CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. GoFlo Paadje 1 Nieuwe Niedorp

Raad 9 juni 2026, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel Bindend advies Paadje 1 Nieuwe Niedorp12.126 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Een nader onderzoek naar het voorkomen van huismus is hiermee dan ook noodzakelijk en zal worden uitgevoerd. Gezien de ligging van de woning, het gebruik van een vlakke dakpan en het ontbreken van kantpannen is de woning daarentegen niet geschikt als nestlocatie voor gierzwaluw. Op basis van de ligging van de woning in het buitengebied en het ontbreken van sporen en nestmogelijkheden is een nader onderzoek naar de gebouw bewonende soorten kerkuil, steenuil en gierzwaluw niet noodzakelijk. Andere mogelijkheden of sporen die wijzen op de aanwezigheid van jaarrond beschermde vogelsoorten zijn niet waargenomen binnen de projectlocatie. Een nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor andere vogelsoorten met een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats dan huismus is dan ook niet aan de orde. Mitigerende maatregelen Voor de sloop en nieuwbouw kan overwogen worden om de gebouwen in het plangebied (op voorhand) geschikt(er) te maken voor soorten als huismus, spreeuw, huiszwaluw of andere soorten. Veel soorten verliezen namelijk steeds meer leefruimte.

Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen van (inbouw) nestkasten aan het gebouw/in de gevel Als uit het nader onderzoek blijkt dat er sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus, is het noodzakelijk dat dergelijke mitigerende maatregelen worden opgenomen als vervangende huisvesting voor beschermde soorten, mochten deze verloren gaan door de beoogde sloop. De voorwaarden hiertoe zullen hierbij worden vastgelegd in een activiteitenplan/mitigatieplan en bevestigd in de vergunningsaanvraag. Raadzaam is om eventueel te plaatsen nieuwe nestgelegenheid in overleg met een ecoloog uit te voeren, zodat de functionaliteit ervan kan worden geoptimaliseerd en dat reeds bestaande verblijfplaatsen of nestplaatsen niet worden verstoord of ongedaan worden gemaakt. Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen en (kleine) marterachtigen kunnen uitsluitend enkele algemeen voorkomende zoogdieren worden verwacht binnen de projectlocatie. Met betrekking tot de bedoelde algemeen voorkomende soorten geldt binnen de Provincie Noord-Holland een algehele vrijstelling bij een ruimtelijke ingreep en bestendig beheer. Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) soorten geldt vanuit de “specifieke zorgplicht” dat nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.

Dit houdt in dat dieren en hun functionele leefomgeving niet opzettelijk worden verstoord, gedood of gevangen. Naar verwachting heeft de projectlocatie een beperkte functie in het leefgebied van marterachtigen zoals wezel, hermelijn, bunzing, steenmarter en boommarter. In en rond de bebouwing zijn geen sporen gevonden die wijzen op de eventuele aanwezigheid van (verblijfplaatsen van) kleine marterachtigen of steenmarter. Mogelijk vormen de windsingels en struwelen op het erf onderdeel van het leefgebied van (kleine) marterachtigen. Aangezien het plan voorziet in versterking van de erfbeplanting, wordt niet verwacht dat met de voorgenomen herinrichting essentieel leefgebied van (kleine) marterachtigen zal verdwijnen. Mits delen van de erfbeplanting (indien nodig) worden verwijderd buiten de gevoelige voortplantingsperiode van (kleine) marterachtigen (april t/m augustus) wordt niet verwacht dat essentieel leefgebied of verblijfplaatsen van (kleine marterachtigen zullen verdwijnen. Een nader onderzoek of een vergunningsaanvraag voor een mogelijke flora- en fauna-activiteit in de Omgevingswet ten aanzien van zwaar beschermde (grondgebonden) zoogdieren is in dit geval niet noodzakelijk. 26

In verband met de aanwezigheid van een enkele geschikte openingen en sporen van vleermuizen is het projectgebied van enig belang voor vleermuizen. Op basis van de aangetroffen uitwerpselen en het type verblijfplaats gaat het hierbij waarschijnlijk om een zomer- en/of paarverblijfplaats van gewone-of ruige dwergvleermuis. In verband met de voorgenomen sloop van de woning is het dan ook noodzakelijk dat een nader onderzoek wordt uitgevoerd naar het voorkomen van (verblijfplaatsen van) vleermuizen. Een vleermuisonderzoek dient plaats te vinden conform het protocol voor vleermuisinventarisaties (Vleermuisvakberaad NGB & Zoogdiervereniging, 1 januari 2025). Aan de hand van de uitkomsten van het vleermuisonderzoek zal worden beoordeeld of er sprake is van een flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet ten aanzien van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen. Indien noodzakelijk dient hiervoor een vergunningsaanvraag te worden gedaan bij het bevoegd gezag (Provincie Noord-Holland / Omgevingsdienst NHN) en de benodigde mitigerende maatregelen te worden genomen. Mitigerende maatregelen Met de toekomstige nieuwbouw kan overwogen worden om de bebouwing in het plangebied geschikt(er) te maken voor o.a. vleermuizen. Veel soorten verliezen namelijk steeds meer leefruimte.

Dit kan gerealiseerd worden door het plaatsen van (inbouw) vleermuiskasten aan het gebouw/in de gevel en, indien er een bakstenen gevel komt, het bewust openlaten van openingen in bijvoorbeeld spouwmuren. Als uit het nader onderzoek blijkt dat er sprake is van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, is het noodzakelijk dat dergelijke mitigerende maatregelen worden opgenomen als vervangende huisvesting voor de aangetroffen beschermde soorten. De voorwaarden hiertoe zullen worden vastgelegd in een activiteitenplan / mitigatieplan en bevestigd in de vergunningsaanvraag. Raadzaam is om eventueel nieuw aan te brengen verblijfplaatsen in overleg met een ecoloog uit te voeren, zodat de functionaliteit ervan kan worden geoptimaliseerd en dat reeds bestaande verblijfplaatsen niet worden verstoord of ongedaan worden gemaakt. Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden op basis van de aanwezige terreintypen en het ontbreken van geschikt leefgebied voor deze soorten, niet verwacht binnen de projectlocatie. Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies.

Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en). Conclusie: Voor het onderdeel flora en fauna zal nader onderzoek worden uitgevoerd naar de aanwezigheid van huismus en vleermuizen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn, zal hiervoor separaat een vergunningsaanvraag worden ingediend bij het bevoegd gezag. Voor de gebiedsbescherming en overige beschermde diersoorten wordt verwacht dat de ontwikkeling van het plan geen negatieve effecten heeft.

27

5.6

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit wordt vooral gemonitord in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). In een aandachtsgebied moeten de omgevingswaarden in acht worden genomen wanneer er sprake is van een verhoging van concentraties binnen het aandachtsgebied. Wanneer er activiteiten worden toegestaan die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In dit artikel zijn ook de aandachtsgebieden opgenomen. Het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van het aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over grote afstand effect hebben. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (P10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, zodat de omgevingswaarden niet in acht hoeven te worden genomen.

Het aantal verkeersbewegingen neemt toe met 16,4 bewegingen per etmaal. Uit de NIBMtool (bijlage 5) blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de stikstof- of fijnstofconcentraties. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.7

Geluid

De regels in de Omgevingswet voor geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de Bruidsschat, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan, is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 is bepaald waar de waarden gelden op een geluidgevoelig gebouw. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. In artikel 3.18, lid Bkl is het toepassingsbereik aangegeven voor het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor de ontwikkeling van de nieuwe woningen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 6). Wegverkeerslawaai: Uit de resultaten blijkt dat de geluidbelasting op de uiterste begrenzing van de twee bouwvlakken ten hoogste 52 dB Lden bedraagt. Daarmee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. Het geluid is daarmee aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade klein. 28

Met betrekking tot het aspect wegverkeer is er dan ook sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Met betrekking tot de gevelgeluidwering kan worden volstaan met de minimale vereisten uit het Besluit bouwwerken leefomgeving. Conclusie: Het onderdeel geluid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.8

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. In de nabijheid van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig waar geurhinder een rol speelt. Bij de ontwikkeling van de woningen is geen sprake van het optreden van geurhinder door milieubelastende activiteiten. Conclusie: Het onderdeel geur staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.9

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het uitgangspunt van omgevingsveiligheid is dat voor risico’s van branden, rampen en crises rekening moet worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen en hulpverlening. Voor gebouwen en locaties zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.1

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 2 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden tot te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 5.9.2

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen 29

met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekeningkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s. Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in het voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 (Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel en niet meer verplicht om te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen (paragraaf 5.1.2.3 Bkl); • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk (paragraaf 5.1.2.4 Bkl); • veiligheid rond bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Op de planlocatie worden twee woningen gerealiseerd en dit zijn kwetsbare gebouwen. Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten op basis van de Atlas Leefomgeving gaat het om de volgende risicobronnen: a. bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; b.

vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen wegen aanwezig waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd/ c. transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. Er zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen buisleidingen aanwezig waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

30

5.10 Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continu trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van continu trillingen of herhaald voorkomende trillingen. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.11 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit en de integratie van milieu en ruimte betekent het integreren van milieunormen in de omgevingsvergunning. De bouw van twee nieuwe woningen op de planlocatie kan alleen worden gerealiseerd indien er wordt voldaan aan de milieunormen en er geen negatief effect optreedt op de fysieke leefomgeving. De publicatie Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is hierbij een belangrijk hulpmiddel. In de publicatie zijn richtlijnen opgenomen ten behoeve van de afstemming tussen ruimtelijke ordening en milieu op lokaal niveau, teneinde voorzienbare hinder door milieubelastende activiteiten te voorkomen. De VNG zorgt met deze richtlijnen dat nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven worden gesitueerd. In de directe nabijheid van de planlocatie is alleen een particuliere woning aanwezig op het perceel Paadje 2. Voor deze bestaande woning geldt dat er geen sprake is van een belemmering van de toekomstmogelijkheden, omdat de toekomstige woonfunctie op de planlocatie overeenstemt met de woonfunctie van deze woning. Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de milieuzonering van het naastgelegen bedrijf en woningen.

5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op een archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische kaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en cultuurhistorische zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst. Archeologie West-Friesland heeft voor de gehele gemeente Hollands Kroon een beleidskaart archeologie vervaardigd. Uit deze kaart blijkt dat voor de planlocatie een middelhoge verwachting is op het voorkomen van archeologische waarden. Bij het realiseren van bouwwerken met een oppervlakte van 2.500 m² en een ontgravingsdiepte van meer dan 40 centimeter is het noodzakelijk om een archeologisch onderzoek uit te voeren. Bij de bouw 31

van de nieuwe woningen worden bouwwerken toegevoegd met een kleinere oppervlakte. Bovendien is het planologisch niet mogelijk om een oppervlakte van meer dan 2.500 m² te realiseren en de verwachting is dan ook dat er geen archeologische waarden worden geschaad. Voor de cultuurhistorische waarden geldt dat er geen wijzigingen worden aangebracht aan de bestaande verkaveling. Bij de ontwikkeling van het plan wordt rond de planlocatie een nieuwe waterloop gegraven die wordt aangesloten op het bestaande slotenpatroon. Deze nieuwe verkaveling sluit beter aan bij de historische verkaveling, waarbij veel waterlopen rond kleine kavels aanwezig waren. Dit betekent dat cultuurhistorische waarden zijn gewaarborgd. In het BKP is aangetoond dat de bouw van de nieuwe woning passend is binnen het landschap en de kernwaarden behouden blijven. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woningen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt dat: Grond In MM2 en MM3 van de bovengrond zijn lichte verhogingen aangetoond met aan bestrijdingsmiddelen gerelateerde stoffen. Gedempte sloten: De afwijkende bodemlaag met slibbijmenging in de gedempte sloot ter plaatse van boorraai R02 toont een lichte verhoging met PAK aan. De afwijkende bodemlaag met slibbijmenging in de gedempte sloot ter plaatse van boorraai R01 toont geen verhogingen aan de geanalyseerde parameters aan.

Hobbykas: Ter plaatse van de hobbykas is de bovengrond separaat geanalyseerd op standaardpakket + OCB en toont geen verhogingen aan. De overige mengmonsters tonen geen verhogingen aan.

32

Asbest in grond In MMasb1 van de bovengrond is asbest in de fijne fractie aangetoond. Echter een dusdanig laag gehalte onder de norm voor nader onderzoek (<50 mg/kg d.s.). De overige mengmonsters tonen geen verhogingen aan. Er is in de druppelzone geen PCB aangetoond. Grondwater In het grondwater zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters aangetoond. Hergebruik en CROW400 Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de grond indicatief aan kwaliteitseis Landbouw/natuur. Conform de CROW400 zijn geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing. Onderzoek naar PFAS in de bodem is niet meegenomen in dit onderzoek. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren. Eindconclusie Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese voor een onverdachte locatie formeel gezien te worden verworpen. Gezien de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. De aangetoonde milieuhygiënische bodemkwaliteit levert geen belemmeringen op voor de voorgenomen nieuwbouw. Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.14 Weging van waterbelang Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor de ontwikkeling van het plan is een wateradvies gevraagd bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (bijlage 8). Verharding Het waterschap HHNK hanteert het beleid dat bij een verhardingstoename van meer dan 230 m² compenserende waterberging moet worden gerealiseerd. Voor een verhardingstoename tussen 230 m² en 2000 m² geldt dat 15% van het verharde oppervlak als waterberging moet worden aangelegd. Op de planlocatie is echter geen sprake van een netto verhardingstoename. Door de sloop van de bestaande agrarische bebouwing, waarvan de oppervlakte groter is dan de oppervlakte van de nieuw te ontwikkelen woningen, neemt het verharde oppervlak niet toe. Voor de verharding van de uitrit en parkeerplaatsen wordt een open verharding toegepast 33

met een onderliggend zandbed. Hierdoor kan het hemelwater op de locatie in de bodem infiltreren en wordt het niet versneld afgevoerd naar het oppervlaktewater. Rond de planlocatie wordt een nieuwe waterloop gegraven, waardoor er een natuurlijke afscheiding ontstaat met de omliggende agrarische percelen en de oppervlakte waterberging vergroot. De waterloop sluit aan op het omringende oppervlaktewatersysteem. De planlocatie wordt klimaatadaptief ingericht en daarmee wordt voldaan aan het beleid van HHNK. Voor de aanleg van de waterloop wordt separaat een omgevingsvergunning bij HHNK aangevraagd. Waterkwaliteit Binnen het plan is geen sprake van activiteiten die tot gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd en worden geloosd op de waterlopen. Tenslotte wordt wel geadviseerd om het gebruik van uitloogbare materialen, zoals zink, lood en koper zoveel mogelijk te voorkomen. Hemelwater en huishoudelijk afvalwater dienen gescheiden te worden aangeboden. Voor de aansluiting van de woningen op de riolering wordt contact gezocht met de rioolbeheerder, in dit geval de gemeente Hollands Kroon. Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.

34

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.

35

7.

Belangenafweging en conclusie

7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), kan de vergunning uitsluitend worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bepaald in artikel 8.0a, lid 2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit betekent dat, na een zorgvuldige belangenafweging, moet worden vastgesteld of het toestaan van de activiteit nog steeds leidt tot een evenwichtige toedeling. Naast deze hoofdregel zijn ook de beoordelingsregels uit de artikelen 8.0b tot en met 8.0e Bkl van toepassing. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor de ontwikkeling op beide planlocaties, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten in dit plan nader onderzocht en afgewogen.

7.2

Participatie

De Omgevingswet stimuleert vroegtijdige participatie, zodat overheden tijdig de belangen, meningen en creatieve inbreng van betrokkenen kunnen verzamelen. Participatie houdt in dat belanghebbenden al in een vroeg stadium worden betrokken bij het besluitvormingsproces rondom een project of activiteit. Belanghebbenden zijn onder andere burgers, vertegenwoordigers van bedrijven, professionals van maatschappelijke organisaties en bestuurders van overheden. Volgens de Omgevingsregeling moet bij een vergunningaanvraag worden aangegeven of en op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden, evenals wat de uitkomsten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie vervolgens bij de integrale belangenafweging. In de directe omgeving van de planlocatie is alleen een particuliere woning aanwezig op het perceel Paadje 2. Met deze bewoner heeft de initiatiefnemer overleg gevoerd. De bewoners kunnen instemmen met de ontwikkeling van het plan.

7.3

Vaststellingsprocedure

De aanvraag om de omgevingsvergunning heeft onder andere betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldende omgevingsplan. Voor deze aanvraag is, conform artikel 16.62 van de Omgevingswet, de reguliere procedure van titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. De beslistermijn bedraagt acht weken. Tegen de verleende omgevingsvergunning kan bezwaar worden ingediend bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Indien iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij vervolgens in beroep gaan. Tijdens de beroepsprocedure beoordeelt de rechter het besluit van het bevoegd gezag. In eerste instantie behandelt de rechtbank het beroep. Tegen de uitspraak van de rechtbank kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

36

7.4

Conclusie

Het plan betreft de ontwikkeling van twee woningen op een voormalig agrarisch bouwperceel, waarbij alle bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt en de functie wordt gewijzigd naar wonen. Het plan past binnen het beleids- en ruimtelijk kader op Rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau en er is een goede onderbouwing van de effecten op de fysieke leefomgeving geleverd. De ontwikkeling respecteert de landschappelijke en ruimtelijke waarden van West-Friesland West, levert een bijdrage aan de woningbouwopgave, en heeft geen negatieve effecten op milieu, flora of fauna. De woningen worden duurzaam en klimaatadaptief gebouwd en sluiten goed aan bij het bestaande straatbeeld. Participatie met de directe omgeving is uitgevoerd en de betrokken bewoner stemt in met de ontwikkeling. De ontwikkeling is haalbaar, zorgvuldig ingepast en versterkt de ruimtelijke kwaliteit en leefomgeving van het gebied.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=65a86674-b245-416e-8480-076ec69def57