CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting Kanaalweg 5

Raad 23 maart 2023, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Kanaalweg 5, Nieuwe Niedorp14.784 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Kanaalweg 5 Nieuwe Niedorp Gemeente Hollands Kroon

Let op! Op dit advies berusten auteursrechten. De tekst van dit advies mag uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van deze opdracht. Niets uit dit advies mag worden gekopieerd of worden gewijzigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch hetzij mechanisch zonder voorafgaande toestemming van OLYadvies. Het aanhalen van tekst uit dit advies is wel geoorloofd, mits de bron en de auteur worden genoemd. U pleegt plagiaat indien u zonder bronvermelding (copy paste) letterlijk tekst overneemt.

Onderwerp: Status: IMRO code:

Bestemmingsplan Kanaalweg 5 Nieuwe Niedorp Ontwerp NLIMRO.1911.BPBG2010hz24-ON01

Opdrachtgever: Projectnummer: Datum:

De heer B. Groot en mevrouw D. Van der Geest 20210910 10 september 2022

Opdrachtnemer:

Patty Laan OLY advies Langereis 40 1733 ME Nieuwe Niedorp T 06 55544922 E info@olyadvies.nl W www.olyadvies.nl

Kanaalweg 5 Nieuwe Niedorp Gemeente Hollands Kroon

Inhoudsopgave 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Plangebied 1.3 Vigerend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

5 5 5 6 7

2 Geschiedenis, bestaande en toekomstige situatie 2.1 Geschiedenis 2.2 Bestaande situatie 2.3 Toekomstige situatie

8 8 9 10

3 Beleidskader 3.1 Algemeen 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid 3.5 Parkeerbeleid 3.6 Slotconclusie

13 13 13 15 21 24 24

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieuaspecten 4.2 Omgevingsaspecten

25 25 38

5 Economische uitvoerbaarheid 5.1 Inleiding 5.2 Beoordeling plan 5.3 Conclusie

50 50 50 50

6 Juridische regeling 6.1 Overleg 6.2 De bestemmingen

51 51 52

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Overleg 7.2 Zienswijzen 7.3 Conclusie

54 54 54 54

Bijlagen Bijlage 1 Verkennend bodemonderzoek, Grondslag 2021-02-10 Bijlage 2 Digitale Watertoets 2021-11-28 Bijlage 3 Onderzoek agrarische geurhinder, De Milieuadviseur, 2022-08-22 Bijlage 4 Onderzoek Stikstofdepositie, Econsultancy 2022-03-30 Bijlage 5 QuickScan archeologie, Archeologie West-Friesland 2021-10-11 Bijlage 6 Oriëntatieverzoek, Kadaster 2022-05-04 Bijlage 7 Lijst van aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling Aan de Kanaalweg 5 te Nieuwe Niedorp, gelegen in de gemeente Hollands Kroon, bevindt zich een agrarisch bouwvlak met daarop diverse schuren en een bedrijfswoning. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd. Door de toenemende schaalvergroting binnen de agrarische sector biedt de maat van het bouwperceel en de beperkte hoeveelheid agrarische gronden geen duurzaam toekomstig perspectief. Het perceel is daarom in gebruik genomen als paardenhouderij voor het houden van maximaal 45 paarden (trainen, pension, fokkerij). Tevens worden er als neventak 150 schapen gehouden en is er een kleinschalige kwekerij aanwezig. Initiatiefnemers hebben in samenwerking met de gemeente Hollands Kroon getoetst of de realisatie van deze functies een toekomstbestendige invulling kan zijn. De gemeente Hollands Kroon heeft hiermee ingestemd. Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Dit bestemmingsplan dient hiervoor.

1.2 Plangebied Het perceel aan de Kanaalweg 5 te Nieuwe Niedorp (verder: plangebied) is gelegen in de Kostverlorenpolder. De omgeving van het plangebied is omringd door weilanden. Op circa 1,8 kilometer afstand ten oosten van het plangebied ligt het centrum van Nieuwe Niedorp. En op circa 7,5 kilometer ten noordwesten ligt het centrum van Schagen.

Afbeelding 1 ligging plangebied in de wijde omgeving, bron: Google.com

5

Afbeelding 2 ligging plangebied in de regio, bron Google.com

1.3 Vigerend bestemmingsplan Het plangebied valt onder het bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp (onherroepelijk 1 oktober 2013) en heeft de bestemming ‘agrarisch met waarde’ en de dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 4’ over het gehele perceel en op een deel van het plangebied ‘Waterstaat - Waterkering’.

Uitsnede verbeelding met de rode punaise aangeduid het plangebied, bron bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’

6

Uitsnede verbeelding met in het zwart aangeduid het plangebied, bron bestemmingsplan ‘Buitengebied voormalige gemeente Niedorp’

1.4 Leeswijzer De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting vervolgt met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5) en de maatschappelijke uitvoerbaarheid (hoofdstuk 6) en sluit af met een hoofdstuk waarin de juridische regeling wordt uitgezet.

7

2. Geschiedenis, bestaande en toekomstige situatie 2.1 Geschiedenis Het plangebied ligt tussen de historische dorpskernen van ‘t Veld en Nieuwe Niedorp in. Op de topografische kaarten is de ontwikkeling vanaf 1925 te zien (bron: Topotijdreis.nl). De bebouwing verschijnt als eerste op de kaart van 1983 en draagt de naam ‘De Voif Winde’. De locatie is vanaf oprichting in gebruik als veehouderijbedrijf en sinds 10 jaar in gebruik als paardenhouderij, schapenhouderij en kleinschalige kwekerij.

1925

1950

1971

1983

1996

2020

Op de locatie is in de nacht van 23 juni 1941 een Vickers Wellington T2990 van 311 (TsjechoSlowaaks) Squadron Royal Air Force geraakt door een Duitse straaljager en gecrasht op een deel van de planlocatie. De T2990 één van de 41 bommenwerpers die in de nacht van 22 op 23 juni 1941 een bombardement uitvoerden op Bremen. Aan boord bevonden zich zes bemanningsleden. Eén bemanningslid wist de crash te ontkomen door met behulp van een parachute uit het vliegtuig te springen. De overige bemanningsleden zijn bij de crash omgekomen. Vanaf 25 mei tot en met 17 juni 2021 is gewerkt aan de berging. Deze berging vond plaats in het kader van het nationaal programma berging vliegtuigwrakken met nog vermiste vliegers. Daarbij zijn stoffelijke resten gevonden, maar ook diverse onderdelen van de bommenwerper zoals de motoren, propellerbladen, zuurstoftanks en munitie. Inmiddels heeft de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht onomstotelijk vastgesteld dat deze toebehoren aan alle vijf vermisten van de

8

Royal Air Force. F/Sgt Jan Hejna, P/O Vilem Konštatský, F/Sgt Alois Rozum, P/O Leonard Smrček en F/Sgt Karel Valach zijn dus niet langer vermist. Zij krijgen in 2022 een eervolle begrafenis op een militair ereveld van de Commonwealth War Graves Commission in Nederland.

Foto van de berging, bron: gemeente Hollands Kroon

2.2 Bestaande situatie Het plangebied werd gebruik als agrarisch bedrijf. Op het agrarisch bouwperceel staat een woning met daarbij diverse schuren. De gebouwen staan nagenoeg loodrecht langs de straat. Het perceel wordt goeddeels omringd door een windsingel. De woning ligt midden in het open polderlandschap. De Kanaalweg is een typische agrarische weg met een smal profiel en omgeven door akkers en met begeleidende bomen. Het plangebied ligt aan een rustige weg, is landelijk gelegen, met open ligging en vrij uitzicht.

Bestaande situatie plangebied voorzijde, bron Google.com

9

Bestaande situatie plangebied oostzijde, bron Google.com

2.3 Toekomstige situatie Zoals aangegeven in de inleiding, ligt een agrarisch gebruik niet meer voor de hand. Een vervolgfunctie voor het houden van maximaal 45 paarden kan gezien de aanwezigheid van de reeds bestaande bebouwing en voorzieningen en planologische mogelijkheden als kansrijk worden gezien. Het gebruik bestaat uit een combinatie van functies: het aanbieden van pension, fokkerij en trainen van paarden van derden. Afhankelijk van de conjunctuur wisselt het gebruik hierbinnen. De verdere professionalisering van de paardensport in samenhang met de discussie rondom het garanderen van dierenwelzijn zorgen ervoor dat in de toekomst een binnenrijhal van 30 bij 60 meter noodzakelijk is. Hiervoor zal te zijner tijd een separate aanvraag worden gedaan bij de gemeente Hollands Kroon. Op deze manier ontstaat een duurzame planologisch zinvolle nieuwe invulling van het perceel. De huidige bedrijfswoning blijft als bedrijfswoning in gebruik. Voor het duurzaam onderhouden van de landerijen worden er naast het huisvesten en trainen van paarden als neventak maximaal 150 schapen gehouden. Schapen zorgen voor een goede bodemgesteldheid, betere grasgroei en helpen wormbesmetting voorkomen bij paarden. De aanwezige kleinschalige kwekerij van 300 m2 wordt voortgezet.

Er worden geen activiteiten georganiseerd die verband houden met evenementen (anders dan een reguliere open dag), wedstrijden of (groeps) lessen waarbij mensen niet beschikken over een eigen paard zoals bij een (manege1). Dit gebruik heeft een veel grote ruimtelijke impact op de omgeving. Binnen het gebruik is pension de functie welke de meeste ruimtelijke impact heeft. Dit bestemmingsplan toetst dan ook het maximale gebruik van het plangebied voor het houden van 45 paarden ten behoeve van pension.

1

Een bedrijf gericht op het lesgeven in paardrijden aan derden en daarvoor paarden houdt

10

Luchtfoto plangebied, met nog de huidige locatie in beeld van de paardenbak en longeercirkel welke verplaatst worden naar de achterzijde van het plangebied bron Google.com Voor het bepalen van het gewenste oppervlak, dat volgt door de diepte te bepalen, is gekeken naar de directe omgeving. Voor de landschappelijke inpassing en ruimtelijke kwaliteit is de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie leidend voor dit gebied gelden de volgende kernwaarden: •  de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. •  openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. •  de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken.

Landschappelijke inpassing

De Kostverlorenpolder is als agrarische productiepolder ontworpen vanuit een totaalconcept. Het poldervlak is opgedeeld in vier polderafdelingen met een eigen oriëntatie en maatvoering van de kavels. Kenmerkend voor de polderlijnen is de opeenvolging van open en besloten percelen. De vele doorzichten liggen hieraan ten grondslag.

11

Deze polder is als geheel een van de meest open landschappen van NoordHolland, met daarin de regelmatig verspreid liggende massa’s van boerderijen en erfbeplanting langs wegen en vaarten. Deze vormen groene eilanden in een zee van ruimte. De karakteristieken zijn bepalend voor de toekomstige afmetingen van het bestemmingsvlak. Eén van de kenmerken is dat de bestemmingen direct aan de weg (bestemming ‘Verkeer’) grenzen. Dit doet namelijk het meeste recht aan de mogelijke invulling van een traditioneel agrarisch erf. Hierdoor ontstaat de maximale mogelijkheden om recht te doen aan erfinrichting o.a. door groene hagen en bomen. Als tweede is het belangrijk om de ritmiek van open en besloten aan te vullen en hier geen onevenredige afbreuk aan te doen. Dit betekent dat de bestaande kavelgrenzen nagenoeg loodrecht op de ontsluitingsweg vertrekpunt zijn voor de breedte van het toekomstige bestemmingsvlak.

De bestaande zichtlijnen blijven gehandhaafd.

Dit resulteert voor dit perceel in het handhaven van het bestaande bestemmingsvlak waarbij de bestaande erfinrichting met groene hagen, bomen, zichtlijnen en slotenpatroon zal worden geconserveerd in de regels en de verbeelding. Het conserveren van de bestaande situatie sluit het beste aan bij het bestaande landschappelijke karakter en doet recht aan een hoogwaardige ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing. Met het nieuwe gebruik blijft een waardevol ensemble behouden.

12

3. Beleidskader 3.1 Algemeen Planologische besluitvorming dient te passen binnen de ruimtelijke kaders die ontworpen worden op alle verschillende overheidsniveaus. Ter verkenning van de beleidsruimte wordt daarom in dit hoofdstuk het ruimtelijk (relevante) beleid beknopt weergegeven.

3.2 Rijksbeleid 3.2.1 Nationale Omgevingsvisie 2020 Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) door het Rijk vastgesteld. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit worden de ‘nationale belangen’ genoemd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

Wettelijk kader

Om deze belangen goed af te kunnen wegen heeft het Rijk op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Er zijn 21 nationale belangen benoemd waarbij over de volgende onderwerpen de belangrijkste keuzes gemaakt moeten worden: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • Duurzaam economisch groeipotentieel • Sterke en gezonde steden en regio’s • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied • Het Rijk wil deze opgaven als één overheid samen met de samenleving aanpakken. De geplande ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de ontwikkeling niet onder de nationale belangen valt waar de NOVI voor is opgesteld. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee

Beoordeling en conclusie

Wettelijk kader

13

en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Beoordeling en conclusie

Wettelijk kader

Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro. 3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt erop neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel,

14

woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken - Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4 (plannen tot 11 woningen zijn niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken). Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Dit is in zoverre ook logisch, daar de Ladder gericht is op het tegengaan van leegstand. Binnen het plangebied wordt een agrarische bestemming omgezet naar ‘bedrijf’ - paardenhouderij en kleinschalige kwekerij. De bebouwing zal worden behouden en voor dit doel worden ingezet.

Gezien de relatieve kleinschaligheid van dit plan, wordt dit niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro gezien de eerder aangehaalde uitspraken. Toetsing aan de ladder is daarom niet nodig.

Conclusie

3.2.4 Omgevingswet Per 1 januari 2022 treedt de Omgevingswet in werking. Daarbij komt de Wro te vervallen die over gaat in de Omgevingswet. Dit initiatief wordt ingediend onder de huidige Wro en daarom is de Omgevingswet nog niet van toepassing en behoort het initiatief op grond van de Wro te worden ingediend en te worden beoordeeld.

3.3 Provinciaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie NH 2050 “Balans tussen economische groei en leefbaarheid” Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Haar hoofdambitie is om het relatieve hoge welvaartsen welzijnsniveau vast te houden. Zij richt zich daarom op een goede balans tussen economische groei en leefbaarheid zodanig dat bij veranderingen in het gebruik van de fysieke leefomgeving de doelen voor een gezonde en veilige leefomgeving overeind blijven. Zo wil de Provincie voor toekomstige generaties het welvaarts- en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau houden. Dit betekent dat in Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd; de ruimte voor

Wettelijk kader

15

economische ontwikkeling wordt altijd in samenhang met dit uitgangspunt beschouwd. Deze hoofdambitie is in twee ambities te verdelen die van de: a. Leefomgeving Een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving met een eventuele verhoging van deze ambitie in de toekomst (klimaatverandering, gezondheid en veiligheid, biodiversiteit en natuur) en; b. Gebruik van de leefomgeving De provincie wil ruimtelijke ontwikkeling faciliteren, onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit (economische transitie, wonen en werken, mobiliteit en landschap). De provincie hanteert hierbij de volgende ontwikkelprincipes: 1. Ontwikkelingen en beheer zijn passend bij de waarden, de karakteristiek en het draagvermogen van het landschap. 2. Nieuwe ontwikkelingen zijn zo veel mogelijk natuur inclusief. 3. Nieuwe ruimtelijk-economische ontwikkelingen worden zo veel mogelijk ruimtelijk geclusterd op locaties nabij OV-, weg-, energie en dataknooppunten. 4. Bij nieuwe ontwikkelingen worden de effecten op de ondergrond meegewogen. Beoordeling en conclusie

Voor het plangebied is de tweede ambitie het meest relevant (gebruik van de leefomgeving) waarbij de aandacht vooral ligt op het benutten van economische ontwikkeling en het behouden van versterken van het landschap en de cultuurhistorie. Zie ook de vorige paragrafen voor een verdere onderbouwing. Het plan voldoet hiermee aan de Omgevingsvisie.

Uitsnede kaart Noord-Holland in beweging, bron Omgevingsvisie Noord-Holland 2018

16

3.3.2 Omgevingsverordening NH2020 In de recent vastgestelde provinciale Omgevingsverordening NH2020 (gepubliceerd 16 november 2020) zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. In de Omgevingsverordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen en zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee is gemoeid. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. De Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Uit de toelichting op de ontwerpverordening volgt dat wordt beoogd de provinciale regels te vereenvoudigen en te harmoniseren. Verder is ervoor gekozen om bestaande verordeningen zoveel mogelijk beleidsneutraal om te zetten naar de omgevingsverordening. Wel moet onderhavig initiatief, voor zover het onder de reikwijdte van verschillende uit provinciale regelgeving voortvloeiende en vastgestelde waarden valt, daaraan worden getoetst. Die gelden na vaststelling van de Omgevingsverordening onverkort. In de plannen is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (zie paragraaf 3.2.2), maar wel van een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Dit betekent dat artikel 6.5 van de verordening van toepassing is.

Wettelijk kader

Beoordeling en conclusie

In dit artikel is opgenomen onder welke voorwaarden de bestemming van een voormalig agrarisch bouwperceel in het landelijk gebied kan worden gewijzigd naar een kleinschalige voorziening zoals paardenhouderij2. Aan de voorwaarden van dit artikel kan worden voldaan. In onderstaand schema zijn de voorwaarden opgenomen en is aangegeven waar de onderbouwing of uitsluiting in dit bestemmingsplan te vinden is. Het voorliggende plan is niet in strijd met de provinciale verordening.

2

Paardenhouderij: een voorziening gericht op het houden van paarden waarbij het rijden met of mennen van paarden primair gericht is op gebruik door de ruiter, amazone of menner, niet zijnde een manege

17

Artikel 6.5 lid

Voorwaarden

Onderbouwing

1

Er is sprake van volledige beëindiging van het agrarische bedrijf

Toelichting paragraaf 1.1 aanleiding en doelstelling

2

De nieuwe functie belemmerd de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven en de woonfunctie van omringende woningen niet

Toelichting paragraaf 4.1.2 milieuzonering en paragraaf 4.1.3 spuitzonering

3

Buitenopslag buiten het bouwvlak is niet toegestaan

Moederplan

4

De nieuwe functie heeft aantoonbaar geen onevenredige verkeersaantrekkende werking en er is sprake van een acceptabele verkeerssituatie

Toelichting paragraaf 4.2.5

5

De parkeerplaatsen worden op het eigen bouwperceel gerealiseerd

Toelichting paragraaf 4.2.5 en Regels artikel 6.1

6

In geval van bijzondere huisvesting is er sprake van uitsluitend afhankelijke woonruimten of woningen als onderdeel van zorgfuncties

Niet van toepassing.

7

In geval van een recreatiefunctie is permanente bewoning verboden

Niet van toepassing.

Wettelijk kader

18

3.3.3 Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’. Dit zijn landschappen waarop de Provincie extra zuinig is vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Om te zorgen dat Noord-Holland een mooie provincie blijft om te wonen, werken en je vrije tijd door te brengen, zijn 32 gebieden (naast de natuurgebieden) beschermd. Voorheen golden er veel verschillende regels om het landschap te beschermen. Nu is alles samengebracht onder het BPL en geldt binnen de 32 gebieden overal dezelfde regels.

Kaart Bijzonder Provinciaal Landschap bron: provincie Noord-Holland, met in rood indicatief de planlocatie

Het plangebied is niet gelegen in een Bijzonder Provinciaal Landschap. Het plan is daarmee niet in strijd met de Provinciale Verordening 2020. 3.3.4 Leidraad Landschap en Cultuurhistorie In de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 10 april 2018, zijn de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristieken van de provincie beschreven. Dit is gedaan per deelgebied. Met deze Leidraad wil de provincie partijen zoals gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om - in lijn met de ambities van de Omgevingswet en de provinciale Omgevingsvisie - inzichtelijk te maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. Via de Omgevingsverordening NH2020, zie paragraaf 3.3.2, heeft de Leidraad ook juridische status. Het plangebied is gelegen in het ensemble West-Friesland-West (5) en ligt binnen de structuur van de Westfriese Omringdijk (D). De Westfriese Omringdijk vormt een herkenbare omlijsting van het oude zeekleilandschap van WestFriesland. Hierin liggen diverse droogmakerijen.

In het Westfriese landschap zijn lokale landschappelijke verschillen ontstaan door de ontstaansgeschiedenis, de strijd tegen het water, de ligging en vooral de groei van de steden, de mate van ruilverkaveling en de huidige dynamiek. Het westelijk deel van West-Friesland heeft landschappelijk gezien veel verwantschap met West-Friesland Midden en Oost, maar heeft wel deels een eigen ontstaansgeschiedenis en karakteristieken. Dit westelijk deel ligt in de nabijheid van de Noordzeekust en is in hoge mate verstedelijkt, met Alkmaar-Noord, Schagen, Heerhugowaard en Langedijk als grotere, snel gegroeide kernen. Twee spoorlijnen, de N9 en de toekomstige

Beoordeling en conclusie

Wettelijk kader

Onderzoek

19

Westfrisiaweg verbinden dit gebied met de omgeving. Naarmate men dichter bij Alkmaar komt heeft dit een grotere invloed op het landschap.

Het ensemble West-Friesland-West kent drie provinciale kernwaarden: • de landschappelijke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. • openheid en ruimtebeleving: de beleving van de vrije open ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. • de ruimtelijke dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. Denk hierbij aan bebouwingslinten, bomenlanen en dijken. Deze kernwaarden zijn opgenomen in een overzichtskaart.

Uitsnede overzichtskaart West-Friesland – West, bron Leidraad Landschap en Cultuurhistorie

20

Bij het bepalen van de toekomstige situatie is de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de Provincie Noord-Holland geraadpleegd en zijn de algemene ambities van de ruimtelijke ordening gevolgd. In paragraaf 2.3 van deze toelichting is reeds op de uitwerking hiervan ingegaan. Hier wordt dan ook naar verwezen.

Beoordeling

Handhaving van het bestaande bebouwingserf is passend binnen de omgevingscontext, schaal en maat van andere erven in de omgeving en verkavelingsrichting. Doorzichten op het open gebied blijven behouden.

Met deze ontwikkeling wordt het landschap niet veranderd. Het beeld blijft aansluiten op het landelijke karakter van de omgeving door de situering en het karakter van de bebouwing. De kenmerken van het landschap (zichtlijnen, relatie plangebied en landschap, slotenpatronen etc.) blijven behouden.

Conclusie

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Hollands Kroon Op 29 november 2016 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Omgevingsvisie Hollands Kroon vastgesteld. De omgevingsvisie is een inspiratie- en koersdocument voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het doel van deze omgevingsvisie is het uitdagen om initiatieven te nemen en deze te realiseren. De gemeente hanteert het ‘ja, tenzij’ principe, waardoor samen met initiatiefnemers bekeken wordt hoe initiatieven gerealiseerd kunnen worden. Relevant zijn met name de onderwerpen ‘ruimtelijke kwaliteit’, ‘landschappelijke kwaliteit’ en ‘cultuurhistorie’.

Wettelijk kader

Beoordeling

21

Ruimtelijke kwaliteit

Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat de gemeente de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen wil behouden en daar waar mogelijk versterken. En dat identiteit en kwaliteiten het vertrekpunt van ruimtelijke plannen is waarbij ontwikkelingen niet op slot worden gezet. Ruimtelijke kwaliteit vraagt voortdurend aandacht. De focus op kwaliteit moet in de werkwijze van gebiedsontwikkeling verankerd zijn. De volgende kerngedachten liggen aan deze werkwijze ten grondslag. • Ruimtelijke kwaliteit is overal en voor iedereen anders, • Ruimtelijke kwaliteit groeit in een cyclisch planproces, • Gebruikers staan centraal, • Rekening houden met de historische context. De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren.

Landschappelijke kwaliteit

De gemeente houdt rekening met de landschappelijke inpassing zoals typische kenmerken van de streek, de ontwikkelingsgeschiedenis, schaal, maat, functionaliteit, ruimtelijke opbouw, samenhang en verschijningsvorm van de directe omgeving en met de inpassing in de wijdere omgeving. In ieder geval gelden deze uitgangspunten: • Hollands Kroon is en blijft een agrarische gemeente wat betekent dat voor het buitengebied het agrarisch belang zwaarwegend is; • Een aantrekkelijk en afwisselend gebied voor recreanten en toeristen; • Landschappelijke verschillen en overgangen worden behouden en waar mogelijk versterkt, cultuurhistorische waarden worden gekoesterd; • Bij maatwerk voor grootschalige projecten (groter dan 2 hectare) kunnen, indien dit voor landschappelijke inpassing wenselijk is, voorschriften worden opgelegd met betrekking tot de erfbeplanting.

Cultuurhistorie

De gemeente wil de kwaliteit en diversiteit van het Noord-Hollands landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen met respect voor de cultuurhistorische waarden. Het onderwerp ruimtelijke kwaliteit krijgt dan ook een aparte plek in deze omgevingsvisie. De culturele historie in de verschillende kernen die Hollands Kroon rijk is, vormt de aantrekkingskracht van deze regio. Belangrijke gebouwen, monumenten, molens of bijzondere aangezichten en landschappen wil de gemeente behouden.

Conclusie

22

Het voorliggende plan doet geen afbreuk aan de aanwezige landschappelijke kwaliteiten en behoudt de bestaande ruimtelijke kwaliteit en cultuurhistorie. De onderbouwing hiervoor is te vinden in deze toelichting (paragraaf 2.3 en 3.3.4). Het plan past daarmee binnen de omgevingsvisie.

3.4.2 Welstandsnota Hollands Kroon Op 23 december 2013 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Welstandsnota Hollands Kroon vastgesteld. In deze nota is aangegeven welke welstandsregels binnen de gemeente gelden. Het welstandsbeleid is bedoeld om de balans tussen ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en de doelstelling van minder regels goed onderbouwd te borgen.

Wettelijk kader

Uitsnede welstandskaart met de rode punaise aangegeven het plangebied, bron: www.hollands-kroon.tercera-go.nl Het voorliggende plangebied ligt in welstandsluw gebied. Dit betekent dat een licht preventief welstandtoezicht geldt. De welstandsregels zijn globaal en hebben tot doel excessen te voorkomen. De globale welstandsregels waar een bouwplan aan moet voldoen zijn: • geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief; • geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; • geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is; • geen toepassing van felle of contrasterende kleuren; • geen toepassing van opdringerige reclames. De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. Het plan moet wel voldoen aan de planologische toetsing en bouwtechnische toetsing. Dit plan kent een conserverend karakter van de huidige bebouwing en bouwmogelijkheden. In paragraaf 2.3 en 3.3.4 is reeds ingegaan op de landschappelijke inpassing. Dit voldoet voldoende waarborgen voor een zorgvuldige landschappelijke inpassing.

Beoordeling

Het plan past binnen het beleid zoals opgenomen in de Welstandsnota Hollands Kroon.

Conclusie

23

3.5 Parkeerbeleid Wettelijk kader

De raad van de gemeente Hollands Kroon heeft op 27 februari 2018 de “Parkeerregels Hollands Kroon 2018” vastgesteld. Hierin zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Hollands Kroon wil de vraag naar parkeergelegenheid zodanig faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. Als aan een ruimtelijke ontwikkeling geen voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wordt de parkeerbehoefte afgewenteld op het openbaar gebied. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande gebruikers van de openbare ruimte, wanneer dit gebied niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Door het stellen van parkeernormen wordt voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen overlast ontstaat en wordt de bereikbaarheid van de nieuwe functies gewaarborgd. Het doel van deze nota is dan ook om ervoor te zorgen dat voldoende parkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, et cetera) worden gerealiseerd. Centraal staat dat de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk is voor het realiseren van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling. Bij het bepalen van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen voor het parkeren of stallen van auto’s, dient met de in deze beleidsregel opgenomen normen rekening te worden gehouden.

Daarnaast zijn in dit document regels opgenomen onder welke voorwaarden van de parkeernormen afgeweken mag worden. Met deze beleidsregels wordt duidelijkheid en rechtszekerheid geboden aan bouwaanvragers en belanghebbenden.

Beoordeling en conclusie

Het plan voldoet aan de “Parkeerregels Hollands Kroon 2018”. In paragraaf 4.2.5 wordt hier nader op ingegaan en wordt hiervoor de onderbouwing geleverd.

3.6 Slotconclusie Het initiatief past gelet op de voorgaande paragrafen in Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.

24

4. Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieu-aspecten 4.1.1 Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu.

Wettelijk kader

In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het plan voorziet in de omschakeling van een agrarisch bedrijf naar het houden van paarden. Dit is een activiteit die is genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de geringe omvang van het plan, ruim onder de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkelingen (deze bedraagt een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2) en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van het bestemmingsplan in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.rbeoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

Beoordeling

Het aspect Besluit m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Conclusie

4.1.2 Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie.

Wettelijk kader

Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering. 25

Richtafstandenlijsten

Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied

De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor.

Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-brochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand woonomgeving in meters

Richtafstand gemengd gebied in meters

1 2 3.1 3.2 4.1

10 30 50 100 200

0 10 30 50 100

Daarnaast is in de Wet geurhinder en veehouderij bepaald dat de afstand tussen een geurgevoelig object (meestal een particuliere woning) en de dierenverblijven van een veehouderij als volgt moeten zijn: • 100 meter als het geurgevoelige object in de bebouwde kom ligt; • 50 meter als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt.

26

Als het veehouderijbedrijf niet aan deze afstanden voldoet kan er wél een omgevingsvergunning worden verleend maar mag het aantal dieren niet worden uitgebreid. Door middel van een verordening kan de gemeente de genoemde afstanden al dan niet onder bepaalde voorwaarden - veranderen. De gemeente Hollands Kroon heeft geen verordening vastgesteld die dit mogelijk maakt. Voorliggend plan ziet toe op de realisatie voor het houden van maximaal 45 paarden met daaraan ondergeschikt een kwekerij en het houden van schapen. Het gebied is als rustig gebied te typeren. Conform de VNG-brochure geldt er dan een richtafstand voor paardenhouderij voor geur, geluid en stof respectievelijk 50, 50 en 30 meter. In de wijde omtrek zijn geen (bedrijfs) woningen gelegen. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van 2.400 meter. Aan de overzijde van het plangebied ligt op circa 100 meter afstand een park met recreatiewoningen. Ook deze woningen liggen op voldoende afstand. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is aanvullend een onderzoek gedaan naar de geurhinder bij deze omliggende geurgevoelige objecten. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage x van deze toelichting. Uit dit onderzoek blijkt dat de voorgrondbelasting maximaal 0,3 ouE/m3 bedraagt bij de omliggende woningen. De milieukwaliteit is goed, op basis van de optredende voorgrondbelasting.

Aan de norm van 2,0 ouE/m3 voor de woningen binnen de bebouwde kom en de norm van 8,0 voor de woningen buiten de bebouwde kom uit de Wgv wordt voldaan. Zodoende kan gemotiveerd worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van een onevenredige aantasting van het woon- en kleefklimaat vanwege het houden van maximaal 45 paarden in het plangebied.

Beoordeling

Uitsnede verbeelding met in rood het plangebied met daaronder een luchtfoto, bron bestemmingsplan ‘Buitengebied Wieringen 2002’

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Conclusie

27

Wettelijk kader

4.1.3 Spuitzonering In de omgeving van het plangebied bevinden zich agrarische percelen die voornamelijk voor de volle grondteelt worden gebruikt en waar gebruik wordt gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen. Wanneer gewassen worden bespoten met gewasbeschermingsmiddelen, kunnen deze niet alleen op het gewas zelf neerdalen, maar ook in de (nabije) omgeving. Dit wordt drift genoemd. Als in de omgeving sprake is van gevoelige functies3 moet er beoordeeld worden of de gewasbeschermingsmiddelen een bedreiging vormen voor de volksgezondheid en of gelet daarop, al dan niet uit voorzorg, een spuitvrije zone (hierna ‘spuitzone’) aangehouden kan/moet worden tussen de gevoelige functies en de percelen met open teelt. Bij de beoordeling van een goede ruimtelijke ordening4 dient niet alleen rekening te worden gehouden met de mogelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Ook de belangen van de (bestaande) telers bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen moeten afgewogen worden. Met het ruimtelijke besluit - vaststelling bestemmingsplan - moet worden aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Er is in Nederland geen wettelijke regeling die minimaal aan te houden afstanden tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt beschrijft.

In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de professionele fruitteelt (appels en peren). Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woonen leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. De richtafstand van 50 meter heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is dus al meer dan 25 jaar oud. In die tijd was de regelgeving met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt en er was veel minder sprake van toepassing van bijvoorbeeld drift reducerende spuitmethoden. Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was veel minder streng en door minder regels omgeven dan thans het geval is. De afstand van 50 m is aldus een indicatieve afstand. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Afdeling een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk 3

Volgens de jurisprudentie is hiervan sprake, indien ter plaatse langdurig mensen

verblijven. Voorbeelden van gevoelige functies in de jurisprudentie zijn: burgerwoningen, bedrijfswoningen, bedrijfs- en kantoorruimten en bijbehorende erven van een landbouwmechanisatiebedrijf, kampeerplaatsen en bij gevoelige objecten behorende tuinen. 4 Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening

28

vindt. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere of een langere afstand worden aangehouden. (Toekomstig) Gebruik agrarische grond rondom plangebied Het plangebied ligt omsloten met agrarische gronden die in gebruik zijn als grasland. Deze gronden zijn bestemd voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Op grond van het bestemmingsplan is in planologischjuridische zin fruitteelt, bosbouw, sierteelt en bomenteelt toegestaan. Tussen deze vormen van agrarisch grondgebruik zitten zeer grote verschillen. Het is echter niet realistisch dat de grondeigenaar binnen de planperiode van het geldende bestemmingsplan het agrarisch grondgebruik ingrijpend wijzigt qua teelt naar bijvoorbeeld appel- en perenteelt in een productieboomgaard. De grondgebruiker huurt namelijk langdurig de gronden rondom het plangebied voor de teelt van grans ten behoeve van de paardenhouderij. In dit onderzoek is daarom uitgegaan van een worstcasescenario: de bollenteelt waarbij alleen neerwaarts wordt gespoten.

Beoordeling

Teler Door de teler wordt gestreefd naar een goede bedekking van het gewas met beschermingsmiddel. Het is namelijk in het belang van de teler dat de gespoten middelen op de gewassen terecht komen en niet van het gebied afwaaien naast de gezondheidsredenen en milieu ook vanwege de hoge kosten van arbeid (loonwerk) en van gewasbeschermingsmiddelen. De teler of zijn uitvoerder is opgeleid voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en zijn op de hoogte van de geldende wet- en regelgeving en de belangen van volksgezondheid en milieu. Er is altijd een optimum tussen spuitdop, spuitdruk, rijsnelheid en het chemisch effect van het middel waarbij zo min mogelijk middel verloren gaat. Er wordt daarom gespoten bij een zo laag mogelijke windsnelheid en door niet sneller te rijden dan 9 km/u. Tevens wordt gespoten met doppen die afhankelijk van de weersomstandigheden (luchtvochtigheid) worden afgesteld. In de ochtend zijn windsnelheid en temperatuur vaak laag en is de relatieve luchtvochtigheid hoger dan gedurende de rest van de dag. De gewassen worden daarom zoveel mogelijk bespoten in de ochtenduren. Onderzoek naar gezondheid Het verkennend onderzoek naar de gezondheid van mensen die bij landbouwpercelen wonen heeft geen duidelijke verbanden opgeleverd tussen gezondheid en de nabijheid van landbouwpercelen.

Mensen die dichter bij landbouwpercelen wonen leken over het algemeen zelfs wat gezonder te zijn dan mensen die daar verder vandaan wonen. Dit kan met leefstijl te maken hebben. Het verkennend gezondheidsonderzoek heeft geen bijzonderheden opgeleverd ten aanzien van de teelt van bollen. Wel wordt nader onderzoek aanbevolen ten aanzien van de teelt van mais, zomergerst, fruitteelt en afwisselende teelt granen-bieten-aardappelen.

29

Onderzoek naar drift Uit verschillende onderzoeken van de Wageningen Universiteit blijkt dat de gezondheidsrisico’s van gewasbeschermingsmiddelen voor omwonenden met name liggen bij de opname van stoffen door de huid (dermaal risico). De omvang van het risico wordt naast de toxiciteit van het middel gevormd door de mate van drift. De belangrijkste routes voor de blootstelling van omwonenden zijn verdamping van bestrijdingsmiddelen vanuit het agrarische perceel na de bespuiting (drift) en inname van bestrijdingsmiddelen via huisstof. Omdat de wind tijdens de bespuitingen in het OBO-onderzoek niet gericht was op de huizen van omwonenden, werd in het veldonderzoek geen bijdrage via drift tijdens de bespuitingen waargenomen. Uit het OBO-onderzoek blijkt tevens dat de doorlaatbaarheid van een heg of schutting verschil kan maken voor de hoeveelheid drift die achter de barrière terecht komt. Wat in welke situatie doelmatig is kan nog niet gezegd worden. Indicatoren Op 1 januari 2018 zijn enkele wijzigingen in het Activiteitenbesluit van kracht geworden die de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater verder moeten terugdringen. Zo moeten bedrijven met een open teelt bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen een spuittechniek toepassen die de verwaaiing (drift) van gewasbeschermingsmiddelen met ten minste 75 procent vermindert.

Bovendien is het verboden gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken bij een windsnelheid groten dan 5 meter per seconde. Deze verplichting en het verbod geldt voort het hele perceel, ongeacht de aanwezigheid van een sloot of de afstand tot een sloot. De waterbeheerders in Nederland verrichten metingen aan het voorkomen van te hoge waardes bestrijdingsmiddelen in het oppervlaktewater. Het doel van de metingen is het waarborgen van de kwaliteit van het oppervlaktewater. De metingen kunnen evenwel dienen ter indicatie van de mate van drift ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling. Voor het specifiek beoordelen van de ontwikkellocatie en haar omgeving is de website www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl geraadpleegd. In de uitsnede van de regiokaart is te zien dat de regio met name wordt gebruikt voor de teelt van gewassen ten behoeve van humane consumptie en dat op de meetpunten in dit gebied gemiddeld 1 tot 5 stoffen normoverschrijdingen zijn gemeten. Uit deze gegevens is niet af te laden wat de (cor)relatie is met eventuele drift rondom het plangebied. Evenwel kunnen deze gegevens als een indicator worden gebruikt. Windrichting en drift In verband met mogelijke verwaaiing van spuitvloeistof is de overheersende windrichting van belang in combinatie met de situering van het perceel en de teelt van gewassen.

De meest voorkomende windrichting is de west/ zuidwestelijke richting, de richting vanaf waar geen spuitmogelijkheden zijn door de afwezigheid van landbouwgronden.

30

Wettelijke en gebruikszones De uitgangssituatie is dat moet worden uitgegaan van de perceelsgrens van de agrarisch bestemde gronden daar het bestemmingsplan teelten toestaat tot aan het bestemmingsvlak hierbij mag rekeningen gehouden worden met andere omgevingsfactoren. Conform het Activiteitenbesluit is spuiten boven oppervlaktewater niet toegestaan en langs oppervlaktewater waar bollen worden geteeld dient een teeltvrije zone van 1,5 meter te worden gehanteerd. Binnen dit bestemmingsplan is reeds een bedrijfswoning aanwezig. In onderstaande tabel en figuur zijn de afstanden tussen de teeltzone en de locaties waar een gevoelige functie mag worden gerealiseerd opgenomen. De minimale afstand tussen de grens van de teelt en de bedrijfswoning is hierdoor 38 meter. In werkelijkheid is deze afstand groter omdat initiatiefnemer langdurig de agrarische gronden rondom het plangebied huurt en gebruikt voor de teelt van grasgewas ten behoeve van de paardenhouderij. Bedrijfswoning

Kortste afstand gevel tot teeltgrens circa

Overzijde Oosten (oranje pijl) Westen (gele pijl)

Niet van toepassing, geen agrarische gronden aanwezig waar gespoten kan worden. + 38 meter + 44 meter

Plattegrond met daarin in combinatie met de tabel aangegeven afstanden tussen teeltgrens en gevoelige functie Door de wijze waarop het plangebied en daarbuiten is ingericht (sloten, kavelpaden, bomensingel), de agrarische gronden rondom het plangebied langdurig verhuurd zijn aan initiatiefnemer, de gronden in gebruik zijn voor de teelt van grasgewas, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen daarop nihil is en de planologische fixatie van de windsingel wordt er recht gedaan aan

Conclusie

31

de belangen van telers rondom het plangebied en bewoners/gebruikers van het plangebied. Het aspect spuitzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Wettelijk kader

4.1.4 Externe veiligheid Veiligheidsafstanden tussen activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten, zoals woningen, moeten ervoor zorgen dat bij een eventuele calamiteit het aantal dodelijke slachtoffers beperkt blijft. Het Vuurwerkbesluit en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) stellen afstandseisen aan risicovolle bedrijfsactiviteiten. Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zien toe op transportroutes met gevaarlijke stoffen en op transport via buisleidingen). De risico’s worden beoordeeld op twee maatstaven; het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Voor het PR geldt een kans van 10-6 als grenswaarde. Dit betekent dat binnen de PR 10-6-contour geen nieuwe kwetsbare objecten mogelijk zijn. Voor ontwikkeling van nieuwe beperkt kwetsbare objecten geldt deze norm als streefwaarde. Ten aanzien van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de het invloedsgebied van risicovolle activiteiten moet een bestuurlijke verantwoording plaatsvinden van het groepsrisico.

De verantwoording bevat de volgende elementen: • de personendichtheid; • de hoogte van het groepsrisico; • maatregelen ter beperking van het groepsrisico; • de voor- en nadelen van alternatieve locaties; • de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; • de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen het invloedsgebied.

Beoordeling

32

Binnen het plangebied wordt de agrarische bestemming omgezet naar ‘paardenhouderij’. De bedrijfswoning zal worden behouden. Het aantal bezoekers dat het plangebied aandoet neemt hierdoor toe. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 10-6 contour (+900 meter) van een gevaarlijke inrichting, buisleiding (+ 1 km) of route gevaarlijke stoffen. Evenmin bevindt het plangebied zich binnen de invloedssfeer van dergelijke inrichtingen, buisleidingen en routes. Zie ook navolgende uitsnede van de risicokaart. Een verantwoording van het groepsrisico is hierdoor niet vereist.

Uitsnede verbeelding Risicokaart zie voor locatie plangebied rode punaise Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.5 Bodem In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een initiatief onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Conclusie

Wettelijk kader

De Woningwet d.d. 13 juni 2018 (artikel 8, tweede lid) verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Of sprake is van verontreinigde grond kan met een bodemonderzoek worden aangetoond. Het plan voorziet in de wijziging van een agrarisch bestemd perceel naar een perceel met een bedrijfsbestemming. De bestaande bedrijfswoning blijft gehandhaafd en er zullen geen bouwactiviteiten worden uitgevoerd. De Woningwet is daardoor niet van toepassing.

Beoordeling

Om te bepalen of de bodem geschikt is conform artikel 3.1.6 voor het beoogd gebruik is gebruik gemaakt van de bodemkwaliteitskaart, in de omgeving uitgevoerde bodemonderzoeken en eventuele historisch verdachte activiteiten op of in de omgeving van de locatie. Bij de omgevingsdienst zijn geen historische vergunningen in het kader van de Hinderwet of de Wet Milieubeheer aanwezig. Ook in het register van de KvK zijn geen vermeldingen bekend van potentiële bodemverontreinigende bedrijven. Er zijn bij de omgevingsdienst geen boven- of ondergrondse brandstoftanks bekend.

33

Er zijn op het perceel, voor zover bekend, geen bestrijdingsmiddelen en/ of ontsmettingsmiddelen gebruikt en zijn er in het verleden geen bedrijven aanwezig geweest die asbesthoudende producten, apparaten of voorwerpen vervaardigden en/of verwerkten. Ook zijn er op de locatie, voor zover bekend, geen sloten gedempt, is er niet structureel afval gestort of verbrand en is het maaiveld niet opgehoogd. Dit geldt ook voor (grote) obstakels, zijnde puin, funderingsresten, slakken, sintels en/of asfalt die in de bodem aanwezig zouden kunnen zijn. In de nabije omgeving zijn geen grootschalige gevallen van bodemverontreiniging bekend. De locatie bevindt zich binnen zone B5/O2 “Overige woongebieden (recentere bebouwing) en bedrijven + buitengebied (Den Helder, Hollands Kroon en Schagen) (B5/O2)” van de bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Den Helder, Hollands Kroon en Schagen (d.d. 04-07- 2017). In de bovengrond van deze zone overschrijdt de 95-percentielwaarde voor kwik, lood, zink, PAK en PCB de (generieke) achtergrondwaarde. In de ondergrond overschrijdt de 95percentielwaarde voor kobalt, lood, molybdeen, nikkel, zink, PAK en PCB de (generieke) achtergrondwaarde. Op een deel van de planlocatie is in de nacht van 23 juni 1941 een Wellington bommenwerper geraakt door een Duitse straaljager.

Ten behoeve van de berging is door Grondslag Bodemkwaliteit een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 1). Op basis van dit verkennend onderzoek is de berging uitgevoerd onder milieukundige begeleiding.

Locatie in rood verkennend bodemonderzoek Grondslag 2021-02-10

Conclusie

Wettelijk kader

34

Het aspect bodem is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 4.1.6 Geluid De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones.

Voor wegen tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Voor wegen met een maximumsnelheid tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de deze wet zijn vastgelegd. Voor het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een bedrijfswoning t.b.v. paardenhouderij is geen hogere waarden nodig. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een (agrarische) bedrijfswoning naar een bedrijfswoning ten behoeve van paardenhouderij. Geluidsgevoelige ruimten komen niet dichter op de weg dan in de huidige situatie.

Beoordeling

Vanuit de Wgh zijn er, geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. Bij de bedrijfswoning is er sprake van een aanvaardbaar akoestisch woon- en leefklimaat.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=9e93cfb2-5e18-4cf1-b810-ddfb46eacd19