CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting Valbrugweg 8 't Veld

Raad 13 juli 2023, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Valbrugweg 8 't Veld17.011 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig. 5.3.2

Beoordeling

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van het plangebied waarbij één woning wordt gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Beleid ten aanzien van externe veiligheid

5.4.1.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).

Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.1.2 (Beperkt) kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden, hotels, restaurants, kantoren en winkels voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren en bedrijfsgebouwen en vergelijkbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen (met uitzondering van de beperkt kwetsbare objecten) en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of een deel van de dag kwetsbare groepen mensen bevinden. 5.4.1.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk getroffen wordt door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden.

Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting. De grenswaarde voor het PR is voor nieuwe kwetsbare objecten (op enkele uitzonderingssituaties na) gesteld op een niveau van 10-6 per jaar op het object. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze waarde een richtwaarde, wat wil zeggen dat hiervan alleen om gewichtige redenen van afgeweken kan worden. De norm 10-6 per jaar

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen op een te bebouwen plek maximaal één op de miljoen per jaar mag zijn. 5.4.1.4 Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de cumulatieve kans per jaar uit dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Dit wordt vertaald in een dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.Risicokaart.nl)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Het plan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering’ is een tweetal gebiedstypen onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Het omgevingstype ‘gemengd gebied’ wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ omschreven als een gebied met een matige tot sterke functiemenging waarbij bijvoorbeeld direct naast woningen andere functies voor kunnen komen zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern ‘t Veld, waar sprake is van matige tot geen functiemenging. In dit geval wordt daarom uitgegaan van het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

5.5.3

Situatie plangebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. Er is vanuit milieukundig oogpunt geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. In de omgeving van het plangebied liggen voornamelijk woonfuncties en enkele grondgebonden veehouderijbedrijven. Voor veehouderijen geldt, op basis van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering', veelal de grootste richtafstand voor het aspect geur. Bij agrarische bedrijven zijn echter niet de adviesafstanden, maar de wettelijk aan te houden afstanden of de berekenende geuremissiecontouren voor vergunningsplichtige veebedrijven bepalend. Hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.

Ten noorden van het plangebied ligt een agrarisch akkerbouwbedrijf op een afstand van circa 360 meter. Voor een akkerbouwbedrijf geldt een richtafstand van ten hoogste 30 meter waarmee het plangebied ruim buiten de richtafstand zijn gelegen. Planologisch gezien bestaat de mogelijkheid om hier een grondgebonden veehouderij te exploiteren. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter (geur buiten beschouwing gelaten). Ten oosten en noordwesten van het plangebied zijn nog enkele grondgebonden veehouderij bedrijven. Deze liggen allemaal op een afstand van 360 meter of meer van het plangebied. Geconcludeerd wordt dat omliggende milieubelastende functies geen belemmering vormen voor de realisatie van de woning. Er is vanuit milieuzonering een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verwachten. Andersom wordt geconcludeerd dat omliggende functies niet worden beperkt in hun bedrijfsvoering door het initiatief, mede omdat bestaande woningen dichterbij de omliggende bestemmingen liggen dan het voorgenomen initiatief. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

5.6

Geur

5.6.1

Algemeen

5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en • ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, buiten een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 2 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 8 odeur units per kubieke meter lucht.

De definitie van een geurgevoelig object luidt: gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt. 5.6.1.2 Activiteitenbesluit Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2

Situatie plangebied

In dit geval ligt er, zoals al aangegeven, zijn er verschillende grondgebonden veehouderijbedrijven rondom het plangebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak is gelegen op een afstand van 360 meter. Hier is een akkerbouwbedrijf gevestigd maar planologisch gezien kan er een grondgebonden veehouderij worden gevestigd. Gezien vorenstaande geldt een minimale (vaste) afstandsnorm van 100 meter. Gemeten vanaf het bouwvlak van de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied wordt in vorenstaande geval voldaan aan deze te houden (vaste) afstand van 100 meter. De ontwikkeling is hiermee in overeenstemming met het gestelde in de Wet geurhinder en veehouderij. Tevens worden agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt en zal er ter plaatse van het plangebied sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp 5.6.3

Conclusie geur

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.1

Gebiedsbescherming

5.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Rondom het plangebied bevindt zich geen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Schoorslse Duinen’ ligt op circa 12,3 kilometer van het plangebied. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, alsmede de grote onderlinge afstand tussen Natura 2000-gebieden en het plangebied, wordt op voorhand geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante negatieve gevolgen heeft voor stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN.

Het dichtstbijzijnde NNN/ecologische verbindingszone ten zuiden van het plangebied is gelegen op circa 1,5 kilometer. Gezien de aard en omvang van dit project en het feit dat het plangebied niet is gelegen binnen de begrenzing van het NNN, wordt gesteld dat als gevolg van voorliggend initiatief geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. 5.7.2

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In het kader van soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. De volledige quickscan is als bijlage 4 opgenomen. Onderzoeksresultaten natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp diersoorten. Beschermde diersoorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezet een beschermde grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezet een amfibie er een vaste (winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier en amfibie gedood en wordt een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en/of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste (winter)rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, en die mogelijk gedood worden, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden’ en het ‘beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van het plangebied als foerageergebied, voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels, niet aangetast. 5.7.3

Conclusie

Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.

5.8

Archeologie & Cultuurhistorie

5.8.1

Archeologie

5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied Het gemeentelijke archeologiebeleid is verwerkt in het geldende bestemmingsplan “’t Veld, Oude Niedorp en Zijdewind – De Weel’. Op basis van het geldende bestemmingsplan kent het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’. Voor gebieden met een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ geldt dat voor plangebieden groter dan 2.500 m2 en dieper dan 40 cm minus maaiveld een archeologische onderzoeksplicht. In voorliggend geval wordt deze 2.500 m2 niet overschreden, een archeologisch onderzoek kan dan ook achterwege blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp 5.8.2

Cultuurhistorie

5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied De bestaande woning in het plangebied betreft een stolpboerderij. Deze bestaande woning blijft gehandhaafd en de cultuurhistorische kenmerken van de boerderij worden middels voorliggend bestemmingsplan versterkt door het slopen van ontsierende bebouwing rondom de woning. Met de bouw van de nieuwe woning wordt rekening gehouden met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische kenmerken door middel van situering. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor het initiatief. 5.8.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in het kader van dit plan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.9

Besluit milieueffectrapportage

5.9.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan);

Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. •

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.9.2

Situatie plangebied

5.9.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op circa 12,3 kilometer afstand van het Natura 2000- gebied ‘Schoorlse Duinen’. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de ruime afstand tot Natura 2000-gebied wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van het voornemen dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer 5.9.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht.

Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Besluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Gelet op de kenmerken van het project (zoals het karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden.

Eén en ander is tevens bevestigd in de in dit hoofdstuk opgenomen milieuen omgevingsaspecten en de daarvoor, indien van toepassing, uitgevoerde onderzoeken. Deze paragraaf wordt in dit geval beschouwd als de vormvrije m.e.r.-toets. 5.9.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

5.10

Gezondheid

5.10.1 Algemeen Uit jurisprudentie volgt dat mogelijke gezondheidsrisico’s voor de omgeving in een bestemmingsplan moeten worden meegewogen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Betekenis voor het project Met betrekking tot het aspect volksgezondheid is een aanwezige geitenhouderij in de omgeving van het plangebied van belang en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op agrarisch gronden in de directe nabijheid. 5.10.1 Geitenhouderij 5.10.1.1

Algemeen

Door het RIVM en andere instanties zoals de WUR in Wageningen wordt al jaren onderzoek gedaan naar gezondheidsrisico’s in relatie tot veehouderijen. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er sprake is van een verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. In het najaar van 2020 heeft het RIVM het rapport GGD-richtlijn medische milieukunde (2020) gepubliceerd. De richtlijn beschrijft de huidige kennis over veehouderij en gezondheid. Ook geeft de richtlijn input voor gezondheidskundige adviezen voor omwonenden in verschillende situaties. Er is veel gezondheidswinst te behalen wanneer goed wordt nagedacht over de ruimtelijke inrichting, dus bij het opstellen van omgevingsvisies en plannen. Daarom is de GGD bij voorkeur vroeg in dit proces betrokken. 5.10.1.2

Advies GGD

De GGD adviseert in het algemeen om uit voorzorg terughoudend te zijn met nieuwe gevoelige bestemmingen binnen 2 km afstand van geitenhouderijen. Terughoudend betekent niet per se dat er niets meer kan, maar dat de GGD het verstandig vindt goed na te denken over eventuele gezondheidseffecten en zo nodig passende maatregelen te treffen en een goede belangenafweging te maken. Voor technische maatregelen om het risico te verlagen, is nog te weinig bekend over oorzaken en aangrijpingspunten. Welk extra risico op longontsteking aanvaardbaar is (en dus welke afstand), is in principe een bestuurlijke keuze. Bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad de aspecten van volksgezondheid (zoals besmetting van dierziekten) meewegen en duidelijk maken dat er in het plangebied een aanvaardbaar woonen leefklimaat is. 5.10.1.3

Geadviseerde beleidslijn

De gemeente Hollands Kroon heeft het advies omtrent geitenhouderijen van de GGD besproken met verschillende disciplines. Uit dit overleg is een beleidslijn ontstaan welke kan worden gehanteerd in voorliggend geval. De gemeente Hollands Kroon heeft in de beleidslijn onderscheid gemaakt in verschillende afstanden, namelijk: • •

Ontwikkelingen binnen 500 meter van een geitenhouderij Ontwikkelingen buiten 500 meter en binnen 2000 meter van een geitenhouderij

Ontwikkelingen binnen 500 meter van een geitenhouderij Verkenning uitbreidingslocaties en ontwikkelingen buitengebied nabij geitenhouderijen: vanuit het voorzorgprincipe acht de gemeente het verstandig om in de verkenning van woningbouwlocaties potentiële locaties in een cirkel van 500 meter rondom geitenhouderijen te laten rusten tot meer bekend is over de oorzaken van de gevonden relatie met meer longontsteking. Hetzelfde geldt voor andere initiatieven gericht op meer gevoelige functies (zorg, kinderopvang, etc.) in het buitengebied binnen een afstand van 500 meter rondom geitenhouderijen. Denk aan woningsplitsing en functieverandering of een initiatief gericht op

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp dagbesteding of kinderopvang. De gemeente Hollands Kroon wacht op de wetenschappelijke onderbouwing van causale verbanden en uitkomsten van diverse landelijke onderzoeken. Ontwikkelingen buiten 500 meter en binnen 2000 meter van een geitenhouderij Locaties buiten de 500 meter-zone en binnen de 2 kilometer-zone: op basis van een belangenafweging ten aanzien van de locaties binnen de cirkel van een geitenhouderij is het advies om per locatie een afweging te maken van: -

-

5.10.1.4

de mogelijke gezondheidsrisico’s gerelateerd aan de afstand tot geitenhouderijen; of er is sprake is van goede ruimtelijke ordening. Eén van de leidende principes van een goede ruimtelijke ordening is dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor (toekomstige) bewoners geborgd moet zijn. Hierbij wordt ook de noodzaak voor transformatie in relatie tot leefbaarheid en vitaliteit meegewogen; de alternatieven voor de beoogde ontwikkeling; uitgangspunt bij nieuwbouw is in ieder geval om de kopers te informeren, zodat zij ook zelf een afweging kunnen maken. Situatie plangebied

Aangezien de voorgenomen ontwikkeling is gelegen binnen de contour van 2.000m is een afweging nodig of de mate van het op dit moment in algemene zin aangetoonde verhoogde risico, mede gelet op de aard, situering en het belang van de plan, toch sprake is van een goede ruimtelijke ordening. De woningbouw is voorzien op circa 1.300 meter van de geitenhouderij. Uit onderzoek van de RIVM blijkt dat bij een woonafstand van minder dan 500 meter, er sprake is van circa 70% meer kans op longontsteking ten opzichte van het standaardrisico (14,6 gevallen per 1.000 inwoners). Dit plan ligt ruim buiten de 500 meter zone. Het extra risico op longontsteking is op deze afstand beperkt ten opzichte van het standaardrisico. Uitgangspunt bij nieuwbouw is in ieder geval om de kopers te informeren, zodat zij ook zelf een afweging kunnen maken. Het sociaal-maatschappelijk belang van de met het plan beoogde woningbouw aan de Valbrugweg 8 is groot. Met het plan wordt invulling gegeven aan de aanwezige woningbehoefte, aangezien de woning zal worden bewoond door familie van de initiatiefnemers. Daarbij wordt er wordt bijgedragen aan de vitaliteit van de kern ’t Veld en wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. Het plan draagt bij aan het behoud van voorzieningen die met het huidige inwonersaantal onder druk staan.

5.10.2 Spuitzones Ten noordoosten van het plangebied zijn gronden met een agrarische bestemming aanwezig. Op deze gronden is een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan en kunnen bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Bij het opstellen van een ruimtelijk plan wordt uitgegaan van een ruimtelijke scheiding tussen woonbestemming en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Dit is mede bedoeld om omwonenden te beschermen tegen de negatieve effecten van toegepaste gewasbeschermingsmiddelen. Er is in Nederland geen wettelijke regeling die minimaal aan te houden afstanden tussen gevoelige functies en percelen met open teelt waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt beschrijft. In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 meter tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de professionele fruitteelt (appels en peren). Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon-en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd. De richtafstand van 50 meter heeft zijn oorsprong in het Streekplan 1996 van de Provincie Gelderland en is dus al meer dan 25 jaar oud.

In die tijd was de regelgeving met betrekking tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt en er was veel minder sprake van toepassing van bijvoorbeeld drift reducerende spuitmethoden. Ook de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen was veel minder

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp streng en door minder regels omgeven dan op dit moment het geval is. De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Uit de jurisprudentie blijkt dat de Afdeling een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het algemeen niet onredelijk vindt. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere of een langere afstand worden aangehouden. Het plangebied ligt niet direct aan agrarische gronden welke conform het Bestemmingsplan zijn bestemd voor de grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. Aan de oostzijde bevinden zich ook agrarische gronden, maar is de afstand groter door een aanwezige weg (Valbrugweg) en sloten. Op grond van het bestemmingsplan is op de agrarische percelen in planologisch- juridische zin fruitteelt, bosbouw, sierteelt en bomenteelt toegestaan. Tussen deze vormen van agrarisch grondgebruik zitten zeer grote verschillen. Het is echter niet realistisch dat de grondeigenaar binnen de planperiode van het geldende bestemmingsplan het agrarisch grondgebruik ingrijpend wijzigt qua teelt naar bijvoorbeeld appel- en perenteelt in een productieboomgaard.

Daarbij is het perceel van dusdanig kleine omvang en vorm dat het niet realistisch is dat het perceel gebruikt wordt voor de hedendaagse akkerbouw. Opgemerkt wordt dat de percelen die tegenover het projectgebied zijn gelegen, in eigendom zijn van de gemeente Hollands Kroon. Het is niet aannemelijk dat deze gronden worden ingezet ten behoeve van fruitteelt of sierteelt. Tot slot wordt opgemerkt dat tussen de agrarische gronden een sloot is gelegen. Deze sloot is circa 2 meter breed. Conform het Activiteitenbesluit is spuiten boven oppervlaktewater niet toegestaan en langs oppervlaktewater waar bollen worden geteeld dient een teeltvrije zone van 1,5 meter te worden gehanteerd. Verder wordt er tussen de agrarische gronden en de woningen groen aangeplant wat de drift zal beperken. Hierdoor is er sprake van een afstand van circa vierenviertig meter tot gronden waar men bestrijdingsmiddelen mag gebruiken. Gelet op de wijze waarop het plangebied en daarbuiten is ingericht (sloten, Valbrugweg en groenstructuur), de agrarische gronden en daarmee gepaard gaande gewasbeschermingsmiddelen die worden gebruikt, de planologische fixatie van de woning en de windrichting wordt er recht gedaan aan de belangen van de agrariërs en bewoners van het plangebied. Daarbij is er sprake geweest van participatie met de omliggende agrariërs.

Deze hebben aangegeven geen bezwaren te hebben aan de woningbouwontwikkeling aan de Valbrugweg 8. Met andere woorden, er gaat vanwege de uitwerking van het woongebied geen onevenredig negatieve werking uit ten aanzien van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de aangrenzende agrarische gronden, noch treden er door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen onevenredige belemmeringen op in de directe omgeving van het plangebied. 5.10.3 Conclusie Geconcludeerd wordt dat in het kader van dit plan er geen sprake is van negatieve effecten op de volksgezondheid, ten aanzien van nabijgelegen geitenhouderij en spuitzones, van de toekomstige bewoners.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 bevat het waterbeleid van de provincie Noord-Holland. In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit is gedaan op basis van de thema’s veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt landelijk een overstap naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt. Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag. 6.1.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen.

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de korte procedure van de watertoets van toepassing is. Dit betekent dat het waterschap akkoord is met het planvoornemen. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. 6.2.3

Waterhuishouding plangebied

Verharding en compenserende maatregelen Uit uw gegevens blijkt dat er geen sprake is van een toename van de verharding. Omdat dit een dermate klein gevolg heeft voor de waterhuishoudkundige situatie hoeven er geen compenserende maatregelen uitgevoerd te worden. Beheer en onderhoud waterlopen Alle werkzaamheden binnen een zone van 5 meter van de insteek van waterlopen zijn vergunningplichtig, omdat deze invloed kunnen hebben op de water aan- en afvoer, waterberging of het onderhoud. Voorkomen dient te worden dat waterlopen niet meer goed bereikbaar zijn voor zowel regulier als periodiek onderhoud (maaien en baggeren), omdat deze worden ingesloten door de nieuwe ontwikkeling/bebouwing. Dit geldt met name in het stedelijk gebied, waar het hoogheemraadschap de ambitie heeft om het onderhoud van gemeenten over te nemen. Indien er ter plaatse geen varend onderhoud wordt uitgevoerd, dient een obstakelvrije zone van tenminste 5 meter aangehouden te worden. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd.

Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. In de watertoets is aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp (RWZI). Dit betekent dat er voor de nieuwe ontwikkeling geadviseerd wordt om een gescheiden stelsel aan te leggen. 6.2.4

Conclusie wateraspecten

Het aspect ‘water’ vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt bij het maken van de keuzes voor het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels door aan te geven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp • • • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Nadere eisen: bevoegdheid van burgemeester en wethouder om aanvullende eisen te stellen aan de bestemmingsregels; Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn of onder welke voorwaarden toegestaan zijn; Afwijken van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bestemming en/of specifieke gebruiksregels.

In paragraaf 7.3 wordt de bestemming nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor het plangebied voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 5) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 6) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid opgenomen en de werking van wettelijke regelingen opgenomen. Algemene gebruiksregels (Artikel 7) In dit artikel zijn vormen van toegestaan en strijdig gebruik opgenomen. Algemene afwijkingsregels (Artikel 8) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Wonen (artikel 3)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp Deze bestemming is opgenomen ter plaatse van het gehele plangebied. De gronden zijn met name bestemd voor het wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroep, hobbymatig gebruik van bestaande gebouwen voor bed & breakfast of hobbymatig houden van vee. Voor elk van de nieuwe woningen is een bouwvlak is opgenomen. Deze bouwvlakken borgen de gewenste positionering van de woningen. Voor de woningen zijn goot- en bouwhoogten, dakhellingen, oppervlakten en afstanden tot perceelgrenzen opgenomen. Deze bouwregels komen grotendeels overeen met de ‘standaard’ woonbestemming in de kern van ’t Veld, met uitzondering van de bouwhoogte deze is aangepast naar 11 meter. Tevens zijn er regels voor erfbebouwing (aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) en bouwwerken geen gebouwen zijnde opgenomen. Deze regels sluiten aan bij de ‘standaard’ woonbestemming in de kern van ‘t Veld. Er zijn afwijkingen van de bouwregels opgenomen om het plan op ondergeschikte punten aan te kunnen passen. In de specifieke gebruiksregels zijn vormen van strijdig gebruik opgenomen. Tevens is hier een voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing opgenomen. Ook is een verplichting opgenomen om de woningen pas in gebruik te mogen nemen als de bestaande voormalige agrarische schuren zijn gesloopt.

Waarde – Archeologie 4 (Artikel 4) Deze bestemmingen zijn conform nu geldend bestemmingsplan overgenomen. Deze bestemmingen dienen ter bescherming van de daar te verwachten archeologische waarden. Een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden beschermt de archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Noord-Holland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro wordt voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland. 9.1.3

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de zogenoemde ‘korte procedure’ van toepassing is op de in dit plan voorgenomen ontwikkeling. Het waterschap adviseert hiermee positief.

9.2

Inspraak en omgevingscommunicatie

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt direct een ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3

Zienswijzen

Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1:

Beeldkwaliteitsplan

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

Bijlage 2:

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

Bijlage 3

Verkennend bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

Bijlage 4:

Quickscan ecologie

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan ’t Veld, Valbrugweg 8 Ontwerp

Bijlage 5:

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=b221aee3-3989-41d1-b7a7-20c98bea7b20