1. Ontwerp Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
Tekst van het document
Figuur 10. Plangebied in gebied met 'Waarde Archeologie 4'.
Met dit bestemmingsplan wordt het bouwvlak vergroot met circa 0,77 hectare (7.700 m2). Binnen het nieuwe bouwvlak is bebouwing mogelijk en kunnen dus ook ingrepen voorkomen die mogelijk de archeologische waarden kunnen aantasten. De uitbreiding van de bebouwing binnen het nieuwe bouwvlak (de stal) bedraagt echter maar 750 m2. Dit is ruim onder de grens van 2.500 m2. Een archeologisch onderzoek is voor de uitvoering van dit project niet noodzakelijk. Wel zal er een regeling in het plan opgenomen moeten worden die de bescherming van het archeologische waarde op lagere termijn borgt. De nu geldende archelogische dubbelbestemming wordt hiervoor overgenomen in de planregels.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|28
4.1.3 Conclusie Er is geen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk voor de uitvoering van het planvoornemen. In de regels van het nieuwe bestemmingsplan moeten de geldende regels ter bescherming van de archeologische waarden overgenomen worden.
4.2 Cultuurhistorie 4.2.1
Beleid
Wettelijk kader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. De Erfgoedwet van 2016 bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Een groot deel van de wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. In de toelichting van een bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden.
Het bevoegde gezag voor een bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie moeten worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Beleid provincie en gemeente Zowel de gemeente als de provincie hebben de cultuurhistorische kwaliteit van de gebieden verankerd in de gestelde voorwaarden voor ontwikkeling binnen hun ruimtelijke beleid. In paragraaf 3.2.3 en paragraaf 3.3.1 is daar al nader op ingegaan. Met name de verantwoording in het kader van de ‘Leidraad Landschap en Cultuurhistorie’ is dat beschreven.
4.2.2 Verantwoording De Groetpolder is van oorsprong een gebied dat lang onder invloed heeft gestaan van de zee en vooral is opgebouwd uit getijdenafzettingen. Afwisselend werden er door de tijd heen
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|29
vooral veen en klei afgezet in de ondergronden. Na de grootschalige ontginning van dit veenlandschap worden de verschillende bedijkte gebieden met elkaar te verbinden in de 13e eeuw. Dijken werden daarvoor verhoogd en met elkaar verbonden. Hieruit is o.a. de Westfriese Omringdijk ontstaan die het grotere gebied begrensd. Uiteindelijk worden in de 19e eeuw de Groet- en Waardpolder drooggemalen. De ontginning van de polders vond plaats vanaf de terpen, vaak ook huiskavels. Langs de ontginningsassen werden de gronden steeds verder het gebied in ontgonnen en verbouwd voor agrarisch gebruik. Langs deze ontginningsassen ontwikkelde zich dan ook de bebouwing. De Groetpolderweg is als dusdanig goed herkenbaar in het landschap als ontginningsas. Bebouwing staat langs deze as en van daaruit zijn de gronden rationeel en langwerpig verkaveld met een terugkerende en bepaalde lengte- en breedteverhouding. In het landschappelijke inpassingsplan (zie paragraaf 2.3.2) is de verantwoording beschreven voor de cultuurhistorische kwaliteiten en kenmerken van het gebied. Het bouwperceel wordt op grond van die kwaliteiten en kenmerken ingepast in het grotere landschap van de Groetpolder. Het voorliggende bestemmingsplan veranderd verder niets aan deze herkenbare landschappelijke structuur en herkenbaarheid. De karakteristieke verkaveling blijft in stand.
4.2.3 Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.3 Bodemkwaliteit 4.3.1 Beleid Om te zorgen voor een balans tussen bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu én gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen zoals woningbouw of aanleg van wegen, is in 2008 het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in werking getreden. Het doel van het Bbk is duurzaam bodembeheer. Bij nieuwe ontwikkelingen moet, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, inzichtelijke gemaakt worden dat de bodem waarop de ontwikkeling plaatsvindt niet verontreinigd is. De (milieu-hygiënische) bodemkwaliteit moet geschikt zijn voor de gewenste bestemming.
4.3.2 Verantwoording De functie van de gronden waarop de vergroting van het bouwvlak plaatsvindt verandert niet; het agrarisch gebruik blijft van toepassing. De gronden behouden de bestemming ‘Agrarisch met waarden’. Er wordt wel een groter bouwvlak opgenomen binnen het plangebied. De (milieu-hygiënische) bodemkwaliteit van het uitbreidingsgebied staat de beoogde functie voor die gronden niet in de weg. Daarnaast is op grond van het huidige gebruik van de gronden een dusdanig slechte (milieuhygiënische) bodemkwaliteit niet te verwachten. De gronden zijn reeds lange tijd in gebruik voor de aanwezige agrarische activiteiten en daarvoor zijn de gronden alleen als agrarische grond gebruikt.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|30
Voor de bestemmingsplanprocedure is een verkennend bodemonderzoek niet noodzakelijk. Voor de omgevingsvergunning bouwen is echter wel een bodemonderzoek die niet ouder is dan 5 jaar noodzakelijk.
4.3.3 Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.4 Bedrijven en milieuzonering 4.4.1 Beleid De Wet milieubeheer (Wm) zorgt ervoor dat milieuoverlast in woongebieden zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle voorzieningen en bedrijven die overlast veroorzaken moeten daarom een vergunning hebben in het kader van de Wet milieubeheer, dan wel voldoen aan het Activiteitenbesluit. In de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (2009) van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten) is een lijst met indicatieve richtafstanden opgenomen voor milieubelastende bedrijfsactiviteiten ten opzichte van gevoelige bestemmingen. De lijst geeft richtlijnen voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De benodigde afstand tussen bedrijven en gevoelige functies is afhankelijk van de aard en omvang van het bedrijf en de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere eisen dan voor drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. In de VNG-brochure is een omschrijving van de gebiedstypes gemengd gebied en rustige woonwijk/rustig buitengebied gegeven. Hier is sprake van een omgevingstype ‘rustig buitengebied’. De indicatieve afstanden uit de VNGbrochure kunnen niet zomaar verlaagd worden dus.
4.4.2 Verantwoording Het pluimveebedrijf ligt in een primair agrarisch gebied. In de directe omgeving liggen verschillende woonbestemmingen (onder ander Groetpolderweg 31 en 39 en Winkelmadeweg 7). Deze locaties moeten als gevoelig voor verschillende milieuaspecten worden beschouwd.
254 m
191 m 115 m
Voor een pluimveebedrijf is met name het aspect geur meest bepalend voor de vraag of er sprake Figuur 11. Plangebied en omliggende functies. is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor gevoelige functies en of het bedrijf kan voldoen aan de geldende milieunormen. In onderstaande tabel is opgenomen welke afstanden er voor geluid, stof en
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|31
veiligheid volgens de VNG-brochure van toepassing zijn. De feitelijke afstand tot het nieuwe bouwvlak voldoet aan al deze afstanden.
Locatie Groetpolderweg 31 Groetpolderweg 39 Winkelmadeweg 7
Afstand tot nieuw bouwvlak Groetpolderweg 35 werkelijk Indicatieve afstand VNG-brochure Geluid Stof Gevaar 254 m 50 m 30 m 0m 115 m 50 m 30 m 0m 190 m 50 m 30 m 0m
Tabel 1. Afstand tot nieuw bouwvlak Groetpolderweg 35
In paragraaf 4.6 wordt het aspect geur nader verantwoord.
4.4.3 Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.5 Geluid 4.5.1 Beleid Het aspect geluid speelt een belangrijke rol in de omgevingskwaliteit. Er bestaan verschillende geluidsbronnen die van invloed zijn op de omgevingskwaliteit. Overlast van geluid afkomstig van geluidsbronnen op geluidsgevoelige functies moet worden voorkomen. Bij ruimtelijke plannen zijn de volgende twee hoofdvragen van belang: 1. Bij vestiging of aanpassing van een (nieuwe) geluidsgevoelige functie: is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat v.w.b. de belasting door omgevingsgeluid? 2. Bij het uitbreiden of veranderen van geluid producerende activiteiten: is de belasting op de omgeving door de diverse geluidsbronnen van de nieuwe situatie op geluidsgevoelige functies niet te hoog? In de Wet geluidhinder wordt voor deze beoordeling onderscheid gemaakt tussen verkeersgeluid, industrielawaai en spoorweglawaai.
4.5.2 Verantwoording De ontwikkeling betreft het uitbreiden en aanpassen van agrarische bedrijfsbebouwing. Hierdoor veranderd de bedrijfsvoering binnen de inrichting slechts in beperkte mate. Er worden ook geen gevoelige functies toegevoegd. De bestaande bedrijfswoning en eventuele geluidgevoelige verblijfsruimten zijn allemaal bestaand en onder deel van de inrichting. Gevoelige functies en objecten binnen de eigen inrichting hoeven niet getoetst te worden op de eigen geluidsbelasting. Op grond van deze gegevens kan worden geconcludeerd dat het omgevingsgeluid afkomstig van wegen of andere inrichtingen niet belemmerend is voor de beoogde ontwikkeling (vraag 1 hierboven). Ten aanzien van de mogelijke geluidsbelasting van de (veranderde) inrichting aan Groetpolderweg 35 op gevoelige functies en objecten in de omgeving moet worden gekeken of er gevoelige objecten en functies aanwezig zijn en of die eventueel bloot worden gesteld aan een te hoge geluidsbelasting als gevolg van de ontwikkeling.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|32
In Figuur 11 is aangegeven dat de omliggende functies op minimaal 115 meter van de inrichting liggen. Feitelijk is de afstand tussen de gevoelige objecten en de geluidsbronnen binnen de inrichting nog groter. De indicatieve richtafstand voor agrarische bedrijven uit de VNG-brochure is 50 meter. Gemeten van bron tot gevel. Het is niet te verwachten dat de inrichting een dusdanige geluidsbelasting veroorzaakt of dat er cumulatie van geluid met andere bronnen optreedt in deze situatie dat niet voldaan kan worden aan de wettelijke normen. Mocht er echter toch aanleiding voor zijn, dan moeten in de nieuwe omgevingsvergunning of melding Activiteitenbesluit aanvullende geluidsmaatregelen worden opgenomen. Bijvoorbeeld minder geluid producerende bronnen, geluid dempende voorzieningen aanbrengen of andere beperking van geluidproductie in bepaalde periodes van de dag. Hiertoe zijn legio mogelijkheden.
4.5.3 Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Eventueel noodzakelijke maatregelen moeten in de omgevingsvergunning worden verankerd.
4.6 Geurhinder 4.6.1 Beleid De Wet geurhinder en veehouderij (verder: Wgv) is een wet waarmee de nationale regels voor geurhinder ten opzichte van de tot veehouderijen behorende dierenverblijven vastgesteld zijn. De Wgv heeft tot doel het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van geurbelasting, onder andere als gevolg van emissies door bedrijven. Deze wet werkt in het kader van ‘een goede ruimtelijke ordening’ twee kanten op: 1. een veehouderij moet voldoen aan de normen die opgenomen zijn in de Wgv; 2. Ontwikkelingen in de omgeving moeten voldoen aan ‘een goede ruimtelijke ordening’; ze mogen omliggende bedrijven niet belemmeren en moeten o.a. een (tenminste) aanvaardbaar woon- en leefklimaat garanderen. Daarmee heeft de Wgv dus gevolgen voor de ruimtelijke ordening; de zogenaamde ‘omgekeerde werking’. Dit vertaald zich in de zogenaamde voorgrondbelasting en achtergrondbelasting. In de Wgv wordt gerekend met ‘odour units’ (ou) en geurgevoelige objecten, zoals huizen. De gevoelige objecten en gebieden hebben een maximale norm toegewezen gekregen voor de geurbelasting die een veehouderij ter plaatse van die geurgevoelige objecten mag veroorzaken. Dit verschilt per locatie en type omgeving. De gemeente kan die normen in een ‘geurverordening’ aanscherpen. Hollands Kroon ligt niet in een concentratiegebied en heeft ook geen geurverordening vastgesteld.
De wettelijke normen zijn van toepassing.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|33
Locatie van geurgevoelig object Concentratiegebied?
Bebouwde kom
Ja Ja Nee Nee
Binnen Buiten Binnen Buiten
Max. toegestane geurbelasting (in OUe/m3)
3,0 14,0 2,0 8,0
Tabel 2. Wettelijke geurnormen uit de Wgv.
Voorgrondbelasting Op basis van artikel 3.2 Wgv geldt dat de minimum afstand van elke veehouderij tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom is gelegen, dan moet deze afstand minimaal 50 meter zijn. Verder moet een inrichting voldoen aan de geldende normen voor de betreffende activiteit. In dit geval mag de voorgrondbelasting op geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom niet hoger zijn dan 8,0 OUe/m3. Voor de bebouwde kom geldt de norm van 2,0 OUe/m3.
Achtergrondbelasting: een goed woon- en leefklimaat Gevoelige functies moeten getoetst worden op de achtergrondbelasting i.v.m. een goed woon- en leefklimaat. Hierbij moet de cumulatieve geurbelasting (de belasting van alle geur producerende activiteiten in de omgeving bij elkaar) berekend worden en deze moet voldoen aan de maximale norm. Deze toets geldt niet voor de omgevingsvergunning, maar wel voor ruimtelijke plannen en het realiseren van nieuwe geurgevoelige functies. Het doel is om daarmee voor een ieder een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen.
4.6.2
Verantwoording
Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem NH3-emissie Geuremissie Fijnstof stal RAV Diercategorie aantal per totaal per totaal per totaal nr code dieren dier dier dier 2 A3.100 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar 72 4,4 317 0,00 0 38,0 2.736 3 E2.100 legkippen en (groot-)ouderdieren 16.500 0,315 5.198 0,34 5.610 84,0 1.386.000 van legrassen 4 A1.100 melk- en kalfkoeienouder dan 2 160 13,0 2.080 0,00 0 148,0 23.680 jaar 7 A3.100 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar 9 4,4 40 0,00 0 38,0 342 8 A3.100 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar 9 4,4 40 0,00 0 38,0 342 7.673,5 5.610,0 1.413.100 Tabel 3. Vergunde situatie.
Voor Groetpolderweg 35 is een onherroepelijke en uitgevoerde omgevingsvergunning van toepassing. De bijhorende emissies en dieraantallen zijn in bovenstaande Tabel 3 opgenomen. Voor de beoogde nieuwe milieusituatie is een doorrekening gemaakt o.b.v. van het voorgenomen plan, Hieruit blijkt dat alle relevante milieuaspecten ofwel gelijk blijven in emissies, ofwel afnemen in emissies. Deze doorrekening is opgenomen in Tabel 4. Voorgrondbelasting Uit de doorrekening van de beoogde situatie volgt dat er voor de voorgrondbelasting geen verslechtering zal optreden t.a.v. omliggende gevoelige functies. De uitbreiding van de stal vindt plaats aan de achterzijde van het bouwperceel, waardoor de afstand van de
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|34
emissiepunten naar gevoelige objecten alleen maar groter wordt. De belasting op deze objecten zal alleen maar lager worden. Achtergrondbelasting In dit geval is er geen sprake van toevoeging van geurgevoelige functies. Die toets kan dus overgeslagen worden. Niet aannemelijk is dat de achtergrondbelasting op bestaande geurgevoelige objecten wezenlijk zal toenemen als gevolg van deze ontwikkeling. De emissiepunten zullen beperkt verschuiven t.o.v. de huidige situatie en daarbij zal de afstand tot de dichtst bijgelegen gevoelige objecten alleen maar toenemen. Gezien de lage dichtheid van het aantal intensieve veehouderijen in de wijdere omgeving is cumulatie van emissies op gevoelige objecten niet te verwachten. Aantallen dieren, diercategorie en stalsysteem NH3-emissie Geuremissie Fijnstof stal RAV Diercategorie aantal per totaal per totaal per totaal nr code dieren dier dier dier 2 A3.100 vrouwelijk jongvee tot 2 jaar 72 4,40 316,80 0,00 0,00 38 2.736 3 E2.11.2.1 legkippen en (groot-)ouderdieren 16.500 0,06 907,50 0,34 5.610,00 65 1.072.500 van legrassen 3
E6.8
4
A1.100
7 8
A3.100 A3.100
additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag melk- en kalfkoeienouder dan 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar vrouwelijk jongvee tot 2 jaar
16.500
0,05
825,00
0,00
0,00
0
0
160 13,00 2.080,00
0,00
0,00
148
23.680
0,00 0,00
0,00 0,00 5.610,0
38 38
342 342 1.099.600
9 9
4,40 4,40
39,60 39,60 4.208,5
Tabel 4. Beoogde situatie na ontwikkeling planvoornemen.
4.6.3 Conclusie Het planvoornemen leidt niet tot een wezenlijk andere opzet van de bedrijfsvoering en/of geuremissies. Gezien de geldende en gerealiseerde vergunning en ruime afstanden tot gevoelige objecten is een wezenlijk andere geurbelasting niet reëel te verwachten. Feitelijke toetsing van het planvoornemen vindt plaats bij de vergunningverlening. Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7 Luchtkwaliteit 4.7.1 Beleid In de Wet milieubeheer is de Europese richtlijn geïmplementeerd op het gebied van grenswaarden voor diverse stoffen. Het doel van de wet is mensen te beschermen tegen risico’s van luchtverontreiniging. Voor de kwaliteit van de buitenlucht zijn in bijlage 2 bij de Wet milieubeheer bepaalde milieukwaliteitseisen voor de buitenlucht opgenomen. Deze milieukwaliteitseisen betreffen grenswaarden van concentraties voor zwaveldioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10 en PM2,5), lood, koolmonoxide en benzeen.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|35
In het kader van een planologische procedure moet worden verantwoord dat voldaan wordt aan de wettelijke normen voor luchtkwaliteit. Hierbij moet het effect op de luchtkwaliteit in de omgeving als gevolg van de ontwikkeling én de toetsing aan de Wet luchtkwaliteit in beeld worden gebracht. In de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate (Besluit NIBM)’ en de ministeriële regeling NIBM zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. De definitie NIBM is 3% van de grenswaarde voor NO2 en PM10. In de regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Op grond van de regeling NIBM zijn onder andere woningenbouwprojecten met minder dan 1.500 woning vrijgesteld van toetsing. De vigerende grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof zijn in de navolgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Toetsing van Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie Jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3
Tabel 5. Geldende grenswaarden fijnstofemissies
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu en Infomil hebben een rekentool ontwikkeld om op een eenvoudige en snelle manier te bepalen of een activiteit NIBM bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht.
4.7.2 Verantwoording Op basis van de informatie die beschikbaar is in de Atlas voor de Leefomgeving kan gesteld worden dat er in de omgeving van het plangebied geen overschrijdingen zijn van de geldende grenswaarden voor luchtkwaliteit. De volgende concentraties worden getoond: Stof Stikstofdioxide (NO2) Fijnstof (PM10) Fijnstof (PM2,5)
Waarde 5,84 µg/m3 14 µg/m3 6 µg/m3
Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 20 µg/m3
Tabel 6. Geregistreerde waarden luchtkwaliteit en grenswaarden
Er is geen sprake van overschrijding van de grenswaarden.
Verkeersbewegingen Ter verantwoording is een berekening opgenomen uitgaande van een toename van 2 vachtwagenbewegingen per week extra ten opzichte van de huidige situatie. Dit is echter een ruime aanname die waarschijnlijk niet gehaald zal worden. Het nieuwe stalsysteem voegt een mestopslagloods toe voor droging van de mest. Deze moet periodiek geleegd worden als de loods vol is. Een zeer ruim genomen aanname is dat dat maximaal 2 keer per week zou moeten. Hierbij wordt het aantal verkeersbewegingen onder de vigerende vergunning en bedrijfsvoering geheel buiten beschouwing gelaten. In dat geval zou nog altijd sprake zijn van een niet in betekende mate bijdrage zoals onderstaande tabel van de NIBMtool aangeeft.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|36
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie
2022
Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)
2
Aandeel vrachtverkeer
100,0%
NO2 in μg/m
3
0,01
PM10 in μg/m
3
0,00
Extra verkeer als gevolg van het plan
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m
3
1,2
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig
Tabel 7. Resultaat NIBM-tool voor theoretische doorrekening verkeersbewegingen.
Veehouderijen en luchtkwaliteit De veehouderijen zijn niet opgenomen in de Regeling NIBM. Wel is een vuistregel opgesteld voor veehouderijen in de “Handreiking fijn stof en veehouderij” van mei 2010, waarmee een uitbreiding of oprichting NIBM is. Tabel 3 en Tabel 4 maken inzichtelijk dat met het nieuwe stalsysteem dat van toepassing zal zijn na realisatie van het planvoornemen de fijnstof-emissie PM10 met ca 22% zal afnemen ten opzichte van de vergunde situatie.
4.7.3 Conclusies Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen. ✓ Er is geen sprake van overschrijding van de normen voor concentraties luchtkwaliteit; ✓ De ontwikkeling draagt niet in betekende mate bij aan de concentraties voor luchtkwaliteit; ✓ De fijnstofbelasting neemt als gevolg van het planvoornemen af
4.8 Natuurwetgeving 4.8.1 Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wn) in werking getreden. De Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet zijn opgegaan in deze wet. Deze nieuwe wet bestaat uit minder regels en is overzichtelijker dan de drie voorgaande wetten. De uitvoering van de Wet natuurbescherming komt grotendeels in handen van de provincies. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|37
Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings-)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Met de Wn vervalt de bescherming van Beschermde Natuurmonumenten uit de vroegere Natuurbeschermingswet. Deze vallen echter vrijwel altijd (op enkele kleine gebieden na) binnen Natura 2000-gebieden of het Natuurnetwerk Nederland en worden dus indirect beschermd. De provincies hebben daarnaast de bevoegdheid om bijzondere provinciale landschappen of natuurgebieden aan te wijzen. Deze kunnen door de minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden.
Natura 2000-gebied en stikstof Voor Natura 2000-gebieden geldt dat de stikstofdepositie niet mag toenemen in de gebruiksfase. Met de uitspraak van de Raad van State (29 mei 2019) is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de omliggende stikstofgevoelige delen in Natura 2000-gebied. Dit moet worden aangetoond met een berekening volgens de wettelijk voorgeschreven methode (Aerius). Het resultaat mag niet hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar op de omliggende Nederlandse Natura 2000-gebieden. Uitgangspunt daarbij is de vergunde situatie o.b.v. van de Wn.
Figuur 12. Natura 2000-gebieden in de omgeving van de planlocatie.
Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. Het NNN is gebaseerd op provinciale regelgeving die met ingang van de Wn niet is veranderd. NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|38
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: • Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; • Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; • Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Alle Natura 2000-gebieden.
Figuur 13. Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van de planlocatie.
Beschermde planten en dieren Met de nieuwe Wn is de lijst van beschermde soorten ook gewijzigd. Er zijn soorten die voorheen beschermd waren en met de komst van de Wn niet meer en andersom. De Wn kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage A van de Wn. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om in een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Voor soorten die niet in de bijlagen van de Wn worden genoemd, geldt de algemene zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wn) als vangnet. Deze bepaalt dat schadelijke handelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|39
beginsel achterwege moeten worden gelaten. Of men moet maatregelen treffen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken.
4.8.2
Verantwoording
Quick scan natuurwetgeving In februari 2022 is door Aeres Milieu B.V. een quick scan Natuurwetgeving uitgevoerd voor de projectlocatie (projectnummer AM22046, d.d. 14 februari 222). Hieruit komt het volgende naar voren (zie paragraaf 6.3 van hoofdstuk 6 Conclusies en Aanbevelingen van bijlage 2 bij deze toelichting).
Natura 2000-gebieden Ten aanzien van Natura 2000-gebieden zullen de plannen geen effect hebben op de natuurwaarden. Om elk risico uit te sluiten, is een Aerius berekening gemaakt (zie kopje stikstofdepositie).
Natuurnetwerk Nederland Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland gaat er door de werkzaamheden geen NNN verloren. De uitbreiding van de kippenstal heeft waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN. Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
Beschermde planten en dieren Ten aanzien van beschermde planten en dieren wordt geconcludeerd dat er algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren In het plangebied kunnen voorkomen, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde Asoorten), waarvoor in de provincie Noord-Holland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wn); nadelige gevolgen voor dieren en planten moeten altijd zoveel mogelijk worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Stikstofdepositie Om te beoordelen of de stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden toe- of afneemt is een Aerius berekening gemaakt voor het planvoornemen. De Aerius berekening is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Uit deze Aerius-berekening blijkt dat er geen toename van depositie op enig Natura2000gebied is. En dat de grootste afname van depositie 0,26 mol/ha/j is. De bouwfase (aanlegfase) is hierin niet meegenomen. Dit kan eventueel nog worden toegevoegd bij de vaststellingsfase van dit bestemmingsplan. Tijdens de bouwfase zal één extra maand de stal leeg komen te staan, waardoor er tijdens die fase geen ammoniakuitstoot is. Het meenemen van de bouwfase zal dus alleen maar een positieve uitwerking hebben op de verdere stikstofreductie op omliggen Natura 2000-gebieden.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|40
Hiermee kan geconcludeerd worden dat stikstof geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.8.3 Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen. ✓ Ten aanzien van Natura 2000-gebieden zullen de plannen geen effect hebben op de natuurwaarden. ✓ Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland gaat er door de werkzaamheden geen NNN verloren. ✓ In het plangebied komen mogelijk zoogdieren voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat hier echter om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Noord-Holland een algemene verijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Aan de algemene zorgplicht zal voldaan worden. ✓ Uit de Aerius-berekening blijkt dat er alleen maar sprake is van een afname van depositie. Hiermee kan geconcludeerd worden dat stikstof geen belemmering vormt voor het planvoornemen.
4.9 Externe veiligheid 4.9.1 Beleid Externe veiligheid heeft betrekking op het beheersen van risico’s die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Het gaat hierbij om de risico's van inrichtingen met gevaarlijke stoffen en het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg en water en door buisleidingen.
Besluit externe veiligheid inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen. Belangrijk bij de beoordeling van plannen zijn het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico (PR) is het "risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Voor het plaatsgebonden risico geldt onder meer een grenswaarde van 10-6 per jaar voor kwetsbare objecten in nieuwe situaties (PR-contour). Het groepsrisico is de "cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is". Voor het groepsrisico geldt dat de gemeenteraad verantwoording moet afleggen over de wijze waarop het groepsrisico is meegewogen in de besluitvorming.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|41
Verder zijn kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van belang. Kwetsbare objecten zijn bijvoorbeeld scholen, kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 en woningen met een dichtheid van meer dan twee woningen per hectare. Beperkt kwetsbare objecten zijn onder meer sporthallen, zwembaden en woningen met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare. Ook windturbines vallen onder het veiligheidsregiem van de Bevi en moeten beoordeeld worden als het gaat om externe veiligheid. Hierbij geldt een zogenaamde 10-5-contour als maatgevende afstand voor beperkt-kwetsbare objecten die aangehouden moet worden voor kwetsbare objecten. Afstandscriterium Object: Kwetsbaar Beperkt kwetsbaar
Generieke afstanden 3MW windturbine volgens het HRW 198 m
Op basis van PR=10-6 vuistregel: masthoogte + ½ rotordiameter Op basis van PR=10-5 vuistregel: ½ rotordiameter
45 – 60 m
Besluit externe veiligheid transportroutes Voor ruimtelijke plannen in relatie tot transportroutes is er het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). Volgens het Bevt mag op grond van een ruimtelijke besluit geen kwetsbaar object in de veiligheidszone worden gebouwd. Nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen alleen in uitzonderlijke gevallen in de veiligheidszone worden toegestaan. Het Bevt gaat ook in op de hoogte van het groepsrisico. Wanneer het aannemelijk is dat het groepsrisico ver beneden de zogenaamde oriëntatiewaarde blijft of nauwelijks toeneemt, is een verantwoording van het groepsrisico niet verplicht.
Besluit externe veiligheid buisleidingen Tot slot is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Dit besluit regelt de taken en verantwoordelijkheden van leidingexploitanten en gemeenten. De belangrijkste eisen aan bestemmingplannen zijn: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico, verantwoording van het groepsrisico en een ruimtelijke reservering voor zogenoemde belemmeringenstroken met een aanlegvergunningenstelsel.
4.9.2
Verantwoording
Op de planlocatie worden geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten toegevoegd. Ook verblijven er niet dusdanig grote groepen mensen dat het groepsrisico relevant is of wordt als gevolg van de ontwikkeling. In onderstaande Tabel 8 is inzichtelijk gemaakt wat de betreffende risicobronnen zijn in de omgeving van het plangebied. Hiermee wordt de ontwikkeling nader verantwoord. Nr.
Activiteit
1.
Windturbines *1
2.
Buisleidingen
Omschrijving
Richt- of toetsingsafstand
Rijopstelling windturbines Groetpolder Gastransportleiding (Gasunie)
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Werkelijke afstand tot nieuw bouwvlak
67,5 m
180 m
Tot 500 m
810 m
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|42
3.
risicovolle bedrijfsactiviteiten
Delfstoffenwinning
Tot 500 m
840 m
*1 : maximale bouw- en tiphoogte toegestane windturbines is 45 m Tabel 8. Risicobronnen in de omgeving van het plangebied
2
3
1
Figuur 14. Activiteiten, inrichtingen en afstanden i.v.m. externe veiligheid.
4.9.3 Conclusie ✓ Er zijn in de directe omgeving geen bedrijven of activiteiten aanwezig waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; ✓ Er bevinden zich geen routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied; ✓ Het plangebied is niet gelegen binnen een invloedsgebied van buisleidingen of andere risicovolle installaties; ✓ De lijnopstelling van windturbines aan de achterzijde van de planlocatie ligt op ruimvoldoende afstand; 180 meter. Geconcludeerd kan worden dat de planlocatie buiten enige risicocontour ligt. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|43
4.10 Water 4.10.1 Beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in de toelichting van een ruimtelijk plan een waterparagraaf te worden opgenomen. Het doel van de waterparagraaf is ervoor zorg te dragen dat de wateraspecten voldoende en zorgvuldig worden betrokken bij de besluitvorming over een ruimtelijk plan. Uit de waterparagraaf moet blijken wat de gevolgen voor het aspect water zijn en of en welke compenserende maatregelen nodig zijn.
Kaderrichtlijn Water Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De richtlijn moet het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte zoveel als mogelijk beperken. Ook dient de Kaderrichtlijn voor de bescherming van de aan watergebonden natuur en de verbetering van de ecologische toestand van het water. De richtlijn moet leiden tot een verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. Hiervoor is deze Kaderrichtlijn omgezet in landelijke wet- en regelgeving. Het is aan de waterschappen en gemeenten om de juiste maatregelen te treffen op gebied van onder andere beheer van oppervlaktewater, riolering, afkoppelen van verschillende waterstromen, toepassing van bouwmaterialen en ook het ruimtelijke beleid.
Watervisie 2021 en het Waterprogramma Provinciale Staten hebben in november 2015 de Watervisie 2021 vastgesteld. De visie beschrijft de kaders voor waterbeheer in Noord-Holland. Binnen deze kaders moeten waterschappen en gemeenten maatregelen treffen om ons te beschermen tegen wateroverlast en om de waterkwaliteit te verbeteren. In het Waterprogramma 2016-2021 verbindt Hoogheemraadschap Noorderkwartier (HHNK) de bouwstenen van haar beleid met de programma’s en beheerstaken van het hoogheemraadschap. Het Hoogheemraadschap brengt prioriteiten aan en geeft aan hoe ze in de bouwstenen wil participeren om de doelstellingen te bereiken.
4.10.2 Watertoets Sinds 1 november 2003 is het wettelijk verplicht, in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening, een watertoets te verrichten. In de toelichting van een ruimtelijke plan moet een beschrijving worden gegeven van de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Gezien de omvang van de locatie en de toename van het aandeel verhard oppervlak is een watertoets noodzakelijk. De watertoets moet er onder andere toe leiden dat de waterbelangen beter in ruimtelijke plannen worden meegenomen. Ontwikkelingen moeten 'waterneutraal' worden gerealiseerd. Eén van de onderdelen van de watertoets is het beoordelen van de verhardingstoename. Indien er sprake is van meer dan 2.000 m2 toename in oppervlakte verharding, dan moeten er compenserende maatregelen in het plan worden opgenomen. Een dergelijke toename van verhard oppervlak heeft immers negatieve gevolgen voor het (oppervlakte)watersysteem. Het hemelwater stroomt versneld af en wordt te snel uit het NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|44
gebied afgevoerd. Compensatie in de vorm van waterberging of infiltratie is dan noodzakelijk. Aan de hand van de verhardingstoename en de diverse kenmerken van het plangebied wordt een compensatiepercentage berekend. Als er tussen de 800 en 2.000 m2 verhard oppervlak wordt toegevoegd, dan kan worden volstaan met een waterbergingsvoorziening van 10% van het toegenomen verharde oppervlak. Daarnaast adviseert hoogheemraadschap om in het plan het principe van ruimtelijke adaptatie op te nemen. Het gaat dan om ‘hydrologisch neutrale maatregelen’, zoals het aanbrengen van 'groene daken' op (nieuwe) gebouwen, meervoudig ruimtegebruik, saneren van overbodige verhardingen of toepassen van half verhardingen en het realiseren van waterbergingscapaciteit (in verlaagde groenstroken).
Beleidsregel compensatie verhardingstoename Hoogheemraadschap Het Hoogheemraadschap heeft voor de compensatie van verhardingstoename beleidsregels geformuleerd. Deze worden in voorliggende plan zo veel als mogelijk toegepast. 1.
Voorkeursvolgorde voor compensatie. 1. Er geldt een voorkeursvolgorde voor compensatie van verhardingstoename i. Behoud van infiltratie; ii. Compensatie door realiseren extra oppervlaktewater: < 800 m²: Geen; ≥ 800 m² < 2.000 m²: 10% van toename verhard oppervlak; ≥ 2.000 m²: Maatwerkberekening. iii. Compensatie door alternatieve vormen van waterberging.
2.
Voorkeursvolgorde voor de locaties 1. In hetzelfde peilgebied als waarin de verhardingstoename zich bevindt: i. nabij de verhardingstoename; ii. niet nabij de verhardingstoename. 2. In een lagergelegen peilgebied, als de waterstaatkundige situatie dat toelaat.
4.10.3 Verantwoording Toename verhard oppervlak Het planvoornemen ziet op de uitbreiding van de kippenstal aan de achterzijde van het perceel. Deze uitbreiding van bebouwing gaat gepaard met bijhorende verhardingen. Ook de bestaande ruwvoeropslag wordt binnen het bouwvlak gebracht. Deze hebben echter geen impact op de waterhuishoudkundige situatie ter plekke. Het plan voorziet daarnaast ook in een landschappelijke inpassing. Hiervoor wordt ca. 3.000 m2 van het bouwperceel gebruikt. De overige delen van het (nieuwe) bouwperceel die nu niet verhard of bebouwd zijn, zullen vooralsnog ook niet worden gebruikt. In onderstaande Tabel 9 staat het overzicht van de toename van (on)verhard oppervlak als gevolg van het planvoornemen.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|45
Nieuwe situatie Bouwvlak 20.000 m2 Landschappelijke inpassing 3.000 m2 Oppervlakverhardingen Uitbreiding bebouwing (30m x 25m) kippenstal 750 m2 Nieuwe verhardingen (30m x 8m) 240 m2 Toename verhard oppervlak:
Toename 7.700 m2 Ca. 2.500 m2 750 m2 240 m2 990 m2
Tabel 9. Verandering in verhard oppervlak als gevolg van de ontwikkeling.
In de regels van het bestemmingsplan zijn ten behoeve van de waterhuishouding voorwaardelijke regels opgenomen voor verdere toename van verhard oppervlak in de toekomst. Aan die regels is een gelijkwaardige compensatieregeling gekoppeld. Hemelwater Het hemelwater wordt niet rechtstreeks afgevoerd van het perceel maar binnen het plangebied vastgehouden. Hiervoor is een waterbergingsvoorziening opgenomen in het landschappelijke inpassingsplan waar het hemelwater wordt vastgehouden. Dit nieuwe oppervlaktewater heeft een minimale omvang van 100 m2. De poel dient voornamelijk voor de waterafvoer op het erf. Het overtollige water bij de ondiepe poel loopt bij hevige of langdurige regenval over naar de naastgelegen sloot via een overloopsysteem.
Figuur 15. Waterbergingsvoorziening voor hemelwater binnen het plangebied.
Voor eventuele verdere verhardingstoename op termijn is binnen het bouwperceel voldoende ruimte aanwezig om extra nieuwe oppervlaktewater te realiseren of maatwerkvoorzieningen voor het hemelwater te treffen.
Afvalwater De toekomstige bebouwing wordt aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel.
4.10.4 Wateradvies Gezien de omvang van de locatie en de toename van het aandeel verhard oppervlak (bebouwing + verharding = 990 m2) is een watertoets vereist. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is om advies gevraagd in het kader van deze watertoets. Het advies is verwerkt in deze waterparagraaf. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven dat 10% van de toename van het aandeel verhard oppervlak gecompenseerd moet gaan worden. De bestaande sloot wordt over 125 NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|46
meter met 80 cm verbreed (totale compensatie 100 m2). In figuur 16 is de nieuwe situatie weergegeven. Hiervoor wordt door initiatiefnemer een watervergunning aangevraagd.
Figuur 16. Nieuwe situatie
4.10.5 Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen omdat het plan voorziet in voldoende waterbergend vermogen binnen het plangebied. De regels van het plan borgen het behoud van dat bergingsvermogen en de realisatie van aanvullende maatregelen bij verdere toename van verhard oppervlak.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|47
4.11 Besluit milieueffectrapportage 4.11.1 Algemeen Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen hebben voor het milieu, waardoor het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.) of het verrichten van een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is. In het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd welke activiteiten m.e.r-plichtig zijn en voor welke activiteiten een m.e.r-beoordeling moet worden verricht. In onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht is. In onderdeel D van de bijlage zijn de activiteiten, plannen en besluiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Als een activiteit op grond van onderdeel D m.e.r.-beoordelings-plichtig is, geldt voor een kaderstellend (bestemmings)plan dat die activiteit mogelijk maakt, een plan-m.e.rplicht. Voor alle activiteiten zijn drempelwaarden opgenomen. Als een activiteit voorkomt in kolom 1 van de C- of D-lijst en de drempelwaarden uit kolom 2 worden overschreden, is een m.e.r. (onderdeel C) of een m.e.r.-beoordeling (onderdeel D) verplicht.
Voor activiteiten die genoemd worden in on-derdeel D, maar waarbij de drempelwaarde niet wordt overschreden, geldt de verplichting om na te gaan of tóch een m.e.r.-beoordeling (of een m.e.r.) moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag moet in zo’n geval nagaan of er sprake is van omstandigheden die - ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden aanleiding geven voor het verrichten van een m.e.r.(beoordeling). De motivering moet zijn gebaseerd op een toets die qua inhoud aansluit bij de verplichte m.e.r.- beoordeling. Voor de toets gelden echter geen vormvereisten, daarom wordt de term ‘vormvrije m.e.r.beoordeling’ gehanteerd. 4.11.2 Activiteit en drempelwaarde In artikel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is een categorie ‘’De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren (D14)” opgenomen. Op grond van het Besluit milieueffectrapportage dient voor ‘’de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’ een m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1°. 40.000 stuks pluimvee (Rav1 cat. E, F, G en J); 2°. 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3); 3°. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft); 4°. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat.
D.1.1); 5°. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3); 6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dekleeftijd (Rav cat. I.1 en I.2); 7°. 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2); 8°. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3); 9°. 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwlijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3); 10°.1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7); 11°. 2000 stuks schapen of geiten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3); 12°. 100 stuks paarden of pony’s (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4); 13°. 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3).
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|48
Het plan voorziet in het verlengen van de kippenstal om aan de nieuwe oppervlakte-eisen voor de stallen te kunnen voldoen, met behoud van hetzelfde aantal dieren. De voorgenomen activiteit blijft dus onder de drempelwaarde zoals opgenomen in het Besluit milieueffectrapportage. De activiteit is dus niet m.e.r.-beoordelingsplichting. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. In bijlage 5 van de toelichting is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen.
4.11.3 Conclusie Het aspect besluit milieueffectrapportage vormt geen belemmering voor het planvoornemen, omdat de voorgenomen activiteit onder de drempelwaarde blijft. Omdat de activiteit voorkomt in kolom 1 van de D-lijst, dient wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden verricht. In bijlage 5 van de toelichting is de vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|49
5
JURIDISCHE REGELGEVING
5.1 Inleiding In dit hoofdstuk is uiteengezet welke gedachten aan de juridische regeling ten grondslag hebben gelegen en hoe de juridische regeling is vormgegeven.
5.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels wordt voor dit bestemmingsplan aangesloten bij het bestemmingsplan Buitengebied voormalige gemeente Niedorp (2013), aangevuld met de geldende thematische bestemmingsplan die daarna zijn doorgevoerd. De ontwikkeling op zich noodzaakt niet tot een wezenlijke aanpassing van de geldende regels. In de regels zijn wel de volgende (redactionele) aanpassingen doorgevoerd: • bepaalde regels zijn weggelaten omdat die geen betekenis meer hebben; • overbodige begripsbepalingen zijn weggelaten omdat die geen betekenis meer hebben; • enkele concrete aanscherpingen zijn opgenomen om bepaalde specifieke belangen te behartigen c.q. te borgen bij mogelijke ontwikkelingen binnen het plangebied; • herformulering van met name de flexibiliteitsregels omdat verwijzingen naar artikelen niet meer kloppend waren. De opzet van de regels is gebaseerd op de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Daarnaast is in landelijke standaarden (SVBP 2012 en IMRO 2012) vastgesteld welke kleuren, lijnen, symbolen, e.d. toegepast worden bij het opstellen van de verbeelding. In de volgende paragraaf worden de gebruikte bestemmingen nader toegelicht. Hieronder wordt een toelichting gegeven op welke wijze een en ander in de regels is vastgelegd. De regels zijn als volgt ingedeeld:
Hoofdstuk 1: Inleidende bepalingen Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In het eerste artikel zijn de begripsomschrijvingen opgenomen, het tweede artikel bevat de wijze van meten.
Hoofdstuk 2: Regels met betrekking tot de bestemmingen In dit hoofdstuk worden de bestemming van de gronden als eerste beschreven, gevolgd door de dubbelbestemmingen voor waarden. De enkelbestemmingen zijn volgens de onderstaande indeling opgezet: • Bestemmingsomschrijving (X.1); • Bouwregels (X.2); • Nadere eisen (X.3); • Afwijkingen van de bouwregels (X.4); • Specifieke gebruiksregels (X.5); • Afwijken van de gebruiksregels (X.6); • Regels voor werken en werkzaamheden (X.7); • Wijzigingsbevoegdheden (X.8).
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|50
De geldende dubbelbestemmingen zijn als volgt opgezet: • Bestemmingsomschrijving (X.1); • Bouwregels (X.2); • Regels voor werken en werkzaamheden (X.3); • Wijzigingsbevoegdheden (X.4).
Hoofdstuk 3: Algemene regels Dit hoofdstuk bevat de regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Anti-dubbelteregel • Algemene bouwregels; • Algemene gebruiksregels; • Algemene afwijkingsregels;
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen: • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven staan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en het opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven; • Slotregel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels aangehaald kunnen worden.
5.3 Beschrijving van de bestemmingen Enkelbestemming ‘Agrarisch met waarden’ De bestemming 'Agrarisch met waarden' blijft op het plangebied van overeenkomstige toepassing. Het bouwvlak ten behoeve van de intensieve veehouderij wordt vergroot. De regels bepalen dat onder voorwaarden gebouwd mag worden en het bestaande gebruik mag worden voortgezet.
Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 4’ Ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied, blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4' van toepassing. Bij ingrepen groter dan 2.500 m2 en met een bepaalde diepte is archeologisch onderzoek nodig voordat er een vergunning verleend kan worden die aanwezige archeologische waarden zouden kunnen verstoren.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|51
6
UITVOERBAARHEID
6.1 Economische haalbaarheid Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Besluit ruimtelijke ordening moet de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen worden aangetoond.
6.1.1 Financiële haalbaarheid De ontwikkeling betreft een particulier initiatief en vindt geheel plaats op particulier terrein. De kosten voor uitvoering van de ontwikkeling worden geheel gedragen door de ondernemer. Deze beschikt over voldoende middelen om dit te verantwoorden. De ontwikkeling is financieel haalbaar.
6.1.2 Grondexploitatie Met dit bestemmingsplan wordt een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk gemaakt. Hiermee is de grondexploitatieregeling van toepassing, waarbij er (mogelijk) kosten voor de gemeente ontstaan. Hiervoor moet een exploitatieplan worden opgesteld door de gemeente, tenzij het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. In voorliggend geval wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de initiatiefnemer en gemeente Hollands Kroon, waarin tevens het verhaal van planschade is opgenomen. Hiermee is het kostenverhaal anderszins verzekerd en is op grond van artikel 6.12 Wro geen exploitatieplan nodig.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Omgevingsdialoog Voor een omgevingsdialoog worden normaliter binnen een straal van 250 meter de direct omwonenden uitgenodigd. Bij dit bestemmingsplan (Groetpolderweg 35) gaat het om 2 locaties; Groetpolderweg 39 en Groetpolderweg 2. Het is niet nodig om hier een bijeenkomst voor te organiseren. De contacten met deze omwonenden zijn goed. Initiatiefnemer heeft afgelopen tijd zowel de bewoners van de Groetpolderweg 2 als de bewoners van de Groetpolderweg 39 gesproken over het plan en ze een (papieren) versie van het ontwerp bestemmingsplan overhandigd. Ze begrijpen dat vanwege nieuwe biologische eisen de pluimveestal vergroot dient te worden (zonder uitbreiding van de dieraantallen). Beide buren zijn daarom akkoord met het plan en hebben verder geen opmerkingen. 6.2.2 Verloop procedure Het plan volgt de reguliere voorbereidingsprocedures van de gemeente Hollands Kroon. Het voorontwerp is in het kader van het artikel 3.1.1. Bro door de gemeente toegezonden aan de relevante bestuurlijke instanties, waarbij de gelegenheid werd geboden om een
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
|52
vooroverlegreactie te geven op het plan. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) heeft hiervan gebruik gemaakt. Dit ontwerp bestemmingsplan wordt vervolgens 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode hebben belanghebbenden de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen. De ingekomen zienswijzen worden door de gemeente betrokken bij de besluitvorming over de vaststelling van het bestemmingsplan. De gemeenteraad is het bevoegde gezag om het bestemmingsplan vast te stellen. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan opnieuw 6 weken ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden beroep aantekenen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.2.3 Reacties gedurende de procedure Van de vooroverlegpartners heeft Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) gereageerd op het plan. Zij vragen zich af of er een fysieke hemelwaterriool wordt aangelegd richting de poel. Het lijkt volgens de HHNK voor de hand liggend dat het hemelwater afkomstig van de uitbreiding van de stal, zal aansluiten op de voorziening waar de bestaande stal ook al op loost. Dit zal richting de sloot gaan. Tevens is niet duidelijk of en hoe de ondiepe poel uiteindelijk overstort op de naastgelegen sloot bij hevigere of langdurigere regenval. Er staat geen actieve verbinding aangegeven op de tekening of beschreven in de tekst. Initiatiefnemer heeft daarop besloten de bestaande sloot te verbreden en het op die manier op te lossen. De voorgestelde poel blijft gehandhaafd, maar dient voornamelijk als waterafvoer op het erf. De waterparagraaf is hierop verduidelijkt en aangepast.
NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
Bestemmingsplan Groetpolderweg 35 Winkel
LEGENDA Plangebied
Enkelbestemmingen Agrarisch met waarden
AW
Dubbelbestemmingen Waarde - Archeologie 4
WR-A4
Functieaanduidingen (iv)
intensieve veehouderij
Bouwvlakken bouwvlak 2852
21 2853
old etp Gro
ondergrond
eg erw 2875
2222
23
WR-A4 AW (iv)
35
35a
2206
Verbeelding Bestemmingsplan "Groetpolderweg 35 Winkel"
Gemeente: IMRO-code: Tekening nr:
Hollands Kroon NL.IMRO.1911.BpBG2010hz002-on01
1-A
..-..-....
datum:
09-11-2022
ontwerp:
..-..-....
getekend:
FH
vastgesteld:
..-..-....
schaal:
1:1000
onherroepelijk:
..-..-....
formaat:
A3
voorontwerp:
ONDERBOUWING NOODZAAK VERGROTING BOUWVLAK GROETPOLDERWEG 35 1731 NM WINKEL
Maatschap A.B.M. Boekhorst en S.G.B. Boekhorst-Böhmer Groetpolderweg 35 1731 NM Winkel
Door: J.G.C van Schaik AR_Bedrijfsontwikkeling BV 6 december 2021
Het bedrijf aan de Groetpolderweg 35 te Winkel is vanaf 2001 een melkrundvee anex pluimveebedrijf. In 2001 is gestart met 26000 opfokhennen voor legrassen naast 91 melkkoeien en 60 stuks vrouwelijk jongvee. In 2013 zijn het aantal opfokhennen uitgebreid naar 39780 stuks naast 100 melkkoeien en 60 stuks vrouwelijk jongvee. In 2016 werd het aantal melkkoeien uitgebreid naar 160 stuks. In 2018 werd omgeschakeld van opfokhennen naar 16500 biologische legkippen met uitloopweide naast 160 melkkoeien en 90 stuks vrouwelijk jongvee. Voor deze aantallen is door de provincie Noord Holland ook een NBW vergunning afgegeven. In 2018 waren de regels voor het maximum aantal biologische leghennen als volgt: de totaal beschikbare oppervlakte aan strooisel in de stal plus de oppervlakte van de voliërestellingen in de stal plus wintergarten vermenigvuldigd met 6 dieren per m2 .De leverancier van het voliëresysteem heeft hiervor de navolgende berekening aangeleverd:
In 2022 gaan de regels voor biologische gehouden legkippen wijzigen, de wintergarten ( overdekte uitloop in de stal) mag niet meer worden meegeteld voor het aantal leghennen. Dit betekent dat er 1125 + 1067 m2 = 2192 m2 beschikbaar is. Dit betekent 2192 x 6 = 13152 biologische legkippen oftewel 3348 biologische leghennen inleveren wat overeenkomt met 20% minder dieren. Ondernemers hebben de beschikking over 6.6 ha uitloopweide naast de pluimveestal. Volgens de regelgeving mogen 2500 legkippen per ha worden gehouden, wat 16500 leghennen betekent. Ze willen daarom de stal verlengen om aan de oppervlakte-eis te kunnen voldoen met hetzelfde aantal dieren. Het huidige gebruik is : 32.5 sectie voliërestelling x 2.30 m, voor de nieuwe situatie dient de stal met 9 secties voliërestelling x 2.30 m te worden verlengd. Ten behoeve van de legkippen moet de stal 20.70 meter worden verlengd. Dit betekent een overschrijding van het bouwvlak. Daarnaast willen initiatiefnemers de mest welke uit de stal komt, opslaan in een mestloods in het verlengde van de stal, waarin de pluimveemest langer dan 14 dagen wordt opgeslagen. De huidig vergunning schrijft voor dat de pluimveemest moet worden opgeslagen in een afgedekte container en elke 14 dagen moet worden afgevoerd van het bedrijf. Met name in de winter is het vaak moeizaam met de mestafzet en brengt dit extra afzetkosten met zich mee.
Door de mest wat langer op te kunnen slaan, waarbij in de mestloods ook indroging plaats vindt, wordt fors bespaart op de mestafzetkosten. Derhalve is hiervoor 7.95 meter extra nodig achter de pluimveestal.