2. Toelichting Kanaalweg 5
Tekst van het document
Conclusie
4.1.7 Luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 (hierna: “Wlk”) en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor.
Wettelijk kader
De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s
35
om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 µg/m3 verslechtering leidt. In artikel 4 van het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) en de bijlagen van de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden.
De wettelijke ondergrens voor onderzoek bedraagt o.a.: • 1500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 3000 woningen bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • 100.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorlocaties bij minimaal 1 ontsluitingsweg; • 200.000 m2 bruto vloeroppervlakte kantoorlocaties bij minimaal 2 ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling; • Permanente en verwarmde opstanden van glas of van kunststof voor het telen van gewassen, mits niet groter dan 0,7 hectare; • Kinderboerderijen. Voor inrichtingen waar landbouwhuisdieren worden gehouden heeft het voormalige ministerie van VROM in mei 2010 een handreiking (‘Handreiking fijnstof en veehouderijen’) opgesteld voor de beoordeling van emissie van fijnstof bij veehouderijen. Bij veehouderijen is ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit de stof PM10 bepalend. De handreiking heeft als doel de gemeente als bevoegd gezag te ondersteunen bij behandeling van vergunningaanvragen voor nieuwe veehouderijen en uitbreidingen die van invloed kunnen zijn op de luchtkwaliteit. De handreiking biedt informatie, jurisprudentie, vuistregels en geeft met behulp van een stappenplan aan hoe in een vergunningprocedure de beoordeling van fijnstof kan worden uitgevoerd.
In de handreiking is een vuistregel opgenomen om te kunnen beoordelen of een uitbreiding van een veehouderij ‘in betekenende mate’ (IBM) of ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdraagt. Beoordeling vindt plaats aan de hand van een tabel die gebaseerd is op de 3% NIBM grens. In de tabel kan bij de
36
betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om ‘niet in betekende mate’ bij te dragen. Met behulp van de toegekende emissiefactor per diercategorie kan de toename worden bepaald. De getallen in de tabel zijn worst-case, inclusief een veiligheidsmarge. Navolgend is deze tabel toegevoegd.
Het plan beoogt de wijziging van een agrarische bestemming naar een paardenhouderij bestemming. De bedrijfswoning blijft gehandhaafd en er worden 45 paarden en 150 schapen gehouden. Voor paarden en schapen geldt geen wettelijk vastgelegde emissiefactor voor PM10. Reden hiertoe is dat de uitstoot van fijnstof van paarden en schapen wegens de manier van houden zeer gering is.
Beoordeling
Tevens is de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM geraadpleegd. dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2). Het plan draagt hierdoor in zeer beperkte mate bij aan luchtverontreiniging en is daardoor op grond van het besluit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan grenswaarden. Hieruit wordt geconcludeerd dat het onderhavig initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteitseisen en dat verdere toetsing hieraan niet noodzakelijk is.
37
Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite
Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite
Conclusie
Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2 Omgevingsaspecten
Wettelijk kader
Europees beleid
38
4.2.1 Water In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke
maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie NoordHolland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West.
Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is mede sturend
Rijksbeleid
39
voor het ruimtelijk beleid. Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Provinciaal beleid
In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast.
Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier: Waterprogramma 2016-2021
Op 16 december 2015 is het Waterprogramma 2016-2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. In het Waterprogramma 2016 - 2021 wordt antwoord gegeven op de vragen: 1. Hoe wordt in de toekomst gezorgd voor veilige dijken, droge voeten en voldoende schoon en gezond water in Hollands Noorderkwartier? 2. Welke benadering wordt daarvoor gekozen? 3. Welke kosten en inzet gaan daarmee gepaard? Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) presenteert in het Waterprogramma het beleid, de maatregelen, de programma’s en de projecten die ze in de periode 2016 - 2021 gaan uitvoeren. Het Hoogheemraadschap bouwt voort op de regionale Deltavisie en verankert de landelijke Deltabeslissingen. Met het Waterprogramma wordt richting gegeven aan het waterbeheer tussen 2016 en 2021. Dat is nodig, want de klimaatverandering en de veranderende maatschappij dwingen tot aanscherping en heroverweging van onze keuzes. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Veranderende patronen in communicatie en participatie in de maatschappij vragen grotere betrokkenheid en intensievere dialoog met de partners en belanghebbenden. Bovendien zijn er steeds meer partijen betrokken bij het waterbeheer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk.
Om achteruitgang van het watersysteem te voorkomen, vraagt het Waterprogramma in ruimtelijke plannen om maatregelen die de nadelige effecten van verharding voorkomen of compenseren. Dit is vastgelegd in de keur van het Hoogheemraadschap.
40
In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: “Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen.”
Keur en algemene regels
In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: “Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m2 bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken.” Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen voldoende aandacht aan de waterhuishouding is besteed. Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samen werken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden.
Watertoets
Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl). Hiermee is bepaald dat het plan geen invloed heeft op de waterhuishouding en/of de afvalwaterketen omdat het enkel en alleen de wijziging van een bestemming betreft. Verder overleg met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is niet nodig. Het hoogheemraadschap heeft een positief wateradvies gegeven. Dit advies is opgenomen in bijlage 2.
Beoordeling
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Conclusie
4.2.2 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen
Wettelijk kader
41
natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/ of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Beoordeling
Er is een door Econsultancy een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie op de nieuwe bedrijfsvoering. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Gebiedsbescherming Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Schoorlse Duinen’ ligt op circa 13 kilometer afstand het meest nabij het plan. Op 14 km afstand en verder liggen tevens een aantal Natura 2000-gebieden met stikstofge- voelige habitattypen: ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’, ‘Noordhollands Duinreservaat’, Duinen Den Helder-Callantsoog’ en ‘Waddenzee’. Het plangebied ligt op een dusdanige afstand buiten het Natura 2000-gebied waardoor storende effecten voor habitattypen en doelsoorten (door bijvoorbeeld oppervlakteverlies, versnippering of mechanische effecten) niet voorkomen. Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied en de omvang en aard van de geplande ingreep, is in de zogeheten uitvoeringsfase van het project geen sprake van mogelijke negatieve verstorende effecten (geluid, trillingen, grondwater etc.) op de genoemde Natura 2000-gebieden. Omdat een negatief effect op Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten kan worden, is een ontheffingsaanvraag voor gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 Wnb) met betrekking tot Natura 2000-gebied daarom niet van toepassing.
Globale ligging planlocatie ten opzichte van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden.
42
Stikstofberekening m.b.v. AERIUS-Calculator De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal met uitzondering van de emissie van stikstof. Hiertoe dient een stikstofberekening te worden uitgevoerd met de AERIUS-calculator. Momenteel is een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming alleen mogelijk indien een project stikstofneutraal blijkt te zijn. Aangezien de emissies van de aanlegfase slechts tijdelijk zijn kunnen significant negatieve effecten op voorhand worden uitgesloten. Voor het plan is alleen uitsluitend het projecteffect van de toekomstige gebruiksfase inzichtelijk gemaakt. Uit oriënterend onderzoek blijkt dat het projecteffect van de toekomstige gebruiksfase > 0,00 mol/ha/jaar is. Derhalve wordt aansluiting gezocht bij interne saldering en is een verschilberekening gemaakt tussen de toekomstige gebruiksfase en de referentiesituatie. De voor de berekening relevante emissies tijdens de referentiesituatie vinden uitsluitend plaats ten gevolge van de te houden runderen. De relevante emissies tijdens de gebruiksfase vinden plaats ten gevolge van de te houden paarden en schapen, het wegverkeer, de mobiele werktuigen op het terrein en het gasverbruik van de panden. De verschilberekening is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator. Uit de berekening volgt dat de bestemmingsplanwijziging geen toename in stikstofdepositie tot gevolg heeft.
De emissies tijdens de referentiesituatie zijn hoger dan, of gelijk aan de emissies die zullen ontstaan tijdens het toekomstige gebruik. Bij een dergelijk resultaat zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Het plangebied ligt nabij maar niet binnen (een zoekgebied) Natuurnetwerk Nederland. Omdat de vertaling van dit netwerk in de provinciale verordening geen externe werking kent, leiden de beoogde plannen niet tot effecten op deze gebieden.
Uitsnede kaart Natuurbeheerplannen Provincie NoordHolland, rode punaise globale ligging plangebied
43
Soortenbescherming Aangezien er geen gebouwen wordt gesloopt, er geen beplanting wordt verwijderd en er geen ingrepen aan het dak of spouwmuren plaatsvinden, kunnen (negatieve) effecten op de vaste rust- en verblijfplaats van (strikt) beschermde soorten worden uitgesloten. Conclusie
Wettelijk kader
Met in achtneming van de adviezen vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.3 Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Voor het plangebied is in het bestemmingsplan een dubbelbestemming WaardeArcheologie 4’ opgenomen. De eerdergenoemde verplichting geldt niet voor bouwplannen die betrekking hebben op een oppervlakte van niet meer dan 2.500 m2 of die betrekking hebben op een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 maar die niet dieper gaan dan 40 cm. In 2013 is als onderdeel van de Beleidsnota Archeologie een archeologische beleidskaart opgesteld voor de gehele gemeente Hollands Kroon.
Op de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hollands Kroon, is te zien dat het plangebied in een zone met een vrijstellingsgrens van 2.500 m2 (met een dieptegrens van 40 cm) valt. De vrijstellingsgrens is tot stand gekomen omdat in dit ruilverkavelde gebied een krekenstelsel en kreekruggen aanwezig zijn, die in de prehistorie (Laat Neolithicum en Bronstijd) aantrekkelijk waren voor bewoning (Code ND084).
44
Uitsnede uit de beleidskaart van Hollands Kroon met rode streep-stippellijn duiding van het plangebied (bron: Cultuurcompagnie Noord-Holland 2013).
Het perceel is beoordeeld door Archeologie West-Friesland. De Quickscan is opgenomen in bijlage 5. Op basis van de historische bronnen en het kaartmateriaal geldt een lage archeologisch verwachting voor bewoningsresten uit de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Binnen het plangebied geldt op basis van de bodemkaart, het AHN en vondsten uit de nabije omgeving een hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Paleolithicum- Neolithicum op het dekzand in de ondergrond. Deze vindplaatsen worden echter niet door de geplande ingrepen aangetast.
Beoordeling
Op basis de gespecificeerde archeologische verwachting kan gesteld worden dat de huidige dubbelbestemming binnen het bestemmingsplan (Waarde Archeologie 4: vrijstellingsgrens van 2.500 m2 en 40 cm diep) toereikend is om de te verwachten archeologische waarden te beschermen. Archeologie West-Friesland adviseert om de huidige dubbelbestemming aan te houden. Indien er binnen het plangebied ingrepen plaatsvinden die de vrijstellingsgrens van 2.500 m2 overschrijden dan dient het aspect archeologie mee te worden gewogen. Het gedeelte van het plangebied waar het vliegtuigwrak in 2020 is geborgen kan vrijgegeven worden met betrekking tot het aspect archeologie.
45
De ligging van het plangebied (zwarte stippellijn) met daarbinnen de locatie van het geborgen vliegtuigwrak (rode stippellijn) op een luchtfoto (bron: PDOK). Conclusie
Wettelijk kader
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. De dubbelbestemming Waarde - Archeologie 4 blijft gehandhaafd. 4.2.4 Cultuurhistorie In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen.
Beoordeling
In hoofdstuk 2 en paragraaf 4.2.3 inclusief de beoordeling van de Archeologie West Friesland (bijlage 4) is reeds ingegaan op de geschiedenis. Hierin is onderbouw dat de cultuurhistorische waarden van de locatie niet worden aangetast.
Conclusie
Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Wettelijk kader
4.2.5 Verkeer en parkeren Uitgangspunt van de gemeente is dat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein dienen te worden gerealiseerd. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van de parkeernormen in de ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’, met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de richtlijnen van het CROW (CROWkerncijfers, publicatie 317 - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeercijfers. Het aanhouden van een bandbreedte
46
kan leiden tot allerlei discussies over de verschillende invloedsfactoren. Bij het opstellen van de parkeerregels heeft de gemeente ervoor gekozen om uit te gaan van het gemiddelde van de minimale en maximale parkeerkerncijfers (afgerond naar boven). De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Kanaalweg. De gemeente is eigenaar/wegbeheerder. Deze weg leidt in noordelijke richting via de Hartweg naar Schagen of Middenmeer en in zuidelijke richting naar Heerhugowaard en Opmeer. Via Middenmeer en Opmeer is de Rijksweg A7 bereikbaar. Het plangebied is en blijft ontsloten via de bestaande uitritten op de weg. De verkeerssituatie ter plaatse is overzichtelijk. Vanuit de in- en uitrit is voldoende zicht op de weg.
Beoordeling
De Kanaalweg heeft ruim voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van het nieuwe gebruik die het plangebied krijgt. Als gevolg van de ontwikkeling wijzigt de verkeersgeneratie van het plangebied. In de voormalige situatie trok het agrarisch bedrijf met de bedrijfswoning vrachtverkeer aan. Dit blijft ongewijzigd. In de toekomstige situatie wordt de verkeersgeneratie voornamelijk gegenereerd door personenauto’s en deze neemt met 30 verkeersbewegingen (komen en gaan) toe. De toename van het aantal personenauto’s neemt in verhouding niet significant toe waardoor aangenomen mag worden dat de Kanaalweg de toename aan kan. Het plangebied zal als volgt in gebruik worden genomen, waarbij de algemene ruimtes naar rato zijn toebedeeld aan de afzonderlijke functies: bedrijfswoning, 45 paardenstallen, 150 schapen, kwekerij. Op basis van het gemeentelijk beleid geldt een parkeernorm van minimaal 14 en maximaal 19 parkeerplaatsen.
Functies Aantal/maat
CROW (buitengebied of rest bebouwde kom - niet stedelijk)
Benodigd
Bedrijfswoning
1
2 per woning
2
Paardenhouderij eigen paarden
10
0
Paardenhouderij opfok
10
Niet beschikbaar – inschatting
2
Paardenhouderij pension
25
Minimaal 0,3 en maximaal 0,5 per stal
7,5 – 12,5
Schapenhouderij
150
Niet van toepassing
0
Kwekerij*
200 m2
2,5 per 100 m2 (kringloopwinkel)
5
Totaal
16,5 - 21
Voor haaksparkeren zijn parkeervakken van 2,4 a 2,5 m breed nodig. Naast ruimte voor de auto zelf van doorgaans 1.80 m is er ruimte nodig voor het in- en uitstappen. De lengte van de parkeerplaats is 5 m. Voor het inrijden en het maken van de bocht moet de straatbreedte 6 meter breed zijn. Per parkeerplaats is er circa 12,5 m2 nodig.
47
Voor het totaal aantal maximaal benodigde parkeerplaatsen is dit 262,5 m2 nodig (21 parkeerplaatsen totaal maal 12,5 m2 per parkeerplaatsen). In het plangebied zijn reeds 19 parkeerplaatsen aanwezig. Dit blijkt in de praktijk ruim voldoende te zijn. Mocht er sprake zijn van een piekbelasting dan is er binnen het plangebied voldoende uitwijkmogelijkheden aanwezig zodat parkeren langs die weg niet nodig is. In de onderstaande figuur is dit onderbouwd. Hieruit blijkt dat er voldoende ruimte aanwezig is om de parkeerplaatsen te bereiken en het benodigde aantal auto’s te kunnen parkeren.
Situering parkeerplaatsen De Kanaalweg wordt doorgaans gebruikt voor bestemmingsverkeer en is gezien de functie breed genoeg voor elkaar passerend verkeer. De ontsluiting van het perceel op de Kanaalweg is zeer overzichtelijk en gemakkelijk toegankelijk. Door de gemeente Hollands Kroon hoeven daardoor in de planomgeving geen maatregelen van verkeerskundige aard genomen te worden. Conclusie
Wettelijk kader
48
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.6 Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
Voor het perceel is een oriëntatieverzoek gedaan bij het Kadaster. Het resultaat is opgenomen in bijlage 6 van deze toelichting. Hieruit blijkt dat er geen relevante zones over het plangebied lopen. Op het perceel bevindt zich een transformatorhuisje waarmee het net opgewaardeerd. Binnen deze zone wordt niet gebouwd of gegraven. De positie hoeft tevens niet gewijzigd worden en het transformatiehuisje blijft toegankelijk. 4.2.7 Duurzaamheid Overheden en de samenleving zijn zich er steeds meer van bewust dat we meer moeten zorgen voor het milieu, zoals energiezuinig bouwen, het bevorderen van zonne-energie, duurzaam materiaal gebruik en gescheiden afvalverwerking. De aandacht hiervoor is dan ook groot. De bijdrage die bouwplannen kunnen leveren aan de klimaatdoelstellingen is een kans die niet onbenut moet worden gelaten. Hoewel er wettelijk geen ruimte is om strengere eisen te stellen dan in het Bouwbesluit is vermeld proberen overheden via diverse stimuleringsmaatregelen duurzaamheid vroeg en integraal mee te laten nemen door initiatiefnemers. Het plan bevat geen bouwactiviteiten en mocht hier wel sprake van zijn dan zal Initiatiefnemer met het aspect duurzaamheid rekening houden bij de planvorming en uitvoering daarvan. Hij zal zich onder andere wenden tot het Servicepunt Duurzame Energie. Hiermee wordt voldaan aan het aspect ‘duurzaamheid’.
Beoordeling en conclusie
Wettelijk kader
Beoordeling en conclusie
49
5. Economische uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de financieel haalbaar plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie en eventuele planschade).
5.2 Beoordeling plan Financiële haalbaarheid
Grondexploitatie
De kosten voor het ontwikkelen van het plan komen voor rekening van initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren. Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een plan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan zoals opgenomen in het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet aan de orde. De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van het bestemmingsplan door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Hollands Kroon zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan.
Planschade
Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin de eventuele planschade wordt geregeld.
5.3 Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.
50
6. Juridische regeling 6.1 Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.
Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens).
Verbeelding
De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/-bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel. De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden.
Planregels
51
2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten, speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen.
Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
Toelichting
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.
6.2 De bestemmingen 6.2.1 Planvorm Voor dit plangebied wordt gebruik gemaakt van een bestemmingsplan waarbij de planvorm van het bestemmingsplan aansluit bij de nieuwste uitgangspunten van de gemeente waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden versterkt.
52
6.2.2 De verbeelding Op de verbeelding zijn de functies bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsregels, de bouwregels en gebruiksregels alsmede de afwijkingsbevoegdheden te vinden. De bestemming bedrijf bestaat uit een bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar het bedrijfsmatig gebruik toegestaan is. In de regels zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van de bebouwing in het bestemmingsvlak. Het bedrijfsperceel is specifiek in gebruik als paardenhouderij en er is een kleinschalige kwekerij aanwezig. Deze zijn met een aanduiding op de verbeelding weergegeven. Ten behoeve van de beeldkwaliteit is de windsingel tevens met een aanduiding vastgelegd. Vanwege de ligging van het plangebied in een omgeving met een zekere archeologische verwachtingswaarde is naast de bedrijfsbestemming de dubbelbestemming “waarde -archeologie 4” toegevoegd. 6.2.3 Regels Het bestemmingsplan bevat een duidelijke regeling die aansluit op de nieuwste inzichten en het Bouwbesluit. Regels uit het onderliggende bestemmingsplan die voor dit plangebied niet relevant of van toepassing zijn, zijn niet in dit bestemmingsplan opgenomen.
De regeling biedt voldoende bebouwingsruimte aan de achter- en zijkant van woningen. De regels zijn opgedeeld in de onderstaande hoofdstukken: Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2).
Inleidende regels
In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren.
Bestemmingsregels
Bedrijf - paardenhouderij De voor ‘bedrijf - paardenhouderij’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het houden, stallen en/of africhten van paarden en/of pony’s al dan niet voor derden inclusief de daarbij behorende functies zoals paardenbak, paddock, longeercirkel en stapmolen. Daarnaast kunnen de gronden gebruikt worden voor de handel in paarden en/of pony’s en het fokken van paarden en/of pony’s. Tevens is het aanwezig hebben van een bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en het huisvesten van stagiaires toegestaan. Voor de toegestane bebouwing zijn maten opgenomen in de bouwregels. In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen bouwregels voor de hoofdgebouwen
53
en bouwregels voor de bijbehorende bouwwerken. Binnen het bestemmingsvlak is maximaal 1 bedrijfswoning mogelijk. Conform het moederplan geldt voor het bouwen van gebouwen een maximum bebouwingspercentage van 50% van het bouwperceel. Vanwege het waarborgen van de landschappelijke inpassing en cultuurhistorie wordt het bestaande bestemmingsvlak overgenomen en geconserveerd. De bestaande erfinrichting met groene hagen en bomen worden tevens geborgd door een aanduiding op de plankaart ‘specifieke vorm van groen - windsingel’. Archeologie Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die een oppervlakte beslaan van meer dan 2.500 m2 en dieper gaan dan 40 centimeter, geldt een vergunningplicht. Het betreft onder andere werken en werkzaamheden zoals bouwen, diepploegen en het scheuren van grasland of het aanbrengen van diepwortelende beplanting. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Algemene regels In dit hoofdstuk van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Antidubbeltelregel
De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening.
Algemene bouwregels
Voor het bouwen langs wegen en nabij stolpen zijn nadere eisen met betrekking tot de situering van de bebouwing gesteld. Oogmerk van deze regels is het behoud van het waardevol landschappelijk beeld van enerzijds de historische lintbebouwing langs wegen en anderzijds de stolp als zelfstandige hoofdvorm in zijn directe omgeving.
Algemene gebruiksregels
Dit artikel bevat een algemene regeling waarin het wordt verboden om de gronden anders te gebruiken dan waarvoor zij bestemd zijn.
Algemene afwijkingsregels
In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken om kleine nutsvoorzieningen mogelijk te maken en om van de voorgeschreven maten en percentages af te wijken, maar ook om het bouwvlak te overschrijden. Bij dit laatste wordt met name gedacht aan het ruimte
54
en flexibiliteit bieden ten behoeve van toekomstige bebouwing die binnen de woonbestemming wordt ontwikkeld. De omgevingsvergunning wordt overigens alleen verleend wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de woonen milieusituatie van aangrenzende percelen. Verder is een afwijking mogelijk om een bestaande woning door een stolp te vervangen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen en tot welke omvang bestemmingsgrenzen kunnen worden gewijzigd. Dit biedt ruimte en flexibiliteit in de regels zonder dat een goede ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied wordt geschaad. In dat kader zijn aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid ruimtelijke randvoorwaarden verbonden. Algemene procedureregels De procedureregel voorziet in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval het bevoegd gezag voornemens is nadere eisen te stellen. In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangsregels en de slotregel aan de orde.
Overgangs- en slotregel
55
7. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Overleg Het bestemmingsplan wordt in het kader van artikel 3.1.1 Bro niet voorgelegd aan de overleginstanties. De reden hiervan is dat de waterbelangen niet in het geding zijn, dit is aangetoond in hoofdstuk 4 en binnen het beleid van de provincie wordt gehandeld, zodat provinciale belangen ook niet in het geding. Het gaat om een plan met een kleine ruimtelijke impact. Blijkens jurisprudentie kan onder dat soort omstandigheden van het artikel 3.1.1. Bro overleg worden afgezien. De buren van Kanaalweg 8 zijn geïnformeerd over de wijziging van de bestemming.
7.2 Zienswijzen Op de procedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan wordt het ontwerpbesluit voor zes weken ter inzage worden gelegd. Eenieder kan in deze periode zienswijzen indienen. Indien er binnen de termijn zienswijzen worden ingediend, worden deze hier samengevat en van een antwoord voorzien.
7.3 Conclusie PM eventuele reacties opnemen na ter inzagelegging.
56