2. Het gewijzigde bestemmingsplan, inclusief bijlagen
Tekst van het document
Rijk aan het Wad
Bestemmingsplan
opsteller
R. Dekker, DNS Planvorming
projectnummer 20395 versie Vast te stellen datum 24 oktober 2023
DNS Planvorming BV | Klaprozenweg 75 C | 1033 NN Amsterdam | info@dnsplanvorming.nl
Inhoudsopgave
1 1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding ......................................................................................................................... 4 Aanleiding en doel ........................................................................................................ 4 Ligging plangebied ........................................................................................................ 4 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................... 5 Leeswijzer ..................................................................................................................... 5
2 2.1 2.1.1 2.1.2 2.2
Het project ..................................................................................................................... 6 Historische en huidige situatie ...................................................................................... 6 Ontwikkelingsgeschiedenis Wieringen ......................................................................... 6 Het plangebied .............................................................................................................. 6 Toekomstige situatie ..................................................................................................... 7
3 3.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4 3.3 3.3.1 3.4 3.4.1 3.4.2 3.4.3
Beleid ............................................................................................................................ 9 Inleiding ......................................................................................................................... 9 Rijksbeleid ..................................................................................................................... 9 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) ................................................................................ 9 Ladder voor duurzame verstedelijking .......................................................................... 9 Nationaal waterbeleid ................................................................................................. 10 Visie Erfgoed en Ruimte ............................................................................................. 11 Provinciaal beleid ........................................................................................................ 11 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en Omgevingsverordening 2020 ..................... 11 Gemeentelijk beleid .................................................................................................... 14 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon ................................................................
14 Regionale visie verblijfsrecreatie Noord-Holland Noord ............................................. 14 Welstandsnota ............................................................................................................ 15
4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13
Milieu- en omgevingsaspecten ................................................................................... 16 Archeologie ................................................................................................................. 16 Cultuurhistorie ............................................................................................................. 17 Bodemkwaliteit ............................................................................................................ 17 Water ........................................................................................................................... 18 Natuur ......................................................................................................................... 20 Bedrijven en milieuzonering ........................................................................................ 24 Geluid wegverkeer ...................................................................................................... 25 Verkeer en parkeren ................................................................................................... 25 Luchtkwaliteit............................................................................................................... 26 Externe veiligheid ........................................................................................................
27 Duurzaamheid ............................................................................................................. 27 M.e.r.-beoordeling ....................................................................................................... 28 Conclusie milieu- en omgevingsaspecten .................................................................. 28
5 5.1 5.2 5.3 5.4
Juridische planbeschrijving ......................................................................................... 29 Algemeen .................................................................................................................... 29 Verbeelding ................................................................................................................. 29 Regels ......................................................................................................................... 29 Handhaafbaarheid ...................................................................................................... 31
6
Financiële uitvoerbaarheid .......................................................................................... 32
DNS Planvorming BV
2/53
7 7.1 7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 33 Participatie en vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro .......................................................... 33 Procedure bestemmingsplan ...................................................................................... 33
REGELS .................................................................................................................................... 35 Hoofdstuk 1
Inleidende regels ............................................................................................. 36
Hoofdstuk 2
Bestemmingsregels ......................................................................................... 41
Hoofdstuk 3
Algemene regels.............................................................................................. 48
Hoofdstuk 4
Overgangs- en slotregels ................................................................................ 52
DNS Planvorming BV
3/53
1
Inleiding
1.1
Aanleiding en doel
Op Wieringen ligt een bijzondere plek aan het wad. Op het voormalige terrein van een vismeelfabriek is in 1979 het milieucentrum Michaëlshof opgericht, een zelfvoorzienende woon-werkgemeenschap op basis van permacultuur. De huidige eigenaren willen het terrein nieuw leven in gaan blazen onder de naam ‘Rijk aan het Wad’. Rijk aan het Wad wordt een locatie voor kleinschalig recreatief verblijf op basis van zelfvoorziening. Momenteel zijn diverse opstallen op het terrein aanwezig waaronder 2 woningen, een loods en atelier. In de toekomstige situatie zijn 2 woningen en 4 recreatiewoningen op het terrein voorzien. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een nieuw ruimtelijk regime van kracht, waarbij de voorgenomen ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied ligt aan de Vatropperweg 5 te Den Oever. De locatie grenst aan een natuurgebied (voormalige kleiput) bij de Waddenzee. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen Wieringen G1065, G1066, G1072 en G179. Het plangebied is gelijk aan de gronden met de bestemming Werkgemeenschap in het bestemmingsplan Buitengebied Wieringen 2002 (zie paragraaf 1.3).
Afbeelding 1.1: luchtfoto met plangebied rood omlijnd (bron: Google Maps)
DNS Planvorming BV
4/53
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt de Beheersverordening Buitengebied Wieringen waarin voor deze locatie de regels van het bestemmingsplan Buitengebied Wieringen 2002 van toepassing zijn verklaard. Voor de gronden van het gehele plangebied geldt de bestemming ‘Werkgemeenschap’ (zie afbeelding 2.2). De gronden zijn bestemd voor een ambachtelijk en plaatselijk verzorgend bedrijf, met uitzondering van het detailhandelsbedrijf, voor educatieve doeleinden, voor opslag, land- en tuinbouw en de daarbij behorende verharding, tot een maximale oppervlakte van 600 m². Er is ten dienste van deze bestemming maximaal één gebouw inclusief bedrijfswoning toegestaan met een maximale oppervlakte van 650 m², waarbij de goothoogte niet meer mag zijn dan 3,50 m en de dakhelling niet minder mag zijn dan 25 graden en niet meer dan 55 graden. Tevens geldt ter plaatse de dubbelbestemming Waterstaatsdoeleinden. Met deze dubbelbestemming is geborgd dat met (bouw)werkzaamheden geen aantasting plaatsvindt van de belangen van de waterstaat.
Afbeelding 1.2: Uitsnede bestemmingsplan ‘Buitengebied Wieringen 2002’ met plangebied rood omlijnd (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)’
De voorgenomen ontwikkeling is in strijd met de bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan. Om die reden is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld.
1.4
Leeswijzer
In hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan wordt een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het vigerende beleid, waarbij het beleid op verschillende bestuursniveaus aan bod komt. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten, waarna in hoofdstuk 5 de juridische aspecten worden toegelicht. Vervolgens wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid en ten slotte worden in hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure uitgewerkt.
DNS Planvorming BV
5/53
2
Het project
2.1
Historische en huidige situatie
2.1.1 Ontwikkelingsgeschiedenis Wieringen Wieringen is een voormalig (wadden)eiland met eraan vast de aandijking Polder Waard-Nieuwland. In de voorlaatste ijstijd zorgde een ijspakket voor opstuwing van de ondergrond en het ontstaan van een laag keileem bij Wieringen. Hierdoor ontstond een hoogte in een relatief laaggelegen gebied. In dit lage gebied kwam veen tot ontwikkeling. Tot in de vroege middeleeuwen lag de keileembult van Wieringen in dit uitgestrekte veengebied dat grote delen van de westelijke Waddenzee en de voormalige Zuiderzee besloeg. Vanaf de 8e eeuw werd het veengebied ontgonnen. Door de ontwatering van het veen daalde het maaiveld en werd het veen vatbaar voor overstromingen. Grote delen van het veengebied werden weggeslagen. Hierdoor verdween het vasteland rondom Wieringen. Rond de 13e eeuw was de omgeving van het eiland volledig verzwolgen door de zee. Het eiland dat toen overbleef, bestond uit keileemheuvels met daartussen lagere gebieden: de kogen. Dijken beschermden deze kogen tegen de opdringende zee. Bewoners van het eiland legden aan de zuidzijde een dijk aan, opgebouwd uit gestapeld zeegras; de Wierdijk. Langs de twee doorgaande wegen, de Gemeenelandseweg en de Koningsweg, zijn de grotere dorpen Den Oever en Hippolytushoef ontstaan. In de 17e eeuw werd de polder Waard-Nieuwland voor het eerst bedijkt. In 1683 ging deze echter weer verloren.
In 1846 werd de polder opnieuw ingedijkt en verkaveld. Vanaf de middenas in de polder zijn de ontginningsblokken zo regelmatig mogelijk uitgezet. Haaks op de middenas liggen de Burgerweg en de Akkerweg. Loodrecht op deze assen zijn ook kavels aangelegd. Wat nu de Wieringermeerpolder is, bleef nog lang onderdeel van de Zuiderzee. Pas in 1930 werd de Wieringermeerpolder drooggelegd. Door deze drooglegging was Wieringen niet langer een eiland. Wieringen is nog steeds voornamelijk agrarisch in gebruik. Het gebied komt echter steeds meer recreatief in beeld bij o.a. wandelaars, fietsers en vogelspotters, vanwege het bijzondere landschap en het natuurschoon van de aangrenzende Waddenzee. 2.1.2 Het plangebied Het buurtschap Vatrop ligt ten oosten van Stroe en ten noordwesten van Oosterland en is één van de oudste woonkernen van Wieringen. Het plangebied ligt aan de noordzijde van dit buurtschap, aan het einde van de Vatropperweg. De locatie ligt buitendijks, op gelijke hoogte van het dijktracé. Aan de noordzijde is een natuurgebied aanwezig dat onderdeel uit maakt van het beschermde Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het natuurgebied (een vroegere vuilstortlocatie) is ontstaan doordat men de kleigrond weg haalde voor de bouw van dijken. Binnen het plangebied heeft van 1954 tot 1971 een grote vismeelfabriek gestaan.
Het gebouw is medio jaren ‘80 na een brand verloren gegaan en daarna niet meer herbouwd. Vanaf 1974 is milieucentrum Michaëlshof gevestigd op de locatie. De naam is ontleend aan het Michaëlsklooster, dat op deze plek heeft gestaan, maar tijdens een stormvloed in de 12e eeuw verloren is gegaan. De Michaëlshof was een woon-werkgemeenschap met als doelstelling het bijdragen aan een meer betrokken en meer sociale en zorgzame samenleving. Kernbegrippen daarbij zijn: zelfvoorzienend, zelfverzorgend, gemeenschappelijk, collectief bezit, natuurlijk evenwicht en kringloop in bouwen, wonen en werken, in voedsel, energie, water en afval. Alles in eigen beheer. Een leer- en rustplaats in de drukte van de huidige tijd. Op het terrein zijn twee woningen aanwezig. Eén woning is vergund. De tweede woning is sinds 1993 aanwezig. Ondanks dat het bestemmingsplan maximaal één woning toestaat, is deze tweede woning door de gemeente gelet op de bijzondere functie gedoogd. Het creëren van een woongemeenschap op het terrein is in verband met financiële omstandigheden nooit tot stand gekomen.
DNS Planvorming BV
6/53
2.2
Toekomstige situatie
Na het overlijden van de grondlegger van het milieucentrum is het terrein na 45 jaar verkocht aan drie families die het bedrijf Rijk aan het Wad zijn gestart. Doel is om nieuwe activiteiten op het terrein te ontplooien binnen het oorspronkelijke gedachtegoed. De voorgenomen ontwikkeling richt zich op een herontwikkeling naar kleinschalig recreatief verblijf op basis van zelfvoorziening. Om de plek te ervaren, de getijden, dag en nacht, de rust, zelfvoorzienend leven, zullen 4 recreatiewoningen en 2 woningen worden gerealiseerd. Eén van de al aanwezige woningen zal worden benut als recreatiewoning. De recreatiewoningen zijn bestemd voor kortstondig verblijf. In lijn met de visie, dus kleinschalig, ecologisch en zelfvoorzienend. Van heel klein voor twee personen tot iets groter voor een gezin. Eenvoudig maar wel gebruik makend van innovatieve technieken. De recreanten kunnen ervaren welk comfort hiermee gehaald kan worden, maar ook welke inzet het vraagt van de gast. Gasten van de recreatiewoningen kunnen als onderdeel van hun verblijf proeven wat de tuin en het terrein aan voedsel biedt, naar gelang het jaargetijde. Zoals in paragraaf 1.3 is aangegeven staat het huidige bestemmingsplan één woning en een totale bebouwingsoppervlakte van 650 m² toe. Met de herontwikkeling van het terrein wordt deze bebouwingsoppervlakte niet overschreden.
Als kostendragers voor het plan zijn twee woningen nodig. Zoals in paragraaf 2.1 is aangegeven zijn sinds 1993 al twee woningen aanwezig op het terrein. Het totale bebouwingsoppervlak uit het nu geldende bestemmingsplan wordt echter gerespecteerd. In de nieuwe situatie zijn de volgende gebouwen voorzien (de oppervlaktes betreffen het bebouwd grondoppervlak): Twee woningen met een oppervlak van maximaal 150 m². De totale oppervlakte van de woningen bedraagt maximaal 240 m²; Vier recreatieverblijven met een oppervlak van maximaal 75 m² per verblijf en een kas en schuur. De totale oppervlakte van deze gebouwen bedraagt maximaal 410 m². In afbeelding 2.1 is het schetsontwerp weergegeven. Aan de oostzijde van het terrein wordt de openheid bewaard, zodat voor bewoners in de directe omgeving het zicht op het wad blijft bestaan. Op de verbeelding van dit bestemmingsplan is voor deze gronden geen bouwvlak opgenomen. De initiatiefnemers hebben het plan voorgelegd aan Stichting Landschapszorg Wieringen. De Stichting is blij met het plan om de ‘natuurlijkheid’ van het gebied zoveel mogelijk in tact te laten en waar mogelijk te verbeteren. Geadviseerd is om geen horeca en geen camperplaatsen in het plan op te nemen. Dit advies is opgevolgd.
DNS Planvorming BV
7/53
Afbeelding 2.1: Schetsontwerp
DNS Planvorming BV
8/53
3
Beleid
3.1
Inleiding
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de nieuwe ontwikkeling plaats dienen te vinden.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Vanaf 2024 treedt de nieuwe Omgevingswet in werking. De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten: • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • duurzaam economisch groeipotentieel • sterke en gezonde steden en regio’s • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Met betrekking tot ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ is in de NOVI aangegeven dat het landgebruik in balans wordt gebracht met natuurlijke systemen en ontwikkelingen in het landelijk gebied niet ten koste gaan van landschappelijke kwaliteiten. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor vitale landbouw. Betekenis voor het project Voorliggend bestemmingsplan sluit aan op het thema ‘toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’ uit de NOVI. Met het plan wordt een nieuwe, toekomstbestendige functie gegeven aan een terrein dat in gebruik is geweest als woon-werkgemeenschap.
3.2.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is voorgeschreven dat indien bij een bestemmingsplan 'een nieuwe stedelijke ontwikkeling' mogelijk wordt gemaakt, in de toelichting van het bestemmingsplan een verantwoording daarvan moet plaatsvinden. Per 1 juli 2017 is het Bro op enkele onderdelen gewijzigd. Artikel 3.1.6, lid 2 Bro luidt: “De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.” Betekenis voor het project Uit jurisprudentie volgt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in onderlinge samenhang moet worden bezien in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging, de aard van de voorziene functie, alsmede het planologische beslag dat de voorziene ontwikkeling op de ruimte legt in vergelijking met het voorgaande plan. In het onderhavige geval is geen sprake van een uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het terrein. Het maximum bebouwingsoppervlak op het terrein blijft beperkt tot 650 m².
DNS Planvorming BV
9/53
Binnen de geldend bestemming Werkgemeenschap is binnen het plangebied onder andere het gebruik ten behoeve van een ambachtelijk en plaatselijk verzorgend bedrijf toegestaan evenals educatieve doeleinden. Er is één bedrijfswoning toegestaan. In de toekomstige situatie heeft het gebruik betrekking op 2 woningen en verblijfsrecreatief gebruik met 4 kleinschalige recreatiewoningen. De gebruikswijziging van het terrein is niet van dien aard dat belangrijke ruimtelijke gevolgen optreden. Omdat geen sprake is van een vergroting van de bouwmogelijkheden en de wijziging van het gebruik niet leidt tot belangrijke ruimtelijke gevolgen worden de in het plan voorziene ontwikkelingen niet aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Artikel 3.1.6, lid 2 Bro is daarom niet van toepassing. De Ladder voor duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen. Desondanks is het goed om op te merken dat sprake is van een ontwikkeling dat in lijn is met de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er is namelijk sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. 3.2.3
Nationaal waterbeleid
Europese Kaderrichtlijn Water Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De belangrijkste doelstelling is het geven van een kader voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater op basis van stroomgebieden en stroomgebieddistricten. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan water gebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water. Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw” De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden. Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het kabinet zijn standpunt bepaald in de nota ‘Anders omgaan met water’ (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraad-beheer, etc.). De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren.
Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water. Nationaal Waterplan Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan (NWP) bevat de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid voor de komende jaren en de daarbij behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelf bindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd-watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Rijkswaterstaat (RWS) neemt in het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren (Bprw) de condities en maatregelen op voor het operationeel beheer om deze strategische doelen te bereiken. Het NWP is kaderstellend voor het Bprw. Het kabinet vraagt andere overheden het NWP te vertalen in hun beleidsplannen.
In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende vijf ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.
DNS Planvorming BV
10/53
Betekenis voor het project Onderdeel van het bestemmingsplan is de watertoets. In de watertoets is aangegeven wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding en op welke wijze water (regen-, afval- en oppervlaktewater) wordt ingepast in het plan. De watertoets wordt afgestemd met de betreffende waterbeheerder. In paragraaf 4.4 wordt hier nader op ingegaan. 3.2.4 Visie Erfgoed en Ruimte De Visie Erfgoed en Ruimte ‘Kiezen voor Karakter’ is de vervanging voor de in 2009 verlopen ‘Nota Belverdere’, waarin een visie is gegeven op de wijze waarop met de cultuurhistorische kwaliteiten van gebieden en objecten in de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling in Nederland kan worden omgegaan. De Visie Erfgoed en Ruimte (VER) ‘Kiezen voor Karakter’, is gericht op het verbinden van de zorg voor het cultureel erfgoed met andere ruimtelijke ontwikkelingsopgaven op het gebied van onder meer economie, veiligheid en duurzaamheid. De visie zet overheden, initiatiefnemers, eigenaren, ontwikkelaars en ruimtelijk ontwerpers er toe aan om de waarde van het cultureel erfgoed in te zetten bij de ontwikkeling van gebieden. De Visie Erfgoed en Ruimte ‘Kiezen voor Karakter’ is aanvullend aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte, waarin het kabinet de unieke cultuurhistorische waarde van nationaal belang planologisch borgt.
Daarnaast is met ingang van 1 januari 2012 het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangepast. Hierin is opgenomen dat in het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden. Betekenis voor het project In paragraaf 4.1 en 4.2 wordt nader ingegaan op de archeologische en cultuurhistorische waarden in het plangebied.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1 Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 en Omgevingsverordening 2020 Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Noord-Holland 2040, het Provinciaal Verkeers- en Vervoerplan, het Provinciaal Milieubeleidsplan 2015-2018 en de Agenda Groen. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De provincie wil dat de kwalitatieve en kwantitatieve vraag en aanbod van werk- en woonlocaties met elkaar in overeenstemming zijn en streeft naar behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie. Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, neergelegd in de Omgevingsverordening NH2020 zoals vastgesteld op 22 oktober 2020. Betekenis voor het project Hieronder zijn de artikelen toegelicht die voor de onderhavige ontwikkeling relevant zijn.
Artikel 6.4 Kleinschalige ontwikkelingen Op grond van artikel 6.5 kan een bestemmingsplan ter plaatse van het geldende werkingsgebied landelijk gebied, uitsluitend voorzien in een kleinschalige ontwikkeling, niet zijnde een kleinschalige woningbouwontwikkeling indien: a. de ontwikkeling plaatsvindt op een locatie waar een stedelijke functie is toegestaan; b. het toegestane bebouwd oppervlak niet wordt vergroot; en c. het aantal burgerwoningen niet toeneemt. Aan deze voorwaarden wordt voldaan gelet op de ter plaatse geldende bestemming (Werkgemeenschap) en het feit dat het bebouwingsoppervlak niet wordt vergroot. Op het terrein zijn
DNS Planvorming BV
11/53
reeds twee woningen aanwezig. Er is echter slechts één woning vergund. Voor de toevoeging van een woning wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die in artikel 6.10 wordt geboden. Zie hieronder. Artikel 6.10 Kleinschalige woningbouwontwikkelingen Op grond van artikel 6.10 kan een bestemmingsplan ter plaatse van het ter plaatse geldende werkingsgebied Noord-Holland Noord, uitsluitend voorzien in een kleinschalige woningbouwontwikkeling als de ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. In het regionaal Woonakkoord is afgesproken dat kleinschalige ontwikkelingen als deze niet meer regionaal hoeven te worden afgestemd. Een kern is in de Omgevingsverordening gedefinieerd als “gebied met aaneengesloten of op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing, die is geconcentreerd tot een samenhangende structuur, ten behoeve van overwegend stedelijke functies”. De locatie maakt onderdeel uit van het bestaand stedelijk weefsel van de kern Vatrop. De toevoeging van een woning is passend binnen artikel 6.10 van de provinciale Omgevingsverordening NH2020. Dit is door de provincie Noord-Holland bevestigd. Artikel 6.16 Verblijfsrecreatie In artikel 6.16 zijn voor verblijfsrecreatie de volgende voorwaarden gesteld: a.
Een ruimtelijk plan borgt bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie de geformuleerde ambities van de binnen een regio opgestelde afspraken voor verblijfsrecreatie; b. Een ruimtelijk plan voorziet bij bestaande en nieuwe verblijfsrecreatie alleen in de mogelijkheid voor kort verblijf waarbij de verblijfsrecreant elders een hoofdverblijf heeft; c. Een ruimtelijk plan dat verblijfsrecreatie mogelijk maakt (bestaand en nieuw) stelt regels ter waarborging van een bedrijfsmatige exploitatie. Zoals in paragraaf 3.4.2 is aangegeven wordt met de onderhavige ontwikkeling een onderscheidend aanbod gecreëerd. De kleinschaligheid past bij de rust en ruimte in het gebied. Innovativiteit en duurzaamheid zijn belangrijke pijlers. In dit bestemmingsplan is geborgd dat dat recreatieverblijven alleen gebruikt mogen worden ten behoeve van verblijfsrecreatie en niet permanent bewoond mogen worden. Ook is in het bestemmingsplan vastgelegd dat het moet gaan om een bedrijfsmatige exploitatie Artikel 6.46 Bijzonder provinciaal landschap In de Omgevingsverordening NH2020 ligt het plangebied binnen het Bijzonder Provinciaal Landschap. De kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap zijn vastgelegd in de verordening. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is uitsluitend mogelijk als de voorkomende kernkwaliteiten niet worden aangetast.
De kernkwaliteiten zijn hieronder beschreven waarbij is aangegeven in dat geen sprake is van aantasting van deze kernkwaliteiten. Kernkwaliteit Aardkundige en landschappelijke karakteristiek Het reliëf van de keileembulten op Wieringen De natuurlijke vorming van het reliëf door landijs is afleesbaar in het landschap. Het laat ook nog steeds zien dat Wieringen een eiland was in een overwegend laaggelegen gebied. Het contrast tussen dit glooiende landschap en de vlakke polders in de omgeving, maakt deze kernkwaliteit extra bijzonder. Ontwikkelingen die zorgen voor zichtbare ophogingen of afvlakkingen van het reliëf of die de zichtbaarheid van het reliëf verminderen zijn een aantasting van deze kernkwaliteit. Het kleinschalige en onregelmatige blokvormige verkavelingspatroon. Het verkavelingspatroon vormt een herkenbare eenheid in het landschap. De polder vormt met de rationele rechthoekige verkaveling een contrast met het kleinschalige verkavelingspatroon van stuwwallandschap op het voormalige eiland.
Betekenis voor het project Het planbied ligt op gelijke hoogte met het dijktracé. Met de onderhavige ontwikkeling vinden geen zichtbare ophogingen of afvlakkingen in het reliëf plaats.
Met de onderhavige ontwikkeling blijft het verkavelingspatroon in tact.
DNS Planvorming BV
12/53
Het eiland Wieringen is een representatief voorbeeld van een glaciale opduiking. De stuwwallen van keileem met de zeldzame kliffen, de abrasievlaktes en getijde-invloeden maken het gebied aardkundig van zeer hoge waarde en onvervangbaar. De educatieve en wetenschappelijke waarde is van belang voor de reconstructie van de ontstaansgeschiedenis van Noord-Holland. Aan het gebied is een internationale waardering toegekend. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk indien de leesbaarheid van de aardkundige kernkwaliteit in stand blijft, Openheid en ruimtebeleving Wieringen kenmerkt zich door een afwisseling tussen openheid en beslotenheid. Het grootste gedeelte van Wieringen heeft een besloten en kleinschalig karakter. Dit komt hoofdzakelijk door het reliëf en de beplanting.
Vanaf de hoge keileembulten op Wieringen bestaan lange zichtlijnen over het eiland. Habitat voor weidevogels
Op Wieringen komen van oudsher een aantal eendenkooien voor. De eendenkooien hebben een landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarde. Ruimtelijke dragers Kenmerkend voor Wieringen zijn de kronkelige wegen over het glooiende landschap met kleinschalige lintbebouwing of haagbeplanting. De Wierdijk is een beeldbepalende lijn in het landschap en een levend bewijs van de strijd tegen het water door de eeuwen heen. De Wierdijk is Provinciaal Monument en heeft eigen beschermingsregels in de verordening (afd. 4.6 Cultureel erfgoed). Ruimtelijke ontwikkelingen die niet passen binnen deze regels zijn een aantasting van de kernkwaliteit. De dijk van Polder Waard-Nieuwland is net als de Wierdijk een beeldbepalende lijn in het landschap. In het stuwwallandschap en polders van het oude eiland ligt een aantal bebouwingslinten. De linten hangen samen met het reliëf. De bebouwing is kleinschalig en divers en staat vaak aan weerszijden van de weg. Soms is het lint volledig gesloten, soms heeft het enkele doorzichten en hier en daar ligt de bebouwing verder uit elkaar De Wieringer stolpboerderijen staan in zogenaamde ‘zwermen’ op de hoger gelegen delen van het eiland.
Het bodemprofiel en reliëf zal niet significant worden aangetast. Bodemingrepen blijven beperkt tot diepte van 1 meter onder maaiveld.
Binnen het plangebied is slechts beperkt sprake van openheid in verband met de aanwezige bomen en beplanting. De openheid aan de achterzijde van het perceel blijft behouden. De ontwikkeling vindt plaats aan het bestaande lint en er is geen sprake van verdichting. De ontwikkeling leidt niet tot het blokkeren van zichtlijnen. Daar waar nu sprake is van openheid, blijft dit open. Het plangebied en de directe omgeving maakt geen onderdeel uit van weidevogelleefgebied. De ontwikkeling heeft geen negatieve invloed op het habitat voor weidevogels. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen eendenkooien aanwezig. Het plan leidt niet tot aantasting van deze kernkwaliteit. Met de onderhavige ontwikkeling vindt geen wijziging in de wegen plaats. De Wierdijk ligt niet in of in de nabijheid van het plangebied en blijft met het plan onaangetast.
De onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op deze dijk. Het plangebied ligt aan het eind van het bebouwingslint van Vatrop. De onderhavige ontwikkeling leidt niet tot een aantasting van bestaande doorzichten in het bebouwingslint of tweedelijns bebouwing. Het plan leidt niet tot verstoringen van de onderlinge visuele samenhang binnen de stolpenstructuur en de relatie met het erf en het landschap.
DNS Planvorming BV
13/53
Artikel 6.59: Ruimtelijke kwaliteit Op grond van artikel 6.59 van de Omgevingsverordening moeten nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied voldoen aan de ruimtelijke kwaliteits-eis. Op de vorige bladzijdes is toegelicht op welke wijze met het plan rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten van het bijzonder provinciaal landschap. Er wordt met het plan aangesloten op de uitgangspunten uit de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie waarbij de landschappelijke karakteristieken en het verkavelingspatroon in tact blijft. Er wordt voldaan aan de ruimtelijke kwaliteitseis.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1 Omgevingsvisie gemeente Hollands Kroon In de Omgevingsvisie, vastgesteld op 29 november 2016, is een integrale visie voor het beleid van Hollands Kroon en de uitvoering ervan voor de periode tot 2030 opgenomen. Het betreft naast ruimtelijke ordening ook onderwerpen als veiligheid, economische en technologische ontwikkelingen, natuur, milieu en bereikbaarheid. Dit moet meer samenhang brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving om flexibeler in te kunnen spelen op de veranderingen in de maatschappij. In de omgevingsvisie is aangegeven dat voor de gemeente Hollands de vrijetijdsbusiness voor de regio van levensbelang is. De gemeente hanteert voor het recreatief beleid het onderzoek ‘Vraaggerichte ontwikkeling en positionering vrijetijdsproduct Hollands Kroon’. De recreatiewoningen die met het onderhavige initiatief mogelijk worden gemaakt sluiten aan bij de leefstijlcategorieën ‘rustig groen’, ‘ingetogen aqua’ en ‘inspirerend rood’. In het onderzoek is aangegeven dat de gemeente in het aanbod aan verblijfsrecreatie in deze leefstijlcategorieën goed voorzien is. Daarbij is opgemerkt dat dit niet automatisch betekent dat er ook kwantitatief voldoende aanbod is. Er is ten behoeve van het onderzoek geen kwantitatieve analyse uitgevoerd die aangeeft of er marktruimte is. Met betrekking tot duurzaamheid is aangegeven dat duurzaamheid een leidend en verbindend principe is.
De ontwikkelingen binnen Hollands Kroon moeten duurzaam plaatsvinden waarbij de huidige generatie zoveel als mogelijk voorziet in zijn eigen behoeften, zonder de toekomstige generaties te beperken of af te wentelen op mensen die ergens anders leven. De gemeentelijke basishouding is er één van 'denken en doen aan duurzaamheid'. De gemeente heeft de ambitie om uit te groeien tot duurzaamste gemeente van Nederland. Betekenis voor het project De voorgenomen ontwikkeling is passend binnen de gemeentelijke Omgevingsvisie en geeft invulling aan de gemeentelijke ambitie op het gebied van verblijfsrecreatie en duurzaamheid. Met het voorliggende initiatief wordt een duidelijk onderscheidend aanbod gecreëerd op een bijzondere locatie aan het wad. 3.4.2 Regionale visie verblijfsrecreatie Noord-Holland Noord In 2018 is de regionale visie verblijfsrecreatie Noord-Holland Noord vastgesteld. Het doel is dat Noord-Holland Noord in 2030 de meest vitale verblijfsregio van Nederland is. In de visie is aangegeven dat er ruimte is voor onderscheidend aanbod. Innovatie wordt gestimuleerd om het onderscheidend vermogen van Noord-Holland Noord, de marktregio en/of de locatie te vergroten. In de deelregio Agrarisch Buitengebied, waar het plangebied binnen valt, is men terughoudend ten aanzien van nieuwe initiatieven en uitbreidingen.
Aanvullend op het regionale ontwikkelkader gelden voor nieuwe kleinschalige initiatieven het uitgangspunt het cultureel erfgoed, de agrarische beleving en/of de gebiedsuitstraling behouden moeten worden of moet worden versterkt. Een hoge ruimtelijke kwaliteit en expliciete koppeling met een gastvrijheidsformule is daarvoor noodzakelijk. De initiatiefnemer dient goed na te denken over de meest gewenste ligging van het initiatief, bijvoorbeeld ten opzichte van recreatieve routestructuren. Betekenis voor het project Met de onderhavige ontwikkeling wordt een onderscheidend aanbod aan een kleinschalige verblijfsrecreatief aanbod gecreëerd. De kleinschaligheid past bij de rust en ruimte in het gebied. Innovativiteit en duurzaamheid zijn belangrijke pijlers. Met de herontwikkeling van het terrein neemt de ruimtelijke kwaliteit toe. Het initiatief is passend binnen de regionale visie verblijfsrecreatie.
DNS Planvorming BV
14/53
3.4.3 Welstandsnota Het welstandsbeleid zoals dat in de gemeentelijke welstandsnota is opgenomen, is bedoeld om de balans tussen ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en de doelstelling van minder regels goed onderbouwd te borgen. Er zijn drie typen gebieden te onderscheiden: welstandsvrij, welstandsluw en welstandsintensief. Betekenis voor het project Voor deze locatie geldt de typering welstandsluw met licht preventief welstanstoezicht. De nieuwbouw zal moeten voldoen aan de globale welstandsregels: geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een initiatief; geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is; geen toepassing van felle of contrasterende kleuren; geen toepassing van opdringerige reclames.
DNS Planvorming BV
15/53
4
Milieu- en omgevingsaspecten
In het kader van de ruimtelijke procedure wordt het project, in het kader van wet- en regelgeving en het kader van een goede ruimtelijke ordening, getoetst op een groot aantal milieu- en omgevingsaspecten. Hieronder is per aspect de betekenis voor het plan aangegeven.
4.1
Archeologie
De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet vormt samen met de Omgevingswet het wettelijke fundament voor de cultuurhistorie in Nederland. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De Erfgoedwet bundelt bestaande weten regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau zoals die in de oude wetten en regelingen golden blijven gehandhaafd. Onderdelen van de Erfgoedwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2022 van kracht wordt. De Erfgoedwet verplicht gemeenten om ‘rekening te houden met aanwezige of te verwachten archeologische waarden’. Het bestemmingsplan staat hierbij centraal. Hierin worden bouw- en aanlegvoorschriften opgenomen. Indien belangrijke archeologische waarden als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen niet in de bodem behouden kunnen blijven, dient de informatie te worden veiliggesteld d.m.v. een opgraving. De Erfgoedwet gaat hierbij uit van een algemene vrijstelling voor ingrepen tot 100 m2, maar biedt de gemeente ook de nodige beleidsruimte om haar eigen afweging te maken.
Bij het opstellen van de beleidskaart archeologie is een inventarisatie gemaakt van de aanwezige en te verwachten archeologische waarden. De kaart geeft een vlakdekkend inzicht in deze waarden en verwachtingen en kan als basis worden gebruikt voor nieuwe bestemmingsplannen. De bescherming van gebieden met een archeologische waarde of verwachting wordt vervolgens geregeld via dubbelbestemmingen. Betekenis voor het project Door Archeologie West-Friesland is een archeologisch advies1 uitgebracht voor het plangebied. Op de Beleidskaart Archeologie van de gemeente Hollands Kroon, onderdeel van de Beleidsnota Archeologie uit 2013, is te zien dat het plangebied een hoge archeologische waarde heeft en samenvalt met een zone waar bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 40 cm rekening dient te worden gehouden met archeologie.
1
Archeologische Quickscan Vatropperweg 5 Den Oever, Archeologie West-Friesland, 26 oktober 2021
DNS Planvorming BV
16/53
Afbeelding 4.1: Uitsnede archeologische beleidskaart Op het voormalige eiland Wieringen kunnen in principe sporen en vondsten verwacht worden vanaf het Paleolithicum tot en met de Nieuwe Tijd. Het plangebied ligt in het gehucht Vatrop. Voor de historische kern van Vatrop geldt een hoge archeologische waarde voor vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Binnen het plangebied is een dikke cultuurgrond aanwezig. Het gaat hier om de akkers en woongronden van het gehucht Vatrop. Archeologie West-Friesland adviseert om het advies uit de beleidsnota archeologie (2013) te volgen en ten behoeve van de bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden een dubbelbestemming Waarde – Archeologie op te nemen in het bestemmingsplan. Hier is invulling aan gegeven. Het aspect archeologie dient te worden meegewogen bij plannen groter dan 50 m2.
4.2
Cultuurhistorie
Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. Betekenis voor het project De locatie heeft cultuurhistorische waarden, gelet op het landschap. In paragraaf 3.3.1 is gemotiveerd dat het plan niet leidt tot aantasting van deze waarden.
4.3
Bodemkwaliteit
In een bestemmingsplan dat nieuwe functies mogelijk maakt dient de bodemgesteldheid in kaart te worden gebracht. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken is) voor de nieuwe bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is moet worden aangetoond dat het plan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is.
DNS Planvorming BV
17/53
Betekenis voor het project Binnen het plangebied is een verkennend bodemonderzoek2 uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Tijdens het onderzoek is op twee punten ter plaatse van de voormalige vismeelfabriek, asbestverdacht puin en materiaal aangetroffen. In de bovengrond is ter plaatse van één boring een sterk verhoogde gehalte aan zink gemeten. Op deze locaties worden geen gevoelige functies gerealiseerd of bodemingrepen gepleegd. Indien noodzakelijk worden verontreinigde locaties gesaneerd, waarna de bodem geschikt is voor de nieuwe functie. In de exploitatie van het plan is rekening gehouden met de kosten voor eventuele sanering, waardoor de financiële uitvoerbaarheid niet in het geding is.
4.4
Water
Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de huidige en de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. De planontwikkeling kan effecten hebben op de hoeveelheid verharding en het waterschap zal het plan beoordelen op haar effecten. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Betekenis voor het project Voor het plan is advies3 aangevraagd bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) in het kader van de watertoets via www.dewatertoets.nl. Hierbij is door HHNK aangegeven dat er een waterbelang geldt bij de voorgenomen ontwikkeling in verband met de situering nabij de regionale waterkering. Hierover heeft nader afstemming plaatsgevonden met het HHNK (zie paragraaf hieronder). Waterkering De locatie ligt buitendijks en grenst aan de primaire waterkering, de Wieringer Zeewering. Het HHNK heeft het toekomstig indicatieve dijkprofiel en de beschermingszone berekend. De indicatieve dijkhoogte ligt na versterking op NAP +8,6 m ligt.
Dit is vergelijkbaar met de huidige dijkhoogte op het traject ten noordwesten van Vatrop. De totale dijkbreedte op de huidige terp bedraagt 21,6 meter. Het dijkprofiel loopt theoretisch door tot het polderpeil van ongeveer NAP +2,5 m, wat een dijkbreedte van 39,6 m tussen de theoretische dijktenen stelt. In onderstaande afbeelding is dit weergegeven op de luchtfoto. Hierin is de gestreepte lijn de dijkkruin, de dikke zwarte lijnen het vrij te houden profiel op de terp en de stippellijn de theoretische buitenteen van de dijk.
2 3
Verkennend bodemonderzoek Vatropperweg 5 Den Oever, Bodemvisie, 26 augustus 2019 Advies Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 19 juni 2020
DNS Planvorming BV
18/53
Afbeelding 4.2: Profiel waterkering In het plan is rekening gehouden met de bescherming van de waterkering. Er heeft overleg plaatsgevonden met het HHNK. Het HHNK concludeert dat er met betrekking tot het dijkprofiel en de beschermingszones, geen directe problemen zijn voor eventuele dijkversterkingen en de waterveiligheid. De waterkering staat de uitvoerbaarheid van het plan dan ook niet in de weg. Als gevolg van de buitendijkse ligging kan het HHNK geen bescherming geven tegen het buitenwater. In de planvorming wordt hier rekening mee gehouden. Waterkwantiteit In verband met de versnelde afvoer van hemelwater als gevolg van een toename aan verharding hanteert HHNK een norm van 800 m². Bij een toename van meer dan 800 m² is watercompensatie verplicht. Het toekomstig bebouwd en verhard oppervlak zal in vergelijking met de huidige situatie de drempeloppervlakte van 800 m² niet overschrijden. Er is tevens geen sprake van waterdemping waardoor compensatie niet aan de orde is. Waterkwaliteit en riolering In relatie tot het watersysteem is het afvoeren van afvalwater van belang. Uitgangspunt is de toepassing van een alternatieve waterzuivering.. Indien dit onvoldoende mogelijkheden biedt, zal worden aangesloten op het persriool. Hierover vindt nader afstemming plaats met het HHNK. Hemelwater van de bebouwing en omliggende verhardingen zal worden geïnfiltreerd.
Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Geconcludeerd kan worden dat er vanuit het oogpunt van water geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Voor zowel de nieuwe bebouwing als de waterleiding die door de waterkering zal worden aangelegd, zal een watervergunning worden aangevraagd.
DNS Planvorming BV
19/53
4.5
Natuur
In de natuurwetgeving worden gebiedsbescherming en soortenbescherming onderscheiden. Beide beschermingsregimes zijn van belang voor de ontwikkelingsmogelijkheden van een gebied. Betekenis voor het project Door ecologisch bureau Bureau Aandacht Natuur is een natuurtoets uitgevoerd4, bestaande uit een quickscan Wet natuurbescherming (Wnb) en een voortoets. De resultaten zijn hieronder toegelicht. Soortenbescherming Flora Uit het natuuronderzoek volgt dat er niet wordt verwacht dat er beschermde plantensoorten voorkomen binnen het plangebied. Vogels Met uitzondering van een mogelijke broedgeval van ransuil of sperwer zijn binnen het plangebied voornamelijk algemeen voorkomende broedvogels aangetroffen dan wel te verwachten. Met de herinrichting van het plangebied blijven bestaande groenstructuren en bosschages gehandhaafd, waardoor het verwijderen van nestlocaties niet aan de orde is. Tevens bevindt het nest zich aan de rand van het terrein en zijn er geen (verblijfs)accommodaties gepland in de directe omgeving van de aangetroffen nestlocatie, waardoor van verstoring van een mogelijk jaarrond beschermde nestlocatie geen sprake is. Een nader onderzoek naar het gebruik van de betreffende nestlocatie of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.
In en rond de bebouwing zijn geen sporen van gebouw bewonende, jaarrond beschermde vogelsoorten aangetroffen en op basis van de quickscan en het type gebouwen ook niet verwacht. Een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag voor gebouw bewonende vogelsoorten met een jaarrond vaste rust- of verblijfplaats is dan ook niet noodzakelijk. Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen en (kleine) marterachtigen worden uitsluitend algemeen voorkomende beschermde zoogdiersoorten verwacht binnen de planlocatie. Binnen het plangebied zijn nagenoeg geen potentieel geschikte vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Echter ligt de planlocatie op de trekroute van ruige dwergvleermuis en is het mogelijk dat het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied van ruige dwergvleermuis. De betreffende bebouwing is gezien de beperkte hoogte en enkelwandige constructies niet geschikt als verblijfplaats van vleermuizen. De aangetroffen boomholte aan de zuidzijde van het terrein vormt hierbij een mogelijke paarverblijfplaats voor ruige dwergvleermuis. Echter blijft de betreffende boom en de singel waarin deze aanwezig is behouden met de voorgenomen plannen, waarmee er geen sprake is van het verwijderen of verstoren van een eventuele vaste rust- en verblijfplaats van vleermuizen binnen het plangebied.
Gezien de verder geïsoleerde ligging van de projectlocatie wordt tevens niet verwacht dat de planlocatie een belangrijk onderdeel uitmaakt van het foerageergebied of een vliegroute voor vleermuizen. Daarbij blijven de aanwezige windsingel en (groen)structuren op en rond de planlocatie gehandhaafd, waarmee niet wordt verwacht dat belangrijk leefgebied van vleermuizen wordt verstoord of zal verdwijnen door toedoen van de realisatie van het project. Een ontheffing of nader onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen is dan ook niet noodzakelijk. Tevens kan het plangebied onderdeel uitmaken van het leefgebied van kleine marterachtigen dan wel steenmarter. Genoemde soorten hebben een groot territorium en gezien de uiterlijke kenmerken van het terrein is het mogelijk dat deze een belangrijk onderdeel vormen van het leefgebied van (kleine) marterachtigen. Aangezien singels en bosschages binnen de plannen gehandhaafd blijven, wordt niet verwacht dat de voorgenomen herinrichting directe verstoring of vernietiging van het leefgebied van kleine marterachtigen of steenmarter tot gevolg heeft. Een
4
Natuurtoets Wet natuurbescherming Realisatie “Rijk aan het Wad” te Vatrop, Bureau Aandacht Natuur, 26 april 2021
DNS Planvorming BV
20/53
nader onderzoek naar de functie van de planlocatie voor (kleine) marterachtigen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk. Andere binnen de Wet natuurbescherming beschermde zoogdieren worden aan de hand van de huidige verspreidingsgegevens en aanwezige terreintypen niet verwacht binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek naar het voorkomen van strikt beschermde zoogdieren is dan ook niet noodzakelijk. Amfibieën Met betrekking tot amfibieën zijn enkele algemeen voorkomende beschermde soorten te verwachten. Voor deze soorten geldt een vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Echter geldt voor deze soorten te allen tijde de zorgplicht zoals bedoelt in de Wet natuurbescherming. Gezien de voorgenomen plannen en het grotendeels ontbreken van voortplantingswater, wordt niet verwacht dat de werkzaamheden een effect zullen hebben op de (lokale) populatie van algemeen voorkomende amfibieën. Verder is aan de hand recente verspreidingsgegevens bekend dat de beschermde rugstreeppad voorkomt in de omgeving van de projectlocatie. In de huidige situatie ontbreekt geschikt leefgebied voor deze soort, waarmee een nader onderzoek of een ontheffingsaanvraag met betrekking tot rugstreeppad in het kader van de voorgenomen realisatie van het project niet noodzakelijk is.
Overige beschermde soorten Andere strikt beschermde soorten dan hierboven genoemd, worden niet verwacht binnen het projectgebied. Andere beschermde soorten (vissen, reptielen, libellen, kevers en andere ongewervelde) kunnen op grond van de huidige verspreidingsgegevens en habitatvoorkeuren worden uitgesloten op de planlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Gebiedsbescherming Natura 2000 Het beschermde Natura 2000-gebied Waddenzee ligt nabij de planlocatie. De projectlocatie zelf heeft geen functie voor de aangewezen habitattypen, habitatsoorten en vogelrichtlijnsoorten. Echter vormt de kustlijn bij Vatrop een hoogwatervluchtplaats voor wad- en watervogels en vormen de Kleiputten van Vatrop (aangewezen als NNN) een broedplaats voor de aangewezen vogelrichtlijnsoort kluut. Er is voor de aanlegfase en de gebruiksfase een stikstofberekening met het programma Aerius uitgevoerd5. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage in de gebruiksfase en aanlegfase 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen.
De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen. De uitvoeringsfase zal binnen het plangebied tot tijdelijke nadelige gevolgen kunnen leiden. Aangezien de bouw- en inrichtingswerkzaamheden veelal binnen de contouren van het erfbeplanting plaatsvinden, op circa 200 meter van de Waddenzee, wordt niet verwacht dat deze werkzaamheden leiden tot significant negatieve effecten op de functie als hoogwatervluchtplaats van wadvogels en broedplaats van kluut. Echter vindt de aanvoerroute van materiaal, materieel en personeel plaats via de noordzijde van het terrein en zijn er verkeersbewegingen te verwachten aan de open Waddenzee-zijde. Hierdoor kan verstoring van de broedplaats van de kluut optreden en een tijdelijk (afhankelijk van uitvoeringsperiode) een negatief effect hebben
5
Stikstofdepositie berekening Rijk aan het Wad Den Oever, DNS Planvorming BV, 17 februari 2023
DNS Planvorming BV
21/53
op de functie van hoogwatervluchtplaats. Mits de uitvoering van de benodigde werkzaamheden buiten de kwetsbare broedperiode van de kluut (half april t/m half juli) plaatsvinden kan een negatief effect van de werkzaamheden worden uitgesloten. Met betrekking tot het stormseizoen (1 oktober t/m 15 april) kan er sprake zijn van verstoring van overtijende wadvogels, vanwege de functie als hoogwatervluchtplaats. Echter heeft de gehele kustlijn tussen Den Helder en Den Oever de functie als hoogwatervluchtplaats. De aanrijroute betreft slechts een klein gedeelte van deze kustlijn. Aangezien voldoende alternatieven in de directe omgeving voorhanden zijn en de verstorende werkzaamheden (laden en lossen v.a. openbare weg) van relatief korte duur zijn, zullen de uitvoeringswerkzaamheden in het najaar en de winter geen significant negatief effect hebben op de functie van de nabij gelegen kustlijn van het Natura 2000 Waddenzee als hoogwatervluchtplaats voor overtijende wadvogels. Met de planvoornemens wordt een lichte toename verwacht van bezoekers en bewoners in het gebied. Met de toename van een woning en vier recreatieve verblijfsaccommodaties is er geen sprake van een significant negatief effect door de structurele toename van geluid, optische verstoring of mechanische effecten.
De afstand tot het Natura 2000 is voldoende groot om effecten van verkeersbewegingen (licht verkeer) en mensen op het terrein op de functie als hoogwatervluchtplaats en broedplaats van kluut te waarborgen. Gezien het huidige gebruik van de dijk door wandelaars (met honden) en fietsers, en de parkeerplaats door vogelaars en bezoekers, zullen de extra verkeersbewegingen, die met name in het zomerseizoen zullen plaatsvinden, niet leiden tot (extra) significant negatieve effecten door toedoen van geluid, optische verstoring of mechanische effecten ten opzichte van de functie van hoogwatervluchtplaats en of broedplaats van de kluut. Door de toename van verkeer in de avondschemering en nacht i.v.m. permanente bewoning en de toename van verblijfsrecreatie, kan verstoring door verlichting optreden. De aanrijroute bevindt zich aan de Waddenzee-zijde van de projectlocatie en wegdraaiende koplampen zullen door de hogere ligging over de kleiputten en de kustzone schijnen. Met name tijdens de vestigingsperiode van broedvogels (april/mei) en tijdens de voor- en najaarstrek kan dit in de avond en ochtend (schemering) leiden tot verstoring door verlichting op de functie van hoogwatervluchtplaats en de broedkolonie van de kluut. Parkeergelegenheid zal op eigen terrein worden gerealiseerd, waardoor de verstoring uitsluitend door passerend verkeer plaatsvindt.
Alle in het Natura 2000 gebied aangewezen vogelsoorten zijn gevoelig voor verstoring door verlichting. Hiermee is het noodzakelijk om de effecten van aan- en afrijdend verkeer dusdanig te verzachten dat koplampen niet zichtbaar over het open waddengebied schijnen. Er langs de aanrijroute aan de noordzijde van de Vatropperweg een aarden wal van 80 centimeter hoog (na inklinking) worden gerealiseerd. Een dergelijke ‘tuunwal’ werd in het verleden o.a. op Wieringen als perceelscheiding werd toegepast.
DNS Planvorming BV
22/53
Afbeelding 4.3: Situering en afmetingen aarden wal De realisatie van deze aarden wal is als voorwaardelijke verplichting in dit bestemmingsplan opgenomen. Indien dit wordt toegepast zal er geen sprake zijn van verstoring door verlichting met het planvoornemen “Rijk aan het Wad” en is er geen sprake van een negatief effect op het aanliggende Natura 2000 gebied de Waddenzee. Tevens dient de aanbeveling om (nagenoeg) geen kunstmatige tuin- of straatverlichting op het terrein toe te passen. Indien dit toch noodzakelijk is, dient gebruik te worden gemaakt van speciale armaturen, zoals aangegeven in het onderzoeksrapport, zodat een negatief effect van kunstmatige verlichting wordt voorkomen Natuurnetwerk Nederland (NNN) Ten opzichte van het NNN kan de beoogde situatie een effect hebben op de kernkwaliteiten van de beschermde gebieden. Het gaat hierbij met name om de vereiste ruimtelijke condities: rust, stilte en donkerte. Gezien het kleinschalige karakter van het planvoornemen zullen er ten opzichte van de oude situatie geen aantasting plaatsvinden van de kernwaarden rust en stilte. Echter is door de toename van de verkeersintensiteit over de aanrijroute een mogelijk effect op het aspect donkerte en kan het planvoornemen leiden tot een aantasting van één van de kernwaarden van het NNN.