CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Toelichting BP Muggenburgerweg 4 Haringhuizen.pdf

Raad 15 september 2022, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Muggenburgerweg 4 Haringhuizen13.229 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Toelichting

Vast te stellen

Toelichting

Vast te stellen

opdrachtgever document

W.Y. en Y.G. Kooijman R21002_toelichting_20220706

versie

Vast te stellen

datum

17-08-2022

Ontwerp

22-02-2022

NL.IMRO.1911.BPBG2010hz19-on01

Datum vaststellingsbesluit

NL.IMRO.1911.BPBG2010hz19-va01

Vastgesteld

auteur controle

N. Bruijnooge, MSc L. Borst, BBE L. Heinis, BBE

Luchtfoto planlocatie (bron: PDOK 2020)

1 Inleiding ...................................................................................... 5 1.1

Aanleiding en doel ............................................................................. 5

1.2

Ligging van het plangebied ................................................................ 5

1.3

Bestemmingsplantoets ....................................................................... 6

1.4

Leeswijzer .......................................................................................... 7

2 Planvoornemen........................................................................... 8 2.1

Historische context ............................................................................ 8

2.2

Nut en noodzaak ontwikkeling ........................................................... 9

2.3

Het bouwplan................................................................................... 10

3 Beleidskader ..............................................................................11 3.1

Inleiding .......................................................................................... 11

3.2

Rijksbeleid ....................................................................................... 11

3.3

Provinciaal beleid ............................................................................. 13

3.4

Regionaal beleid .............................................................................. 16

3.5

Gemeentelijk beleid ......................................................................... 16

4 Randvoorwaarden......................................................................20 4.1

M.E.R. Beoordelingsplicht ................................................................. 20

4.2

Archeologie ..................................................................................... 20

4.3

Cultuurhistorie ................................................................................. 22

4.4

Bodem ............................................................................................. 23

4.5

Water ............................................................................................... 24

4.6

Flora & Fauna ................................................................................... 25

4.7

Gewasbeschermingsmiddelen en biociden ........................................ 29

4.8

Stikstof ............................................................................................ 29

4.9

Verkeer en parkeren ......................................................................... 30

4.10 Akoestiek......................................................................................... 31 4.11 Luchtkwaliteit .................................................................................. 32 4.12 Bedrijven en milieuzonering ............................................................. 33 4.13 Externe veiligheid ............................................................................ 33 4.14 Kabels en leidingen .......................................................................... 35 4.15 Duurzaamheid ................................................................................. 35

5 Juridische toelichting..................................................................37 5.1

Algemeen ........................................................................................ 37

5.2

Plansystematiek ............................................................................... 37

5.3

Verbeelding ..................................................................................... 37

5.4

Toelichting op de regels ................................................................... 37

5.5

Handhaafbaarheid ............................................................................ 40

6 Uitvoerbaarheid .........................................................................41 6.1

Economische uitvoerbaarheid ........................................................... 41

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid..................................................... 41

7 Procedure ..................................................................................43

1.1 Aanleiding en doel Aan de zuidzijde van het terpdorp Haringhuizen ligt op de kadastrale percelen 358 en 526 aan de Muggenburgerweg 4 een oude agrarische enclave met hierop een grote stolpboerderij en een aantal boerenschuren. De agrarische functie is komen te vervallen waardoor het perceel een gedateerde en verlaten indruk geeft. Het voornemen is om de bebouwing aan de Muggenburgerweg 2 en 4 te amoveren en 7 vrijstaande woningen te realiseren op de kadastrale percelen 358 en 526. Omdat het vigerende bestemmingsplan op de percelen een agrarische functie toewijst, is het voornemen in strijd met het bestemmingsplan. Het perceel 609 aan de Muggenburgerweg 2 zal worden gesaneerd en hier wordt, vanwege het hoogspanningstracé, niks teruggebouwd. Dit perceel wordt meegenomen in een ander bestemmingsplan in verband met de aankoop van de grond door de gemeente. Voorgenomen ontwikkeling van de 7 vrijstaande woningen past niet binnen de vigerende planologische kaders van het vigerende bestemmingsplan te Muggenburgerweg 4 “Buitengebied voormalige gemeente Niedorp” vastgesteld in 1 oktober 2013 door de gemeente Hollands Kroon (identificatie t_NL.IMRO.0400.412BPLANDGEB2011)’. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw ruimtelijk regime van kracht, waarbij de realisatie van 7 woningen planologisch mogelijk wordt gemaakt.

1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied staat kadastraal bekend onder de kadastrale gemeente Barsingerhorn, sectie G, nummers 358 en 526 met een totale oppervlakte van 24.365 m2 (Figuur 1).

Figuur 1 | Kadastrale ligging (bron: kadastralekaart.nl)

Het plangebied is gelegen aan de Muggenburgerweg 4 te Haringhuizen, aan de zuidzijde van Haringhuizen. De ligging is weergegeven op Figuur 1. Het plangebied wordt begrensd door agrarische velden aan de oost-, zuid- en westzijde. Rondom de percelen zijn een aantal watergangen aanwezig.

1.3 Bestemmingsplantoets Ter plaatse van Muggenburgerweg 4 vigeert het bestemmingsplan “Buitengebied voormalige gemeente Niedorp” vastgesteld in 1 oktober 2013 door de gemeente Hollands Kroon (identificatie IMRO-idn:NL.IMRO.1911.BpBuitengebied2010-va02). In het bestemmingsplan is voor de gronden de bestemming “Agrarisch met waarden” opgenomen waarbij de gebouwen gesitueerd dienen te zijn binnen het bouwvlak (zie Figuur 2). Daarnaast hebben de gronden een archeologische dubbelbestemming. In en rondom het bouwvlak is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 toegekend, daarbuiten is de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3 van kracht.

Figuur 2 | Uitsnede bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Relevante begrippen Bedrijfswoning Een bedrijfswoning is een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bestemd voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is. Enkelbestemming agrarisch met waarden De enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ (artikel 3 van de planregels) geeft aan dat de gronden zijn bestemd voor de uitoefening van akkerbouw- en tuinbouwbedrijven met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering (artikel 3.1 a). Onder artikel 3.1 lid e geldt dat er per bedrijf slechts 1 bedrijfswoning is toegestaan, dan wel het bestaande aantal indien dit meer bedraagt. Het plan behelst de sloop van de oude bedrijfswoning en de plaatsing van nieuwe woningen, dit is in strijd met de planregels van het vigerende bestemmingsplan, aangezien er enkel 1 woning is toegestaan. Gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; (artikel 3.2.a, lid 1). Volgens lid 2 van hetzelfde artikel mogen per bouwvlak of door de aanduiding “relatie” met elkaar verbonden bouwvlakken slechts voor 1 agrarisch bedrijf worden gebouwd, dan wel voor het aantal ter plaatse van de aanduiding “maximum aantal bedrijven” aangegeven aantal bedrijven. De voorgenomen ontwikkeling voldoet hier niet aan.

De goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan respectievelijk 7 m en 12 m, dan wel ten hoogste de bestaande gooten bouwhoogte, indien deze meer is; de dakhelling dient ten minste 15° te bedragen, dan wel ten minst de bestaande dakhelling, indien deze minder is (artikel 3.2.a, leden 4 en 5). De

voorgenomen ontwikkeling voldoet wel aan de genoemde goot- en bouwhoogte. Overige bouwregels zijn niet relevant. Dubbelbestemming waarde – Archeologie 2/3 De voor ‘Waarde –archeologie’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen basisbestemmingen, mede bestemd voor het herstel en behoud van archeologische waarden. Voor zowel het regime Waarde - Archeologie 2 als Waarde Archeologie 3 gelden aanvullende bouwregels (artikel 26.2) a. Voor bouwwerken moet alvorens een omgevingsvergunning voor bouwen wordt verleend, door de aanvrager: 1. documentatie of archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden aangetoond dat de archeologische waarden reeds verstoord zijn; 2. archeologisch onderzoek worden overgelegd op grond waarvan kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre archeologische waarden worden verstoord. b. Indien uit het in lid 26.2 onder a genoemde archeologische onderzoek blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen kunnen worden verstoord, verbindt het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; 2.

de verplichting tot het doen van opgravingen in de zin van artikel 1, onder h, van de Monumentenwet 1988; 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. In de bouwregels voor Waarde - Archeologie 2 gelden deze regels volgens artikel 26.2 lid c niet voor bouwplannen van niet meer dan 50 m², of niet dieper dan 60 cm. Bij Waarde - Archeologie 3 is dit vastgesteld op niet meer dan 500 m², dieper dan 40 cm. Omdat het bouwplan hier niet aan voldoet zal een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

1.4 Leeswijzer In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het vigerende beleid, waarbij het beleid op verschillende bestuursniveaus aan bod komt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid zijn toegelicht. Hoofdstuk 6 sluit af met de juridische aspecten.

2.1 Historische context Het dorp Haringhuizen is ontstaan op een aantal terpen in een van de oude zeekleipolders. Het nabij Schagen gelegen dorp valt binnen de West-Friese omringdijk. Het landschap kenmerkt zich door een grillige verkavelingsstructuur die typerend is voor een zeekleilandschap. Tot de jaren ’70 bleef de bebouwing in Haringhuizen met name beperkt tot de terpen. Door de schaalvergroting in de landbouw verschuift de bebouwing van de terpen af en transformeert zich in grotere stallen en schuren. Door de voortzettende ontwikkeling van het dorp worden de stallen en schuren getransformeerd tot woonbebouwing of gesloopt. Het gebied kenmerkt zich door lintbebouwing met voornamelijk vrijstaande woningen in een groene omgeving.

Figuur 3 | Haringhuizen omstreeks 1880, 1950 en 2019

De recente ontwikkeling van vrijstaande woningen op voormalig agrarische bedrijven toont aan dat Haringhuizen zich in beperkte mate blijft ontwikkelen. De stedenbouwkundige structuur laat een grote diversiteit van woningtypologieën zien, van luxe villa’s tot arbeiderswoningen. Er is geen sprake van projectmatige bouw, in de korrelgrootte van de verkaveling is het verschil te zien tussen authentieke bebouwing en recente ontwikkeling. De op kleine schaal gebouwde arbeidershuisjes staan dicht op de weg, de nieuwere bebouwing is op een grotere schaal op een verder naar achter liggende rooilijn gebouwd. De lange diepe kavels gelegen aan de weg zijn hierbij vooral typerend in het gebied. De nieuwe woningen zijn ontsloten door middel van korte insteekwegen of een tweede linie. Hierdoor wordt de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur doorbroken. De uitgebreide stedenbouwkundige analyse is opgenomen in hoofdstuk 2 en 3 van bijlage 1.

2.2

Nut en noodzaak ontwikkeling

Het agrarisch bedrijf aan de Muggenburgerweg 4 is reeds beëindigd, de aanwezige bebouwing heeft weinig kwaliteit en geeft een verlaten indruk. De aanwezige bebouwing bestaat uit een boerenwoning en een drietal schuren (zie Figuur 4). De verlengde boerderijschuur ligt precies in de zichtlijn vanuit het dorp, echter met een betrekkelijk anonieme zijkant naar de Dorpsstraat. Aan de oostzijde staat, los van het hoofdvolume, een agrarisch woonhuis uit de jaren 60. De beeldkwaliteit is gebrekkig, mede door de technische staat van de bebouwing. Zowel dakvlak als gevel is met plaatmateriaal opgelapt. De herontwikkeling van de agrarische opstallen aan de zuidzijde van de Dorpsstraat, op de Tsplitsing van de Muggenburgerweg en Hogebierenweg, heeft een lange geschiedenis. De vader van de huidige eigenaren krijgt al in 2002 van de gemeente Niedorp toestemming voor woningbouw ná bedrijfsbeëindiging. De gemeentelijke toezegging maakt de weg vrij voor de sloop van conservenfabriek Deutekom en de daaropvolgende woningbouw aan de overkant van de boerderij Muggenburgerweg 4. De belofte wordt als wijzigingsbevoegdheid opgenomen in het bestemmingsplan Haringhuizen 2002-2012.

Figuur 4 | Zicht op Muggenburgerweg 4 vanuit de Dorpsstraat In 2011 laat de gemeente Niedorp, in reactie op een principeverzoek om nieuwbouw, per brief weten dat 7 woningen ter compensatie van de sloop van Muggenburgerweg 2 en 4 mogen worden gebouwd. De bestaande woning aan Muggenburgerweg 2 vervalt vanwege de situering onder een hoogspanningstracé. In 2012 is het bestemmingsplan Haringhuizen 2002-2012 tien jaar oud en dient te worden geactualiseerd zoals voorgeschreven in de Wet ruimtelijke ordening. Het dorp Haringhuizen wordt grotendeels conserverend bestemd: op een groot deel van het dorp komt een beheersverordening te liggen. Muggenburgerweg 4 wordt daarom opgenomen in bestemmingsplan 'Buitengebied voormalige gemeente Niedorp' (01-10-2013), vastgesteld door de fusiegemeente Hollandse Kroon. Echter wordt er geen wijzigingsbevoegdheid in dit plan opgenomen voor het adres Muggenburgerweg 4.

2.3 Het bouwplan Het voornemen is om de voormalige agrarische opstallen en bedrijfswoning te amoveren en op de percelen 7 woonkavels te realiseren (zie Figuur 5). Hierbij wordt zo veel mogelijk de aansluiting gezocht op de oude stedenbouwkundige ordeningsprincipes. De bebouwing op de terp is geïnspireerd op het boerenerf, bestaande uit een stolp en twee schuurwoningen. De stolp vormt het hoofdmoment, de naastliggende bebouwing blijft ondergeschikt aan dit hoofdvolume. Losse bijgebouwen zijn mogelijk bij de hoofdbebouwing, het bouwprogramma van de schuren dient binnen de schil beperkt te blijven. De woningen naast de terp tonen een gelijkenis met 4 vrijstaande huizen in traditionele stijl, zoals gebouwd aan het lint. De voorrooilijn zijn vastgelegd om de beeldvorming te sturen. Bijgebouwen zoals garages zijn toegestaan, ruim achter de voorgevel. Wat betreft architectuur kan hier variatie worden toegepast, zolang deze maar qua korrelgrootte ondergeschikt blijven aan de woningen op de terp en in traditionele stijl behouden blijven. Om ervoor te zorgen dat de kopers van de kavels niet de gehele bouwvlakken bebouwen en er eenzijdige vormen ontstaan wordt er een bebouwingspercentage meegegeven in de regels. Hiermee wordt gezorgd voor flexibiliteit in de vormgeving van de bebouwing.

Nadere eisen aan de stedenbouwkundige invulling is opgenomen in het bijbehorend stedenbouwkundig kader Haringhuizen (bijlage 1).

Figuur 5 | Impressie van mogelijke invulling van verkavelingsplan met twee openbare parkeerplaatsen

Naast wonen zijn op de percelen conform de voorwaarden binnen de woonbestemming in het vigerende bestemmingsplan ook aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, het gebruik als bed & breakfast en hobbymatig houden van vee is toegestaan. Hierbij geldt wel dat het enkel is toegestaan om hoofdgebouwen binnen het bouwvlak te bouwen met een bebouwingspercentage van 85% per bouwvlak. In artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo staat aangegeven dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te (ver)bouwen, echter zijn er ook uitzonderingen. Deze staan in Bijlage II Besluit omgevingsrecht in artikel 2 en 3 aangegeven. Parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein. Echter om aan de parkeernorm te voldoen van het CROW worden er 2 openbare parkeerplaatsen gerealiseerd langs de weg, aan de voorzijde van de meest oostelijke kavel op de terp.

3.1 Inleiding Dit hoofdstuk geeft een beeld van nationaal, regionaal en lokaal ruimtelijk beleid dat voor de voorgenomen ontwikkeling relevant is. Allereerst wordt het Rijksbeleid beschreven, gevolgd door het provinciaal beleid, het regionaal beleid en tot slot het gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid 3. 2. 1

S tru ctu ur v is ie In fr ast ru ctuu r en R ui mte (SV IR)

De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) vormt het ruimtelijk beleid op rijksniveau. Hierin geeft het kabinet aan waar het naar streeft: Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Om dat te bereiken laat het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij degene die het aangaat en laat het meer over aan gemeenten en provincies (‘decentraal, tenzij…’). Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op nationale belangen. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Rijk wil dat de van nature aanwezige economische groeikracht maximaal benut wordt. De ambitie voor 2040 draait om leefbaarheid, bereikbaarheid en veiligheid. De hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor de middellange termijn (2028) zijn: ▪ het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland, waarbij door het Rijk vooral wordt ingezet op mainports, brainports en greenports; ▪ het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; ▪ het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Om de doelen van de middellange termijn te bereiken zijn 13 nationale belangen geformuleerd.

Deze doelen gaan over een aantrekkelijk vestigingsbeleid voor buitenlandse bedrijven, energiezekerheid, het slimmer benutten van bestaande infrastructuur, bescherming van wederopbouwgebieden, maatregelen tegen overstromingen of voor de kwaliteit van de bodem, lucht en het water en ruimte voor natuur. Betekenis voor het project De SVIR legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in de SVIR.

3. 2. 2

B esl ui t a lg emen e r ege ls ru imt e li jk e o rde ni ng ( B ar ro)

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (2011) bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de SVIR ten aanzien van de dertien daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Betekenis voor het project Het Barro legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Barro.

3. 2. 3

Lad der du ur zam e ve rs te del i jk in g

In het Besluit ruimtelijke ordening is de Ladder voor duurzame verstedelijking in artikel 3.1.6 Bro opgenomen. De Ladder is van toepassing op ieder bouwplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Het doel van de Ladder is om ongewenste leegstand te voorkomen en zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren. Bij ruimtelijke besluiten moet daarom worden gemotiveerd hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt van het ruimtegebruik. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkingsof wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. De Laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Betekenis voor het project Onderhavig bestemmingsplan betreft de ontwikkeling van 7 woningen op de locatie.

Uit jurisprudentie volgt dat bij woningbouw pas sprake is van een stedelijke ontwikkeling bij de bouw van meer dan 11 woningen1. De in het plan voorziene ontwikkeling kan ook niet worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Er hoeft daarom geen Laddertoets te worden uitgevoerd. De Ladder voor duurzame verstedelijking biedt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling.

3. 2. 4

O ntwe rp N at ion al e O m gev ing sv is ie (N ov i)

De Omgevingswet treedt naar verwachting in werking in 2022. Het Rijk maakt vooruitlopend op de invoering van de Omgevingswet een Nationale Omgevingsvisie (Novi). Het Ontwerp van deze Nationale Omgevingsvisie is in juni 2019 verschenen en op 11 september 2020 is deze definitief vastgesteld. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven en zorgen voor grote uitdagingen in Nederland die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Deze uitdagingen vragen om een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.

1 Uitspraak van de ABRS d.d. 18-12-2013 met kenmerk ECLI:NL:RVS:2015:2921

De Nationale Omgevingsvisie richt zich op 4 prioriteiten. Deze hebben onderling veel met elkaar te maken en op deze prioriteiten geeft de NOVI richting aan hoe we onze fysieke leefomgeving inrichten: •

Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie;

•

De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden;

•

Onze steden en regio’s sterker en leefbaarder maken;

•

Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Betekenis voor het project Het Novi legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Novi.

3.3 Provinciaal beleid 3. 3. 1

O mgev in gsv is ie N H2 05 0

Eén van de kerninstrumenten van de Omgevingswet is de omgevingsvisie. Uitgangspunt is dat de omgevingsvisie zorgt voor samenhang in het beleid voor de fysieke leefomgeving door de integratie van de bestaande wettelijke planfiguren. De huidige provinciale plannen (zoals de Structuurvisie, de Watervisie en de Agenda Groen) zijn komen te vervallen en zijn opgegaan in één integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving met onderliggende programma’s. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuur inclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. De Omgevingsvisie NH2050 is op 19 november 2018 door Provinciale Staten (PS) vastgesteld. De ambitie is dat de vraag en aanbod van woon- en werklocaties (kwantitatief en kwalitatief) beter met elkaar in overeenstemming zijn. De woningbouw dient vooral in en aansluitend op de bestaande verstedelijkte gebieden gepland te worden, in overeenstemming met de kwalitatieve behoeftes en trends. Duurzaamheid van de totale voorraad is uitgangspunt.

Nabijheid van functies is een belangrijk duurzaamheidsprincipe. Ook wordt er in de omgevingsvisie rekening gehouden met de beweging ‘Sterke kernen, sterke regio’s’. Deze beweging beoogt zich op het op peil houden van de werkgelegenheid, het voorzieningenniveau en de bereikbaarheid. Ook wordt de krachtige identiteit van de dorpen, steden en regio’s die ze zo kenmerkt behouden of verder ontwikkelt. Hierbij is een belangrijk speerpunt dat zij zich richten op gebiedsgericht maatwerk voor ontwikkelingen in de regio. Betekenis voor het project De woningbouw is gepland aansluitend op de dorpskern, dit zorgt dat het planvoornemen een afronding van het dorp vormt. Binnen het plan worden de afvoermogelijkheden van (regen)water middels een gescheiden systeem geregeld. Het dichtstbijzijnde OV-punt is op 400 meter afstand gelegen (bushalte) en de planlocatie ligt op 6 minuten met de auto van het centrum van Schagen. Het planvoornemen voldoet aan de regionaal opgestelde randvoorwaarden.

3. 3. 2

O mgev in gsv er or den in g N oor d - H ol l and

De belangrijkste onderwerpen uit de Omgevingsvisie zijn, voor zover deze een bindende werking hebben, verankerd in de Omgevingsverordening Noord-Holland. De Omgevingsverordening is op 22 oktober 2020 vastgesteld en sinds 16 november in werking getreden. De omgevingsverordening vervangt daarmee alle voorgaande verordeningen die betrekking hadden op de leefomgeving zoals de Provinciale Ruimtelijke Verordening, de Provinciale Milieuverordening, de Waterverordeningen en de Wegenverordening. De omgevingsvisie biedt meer ruimte voor kleinschalige woningbouw in het landelijk gebied (Figuur 7 )Noord-Holland Noord indien deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken, mits gelegen aan kernen of dorpslinten (artikel 6.10 lid 1 en 2). Het plangebied valt binnen het Noord-Holland Noord gebied zoals bedoeld in de Omgevingsverordening (Figuur 6).

Figuur 6 | Werkingsgebied Noord-Holland Noord (bron: https://noord-holland-extern.terceraro.nl/MapViewer/)

Figuur 7 | Werkingsgebied Landelijk gebied (bron: https://noord-holland-extern.tercera-ro.nl/MapViewer/)

Tevens blijkt uit de omgevingsverordening dat het plangebied net buiten het Kernkwaliteiten Bijzonder Provinciaal Landschap ligt, echter wordt er wel rekening mee gehouden door zo goed mogelijk op het bijzonder provinciaal landschap aan te sluiten. Dit wordt gedaan door het dorpse karakter te versterken en een mooie afronding van het dorp te creëren.

Figuur 8 | Kernkwaliteiten Bijzonder Provinciaal Landschap (https://noord-holland-extern.terceraro.nl/MapViewer/)

Betekenis voor het project De ontwikkeling valt binnen de regio gemaakte afspraken en is gelegen aan het dorpslint. Daaruit volgt dat de ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsverordening volgend uit artikel 6.10 lid 1 en 2.

3. 3. 3

Pr ov in c ia le woon v is ie 2 01 0 -2 02 0

Het provinciale beleid inzake woningbouw is vastgelegd in de Provinciale Woonvisie 2010- 2020. Deze woonvisie sluit aan op de structuurvisie en schetst de kaders voor regionaal woonbeleid. Vooral het kwalitatieve aspect van wonen komt in deze visie aan de orde. De speerpunten van dit beleid zijn: ▪ verbeteren van de afstemming tussen vraag en aanbod voor alle consumenten, en specifiek voor doelgroepen die minder kansen hebben op het vinden van een geschikte woning; ▪ verbeteren van de mate waarin voorzieningen in de woonomgeving aansluiten bij de vraag van bewoners; ▪ verbeteren van de duurzaamheid van het woningaanbod en de woonomgeving. Betekenis voor het project De ontwikkeling, waarbij in opdracht van de kopers kwalitatief goede woningen wordt gerealiseerd, is passend binnen de doelstellingen van het provinciaal woonbeleid.

3. 3. 4 Le id raa d L ands ch ap e n Cu ltuu rh is to ri e P ro v in ci e N oo rd Ho l lan d ( 20 18 ) In het Leidraad Landschap en Cultuurhistorie wordt de ambitie genoemd om ruimtelijke ontwikkelingen bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek, het versterken van (de beleving van) openheid en helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Specifiek voor het gebied rondom Haringhuizen is het zeekleilandschap met terpen. “Het landschap met herkenbare historische structuren is vertrekpunt. Het gaat om de langgerekte linten, smalle wegen, stolpenreeksen, erven, terpen, dijken en kreekruggen (reliëfverschillen), waterstructuren en de karakteristieke dorpen.” Hierbij moet kritisch gekeken worden welke functies ingepast dienen te worden in de linten. Bij uitbreiding moeten de dorpen weer opnieuw een afgerond geheel vormen: “dit vereist een zorgvuldige vormgeving van de dorpsrand en een helder onderscheid tussen dorp en het omringende landelijk gebied.” Tevens dient de openheid van de linten in behoudt te blijven. Betekenis voor het project De uitbreiding van het lintdorp zal een afronding van het dorp vormen. Door middel van gunstige positioneringen van het bouwvlak zal de beleving van openheid in het landschap groter worden.

3.4 Regionaal beleid 3. 4. 1

Reg ion aa l c onv ena nt w oni ngb ouw re g io Ko p v an N oo rd Ho l lan d

Op 28 oktober 2015 is het regionaal convenant woningbouw regio Kop van Noord-Holland ondertekend door de gemeenten Texel, Den Helder, Hollands Kroon, Schagen en de provincie Noord-Holland. Met het convenant beogen partijen een actieve regionale samenwerking te voeren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningmarkt in de regio Kop van Noord-Holland. De Kop van Noord-Holland staat de komende tien tot vijftien jaar voor een beperkte groei, zowel in inwoners als huishoudens. In het convenant zijn afspraken gemaakt over het verminderen van de geprogrammeerde woningaantallen en het verbeteren van de kwaliteit van woningbouwlocaties en productmarktcombinaties aansluitend bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland. Het Regionaal Kwalitatief Woningbouwprogramma voor de Kop van Noord-Holland (KWK) bestaat uit regionale afspraken over de kwantitatieve aantallen te bouwen woningen tot 2020 en een programmalijst van woningbouwplannen die zijn beoordeeld op kwaliteit aan de hand van het objectieve afwegingskader. Betekenis voor het project Het onderhavige plan is niet opgenomen op de programmalijst behorende bij het KWK. De regiogemeenten mogen nieuwe plannen toevoegen, mits dit voldoet aan het kwantitatief plafond en de indicatieve verdeling per kern. Voor dergelijke plannen is in het KWK een afwegingskader opgenomen.

Hiermee worden plannen kwantitatief en kwalitatief beoordeeld.

3.5 Gemeentelijk beleid 3. 5. 1

O mgev in gsv is ie “R u imt e voo r el kaa r ”

De omgevingsvisie is een integrale visie en een helder fundament voor het beleid van Hollands Kroon, en de uitvoering ervan, voor de periode tot 2030. Voor woningbouw geldt in het bijzonder dat er behoefte is aan sturen in een tijd van robuuste veranderingen. Om deze reden zijn kaders gesteld die zorgen voor heldere keuzes en tegelijkertijd flexibiliteit, zodat bijsturen waar nodig mogelijk is. Kaders die zijn gestoeld op realisme. Het bijgestelde woningbouwprogramma getuigt daarvan. In de Omgevingsvisie Hollands Kroon is aangeven dat de gemeente staat voor een gezonde woningvoorraad waarbij de focus verlegd wordt op kwaliteit in plaats van kwantiteit. De gemeente creëert condities voor goede, gedifferentieerde woon- en leefmilieus en wil de meest aantrekkelijke woon- en leef gemeente van Noord-Holland Noord worden. De regie voor de woningbouw vindt plaats aan de hand van het KWK (zie § 3.3.1). De ambitie is dat niet krimp, maar groei de toekomst is voor Hollands Kroon. Dit uit zich in een substantiële groei van het aantal inwoners tot circa 55.000 in 2030. Betekenis voor het project Het plan is in overeenstemming met de omgevingsvisie omdat het voldoet aan de regionale woonbehoefte door het diverse aanbod. De nieuwe ontwikkeling draagt bij aan de leefbaarheid van het kleine dorp door de vervallen agrarische bebouwing te vervangen door nieuwe woningen.

3. 5. 2

We lst ands not a 2 01 3

Het welstandsbeleid is vastgelegd in de ‘Welstandsnota Hollands Kroon’ van 4 november 2013. De gemeente Hollands Kroon heeft met deze nota een gedereguleerd welstandsbeleid vastgesteld. Onderdeel van de welstandsnota is een kaart die inzichtelijk maakt waar welke welstandsregels van toepassing zijn. Er worden drie typen gebieden onderscheiden: ▪ Welstandsvrij; ▪ Welstandsluw; ▪ Welstandsintensief.

Figuur 9 | Uitsnede Welstandsnota (groen: welstandsluw / wit: welstandsvrij)

De percelen op de terp zijn welstandsvrij (Figuur 9) dit houdt in dat voor het omgevingsvergunningplichtig bouw- of verbouwplan, geen preventief welstandstoezicht aan de orde is. Met ander woorden: de aanvraag zal geen welstandstoets ondergaan. De initiatiefnemer is zelfverantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. De percelen naast de terp zijn welstandsluw (Figuur 9), dit houdt in dat voor het omgevingsvergunningplichtig bouw- of verbouwplan een licht preventief welstandstoezicht aan de orde is. Met andere woorden: de omgevingsvergunning moet voldoen aan de volgende, globale welstandsregels: ▪ geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief; ▪ geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; ▪ geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is; ▪ geen toepassing van felle of contrasterende kleuren; ▪ geen toepassing van opdringerige reclames. De initiatiefnemer is grotendeels zelfverantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouw- of verbouwplan. Om zeker te stellen dat er eisen gesteld kunnen worden aan de verschijningsvorm van de nieuwe bebouwing is er een regel opgenomen waarin het bevoegd gezag nadere eisen mag stellen aan het uiterlijk. Betekenis voor het project

Het plan is in overeenstemming met het welstandsbeleid door aansluiting te zoeken bij het dorpse karakter. Door vastlegging van de bouw- en goothoogten, dakhelling en gevellijn wordt aangesloten op de welstandsnota.

3. 5. 3

Woo nv is ie

De woonvisie van de gemeente Hollands Kroon is opgesteld op 17 december 2020. Deze woonvisie vervangt het kennisdocument Wonen Hollands Kroon, deze is in 2013 vastgesteld door de raad. Door middel van deze woonvisie wordt het woonbeleid in de gemeente herzien en geactualiseerd. Hierdoor kan er beter worden aangesloten op de huidige en toekomstige woningmarkt. Tijdens het proces naar deze nieuwe woonvisie zijn inwoners, maatschappelijke instanties en bedrijven betrokken. Hiervoor is een participatietraject gedaan, waarbij participanten konden reageren op concept thema’s voor de nieuwe woonvisie of zelf een thema konden aandragen. Hollands Kroon moet een aantrekkelijke woongemeente voor blijven voor de inwoners, de uitgangspunten en kaders hiervoor staan in deze woonvisie. De gemeente Hollands Kroon staat voor een gezonde woningvoorraad, het sturen op doelgroepen en het inzetten op nieuwe initiatieven. Om de visie op wonen zo concreet mogelijk te houden zijn er drie uitgangspunten waar de focus op ligt, namelijk: ▪ Focus op bouwen, de druk op de volkshuisvesting blijft de komende jaren toenemen. Het is van belang dat de woningvoorraad aansluit op de stijgende vraag. Er moet nu gebouwd worden zodat de inwoners zo snel mogelijk kunnen gaan wonen.

Woningbouwplannen zijn het begin, maar de heipalen moeten ook daadwerkelijk de grond in gaan; ▪ Focus op jongeren en starters, Bij jongeren is de zin om te verhuizen groter dan bij andere leeftijdsgroepen. Wanneer de toegang tot de woningmarkt beperkt is, kiest deze doelgroep eerder om te verhuizen naar een andere gemeente. De gemeente Hollands Kroon wil een aanbod dat aansluit op de woonbehoeften van jongeren en starters zodat zij in Hollands Kroon kunnen blijven of komen wonen. Met oog op de toekomst focussen zij op jongeren en starters. Onder starters wordt iedereen die toetreedt tot de woningmarkt verstaan, hierbij horen ook inwoners die uitstromen uit beschermd wonen of spoedzoekers vanwege bijvoorbeeld een relatiebreuk; ▪ Focus op ouderen, het begrip ouderen omvat een grote groep in de gemeente Hollands Kroon. Hierbij wordt gekeken naar inwoners in de leeftijd van 75 jaar en ouder maar ook naar de toekomstige ouderen vanaf 65 jaar. Deze groep kent onderling grote verschillen en daardoor variëren de woonwensen sterk. Het uitgestrekte landschap van Hollands Kroon met ruimte, rust en water zorgt voor uitdagingen voor deze doelgroep omdat de mobiliteit afneemt en de zorgvraag toeneemt. De focus ligt op een goede aansluiting van de woningvoorraad bij de wensen en eisen van ouderen.

Betekenis voor het project Het beoogde planvoornemen voorziet niet in alle uitgangspunten van de woonvisie. De vrijstaande kavels vallen in de vrije sector, onder het duurdere segment. Dit zijn daarom geen geschikte woningen voor starters en jongeren. Ter plaatse woningen realiseren voor deze doelgroep is niet haalbaar, omdat het plan een particulier initiatief betreft. Hierdoor is sprake van kleinschalige particuliere woningbouw, en niet van projectmatige woningbouw dat geschikt is voor starters en jongeren. Vanwege de omvang en de initiatiefnemer is het daarom niet mogelijk om te voorzien in het uitgangspunt ‘Focus op jongeren en starters’ van de woonvisie.

Daarentegen sluit dit plan uitstekend aan bij het uitgangspunt ‘focus op ouderen’. De kavels vallen in het duurdere segment, wat vaak interessant is voor de oudere doelgroep. Het verhuizen van de oudere doelgroep naar de rustige buitengebieden van gemeente Hollands Kroon, zorgt voor woningdoorstroming in de grotere kernen, wat kansen biedt voor starters en jongeren. Het plan sluit goed aan bij het uitgangspunt, ‘focus op bouwen’. Er is veel vraag naar nieuwe woningen, waardoor het belangrijk is om meer van dit soort planvoornemens te realiseren. Daarnaast zorgt de realisatie van deze vrije kavels voor een kwaliteitsimpuls voor dorpskern Haringhuizen.

4.1 M.E.R. Beoordelingsplicht In het besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten opgenomen die in het kader van het bestemmingsplan plan‐m.e.r.‐plichtig, project‐m.e.r.‐plichtig of m.e.r.‐beoordelingsplichtig zijn. Per activiteit zijn de gevallen in aantallen, grootte, lengtes of oppervlakten beschreven die boven de drempelwaarden vallen. In kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen” opgenomen. Betekenis voor het project Uit jurisprudentie blijkt dat het antwoord op de vraag of een activiteit kan worden aangemerkt als een activiteit als bedoeld in kolom 1 van categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, niet afhankelijk is van het antwoord op de vraag of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan (uitspraken van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694, van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:348 en van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1253). Echter blijkt dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing wel een rol speelt.

In een ontwikkeling die in eenzelfde functiewijziging voorziet van ‘agrarisch’ naar ‘wonen’ was het oordeel van de Afdeling dat, gelet op de aard en omvang van twee woningen, de ontwikkeling niet kan worden aangemerkt als een stedelijk ontwikkelingsproject (ABRS 12 juni 2019, no. 201807060/1/R1). Een ander project waarbij het gebruik van het perceel veranderde en er 12 woningen gerealiseerd werden werd niet aangemerkt als stedelijk ontwikkelingsproject (11-032020 ECLI:NL:RVS:2020:729). Conclusie Het planvoornemen is niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken zoals bedoeld in artikel 7.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Er behoeft geen (vormvrije)m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.

4.2 Archeologie De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen

toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2023 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2023. Het betreft dan: 1. Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; 2. Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; 3. Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Zaken zoals het certificeringsstelsel en de aanwijzing van archeologische rijksmonumenten blijven in de Erfgoedwet. De herziene Monumentenwet verplicht gemeenten om ‘rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden’. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Monumentenwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken. De gemeente Hollands Kroon heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Betekenis voor het project Archeologische verwachting binnen het plangebied Binnen het plangebied geldt op basis van een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (Luitjes 2020)(bijlage 2) en een archeologisch adviesdocument (Schinning & Soonius 2021) de volgende gespecificeerde archeologische verwachting: Vanwege de activiteit van de getijdengeul is bewoning in het Laat Neolithicum nog niet mogelijk. In principe is bewoning op de afzettingen van de geul mogelijk vanaf de Bronstijd. Vervolgens is na de sluiting van het Zeegat van Bergen (circa 1200 voor Chr.) op grote schaal veengroei ontstaan. In het westelijk deel van West-Friesland is dit veen is in de Late IJzertijd, Romeinse Tijd en Middeleeuwen bewoonbaar geweest. Aangezien het veen grotendeels verdwenen is zullen hier alleen de diepere sporen van bewaard zijn gebleven. Vanaf de Late Middeleeuwen maakt het onderzoeksgebied onderdeel uit van een complex huisterpen dat zich uitstrekt tot het einde van de Dorpsstraat. Hiervoor geldt een hoge archeologische waarde, evenals voor bewoning uit de Nieuwe Tijd. Op kaartmateriaal is zichtbaar dat in de 19de eeuw binnen het plangebied een stolpboerderij aanwezig is. Archeologische dubbelbestemmingen Conform het vigerend beleid zullen archeologische dubbelbestemmingen worden opgenomen.

Voor het westelijke (momenteel bebouwde) deel geldt dat bij grondroerende plannen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met archeologie (Waarde – Archeologie 1). Voor het oostelijk deel geldt dat bij grondroerende plannen groter dan 500 m2 en dieper dan 70 cm onder maaiveld rekening dient te worden gehouden met archeologie (Waarde – Archeologie 2). Vervolgstappen 1. De sloop van de huidige bebouwing dient niet dieper plaats te vinden dan tot maaiveld. Dit om de mogelijk aanwezige resten van de stolpboerderij en oudere periodes te behouden. Deze kunnen vanaf maaiveld aanwezig zijn. 2. Vanuit het gemeentelijk beleid wordt geadviseerd om archeologie-vriendelijk te bouwen, dat wil zeggen de bodem niet dieper te verstoren dan het regime in de dubbelbestemmingen. Een

archeologie-vriendelijk bouwplan kan worden getoetst door Archeologie West-Friesland en dient te worden goedgekeurd door de gemeente. 3. Indien de bodem dieper wordt verstoord dan het regime in de dubbelbestemmingen, dient vervolgonderzoek plaats te vinden. Dit archeologisch onderzoek dient te bestaan uit een Inventariserend Veldonderzoek (IVO) in de vorm van proefsleuven. Tijdens het proefsleuvenonderzoek wordt de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals hierboven beschreven, getoetst. Als leidraad voor het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen te worden opgesteld dat vervolgens aan het bevoegd gezag ter goedkeuring wordt voorgelegd. Een dergelijk onderzoek dient te worden uitgevoerd door een gecertificeerd archeologisch bedrijf. De kosten van een dergelijk onderzoek zijn, conform de Erfgoedwet (hoofdstuk 9 § 1), voor rekening van de initiatiefnemer. Conclusie Er zal een archeologische dubbelbestemming worden opgenomen. Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning dient rekening gehouden te worden met het archeologisch regime. Ten alle tijden dient rekening gehouden te worden met de archeologische zorgplicht, waarbij mogelijke vondsten gemeld dienen te worden. Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

4.3 Cultuurhistorie In september 2009 overhandigden de ministers van toenmalige ministeries Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) aan de Tweede Kamer. Door middel van de MoMo had de minister tot doel een aantal veranderingen door te voeren in de monumentenzorg: ▪ het stimuleren en ondersteunen van gebiedsgericht werken; ▪ het belang van cultuurhistorie laten meewegen in de ruimtelijke ordening; ▪ het formuleren van een visie op erfgoed en het verminderen van de administratieve lastendruk. Als gevolg van de MoMo zijn het Besluit ruimtelijke ordening en de Monumentenwet op 1 januari 2012 aangepast. Belangrijkste gevolgen zijn de plicht voor gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekeningen te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en het vergroten van vrijstellingen van de vergunningplicht voor eigenaren van monumentale gebouwen. Betekenis voor het project Op circa 700 meter van de projectlocatie is een ‘terrein waarin terp/verhoogde woonplaats’ aanwezig is (zie Figuur 10). Binnen het plangebied en de directe omgeving zijn geen specifieke cultuurhistorische waarden aanwezig. Het bouwplan leidt niet tot aantasting van cultuurhistorische waarden.

Door aansluiting op de oorspronkelijke stedenbouwkundige principes zorgt het project voor een versterking van het cultuurhistorisch karakter van de omgeving.

Figuur 10 | uitsnede monumenten kaart (bron: www.rijksmonumenten.nl)

Conclusie Het aspect cultuurhistorie staat de uitvoerbaarheid van het project niet in de weg.

4.4 Bodem In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Onderzoeksresultaten Begin 2019 is er een Verkennend bodem- en asbestonderzoek NEN5740 uitgevoerd (bijlage 3). De baksteen houdende zandige kleilaag ter plaatse van de gedempte sloot aan de zuidkant van het erf is sterk verontreinigd met zink, matig met lood en licht met enkele zware metalen en PAK (som 10). Overige gebieden waren maximaal licht verontreinigd. In het laag baksteenpuin ter plaatse van de dam van het weiland naar de weg zijn sporen asbesthoudend materiaal aangetroffen maar in een gehalte ruim onder de interventiewaarde. De afgebroken dakgoot op het erf is asbestverdacht en aanleiding om de huidige bebouwing op asbesthoudende materialen te onderzoeken.

De gedempte sloot op het erf moest nader worden onderzocht om de ernst en omvang van de matige en sterke verontreinigingen te bepalen. In 2020 is daarom een nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Uit het nader onderzoek volgt dat alleen de kleiige ondergrond van één boring, waarin sporen van baksteen en kolengruis zijn aangetroffen, matig verontreinigd is met zink. De verdachte bovengrond en de onverdachte ondergrond ter plaatse van de overige boringen is hooguit licht verontreinigd met cadmium, kwik en/of lood. De omvang van de matige en sterke verontreinigingen ter plaatse van de boringen 12 en 13 uit het voorgaande verkennende onderzoek bedraagt ongeveer (15 m2 * 1,0 m =) 15 m3. Betekenis voor het project De sterke verontreiniging met zink en de matige verontreiniging met lood uit het voorgaande onderzoek zijn in dit nader onderzoek niet bevestigd. Omvang van de destijds aangetroffen sterke verontreiniging is beperkt en bedraagt ongeveer 15 m3. Bij een sterke verontreiniging met een omvang kleiner dan 25 m3 grond is geen sprake van een geval van ernstige

bodemverontreiniging of een saneringsplicht. De matige loodverontreiniging zou echter een bezwaar kunnen zijn voor potentiële klanten met jonge kinderen. Om die reden wordt aanbevolen voor dit terreindeel geen consumptiegewassen te verbouwen. Conclusie Het plan is uitvoerbaar ten aanzien van het omgevingsaspect bodem

4.5 Water Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de huidige en de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. De planontwikkeling kan effecten hebben op de hoeveelheid verharding en het waterschap zal het plan beoordelen op haar effecten. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Betekenis voor het project Voor het plan is advies aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in het kader van de watertoets via www.dewatertoets.nl. Hierbij is door HHNK aangegeven dat het plan een beperkte invloed heeft op de waterhuishouding (zie bijlage 5). Hierdoor kan de korte procedure worden gevolgd voor de watertoets. Dit betekent dat de beperkte invloed van het plan op de waterhuishouding kan worden ondervangen met standaard maatregelen. Verharding Het terrein is in de huidige situatie voor een deel bebouwd en verhard, deze totale verharding bestaat uit circa 1490 m² en wordt geheel verwijderd. Voor de nieuwe situatie wordt een verhardingstoename van 4.331 m² aangebracht.

Hierbij is een verhardingspercentage van 100% voor dakoppervlakten en 50% voor het onbebouwde gedeelte van de kavelgrootte gehanteerd. Er vindt dus een verhardingstoename plaats van 2841 m2. Voor de verhardingstoename geldt een watercompensatieplicht van 10%. In het kader van landschappelijke inpassing zal een watergang worden verbreed, deze zal tevens bijdragen aan een goede waterhuishouding en de compenserende waterberging bedraagt circa. 424 m², waarmee deze ruimschoots voorziet in de watercompensatie van 10%. De opdrachtgever is eigenaar van het aangrenzende perceel en is akkoord met het verbreden van de nieuwe watergang. In de legger zal dan ook worden opgenomen dat de opdrachtgever (aangrenzend eigenaar) verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de nieuwe watergang. Waterkwaliteit en riolering Het plangebied valt ‘riooltechnisch’ in een drukrioolgebied. Dat betekent dat de initiatiefnemer zal moeten onderzoeken of het bestaande drukriool genoeg capaciteit heeft om het voorgenomen aantal woningen op aan te sluiten. In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.

Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage.

Geadviseerd wordt om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast wordt geadviseerd om bij de aan te leggen verharding (zoals parkeervakken en opritten) te kiezen voor waterdoorlatende verharding. Om het risico op wateroverlast in de toekomst (door klimaatverandering) te verlagen. Grondwater Tijdens de bouw van het plan is sprake van een tijdelijke of permanente grondwateronttrekking en/of -lozing. Het onttrekken van grondwater korter dan zes maanden met een hoeveelheid van minder dan 15.000 m3/per maand in "niet kwetsbaar gebied" en 8.000 m3/per maand in "kwetsbaar gebied" valt onder de algemene regels van de Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2009. In deze gevallen is geen vergunning voor de onttrekking benodigd, indien de grondwateronttrekking niet gelegen is binnen de waterkering en de bijbehorende beschermingszones. Wel dient er een aanvraag watervergunning gemaakt te worden, welke als melding bij het hoogheemraadschap fungeert. Betekenis voor het project Doordat er in de watertoets is aangegeven dat het plan een algehele herziening van een bestemmingsplan, een structuurvisie, masterplan, herstructureringsplan, tracébesluit, landinrichtingsplan of grootschalige wegreconstructie is wil het hoogheemraadschap bij dergelijke grootschalige plannen altijd betrokken worden.

Het hoogheemraadschap verkent binnen dergelijke plannen graag zijn eigen doelen, belangen en eventuele samenwerkingsmogelijkheden. Hierover wordt contact gezocht met het hoogheemraadschap. Vervolgstappen zijn niet noodzakelijk. Conclusie Het bestemmingsplan is uitvoerbaar ten opzichte van het aspect water.

4.6 Flora & Fauna In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. De soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming. Hierin zijn verschillende beschermingsregimes voor soorten aangewezen

Geb ied sbes ch er mi ng Natura 2000

Figuur 11 | Uitsnede Natura 2000 gebieden (Bron: atlasleefomgeving.nl)

Nabij het plangebied liggen twee Natura 2000-gebieden, Zwanenwater & Pettemerduinen en Abtskolk & De Putten, op een hemelsbrede afstand van respectievelijk 9,5 en 10,2 kilometer. Vanwege de kleinschalige ontwikkeling van onderhavig plan en de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden zijn effecten redelijkerwijs niet te verwachten. Natuurnetwerk Nederland Het provinciale ruimtelijke beleid voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is vastgelegd artikel 6.43 van de Omgevingsverordening Noord-Holland. Dit artikel stelt onder lid 4 dat een ruimtelijk plan geen nieuwe activiteiten mogelijk mag maken die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt ten noordenoosten van het plangebied: het Schagerwad. Het plangebied ligt op een hemelsbrede afstand van circa 1,2 kilometer. Er is dus geen sprake van ruimtebeslag binnen dit natuurnetwerk. Een aantasting van de kenmerken, waarden of samenhang tussen gebieden is net te verwachten vanwege de afstand tot het NNN.

Figuur 12 | Uitsnede Natuur Netwerk Nederland NNN (Bron: omgevingsverordening Noord-Holland)

Op ca. 2,3 kilometer afstand ligt een weidevogelleefgebied. Vanwege deze afstand zijn effecten op het weidevogelleefgebied redelijkerwijs niet te verwachten.

Figuur 13 | Uitsnede weidevogelleefgebied (bron: www.atlasleefomgeving.nl)

4. 6. 1

S oor tenb es che rm ing

Bij de ontwikkeling van de nieuwbouwwoningen zal de huidige bebouwing gesloopt worden. Er dient aangetoond te worden dat hier geen strijdigheden van de voorgenomen werkzaamheden met de natuurwetgeving zijn. Daarom is er in november 2018 en januari 2019 een quickscan Flora en Fauna uitgevoerd (bijlage 6). In het huidige woonhuis zijn dakpannen en openingen die geschikt zijn voor het verblijf van vleermuizen. Ook zijn er openingen en dakpannen geschikt voor vogels om in te verblijven. De klimop op het woonhuis is geschikt als rust- of verblijfplaats voor kleine zoogdieren. In de stal is er de mogelijkheid voor broedvogels om er te verblijven. De schuren kunnen betreden worden door verschillende vogels via de openingen in de muur en de dakpannen. De balken bieden ruimte voor broedplaatsen van de vogels. Er zijn geen holten zichtbaar die geschikt zijn als broedplaats voor de vleermuizen. De tuin is verruigd waardoor er een zeer geschikt biotoop ontstaat voor verschillende grondgebonden zoogdieren. Het gras is er hoog en er groeien kruidachtige planten, naast de schuur ligt een oude, overgroeide hoop met maaisel, stapeltjes oud hout en er zijn enkele sleuven in de bodem, afgedekt met metalen platen of tegels. Aan de voorzijde van de woning staan enkele naaldbomen, deze zijn geschikt voor broedplaatsen voor vogels of als schuilplaats voor de huismus.

Aan de achterzijde van de woning staan meerdere loofbomen, deze bomen zijn geschikt als nestplaats van broedvogels. Ten tijde van het bezoek is in één van de bomen een nest waargenomen van een kraaiachtige, vermoedelijk een Vlaamse gaai. Verlaten kraaiennesten kunnen in gebruik zijn door valken, in dat geval is het nest jaarrond beschermd. Aanvullend onderzoek moet uitwijzen of en door wie het nest in gebruik is. De naastgelegen sloot wordt intensief onderhouden en is hierdoor niet geschikt voor beschermde diersoorten. Wel is de sloot geschikt voortplantingsbiotoop van amfibieën en libellen. Het riet is erg dun en eenjarig vanwege het onderhoud en biedt hierdoor geen ruimte voor broedplaatsen van vogels. De akker, welke is gelegen ten oosten van de bebouwing biedt mogelijke ruimte voor nestlocaties voor weidevogels, ook zijn er meerdere muizenholen waargenomen langs de slootkant. In de directe omgeving komen beschermde vogels, zoogdieren en amfibieën voor, waarvan het aannemelijk is dat ze ook gebruik maken van het plangebied. Van een aantal van deze soorten,

zoals huismus, gierzwaluw en vleermuizen, zijn de nesten jaarrond beschermd. Aanvullend ecologisch onderzoek zal moeten aantonen of de valken, huismus, gierzwaluw, vleermuizen en wezel gebruik maken van het plangebied. In oktober 2020 heeft er een aanvullend ecologisch onderzoek plaatsgevonden aan de Muggenburgerweg 4 (bijlage 7). Ten behoeve van de huismus zijn er in april twee veldbezoeken geweest, hierbij is er in de noordelijke zijgevel van de grote schuur een nest gevonden aan de onderzijde van een dakpan boven de dakgoot. Tevens werd er een nest waargenomen buiten het plangebied bij Muggenburgerweg 13. Voor de gierzwaluw zijn er in de periode juni tot half juli drie avondbezoeken geweest, hierbij werden geen verblijvende of sporen van gierzwaluwen waargenomen. Vanwege de aanwezigheid van een potentieel leefgebied voor roofvogels en uilen en een aanwezig oud nest zijn een drietal bezoekrondes verricht naar roofvogels, uilen en overige broedvogels geweest. Tijdens deze bezoeken zijn geen aanwezige broedende roofvogels of uilen in het plangebied geweest, ook werden er geen poepsporen of prooiresten onder de nesten aangetroffen. Er werden geen alarmerende dieren gehoord, wel werd een braakbal gevonden. Dit indiceert het vroeger incidenteel gebruik van het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=5d9d4923-528a-4cf0-aa8e-14d01ebc94ca