1. Toelichting bestemmingsplan KH44
Tekst van het document
4.8
Water
Een watertoets is een essentieel onderdeel van ieder ruimtelijk plan. Hierbij wordt ingegaan op onder andere de beleidsuitgangspunten van het waterschap, de huidige en de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. De planontwikkeling kan effecten hebben op de hoeveelheid verharding en het waterschap zal het plan beoordelen op haar effecten. Het is verplicht in beeld te brengen wat de effecten van de voorgenomen activiteit op de waterhuishouding zijn. Het gaat hier zowel om de waterkwaliteit als waterkwantiteit. Het streven is er zoveel mogelijk op gericht om water (regen-, afval- en oppervlaktewater) op een goede manier in te passen in het ontwerp. Het plan, gelegen in de gemeente Hollands Kroon, valt binnen het beheergebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Hieronder worden de essentiële kenmerken van de bestaande situatie omschreven. Vanuit het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier wordt er positief naar het voorlopig ontwerp “Haven” (zoals besproken in deze ruimtelijke onderbouwing) gekeken, onder de voorwaarden dat: 1. op deze locatie ten behoeve van onderhoud een profiel van vrije ruimte op zo'n 5 meter uit de slootkant of op ongeveer 12 meter uit het hart van de weg in acht wordt genomen; 2. HHNK betrokken wordt bij diepte insteekhaven en constructie daarvan. Beide punten worden meegenomen omgevingsvergunningaanvraag.
in
het
ontwerp
van
de
winterstalling
en
de
Pagina 28 van 45
Figuur 17 | Overzichtskaart legger wateren (bron: HHNK)
Watersysteem Het plangebied bevindt zich in peilgebied 1700-01. Het ter plaatste geldende streefpeil is dynamisch seizoensgebonden, waarbij een streefpeil van -0,40 m NAP in de zomer wordt gestreefd en een streefpeil van -0,50 m NAP in de winter. De volgende oppervlaktewaterlichamen grenzen aan de planlocatie: • Primaire watergang o OAF-QJ-32750 (oppervlaktewaterlichaam) o OAF-QJ-32749 (oppervlaktewaterlichaam) • Secundaire watergang o OAF-JA-1366 (droge bedding) Het huidige beheer en onderhoud van het primaire oppervlaktewaterlichaam ligt bij de Provincie en het huidige beheer en onderhoud van de secundaire legger ligt bij de aanliggende eigenaar. Gezien de ligging nabij de Provinciale vaarweg, dient een vergunning aangevraagd te worden voor ‘aantasting vaarwegen’. Hiervoor is positief advies nodig van het team BNU – vaarwegen.
Figuur 18 | Peilgebieden (vastgesteld) (bron: Legger Wateren 2021 HHNK)
Toekomstige situatie Het voorlopig ontwerp heeft een bebouwd oppervlak van maximaal 250 m2 in totaal.
Pagina 29 van 45
Waterberging Voor het planvoornemen wordt hemelwater dat van de daken en verhardingen als schoon beschouwd en wordt het eventueel rechtstreeks zonder voorzuivering afgestroomd naar het oppervlaktewater. Voor het plangebied is een compensatie-percentage van 10% van toepassing. Per waterschap is er een compensatie eis op basis van de toegenomen verharding. Voor afzonderlijke nen met een te verharden oppervlak kleiner dan 500 m2 is geen compensatie vereist, tenzij: • sprake is van meerdere te ontwikkelen min of meer aaneengesloten bouwplannen die bij elkaar groter zijn dan 500 m2; • het nieuw aan te leggen verhard oppervlak meer dan 10% van het oppervlak van het peilvak (waarin betreffend verhard oppervlak wordt aangelegd) beslaat; • het betreffende watersysteem de toename van de piekafvoer als gevolg van uitbreidingen van het verhard oppervlak met minder dan 500 m2 niet kan verwerken. Dit betekent dat er niet gecompenseerd hoeft te worden voor de toename aan verharding in verband met de winterstalling. Betekenis voor het plan Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag dient gekeken of het uitvoeren van de aangevraagde werkzaamheden invloed heeft op de bescherming tegen het water, de kwaliteit van het water, de doorstroming van het water en de waterhoeveelheid.
Daarnaast dient een vergunning en ontheffing voor werken op, in, onder of langs provinciale vaarwegen - Provincie Noord-Holland – aangevraagd te worden. Deze vergunning is reeds aangevraagd op 25 januari 2022 door de initiatiefnemers met het kenmerknummer 1796277. Gezien de oppervlakte toename minder is dan 500 m2 , hoeft geen watercompensatie gerealiseerd te worden. Wel geldt er een zorgplicht (de keur). Dit betekent dat er zorgvuldig gewerkt moet worden om schade aan het watersysteem te voorkomen. Daarnaast dient er rekening gehouden te worden met de kering en bouwwerkzaamheden, gezien de dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’. Er dient een watervergunning aangevraagd te worden voor de werkzaamheden.
4.9
Bodem
Bij het ruimtelijk planproces gaat het allereerst om de vraag of het huidige of toekomstige gebruik van de bodem afgestemd kan worden op de aanwezige bodemkwaliteit. De bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie. Het bodemsaneringsbeleid is verder uitgewerkt in de Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit Uniforme Saneringen (BUS), de Circulaire Bodemsanering en het Besluit bodemkwaliteit. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit door aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Uit de beleidsnota-bodemonderzoek van RUD uit Juli 2017 blijkt dat er in bepaalde gevallen geen bodemonderzoek benodigd is: • Als er al bruikbaar en recent bodemonderzoek is. Toevoeging recent: de beoordeling hiervan is maatwerk. Uit het digitale archief van Omgevingsdienst Noord-Holland Noord blijkt dat op ca. 75 meter ten zuidoosten van de onderzoekslocatie reeds landbodemonderzoek is uitgevoerd door MUG, Bodembelang en Vlam Bodemadvies. Onderstaande figuur (Figuur 19) geeft de onderzoekslocatie en de onderzochte locaties weer.
Pagina 30 van 45
Figuur 19 | Bekend onderzoek bij ODNHN (onderzoekslocatie binnen rood kader en onderzochte locaties binnen blauw en roze kader)
De onderzochte locatie (binnen het blauwe kader) is door MUG in mei 2019 onderzocht. Uit dit onderzoek bleek dat: • Zintuiglijk resten glas, baksteen, as en aardewerk en sporen slib zijn aangetroffen; • De bovengrond licht verontreinigd was met kwik, zink, lood, PCB, PAK en molybdeen; • De ondergrond sterk verontreinigd was met zink en lood en licht verontreinigd met minerale olie, kobalt, nikkel, koper, molybdeen, cadmium, kwik en PAK; • Het grondwater niet is onderzocht; • Het asbestgehalte onder de interventiewaarde lag (<100 mg/kg ds); • In het kader van Besluit Bodemkwaliteit de grond als ‘Niet toepasbaar’ wordt gekwalificeerd. Verder staat bij de conclusie op ODNHN het volgende: ‘De sterke verontreiniging met zink en lood in de ondergrond (0,60-0,80 m-mv) is te relateren aan de stortlaag. Wanneer er gegraven wordt in de leeflaag ter plaatse van de stortlocatie dan betreft dit een sanerende handeling. In overleg met het bevoegd gezag dient voorafgaand de graafwerkzaamheden een plan van aanpak dan wel een saneringsplan ingediend te worden. De graafwerkzaamheden in de leeflaag kunnen worden uitgevoerd onder veiligheidsklasse ‘Basishygiëne’, conform CROW 400.’ De onderzochte locatie (binnen het roze kader) is door Bodembelang in 2017 en Vlam Bodemadvies B.V. in 2021 onderzocht.
Uit het onderzoek van Bodembelang bleek dat: • Zintuiglijk sterk puin- en wortelhoudend, matig baksteen- en roesthoudend, en een zwakke brandstofgeur waargenomen; • De bovengrond licht verontreinigd was met molybdeen; • De ondergrond matig verontreinigd was met minerale olie; • Het grondwater sterk verontreinigd was met minerale olie en licht verontreinigd met molybdeen en xylenen; • In het kader van Besluit Bodemkwaliteit de grond als ‘Niet toepasbaar’ wordt gekwalificeerd. Verder staat bij de conclusie op ODNHN het volgende: ‘Visueel is waargenomen dat plaatselijk gevelbekleding van het pand bekleed is met asbestverdachte platen. Indien er in het te slopen pand meer dan 35 m2 asbesthoudend materiaal zit dan is een asbest grondonderzoek noodzakelijk. Na de sloop is eveneens nog een aanvullend bodemonderzoek noodzakelijk ter plaatse van de voormalige bebouwing. In verband met de sterk verhoogde concentratie minerale olie in het grondwater ter plaatse van de voormalige ondergrondse brandstoftanks wordt nader onderzoek geadviseerd.’ Uit het onderzoek van Vlam Bodemadvies bleek dat: • De eerder aangetroffen sterke grondwaterverontreiniging met minerale olie niet is aangetroffen;
Pagina 31 van 45
• Zowel de boven- als ondergrond plaatselijk in het kader van Besluit Bodemkwaliteit als ‘Niet toepasbaar’ is gekwalificeerd; • Geen asbest is aangetroffen. Uit de bodemkwaliteitskaart van de ODNHN volgt dat: • De bovengrond in bodemkwaliteitszone B5. Overige woongebieden/ recentere bebouwing en bedrijven + buitengebied valt; • De ondergrond in bodemkwaliteitszone O2. Overige woongebieden en bedrijven + buitengebied valt; • De bodemfunctieklasse ‘overig’ is; • De verwachte ontgravingsklasse voor zowel de boven- als ondergrond ‘landbouw/natuur’ is; • De toepassingseis voor zowel de boven- als ondergrond ‘landbouw/natuur’ is. De bodemkwaliteitskaart stelt dus dat de locatie onverdacht is op verontreinigingen. Daarentegen weten we dat er zowel ten oosten als ten westen van ‘De Strook’ sterke verontreinigingen zijn aangetroffen Betekenis voor het plan Voor onverdachte locaties kan dan onderbouwd worden dat een verkennend bodemonderzoek niet nodig is. Vanwege de geplande activiteiten is een vloeistofdichte vloer in de winterstalling raadzaam. Initiatiefnemers houden hier rekening mee. In het kort, een nulsituatieonderzoek ten behoeve van de ontwikkeling dient uitgevoerd te worden, gezien de reeds aanwezige verontreinigingen.
Indien de winterstalling niet meer gebruikt wordt, kan aangetoond worden (indien bevoegd gezag problemen ziet) met het nulsituatieonderzoek dat eventuele verontreinigingen reeds aanwezig waren en de activiteiten in de winterstalling daar niet aan hebben bijgedragen.
4.10 Archeologie Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Op grond van de Erfgoedwet is iedere gemeente verplicht aandacht te besteden aan de archeologie op haar grondgebied en dit te verwerken in bestemmingsplannen en andere ruimtelijke instrumenten. Gebieden met een archeologische verwachtingen binnen Hollands Koon hebben een archeologische dubbelbestemming. Betekenis voor het plan Er is geen archeologische dubbelbestemming toegekend aan de locatie in het vigerende bestemmingsplan, derhalve is er geen archeologisch onderzoek benodigd. Het aspect archeologie staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
4.11 Cultuurhistorie In september 2009 overhandigden de ministers van toenmalige ministeries Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) aan de Tweede Kamer. Door middel van de MoMo had de minister tot doel een aantal veranderingen door te voeren in de monumentenzorg: • het stimuleren en ondersteunen van gebiedsgericht werken; • het belang van cultuurhistorie laten meewegen in de ruimtelijke ordening; • het formuleren van een visie op erfgoed en het verminderen van de administratieve lastendruk. Als gevolg van de MoMo zijn het Besluit ruimtelijke ordening ende Monumentenwet op 1 januari 2012 aangepast. Belangrijkste gevolgen zijn de plicht voor gemeenten om bij het opstellen van bestemmingsplannen rekeningen te houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en het vergroten van vrijstellingen van de vergunningplicht voor eigenaren van monumentale gebouwen. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van de
Pagina 32 van 45
gronden, om die reden is een toetsingsdocument opgesteld om de werkzaamheden te verantwoorden. In het toetsingsdocument ‘leidraad landschap en cultuurhistorie’ is onderzocht wat het effect van het plan is op de cultuurhistorie van het gebied (Bijlage III - Toetsingsdocument cultuurhistorie en ruimtelijke waarden).
Figuur 20 | Uitsnede overzichtskaart Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018
De omgevingsverordening geeft aan het plangebied binnen het landelijk gebied ligt, en onderdeel is van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) van Schagen. Het BPL Schagen ligt centraal in de Kop van Noord-Holland, binnen de Westfriese Omringdijk en is hier één van de oudste cultuurlandschappen. Het is een zeekleilandschap met een kleinschalige onregelmatige blokverkaveling die ondanks de ruilverkavelingen behouden is gebleven. Op sommige plekken is de regelmatige strokenverkaveling van vroegere veenontginningen zelfs nog herkenbaar. De terpen, linten, stolpen, het kanaal Stolpen-Schagen-Kolhorn, de Westfriese Omringdijk en het open grasland vormen samen een landschap van bijzondere cultuurhistorische en recreatieve waarde, met tevens een groot areaal geschikt habitat voor weidevogels. Het plan levert indirect een bijdrage aan de identiteit en kwaliteit van het dorp, door de jol te behouden als varend monument om de geschiedenis van Kolhorn levend te houden. Bij het ontwerp van de winterstalling wordt rekening gehouden met de landschappelijke inpassing zoals typische (bouw)kenmerken van de streek, kleurgebruik en verschijningsvorm van de directe omgeving gelet op de inpassing in de wijdere omgeving. Het plangebied grenst tegen het beschermd dorpsgezicht aan, maar is er geen onderdeel van.
Daarnaast draagt het plan indirect bij aan de identiteit en historische context van Kolhorn. Betekenis voor het plan Cultuurhistorie is een breed begrip. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om beschermde stads- en dorpsgezichten, monumenten, en landschappelijke waarden. Uitgangspunt hierbij is het voorkomen van aantasting van de cultuurhistorische waarden. De omgevingsverordening geeft aan het plangebied binnen het landelijk gebied ligt, en onderdeel is van het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) van Schagen. De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij het behouden van het open karakter van het gebied. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het dorpsgezicht.
Pagina 33 van 45
Provincie Noord-Holland is positief over het planvoornemen. Er zijn geen monumentvergunningen vanuit de provincie noodzakelijk, omdat de Westfriese Omringdijk niet wordt aangetast.
4.12 Kabels en leidingen Bij de aanleg van de kabels en leidingen vindt er grondzetting door graven plaats. Om inzicht te krijgen in de kabels en leidingen welke door de grond lopen is er een oriënterende KLIC-melding (KLIC= Kabels en Leidingen Informatie Centrum) gemaakt bij het Kadaster. Uit deze oriënterende KLIC-melding (Figuur 21) zijn geen beperkingen naar voren gekomen.
Figuur 21 | Klic melding plangebied
Betekenis voor het plan Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoerbaarheid van het plan niet in de weg.
4.13 Duurzaamheid Klimaatverandering heeft grote impact op onze leefomgeving en het aantal weersextremen neemt met de jaren steeds meer toe. Het wordt warmer en natter, ook zijn er vaker lange periodes van droogte en neemt de kans op overstromingen toe. Inspelen op de gevolgen van klimaatverandering wordt klimaatadaptatie genoemd. Daarnaast gaat duurzaamheid over verantwoordelijkheid nemen voor ons landschap, energieverbruik, ons water en onze grondstoffen. Klimaatverandering heeft ook een grote impact op de bebouwde omgeving. Om schade en overlast door weersextremen te beperken, moet de manier waarop steden worden gebouwd en ingericht worden aangepast. Tot 2040 worden in Noord-Holland ongeveer 230.000 woningen gebouwd. Het is belangrijk om deze nieuwbouw duurzaam en dus klimaat adaptief te ontwikkelen om extra
Pagina 34 van 45
investeringen door schade hiervan in de toekomst te voorkomen. Klimaat adaptief bouwen moet leiden tot: ▪ Minder wateroverlast ▪ Minder hittestress ▪ Minder nadelige gevolgen van langdurige droogte en bodemdaling, ▪ Meer biodiversiteit Betekenis voor het plan Ten behoeve van het beoogde planvoornemen worden een aantal verduurzamende maatregelen genomen, zoals het toepassen van hout. De loods bestaat uit een volledig houten geraamte en de gevel wordt bekleed met hout. Het potdekselwerk wordt in het algemeen duurzaam aangebracht en vereist vaak een rustieke uitstraling. Daarnaast is het plan om een duurzame toepassing te geven aan de te realiseren parkeerplaatsen. Een mogelijkheid hiervoor is een halfverharde bestrating, zodat regenwater kan afstromen of grastegels.
Pagina 35 van 45
5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de wijze waarop de gewenste ruimtelijke ontwikkeling juridisch is vertaald. Het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van deze gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan en geeft uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de systematiek en leeswijzer bij de verbeelding en regels en de handhaafbaarheid.
5.2
Plansystematiek
In dit bestemmingsplan is gekozen voor een gedetailleerde plansystematiek waarbij het bestemmingsvlak ervoor zorgt dat het planvoornemen realiseerbaar wordt. De regels zijn gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Ansjoviskade’, vastgesteld door de gemeente Hollands Kroon (vastgesteld 18-06-2015). Op deze wijze ontstaat een grote mate aan rechtszekerheid voor de omgeving.
5.3
Verbeelding
De verbeelding geeft de bestemmingen van de gronden aan. In de planregels staat per bestemming en aanduiding vastgelegd wat de mogelijkheden en beperkingen van de gronden met de bestemming, zoals aangegeven op de verbeelding, zijn.
5.4
Toelichting op de regels
In dit bestemmingsplan komt de volgende bestemming voor: ▪ Recreatie; ▪ Water. Binnen de regels is sprake van positieve bestemming. Een positieve bestemming geeft een directe bouwtitel. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, regels omtrent de toegelaten bebouwing en regelingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit zijn de inleidende bepalingen van de regels.
Pagina 36 van 45
Artikel 1: Begrippen Geeft de betekenis aan een aantal in de regels voorkomende begrippen. Hierdoor wordt de interpretatie van de begrippen vastgelegd waarmee de duidelijkheid wordt vergroot. Artikel 2: Wijze van meten Geeft aan hoe bepaalde maten dienen te worden berekend. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Deze artikelen bevatten de regels welke direct verband houden met de op de verbeelding aangegeven bestemmingen. Per bestemming en per artikel geldt in de meeste gevallen het volgende stramien: a) een beschrijving van de bestemming; b) de bouwregels: regels omtrent hoogte, bebouwingsdichtheid enz. De bouwregels geven aan welke bouwwerken mogen worden opgericht. c) (eventueel) een mogelijkheid voor afwijken van de bouwregels; d) (eventueel) een omschrijving van de specifieke gebruiksregels; e) (eventueel) een mogelijkheid voor afwijken van de gebruiksregels; De aanduidingen zijn op de verbeelding met een lettercode aangegeven, die in de regels terug zijn te vinden. Artikel 3: Recreatie De bestemming ‘Recreatie’ is bestemd voor een botenstalling. Artikel 4: Water De gronden met de bestemming ‘Water’ zijn onder andere bestemd voor water en oeverstroken. Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze artikelen bevatten algemene regels die op de bestemmingen van toepassing zijn. De diverse artikelen zullen hieronder kort worden toegelicht.
Artikel 5: Antidubbeltelregel Op grond van de antidubbeltelregel is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft (artikel 3.2.4 Bro). Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing. Artikel 6: Algemene afwijkingsregels Dit artikel geeft aan dat het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning in een aantal gevallen kan afwijken. Van het bepaalde in de bestemmingsregels. Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de laatste bepalingen van de bestemmingsregels. Hieronder worden de verschillende artikelen toegelicht. Artikel 7: Overgangsregels Het overgangsrecht is tweeledig en heeft betrekking op bouwwerken en gebruik. In dit artikel staan de overgangsregels voor bestaande bouwwerken en bestaande gebruiksactiviteiten die afwijken van het bestemmingsplan. Artikel 8: Slotregel Dit artikel geeft de naam van het bestemmingsplan aan.
Pagina 37 van 45
5.5
Handhaafbaarheid
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving van de regels in het bestemmingsplan ligt bij de gemeente. Een van de uitgangspunten bij de ontwikkeling van een bestemmingsplan, dus ook bij de ontwikkeling van het bestemmingsplan ‘Winterstalling KH44 te Kolhorn’, is dat de in het plan opgenomen regels handhaafbaar dienen te zijn. Handhaving van het ruimtelijk beleid verdient meer aandacht omdat het een voorwaarde is voor het behoud en de ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied. Ten behoeve van een goede handhaving van de regels zijn de volgende factoren van belang: ▪ Voldoende kenbaarheid geven aan het plan; ▪ Voldoende draagvlak voor het beleid en de regelgeving in het plan; ▪ Inzichtelijke en realistische regeling; ▪ Handhavingsbeleid. Uitvoering van bestemmingsplannen dient strikt te worden toegepast en gehandhaafd, omdat met het bestemmingsplan het waarborgen en verbeteren van het leefmilieu kan worden aangestuurd. Een recent bestemmingsplan met duidelijke en hanteerbare regels maakt handhaving eenvoudiger. Wat hierbij wel noodzakelijk is zijn eenduidige en eenvoudige bestemmingsplanbepalingen die goed werkbaar zijn. De doeleindenomschrijving is daarbij belangrijk.
Een duidelijke uitleg in de toelichting van het bestemmingsplan van de voorkomende bestemmingen kan verwarring en interpretatieverschillen voorkomen.
Pagina 38 van 45
Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in het kader van het bestemmingsplan een onderzoek te worden gedaan naar de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan en de maatschappelijke aspecten.
6.1
Economische uitvoerbaarheid
In artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is voorgeschreven dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt voor de gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is de definitie van bouwplan gegeven, waarbij de bouw van één of meerdere woningen als bouwplan wordt gedefinieerd. Met het tweede lid van artikel 6.12 Wro kan worden afgeweken van de plicht een exploitatieplan vast te stellen, mits het verhaal van kosten anderszins is verzekerd. De kosten voor het bouwplan alsmede de plankosten worden gedragen door de initiatiefnemer. Hetzelfde geldt voor eventuele kosten als gevolg van planschade. Er zal een anterieure overeenkomst tussen initiatiefnemers en de gemeente worden gesloten waarin onder andere afspraken worden gemaakt over planschade en parkeergelegenheid. De ambtelijke kosten voor de realisatie van het plan zijn voor de gemeente anderszins verzekerd via de legesverordening. Om deze reden is een exploitatieplan niet nodig. De economische uitvoerbaarheid van het plan is voldoende gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Ingevolge artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro), dienen burgemeester en wethouders overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In verband hiermee wordt het ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan verschillende instanties. Het bestemmingsplan is voorgelegd aan het hoogheemraadschap Hollands-Noorderkwartier en Veiligheidsregio Noord-Holland Noord. Vanuit het waterschap is er een reactie binnengekomen. Zij zagen graag twee paragrafen toegevoegd, één met betrekking tot het onderhoud van de waterloop en één met betrekking tot de inritten.
Het bestemmingsplan Winterstalling KH44 te Kolhorn doorloopt, net als ieder bestemmingsplan, een uitgebreide procedure. Het voorontwerpbestemmingsplan is vrijgegeven voor het wettelijk vooroverleg ex art. 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) met verschillende (semi)overheden en belangenorganisaties. De reacties naar aanleiding van het wettelijk vooroverleg hebben wel/niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan ‘Winterstalling KH44 te Kolhorn’. De wijzigingen worden besproken in paragraaf 6.2. Vervolgens geven burgemeester en wethouders het ontwerpbestemmingsplan vrij voor ter visie legging conform art 3.8 (nieuwe) Wro. Na publicatie, wordt het ontwerp dan gedurende 6 weken ter inzage gelegd. In die tijd kunnen door eenieder zowel mondelinge als schriftelijke zienswijzen worden ingediend bij de gemeenteraad. Na verwerking van de zienswijzen en mogelijke ambtelijke aanpassingen besluit de gemeenteraad binnen 12 weken na afloop van de zienswijzentermijn - over de vaststelling van het bestemmingsplan. Bij eventueel ingebrachte zienswijzen: de beantwoording van de zienswijzen is gedaan in de Nota beantwoording zienswijzen en wijzigingen bestemmingsplan. Deze is de vinden in bijlage XXX van deze toelichting.
Na aanpassing van het bestemmingsplan met inachtneming van de door de raad aangebrachte wijzigingen wordt het vastgestelde bestemmingsplan wederom 6 weken ter inzage gelegd (aanvang beroepstermijn). Belanghebbenden die tijdig een zienswijze bij de gemeenteraad hebben ingediend kunnen beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Daarnaast kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen wijzigingen die de gemeenteraad bij de vaststelling van het bestemmingsplan heeft aangebracht.
Bijlage I - Lijst van Separate bijlagen Bijlage II - Ontwerp winterstalling de Jol KH44 Bijlage III - Toetsingsdocument cultuurhistorie en ruimtelijke waarden Bijlage IV - Locatiebezoek
Bijlage II - Ontwerp winterstalling de Jol KH44
Bijlage III - Toetsingsdocument cultuurhistorie en ruimtelijke waarden
Bijlage IV - Locatiebezoek
Harmenkaag 11 1741 LA SCHAGEN 0224 – 299346 info@prommenz.nl www.prommenz.nl