CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Toelichting bestemmingsplan Kleiweg 3

Raad 3 november 2022, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Bestemmingsplan Kleiweg 3 Anna Paulowna17.314 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Kleiweg 3 Anna Paulowna

Gemeente Hollands Kroon

Onderwerp: Status: IMRO Code:

Bestemmingsplan Kleiweg 3 Anna Paulowna Vastgesteld NL.IMRO.1911.BPBG2006hz44-va02

Projectnummer: Datum:

202200808 11 oktober 2022

Opdrachtnemer:

VdZ Ruimtelijk Advies Maritzstraat 10-1hg 1091 KW Amsterdam info@vdzadvies.nl 06-42796265

Auteur:

Th. van der Zande

Let op! Op dit advies berusten auteursrechten. De tekst van dit advies mag uitsluitend gebruikt worden ten behoeve van deze opdracht. Niets uit dit advies mag worden gekopieerd of worden gewijzigd, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch hetzij mechanisch zonder voorafgaande toestemming van OLYadvies. Het aanhalen van tekst uit dit advies is wel geoorloofd, mits de bron en de auteur worden genoemd. U pleegt plagiaat indien u zonder bronvermelding (copy paste) letterlijk tekst overneemt.

6

INHOUD

TOELICHTING

1

Inleiding

6

2

Geschiedenis, bestaande en toekomstige situatie

10

3

Beleidskader

17

4

Milieu- en omgevingsaspecten

33

5

Economische uitvoerbaarheid

49

6

Juridische regeling

50

7

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

55

8

Wijzigingen

57

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

2.1 2.2 2.3

3.1 3.2 3.3 3.4

4.1 4.2

5.1 5.2 5.3

6.1 6.2

7.1 7.2 7.3 7.4

Aanleiding en doelstelling Plangebied Vigerend bestemmingsplan Beeldkwaliteitsplan Leeswijzer

Geschiedenis Bestaande situatie Nieuwe situatie en overwegingen

Rijksbeleid Provinciaal beleid Regionaal beleid Gemeentelijk beleid

Milieu-aspecten Omgevingsaspecten

Inleiding Beoordeling plan Conclusie

Planonderdelen De bestemmingen

Overleg Vooroverleg met belanghebbenden Zienswijzen Conclusie

6 7 8 8 9

10 12 13

17 19 24 28

33 40

49 49 49

50 51

55 55 55 56

4

Bijlagen: Bijlage 1 Beeldkwaliteitsplan, Studio Groenburg, 24 augustus 2022 Bijlage 2a Bodemonderzoek NEN 5740, Bodem Belang BV fase 2, 21 maart 2014 Bijlage 2b Bodemonderzoek NEN 5740, Bodem Belang BV fase 3, 7 april 2020 Bijlage 3a Samenvatting Watertoets, 19 augustus 2019 Bijlage 3b Watertoets toetsing, 19 augustus 2019 Bijlage 4 Natuurtoets, Bureau Aandacht voor Natuur, 11 augustus 2019 Bijlage 5 Stikstofberekening, VdZ Ruimtelijk Advies, 4 september 2022 Bijlage 6 Spuitzonering Kleiweg 3, VdZ Ruimtelijk Advies, 5 oktober 2022

5

1

Inleiding

1.1

Aanleiding en doelstelling Aan de Kleiweg 3 te Anna Paulowna bevindt zich woonleefgemeenschap Nieuw Bouwlust. De woonleefgemeenschap wil onderling een vitale leefstijl en zo lang als mogelijk daarmee samenhangend zelfstandig wonen bevorderen. Ten behoeve van de woonleefgemeenschap is de ‘Vereniging van eigenaars Nieuw Bouwlust’ opgericht. In de statuten zijn veel onderdelen geregeld, waaronder het gangbaar beheer van de gebouwen, het gezamenlijk ecologisch beheer van het erf, een zelfvoorzienende nul energie-installatie, het behoud van cultuurhistorische en landschappelijk waardevolle aspecten van het perceel in relatie tot haar omgeving. Naast deze kwalitatief ruimtelijke doelen vormt het bevorderen van een vitaliserende leefstijl gericht op het zo lang mogelijk zelfstandig wonen een belangrijk aspect van de statuten van de woonleefgemeenschap. Het realiseren van de woonleefgemeenschap is opgedeeld in drie fasen. De eerste fase is gestart in 2010 en bestond uit het door middel van een wijzigingsplan wijzigen van de bestemming van ‘bedrijf’ naar ‘wonen’ waardoor twee woningen konden worden gerealiseerd. In 2014 is de tweede fase gestart. Op de plaats van de oude kapschuur is naast de woonstolp een tweede hoofdgebouw gerealiseerd waarin twee woningen en gemeenschappelijke voorzieningen zijn gebouwd.

Ten behoeve van dit plan is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld waardoor het mogelijk werd om in totaal drie woningen binnen het erf te realiseren. De Vereniging van eigenaars Nieuw Bouwlust is nu toe aan de derde fase en daarmee de laatste fase. Deze fase is voornamelijk gericht op het optimaliseren en duurzaam borgen van de woonleefgemeenschap: het vergroten van de sociale draagkracht. De woonleefgemeenschap voorzag reeds in 2010 dat er een bepaalde schaalgrootte nodig was om deze duurzaamheid te garanderen. Meerdere actief betrokken bewoners, gespreid in leeftijd, versterken de draagkracht en dragen daarmee bij aan het duurzaam borgen en de continuïteit van het project. Mogelijke risico’s van onvoldoende draagkracht worden hiermee sterk verminderd. De laatste vijf jaren is, mede als gevolg van de vele maatschappelijke veranderingen op het gebied van wonen en zorg, de belangstelling voor het wonen in woongemeenschappen aanzienlijk vergroot en zijn er vele woongemeenschappen gerealiseerd. De ervaring leert dat ten behoeve van een gezonde en duurzame toekomst een minimum aantal bewoners van belang is om de noodzakelijke draagkracht en continuïteit te kunnen borgen. Reeds bij fase 1 is het belang van deze randvoorwaarde onderkend en de mogelijkheid voor een derde fase is in de statuten van de Vve Nieuw Bouwlust uitgewerkt.

In 2019 heeft de vereniging dan ook medewerking gevraagd om passend binnen het concept Nieuw Bouwlust de derde fase en daarmee een duurzame woongemeenschap mogelijk te maken. Het gaat om de toevoeging van 4 wooneenheden (in nieuwe bebouwing) en de bestendiging van een bestaande, reeds aanwezige zelfstandige wooneenheid (de stolp), waarbij de bestemming daarvan wordt gewijzigd van Wonen naar Wonen-Leefgemeenschap. De wooneenheden zullen net als de reeds bestaande wooneenheden allen levensloopbestendig zijn en voorzien zijn van energie neutrale oplossingen. De gemeente Hollands Kroon alsmede de provincie Noord-Holland hebben, net zoals in 2010 en 2014, positief op het initiatief gereageerd. Het project is inmiddels aangewezen als Proeftuin nieuwe woonvormen binnen de beleidskaders van de gemeente. De gemeente Hollands Kroon alsmede de provincie Noord-Holland hebben, net zoals bij bestemmingswijzigingen uit 2010 en 2014, positief op het initiatief gereageerd. Om deze ontwikkeling planologisch mogelijk te maken is een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Dit bestemmingsplan dient hiervoor.

6

De gemeente heeft aangegeven planologisch medewerking te willen verlenen zodat dit hersteld wordt. Hiervoor is een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Dit bestemmingsplan dient hiervoor. In een eerder stadium is voor dit perceel reeds een bestemmingsplan vastgesteld. Voor het oostelijk deel van het plangebied heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het feitelijk gebruik in strijd is met het voorgenomen gebruik als woonleefgemeenschap (ECLI:NL:RVS:2022:702). Het bestemmingsplan is om die reden vernietigd. Twee bewoners van het oostelijk deel wensen geen deel van de woonleefgemeenschap uit te maken. Om die reden is dit deel buiten dit bestemmingsplan gehouden. 1.2

Plangebied Het plangebied bevindt zich in het buitengebied van de gemeente Hollands Kroon aan de Kleiweg. Het ligt op ongeveer 1 kilometer ten oosten van de kern van Anna Paulowna en ongeveer 3 kilometer ten westen vanaf de Waddenzee. De globale ligging van het plangebied is weergegeven op de luchtfoto’s. Op de eerste foto is met een rode cirkel het plangebied aangegeven en op de tweede foto het plangebied met een rood vlak.

Regionale ligging van het plangebied, bron: Googlemaps kaartgegevens © 2022

7

Indicatief het plangebied (rood), bron ondergrond: ruimtelijkeplannen.nl

1.3

Vigerend bestemmingsplan Het plangebied is planologisch geregeld in het wijzigingsplan ‘en heeft de bestemming ‘wonen’ waarbij 3 woningen zijn toegestaan.

Verbeelding van het plangebied, bron “wijzigingsplan Kleiweg 3 Anna Paulowna”

1.4

Beeldkwaliteitsplan Voor dit plan is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). Voorliggend beeldkwaliteitsplan is het tweede plan dat voor dit erf gemaakt is en bouwt voort op de uitgangspunten zoals destijds zijn uitgewerkt (2010). Het beeldkwaliteitsplan is opgesteld om de nieuwe wooneenheden zorgvuldig en met kwaliteit in te passen in het plangebied. Het plan geeft inzicht in de beoogde ruimtelijke kwaliteit en hoe die gerealiseerd wordt. Door nieuwe ontwikkelingen goed aan te laten sluiten bij de kernkwaliteiten van 8

erf en het omliggende landschap wordt de identiteit van de plek behouden of versterkt. Evenals in 2010 zijn in het plan duidelijke keuzes gemaakt om de hoogwaardig ingezette ontwikkeling te waarborgen. De kwaliteit van het plangebied wordt enerzijds bepaald door de ruimtelijke en stedenbouwkundige opzet en anderzijds door de architectonische en cultuurhistorische kwaliteit van de woningen en het erf. De in het plan opgenomen uitgangspunten geven richting aan de verdere uitwerking van het plan. De bouwinitiatieven in dit plan worden getoetst aan dit beeldkwaliteitsplan. Dit beeldkwaliteitsplan is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels. 1.5

Leeswijzer De toelichting is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (Hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting vervolgt met hoofdstukken over de economische uitvoerbaarheid (Hoofdstuk 5) en de juridische regeling (hoofdstuk 6) en sluit af met een hoofdstuk waarin maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt uitgezet.

9

2

Geschiedenis, bestaande en toekomstige situatie Voor het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld door Studio Groenburg. In dit plan is uitvoerig de geschiedenis, nieuwe situatie en de overwegingen beschreven en bouwt voort op de in 2010 gemaakte architectonische visie. Bij het beschrijven van de geschiedenis is gebruik gemaakt van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord- Holland. In dit hoofdstuk wordt hier op hoofdlijnen ingegaan.

2.1

Geschiedenis Het plangebied is gelegen in het westelijk deel (tussen Oude Veer en Middenweg) van de Anna Paulownapolder. Het ensemble van de Anna Paulownapolder grenst aan de Waddenzee. De polder behoort tot het aandijkingenlandschap en is voornamelijk in gebruik voor bollenteelt en alsakkerland. Dertig jaren nadat de Anna Paulowna polder is drooggelegd, werd in 1875 boerderij Bouwlust in de Westpolder gebouwd. Dit gebied werd aanvankelijk voor gemengd agrarisch bedrijf gebruikt. Geleidelijk werd het voornamelijk akkerbouw en later ook bollenteelt; zo ook op boerderij Bouwlust.

Topografische kaart, omstreeks 1918 met rood omcirkeld de planlocatie

10

In het oog springende elementen in Noord-Holland zijn stolpboerderijen. Deze typische agrarische verschijningsvorm is zeer kenmerkend voor Noord-Holland.

Indeling en aanzicht traditionele l

Stolpen zijn van oorsprong Noord- Hollandse boerderijen die werden gebouwd vanaf de 16e eeuw. De stolpboerderij heeft zich ontwikkeld uit het boerderijtype het langgerekt woonstalhuis, met een hooihuis erachter. Een stolp heeft bijzondere kenmerken: een houten vier- of zeskant dat de kapconstructie draagt (zie navolgende afbeelding). Onder dit dak was plaats voor de boerenfamilie, het vee, het hooi, de wagens en andere werktuigen. De binnenste ruimte werd gebruikt om hooi op te slaan. Een stolp kent een lage goothoogte (max. 3 meter) en een oorspronkelijke typische gevelindeling bestaande uit een dors of darsdeur voor het vee, ramen/ kozijnen en een deur voor het woongedeelte. Sommige stolpboerderijen hebben een klok- of trapgevel. In combinatie met het erf en de veelal typerende inrichting daarvan (bomensingel als markering van het erf) zijn stolpen bijzonder waardevolle elementen. Het agrarisch verleden van een gebied is in het bijzonder goed leesbaar aan de stolpen; deze vertegenwoordigen derhalve een grote cultuurhistorische waarde.

11

Op Erf Bouwlust is een stolpboerderij, waarmee de historie van het erf visueel wordt. In de vorige eeuw is omstreeks 1933 de grote kapschuur gebouwd waarna in 1940 op het erf naast de stolpboerderij een kleine arbeiderswoning is opgericht.Deze arbeiderswoning is in 1993 vervangen door nieuwbouw.

Topografische kaart, omstreeks 2018 met rood omcirkeld de planlocatie De in 1933 gebouwde robuuste open kapschuur met vier vierkanten voor het opslaan van graan is als gevolg van een storm begin 2014 gesloopt. De vierkanten zijn deskundig gedemonteerd voor hergebruik. In 2015 zijn op de plaats van de kapschuur in één bouwvolume twee nieuwe woningen gebouwd. Voor de uitvoering van dit onderdeel is het beeldkwaliteitsplan van 2010 leidend geweest. Het herinterpreteren van streekeigen cultuurhistorisch bepaalde vormtaal ten behoeve van nieuwe functies en met name het wonen in een woongemeenschap was de leidraad. Het volume van de centrale hooiberg met dak en hoge nok alsmede de lange westzijde van het gebouw refereren aan de voormalige kapschuur met 4800 m3 volume dat met de nieuwbouw is teruggebracht naar ongeveer 1600 m3. De vormtaal van stolp en nieuwbouw behoren tot dezelfde familie, waar weliswaar een aantal generaties tussen zitten. Het erf heeft door de jaren heen zijn oorspronkelijke vorm vergaand teruggekregen. Kavelsloten zijn hersteld, iepen met iepziekte zijn deels vervangen door resistente en aan de west- en noordzijde aangelegd. Langs de kavelsloten is een strook van 2 meter vrijgehouden. Meidoornhagen en geriefhout bosjes omsingelen het erf, afgewisseld met open verbindingen en zichtlijnen naar het omliggende landschap.

De oorspronkelijke boomgaard is hersteld en aangevuld met nieuwe hoogstam fruitbomen. Daarnaast ligt een moestuin. Aan de oostzijde ligt een schapenwei. Aan de zuidwestzijde van de nieuwbouw ligt een vijver, die tevens als helofytenfilter functioneert. Met de nieuwbouw van 2015 is een nieuw hoofdstuk aan deze geschiedenis toegevoegd. Met de nu op stapel staande ontwikkeling is het uitgangspunt weer een nieuw hoofdstuk toe te voegen, dat gebaseerd is op dezelfde uitgangspunten en kernkwaliteiten zoals die in bij de planvorming in 2010 reeds in het beeldkwaliteitsplan van toen zijn vastgesteld. 2.2

Bestaande situatie De aan de weg gelegen stolp (1) vormt het eerste hoofdgebouw en is karakteristiek net zoals de longeermanege (4). Beiden hebben echter geen monumentale status. Het tweede hoofdgebouw (3) is de in 2015 (fase 2) gerealiseerde ‘hooibergschuur’ met twee woningen en een gemeenschappelijke ruimte. De overige bebouwing is in de uitstraling en volume ondergeschikt. Door geschakelde volumes en bebouwing met eenvoudige kap past de overige bebouwing binnen oorspronkelijke erfkarakteristieken.

12

Overzicht bestaand erf 1. Stolpboerderij Bouwlust 2. Arbeiderswoning of achterhuis 3. Hooiberg woning met twee wooneenheden en logiesruimte 4. ‘Longeerpiste’, bijgebouw voor kleinschalige culturele activiteiten 5. Prieel 6. Inrit 7. Parkeren 8. Binnen-erf met moestuin, hoogstamfruitbomen, kleine kas 9. Tuinschuur met zonnepanelen tbv stolpboerderij 10. Schapenweide 11. Vijver / Helofytenfilter 12. Sloten 13. Fietspad Doordat er rondom het erf een afwisseling is in meidoornhagen en geriefhout bosjes, krijgt het erf een natuurlijke omzoming met daarbinnen vergaande zichtlijnen naar het buitengebied. Aan de achterzijde van stolp ligt de centrale tuinzone met fruitbomen, moestuin en vijver. Door de opbouw van het perceel is het mogelijk om van twee kanten te kijken. Van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. Plangebied en het omliggende gebied zijn met elkaar verbonden, doch met een eigen identiteit en (daardoor) in evenwicht met elkaar. 2.3

Nieuwe situatie en overwegingen Voor het initiatief is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Rekening is gehouden met het beleid van het rijk, de provincie Noord-Holland en de gemeente Hollands Kroon. Met de nieuwe inrichting is daarmee rekening gehouden met de hierin vastgestelde kernkwaliteiten, waarbij het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit centraal staat. De nieuwe (woon)functies van de woongemeenschap krijgen een cultuurhistorische- en landschappelijke inpassing.

13

Situatieschets nieuwe situatie Samenhangend cluster Het historische verhaal van erf Bouwlust wordt gecontinueerd waarbij de nieuwe bebouwing een inpassing krijgt rondom de centrale tuin, het binnenerf / de boerenbinnentuin van de woongemeenschap. Hiermee wordt de onderlinge samenhang tussen de gebouwen versterkt. Door de positionering van de nieuwe wooneenheden in relatie met de bestaande woningen wordt het binnenerf met longeerpiste, boomgaard en moestuin versterkt en neemt de ruimtelijke en sociale samenhang toe.

Samenhangend cluster plangebied Zichtassen buitengebied Voor de beoogde toekomstige ontwikkeling en het bewaken en versterken van de beeldkwaliteit is de zichtrelatie met het buitengebied een belangrijk onderdeel. Binnen het plan wordt de open verbinding met de directe omgeving en het daarbij horende landschap behouden. Door de situering van de nieuwe

14

gebouwen aan de zuid en zuidoostzijde van de locatie, zal het binnenerf, met moestuin, kas en fruitbomen als centrale plek versterkt worden. Vanuit de gebouwen rondom het binnenerf zijn er verrassende doorzichten naar het buitengebied. Er is een indeling in voorerf, achtererf en ‘binnenerf’ te herkennen. Door het karakter van de bestaande streekeigen erfbeplanting langs de randen door te zetten krijgt de nieuwe ontwikkeling een groene landschappelijke inpassing. Hiermee wordt de karakteristiek van het open landschap met erven als groene eilanden versterkt. Vanuit de stolpboerderij en de nieuwe kap- schuurwoning zijn er langs de bomen, vergaande doorzichten naar het buitengebied. Omgekeerd zal de wandelaar, fietser en automobilist het erf als één geheel kunnen beleven met in het centrum een herkenbare historische vormtaal gebaseerd op stolpboerderij en manege als inspiratie voor de nieuwe bebouwing met erf om de identiteit van de polder teversteken.

Zichtassen plangebied Bijgebouwen Om het karakter van het collectieve erf goed te waarborgen, is het belangrijk om voldoende bergingen op het erf te hebben. Hiermee wordt voorkomen dat er vuilcontainers, fietsen en andere opslag zich over het erf verspreiden. Ook is er ruimte nodig voor sociale en culturele activiteiten. Qua beeldkwaliteit is de stolp historisch gezien het hoofdelement van het erf. Alle overige bouwwerken, worden en zijn daarom als agrarisch bijgebouw vormgegeven. De stolp heeft in beeld zijn voorgevel aan de oostzijde in plaats van naar de weg georiënteerd. Het is daarom van belang om de zone voor de voorgevel, vrij te houden van bebouwing. Eventuele bijgebouwen zijn daarom niet toegestaan binnen in het voorerfgebied. Er wordt gestreefd naar zo min mogelijk verspreide bijgebouwen. In de stolp en in de hooibergwoning zijn inpandige bergingen. Naast deze bijgebouwen dient er ook ruimte te blijven voor kleinere bouwwerken/ elementen voor o.a. opslag van gemeenschappelijk gereedschap, een kas in de moestuin en prieel. Deze kleinere elementen zullen bij voorkeur in het binnenerf blijven of dicht langs de randen hiervan. Door de verplaatsing en vergroting van het afdak met zonnepanelen, wordt deze beter benut voor de opslag van tuingereedschap e.d.

De longeerpiste wordt hiermee meer vrijgespeeld, zodat deze bij culturele en/ of sociale activiteiten gemakkelijker te gebruiken is. Deze is daar geschikt voor, en het plan is ook om deze 15

daarvoor in gebruik te nemen. De kleine kas past bij de moestuin, maar door deze iets beter te positioneren op het binnenerf, kan het erf versterkt worden. Met het hierboven omschreven plan en onder de voorwaarden zoals benoemd in het beeldkwaliteitsplan, ontstaat een ruimtelijk, landschappelijk en stedenbouwkundig gewenst plan. Door de toevoeging van 4 wooneenheden (in nieuwe bebouwing) en de bestendiging van een bestaande, reeds aanwezige zelfstandige wooneenheid (de stolp), waarbij de bestemming daarvan wordt gewijzigd van Wonen naar Wonen-Leefgemeenschap) ontstaat bovendien een betere planologische basis om blijvend te kunnen investeren in beheer en onderhoud van de cultuurhistorisch waardevolle stolpboerderij en longeerpiste (tezamen vormt dit een ensemble). Een en ander past daarmee ook naadloos binnen de geformuleerde ambities in de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie, specifiek ook hetgeen hierover over stolpen (aan de Kleiweg staan 6 stolpen) en de wens tot behoud daarvan staat aangegeven. Deze gebouwen blijven daardoor behouden voor huidige en toekomstige generaties en het verleden kan er aan afgelezen worden. In navolgende hoofdstukken wordt getoetst of het plan past binnen het ruimtelijk relevant beleid van diverse overheden alsook milieu- en omgevingsaspecten.

16

3

Beleidskader

3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie 2020 Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) door het Rijk vastgesteld. Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit worden de ‘nationale belangen’ genoemd. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. Om deze belangen goed af te kunnen wegen heeft het Rijk op 11 september 2020 de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen. Er zijn 21 nationale belangen benoemd waarbij over de volgende onderwerpen de belangrijkste keuzes gemaakt moeten worden: • Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie • Duurzaam economisch groeipotentieel • Sterke en gezonde steden en regio’s • Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied • Het Rijk wil deze opgaven als één overheid samen met de samenleving aanpakken.

Beoordeling en conclusie De geplande ontwikkeling is dermate kleinschalig dat de ontwikkeling niet onder de nationale belangen valt waar de NOVI voor is opgesteld.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen van nationaal belang uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. De volgende onderwerpen worden in het Barro genoemd: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Deze onderwerpen worden in het Barro exact ingekaderd en begrensd. Per project worden regels gegeven die gemeenten direct of indirect (via provincies) moeten laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

17

Beoordeling en conclusie Het plan valt niet binnen de reikwijdte van één van de onderwerpen uit het Barro. Er zijn hierin daarom geen regels opgenomen die van belang zijn voor het onderhavige plangebied. Het plan is hierdoor niet strijdig met het Barro.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking Het laatste nationale belang, zorgvuldige afweging, is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening. De regeling komt erop neer dat van bepaalde ontwikkelingen nut en noodzaak dient te worden aangetoond. Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd.

Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Niet elke ontwikkeling van stedelijke aard wordt door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder. Uit enkele uitspraken - Zie onder meer 201308263/2/R4 en 201302867/1/R4- 201501297/1/R4 blijkt dat plannen tot 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken.

Ook inpandige functiewijzigingen zijn in beginsel niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. Zie onder meer een uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2316) of de uitspraak van de Afdeling van 21 januari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:96) inzake een functiewijziging van een restaurant. Dit is in zoverre ook logisch, daar de Ladder gericht is op het tegengaan van leegstand. Beoordeling Binnen het plangebied worden 4 wooneenheden (in nieuwe bebouwing) toegevoegd (en daarnaast gaat het om de bestendiging van een bestaande, reeds aanwezige zelfstandige wooneenheid (de stolp), waarbij de bestemming daarvan wordt gewijzigd van Wonen naar Wonen-Leefgemeenschap. Allen worden gerealiseerd binnen Bestaand Stedelijk Gebied. Het plangebied bestaat immers uit een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen. Ook de bestemming Wonen betreft een stedelijke bestemming. (Verdere) steun voor deze conclusie wordt gevonden in een ‘jurisprudentie -overzicht BSG” van de provincie Noord-Holland (23 februari 2018). Hieruit blijkt dat de

18

Afdeling bij de vraag of de gronden waarop een stedelijke ontwikkeling is voorzien (het plangebied) als BSG moeten worden aangemerkt, afhankelijk stelt van: - de omstandigheden van het geval; - de specifieke ligging; - de feitelijke situatie; - het bestemmingsplan, en; - de aard van de omgeving. De Afdeling kijkt vrijwel steeds naar de mogelijkheden die het bestemmingsplan bood. Uit 201406407/1/R2 blijkt -daarom- bijvoorbeeld dat grond die hoewel agrarisch in gebruik toch als BSG aangemerkt moet worden als de bestemming Wonen is. Ook de uitspraak 201503574/1/R1 wijst deze richting uit. Gaat het echter om een bestemming die bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca niet mogelijk maakt (maar is de bestemming Agrarisch), dan gaat het niet om BSG. Zie bijvoorbeeld 201408996/1/1R6. Ondanks dat de locatie in deze in het landelijk gebied van Anna Paulowna ligt, moet, gezien de bekende jurisprudentie, gekeken worden naar de bestemming om te bepalen of sprake is van BSG. Er zijn vooralsnog geen uitspraken bekend waarbij de aard van het gebied prevaleert boven de bestemming. Zolang dat niet het geval is, dient van het eerste benaderprincipe te worden uitgegaan. In dit geval is de bestemmingsplan zoals aangegeven Wonen en daarom ligt de locatie- gelet op de definitie van BSG en de jurisprudentie hieromtrent - in BSG.

Wanneer de conclusie toch moet luiden dat de locatie in landelijk gebied, dan is in dit bestemmingsplan aangetoond dat voldaan wordt aan de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie (zie paragraaf 3.2). Voorts kan dit concept niet binnen bestaande kernen worden gerealiseerd, daar een belangrijke factor is behoud van de cultuurhistorisch waardevolle stolp en longeercirkel alsook het wonen in een landelijke, rustieke setting. Gezien de relatieve kleinschaligheid van dit plan, wordt dit niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro gezien de eerder aangehaalde uitspraken. Conclusie In het plangebied zijn geen nationale ruimtelijke belangen in het geding. Daarnaast is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en het plan valt binnen Bestaand Stedelijk Gebied. Voor de onderbouwing ten aanzien van de behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.2.4. Het plan voldoet hiermee aande Ladder voor Duurzame Ontwikkeling. 3.2 3.2.1

Provinciaal beleid Omgevingsvisie NH2050 Balans tussen economische groei en leefbaarheid Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. Met deze visie wil de provincie zorgen voor balans tussen economische groei en leefbaarheid. Zo kunnen we voor toekomstige generaties het welvaarts-en welzijnsniveau in Noord-Holland op een hoog niveau houden. Dit betekent dat in Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd; de ruimte voor economische ontwikkeling wordt altijd in samenhang met dit uitgangspunt beschouwd.

19

Uitsnede kaart Noord-Holland in beweging, bron Omgevingsvisie Noord-Holland 2018

Deze hoofdambitie is in twee ambities te verdelen die van de: a. Leefomgeving Een gezonde en veilige basiskwaliteit van de leefomgeving met een eventuele verhoging van deze ambitie in de toekomst (klimaatverandering, gezondheid en veiligheid, biodiversiteit en natuur) en; b. Gebruik van de leefomgeving De provincie wil ruimtelijke ontwikkeling faciliteren, onder voorwaarde van behoud en ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit (economische transitie, wonen en werken, mobiliteit en landschap). Beoordeling en conclusie Voor het plangebied is de tweede ambitie het meest relevant (gebruik van de leefomgeving) waarbij de aandacht vooral ligt op het verbeteren van het aanbod ten aanzien van woonlocaties en het behouden van versterken van het landschap en de cultuurhistorie. In de vorige paragrafen is hier uitvoerig op ingegaan. Het plan voldoet hiermee aan de Omgevingsvisie. De provincie heeft drie hoofdbelangen die samen de ruimtelijke hoofddoelstelling vormen van de provincie Noord-Holland.

Deze drie hoofdbelangen zijn: - Ruimtelijke kwaliteit: behoud en ontwikkeling van Noord-Hollandse cultuurlandschap, behoud en ontwikkeling van natuurgebieden en behoud en ontwikkeling van groen om de stad; - Duurzaam ruimtegebruik: milieukwaliteiten, behoud en ontwikkeling van verkeers- en vervoersnetwerken, voldoende en op de behoefte aansluitende huisvesting, voldoende en gedifferentieerde ruimte voor economische activiteiten en voldoende en gedifferentieerde ruimte voor recreatieve en toeristische voorzieningen; - Klimaatbestendigheid: voldoende bescherming tegen overstroming en wateroverlast, voldoende en schoon drink-, grond- en oppervlaktewater en voldoende ruimte voor het opwekken van duurzame energie.

20

3.2.2

Omgevingsverordening NH2020 / Provinciale Ruimtelijke Verordening In de vastgestelde provinciale Omgevingsverordening NH2020 (gepubliceerd 16 november 2020) zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. In de Omgevingsverordening staan de regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen en zijn regels opgenomen over onderwerpen in zowel het landelijke als het stedelijke gebied van Noord-Holland waar een provinciaal belang mee is gemoeid. Een deel van de regels is alleen van toepassing voor het landelijk gebied. De Omgevingsverordening vervangt alle bestaande verordeningen die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Uit de toelichting op de ontwerpverordening volgt dat wordt beoogd de provinciale regels te vereenvoudigen en te harmoniseren. Verder is ervoor gekozen om bestaande verordeningen zoveel mogelijk beleidsneutraal om te zetten naar de omgevingsverordening. Ook voor het begrip bestaand stedelijk gebied wordt aangesloten bij het Bro. Ze luidt derhalve: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

In artikel 12.2, lid b is overgangsrecht opgenomen, welke voor bestemmingsplannen inhoudt dat wanneer voor een ambtshalve te nemen besluit, een besluit als bedoeld in 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, of een besluit als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de Wet ruimtelijke ordening, dat op verzoek wordt genomen, een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit ten aanzien waarvan op de voorbereiding afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en het besluit binnen 2 jaar na de in de aanhef genoemde inwerkingtreding is genomen het oude recht geldt. In dit geval is het ontwerp bestemmingsplan voor de Kleiweg 3 als ontwerp ter inzage gelegd vóór 16 november 2020 en zal het worden vastgesteld voor 16 november + 2 jaar. Derhalve is het oude recht, i.c. de Provinciale Ruimtelijke Verordening uit 2019 van toepassing. Beoordeling en conclusie Het plan is zoals aangegeven niet als stedelijke ontwikkeling aan te merken. De provincie hanteert voor het begrip stedelijke ontwikkeling namelijk hetzelfde begrip als het Besluit ruimtelijke ordening (zie paragraaf 3.1). De provincie introduceert in de Verordening echter ook het begrip kleinschalige ontwikkeling. Dit begrip komt in de Bro niet voor. Als iets geen stedelijke ontwikkeling betreft,dan gaat het volgens de provincie om een kleinschalige ontwikkeling. Artikel 5c luidt: 1.

Een bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Het aantal woningen mag hierbij niet toenemen. 2. In afwijking van het eerste lid is bebouwing buiten het bestaande bouwblok mogelijk, mits het bebouwd oppervlak niet wordt vergroot. 3. In afwijking van het eerste lid kan een bestemmingsplan voorzien in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied, indien dit opgrond van een ander artikel in deze verordening is toegestaan. 4. (..)

Ook voor het begrip bestaand stedelijk gebied wordt aangesloten bij het Bro. Ze luidt derhalve: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid,

21

detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Eerder is al onderbouwd dat de locatie binnen BSG is gelegen (zie paragraaf 3.1.3). Het plan voldoet zodoende aan de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2019.

3.2.3

Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) Wettelijk kader In Noord-Holland zijn 32 gebieden aangewezen als ‘Bijzonder Provinciaal Landschap’ (verder: BPL). Dit zijn landschappen waarop de Provincie extra zuinig is vanwege hun bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier. Om te zorgen dat Noord-Holland een mooie provincie blijft om te wonen, werken en je vrije tijd door te brengen, zijn 32 gebieden (naast de natuurgebieden) beschermd. Voorheen golden er veel verschillende regels om het landschap te beschermen. Nu is alles samengebracht onder het BPL en geldt binnen de 32 gebieden overal dezelfde regels.

Kaart Bijzonder Provinciaal Landschap met indicatief het plangebied aangegeven met een rode vlag, bron: provincie Noord-Holland

Beoordeling en conclusie Het plangebied is niet gelegen in een Bijzonder Provinciaal Landschap.

3.2.4

Leidraad Landschap en Cultuurhistorie In de Leidraad voor Landschap en Cultuurhistorie, 2018, zijn de landschappelijke en cultuurhistorische karakteristieken van de provincie beschreven. Dit is gedaan per deelgebied. Met deze Leidraad wil de provincie partijen zoals gemeenten, initiatiefnemers, beheerders en ontwerpers stimuleren en inspireren om tot kwalitatieve en duurzame ruimtelijke ontwerpen te komen. De Leidraad is daarbij ook bedoeld om – in lijn met de ambities van de Omgevingswet en de provinciale Omgevingsvisie – inzichtelijk te

22

maken welke landschappelijke en cultuurhistorische waarden van belang zijn. Via de Provinciale Omgevingsverordening, zie paragraaf 3.2.1, heeft de Leidraad ook juridische status. De provincie beschrijft een aantal uitgangspunten voor verschillende landschapstypen en voor ruimtelijke dragers. Het deelgebied waar het plangebied uit van maakt is het aandijkingslandschap. De Anna Paulownapolder is een productiepolder met in het westen vooral bollenteelt en in het oosten meer akker- en weideland. De polder heeft een heel eigen karakter door het contrast tussen de rechthoekige inrichting en de kronkelige wegen die de natuurlijke kreekruggen volgen. Binnen de aandijkingen is het voormalige waddenlandschap terug te vinden in de kreekstructuren. Veel zijn drooggelegd, maar het Oude Veer in de Anna Paulownapolder is door zijn natuurlijke vorm en maat herkenbaar tussen de rechtlijnige aandijkingen. Voor dit plangebied zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: 1. Landschappelijke karakteristiek a.

Bij te dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek

2. Openheid en ruimtebeleving a. b.

Bijdragen aan het versterken van (de beleving van) openheid. Behoud in Anna Paulownapolder-west het zicht vanaf de linten op het open landschap.

3. Ruimtelijke dragers a.

Het helder positioneren van de het plan ten opzichte van de ruimtelijkedragers

4. Verkavelingsstructuur a. b.

Het versterken van het onderscheid tussen de kronkelige lijnen (voormalige wadkreken) en het rechte grid in de Anna Paulownapolder Het plan in de richting van de grid-verkavelingsstructuur inpassen

Beoordeling Voor het initiatief is een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie bijlage 1). In dit plan wordt uitvoerig ingegaan op de Leidraad. In deze paragraaf wordt daarom op hoofdlijnen ingegaan op de Leidraad. Voor een verdieping wordt verwezen naar het beeldkwaliteitsplan. Het historische verhaal van erf Bouwlust wordt gecontinueerd waarbij de nieuwe bebouwing een inpassing krijgt rondom de centrale tuin, het binnen-erf van de woongemeenschap. Hiermee wordt de onderlinge samenhang tussen de gebouwen versterkt, waarbij de bestaande stolpboerderij in hiërarchie het hoofdgebouw is, met daar omheen de ‘bijgebouwen’. Door de positionering van de nieuwe woningen in relatie met de bestaande woningen wordt de ruimtelijke en sociale samenhang versterkt. Binnen het plan wordt de open verbinding met de directe omgeving en het daarbij horende landschap behouden. Door de situering van de nieuwe gebouwen aan de zuid en zuid-oostzijde van de locatie, zal het binnen-erf, met moestuin, kas en fruitbomen als centrale plek versterkt worden. Vanuit de gebouwen rondom het binnen-erf blijven de doorzichten tevens behouden. Door het karakter van de bestaande streekeigen erfbeplanting langs de randen door te zetten krijgt de nieuwe ontwikkeling een groene landschappelijke inpassing. Hiermee wordt de karakteristiek van het

23

open landschap met erven als groene eilanden versterkt. Conclusie Met deze ontwikkeling wordt landschappelijke winst behaald. Er ontstaat een beeld wat aansluit op het landelijke karakter van de omgeving. De kenmerken van het landschap worden versterkt door bij te dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek. Het plan sluit bovendien aan bij de grid-verkavelingsstructuur. Het plan voldoet hiermee aan de Leidraad. 3.3 3.3.1

Regionaal beleid Regionaal Woonakkoord Kop van Noord-Holland 2022-2026 “met het bijhorende afwegingskader (2022) Conform de provinciale Woonagenda 2020-2025 worden maatwerkafspraken op het gebied van wonen in regionale woonakkoorden opgenomen. Met dit convenant beogen partijen een actieve regionale samenwerking woningbouw te continueren ten behoeve van een optimale ruimtelijke ontwikkeling van de woningvoorraad/-markt van de regio Kop van Noord-Holland. Hiervoor maken de partijen afspraken over de woningbouwplannen in programma(‘s) die aansluiten bij de vraag naar nieuwbouwwoningen en woningtypen in de regio Kop van Noord-Holland(verder te noemen de Kop). In dit woonakkoord worden aanvullende afspraken gemaakt, zoals: ambities, (mogelijke) buitenstedelijke locaties en projecten. Bij elke ontwikkeling moet getoetst worden aan bijlage 1 en 2 bij het Woonakkoord: - Bijlage 1: Kwalitatief afwegingskader; - Bijlage 2: Vragentabel kwalitatief afwegingskader.

Hierbij geldt: ≠ Kwalitatief hoger scorende woningbouwplannen komen eerder in aanmerking om opgenomen te worden in het regionale programma dan lager scorende woningbouwplannen; ≠ Een regiogemeente (‘vrije regelruimte’) mag aan de hand van een lokale onderbouwing woningbouwplannen: - toevoegen aan; - verplaatsen (in of na); - schrappen uit, het regionale programma, en aanbieden voor de regionale afstemming (en -beoordeling); ≠ Als juist gemotiveerde woningbouwplannen succesvol besproken zijn in de regionale werkgroep en de bestuurlijke instemming (in portefeuillehoudersoverleg ruimte en economie) hebben gekregen, is er sprake van regionale afstemming. Voor Hollands Kroon is tot 2023 een opgave van 650 woningen geformuleerd; tot aan 2030 gaat het om 1674 stuks. Op www.plancapaciteit.nl wordt de woningbouwontwikkeling bijgehouden. Voor Hollands Kroon is tot 2024 aan plannen een capaciteit van 2187 woningen beschikbaar. Dit betreft echter zowel ‘zachte’ als ‘harde’ plannen. Hoewel er voldoende plannen zijn, is er, wanneer sec de harde plancapaciteit wordt beschouwd, op korte termijn een tekort. Doorgaans moet immers om de vraag te bepalen gekeken worden naar de harde plan-capaciteit versus de behoefte (in sommige gemeenten worden de buitenstedelijke plannen ook niet meegenomen).

Dit blijkt uit jurisprudentie, zie hiervoor 201506063/1/R6, alsook uit de meest recente Handreiking bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking van het Ministerie van Infrastructuur & Milieu: “Kort gezegd is de 'behoefte' het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit)”. Weliswaar staat deze Handreiking op een website van een semi-overheidsorgaan, infomil, doch expliciet staat aangegeven

24

dat deze Handreiking afkomstig is van het Rijk.

Tot slot staat het in een ‘externe handreiking nut en noodzaak’ van de provincie Noord- Holland zelf ook aangegeven: “Lokaal is er vraag naar 300 woningen. Het harde aanbod is 175 woningen. Om te bepalen of er nog ruimte is voor dit plan, wordt de volgende berekening uitgevoerd: vraag – hard aanbod = resterende ruimte voor woningbouw. In dit geval betreft het 300-175 = 125 woningen. Het plan bedraagt 100 woningen, dus het past binnen de nog resterende lokale kwantitatieve behoefte”. In het Convenant staat in bijlage 4 een overzicht van de harde plannen in Hollands Kroon, tot 2030 zijn dat er 647. Er resteert dus voldoende kwantitatieve ruimte om in dit geval 4 woningen toe te voegen. In bijlage 1 bij het Woonakkoord is navolgend schema opgenomen, welke nagelopen dient te worden.

25

Als onderbouwd in hoofdstuk 2, gaat het om een ruimtelijk en stedenbouwkundig gewenste ontwikkeling; de thema’s landschap en beeldkwaliteit spelen hier niet (het gaat om bestaande bebouwing in bestaand stedelijk gebied); Er is aantoonbaar behoefte aan woningen in de gemeente, waarschijnlijk komen deze terecht in het goedkope tot middeldure segment; In bijlage 1 is zoals aangegeven een afwegingskader opgenomen. Het doel van dit afwegingskader is dat de regio op een zo objectief mogelijke wijze kan beoordelen of er sprake is van een kansrijk of minder kansrijk woningbouwplan. Het bepalen van de score aan de hand van de locatie-aspecten(1), programmatische aspecten (2) en gebouwaspecten (3) gebeurt via een aantal vragen, die hierna worden weergegeven. Daaronder staat steeds in cursief het antwoord voor wat betreft deze locatie. Ja levert 2 punten op, een nee 0.

Is de locatie van het initiatief op kaart I gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen postcodegebied? Is de locatie van het initiatief op kaart II gelegen in een geel, lichtgroen of donkergroen kerngebied?De betreffende PDFs waarop dit is afgebeeld zijn slecht leesbaar; ingeschat wordt dat het gebied in geel gebied ligt en de kern in lichtgroen, gemiddeld dus-2x ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 5 km van een treinstation? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1,7 km van een hoofdverkeersweg? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een grote supermarkt? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen op een afstand van 1 km van een supermarkt/levensmiddelenwinkel? Nee Is er sprake van een klimaatadaptief ontwerp? Ja Is de locatie van het initiatief gelegen in een ‘aandachtsgebied’? Hierbij kan gedacht worden aan de volgende situaties:  Locatie waar sprake is van langdurige leegstand met de negatieve gevolgen voor de woonomgeving als gevolg;  Langdurig braakliggend terrein;  Locatie waar door economische ontwikkelingen werkgelegenheid ontstaat, die een autonome vraag naarwoongelegenheid met zich meebrengt;  Et cetera. Ja De volgende vraag is geen vraag die een score oplevert maar bij positieve beantwoording vraagt om een aanvullende onderbouwing/motivatie.

Is in een straal van 2,5 kilometer sprake van woningbouwplannen van gelijke grootte? Nee Is de regionale krapte-indicator lager dan 7? De krapte-indicator wordt berekend op basis van de verhouding tussen het aanbod in een bepaald segment en de gerealiseerde vraag in dat segment, dus het aantal verkochte woningen. Deze 26

indicator is terug te vinden op: https://www.nvm.nl/marktinformatie/marktinformatie De krapte-indicator werd op deze site niet aangetroffen Is zorgvuldig gemotiveerd dat de woningtypologieën van het woningbouwplan aansluiten bij de behoefte van de locatie? Ja Voorziet het woningbouwplan in minimaal 50% levensloopgeschikte woningen? Ja Voorziet het woningbouwplan in minimaal 20% sociale (huur-/koop) woningen? Sociale koopwoning: koopprijs onder het wettelijk maximum van € 200.000 Sociale huurwoning: huurprijs per maand lager dan € 737,14 Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van hergebruik van bestaand vastgoed? Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van flexibele of tijdelijke bouw? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor duurzaamheid? Ja Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van een BREEAM-certificering? Nee Betreft het een woningbouwplan waarbij sprake is van bijzondere aandacht voor ‘samenleven’? Ja De totaalscore van een woningbouwplan wordt bepaald door: Totaal beoordeling 1: locatie aspecten 14 Totaal beoordeling 2: programmatische aspecten 6 Totaal beoordeling 3: gebouwaspecten 6 Totaalscore woningbouwplan 24 In het Convenant wordt niet aangegeven wat de betekenis van een score, oftewel wanneer het ‘voldoet’ en wanneer niet.

Overwogen wordt daarom dat er voldoende vragen positief zijn beantwoord om te betogen dat sprake is van kwalitatieve behoefte/ ‘kwalitatief hoger scorend plan’. De planlocatie bevindt zich in het buitengebied van Anna Paulowna maar ondanks dat zeer dicht bij alle voorzieningen gelegen is. Op nog geen 4 kilometer afstand bevindt zich treinstation Anna Paulowna met een intercity verbinding naar Amsterdam - Nijmegen. Het winkelcentrum van Anna Paulowna heeft een ruim regionaal aanbod aan winkels en bevindt zich op nog geen 2 kilometer afstand te voet en te fiets (15 minuten lopen / 5 minuten fietsen). De woonleefgemeenschap vormt mede daarmee een uniek woonconcept in Noord-Holland Noord: buiten wonen binnen zeer korte afstand van een dorpscentrum met een regionale functie. De uitbreiding van de woonleefgemeenschap voorziet zowel kwalitatief als kwantitatief in de geformuleerde behoefte en past daarmee binnen het provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. 27

3.4 3.4.1

Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie Hollands Kroon 2016 Op 29 november 2016 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Omgevingsvisie Hollands Kroon vastgesteld. De omgevingsvisie is een inspiratie- en koersdocument voor ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Het doel van deze omgevingsvisie is het uitdagen om initiatieven te nemen en deze te realiseren. De gemeente hanteert het ‘ja, tenzij’ principe, waardoor samen met initiatiefnemers bekeken wordt hoe initiatieven gerealiseerd kunnen worden. Voor de beoordeling van het initiatief zijn de onderwerpen ‘ruimtelijke kwaliteit’ en ‘wonen’ relevant. Ruimtelijke kwaliteit Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat wij ons bewust moeten zijn van de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen. En dat identiteit en kwaliteiten het vertrekpunt van ruimtelijke plannen is. Dit zet ontwikkelingen niet op slot. Ruimtelijke kwaliteit vraagt voortdurend aandacht. De focus op kwaliteit moet in de werkwijze van gebiedsontwikkeling verankerd zijn.

De volgende kerngedachten liggen aan deze werkwijze ten grondslag: - Ruimtelijke kwaliteit is overal en voor iedereen anders - Ruimtelijke kwaliteit groeit in een cyclisch planproces - Gebruikers staan centraal - Rekening houden met de historische context De gemeente wil de ruimtelijke kwaliteit en diversiteit van het landschap en de dorpen onderbouwd ontwikkelen, verbeteren en indien nodig transformeren. Proeftuin De gemeente stelt zich open en welwillend op voor nieuwe woonvormen. Er is sprake van een nieuwe/bijzondere woonvorm wanneer: - Het meerdere huishoudens betreft; - Tussen deze huishoudens structureel voor elkaar aantoonbaar maatschappelijke, sociale en/of religieuze handelingen worden verricht. De gemeente hanteert hierbij de planologische vertaling ‘Sociaal Maatschappelijk-Wonen’, omdat het gaat over een niet reguliere toevoeging van wonen aan de bestaande voorraad. De gemeente heeft de ruimte geboden aan maximaal drie proeftuinen waarbij twee evaluatiemomenten (na vergunningverlening en één jaar na ingebruikname) plaats dienen te vinden. Beoordeling en conclusie Het voorliggende plan doet geen afbreuk aan de aanwezige landschappelijke kwaliteiten en versterkt de ruimtelijke kwaliteit.

Het plan past voorts in de omgevingsvisie, daar het een typisch voorbeeld is van faciliteren van lokale initiatieven en geeft als eerste initiatief invulling aan het realiseren van nieuwe woonvormen waarbij mensen elkaar opzoeken en gezamenlijk zorgdragen voorhun omgeving. De bestemming wijkt af van hetgeen is opgenomen in de Omgevingsvisie. Aan dit initiatief is een bestemming ‘Wonen - woonleefgemeenschap’ toegekend in plaats van ‘Overig - Sociaal Maatschappelijk wonen’. De reden hiervoor is gelegen in het feit dat de bestemming ‘Overig - Sociaal maatschappelijk wonen’ belemmeringen oplevert bij de financierbaarheid van het initiatief. Dit is onwenselijk. Met de bestemming ‘Wonen - woonleefgemeenschap wordt dit ondervangen. Bovendien is een bestemming Maatschappelijk alleen aan de orde wanneer sprake is van 24uurs zorg. Bij plannen waarbij sprake is van (nagenoeg) zelfstandige bewoning wordt dit blijkens jurisprudentie geschaard onder de bestemming Wonen. Deze ervaringen zullen meegenomen bij de proeftuin. Het plan voldoet hiermee aan de Omgevingsvisie.

28

3.4.1

Woonvisie Hollands Kroon, 2020 Met de woonvisie heeft de gemeenteraad de ambities op het gebied van wonen vastgelegd. Door vaststelling van de woonvisie geeft de gemeenteraad het college kaders om de woonvisie uit te voeren en bijvoorbeeld prestatieafspraken met de woningcorporaties en de huurdersorganisaties te maken. Hollands Kroon moet een aantrekkelijke woongemeente voor onze inwoners blijven, dat willen we. Hiervoor staan uitgangspunten en kaders in deze woonvisie. We staan voor een gezonde woningvoorraad en zien groei als de toekomst voor Hollands Kroon. Een woningvoorraad die past bij de behoefte en klimaatbestendig is, met een groene inrichting die bijdraagt aan de gezondheid en het welzijn van onze inwoners. We sturen op doelgroepen en richten ons actief op jongeren, starters en ouderen. We doen dit voor een betere balans van verschillende woningtypen op de woningmarkt. Het uitgangspunt is dat de gemeente een actieve faciliterende rol heeft. We zetten in op nieuwe initiatieven denk hierbij aan geclusterde of flexibele woonvormen. Kenmerkend hiervoor is ons ‘ja, tenzij’ principe. Er zijn drie uitgangspunten: 1. Focus op bouwen 2. Focus op starters en jongeren 3. Focus op ouderen. Relevant is met name punt 1, onder andere wordt hier aandacht gevraagd voor duurzaamheid. Duurzaamheid speelt een grote rol bij woningbouw en bij de bestaande woningvoorraad.

Slechts 28% van de woningen in Hollands Kroon beschikt over een geldig energielabel. Voor nieuwbouw geldt het BENG-principe (Bijna Energieneutraal Bouwen). In het Programma Duurzaamheid 2020-2022 zijn de kaders uitgewerkt hoe om te gaan met de bestaande bouw. Woningbouwplannen moeten voorts klimaatadaptief ontworpen zijn. Denk hierbij aan ontwerpprincipes die leiden tot minder wateroverlast en hittestress, minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling of het efficiënter gebruik van grondstoffen, materialen en brandstoffen. De gemeente gaat voor een snellere toevoeging van woningen aan de woningvoorraad om in de behoefte te voorzien. Nieuwbouw moet de leefbaarheid en het voorzieningenniveau versterken in onze kernen. Iedereen moet goed kunnen wonen in Hollands Kroon. Ook de mensen met een kleinere beurs. Daarom zetten we in op kortere wachttijden voor sociale huurwoningen en voldoende aanbod van betaalbare koopwoningen. Er zijn genoeg woningbouwplannen in onze gemeente, maar de ontwikkeling daarvan gaat nog te langzaam waardoor er te weinig gebouwd wordt. Het aantal woningen kan nog toe- of afnemen. De ambitie is om voor minimaal circa 900 woningen aan zachte plannen te ontwikkelen, zodat de totale planvoorraad voldoende is om in de woonbehoefte te voorzien.

Bij grotere plannen (vanaf 40 woningen), wordt een indeling met een deel sociaal, middensegement en vrij nagestreefd. Beoordeling en conclusie De nieuwe woningen worden levenloopbestendig gebouwd en volgens de regels met betrekking tot duurzaamheid die gelden (o.a. BENG). Bovendien krijgt de tuin een groen karakter, zodat een bijdrage wordt geleverd aan bevorderen infiltrerend vermogen/ tegengaan hittestress. Daarmee past de ontwikkeling binnen de Woonvisie. Het plan ligt onder de grens van 40 woningen, zodat het programma in beginsel vrij is. Zodoende past het plan binnen de Woonvisie.

29

3.4.2

Welstandsnota Hollands Kroon Op 19 december 2013 heeft de gemeenteraad van Hollands Kroon de Welstandsnota Hollands Kroon vastgesteld. In deze nota is aangegeven welke welstandsregels binnen de gemeente gelden. Het welstandsbeleid is bedoeld om de balans tussen ruimtelijke kwaliteit van de gemeente en de doelstelling vanminder regels goed onderbouwd te borgen.

Uitsnede kaart ‘Welstandsgebieden’ Welstandsnota Hollands Kroon

Beoordeling Het voorliggende plangebied ligt in welstandsluw gebied. Dit betekent dat een licht preventief welstandtoezicht geldt. De welstandsregels zijn globaal en hebben tot doel excessen te voorkomen. De globale welstandsregels waar eenbouwplan aan moet voldoen zijn: - geen grove ontkenning of vernietiging van architectonische bijzonderhedenbij aanpassing van een initiatief; - geen grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is; - geen materiaalgebruik wat in de omgeving ongebruikelijk is; - geen toepassing van felle of contrasterende kleuren; - geen toepassing van opdringerige reclames. De initiatiefnemer is zelf grotendeels verantwoordelijk voor de uiterlijke verschijningsvorm van het bouwof verbouwplan. Het plan moet wel voldoen aan de planologische toetsing en bouwtechnische toetsing. Voor het plan is evenwel een specifiek beeldkwaliteitsplan opgesteld dat het welstandsbeleid vervangt. Deze is te vinden in bijlage 1. De nieuwe bebouwing zal aansluiten bij de bestaande volumes en inrichting. Deze zijn heel divers. In het beeldkwaliteitsplan zijn de volgende randvoorwaarden opgenomen voor de wooneenheden: Uitstraling: - De woningen zijn qua volume, positie en vormgeving, passend bij het karakter van een boerenerf. De stolpboerderij en de longeerpiste blijven hethoofdmoment van het erf. - Niet elke woning hoeft op dezelfde wijze met het erf verbonden zijn.

Vormgeving: - De hoofdmassa heeft een eenvoudige en eenduidige hoofdvorm. - Volume en maat van de woningen versterken de onderlinge samenhangtussen de gebouwen. - Op- en aanbouwen zijn ondergeschikt aan hoofdmassa of maken onderdeeluit van het ontwerp. - De hoofdmassa bestaat uit 1,5 tot 2 bouwlagen met zadeldak. - Goothoogte max 8 meter. - Nokhoogte max 11 meter.

30

-

Woningen zijn levensloopbestendig uitgevoerd. De vormgeving van een eventueel bijgebouw sluit aan op de vormgeving vanhet woonhuis.

Materiaal en kleurgebruik: - Dakbedekking met gebakken pannen, leien, of golfplaten in een donkere tint. - Gevels worden in steen, hout en/ of stucwerk uitgevoerd, soms gecombineerdmet zink. - Materialen en kleuren zijn passend bij het karakter en het huidige materiaal enkleurgebruik van het huidige erf. - Zonnepanelen zijn geïntegreerd in het dak, als één geheel aan de zuidzijde. Detaillering: - De detaillering ondersteund de vorm- karakteristiek. - De architectonische uitwerking en detaillering zijn zorgvuldig, afwisselend enevenwichtig. - Afhankelijk van ligging ( bezonning) privacy en functie worden gevels ofdelen daarvan als principe gesloten of open uitgevoerd. - Refererend aan de stolpboerderij worden dakvlakken aan de wegzijdegesloten uitgevoerd. - Ten behoeve van de lichttoetreding wordt bij voorkeur gewerkt met smallelichtstraten, indien nodig in een verticale lijn over het geheel dak. Conclusie Het welstandsbeleid biedt wel een ruimtelijk beleidskader maar is geen direct toetsingskader voor de bestemmingswijziging. Deze bestemmingswijziging maakt een doorontwikkeling van het perceel mogelijk en creëert de noodzakelijke ruimtelijke randvoorwaarden voor duurzame herontwikkeling van de bestaande bebouwing en een nieuwe erfinrichting.

Pas wanneer in dat kader een omgevingsvergunning wordt gevraagd voor de bouw van de extra bebouwing wordt normaliter direct aan de Welstandsnota getoetst. Omdat er specifiek voor dit plan een beeldkwaliteitsplan is opgesteld en deze via een voorwaardelijke verplichting is gekoppeld in de regels, vervangt dit het gemeentelijk welstandsbeleid. Bij het ontwikkelen van de nieuwe woning zal aan het beeldkwaliteitsplan worden getoetst.

3.4.3

Parkeerregels Hollands Kroon (2018) De raad van de gemeente Hollands Kroon heeft op 27 februari 2018 de ‘Parkeerregels Hollands Kroon 2018’ vastgesteld. Hierin zijn parkeernormen opgenomen die van toepassing zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Hollands Kroon wil de vraag naar parkeergelegenheid zodanig faciliteren dat de kwaliteit van de openbare ruimte behouden blijft. Als aan een ruimtelijke ontwikkeling geen voorwaarden kunnen worden gesteld, dan wordt de parkeerbehoefte afgewenteld op het openbaar gebied. Dit kan leiden tot overlast bij de bestaande gebruikers van de openbare ruimte, wanneer dit gebied niet voorziet in voldoende parkeergelegenheid. Door het stellen van parkeernormen wordt voorkomen dat door nieuwe ontwikkelingen overlast ontstaat en wordt de bereikbaarheid van de nieuwe functies gewaarborgd. Het doel van deze nota is dan ook om er voor te zorgen dat voldoende parkeerplaatsen bij nieuwbouw, verbouw of functieverandering van voorzieningen (woningen, bedrijven, sport, recreatie, et cetera) worden gerealiseerd. Centraal staat dat de veroorzaker van de parkeervraag verantwoordelijk is voor het realiseren van de hoeveelheid benodigde parkeerplaatsen bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=3dad5ae9-71f3-463c-b689-aba3d98d69a2