CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting bestemmingsplan Kleiweg 3

Raad 3 november 2022, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Kleiweg 3 Anna Paulowna17.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De gemeente hanteert voor het bepalen van de parkeerbehoefte de richtlijnen van het CROW (CROWkencijfers, publicatie 317 - kencijfers parkeren en verkeersgeneratie). De richtlijnen van het CROW gaan uit van een bandbreedte van minimale en maximale parkeerkerncijfers. Het aanhouden van een bandbreedte kan leiden tot allerlei discussies over de verschillende invloedsfactoren. Bij het opstellen van de parkeerregels is ervoor gekozen om uit te gaan van het gemiddelde van de minimale en maximale

31

parkeerkencijfers (afgerond naar boven). Ervaring leert dat dit in veel gevallen, in de praktijk ook de juiste norm is. Daarnaast zijn in dit document regels opgenomen onder welke voorwaarden van de parkeernormen afgeweken mag worden. Met deze beleidsregels wordt duidelijkheid en rechtszekerheid geboden aan bouwaanvragers en belanghebbenden. Beoordeling en conclusie Het plan voldoet aan de Parkeerregels Hollands Kroon. In paragraaf 4.2.5 wordt hier nader op ingegaan en wordt hiervoor de onderbouwing geleverd.

32

4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1

Milieu-aspecten

4.1.1

Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) Algemeen In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Beoordeling In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het plan voorziet in de toevoeging van 4 wooneenheden (in nieuwe bebouwing) en de bestendiging van een bestaande, reeds aanwezige zelfstandige wooneenheid (de stolp). Dit is een activiteit die is genoemd in de Dlijst (categorie D 11.2 Stedelijk vernieuwingsproject). Daarom moet worden beoordeeld of het plan belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. Gelet op de geringe omvang van het plan, ruim onder de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkelingen (deze bedraagt een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2) en de ligging van het plan, worden geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht. Het milieubelang wordt in het kader van de ruimtelijke onderbouwing in navolgende paragrafen voldoende mate afgewogen. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect Besluit m.e.r.

vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.1.2

Milieuzonering Bij milieuzonering gaat het om de belangenafweging tussen bedrijvigheid enerzijds en gevoelige functies met betrekking tot de hinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten (SvB). Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gekoppeld aan een mate van milieubelasting. De SvB is opgesteld met behulp van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009). Er dient hierbij nadrukkelijk onderscheid gemaakt te worden in de bestaande situatie en de nieuwe situatie. Bij het realiseren van een nieuwe functie dient vanuit een goede ruimtelijke ordening gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functies worden gerealiseerd. Hierbij spelen twee vragen: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (bedrijven) en gevoelige functies (woningen) worden hinder en gevaar voorkomen (anders gezegd, er kan een acceptabel woon- en leefklimaat voor de woningen worden gegarandeerd) en wordt het bedrijven mogelijk binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen/ de bedrijfsvoering uit te oefenen. Dit heet milieuzonering.

Richtafstanden De twee belangrijkste bouwstenen voor milieuzonering zijn de twee richtafstandenlijsten in bijlage 1 van de VNG-brochure. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten (lijst 1) en opslagen en installaties (lijst 2) zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige woonwijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt naar richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid

33

en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Daarbij omvat categorie 1 de lichtste en categorie 6 de zwaarste vormen van bedrijvigheid. De richtafstanden gaan uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet worden beoogd of aanwezig zijn, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting (in plaats van de richtafstanden). Twee omgevingstypen: rustige woonwijk en gemengd gebied De richtafstanden in bijlage 1 van de VNG-brochure zijn afgestemd op de omgevingskwaliteit zoals die wordt nagestreefd in een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype (zoals een rustig buitengebied, een stiltegebied of een natuurgebied). Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kunnen gemotiveerd kleinere richtafstanden worden aangehouden bij het omgevingstype gemengd gebied, dat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting kent. Een gemengd gebied is een gebied met een matigetot sterke functiemenging.

Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, dienstverlening, horeca en/of kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 van de VNGbrochure gelden ten opzichte van een rustige woonwijk. De afstanden kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsstap worden verlaagd indien sprake is van omgevingstype gemengd gebied. Milieucategorie

Richtafstand woonomgeving in meters

1 2 3.1 3.2 4.1

10 m 30 m 50 m 100 m 200 m

Richtafstand gemengd gebied in meters 0m 10 m 30 m 50 m 100 m

Daarnaast is in de Wet geurhinder en veehouderij bepaald dat de afstand tussen een geurgevoelig object (meestal een particuliere woning) en de dierenverblijven van een veehouderij als volgt moeten zijn: - 100 meter als het geurgevoelige object in de bebouwde kom ligt; - 50 meter als het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom ligt. Als het veehouderijbedrijf niet aan deze afstanden voldoet kan er wél een omgevingsvergunning worden verleend maar mag het aantal dieren niet worden uitgebreid. Beoordeling Het gebied mag worden gerangschikt als gemengd gebied. Er bevinden zich in de directe omgeving meerdere typen bedrijven (o.a. akkerbouw, kwekerij, bollenteelt).

34

Uitsnede verbeelding moederplan “Buitengebied Anna Paulowna 3” In de nabijheid van het plan bevinden zich de volgende bedrijven: -

Ten noordwesten van het plangebied is aan de Kleiweg 5 een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Het betreft hier een bollenbedrijf waarbij het mogelijk is ten behoeve van de uitoefening van dit bedrijf 40 tijdelijke arbeidskrachten te huisvesten. Een bollenbedrijf behoort tot milieucategorie 2, waarvoor een richtafstand geldt van 10 meter. De rand van de bestemmingsgrens van het bedrijf ligt op meer dan 170 meter afstand (rode pijl) tot de gevels van de nieuwe wooneenheden. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de benodigde richtafstand (dit geldt ook wanneer het realiseren van {vergunningsvrije} aan- en uitbouwen wordt meegenomen in de beschouwing)

-

Ten noord-oosten van het plangebied is aan de Kleiweg 6 een agrarisch bedrijf met een grondgebouwen agrarische bedrijfsvoering toegestaan. De rand van de bestemmingsgrens van het bedrijf ligt op meer dan 160 meter afstand (blauwe pijl) tot de gevels van de nieuwe wooneenheden (dit geldt ook wanneer het realiseren van {vergunningsvrije} aan- en uitbouwen wordtmeegenomen in de beschouwing). Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.1.3

Spuitzonering Er heeft onderzoek plaatsgevonden naar dit onderwerp, zie hiervoor bijlage 6 1. Uit het onderzoek blijkt dat er geen belemmeringen bestaan vanwege spuitzonering.

4.1.4

Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. De risico’s dienen te worden beoordeeld op 2 maatstaven, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. De verantwoording bevat de volgende elementen:

1

Spuitzonering Kleiweg 3, VdZ Ruimtelijk Advies, 27 september 2022 35

-

de personendichtheid; de hoogte van het groepsrisico; maatregelen ter beperking van het groepsrisico; de voor- en nadelen van alternatieve locaties; de mogelijkheden voor bestrijding van calamiteiten; de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen binnen hetinvloedsgebied.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn etc.), waarbij de 10-6 contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is. Groepsrisico Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het groepsrisico geldt de oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm). Voor elke verandering van het groepsrisico (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd, over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van groepsrisico moet andere kwalitatieve aspecten worden meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer. (Beperkt) kwetsbare objecten Er moet getoetst worden aan het Bevi en de richtlijnen voor vervoer gevaarlijke stoffen wanneer bij een ontwikkeling (beperkt) kwetsbare objecten worden toegestaan. (Beperkt) kwetsbare objecten zijn o.a. woningen, scholen, ziekenhuizen, hotels, restaurants. Risicovolle activiteiten In het kader van het plan moet bekeken worden of erin of in de nabijheid van het plan sprake is van risicovolle activiteiten (zoals Bevi-bedrijven, BRZO-bedrijven en transportroutes) of dat risicovolle activiteiten worden toegestaan. Beoordeling Binnen het plangebied worden 4 nieuwe wooneenheden (in nieuwe bebouwing) gerealiseerd. Binnen het plangebied worden er daardoor vier kwetsbare objecten toegevoegd aan het gebied. Het plangebied bevindt zich niet binnen de 10-6 contour van een gevaarlijke inrichting, buisleiding of route gevaarlijke stoffen. Evenmin bevindt het plangebied zich het plangebied binnen de invloedssfeer van dergelijke inrichtingen, buisleidingen en routes. Zie ook navolgende uitsnede van de risicokaart. Een verantwoording van het groepsrisico is hierdoor niet vereist.

36

Uitsnede verbeelding Risicokaart met in rood de omgeving van het plangebied Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.1.5

Bodem Algemeen In de planvorming moet rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot toegelaten functies. Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een initiatief onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. De Woningwet d.d. 13 juni 2018 (artikel 8, tweede lid) verplicht gemeenten in hun bouwverordening voorschriften op te nemen voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond. Of sprake is van verontreinigde grond kan met een bodemonderzoek worden aangetoond. Beoordeling Ten behoeve van fase 2 en deze fase (fase 3) is door Bodem Belang B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform NEN 5740. Uit het onderzoek volgt dat ervan uit milieuhygiënisch oogpunt geen bezwaar bestaat tegen de realisatie van een extra hoofdgebouw ten behoeve van een extra wooneenheid. Weliswaar zijn in de bovengrond licht verhoogde gehalten aangetoond aan cadmium, kwik, loods, zink, minerale olie en PAK en in het grondwater licht verhoogde concentraties aan barium en xylenen, maar de waarden blijven onder de betreffende toetsingswaarden. Om deze reden is het niet nodig nader onderzoek uit te voeren.

Het volledige onderzoek is opgenomen in bijlage 2a en 2b. Conclusie Het aspect bodem is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

37

4.1.6

Geluid Wettelijk kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Voor wegen tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Voor wegen met een maximumsnelheid tot 30 km/uur is geen geluidszone van toepassing. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de deze wet zijn vastgelegd. Beoordeling Het plangebied ligt in de geluidszone van de Kleiweg. In het kader van het aspect geluid is de geluidskaart van de voormalige gemeente Anna Paulowna geraadpleegd. Op de kaart wordt het gemiddelde geluidsniveau op de gevel van woningen langs wegen aangegeven. Langs de Kleiweg is behalve de zone op de weg zelf, geen geluidsbelasting. Het gaat bovendien om een perceel waar reeds gewoond mag worden. Het perceel mag daarmee geschikt geacht worden voor de woonleefgemeenschap vanwege wegverkeerslawaai. Onder deze omstandigheden kan worden afgezien van geluidonderzoek

Uitsnede geluidskaart voormalige gemeente Anna Paulowna

Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.1.7

Luchtkwaliteit Wettelijk kader Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 (hierna: “Wlk”) en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen betreffende luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 is 40 µg/m3; voor PM2,5 is dat 25 µg/m3. Het uitgangspunt is dat de grenswaarden voor luchtkwaliteit worden gehaald. In artikel 5.16 lid 1 van de Wm

38

staat opgesomd wanneer een (luchtvervuilend) project toelaatbaar is. Dan moet aannemelijk worden gemaakt, dat het project aan één of een combinatie van de volgende vier voorwaarden voldoet: 1. er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; 2. een project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; 3. een project draagt slechts in ‘niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging een project is opgenomen in; 4. past binnen het NSL of een regionaal programma van maatregelen. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.

Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden omdat deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het plan tot maximaal 1,2 ųg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Bij woningen ligt de grens op 1.500 bij één ontsluitingsweg. Beoordeling Het plan beoogt het realiseren van 4 wooneenheden (in nieuwe bebouwing) en de bestendiging van een bestaande, reeds aanwezige zelfstandige wooneenheid (de stolp), waarbij de bestemming daarvan wordt gewijzigd van Wonen naar Wonen-Leefgemeenschap. Dit plan blijft daarmee ruimschoots binnen de grenswaarde van 1.500 woningen. Het plan draagt hierdoor in zeer beperkte mate bij aan luchtverontreiniging en is daardoor op grond van het besluit ‘niet in betekende mate’ (NIBM) vrijgesteld van toetsing aan grenswaarden. Daarnaast blijkt uit de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten van het RIVM dat de luchtkwaliteit ter plaatse goed is; er worden geen grenswaarden overschreden (PM10, PM2,5 of NO2).

Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite

39

Uitsnede Grootschalige concentratie Depositiekaarten Nederland, bron RIVM Geodatasite

Conclusie Het aspect “luchtkwaliteit” vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2 4.2.1

Omgevingsaspecten Water Beleid In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst waterbeleid 21e eeuw (WB’21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets” de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water is gericht op het bereiken van een goede ecologische waterkwaliteit in alle Europese wateren. In 2015 moet dat gerealiseerd zijn. De lidstaten moeten in 2009 (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen vaststellen waarin zij aangeven welke maatregelen ze gaan nemen om de doelstelling te halen. De provincie Noord-Holland maakt volledig deel uit van het deelstroomgebied Rijndelta en het daarbinnen begrensde deelstroomgebiedsdistrict Rijn-West. Binnen Rijn-West werkt Noord-Holland samen met alle betrokken waterbeheerders (Rijkswaterstaat, buurprovincies, waterschappen en gemeenten) aan het opstellen van het regionale deel van het genoemde stroomgebiedbeheersplan Rijndelta. Rijksbeleid In het Nationaal Bestuursakkoord Water hebben Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten afgesproken dat in 2015 het watersysteem op orde moet zijn en blijven. Water moet weer de ruimte krijgen en is medesturend voor het ruimtelijk beleid.

Als een van de eerste stappen is afgesproken dat de waterschappen in beeld brengen hoeveel waterberging er nodig is om aan de zogenaamde werknormen te kunnen voldoen. Voor stedelijk gebied houdt dit bijvoorbeeld in, de hoeveelheid wateroppervlak die nodig is om te zorgen dat bij neerslag het waterpeil maar eens in de 100 jaar tot aan het maaiveld kan stijgen. Nationaal Water Programma 2022–2027 Nederland heeft te maken met grote wateropgaven die bovendien in de toekomst steeds groter en complexer worden. Dit komt door een aantal samenhangende uitdagingen: klimaatverandering,

40

bodemdaling, milieuverontreiniging, biodiversiteitsverlies en ruimtedruk. In de uitvoering ligt bovendien een grote opgave om verouderde infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand te houden en waar nodig te vervangen of te renoveren. De wateropgaven waar Nederland op dit moment voor staat, de uitdagingen richting de toekomst en de noodzaak van een integrale aanpak vormen de basis voor 3 hoofdambities van dit NWP: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta. 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur Voor een integrale aanpak is het belangrijk om bij alle afwegingen in de leefomgeving de waterdoelen uit dit NWP op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwatervoorziening, waterkwaliteit, ecologie, landschap, cultureel erfgoed en scheepvaart mee te wegen. In waterland Nederland moeten ‘aansluiten op de (historische) karakteristieken van het watersysteem’ en ‘meebewegen met water’ leidende principes voor de ontwikkeling van onze leefomgeving blijven.

Provinciaal beleid In het provinciaal Waterplan Noord-Holland is het Europese en nationale beleid vertaald naar wat er binnen de provincie moet gebeuren om het water zo goed mogelijk te blijven. Het Provinciaal Waterplan staat niet op zichzelf. Water heeft met heel veel zaken te maken, variërend van landbouw tot recreatie en van stadsuitbreidingen tot gezond drinkwater. Daarom is het Provinciaal Waterplan afgestemd met het beleid op het gebied van natuur, recreatie, landschap, cultuurhistorie, milieu, landbouw, ruimtelijke ordening en verkeer en vervoer. In het Provinciaal Waterplan is het waterbeleid beschreven aan de hand van de thema’s veiligheid, wateroverlast en watertekort, waterkwaliteit en grond- en drinkwater. Het Provinciaal Waterplan fungeert hierbij als het kader voor de uitvoering: het is de basis voor allerlei te nemen maatregelen door de Provincie, waterschappen en gemeenten gedurende de looptijd van het plan. Het is dus geen uitvoeringsprogramma. Er zal een apart uitvoeringsprogramma worden opgesteld dat jaarlijks wordt aangepast. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, Waterplan 2022-2027 Dit Waterplan geeft de koers van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier op hoofdlijnen voor het waterbeheer in Hollands Noorderkwartier. Het maakt onderscheid in doelstellingen op het gebied van effecten, thema’s en gebieden.

41

De doelstellingen ten aanzien van de effecten zijn als volgt gevisualiseerd:

Ten aanzien van de thema’s zijn de volgende onderscheidden:

42

Keur en algemene regels In 2016 heeft het hoogheemraadschap een nieuwe Keur en bijbehorende Algemene Regels vastgesteld. Artikel 4.2 Verbod versnelde afvoer door verhard oppervlak is in de nieuwe Keur gewijzigd. In de nieuwe Keur 2016 is nu het volgende opgenomen: "Artikel 3.3 Verbod versnelde afvoer door nieuw verhard oppervlak. Het is verboden zonder watervergunning van het bestuur neerslag door nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen." In de Algemene Regels 2016 zijn vervolgens de volgende aanvullingen opgenomen: "Artikel 23. nieuw verhard oppervlak. Op grond van artikel 3.9, eerste lid van de keur geldt een vrijstelling van de vergunningplicht van artikel 3.3 voor het aanbrengen van nieuw verhard oppervlak indien: 1. de bebouwing of verharding van de onverharde grond door een of meer aaneengesloten bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte minder dan 800 m² bedraagt en; 2. de aanleg van nieuw verhard oppervlak minder dan 10% van het oppervlak van het desbetreffende peilvak beslaat en; 3. het desbetreffende watersysteem de toename van de piekafvoer kan verwerken." Watertoets Met behulp van de watertoets wordt getoetst of binnen nieuwe plannen voldoende aandacht aan de waterhuishouding is besteed.

Uitgangspunt van de watertoets is dat de initiatiefnemer en de waterbeheerder samen werken aan het ruimtelijk plan, waarbij het wateraspect volledig wordt ingevuld. In de dagelijkse praktijk van de ruimtelijke ordening is de positie van de waterbeheerder met de introductie van de watertoets sterker geworden. Beoordeling Er is een watertoets uitgevoerd voor dit plan. In bijlage 3a en b is deze opgenomen. In het plan is geen sprake van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar de oppervlakte afstroomt. Het hemelwater kan als schoon worden beschouwd. Het uitgangspunt is bovendien dat hemelwater wordt vastgehouden op het perceel. Er wordt niet gebouwd binnen een beschermingszone van een waterkering en er wordt geen water gedempt. De verharding neemt niet met meer dan 800 m2 toe. Het huishoudelijk afvalwater van de nieuwe woningen wordt via een IBA systeem dat aan de wettelijke eisen voldoet afgevoerd. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2.2

Natuur Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden van het plangebied. Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming zijn de Wet natuurbescherming en provinciale verordeningen van toepassing. De provincies beschermen via provinciale verordening waardevolle natuurgebieden zoals het Natuurnetwerk Nederland, weidevogelgebied en ganzenfoerageergebied. Daarnaast kunnen natuurgebieden of andere gebieden die essentieel zijn voor het behoud van bepaalde flora en fauna, aangewezen worden als Europees vogelrichtlijn- en/of habitatrichtlijngebied (Natura 2000). De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming. Ook de bescherming van individuele plant- en diersoorten is geregeld in deze wet. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

43

Beoordeling Er is een quikscan door Bureau Aandacht Natuur (bijlage 4) en een stikstof-berekening door VdZ Ruimtelijk Advies (bijlage 5) uitgevoerd. In de QS Ecologie wordt alleen ingegaan op de nieuw te bouwen gebouwen waar drie woningen in worden gerealiseerd. De realisatie van twee woningen in de bestaande bebouwing zijn namelijk zonder bouwingrepen te realiseren. Voor wat betreft de stikstofberekening is onderscheidt gemaakt in de bouw- en aanlegfase en de gebruiksfase. Voor de nieuwe bebouwing is rekening gehouden met bouw- en aanlegfase en gebruiksfase. Voor de bestaande bebouwing is rekening gehouden met de gebruiksfase. Onderstaand is een samenvatting te vinden van het onderzoek uitgesplitst in gebiedsbescherming en soortbescherming. Gebiedsbescherming geen significante toename Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Waddenzee’ ligt op circa drie kilometer ten noorden van het plangebied vandaan. Het plangebied ligt tevens op circa acht kilometer ten oosten van het Natura 2000gebied ‘Duinen Den Helder- Callantsoog’ en op negen kilometer van ‘Noordzeekustzone’. Ten zuiden ligt op circa 10 kilometer afstand ‘Zwanenwater & Pettemerduinen’ en tot slot ligt ten oosten van het plangebied het Natura 2000-gebied ‘IJsselmeer’. Deze gebieden zijn tevens bestempeld als NNNnatuurgebieden.

Het dichtstbijzijnde NNN- natuurgebied ‘Kruiszwin’ ligt op circa 500 meter afstand en het NNN-gebied ‘Amstelmeer’ ligt 3,5 kilometer verwijderd van het plangebied. Het project wordt buiten de grenzen van Natura 2000-gebieden uitgevoerd en is zelf relatief gering in omvang. Gezien de aard van de werkzaamheden is in de zogeheten uitvoeringsfase van het project geen sprake van mogelijke negatieve effecten. Het project leidt namelijk niet tot een toename van verlichting of wijziging van grondwaterstanden dan wel nitrificatie in de Natura 2000-gebieden. Uit een stikstofberekening blijkt voorts dat er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op enig Natura 2000-gebied. Dit is een gevolg van de relatieve kleinschaligheid van het plan en de grote afstand tot enig Natura 2000-gebied. De mogelijke negatieve effecten door de plannen op genoemde Natura 2000-gebieden kan dan ook uitgesloten worden. Een ontheffingsaanvraag voor gebiedsbescherming binnen de Wet natuurbescherming (artikel 2.7 Wnb), is zodoende niet vereist. Het plangebied ligt niet in de NNN (voormalig EHS) maar op geringe afstand. Het NNN kent echter geen externe werking. Ook het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ligt op ruime afstand. Gezien de ligging van het plangebied is aantasting van de functionaliteit van Weidevogelleefgebied en de NNN uitgesloten.

Soortbescherming De tabel op navolgende pagina geeft een beknopt overzicht van de waargenomen of te verwachten zwaarder beschermde soorten van de Wet natuurbescherming. Voor alle aanwezige soorten geldt de zorgplicht. Voor alle in het plangebied aanwezige soorten, dus ook de algemene soorten, geldt de zorgplicht. Dit houdt in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: - Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel - Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, denoodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen - Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveelmogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het is uitgesloten dat beschermde plant- en diersoorten voorkomen in het plangebied die door de voorgenomen bouwplannen nadelig worden beïnvloed anders dan algemene broedvogels. Voor de bouwplannen is dan ook geen ontheffing noodzakelijk van de Wet natuurbescherming. Het bouwrijp maken van de bouwlocatie mag alleen plaats vinden op het moment dat hierdoor geen broedsels van vogels vernield worden. Hiermee zal rekening worden gehouden bij het plannen van de bouw.

44

Conclusie Het aspect natuur vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.2.3

Archeologie Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet, die op 1 juli 2016 in werking is getreden is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Op grond van het overgangsrecht van deze wet zijn de bepalingen uit de Monumentenwet 1988 van kracht gebleven totdat de Omgevingswet in werking treedt. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Voor het plangebied geldt een dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie 2’. Om te kunnen bouwen dient er bij een project dat een oppervlakte van meer dan 100 m2 behelst en waarbij dieper dan 0,4 meter onder maaiveld wordt gegraven een archeologisch rapport dan wel een QuickScan van Archeologie West-Friesland te worden overlegd. Op gronden ter plaatse van de aanduiding ‘Waarde-Aardkundig’ behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), geldt tevens een regime voor de bescherming en veiligstelling van het aardkundig waardevolle reliëf en de geologisch waardevolle opbouw van de bodem.

De dubbelbestemming blijft behouden op de verbeelding en een verbinding met de regels uit het moederplan. Beoordeling Bij het opstellen van het wijzigingsplan Kleiweg 3 is reeds onderzoek gedaan naar de cultuurhistorische of archeologische waarden binnen het plangebied. De Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Holland is geraadpleegd. Op deze kaart staan geen (potentiële) archeologische waarden aangegeven in het plangebied. Ook is er een onderzoeksrapport opgesteld door Cultureel Erfgoed Noord- Holland naar aanleiding van de herziening van het bestemmingsplan Buitengebied in 2006 (Bureauonderzoek naar de archeologische waarde van het Bestemmingsplan Buitengebied 45

gemeente Anna Paulowna, SCENH-rapportcultuurhistorie 67). In het onderzoek valt het perceel Kleiweg 3 in “zone 3”. Dit houdt in dat de kans op het aantreffen van (vroeg)middeleeuwse archeologische waarden in deze zone matig tot hoog is. De conservering van deze waarden kan echter zijn aangetast door vergraving en agrarische activiteiten (met name bollenteelt). In het onderzoek wordt aangegeven dat er rekening gehouden dient te worden met de aanwezigheid van archeologische waarden bij grondroerende werkzaamheden dieper dan 40 cm onder maaiveld binnen een planomvang van meer dan 10.000 m2.

De oppervlakte van de nieuwbouw op perceel Kleiweg 3 bedraag maximaal 500 m2, nader archeologisch onderzoek op deze locatie is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Gezien de relatief geringe omvang van de nieuwbouw, is indien de (grondroerende) plannen ongewijzigd blijven, nader archeologisch onderzoek in het kader van de Archeologische Monumentenzorg niet noodzakelijk. De voorgenomen ingreep is daarmee vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan. 4.2.4

Cultuurhistorie Algemeen In 2012 is de Modernisering Monumentenzorg (Momo) in werking getreden. Onder meer heeft dit tot gevolg dat in bestemmingsplannen cultuurhistorie meegewogen dient te worden. Op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van plannen. Beoordeling In hoofdstuk 2 inclusief bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan en paragraaf 4.2.3 is reeds ingegaan op de geschiedenis. Hierin is onderbouwd dat de cultuurhistorische waarden van de locatie niet worden aangetast. Bovendien wordt de stolp beschermd door een aanduiding ‘stolp’ en de longeermanege met een aanduiding ‘karakteristiek’. Binnen het plangebied vinden er geen wijzigingen plaats. De stolp wordt behouden. Het karakter van het lint wordt behouden. De kenmerken van het landschap (zichtrelatie tussen stolpen, relatie tussen lint en landschap, slotenpatronen etc.) en het landelijke karakter blijft behouden. Hierdoor worden de cultuurhistorische waarden van de locatie geborgd. Conclusie Cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.2.5

Verkeer en parkeren Beoordeling De ontsluiting van het plangebied vindt plaats via de Kleiweg. De gemeente Hollands Kroon is eigenaar/wegbeheerder van deze weg. De weg leidt in noordwestelijke richting naar Breezand en in zuidoostelijke richting naar provinciale weg N249. De N249 verbindt N99 met de N9. Via de N99 is de Rijksweg A7 bereikbaar. Het plangebied is ontsloten via twee bestaande uitritten op de weg. De verkeerssituatie ter plaatse is overzichtelijk. Vanuit de in- en uitrit is voldoende zicht op de weg.

46

Verkeersgeneratie Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is de worstcase benadering uitgangspunt. Er is daarom rekening gehouden met de maximale effecten. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van CROW-publicatie 317 ‘Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’. Het te gebruiken kengetal voor de berekening wordt bepaald op basis van de functietype en de stedelijkheidskenmerken van een gebied. De stedelijkheidskenmerken voor deze locatie is ‘buitengebied’. Het functietype is ‘wonen’ en is bepaald op basis van de bestemmingsplanregels. Het hoogste gemiddelde kencijfer voor verkeersgeneratie van vrijstaande woningen bedraagt 7,8 mvt/weekdagetmaal. Voor een gemiddelde werkdag dienen deze waarden met 1,11 vermenigvuldigd te worden. Dit plan maakt het mogelijk om vier woningen toe te voegen. Per woning neemt de verkeersgeneratie toe met 9 motorvoertuigen / etmaal per woning. De Kleiweg heeft ruim voldoende capaciteit voor de verkeersafwikkeling van het nieuwe gebruik die het plangebied krijgt. Parkeren Zoals in paragraaf 3.4.3 is beschreven is het uitgangspunt van het parkeerbeleid van de gemeente Hollands Kroon dat parkeren op eigen erf opgelost wordt. Op basis van dit beleid geldt een parkeernorm van 2,8 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied zijn er in totaal 5 woningen wat betekent dat er in totaal 16,8 parkeerplaatsen (worstcase) nodig zijn.

In paragraaf 2.3 “nieuwe situatie” is op de kaart ‘inrichtingsschets’ te zien hoe de benodigde parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

47

Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. 4.2.6

Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Hier gelden beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht. Beoordeling en conclusie In of nabij het plangebied lopen geen hoofdkabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.2.7

Duurzaamheid Overheden en de samenleving zijn zich er steeds meer van bewust dat we meer moeten zorgen voor het milieu, zoals energiezuinig bouwen, het bevorderen van zonne-energie, duurzaam materiaal gebruik en gescheiden afvalverwerking. De aandacht hiervoor is dan ook groot. De bijdrage die bouwplannen kunnen leveren aan de klimaatdoelstellingen is een kans die niet onbenut moet worden gelaten. Hoewel er wettelijk geen ruimte is om strengere eisen te stellen dan in het Bouwbesluit is vermeld proberen overheden via diverse stimuleringsmaatregelen duurzaamheid vroeg en integraal mee te laten nemen door initiatiefnemers. Beoordeling Initiatiefnemer zal rekening houden met het aspect duurzaamheid bij de planvorming en uitvoering daarvan. De woningen worden gerealiseerd door middel van het principe 0 op de meter en worden gasloos gebouwd. Innovaties op het gebied van duurzaamheid worden op de voet gevolgd. Nieuwe ontwikkelingen die meegenomen kunnen worden bij de ontwikkeling van het plan zullen uitgevoerd worden. Hiermee wordt voldaan aan het aspect ‘duurzaamheid’. Conclusie Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan. Verder wordt er biobased gebouwd.

48

5

Economische uitvoerbaarheid

5.1

Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de financieel haalbaar plan en anderzijds door de wijze van kostenverhaal door de gemeente (grondexploitatie en eventuele planschade).

5.2

Beoordeling plan Financiële haalbaarheid De kosten voor het ontwikkelen van het plan komen voor rekening van initiatiefnemer. Aangenomen wordt dat deze over de financiële middelen beschikt om het plan uit te kunnen voeren. Er wordt met de gemeente een anterieure overeenkomst afgesloten. Grondexploitatie Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een plan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Er is in dit geval geen sprake van een bouwplan zoals opgenomen in het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daarmee niet aan de orde. De begeleiding van de planologische procedure is door middel van het heffen van leges gedekt. Daarnaast is het aanleggen van voorzieningen in het aangrenzende openbaar gebied niet aan de orde en wordt het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing door de initiatiefnemer bekostigd. Voor de gemeente Hollands Kroon zijn derhalve geen kosten verbonden aan het opstellen en uitvoeren van dit plan.

Planschade Tussen de gemeente en de initiatiefnemer wordt een anterieure overeenkomst afgesloten waarin de eventuele planschade wordt geregeld.

5.3

Conclusie De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende aangetoond.

49

6

Juridische regeling

6.1

Planonderdelen Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende planregel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: 1. via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In het voorschrift van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen; 2. via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding. Dat teken kan bestaan uit een lijn, een figuur, of een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels ‘iets’ geregeld.

Dat ‘iets’ kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen bestemmingsregel hebben. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1. Inleidende regels. Het hoofdstuk “inleidende regels bestaat uit een tweetal artikelen te weten de begrippen en de wijze van meten. In de begripsbepaling worden begrippen waar nodig beschreven om interpretatieproblemen te voorkomen. Veelal worden begrippen gedefinieerd die in de planregels worden gebruikt en daar een bijzondere betekenis hebben, die afwijkt van of niet voorkomt in het “normale” spraakgebruik. Wanneer een begrip niet opgenomen is in de begripsomschrijvingen/bepalingen en er ontstaat een interpretatieprobleem dan is het normale spraakgebruik richtinggevend. De begripsomschrijvingen/- bepalingen zijn niet uitputtend bedoeld. De belangrijkste en/of onduidelijke begrippen zijn opgenomen in dit artikel.

De wijze van meten beschrijft hoe de genoemde maatvoeringen in de diverse bestemmingsbepalingen gemeten dienen te worden. 2. Bestemmingsregels. In dit tweede hoofdstuk zijn de planregels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook een aanlegvergunningstelsel opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Eerst voor gebouwen, dan voor de overige bouwwerken. Deze worden genoemd ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’, en betreffen de constructies van enig omvang die toch geen gebouw zijn. Te denken valt aan erfscheidingen, hekwerken, lichtmasten,

50

speelvoorzieningen, vlaggenmasten, lantaarnpalen, en dergelijke. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel een aanlegvergunningstelsel en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. In dit verband wordt opgemerkt dat een woonleefgemeenschap zich onderscheidt van reguliere woningen doordat er sprake is van een statutair vastgelegde morele verplichting naar vermogen een bijdrage te leveren aan een vitaal woonleefklimaat om zo lang als mogelijk zelfstandig te wonen, diensten voor elkaar te verrichten bijvoorbeeld op het gebied van (tijdelijke) zorg, het onderhoud van gemeenschappelijke zaken als tuin, erf, goed nabuurschap en het opzetten van sociaal culturele activiteiten. Toelating tot de woongemeenschap is statutair geregeld; getoetst wordt of kandidaat bewoners gemotiveerd zijn om daadwerkelijk een bijdrage te leveren aan visie en doelen van de gemeenschap. Periodiek worden evaluaties gehouden. De gemeente kan inzage krijgen in deze evaluatieverslagen (vertrouwelijk) de gemeente ziet toe op het gebruik ( en eventueel) handhaven 3. Algemene regels.

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. 4. Overgangs- en slotregels. In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regel betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 6.2 6.2.1

De bestemmingen Planvorm Voor dit plangebied wordt gebruik gemaakt van een nieuw bestemmingsplan waarbij de planvorm van het bestemmingsplan aansluit bij de nieuwste uitgangspunten van de gemeente waarmee de ruimtelijke kwaliteit in het gebied als zodanig kan worden versterkt.

6.2.2

De verbeelding Op de verbeelding zijn de woonfuncties bestemd, waardoor het direct mogelijk is om met het bijbehorende renvooi (verklaring van de bestemmingen) te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied gegeven zijn. In de bijbehorende regels zijn de bestemmingsregels, de bouwregels en gebruiksregels alsmede de afwijkingsbevoegdheden te vinden. De bestemming wonen - woongemeenschap bestaat uit een bestemmingsvlak. Het bestemmingsvlak geeft aan waar het woongebruik toegestaan is. In de regels zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van de bebouwing in het bestemmingsvlak. Vanwege de ligging van het plangebied in een omgeving met een zekere archeologische verwachtingswaarde is naast de woonbestemming de dubbelbestemming “waarde -archeologie 3” nog

51

toegevoegd. De specifieke bouwaanduiding “Stolp” is opgenomen voor de aanwezige stolp op het perceel en ‘karakteristiek’ voor de longeer-manege, waardoor extra regels van toepassing zijn.

. 6.2.3

Regels Het bestemmingsplan bevat een duidelijke regeling die aansluit op de nieuwste inzichten en het Bouwbesluit. Regels uit het onderliggende bestemmingsplan die voor dit plangebied niet relevant of van toepassing zijn, zijn niet in dit bestemmingsplan opgenomen. De regels zijn opgedeeld in de onderstaande hoofdstukken: Inleidende regels Conform SVBP bevatten de inleidende regels artikelen met de begripsbepalingen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Bestemmingsregels In het hoofdstuk Bestemmingsregels zijn in de planregels alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving. Waar noodzakelijk is gebruikgemaakt van aanduidingen om toegestaan gebruik nader te specificeren. Wonen - woonleefgemeenschap Gronden met deze bestemming zijn bedoeld voor het wonen in een leefgemeenschap al dan niet -onder voorwaarden- in combinatie met: - aan-huis-verbonden beroepen en bedrijven; - het hobbymatig gebruik voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen en daaraan ondergeschikt: - het houden van sociaal, culturele, educatieve en levensbeschouwelijke(groeps)activiteiten. Voor de toegestane bebouwing zijn maten opgenomen in de bouwregels. Binnen het bestemmingsvlak zijn maximaal 5 wooneenheden toegestaan. Het realiseren en instandhouden van de maatregelen zoals benoemd in het beeldkwaliteitsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Er zijn in de nieuwe situatie meerdere hoofdgebouwen op het perceel aanwezig, hetgeen ook juridisch mogelijk is. Elk hoofdgebouw zal beschikken over een eigen voor-zijen achtererf(gebied), met bijbehorende mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen. Het is onder voorwaarden toegestaan om binnen een woonheenheid niet meer dan 1/3 deel van het totale oppervlak van de woning, inclusief bijbehorende bouwwerken, met een maximum van 75 m2, voor de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep of bedrijf te gebruiken.

Het is onder voorwaarden toegestaan om binnen het bouwvlak in een wooneenheid en/of bijbehorende bebouwing hobbymatig te gebruiken voor bed & breakfast voor maximaal 4 personen. Het is onder voorwaarden toegestaan om ondergeschikt sociaal, culturele, educatieve en levensbeschouwelijke (groep)activiteiten te organiseren zoals exposities, plukdagen etc. Ook is het mogelijk om de producten die worden gemaakt op het perceel (zoals kunst, groente, fruit) te verkopen. Het realiseren van een theetuin behoort ook tot de mogelijkheden. Tuin Deze gronden mogen wel als tuin/ erf bij de woningen worden gebruikt, maar er mogen geen 52

hoofdgebouwen worden gerealiseerd (woningen). Waarde - Archeologie 3 Deze dubbelbestemming is opgenomen ter bescherming van aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden die dieper dan 40 cm beneden peil plaatsvinden en tevens een oppervlakte van meer dan 10.000 m2 bedragen, geldt een vergunningplicht. Het betreft onder andere werken en werkzaamheden zoals diepploegen en het scheuren van grasland of het aanbrengen van diepwortelende beplanting. Werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Opgemerkt wordt dat het aanbrengen van drainage en het scheuren van grasland in ieder geval niet behoren tot werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud. Algemene regels In dit hoofdstuk van de regels komen algemene regels aan de orde die gelden voor alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De algemene regels bestaan uit de volgende artikelen. Antidubbeltelregel De antidubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

De formulering van de antidubbeltelregel wordt bindend voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening. Algemene bouwregels De algemene bouwregels zien er op toe dat er op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Algemene gebruiksregels Dit artikel bevat een algemene regeling waarin het wordt verboden om de gronden anders te gebruiken dan waarvoor zij bestemd zijn. Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels. Dit betreft bijvoorbeeld de bevoegdheid om af te wijken om kleine nutsvoorzieningen mogelijk te maken en om van de voorgeschreven maten en percentages af te wijken, maar ook om het bouwvlak te overschrijden. Bij dit laatste wordt met name gedacht aan het ruimte en flexibiliteit bieden ten behoeve van toekomstige bebouwing die binnen de woonbestemming wordt ontwikkeld. De omgevingsvergunning wordt overigens alleen verleend wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid en de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen. Verder is een afwijking mogelijk om een bestaande woning door een stolp te vervangen. Algemene wijzigingsregels In dit artikel wordt omschreven in welke gevallen en tot welke omvang bestemmingsgrenzen kunnen worden gewijzigd.

Dit biedt ruimte en flexibiliteit in de regels zonder dat een goede ruimtelijke ontwikkeling van het plangebied wordt geschaad. In dat kader zijn aan toepassing van de afwijkingsbevoegdheid ruimtelijke randvoorwaarden verbonden. Algemene procedureregels De procedureregel voorziet in rechtsbescherming voor belanghebbenden in het geval het bevoegd gezag voornemens is nadere eisen te stellen. Overgangs- en slotregel 53

In het afsluitende onderdeel van de regels komen de overgangsregels en de slotregel aan de orde.

54

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.1

Overleg Nu voor een eerder vergelijkbaar bestemmingsplan reeds vooroverleg heeft plaatsgevonden, de overlegpartners van de gemeente (i.c. provincie NH en Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier) akkoord waren met het plan, wordt in dit bestemmingsplan afgezien van vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro. Uit een uitspraak van de Raad van State blijkt (ECLI:NL:RVS:2010:BO4227), dat indien het duidelijk gaat om een herziening van geringe omvang dan wel van in planologisch opzicht ondergeschikt belang, geen overleg hoeven plaats te vinden.

7.2

Vooroverleg met belanghebbenden Het plan is besproken met: - de eigenaar en huurder van de agrarische gronden die aan de aan de zuid-oost en zuid-west zijde zijn gelegen; -de omwonenden (in 2019) - de bewoners van erf Bouwlust - de leden van de Vereniging Nieuw Bouwlust. De eigenaar en de huurder van de agrarische gronden hebben positief gereageerd op het plan. De eigenaar van de agrarische gronden is 11 okt j.l het stikstofrapport. De gebruiker is akkoord In de Vve is het plan in eerste instantie in januari 2020 besproken vastgesteld. De wijzigingen in het plan worden in de VVE vergadering van oktober medegedeeld. In 2019 zijn alle buren tot een afstand van 80 meter persoonlijk uitgenodigd. Ze waren allen enthousiast en hebben geen zienswijzen ingediend. Uitgebreide besluitvorming over het plan heeft in 2019 -2020 in drie VVE-vergaderingen plaatsgevonden; verslagen van deze bijeenkomsten zijn bij de gemeente bekend. Een lid van de Vve heeft een zienswijze bij de gemeente ingediend. De Raad heeft unaniem besloten (17 dec 2020) Mei 2022 is het traject na een uitspraak van de Raad van State in overleg met de gemeente weer opgepakt. Noodzakelijke wijzigingen zijn verwerkt. De volgende bijeenkomst is 14 oktober; hiervan wordt verslag gemaakt.

Begin september 2022 zijn alle documenten beeldkwaliteitsplan, bestemmingsplan aangeboden opnieuw aan alle erfbewoners aangeboden; inclusief leden Vereniging van eigenaars Nieuw bouwlust. Reacties worden geïnventariseerd en in bijzijn van planoloog in een bijeenkomst op 19 oktober besproken.

7.3

Zienswijzen Uit een uitspraak van de Raad van State blijkt dat slechts indien de afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander bestemmingsplan, dient de wettelijke procedure opnieuw te worden doorlopen (ECLI:NL:RVS:2013:1275). Daar is hier geen sprake van (zie hoofdstuk 8). Het ontwerp wordt daarom niet opnieuw ter inzage gelegd. Hier speelt tevens de overweging dat de belangen van eigenaren niet nadelig beïnvloed worden door de verkleining van het plangebied.

55

7.4

Conclusie Het bestemmingsplan wordt zodoende geacht maatschappelijk uitvoerbaar te zijn.

56

8

Wijzigingen De belangrijkste wijziging ten opzichte van het vastgestelde bestemmingsplan uit 2019 betreft het plangebied, dat is verkleind en een zone die de bestemming Tuin heeft gekregen, zie onder.

Oude verbeelding (boven) en nieuwe verbeelding (onder) Verder is een voorwaardelijke verplichting in de regels opgenomen, luidende: de gronden als bedoeld in artikel 3.1 en 4.1 mogen slechts als zodanig gebruikt worden indien sprake is van een woonleefgemeenschap als bedoeld in artikel 1.75. Voorts is een locatiespecifiek onderzoek gedaan naar gewasbestrijdingsmiddelen en de (vermeende) risico’s met betrekking tot gezondheid. Ook is het stikstofonderzoek geactualiseerd, zodat voldaan wordt aan de meest recente Aerius. Tot slot is de toelichting geactualiseerd, inhoudende dat het NOVI is beschreven (in plaats van de SVIR, die niet meer geldt), het Regionaal Woonakkoord Kop van Noord-Holland 2022-2026 “met het bijhorende afwegingskader (2022), het Nationaal Water Programma 2022–2027, het, Waterplan 20222027 van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en is er aan getoetst. Ook is het overgangsrecht van de Provinciale Omgevingsverordening beschreven en hoe het bestemmingsplan daarbinnen past (en er zodoende aan de voorgaande Omgevingsverordening getoetst kan en moet worden (namelijk die uit 2019, en niet uit 2020).

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=3dad5ae9-71f3-463c-b689-aba3d98d69a2