andere ontwikkelingen onrust gegeven voor de agrarische gemeenschap in de Wieringermeer. Dit was mede aanleiding voor gemeente om nader onderzoek uit te laten voeren naar de agrarische sector in Hollands Kroon. Dit onderzoek is door Amsterdam Green Campus samen met gemeente en LTO uitgevoerd. Het verslag hiervan is op 1 september 2020 aangeboden aan de gemeenteraad. Bij het verslag is een toelichting opgenomen. In het onderzoek wordt het huidige landbouwareaal als ondergrens genoemd voor het aantal hectare dat nodig is voor een goede toekomst voor de agrarische sector in gemeente Hollands Kroon. De gemeente heeft bij deze conclusie een kanttekening gemaakt. Deze conclusie op basis van o.a. enquêtes strookt namelijk niet met statistieken uit de afgelopen decennia en actuele trends op het gebied van het gebleken landgebruik door onder andere precisie-landbouw.
De gemeente is van mening dat behoedzaam moet worden omgaan met het landbouwareaal binnen gemeente, maar wil daarbij geen ondergrens hanteren waarmee alle overige ontwikkelingen op slot gezet worden. Tevens geven CBS -statistieken aan, dat het areaal landbouwgrond in Hollands Kroon in de periode 2015-2019 met 793 ha. daalde: van 27.992 naar 27.199 ha. Het bestuderen van de CBS-data wijst uit dat ook in Hollands Kroon het aantal agrarische bedrijven jaarlijks daalt. In 2019 stopten 7 ondernemingen, waardoor gemiddeld genomen 322 ha. (47,5 ha per bedrijf gemiddeld) agrarische productiegrond beschikbaar kwam voor ondernemers met groei-ambitie. De bovengenoemde ondergrens wordt daarmee niet gesteund door de cijfers lokaal en de trend landelijk. Dit bestemmingsplan betreft een plan voor het herbestemmen van circa 50 ha landbouwgronden. De maatschap die was gevestigd op deze gronden is in de afgelopen jaren al verplaatst naar een nieuwe plek in de polder die was vrijgekomen. Dit was ook bekend bij het opstellen van het LER (en is daarin beschreven). De afname van cultuurgrond voor dit plan heeft ons inziens ook geen materiële invloed op de beschikbaarheid hiervan. Als we namelijk bovengenoemde cijfers en trends beschouwen betreft het een 6
verlies van 1 onderneming op 7 die vrijkomen elk jaar. En de circa 50 ha is een klein deel van 27.199 ha (2019) landbouwgrond in Hollands Kroon (0,18%). Wij kennen de lokale afdeling van LTO Noord als een betrouwbare belangenbehartiger en betreuren het dat voor dit plan, mede gegeven de relatief beperkte omvang en zorgvuldige voorbereiding (inclusief de weging van en overleg over de landbouwbelangen) niet de afweging is gemaakt om gemaakte afspraken te respecteren. Verder: een aantal indieners van zienswijzen noemt punten waarop de LER inhoudelijk niet zou voldoen. In zoverre die niet al beantwoord zijn (dan wel voor de beantwoording naar deze algemene toelichting is verwezen) betreft dit het volgende: Allereerst wordt gesteld dat er een prijsopdrijvend effect uitgaat door het plan van het onttrekken van de landbouwgronden. Zoals hiervoor al aangegeven zijn deze landbouwgronden jaren geleden al overgegaan van de voormalige agrarische eigenaar naar ontwikkelaar. De voormalige eigenaar is met zijn landbouw bedrijf verplaatst naar een nieuwe plek in de polder. In zoverre er dus een prijsopdrijvend effect zou zijn, dan is dit jaren geleden al voorgevallen. Er zijn in de afgelopen jaren wel prijsopdrijvende effecten geconstateerd die verschillende oorzaken kunnen hebben, maar gegeven de omvang van dit gebied t.o.v.
vergelijkbaar landbouwgebied in de regio (dan wel Nederland of daarbuiten) en de ons bekende prijsontwikkeling in de afgelopen jaren, lijkt ons deze vrees ongegrond. Verder wordt gesteld dat in de LER de invloed van de veranderde watervraag van de landbouw niet is betrokken, dan wel de invloed van de lozing van water door datacenters niet is betrokken. Voor deze aspecten verwijzen wij naar de toelichting van het bestemmingsplan en de bij het bestemmingsplan gevoegde watertoetsrapportage (bijlage 9 van de bestemmingsplan toelichting) waarin dit is beschreven en waarnaar in de LER voor wateraspecten ook wordt verwezen. Tenslotte wordt gesteld dat de reikwijdte van het LER onderzoek onvoldoende was. Langjarige trends zouden onvoldoende zijn meegenomen en begrippen als biodiversiteit, biologische landbouw, het toenemende belang van consumeren van lokaal geproduceerd voedsel en terechte trend om de kilometers die voedsel aflegt te beschouwen, niet zouden zijn beoordeeld in de LER. En dat het gebied agrarisch gezien wordt als belangrijk voor Nederland en de wereld, zou onvoldoende betrokken zijn. Concreet is dan voorgesteld de LER te actualiseren en niet enkel de belangen van ondernemers in de directe omgeving (10 km) te betrekken maar heel Hollands Kroon.
Hoewel de gemeente deze punten herkent in relatie tot de landbouw in het algemeen, zijn we van mening dat de LER voldoende basis biedt voor besluitvorming over dit plan en genoemde punten geen aanleiding zijn voor actualisatie van de LER dan wel leiden tot een andere mening over het gebruik van cultuurgronden binnen gemeente. Zoals indieners al aangeven, zijn de effecten voor landbouwondernemers in de omgeving van het plangebied beschreven en beoordeeld. En in zoverre bij dit argument mede wordt gedoeld op recent onderzoek uitgevoerd samen met de sector, verwijzen we hiervoor naar de beantwoording hierboven, waarbij door gemeente is vermeld dat het gesprek hierover zal blijven worden gevoerd onder andere in kader van het proces voor actualisatie van de Omgevingsvisie Hollands Kroon.
c) Landschappelijke inpassing – zone langs de snelweg A7 In verschillende zienswijzen worden opmerkingen gemaakt over de bestaande situatie langs de snelweg ter hoogte van de werklocatie Agriport A7. De gemeente heeft aangegeven dat er met bestaande bedrijven wordt overlegd of en hoe landschappelijk inpassing in deze zone langs de snelweg kan worden verbeterd. Voor de duidelijkheid 7
wordt vermeld dat de landschappelijke inpassing van bestaande situaties geen onderdeel is van dit plan. Wel is voor dit plan aangesloten bij de ideeën die hierover leven zoals geuit door indieners of anderszins. In deze tekst wordt eerst kort de ontwikkeling van het bestaande kader voor de landschappelijke inpassing van nieuwe functies op de werklocatie samengevat, waarbij wordt ingegaan op punten genoemd in de zienswijzen. Daarna wordt aangegeven op welke wijze aspecten vanuit o.a. het proces over het Gebiedsplan Wieringermeer zijn betrokken, rekening wordt gehouden met inspraak en met een aangenomen motie van de gemeenteraad inzake de landschappelijke inpassing van datacenters (van 25 juni 2020). Voor de werklocatie Agriport A7 zijn meerdere landschapsarchitecten betrokken geweest bij opstellen van de beeldkwaliteitsplannen en welstandsnota’s voor de werklocatie. In deze documenten (die in de periode 2006-2010 door de gemeenteraad van de voormalige gemeente Wieringermeer zijn vastgesteld) wordt beschreven op welke wijze groen, water en bebouwing zal worden ingepast. De documenten zijn afgestemd met de betrokken instanties en iedereen heeft voor de besluitvorming hierover een zienswijze kunnen inbrengen. Daarnaast zijn voor de werklocatie inrichtingsplannen opgesteld en vastgesteld.
In de inrichtingsplannen is aangeven waar water, wegen of bijvoorbeeld de nieuwe brug over de Westfriesche vaart zouden komen en hoe terreinen zouden worden ingedeeld en de werken uitgevoerd. De inrichtingsplannen waren bijlage van de door gemeente met ontwikkelaar afgesloten exploitatieovereenkomsten. Alle civieltechnische inrichtingswerkzaamheden, zoals wegen, zijn conform dit kader gerealiseerd. Tevens zijn tot december 2013 alle bouwwerken in de ontwerp-/vergunningfase getoetst aan dit kader en overeenkomstig uitgevoerd. In het najaar van 2013 is door de nieuw gevormde gemeente Hollands Kroon nieuw welstandsbeleid vastgesteld (zie de Welstandsnota op www.hollandskroon.nl of op www.ruimtelijkeplannen.nl). Het oude welstandsbeleid uit de voormalige gemeente Anna Paulowna, Wieringen, Niedorp en Wieringermeer is geharmoniseerd en direct is zoveel mogelijk deregulering doorgevoerd. Na vaststelling van dit beleid zijn alle ‘oude’ beeldkwaliteitsplannen en welstandsnota’s die van kracht waren in de voormalige fusiegemeenten vervallen, ook die voor Agriport A7. Dit is ook beschreven in de Welstandsnota Hollands Kroon. Het bovengenoemd kader voor de landschappelijke inpassing van bebouwing op Agriport A7, is in de latere jaren nog wel als leidraad gebruikt bij nieuwvestiging van bedrijven.
Maar als een bedrijf op eigen perceel ging uitbreiden, is het kader soms niet geraadpleegd bij een volgende bouwvergunningsaanvraag (omdat dit op grond van het actuele beleid van de gemeente dus niet meer verplicht is). In 2017 is het gemeentelijke welstandsbeleid geëvalueerd. Er is geconstateerd dat het beleid voor Hollands Kroon goed werkt en er was destijds geen aanleiding het beleid aan te passen. Ook niet voor de landschappelijke inpassing van bouwwerken op de werklocatie Agriport A7. Nadat de effecten van de financiële crisis afnamen, nam het bouwtempo op Agriport A7 weer toe. Met als gevolg dat in recente jaren relatief veel is bijgebouwd op Agriport A7. Veel grote bouwprojecten zijn onopgemerkt gebleven. Zo zijn tientallen hectaren kas gerealiseerd op de bedrijfspercelen van de bestaande glastuinbouwbedrijven, alsmede nieuwbouw aan o.a. de Tussenweg (zoals een groot transformatorstation). Agriport is aangewezen voor een aantal grootschalige ontwikkelingen zoals 8
grootschalige glastuinbouw en omvat inmiddels drie glastuinbouwbedrijven met een opzet van 100 hectare kassen. En de locatie omvat inmiddels ook twee grote datacenters. En voor deze laatste functie zijn recent relatief grote bouwwerken gebouwd nabij de snelweg. Aanvullend zijn er flinke aanlegwerkzaamheden uitgevoerd in de snelweg zone op de werklocatie voor de aansluitingen van windturbines. Voor al deze bouwwerkzaamheden langs de snelweg zijn ook tijdelijk bouw- en verlichtingsvoorzieningen geplaatst. Er was daarmee de laatste jaren zicht op grote bouwplaatsen in verschillende stadia, die soms een rommelige indruk zullen hebben gegeven. Dit betreft echter een tijdelijke situatie. De meeste kabels voor windturbines liggen in de grond. Het grootste gedeelte van de bouw langs de snelweg voor een datacenter ten zuiden van de Westfriesche vaart zal naar verwachting in 2021 gereed zijn. Ten noorden van de Westfriesche Vaart was ter hoogte van de werkzaamheden aan de oostzijde van de snelweg al een haag en bomenrij geplaatst om het zicht op de (bouw)terreinen en kassen te filteren. Ten westen van de snelweg zijn meerdere kabels ook al aangelegd en is de landschappelijke zone langs de snelweg deels al ingericht. Er rijden per dag duizenden mensen over de snelweg langs Agriport A7.
Voor een aantal van deze passanten was het zicht op de locatie aanleiding om hierover een opmerking te maken naar de gemeente. Ook zijn er vanuit overlegpartners signalen ontvangen over het zicht op de bouwwerken langs de snelweg. En er is in toenemende mate aandacht gekomen voor het borgen van een passende ruimtelijke kwaliteit. Er wordt een eenduidig kader aangehouden vermeld in verschillende plannen voor de inrichting en bouw op de werklocatie. Voor de hele zone langs de werklocatie, vanaf de afslag Medemblik tot de afslag Middenmeer, staan de uitgangspunten voor de inrichting van deze zone nu in de betreffende plannen (zoals de provinciale leidraad ‘landschap en cultuurhistorie’, de beeldkwaliteitsplannen en welstandsnota’s voor deelgebieden op de werklocatie of andere landschapsplannen). Het hierboven genoemde was voor gemeente aanleiding om bij de voorbereiding van dit bestemmingsplan eerst breed te laten kijken naar de bestaande inrichting van de omgeving langs de snelweg, vanaf het noorden van de Wieringermeerpolder tot het zuiden van deze polder. Daarnaast is de landschappelijke structuur van de polder wederom beschreven en beoordeeld, in samenhang met de inpassing van de werklocatie als geheel, en bebouwing in deelgebied B in het bijzonder. Deze verkenning is uitgevoerd door een landschapsarchitect van gemeente samen met die van provincie en ontwikkelaar.
Uitkomsten hiervan zijn ook betrokken voor het opstellen van het ‘Gebiedsplan Wieringermeer’ zoals de afstand van bebouwing in deelgebied B (ten westen van de snelweg) tot de snelweg. Na deze verkenning is voor het bestemmingsplan een Beeldkwaliteitsplan (hierna BKP) opgesteld. In dit BKP is het bestaande kader voor het landschap van de polder samengevat. Gegeven dit kader is de inpassing van bebouwing in het plangebied beschreven. Een belangrijk uitgangspunt (overgenomen uit het gebiedsplan) is dat er voldoende afstand tot de A7 wordt gehouden (125 meter voor gebouwen). Tevens dat een robuuste landschappelijke zone wordt ingericht langs de snelweg inclusief aandacht voor beplanting in deze zone (mede n.a.v. de motie van juni 2020). Het BKP is samen met een voorontwerp bestemmingsplan gepresenteerd aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling (ARO) van provincie. Het advies van de ARO is verwerkt in het BKP en het bestemmingsplan. De essentiële eisen volgend uit het BKP zijn, mede gegeven het advies van de ARO, vertaald in concrete bouw- en 9
inrichtingsregels die zijn gekoppeld aan de regels van dit bestemmingsplan. De gemeente heeft geluisterd naar de geluiden over de inpassing en heeft aanvullende eisen op het gebied van beeldkwaliteit dus opgenomen in het bestemmingsplan. In aanvulling op het bestaande welstandsbeleid van gemeente wordt hiermee geborgd dat een vergunningsaanvraag voor bebouwing op de werklocatie hieraan getoetst zal worden. Dit is in de toelichting van het bestemmingsplan, en in het bij het bestemmingsplan gesloten Beeldkwaliteitsplan, beschreven. Op deze wijze is voor dit plan een passende ruimtelijke kwaliteit geborgd. Bij de recente aanleg van een waterberging in het plangebied, als onderdeel van de bestaande werklocatie, zijn deze eisen voor landschappelijke inpassing ook al concreet betrokken. Tot slot zal gemeente, mede naar aanleiding van het advies van de ARO en de zienswijze van de provincie, de landschappelijke inpassing van de werklocatie Agriport A7 in de snelwegzone wederom betrekken bij de actualisatie van de gemeentelijke Omgevingsvisie. In de actualisatie van de omgevingsvisie zal de totaal structuur Agriport, wat nu nog in verschillende documenten uiteen is gezet, duidelijk uiteen worden gezet, net als de visie voor de toekomst (is uitbreiding mogelijk en zo ja waar en onder welke voorwaarden).
De gemeente is ook met de ontwikkelaar en de bedrijven gevestigd in deze zone in gesprek over mogelijkheden voor verbetering van de landschappelijke inpassing van bestaande en nieuw te bouwen bouwwerken. Deze gesprekken zijn op basis van vrijwilligheid, maar de betreffende bedrijven hebben aangegeven hier positief tegenover te staan. Wel handteren zijn randvoorwaarden dat de inpassing geen negatieve invloed mag hebben op hun bedrijfsvoering. De komende periode gaan wij aan de slag met de verdere uitwerking van de landschappelijke inpassing van de bestaande bedrijven. We menen daarmee tegemoet te zijn gekomen aan zienswijzen hierover, en aan het advies van de ARO alsmede het verzoek van provincie dienaangaande. d) Werkgelegenheid – arbeidsmigranten - huisvesting In de toelichting van het bestemmingsplan is beschreven welke werkgelegenheid het initiatief naar verwachting zal genereren. In paragraaf 5.1 en paragraaf 8.2 is beschreven dat 4-5 FTE per ha (bruto) verwacht wordt in de gebruiksfase van een datacenter. Indieners van zienswijzen stellen dat het plan geen of nauwelijks werkgelegenheid op levert. De getallen opgenomen in de toelichting van het bestemmingsplan zijn bepaald op basis van verkeerstellingen en opgaves in de afgelopen jaren bij bestaande datacenters.
Op basis hiervan zal door de uitbreiding van het bedrijventerrein (circa 50 ha) de werkgelegenheid op de werklocatie wederom met circa 250 FTE oplopen. Ook recente informatie over de werkgelegenheid op de bestaande datacenters in de Wieringermeer (opgegeven door de exploitanten) is in lijn met deze gegevens. Hierbij merken we op dat moet worden betrokken dat getallen per datacenter op enig moment wat kunnen afwijken naar boven of beneden. Tevens worden sommige functies op een datacenter, die jaarrond 24 uur per dag in bedrijf is, door meerdere mensen vervuld en kunnen cijfers (gebruikt voor het aantal medewerkers op bepaalde momenten) hierdoor afwijken. Voor meer informatie over de werkgelegenheid op een datacenter verwijzen we tevens naar het publicatie ‘Datacenters & werkgelegenheid 2019’ van de Dutch Datacenter Association (zie www.dutchdatacenters.nl). De in deze publicatie opgenomen informatie is in lijn met bovenvermelde en de in het bestemmingsplan opgenomen werkgelegenheidscijfers. Let wel, met een bouwtempo van circa 10 ha datacenter per jaar zal een groter datacenter dus meerdere bouwjaren kennen en de uiteindelijke werkgelegenheid zal daarmee voor dit plan waarschijnlijk pas rond 2030 kunnen worden vastgesteld. 10
Het gegeven dat de groei van de werkgelegenheid soms moeilijk te voorspellen is deed zich ook voor bij de glastuinbouw. Inmiddels is er 15 jaar gebouwd aan de glastuinbouw in de Wieringermeer. Vandaag kan worden vastgesteld dat de werkgelegenheid die bij de eerste planvorming in 2005 was voorspeld, voor de glastuinbouw ook is behaald. En zoals hierboven al vermeld is de trend voor de werkgelegenheid op de eerste datacenters in lijn met hetgeen eerder hierover is bericht. Er is daarmee geen aanleiding de plan toelichting op dit punt aan te vullen. In een aantal zienswijzen wordt gesteld dat deze werkgelegenheid vooral wordt ingevuld met tijdelijke arbeidsmigranten. De indieners geven niet aan op welke informatie dit gebaseerd is. Dit beeld strookt niet met de informatie die gemeente hierover heeft. Het merendeel van de mensen dat werkt op de datacenters is in vaste dienst en voor het overgrote deel (90%) afkomstig/woonachtig in Nederland, meestal in de wijdere regio. Natuurlijk kan in de bouwfase tijdelijk personeel vanuit allerhande windstreken een bijdrage leveren aan de bouw, maar dit is gebruikelijk voor alle grote bouwwerkzaamheden in Nederland en op zich geen reden voor zorg.
Daarbij hebben wij gemerkt dat in de afgelopen 15 jaar bij grote bouwprojecten op Agriport A7 honderden tijdelijke werknemers actief waren en de huisvesting voor het bouwpersoneel goed is opgevangen door bestaande accommodaties in de wijdere omgeving (tot de Randstad aan toe). De werklocatie is, tegen de dagelijkse arbeidspendel naar de Randstad in, ook prima bereikbaar voor deze mensen. Wij hebben ook geen aanleiding om te verwachten dat de bouw van datacenters die dit plan mogelijk maakt, voor deze aspecten andere gevolgen zal hebben, dan zijn opgetreden in de afgelopen jaren voor grotere bouwprojecten. Hierbij hebben we ook gezien dat de bedrijven zelf het initiatief hebben genomen om veel bouwverkeer voor de lokale spits af te wikkelen en dit hebben we in de laatste jaren in de verkeerstellingen ook kunnen terugzien. Voor elk groter bouwproject eist gemeente tegenwoordig ook een zogenaamd BLVC-plan. Deze eis hebben wij privaatrechtelijk vastgelegd en zullen wij aan de later te verlenen omgevingsvergunning te verbinden. Een BLVC plan is een plan dat gaat bereikbaarheid, leefbaarheid, veiligheid, communicatie. Ook dit heeft bijgedragen om een en ander goed georganiseerd te laten verlopen en hinder voor de omgeving te beperken. Dit is dan ook geen reden voor ons de consequenties hiervan nader te onderzoeken of beschrijven in het plan.
Tenslotte, voor de volledigheid merken we op dat de huisvesting van tijdelijke arbeidsmigranten voor sectoren zoals de agrarische sector en logistiek onze aandacht blijft vragen en die ook zal houden. Inclusief de invloed hiervan op de sociaal culturele en economische structuur van de lokale samenleving. We verwachten hierin in de komende jaren met de regio’s samen weer stappen te kunnen maken, maar dat is voor dit plan, met als doel de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein voor datacenters, dus niet van toepassing. e) Lichthinder In de toelichting van het (ontwerp) bestemmingsplan is in paragraaf 5.12 het aspect lichthinder beschreven. Voor het opstellen van het plan is een lichthinder onderzoek uitgevoerd door DGMR en dit is bij het bestemmingsplan gevoegd (bijlage 12). DGMR is goed bekend met lichtberekeningen en heeft het IPO lichtmodel ontwikkeld dat hiervoor landelijk wordt toegepast. Wij hebben geen reacties ontvangen die aanleiding geven om te veronderstellen dat het onderzoek, en de samenvatting van de 11
uitkomsten daarvan in de plantoelichting, voor dit aspect niet juist en/of volledig is. In een aantal zienswijzen wordt genoemd dat er veel lichthinder wordt ervaren van de glastuinbouw. Het betreffende bestemmingsplan maakt geen uitbreiding van glastuinbouw mogelijk. Ter informatie wijzen wij verder naar de voorwaarden die gemeente (bovenwettelijke) stelt aan de afscherming van belichting van de glastuinbouw opgenomen in de vigerende bestemmingsplannen voor de werklocatie (die voor iedereen te raadplegen zijn op www.ruimtelijkeplannen.nl). De lichtemissie van de bestaande werklocatie, ook die van de glastuinbouw, is betrokken in het onderzoek voor de mogelijke toename van de lichtemissie door datacenters in het plangebied. Het onderzoek geeft aan dat algemene richtwaarden voor lichthinder voor mens en natuur niet worden overschreden. Daarbij merken we ook op dat in zoverre het plangebied betrekking heeft op een deel van het bestaande bedrijventerrein Venster West, een beperkte toename van de lichtemissie door verlichting op dit bedrijventerrein aanvaardbaar is geacht bij het voor het eerst bestemmen van dit bedrijventerrein in 2006. Aanvullend is dus, voor de toename van de lichtemissie door de uitbreiding van het bedrijventerrein, bovengenoemd onderzoek uitgevoerd.
In de relatief donkere kop van Noord-Holland verwachten wij dat ook in de komende jaren aandacht gevraagd zal blijven worden om lichtemissie van bedrijventerreinen en glastuinbouw nog verder te beperken. We zien ook goede mogelijkheden om in de bouwfase voor een datacenter het beperken van lichthinder nadrukkelijk te betrekken in een BLVC-plan en voor nieuwbouw van datacenters die dit plan mogelijk maakt met de betreffende bedrijven af te spreken dat in een buitenverlichtingsplan voor de vergunningsaanvraag ook lichthinder voor de omgeving wordt beschreven. We zullen ook niet nalaten hiervoor aandacht te vragen, stimuleren om in samenwerking met betrokkenen verbetering door te voeren en waar dat nodig is handhavend op te laten treden. Dit is echter wel op basis van vrijwilligheid. Dit omdat als het een gebonden beschikking is we geen aanvullende eisen kunnen stellen omtrent lichthinder. Er moet dan worden voldaan aan het activiteitenbesluit. f)
Energievraag bedrijven en duurzame energie productie
In de toelichting van het (ontwerp) bestemmingsplan is in paragraaf 5.15 het aspect energie beschreven. Voor dit aspect is tevens een aparte bijlage toegevoegd (bijlage 15 van de plantoelichting). De toelichting van het (ontwerp) bestemmingsplan is voor iedereen te raadplegen op www.ruimtelijkeplannen.nl. De elektriciteitsbehoefte van een datacenter is fors en in bovengenoemde tekst in de toelichting van het bestemmingsplan wordt ingegaan op energiebesparing, energieefficiency en het gebruik van duurzame energie. Op een datacenter is, gegeven het forse verbruik, niet alleen aandacht voor de duurzaamheid van de energiehuishouding, maar ook vanuit de kosten en daarmee de concurrentiepositie. Een datacenter exploitant geeft daarom al veel aandacht hieraan zoals beschreven in de plantoelichting. We hebben geen reacties ontvangen die aanleiding geven om te stellen dat de beschrijving van de energiehuishouding van een datacenter in de plantoelichting niet juist en/of volledig is. Maar door meerdere indieners van een zienswijze is opgemerkt dat een toename van het energieverbruik van datacenters in de Wieringermeerpolder zou betekenen, of kunnen betekenen, dat er meer duurzame elektriciteit moet worden opgewekt in de polder, al dan niet met windturbines. Dit klopt niet. In zienswijzen wordt ook verwezen
12
naar nieuwsmedia waarin is gesteld dat de windturbines die momenteel in de Wieringermeerpolder staan (o.a. Windpark Wieringermeer) zouden zijn gerealiseerd voor (of gekoppeld zijn aan) de datacenters. Ook dit klopt dit niet. Allereerst het hierboven genoemde laatste punt. De voorbereiding van en besluitvorming over de windturbines in de Wieringermeer beslaat een lange termijn. In 2007 is een Energieakkoord gesloten waaruit deze opgave komt. Voor het windpark Wieringermeer is een Rijkscoördinatieregeling toegepast en in 2010 zijn al verschillende stappen daarvoor doorlopen. Voor meer informatie wordt verwezen naar o.a. https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2010-1418.html.
De eerste datacenters op Agriport A7 zijn in 2013 aangesloten op
elektriciteitsinfrastructuur gerealiseerd voor de glastuinbouw. Het Windpark Wieringermeer en de elektriciteitsinfrastructuur voor het Windpark Wieringermeer is in de afgelopen jaren gebouwd. Daarvoor moet dan een tweede hoogspanningsaansluiting op station Middenmeer gerealiseerd en opgeleverd zijn (zie o.a.
https://www.tennet.eu/nl/ons-hoogspanningsnet/onshore-projecten-nederland/kop-van-noord-holland/ ). Deze data geven aan dat in redelijkheid de ontwikkeling van windturbines in de Wieringermeer niet aan de ontwikkeling van datacenters was/is gekoppeld. Voor de volledigheid wordt tevens vermeld dat dit bestemmingsplan ook geen betrekking heeft op het mogelijk maken van windturbines in de Wieringermeer en zienswijzepunten daarover niet op dit plan van toepassing zijn. En zoals hierboven al aangeven is het eerste datacenter dat zich heeft gevestigd op de werklocatie dus aangesloten op elektriciteitsinfrastructuur gerealiseerd voor de glastuinbouw. Ook het tweede datacenter is momenteel aangesloten op deze infrastructuur. Er zijn momenteel nog geen datacenters aangesloten op elektriciteitsinfrastructuur die in aanbouw is voor het ‘Windpark Wieringermeer’. Er is momenteel (en sinds 2013) dus geen sprake van rechtstreekse afname door datacenters van duurzame stroom van het ‘Windpark Wieringermeer’. Natuurlijk komt alle duurzame stroom geproduceerd in Nederland op het nationale net en kan iedereen stroom afnemen van het nationale net. Maar er is dus geen directe koppeling van windmolens met datacenters. En de stroom die een datacenter op Agriport A7 gebruikt komt van het nationale net en hoeft dus niet per definitie door het lokale windpark te zijn opgewekt.
Op de nieuwe elektriciteitsinfrastructuur die momenteel wordt afgebouwd voor het Windpark Wieringermeer zijn dus eerst de windturbines aangesloten. Als dit de enige aansluitingen zouden blijven, zou deze nieuwe infrastructuur geheel bekostigd moeten worden uit de baten van deze duurzame stroomopwekking. Als er echter ook stroomafnemers op deze infrastructuur worden aangesloten, zullen deze ook gaan bijdragen in de kosten. Meerdere aansluitingen op deze infrastructuur (voor stroomproductie en afname) zorgt voor lagere maatschappelijke kosten voor deze infrastructuur (in essentie lagere tarieven voor elektriciteitstransport voor alle aangeslotenen in Nederland). Bedrijven maken in Nederland afspraken over afname van duurzame stroom. Dat kan zijn stroom opgewekt met windparken op land en op zee. Die windparken op zee kunnen staan voor de kust van Zeeland, Noord-Holland of Groningen. Zo zal het regionale net in Noord-Holland Noord rond 2025 via IJmuiden zijn verbonden met grote windparken op zee. Maar de duurzame stroom kan op enig moment ook uit het buitenland komen. Om voor langere tijd het stroomverbruik duurzaam in te kopen kunnen bedrijven en instellingen zogenaamde Power Purchase Agreements (PPA’s) gebruiken. Dit zijn lange termijn overeenkomsten voor stroomaankoop die mede de 13
ontwikkeling van nieuwe opwekking van hernieuwbare energie helpen ondersteunen. Dit is gebruikelijk voor de inkoop van stroom voor veel bedrijven, overheidsorganisaties en instellingen. Ook voor datacenters. De meeste energiebedrijven die groene stroom produceren en verkopen leggen op deze wijze een deel van de productiecapaciteit vast, maar wel zo dat er altijd voldoende duurzame energie over blijft voor de vraag van burgers en mkb (zie bijvoorbeeld https://energieregionhn.nl/app/uploads/2020/06/QA-Vattenfall-Wieringermeer-PPA-Microsoft.pdf). Dit soort afspraken door bedrijven en instanties in Nederland (daaronder mede verstaan de Nederlandse datacenters) resulteren dus niet in een tekort voor de vraag van Nederlandse burgers of mkb-bedrijven (en dus ook niet in de regio Noord-Holland Noord). Tevens is de landelijke duurzame elektriciteitsproductie (in 2019 groter dan 20 miljard kWh) veel hoger dan het elektriciteitsverbruik van datacenters (in 2019 minder dan 3 miljard kWh) en zal het aandeel van de duurzame elektriciteitsproductie in de komende jaren harder groeien dan de verwachte groei van het stroomverbruik datacenters (zie gegevens op de website van het CBS).
Daarbij wordt aanvullend vermeld dat voor een nieuwe aansluiting van elk bedrijf door de netbeheerders rekening wordt gehouden met de capaciteitsvraag voor de bestaande aansluitingen van burgers en andere bedrijven. Hierbij wordt ook rekening gehouden met de verwachte groei van deze bestaande vraag. Daarna wordt bepaald welke capaciteit er over is om aan te bieden voor een nieuwe aansluiting. De netbeheerders investeren fors in structurele netuitbreidingen, maar er zijn momenteel tijdelijke beperkingen op de regionale netten. Dit is al langere tijd bekend en is ook opgemerkt in een systeemstudie (zoals de rapportage Systeemstudie energie-infrastructuur Noord-Holland 2020-2050 van CE Delft uit 2013 en 2019). De regionale netten in dunbevolkt gebied zijn niet berekend op de aansluiting van veel zonnepanelen of windturbines. Daarnaast zijn de netten in een deel van de regio verouderd en moeten, mede gegeven storingen en extra eisen, vervangen worden. Om o.a. deze redenen is momenteel tijdelijk het terug leveren van stroom aan een regionale net op sommige plekken maar beperkt mogelijk. De afname van stroom van de regionale en landelijk netten is meestal nog wel mogelijk.
Hierover is meer informatie te vinden op de website van Liander (zie https://www.liander.nl/grootzakelijk/aansluitingen/capaciteitstroomnet#:~:text=Heeft%20u%20meer%20vermogen%20nodig,de%20klanten%20die%20vermogen%20aanvragen). Daarbij, de datacenters in de Wieringermeer sluiten aan op het hoogspanningsnet (beheerd door Tennet). De aansluiting voor stroomafname van een datacenter resulteert niet in een beperking voor iemand die duurzame stroom produceert en de overmaat zou willen terug leveren op het regionale net. En mede naar aanleiding van systeemstudies wordt al jaren gewerkt aan het hoogspanningsnet om in de toekomst aanbod en vraag goed te kunnen voorzien. De vraag is inmiddels goed bekend zodat netbeheerder gebiedsgericht de planning voor de noodzakelijke werkzaamheden hebben kunnen maken. De betreffende bedrijven kunnen met die planning rekening houden. Een aantal indieners van zienswijzen heeft ook zorgen geuit over de invloed van de datacenters op het proces voor de regionale energiestrategie (RES). De energietransitie is in gang gezet en is een verantwoordelijkheid van ons allemaal. Ook van het bedrijfsleven. Door indieners is gevraagd of de extra energievraag van de uitbreiding voor datacenters nu betekent dat in de regio ook meer duurzame stroom moet worden opgewekt in kader van de RES, de ‘regionale energie strategie’. Dat is niet het geval.
In het Klimaatakkoord is afgesproken om in 2050 95% C02-reductie te bewerkstelligen. Dat willen we bereiken door energie te besparen, alternatieve warmtebronnen te zoeken en onze energie C02-neutraal op te wekken. Datacenters gebruiken veel energie, het gebruik van deze energie is het resultaat van een 14
nationale en internationale digitale economie, die in o.a. Hollands Kroon al gefaciliteerd kan worden door de infrastructuur gerealiseerd voor glastuinbouw en windenergie. In de regionale energiestrategie (RES) hebben gemeenten in hoofdzaak de taak gekregen om invulling te geven aan een deel van de extra duurzame elektriciteitsproductie in Nederland voor 2030. In alle RES-regio’s gezamenlijk moet er in 2030 35 Terawattuur (TWh) duurzaam opgewekt worden. De regionale energiestrategie is een exercitie om, gegeven het Klimaatakkoord, 35 TWh hernieuwbare energieopwekking op land te realiseren. In de regionale energiestrategie wordt een ambitie opgenomen over de hoeveelheid op te wekken duurzame energie in de regio. Het verbruik van gebruikers, waaronder datacenters, heeft geen invloed op de hierin geformuleerde doelstelling. Dat betekent niet dat datacenters geen doelstellingen moeten behalen voor energiebesparing, energie-efficiency of duurzame energieverbruik. De datacenters zijn grootverbruikers van energie en in Hollands Kroon worden (net zoals inmiddels in de randstad) voor datacenters een PUE van 1,2 aangehouden. De PUE is een maat voor de energie-efficiency van datacenters en een PUE lager dan 1,2 is momenteel stand der techniek voor grotere datacenters.
Daarnaast nemen datacenters al veel maatregelen om energie te besparen en hebben datacenters een aanzienlijk deel ‘groen’ al in hun energiemix. De meeste datacenters streven ernaar dit op relatief korte termijn ook nog verder te vergroenen (zie tevens toelichting bestemmingsplan paragraaf 5.15 en bijlage 15). Zoals hierboven aangegeven kent de CO2-emissie reductie van energie-intensieve industrie en sectoren zoals glastuinbouw of datacenters dus een nationale/Europese context. Zij kunnen in een regio wel raakvlakken hebben met de energievoorziening van de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld voor hergebruik van restwarmte. Dit geldt tevens voor datacenters. De opgave is echter om samen binnen Nederland en Europa de klimaatdoelen te halen. Tot slot een opmerking van formele aard. In de Wet ruimtelijke ordening speelt het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’ een centrale rol. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die daaraan bijdragen. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Het is daarom niet mogelijk om eisen mbt energie in het bestemmingsplan op te nemen. Dit omdat dit ruimtelijk niet relevant is.
g) Restwarmte In voorgaande paragraaf is ingegaan op een aantal aspecten met betrekking tot de elektriciteitshuishouding van een datacenter. Op 10 december 2020 is door de raad van gemeente Hollands Kroon een vergadering ingelast om zich nader te laten informeren over datacenters en specifiek het thema restwarmte. Wij verwijzen naar het verslag van deze vergadering. In deze vergadering zijn aan de orde gekomen, naast beschouwingen over het restwarmtehergebruik, een nadere toelichting van de rol van datacenters in de huidige samenleving en circulariteit anders dan restwarmte (als vestigingsvoorwaarde). Restwarmte hergebruik is geen harde vestigingsvoorwaarde maar in plannen voor de werklocatie wordt de potentie hiervan beschreven. Door indieners van zienswijzen is gevraagd dit nader toe te lichten. 15
In datacenters komt restwarmte vrij. Hergebruik van deze restwarmte in de gebouwde omgeving (voor verwarming van o.a. woningen) lijkt niet reëel. Dit komt door de spreiding, de geringe omvang van de warmtevraag per dorpskern en de veelal aanwezige behoefte aan hoge temperatuurwarmte. Het gebruik van deze restwarmte in de glastuinbouw lijkt een interessante optie. De nabijheid van bron en gebruiker is een belangrijke plus. De restwarmte van de datacenters (25°C) is vrij efficiënt op te waarderen tot de benodigde temperatuur van de warmtevraag van de glastuinbouw (55°C). Daarmee lijkt opgewaardeerde restwarmte uit datacenters een duurzaam alternatief voor gasgestookte WKK’s die in het huidige systeem een significant deel van de warmtevraag invullen. Maar momenteel maakt o.a. een relatief lage prijs voor aardgas een businesscase voor hergebruik van deze restwarmte nog erg lastig. Daarnaast is bij een toename van duurzame (rest)warmtegebruik rekening te houden met effecten voor de CO2 en elektriciteitsvoorziening. En een deel van de warmtevraag van de glastuinbouw wordt reeds op een duurzame manier ingevuld. Bovenstaande blijkt uit het onderzoek van Berenschot dat onlangs is afgerond (zie website).
Tevens is in dit onderzoek vermeld dat datacenters welwillend zijn om restwarmte bij nieuwbouw in het ontwerp te betrekken zodat restwarmte kan worden aangeboden op de grens van hun inrichting. Naast het gebruik van restwarmte in glastuinbouwbedrijven is gebruik van restwarmte voor bedrijven op het bedrijventerrein ook een mogelijke optie. Alles valt en staat echter met een haalbare businesscase. Het uitkoppelen van restwarmte vraagt om aanvullende voorwaarden zoals inrichten van de warmteketen en een business case. In het realiseren van die randvoorwaarden heeft de gemeente een faciliterende en stimulerende rol, dit is vooralsnog niet af te dwingen. Op dit moment wordt vanuit de bestaande datacenters nog geen warmte geleverd aan de glastuinbouw. Tot nu toe is het niet rendabel gebleken om kassen met restwarmte van datacenters te verwarmen. De branche doet zelf nog onderzoek naar mogelijkheden en blijft open staan voor overleg om de haalbaarheid van deze toepassing nader te onderzoek. Op kleine schaal zijn de eerste toepassingen van restwarmtehergebruik al gerealiseerd (zie bijvoorbeeld website www.dutchdatacenters.nl). In de nieuwe nationale omgevingsvisie, de NOVI, wordt beschreven dat het verstandig is in de ruimtelijke ordening restwarmtecapaciteit daar te plaatsen waar het kansrijk is om deze te kunnen hergebruiken.
En belangrijke voorwaarden voor hergebruik van restwarmte zijn dat de bron en de gebruikers relatief dicht nabij elkaar staan, bron en hergebruik goed aansluiten in capaciteit en temperatuur. Deze belangrijke voorwaarden worden op de werklocatie Agriport dus vervuld. Het is verder aannemelijk dat gegeven de energietransitie ook de gereserveerdheid over de economische voorwaarden voor hergebruik van deze restwarmte kan vervallen en het dan zal worden toegepast. Dit wordt momenteel voor toepassing op wat grotere schaal ook concreet onderzocht in haalbaarheidsstudies voor bouw van nieuwe datacenters (zie bijvoorbeeld ‘Memorandum Of Understanding’ CyrusOne datacenter op Polanenpark op de website van gemeente Haarlem). Door nu bron en hergebruik in ieder geval dicht bij elkaar te plannen is de werklocatie optimaal gepositioneerd voor de volgende verduurzamingsstap. In de zienswijzen wordt aanvullend een aantal aspecten inzake het thema ‘restwarmte’ meermaals genoemd. Zo wordt verondersteld dat voor een luchtgekoeld datacenter het praktisch onmogelijk is om restwarmte te oogsten en te leveren aan de grens van de inrichting. Dit is een misverstand. Een datacenter wordt zo gebouwd 16
dat in diverse scenario’s de dienstverlening op een verantwoorde wijze kan worden gecontinueerd. Er worden daarvoor reserve-installaties geplaatst (zogenaamde ‘redundante’ onderdelen) en er worden noodstroominstallaties geplaatst. Dit zijn maar twee voorbeelden van het scala aan maatregelen die een datacenter neemt om de veiligheid en betrouwbaarheid van de dienstverlening te kunnen garanderen. Als restwarmte zou worden geoogst en zou worden hergebruikt, dan moet het datacenter nog steeds operationeel zijn als er, om wat voor reden dan ook, geen restwarmte afname is. Met andere woorden, het datacenter moet een koelsysteem hebben dat onafhankelijk van het ‘restwarmte systeem’ het datacenter kan koelen. Er zullen hiervoor dus altijd gescheiden systemen gerealiseerd moeten worden. En een datacenter dat een deel (of alle) restwarmte op een datacenter oogst, kan dat combineren met een luchtkoelsysteem dat ingeschakeld moet zijn als ‘om wat voor reden dan ook’ de restwarmtekoppeling is verstoord. En ja, een datacenter zal dus meer moeten investeren om op een gecontroleerde manier restwarmte te kunnen oogsten en te kunnen leveren aan derden. Maar daar staat tegenover dat het datacenter, als de restwarmtekoppeling in bedrijf is, kan besparen op de operationele kosten voor koeling.
Immers, zolang de restwarmtekoppeling in bedrijf is wordt het datacenter voor een deel of geheel gekoeld door het warmteverbruik van de ‘restwarmte-hergebruiker’. Of nog weer in andere woorden; als warm ‘restwarmte water’ van het datacenter een kas verwarmt levert de kas dus afgekoeld water retour aan het datacenter. En zal het datacenter dit retour koude water weer gebruiken in het datacenter voor koelen. En staat in het datacenter op dat moment een deel van de ‘eigen’ koelinstallaties dus uit. Het ‘restwarmtekoelsysteem’ kan technisch inderdaad makkelijker worden gekoppeld aan een datacenter dat deels of geheel wordt gekoeld met vloeistof, maar dat kan in combinatie met een luchtgekoeld systeem ook. De beoordeling en toepassing van de diverse koelsystemen is ook gewijzigd in de afgelopen decennia. In het verleden werd veel gesloten vloeistofkoeling toegepast. In recente jaren is vanuit de rijksoverheid gestimuleerd vooral (vrije) luchtkoeling toe te passen, omdat dit resulteert in een lager elektriciteitsverbruik voor koeling (bron: zie brochures energiezuinig koelen op datacenters op www.rvo.nl). Deze ‘stand der techniek’ is dan ook toegepast op de werklocatie in de afgelopen jaren. De toepassing van deze koelmethoden heeft inderdaad ook geresulteerd in een energie-efficiënte opzet van de datacenterkoeling. Maar momenteel wordt dit nationaal en binnen Europa her beoordeeld.
Er wordt momenteel soms ook al gebruik gemaakt van hybride systemen met dus deels vloeistofkoeling, deels luchtkoeling. Het type koelsysteem, lucht of vloeistof, is ook afhankelijk van de opslagcapaciteit(dichtheid). Voor sommige servers moet al gewerkt worden met bijvoorbeeld vloeistofkoeling van de rekeneenheid (de CPU) omdat deze anders met alleen luchtkoeling onvoldoende gekoeld kan worden. Het is ook de verwachting dat dit vaker vereist zal zijn door de toenemende dichtheid van de rekenkracht. Kortom, het is gegeven deze dynamiek niet nodig en niet efficiënt om nu een bepaalde koelmethode voor te schrijven. In het bestemmingsplan wordt de potentiële mogelijkheid van het gebruik van restwarmte benoemd. De bestaande datacenterexploitanten op de werklocatie hebben aanvullend aangegeven de dialoog met lokale ondernemers en organisaties op dit onderwerp aan te willen gaan en zijn welwillend om in gesprek te gaan over het beschikbaar stellen van hun restwarmte als dit op een houdbare manier mogelijk is. Gegeven hetgeen ook al hierboven is genoemd, mag verwacht worden dat het palet aan regelgeving en stimulering rond de energietransitie doorontwikkeld wordt, zodat kansrijke opties voor hergebruik van restwarmte van datacenters houdbaar kunnen worden gerealiseerd. Het ligt niet in de rede dit nader te regelen in een bestemmingsplan.
Er is immers nog geen bouwplan voor een datacenter bekend. Het is dan 17
logisch dit in de uitvoeringsfase voor een nieuw datacenter uit te werken, inclusief een haalbaarheidsstudie voor technische en bedrijfseconomisch beoordeling van restwarmte hergebruik. En de uitkomsten van zo’n beoordeling, kunnen worden gepresenteerd in de vergunningsaanvraag. Tot slot een opmerking van formele aard. In de Wet ruimtelijke ordening speelt het criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’ een centrale rol. In het bestemmingsplan kunnen alleen regels worden opgenomen die daaraan bijdragen. Voor de uitleg van dit begrip is in de rechtspraak het criterium ‘ruimtelijk relevant’ ontwikkeld. Alleen regels die ruimtelijk relevant zijn, kunnen in het bestemmingsplan opgenomen worden. Het is daarom niet mogelijk om eisen mbt het gebruik van restwarmte in het bestemmingsplan op te nemen. Dit omdat dit ruimtelijk niet relevant is. h) Duurzaamheid, circulair en natuurinclusief bouwen Hollands Kroon werkt aan een duurzame samenleving en -leefomgeving. In de gemeente Hollands Kroon is de basishouding: denken en doen aan duurzaamheid. Het is een integraal uitgangspunt van het gemeentelijk beleid en bedrijfsvoering. Het gaat om duurzame ontwikkeling waarbij we rekening houden met de gevolgen van ons handelen voor toekomstige generaties. Duurzaamheid is een leidend en in beginsel verbindend principe.
Deze visie op duurzaamheid is opgenomen in het gemeentelijk ‘Programma Duurzaamheid’ (zie www.duurzaam.hollandskroon.nl) als uitwerking van onze ambities opgenomen in de Omgevingsvisie. Dit programma is in eerste aanleg zelfbindend voor de eigen organisatie van gemeente. Door indieners van een zienswijze is gevraagd op welke wijze voor dit bestemmingsplan wordt omgegaan met, naast alle aandacht voor duurzaamheid in de energiehuishouding, met duurzaamheid voor het bouwen van een datacenter. We hebben hieronder verstaan dat wordt bedoeld om in de uitvoeringsfase de kansen voor een circulair en natuurinclusief ontwerp te beoordelen. De gemeente Hollands Kroon heeft geen beleid op basis waarvan voor bepaalde gebouwen of bouwwerken scherpere energieprestatie-eisen worden gesteld dan wettelijk vereist. De gemeente Hollands Kroon kent ook geen beleid voor bijvoorbeeld biobased of flexibel/demontabel bouwen. In de gemeente is ook niet voorgeschreven om een hergebruik-/materialenpaspoort toe te passen voor nieuwbouw of verbouw. Binnenkort wordt gestart met de actualisatie van onze omgevingsvisie. In deze actualisatie zullen wij ook duidelijkheid geven of er naast de lopende initiatieven ruimte is voor extra datacenters. Daarnaast willen wij in deze actualisatie vestigingsvoorwaarden formuleren waar nieuwe datacenters aan dienen te voldoen.