2. Het gewijzigde bestemmingsplan, inclusief bijlagen
Tekst van het document
Hiertoe is het dan ook noodzakelijk voldoende mitigerende maatregelen te nemen om te voorkomen dat de kernwaarden van het NNN worden aangetast. Er dient zo min mogelijk gebruik te worden gemaakt van kunstmatige tuin- of straatverlichting. Indien dit toch noodzakelijk is dient gebruik te worden gemaakt van speciale armaturen. Tevens is het noodzakelijk om de effecten van aan- en afrijdend verkeer dusdanig te verzachten dat koplampen niet zichtbaar over de kleiputten van Vatrop schijnen. Om de effecten te verzachten kan bijvoorbeeld een tuinwal (aarden wal van c.a. 1 meter hoogte welke in het verleden o.a. op Wieringen als perceelscheiding werd toegepast) aan de Waddenzeezijde van de Vatropperweg worden gerealiseerd. Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Met de aanwijzing van Wieringen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is de ontwikkeling van het project alleen toegestaan als de ter plaatse geldende kernkwaliteiten niet worden aangetast. Op basis van de beoordeling aan de kernkwaliteiten zoals weergegeven in paragraaf
DNS Planvorming BV
23/53
3.3.1 kan worden beoordeeld dat deze niet worden aangetast door de voorgenomen planontwikkeling. Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd dat de aanwijzing van Wieringen als BPL de haalbaarheid van het planvoornemen niet in de weg staat. Conclusie Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg staat. Om effecten van lichtuitstraling over de kleiputten van aan- en afrijdend verkeer te verzachten zal een aarden wal van één meter hoog aan de Waddenzeezijde van de Vatropperweg worden gerealiseerd.
4.6
Bedrijven en milieuzonering
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen anderzijds. De doelen van milieuzonering zijn: Het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Betekenis voor het project De VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ geeft indicatieve afstanden tussen woningen en bedrijven met betrekking tot de aanvaardbaarheid van een plan vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Deze afstanden gelden in eerste instantie voor woningen in een rustig woongebied. In de onderhavige situatie is zowel de eventuele hinder van de nieuwe activiteiten in het plangebied van belang als de eventuele hinder vanuit bedrijven/functies in de omgeving op de nieuwe woningen en recreatieverblijven. Hinder vanuit het plangebied In de VNG-brochure is voor de categorie ‘Kampeerterreinen, vakantiecentra, e.d.
(met keuken)’ een richtafstand van 50 opgenomen ten opzichte van woningen in een rustig woongebied. Binnen de afstand van 50 meter zijn geen woningen aanwezig. In het onderhavige geval is sprake van een kleinschalig initiatief met vier recreatiewoningen. Het betreft een kleinschalige ontwikkeling waarvoor een richtafstand van 50 meter niet reëel is. Er wordt geen restaurant of andere voorziening die tot hinder zou kunnen leiden mogelijk gemaakt. De afstand tot de meest dichtstbijzijnde bestaande woning bedraagt 70 meter. Het realiseren van twee woningen op de locatie is in relatie tot de vier recreatiewoningen niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bedrijven/functies in de omgeving Er zijn geen bedrijven of functies in de omgeving aanwezig die een goed woon- en leefklimaat ter plaatse in de weg staan danwel in de bedrijfsvoering worden beperkt door het toevoegen van de woningen en recreatieverblijven. Spuitzonering De omliggende gronden zijn bestemd als Natuurgebied met agrarisch medegebruik. Het gebruik van de gronden voor de exploitatie van een grondgebonden agrarisch bedrijf is toegestaan, met uitzondering van de fruitteelt, de bosbouw en de sierteelt. Door de uitzondering van deze typen teelt is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen die een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied in de weg zou staan, hier niet realistisch.
Daarnaast zijn de gronden met deze bestemming al sinds 2008 in gebruik als grasland, waarbij het (regelmatig) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikelijk is. Agrarisch bestemde gronden bevinden zich aan de zuidwestzijde van het plangebied (bestemming: Agrarische doeleinden zonder bebouwing met landschappelijke en natuurwetenschappe-
DNS Planvorming BV
24/53
lijke waarde). Deze bestemming legt beperkingen op aan het qua gebruik van de gronden. Permanente bollenteelt is bijvoorbeeld uitgesloten. In het bestemmingsplan is voor deze agrarische gronden een zogenaamd aanlegvergunningenstelsel opgenomen waarbij staat aangegeven dat de aanlegvergunning wordt geweigerd indien door de uitvoering van de werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen de landschaps-, natuur en bodemkundige waarden in onevenredige mate worden of kunnen worden aangetast. Ook het scheuren van grasland is maar zeer beperkt mogelijk. Het betreffen relatief kleine stroken agrarische grond en is in particuliere eigendom. Ook hier zijn de gronden in ieder geval sinds 2008 in gebruik als grasland. Er zijn geen vergunningen afgegeven voor deze gronden om grasland te scheuren. De gronden vallen ook binnen de status ‘Bijzonder provinciaal landschap’ (BPL). Teelt van opgaande gewassen is in strijd met de kernkwaliteiten van het BPL. Gelet op de strenge regels uit het bestemmingsplan, de geringe grootte van de agrarisch bestemde percelen in particuliere eigendom, het jarenlange gebruik en de status van BPL is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op deze gronden niet realistisch. De maximale planologische mogelijkheden qua gebruik zorgen er voor dat dat op de gronden alleen neerwaarts gespoten mag worden.
Mocht er dan alsnog gespoten worden, dan is gelet op deze spuittechniek, in combinatie met de regels voor driftreductie uit het Activiteitenbesluit, een (veel) korter richtafstand aanvaardbaar dan de 50 meter die geaccepteerd wordt bij alle soortig agrarisch gebruik waarbij verschillende spuittechnieken gebruikt worden. Gelet op het voorgaande wordt de afstand van 30 meter van agrarische gronden tot de bestemming Wonen aanvaardbaar geacht. Conclusie Vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering zijn er geen belemmeringen aanwezig voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Geluid wegverkeer
Op grond van de Wet geluidhinder dient de geluidbelasting afkomstig van geluidgezoneerde wegen op nieuwe woningen te worden getoetst aan de in de wet opgenomen grenswaarden. Betekenis voor het project Het plangebied ligt aan een 30 km/h weg. Deze wegen kennen geen wettelijke geluidzone. Gelet op de ligging is ter plaatse uitsluitend sprake van bestemmingsverkeer en lage verkeersintensiteiten. Het aspect wegverkeerslawaai staat een goed woon-, leef- en verblijfsklimaat ter plaatse van het plangebied niet in de weg.
4.8
Verkeer en parkeren
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient een bestemmingsplan inzicht te geven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van verkeer en parkeren. Betekenis voor het project Het plangebied wordt via de bestaande in-/uitrit ontsloten op de Vatropperweg. De Vattroperweg is een doodlopende erftoegangsweg dat in een 30 km/u zone valt. De beide woningen krijgen een aparte inrit op deze weg. Volgens de CROW-publicatie 381 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ wordt voor vrijstaande woningen op deze locatie een verkeersaantrekkende werking van circa 8,2 motorvoertuigen per dag per woning aangehouden. Voor de 4 recreatieverblijven worden 2,7 verkeersbewegingen per recreatieverblijf per dag gehanteerd. In totaal komt dit voor de woningen en recreatieverblijven op circa 27 verkeersbewegingen per dag. Gelet op de capaciteit en huidige intensiteit van de weg waarop wordt ontsloten leidt dit niet tot problemen in de verkeersafwikkeling. In maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders de ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018 vastgesteld. De parkeerregels gaan uit van de gemiddelde parkeerkencijfers van het kenniscentrum CROW. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van deze regeling en de normen die daarin zijn opgenomen. Hierbij wordt rekening
DNS Planvorming BV
25/53
gehouden met het gebiedstype ‘niet stedelijk gebied’ en ‘buitengebied’. Voor de woningen dienen 2,4 parkeerplaatsen per woning te worden gerealiseerd. Per recreatieverblijf dienen 2,1 parkeerplaatsen te worden gerealiseerd. De totaal aan te leggen parkeerplaatsen bedragen aldus 14 (13,2 naar boven afgerond) parkeerplaatsen. In de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat er voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd. Op het perceel is voldoende ruimte voor parkeren op eigen terrein.
4.9
Luchtkwaliteit
Op basis van wetgeving die bekend staat onder de naam 'Wet luchtkwaliteit' kunnen ruimtelijkeconomische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer voorwaarden wordt voldaan: grenswaarden niet worden overschreden; de luchtkwaliteit per saldo verbetert of tenminste gelijk blijft; het initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit; het initiatief is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De Wet Luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen kleine en grote ruimtelijke projecten. Onder kleine projecten worden projecten verstaan die de luchtkwaliteit 'niet in betekende mate' verslechteren. Deze projecten worden niet meer beoordeeld op luchtkwaliteit. Ze zijn namelijk zo klein dat ze geen wezenlijke invloed hebben op de luchtkwaliteit. Draagt een klein project niet of nauwelijks bij aan luchtverontreiniging, dan is er geen belemmering voor. Het ministerie VROM heeft de definitie van 'in betekenende mate' vastgelegd in het Besluit NIBM. Projecten die de concentratie NOx, SO2 of fijn stof met meer dan 3% van de grenswaarde verhogen, dragen in betekenende mate bij aan de luchtvervuiling.
Deze 3%-grens is voor een aantal categorieën projecten in de regeling NIBM omgezet in getalsmatige grenzen, bijvoorbeeld: woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen; kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 ontsluitingswegen. Betekenis voor het project Op basis van wetgeving in de Wet luchtkwaliteit, zoals die is opgenomen onder hoofdstuk 5, titel 5.2 Luchtkwaliteitseisen, kunnen ruimtelijk-economische initiatieven worden uitgevoerd als aan één of meer van de voorwaarden wordt voldaan. Onder deze voorwaarden vallen ook het besluit en de regeling ‘niet in betekenende mate (NIBM) bijdragen’. In eerste instantie wordt bekeken of het initiatief omschreven is in de regeling ‘niet in betekenende mate’. In dit geval valt het initiatief niet binnen één van de genoemde categorieën van de regeling ‘niet in betekenende mate’. Er is daarom een toets uitgevoerd met de NIBM-tool waarbij als uitgangspunt een toename van 24 motorvoertuigbewegingen per dag (zie paragraaf 4.6) is aangehouden als gevolg van de ontwikkeling. De conclusie geeft aan dat het extra verkeer in niet betekenende mate is en er geen nader onderzoek nodig is.
DNS Planvorming BV
26/53
Afbeelding 4.1: Berekening NIBM-tool
4.10
Externe veiligheid
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag van of handeling met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Omdat de gevolgen van een ongeluk met gevaarlijke stoffen groot kunnen zijn, zijn de aanvaardbare risico's vastgelegd in diverse besluiten en regelingen:
Risicovolle inrichtingen: Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); Transportassen voor gevaarlijke stoffen: Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen; Buisleidingen: Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR (10-6/jaar) geeft inzicht in de kans op overlijden van een individu op een bepaalde afstand van een risicovolle activiteit. Het GR wordt bepaald door de aanwezige mensen in de nabijheid van een eventueel ongeval bij een risicovolle activiteit en geeft het aantal mogelijke (dodelijke) slachtoffers weer. Ten aanzien van het PR geldt dat er bij besluitvorming op een ruimtelijk plan een grenswaarde in acht dient te worden genomen (kwetsbaar object) danwel met een richtwaarde rekening dient te worden gehouden (beperkt kwetsbaar object). Voor het GR geldt een oriënterende waarde (BEVI) of een orientatiewaarde (circulaire Rvgs). Betekenis voor het project De risicokaart geeft aan dat er geen bedrijven met risicocontouren of buisleidingen aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied. Op circa 1.300 meter ten zuiden van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de N99. Het plangebied bevindt zich buiten het invloedsgebied. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. Er zijn met betrekking tot externe veiligheid geen knelpunten voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Duurzaamheid
Door bij de opstelling van een bestemmingsplan al rekening te houden met het aspect duurzaamheid, kan al in een vroeg stadium van een planontwikkeling worden bewerkstelligd dat de mogelijkheden voor efficiënt gebruik van energie en de inzet van nieuwe energiebronnen kunnen worden benut.
DNS Planvorming BV
27/53
Betekenis voor het project Zoals in paragraaf 2.2 is aangegeven vormt duurzaamheid een belangrijk onderwerp bij de voorgenomen ontwikkeling. Het plan heeft innovatief karakter waarbij duurzaamheid en techniek worden geïntegreerd.
4.12
M.e.r.-beoordeling
Het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer zijn per 7 juli 2017 gewijzigd. Gemeenten zijn thans verplicht om voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieueffectrapport (Mer). In het Besluit milieueffectrapportage zijn m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteiten en indicatieve drempelwaarden opgenomen. Op de D-lijst onder categorie D 11.2 geldt voor het onderdeel ‘aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ een drempelwaarde van 100 hectare en van 2.000 woningen. Betekenis voor het project In dit geval is sprake van de realisatie van twee woningen en vier vrijstaande recreatieverblijven en een kas en schuur waarmee ver onder de drempelwaarde wordt gebleven. Het bebouwingsoppervlak blijft gelijk aan wat nu is toegestaan en gelet op de hiervoor behandelde milieu- en omgevingsaspecten is uitgesloten dat belangrijke negatieve milieugevolgen zullen optreden. Er hoeft derhalve geen m.e.r. beoordelingsprocedure te worden gevolgd.
4.13
Conclusie milieu- en omgevingsaspecten
De effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de in dit hoofdstuk genoemde milieu- en omgevingsfactoren vormen geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan.
DNS Planvorming BV
28/53
5
Juridische planbeschrijving
5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke ontwikkeling juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en geeft uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de systematiek en leeswijzer bij de verbeelding en regels en de handhaafbaarheid.
5.2
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen van de gronden aan. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de beperkingen en mogelijkheden van de gronden met de bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, zijn.
5.3
Regels
In dit bestemmingsplan komt de volgende bestemming voor: Groen Recreatie - Verblijfsrecreatie Wonen Waarde – Archeologie Waterstaat - Waterkering De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels. Artikel 1: Begrippen geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd, waardoor de duidelijkheid wordt vergroot.
Artikel 2: Wijze van meten geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend.
DNS Planvorming BV
29/53
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Per bestemming en per artikel geldt in de meeste gevallen het volgende stramien: a. een beschrijving van de bestemming; b. de bouwregels: regels omtrent hoogte, bebouwingsdichtheid enz. De bouwregels geven aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. c. (eventueel) een mogelijkheid voor afwijken van de bouwregels; d. (eventueel) een omschrijving van de specifieke gebruiksregels; e. (eventueel) een mogelijkheid voor afwijken van de gebruiksregels; De aanduidingen zijn op de verbeelding met een lettercode aangegeven, die in de regels terug zijn te vinden. Beschrijving van de bestemmingen: Artikel 3: Groen Voor de gronden aan de zuidzijde van het plan is de bestemming ‘Groen’ opgenomen. Met uitzondering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet binnen deze bestemming worden gebouwd.
Artikel 4: Recreatie - Verblijfsrecreatie De bestemming ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ is opgenomen voor het overgrote deel van het terrein. Binnen deze bestemming zijn binnen het bouwvlak maximaal 4 recreatiewoningen toegestaan waarbij de oppervlakte van een recreatieverblijf niet meer mag bedragen dan 75 m². Daarnaast is een kas en schuur toegestaan ten behoeve van teelt van gewassen. Binnen de regels is bepaald dat het bebouwd oppervlak niet meer dan 410 m² mag bedragen. De maximale bouwhoogte van de recreatiewoningen en overige gebouwen is 6 meter. Artikel 5: Wonen De gronden met de bestemming ‘Wonen’ zijn bestemd voor wonen. Er zijn maximaal twee woningen toegestaan met een gezamenlijk bebouwd oppervlak van maximaal 240 m². De maximale goothoogte bedraagt 3,5 meter, de maximale bouwhoogte 7 meter. Gelet op de locatie-specifieke omstandigheden in het plangebied, betreffende de ligging in een Bijzonder Provinciaal Landschap naast een natuurgebied, is het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken in de regels uitgesloten. Ten behoeve van het voorkomen van een overmaat aan bebouwing is dit in het kader van een goede ruimtelijke ordening op deze locatie aanvaardbaar. De bestemming staat een oppervlakte van maximaal 20 m² aan bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw toe.
Artikel 6: Waarde – Archeologie (dubbelbestemming) De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de ondergrond. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Artikel 7: Waterstaat – Waterkering (dubbelbestemming) De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn, naast de daarvoor aangewezen bestemming, mede bestemd voor waterstaatkundige voorzieningen. Deze dubbelbestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. Hoofdstuk 2 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.
Artikel 8: Antidubbeltelregel Op grond van de anti-dubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft.
DNS Planvorming BV
30/53
Artikel 9: Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen op grond waarvan een omgevingsvergunning voor bouwen uitsluitend verleend kan worden als in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Artikel 10: Algemene gebruiksregels In de algemene gebruiksregels is aangegeven welk gebruik in ieder geval in strijd is met het bestemmingsplan. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin is geborgd dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Artikel 11: Algemene afwijkingsregels Deze bepaling geeft de mogelijkheid om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien van geringe overschrijdingen. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht.
Artikel 12: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan. Artikel 13: Slotregel Dit artikel geeft de naam en datum van het bestemmingsplan aan. 5.4
Handhaafbaarheid
Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het bestemmingsplan ‘Rijk aan het Wad’, is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Bij de totstandkoming dit bestemmingsplan is aandacht besteed aan de handhaafbaarheid van de in het plan opgenomen regels. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: voldoende kenbaarheid geven aan het plan; voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; inzichtelijke en realistische regeling; handhavingsbeleid.
DNS Planvorming BV
31/53
6
Financiële uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient er in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. De maatschappelijke aspecten worden in hoofdstuk 7 toegelicht. In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Hiervoor wordt een overeenkomst tussen initiatiefnemers en de gemeente gesloten. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd in deze overeenkomst. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
DNS Planvorming BV
32/53
7
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
7.1
Participatie en vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro
Omwonenden zijn door de initiatiefnemer/eigenaar geïnformeerd over het planvoornemen. Begin 2020 is een buurtbijeenkomst gehouden waar het plan is gepresenteerd. Vervolgens is het aangepaste plan in de zomer van 2020 persoonlijk toegelicht aan de buren. Op basis van die momenten en de daarop volgende opmerkingen, bezwaren en nieuwe inzichten is het schetsontwerp aangepast en uitgewerkt. Na overleg met buren is het plan in 2021 opnieuw aangepast waarbij het project een kleinschaliger karakter heeft gekregen. Als bijlage bij dit bestemmingsplan is een verslag van beide contactmomenten opgenomen waarin is aangegeven wat er met de ontvangen reacties is gedaan. Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Het plan is reeds afgestemd met de provincie Noord-Holland, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), de Veiligheidsregio Noord-Holland Noord en GGD Noord-Holland Noord. Met de provincie Noord-Holland heeft reeds in een vroeg stadium van de planvorming overleg plaatsgevonden.
Door de provincie zijn complimenten gegeven over de opgestelde stukken en is positief geadviseerd. Na de terinzagelegging heeft nogmaals overleg plaatsgevonden met de provincie met betrekking tot de regels uit de provinciale Omgevingsverordening NH2020. De aangepaste tekst in paragraaf 3.3.1 is in overleg met de provincie tot stand gekomen. De reacties van HHNK en de Veiligheidsregio zijn in respectievelijk paragraaf 4.4 en 4.10 verwerkt. De GGD vraagt aandacht voor de aanwezigheid van de Reuze Berenklauw en Japanse Duizendknoop bij het toekomstig gebruik.
7.2
Procedure bestemmingsplan
Het ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 29 september 2022 op grond van artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening gedurende 6 weken ter inzage gelegd, waarbij door een ieder zienswijzen bij de gemeenteraad konden worden ingediend. Er is één zienswijze ingediend. De zienswijze is samengevat en van reactie voorzien in de Nota van wijzigingen, welke als bijlage bij dit bestemmingsplan is opgenomen. Op 25 mei is het bestemmingsplan vastgesteld. Naar aanleidingen van een beroepsschrift heeft contact plaatsgevonden tussen de indieners en de initiatiefnemers en zijn de volgende aanpassingen in de regels doorgevoerd: In artikel 4.2.1 is het volgende sublid toegevoegd (en is de rest vernummerd):: a. Er mogen uitsluitend recreatieverblijven, kassen en schuren worden gebouwd. In artikel 4.3 is sublid 4.3.3 toegevoegd: 4.3.3 Toegestaan gebruik a. Op de gronden als bedoeld in artikel 4.1. mogen maximaal 16 personen tegelijk aanwezig zijn, met uitzondering van incidentele educatieve activiteiten zoals een kruidenwandeling b. Kassen en schuren mogen uitsluitend gebruikt worden voor (hobbymatig) agrarisch gebruik c. De gronden als bedoeld in artikel 4.1.
mogen niet gebruikt worden voor feesten, partijen, bijeenkomsten of vergelijkbare gebeurtenissen.’ Onder bijeenkomsten wordt niet verstaan educatieve activiteiten zoals een kruidenwandeling van beperkte duur en omvang en met een incidenteel karakter.
DNS Planvorming BV
33/53
Artikel 10.3 onder g is aangepast, waarbij de zinsnede “niet zijnde verblijfsrecreatie” is geschrapt.
DNS Planvorming BV
34/53
REGELS
DNS Planvorming BV
35/53
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Artikel 1 1.1
Begrippen
plan
het bestemmingsplan ‘Rijk aan het Wad’ met identificatienummer NL.IMRO.1911.BHVbgwlhz004-va02 van de gemeente Hollands Kroon. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3
aan-huis-verbonden beroep of bedrijf
een in bijlage 1 genoemd dienstverlenend beroep of bedrijf, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.4
aanbouw
een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.5
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.6
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.7
afhankelijke woonruimte
een bijgebouw dat qua ligging een ruimtelijke eenheid vormt met de woning en waarin een gedeelte van de huishouding uit een oogpunt van mantelzorg gehuisvest is. 1.8
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9
bedrijf
een onderneming waarin doorgaans met economisch oogmerk goederen worden vervaardigd, bewerkt, verwerkt, verhandeld en opgeslagen, danwel diensten worden verleend. 1.10
bedrijfsmatige exploitatie
Het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de verblijfsrecreatieven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt, doordat daar permanent wisselende recreatieve (overnachtings)verblijfsmogelijkheden geboden worden.
DNS Planvorming BV
36/53
1.11
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.12
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.13
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw. of ander bouwwerk, met een dak; 1.14
bijgebouw
een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een op zichzelf staand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en door ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is; 1.15
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.16
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond. 1.17
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.18
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel. 1.19
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.20 dagrecreatieve voorzieningen vormen van recreatief gebruik, zoals wandelpaden, visplaatsen en parkeerplaatsen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, geen sprake is van overnachting en geen gemotoriseerde vormen van recreatie zijn toegestaan. 1.21
dakkapel
een constructie ter vergroting van een gebouw, welke zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst: a. dakkapellen mogen uitsluitend worden uitgevoerd met gesloten zijwanden; b. dakkapellen hebben een maximale hoogte van 1,75 m; c. de afstand tussen de onderkant van de dakkapel en de dakvoet ligt tussen de 0,5 en 1 m; d. de afstand tussen de bovenkant van de dakkapel en de daknok is 0,5 m of meer; e. de afstand tussen de zijkanten van de dakkapel en de zijranden van het dak is 0,5 m of meer; f. de breedte van de dakkapel beslaat ten hoogste 2/3 van de breedte van het dakvlak. 1.22
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
DNS Planvorming BV
37/53
1.23
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.24
horecabedrijf:
een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie; 1.25
niet-natuurlijke tuin- of straatverlichting
verlichting waarbij de kleurstelling en/of hoogte en/of schijnrichting zodanig is uitgevoerd dat deze geen wezenlijk negatieve invloed heeft op de aanwezigheid en het gedrag van (nacht)dieren; 1.26
overkapping
een bijbehorend bouwwerk in de vorm van een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts met een wand is omgeven. 1.27
permanente bewoning
bewoning van een gebouw als hoofdverblijf. 1.28
peil
a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw. 1.29
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding. 1.30
recreatief verblijf
verblijf dat plaatsvindt in het kader van de verblijfsrecreatie; 1.31
recreatieverblijf
een gebouw of deel van een gebouw dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf en waarvan de gebruikers hun hoofdverblijf elders hebben; 1.32
seksinrichting
een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen is een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. 1.33
verblijfsrecreatie
het recreatief doorbrengen van één of meer nachten buiten de vaste woonplaats, uitgezonderd sociale bezoeken aan familie, vrienden, kennissen en zakenbezoeken;. 1.34
voorgevel
de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.35
wonen
bewonen van een woning door één afzonderlijke huishouding;
DNS Planvorming BV
38/53
1.36
woning
een complex van ruimten in één gebouw, krachtens zijn indeling en inhoud geschikt en uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van een afzonderlijk huishouden.
DNS Planvorming BV
39/53
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de dakhelling:
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.2
de goothoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van dakkapellen; daar waar aangekapt wordt aan het bestaande dakvlak wordt de goot niet als goothoogte gerekend. 2.3
de bouwhoogte van een bouwwerk:
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4
de oppervlakte van een bouwwerk:
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
DNS Planvorming BV
40/53
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Artikel 3 3.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen;
met daaraan ondergeschikt: b. dagrecreatie;
met de daarbij behorende: c. d. e. f. g. 3.2
paden openbare nutsvoorzieningen; voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; verkeers- en verblijfsvoorzieningen; waterlopen en -partijen. Bouwregels
a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
DNS Planvorming BV
41/53
Artikel 4 4.1
Recreatie - Verblijfsrecreatie
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Recreatie - Verblijfsrecreatie’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verblijfsrecreatie in de vorm van een bedrijfsmatige exploitatie; met daaraan ondergeschikt: b. teelt van gewassen met de daarbij behorende kassen en schuren; met de daarbij behorende: c. groenvoorzieningen; d. openbare nutsvoorzieningen; e. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; f. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; g. waterlopen en -partijen. 4.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: 4.2.1 Gebouwen en overkappingen Ten aanzien van de in lid 4.1 bedoelde gronden gelden de volgende bouwregels: a. er mogen uitsluitend recreatieverblijven, kassen en schuren worden gebouwd; b. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; c. het bebouwd oppervlak bedraagt niet meer dan 410 m²; d. de oppervlakte van een recreatieverblijf bedraagt niet meer dan 75 m²; e. de bouwhoogte bedraagt maximaal 6 meter; f. bijbehorende bouwwerken bij een recreatiewoning zijn niet toegestaan. 4.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 4.3
Specifieke gebruiksregels
4.3.1 Recreatieverblijven Er zijn maximaal 4 recreatieverblijven toegestaan. 4.3.2 Strijdig gebruik Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en gebouwen voor permanente bewoning, kampeerterrein, groepsaccommodatie; b. het gebruik van gebouwen, anders dan de recreatieverblijven, voor recreatief nachtverblijf. 4.3.2 Toegestaan gebruik a. Op de gronden als bedoeld in artikel 4.1. mogen maximaal 16 personen tegelijk aanwezig zijn, met uitzondering van incidentele educatieve activiteiten zoals een kruidenwandeling b. Kassen en schuren mogen uitsluitend gebruikt worden voor (hobbymatig) agrarisch gebruik; c. De gronden als bedoeld in artikel 4.1. mogen niet gebruikt worden voor feesten, partijen, bijeenkomsten of vergelijkbare gebeurtenissen. Onder bijeenkomsten wordt niet verstaan educatieve activiteiten zoals een kruidenwandeling van beperkte duur en omvang en met een incidenteel karakter.
DNS Planvorming BV
42/53
Artikel 5 5.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen waarbij per bestemmingsvlak maximaal 1 woning is toegestaan; b. bijbehorende bouwwerken bij woningen; al dan niet in combinatie met: c. aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven, mits: 1. niet meer dan 1/3 van het totale oppervlak van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf wordt gebruikt; 2. alleen activiteiten worden uitgevoerd die niet meldingplichtig zijn in het kader van de milieuwetgeving en die genoemd zijn in bijlage 1 bij deze regels, dan wel naar aard en invloed daarmee gelijk te stellen zijn; 3. geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; 4. geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 5. het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; 6. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; 7. er geen reclame-uitingen groter dan 0,5 m² bij of aan de woning worden geplaatst, met een maximum aantal van 1, onder de voorwaarde dat deze niet verlicht mag zijn; 8. degene die het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf uitoefent, tevens de gebruiker van de woning is; 9.
er geen activiteiten ten aanzien van een horecabedrijf of een seksinrichting worden uitgeoefend; 10. er geen detailhandel plaatsvindt, anders dan onderschikte detailhandel; 11. buitenopslag ten behoeve van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf uitsluitend is toegestaan binnen de grenzen van het achtererfgebied; d. het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen, met dien verstande dat: 1. deze functie uitsluitend in de woning en/of de bijbehorende bouwwerken mag worden uitgeoefend; 2. er geen eigen kookgelegenheid is toegestaan; 3. permanente bewoning niet is toegestaan; 4. geen overwegende hinder wordt of kan worden toegebracht aan het woon- en leefmilieu; 5. geen onevenredige hinder wordt of kan worden toegebracht aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; 6. het niet zodanige verkeersaantrekkende activiteiten betreft die verkeersoverlast veroorzaken of die verkeersmaatregelen noodzakelijk maken; 7. het parkeren op eigen erf plaatsvindt; met de daarbij behorende: c. tuinen en erven; d. groenvoorzieningen; e. openbare nutsvoorzieningen; f. verkeers- en verblijfsvoorzieningen; g. water; h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
DNS Planvorming BV
43/53
5.2
Bouwregels
Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: 5.2.1
Hoofdgebouwen
Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
per bestemmingsvlak is maximaal 1 woning toegestaan; het maximum bebouwd oppervlak van de hoofdgebouwen samen bedraagt 240 m²; de oppervlakte van een hoofdgebouw bedraagt niet meer dan 150 m²; de maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3,5 meter en 7 meter; e. de dakhelling mag niet minder dan 30° bedragen. 5.2.2
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij hoofdgebouwen de volgende regels: a. bijbehorende bouwwerken dienen op ten minste 1 m achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw te worden gebouwd; b. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 20 m²; c. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen; d. ondergronds bouwen is niet toegestaan; e. de gronden achter de voorgevel van het bouwperceel dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van de inwerkingtreding van dit plan. 5.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen voor de naar de weg gekeerde gevel(s) van gebouwen mag niet meer dan 1 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen. 5.3
Specifieke gebruiksregels
5.3.1
Strijdig gebruik
Als gebruik in strijd met de bestemmingsomschrijving wordt in ieder geval begrepen: a. het gebruik van bebouwing voor recreatieve bewoning, anders dan bedoeld in artikel 5.1 onder d; b. het gebruik van een bijbehorend bouwwerk voor zelfstandige bewoning; c. het gebruik van een bijbehorend bouwwerk als afhankelijke woonruimte.
DNS Planvorming BV
44/53
Artikel 6 6.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Waarde – Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. 6.2
Bouwregels
6.2.1 Algemeen Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 50 m² waarbij de ondergrond dieper dan 40 cm wordt verstoord, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 6.2.2 Advies archeoloog Alvorens het bevoegd gezag beslist over een vergunning als bedoeld in 6.2.1. winnen zij advies in bij de archeologisch deskundige omtrent de vraag of door het verlenen van de omgevingsvergunning geen onevenredige afbreuk wordt of kan worden gedaan aan de archeologische waarden, en zo ja welke voorwaarden dienen te worden gesteld. In sommige gevallen volstaat een archeologische quickscan als duidelijk is dat de geplande ingrepen geen onevenredige afbreuk doen aan de aanwezige archeologische waarden.
6.2.3 Voorwaarden Indien uit het in lid 6.2.1 genoemde rapport of de in lid 6.2.2 genoemde quickscan blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.3.1 Vergunningplicht Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op de gronden van toepassing zijnde bestemmingen een omgevingsvergunning vereist: a. het ontgronden, afgraven (waaronder het graven van watergangen en waterpartijen), egaliseren en ophogen van gronden en/of het anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het uitvoeren van overige grondbewerkingen; c.
het verwijderen en/of aanbrengen van bomen en diepwortelende beplanting; d. het aanleggen van ondergrondse energie-, transport- en of communicatieleidingen. 6.3.2 Uitzonderingen Het bepaalde in lid 6.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die: a. het normale onderhoud betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden uitgevoerd, mits verricht door een daartoe bevoegde instantie;
DNS Planvorming BV
45/53
d. niet dieper gaan dan 0,40 m beneden het maaiveld en een kleinere oppervlakte dan 50 m² beslaan. 6.3.3 Toetsingscriteria De in lid 6.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden. 6.3.4 Archeologisch rapport Alvorens een omgevingsvergunning wordt verleend, moet door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag: a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld, en: b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd. 6.3.5 Voorwaarden Indien uit het in lid 6.3.4 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het uitvoeren van werken of werkzaamheden zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag een of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. 6.4
Wijzigingsbevoegdheid
Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘Waarde Archeologie’ wordt verwijderd, indien uit deskundig archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse geen sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden.
DNS Planvorming BV
46/53
Artikel 7 7.1
Waterstaat - Waterkering
Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor waterstaatkundige voorzieningen. Op grond van de Keur van de waterbeheerder dient, alvorens kan worden gestart met de bouwwerkzaamheden, contact te worden opgenomen met de waterbeheerder, zodat kan worden beoordeeld of voor het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden een ontheffing benodigd is of niet; b. De bestemming 'Waterstaat - Waterkering' (dubbelbestemming) is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende enkelbestemmingen. 7.2
Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op de gronden mogen ten behoeve van de onder 7.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; c. op grond van de Keur van de waterbeheerder dient, alvorens kan worden gestart met de bouwwerkzaamheden, contact te worden opgenomen met het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, om te laten beoordelen of voor het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden een ontheffing van de Keur is benodigd. 7.3
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder 7.2. De vergunning kan worden verleend, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad.
DNS Planvorming BV
47/53
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Artikel 8
Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
DNS Planvorming BV
48/53
Artikel 9
9.1
Algemene bouwregels
Parkeervoorzieningen
Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Parkeerregeling Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. 9.2
Afwijkingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.1 indien: a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van het bepaalde in de 'Parkeerregeling Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode.
DNS Planvorming BV
49/53
Artikel 10
10.1
Algemene gebruiksregels
Parkeervoorzieningen
Een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of wijzigen van de functie van een bouwwerk wordt slechts verleend indien in, op of onder het bouwwerk, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het bouwwerk behoort, in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien. Of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, wordt bepaald aan de hand van het bepaalde in de 'Parkeerregeling Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode, welke door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld. 10.2
Afwijkingsbevoegdheid
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 10.1 indien: a. het voldoen aan deze regel door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of b. op andere geschikte wijze in de nodige parkeergelegenheid wordt voorzien; c. strikte toepassing van de nota leidt tot een bijzondere hardheid, die niet door dringende redenen/noodzaak wordt gerechtvaardigd; onder de voorwaarde dat dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie ter plaatse en met inachtneming van het bepaalde in de 'Parkeerregeling Hollands Kroon 2018', met inbegrip van eventuele wijzigingen van deze regeling gedurende de planperiode. 10.3
Strijdig gebruik
Tot een gebruik in strijd met dit bestemmingsplan wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van seksinrichtingen; b. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van risicovolle inrichtingen; c. het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van geluidzoneringsplichtige inrichtingen; d. het gebruik van gronden voor het storten van puin en afvalstoffen; e. het gebruik van gronden en bebouwing voor de stalling en/of opslag van (aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken) voer-, vaar- of vliegtuigen; f. het gebruiken dan wel laten gebruiken van gronden of bouwwerken waarbij de parkeergelegenheid die is vereist en aangelegd op grond van artikel 9.1 of 10.1 niet in stand wordt gelaten; g. het gebruiken van gronden en bebouwing ten behoeve van horeca en dienstverlening; h. toepassing van niet-natuurvriendelijke tuin- of straatverlichting 10.4 Voorwaardelijke verplichting Het gebruik van gronden en gebouwen conform de bestemming is uitsluitend toegestaan indien een aarden wal wordt opgericht op de positie en conform de afmetingen zoals opgenomen in bijlage 1 van de regels en deze in stand worden gehouden.
DNS Planvorming BV
50/53
Artikel 11
Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; het uitzicht van woningen; de verkeersveiligheid; de woonsituatie, bij een omgevingsvergunning afwijken van het in het plan bepaalde voor: a. de op de verbeelding aangeduide en/of in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages indien dit vanuit technisch oogpunt noodzakelijk is; b. het bepaalde in het plan en toestaan dat het beloop of profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling of het beloop van vaarwegen in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft; c. het bepaalde in het plan en toestaan dat bestemmings- of bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.
DNS Planvorming BV
51/53
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels
Artikel 12 12.1
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 12.2
Overgangsrecht gebruik
a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
DNS Planvorming BV
52/53
Artikel 13
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan ‘Rijk aan het Wad’.
DNS Planvorming BV
53/53