CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. GOFLO_hetKippenhok

Raad 25 februari 2025, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: [Van de agenda gehaald] Bindend advies omgevingsvergunning pluimveebedrijf in Middenmeer24.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

 27

GEMEENTELIJK BELEID 4.4.1

Omgevingsvisie Hollands Kroon: Ruimte voor Elkaar

De omgevingsvisie is een integrale visie en een helder fundament voor het beleid van Hollands kroon en de uitvoering ervan voor de periode tot 2030. Het betreft naast ruimtelijke ordening ook onderwerpen als veiligheid, economische en technologische ontwikkelingen, natuur, milieu en bereikbaarheid. Dit moet meer samenhang brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving om flexibeler in te kunnen spelen op de veranderingen in de maatschappij. Vooral op strategisch niveau is deze samenhang van belang. Daarom worden in deze omgevingsvisie zoveel mogelijk onderwerpen binnen verschillende thema’s zoals Algemeen, Leven, Ondernemen, Groen, Toerisme & Recreatie en Water inhoudelijk met elkaar verbonden. De omgevingsvisie is opgebouwd uit twee hoofdonderdelen; beschreven richtingen en kaarten. Een richting kan een kader, ambitie, proeftuin of een uitwerking betreffen. De kaarten zijn een bundeling van themakaarten en vormen de ruimtelijke weergave van de richtingen. Binnen de visie is het onderwerp Ruimtelijke kwaliteit uitgewerkt. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is “ontwikkelen met behoud van identiteit en kwaliteit”. Dat betekent dat de karakteristieke eigenschappen van de verschillende landschappen en de dorpen moeten worden meegenomen in plannen, en dat identiteit en kwaliteiten het vertrekpunt van ruimtelijke plannen is.

Met onderhavig plan wordt er aangesloten bij de identiteit en karakteristiek van het landschap, daarmee wordt er tevens aangesloten bij het onderwerp Landschappelijke inpassing & ontwikkeling. Voor het onderwerp Agrarische sector wordt er gesteld dat Hollands Kroon het grootste agrarische grondgebruik in de provincie Noord-Holland heeft. Er is een grote diversiteit aan agrarische activiteiten, en er wordt hierbinnen veel aandacht geschonken aan R&D en talentontwikkeling. Hollands Kroon wil, gezien het karakter van het gebied, inzetten om ruimte te bieden voor ondernemen in de agrarische sector waarbij er veel ruimte is voor nieuwe ontwikkelingen. De gemeente verleent waar mogelijk medewerking aan het realiseren van nieuwe agrarische bouwblokken, waarbij er een ja, tenzij- houding wordt gehanteerd en waarbij de ontwikkeling van bouwblokken groter dan 2 hectare altijd maatwerk is. In de beoordeling zijn inpassing in en de effecten op de omgeving de belangrijkste criteria. Met onderhavig initiatief is sprake van een nieuw bouwblok met een omvang groter den 2 hectare. Met onderhavige GOFLO wordt onderbouwd dat de effecten op de omgeving aanvaardbaar zijn en hoe het initiatief wordt ingepast. Onderhavig initiatief is passend binnen de visie van de gemeente. 4.4.2

Tijdelijk deel Omgevingsplan

De strijd met het tijdelijk deel van het Omgevingsplan, bestaande uit de Bruidsschat (Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon) en het bestemmingsplan ‘Buitengebied Wieringermeer 2009, eerste partiële herziening’ is reeds besproken in paragraaf 1.3 van deze GOFLO. Aangezien er sprake is van de verplaatsing van een bestaand bedrijf naar een onbebouwd stuk grond en er gebruik wordt gemaakt van een BOPA-procedure is een extensieve toetsing aan het tijdelijk deel, bedoelend het bestemmingsplan, niet relevant. Er mag echter geen strijd met de regels in de Bruidsschat bestaan. De regels zoals in de Bruidsschat worden zodoende meegenomen voor de beoordeling van de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving in de navolgende hoofdstuk 5.

28 

FYSIEKE LEEFOMGEVING In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij onderhavige activiteit rekening is gehouden met diverse aspecten van de fysieke leefomgeving en de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). De aspecten sluiten aan op de onderdelen zoals genoemd in artikel 1.2 van de Omgevingswet. BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING Het milieubeleid en de daarop gebaseerde regelgeving spelen een belangrijke rol bij het ruimtelijk ordeningsbeleid. Beide beleidsterreinen richten zich op de bescherming van de kwaliteit van de (leef)omgeving. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering wordt verstaan: het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. De milieuzonering heeft twee doelen:  het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;  het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt onder de Omgevingswet de “Milieuzonering Nieuwe Stijl” gehanteerd. In plaats van een milieuzonering aan de hand van zones met oplopende milieucategorieën en een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ krijgt de milieuzonering nieuwe stijl vorm door zones die bij grotere afstand tot de woonomgeving voorzien in een oplopende gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf; zonder een ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’. Hier worden bijvoorbeeld bijzondere regels opgesteld voor bedrijventerreinen, zo limiteert de nieuwe systematiek de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf. Ieder bedrijf krijgt zijn eigen gebruiksruimte, afhankelijk van de zone van het bedrijventerrein waarin een bedrijf ligt De Oudelanderweg ongenummerd is niet gelegen binnen een bedrijventerrein, maar in het buitengebied. In het buitengebied gaat de bestemmingsregeling primair om de agrarische sector (met name veehouderijen). Deze kent zijn eigen problematiek en aandachtspunten, zoals geurhinder, ammoniak, fijnstof en gezondheid. In het buitengebied komen echter ook niet-agrarische bedrijfsactiviteiten voor. De Milieuzonering Nieuwe Stijl richt zich niet op het buitengebied (met haar focus op de agrarische sector).

Wel kan de in deze publicatie opgenomen methodiek als eerste aanzet worden gebruikt voor de planregels voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten in het buitengebied. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) werkt aan een nieuwe handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering’, die de bekende uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering 2009’ vervangt. Het doel van de VNG was in eerste instantie om deze in het voorjaar van 2024 te publiceren, maar dit is tot op heden nog niet gebeurd. Zodoende wordt er voor onderhavig initiatief aangesloten op de richtafstanden uit de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009.

 29

In de VNG-publicatie uit 2009 wordt er een onderscheid gemaakt tussen ontwikkelingen in een gemengd gebied en ontwikkelingen in een rustige woonwijk. Aangezien er in de omgeving van onderhavig plangebied relatief weinig sprake is van een menging van functies, waar weinig verstoring plaatsvindt, wordt het plangebied in dit geval aangewezen als gelegen binnen het type rustige woonwijk. De activiteiten binnen het beoogde bedrijf aan de Oudelanderweg ongenummerd kan volgens de richtafstandenlijst van Bedrijven en Milieuzonering 2009 worden geschaard onder SBI-code 01472 ‘Fokken en houden van pluimvee: opfokkippen en mestkuikens’, hiervoor gelden de volgende richtafstanden:  Geur: 200 meter;  Stof: 30 meter;  Geluid: 50 meter;  Gevaar: 0 meter. Voor de richtafstanden moet er worden getoetst aan gevoelige functies, zoals woon-, onderwijs-, gezondheidszorg-, of bijeenkomstfuncties. De richtafstand moet worden gemeten vanaf de grens van het nieuwe bouwvlak van onderhavig bedrijf tot de gevel van het betreffende gevoelige object. Het dichtstbijzijnde gevoelige object betreft de Oudelanderweg 53, gelegen op een afstand van ca. 350 meter van het te realiseren bedrijf. De meest nabijgelegen burgerwoning betreft de Alkmaarseweg 27, gelegen op ca. 530 meter afstand. Hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de richtafstanden voor onderhavige activiteit.

Voorgaande betekent dat er in redelijkheid kan worden verwacht dat de gevoelige functies in de omgeving geen onevenredig beperkend of nadelig effect ervaren door de beoogde ontwikkeling. Desalniettemin zijn de richtafstanden uit de VNG-publicatie niet juridisch bindend, waardoor het is benodigd om de bovengenoemde aspecten verder uit te werken. De navolgende paragrafen zijn hiermee gemoeid en zullen beargumenteren dat er in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. GEUR Het waarnemen en waarderen van geur verschilt per persoon. Naast het feit dat mensen het kunnen ervaren als hinderlijk, kan het waarnemen van een onaangename geur samenhangen met klachten zoals depressie, verminderde kwaliteit van leven en moeheid (Op den Kamp, 2006). De hinder gaat dan vergezeld met stress-gerelateerde lichamelijke gezondheidseffecten. Er is geen eenduidige relatie bekend tussen de hoogte van de geurbelasting en de mate van klachten die ontstaan. Ook kan een onaangename geur veroorzaken dat mensen niet graag thuis zijn of naar buiten willen gaan (Op den Kamp, 2006). Voor de mate van geurhinder geeft de Omgevingswet geen waarden of bandbreedten. Wel zijn er wettelijke geurnormen waaraan men zich moet houden. De gemeente moet bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (artikel 5.92 lid 1 Bkl).

Dit werkt twee kanten op:  enerzijds bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen, en  anderzijds bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van reeds bestaande geur veroorzakende bedrijven.

30 

De gemeente moet overwegen wat de beste locatie is voor een activiteit of voor een geurgevoelig gebouw. De geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit wordt verder ook geborgd in artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet. Onderhavig initiatief betreft het verplaatsen van een bestaand agrarisch bedrijf naar een nieuwe, reeds onbebouwde locatie. Bij de besluitvorming omtrent de ontwikkeling van dit bedrijf dient in het kader van het aspect geur antwoord gegeven te worden op de vraag of er ter plaatse van omliggende geurgevoelige objecten een minimaal aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Dit borgt de belangen van deze objecten. Zoals in de vorige paragraaf reeds naar voren is gekomen, bevindt het meest nabijgelegen (geur)gevoelige object zich op een afstand van ca. 520 meter van het plangebied. Dit betreft de woning aan de Alkmaarseweg 27. De regelgeving omtrent geur afkomstig van veehouderijen is opgenomen in paragraaf 22.3.6.2 van de Bruidsschat, bestaande uit Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon, alsmede in paragraaf 5.1.4.6.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Met het oog op het voorkomen of beperken van geurhinder zijn bij het houden van landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor emissiewaarden vastgesteld.

Hieruit blijkt dat, voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied, er een maximale geurbelasting van 8,0 ouE/m3 is toegestaan. Onderhavig werkingsgebied is niet aangewezen als gelegen in een concentratiegebied volgens bijlage I van de Meststoffenwet (artikel 5.108, lid 1 Bkl), derhalve kan er uit worden gegaan van een maximale geurbelasting van 8,0 ouE/m3 op gevoelige objecten. Echter liggen de dorpskernen van Winkel en Middenmeer op afstanden van respectievelijk 3,2 en 4,5 kilometer. Derhalve wordt er ook getoetst aan enkele adressen binnen de bebouwde kom, waarvoor een maximale geurbelasting van 2,0 ouE/m3 is vastgesteld, zoals bepaald in artikelen 5.109 Bkl en 22.98 Bruidsschat. Onverminderd artikel 22.98 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12 van de Bruidsschat. De afstand tussen de gevel van een dierenverblijf tot een geurgevoelig object moet minstens 25 meter zijn, zoals bepaald in artikel 22.103 en de bijbehorende tabel. Zoals eerder benoemd is het dichtstbijzijnde gevoelige object de Alkmaarseweg 27, gelegen op een afstand van ca. 520 meter. Er wordt hiermee ruimschoots voldaan aan de afstandseis.

Om te toetsen of er ook aan de maximaal toegestane emissiewaarde wordt voldaan, is er een berekening opgesteld volgens de Handleiding V-Stacks Vergunningen. Hiermee kan de individuele geurbelasting op een geurgevoelig object, gemeten vanuit het geurproducerende object, worden vastgesteld. De uitkomsten van de V-stacks berekening zijn opgenomen in tabel 5-1 op de volgende pagina en in de bijbehorende bijlage 3. Uit de tabel op de volgende pagina blijkt dat de emissie van de Oudelanderweg ongenummerd op de omliggende geurgevoelige objecten ruim onder de geurnorm van 8,0 ouE/m3 blijft voor objecten buiten de bebouwde kom, en onder de 2,0 ouE/m3 blijft voor objecten binnen de bebouwde kom. Op basis van de V-Stacks berekeningen kan er derhalve worden geconcludeerd dat het aspect geur geen belemmering vormt voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving, alsmede voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

 31

Tabel 5-1: geurbelasting op geurgevoelige objecten (bron: V-Stacks v2020)

LUCHTKWALITEIT De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) afdeling 2.2. De luchtkwaliteit wordt hier aan de hand van verscheidene omgevingswaarden uiteengezet. Bij de start van een plan moet onderzocht worden of het effect relevant is voor de luchtkwaliteit. Hierbij moet aannemelijk worden gemaakt dat de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate’ (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld, waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM. De nieuwe regels maken onderscheid in plannen die wel en ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Als een plan NIBM aan de luchtkwaliteit bijdraagt, hoeft geen uitgebreid luchtonderzoek meer uitgevoerd te worden. Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de voorwaarden voor NIBM opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor streefwaarden kan er worden gekeken naar de omgevingswaarden voor PM10, zoals bedoeld in Bkl artikel 2.5, eerste lid. De omgevingswaarde voor fijnstof is vastgesteld op 40 μg/m3 als kalenderjaargemiddelde. De artikelen 5.53 en 5.54 van het Bkl gaan in op de NIBM-bijdrage van activiteiten.

Als sprake is van een beperkte toename van luchtverontreiniging die niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie PM10 in de buitenlucht (NIBM) hoeft een project niet langer meer getoetst te worden. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. De NIBM-regeling geldt niet altijd voor veehouderijen. Enkele locaties zijn uitgezonderd van de NIBM-regeling. Dit zijn locaties met een hoge fijnstofconcentratie (PM10). Het gaat om locaties in de gemeenten Asten, Barneveld, Deurne, Ede, Nederweert, Renswoude en Scherpenzeel. De begrenzing van de locaties staat in de Omgevingsregeling (Or). Onderhavige locatie is niet binnen deze begrenzing gelegen waardoor de NIBM-regeling onverminderd van toepassing is. Onderhavig initiatief betreft de verplaatsing van een pluimveehouderij naar een nieuwe, onbebouwde locatie. Derhalve is er op de locatie logischerwijs sprake van een stijging van fijnstofemissies, om te

32 

bepalen of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving is er een ISL3afijnstofberekening uitgevoerd volgens het laatste model (Geomilieu-versie V2023.3). De fijnstofberekening is bijgevoegd in bijlage 4, in de onderstaande tabel 5-2 zijn de resultaten weergegeven:

Tabel 5-2: ISL3a fijnstofberekening

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat de toegestane normen niet worden overschreden. 5.3.1

Aanvaardbaar woon- en leefklimaat

In de beoogde situatie wordt er een bedrijfswoning gerealiseerd bij de te realiseren bedrijfsbestemming aan de Oudelanderweg ongenummerd te Middenmeer. Het is derhalve relevant om te toetsen of er ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor wordt er gebruik gemaakt van de kaart van de RIVM welke de luchtvervuiling in beeld brengt, gebaseerd op een combinatie van een GCN (Grootschalige Concentratiekaarten Nederland)-kaart en de verkeersgegevens van de NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit)-kaart. Onderstaande figuur 5-1 geeft PM10-concentraties weer op basis van jaargemiddelden, uitgedrukt in microgram per kubieke meter (µg/m3):

Figuur 5-1: fijnstofconcentratie plangebied (bron: Atlasleefomgeving.nl); O = beoogde woning

Ter plaatse van de te realiseren woning geldt er een achtergrondconcentratie van fijnstof van tussen de 16 en 18 μg/m3, hiermee wordt er ruimschoots voldaan aan de grenswaarde van 40 μg/m3.

 33

Derhalve is ter plaatse van het plangebied sprake van een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot fijnstofconcentraties. Op basis van het Bkl is het echter ook benodigd om de stikstofconcentraties inzichtelijk te maken, onderstaande figuur 5-2 maakt zodoende de stikstofconcentratie op de bedrijfslocatie inzichtelijk:

Figuur 5-2: stikstofconcentratie plangebied (bron: Atlasleefomgeving.nl); O = beoogde woning

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur ligt de beoogde woning in twee vlakken, ter plaatse van de beoogde woning geldt een fijnstofconcentratie van tussen de 13,36 μg/m3 en 16,32 μg/m3 stikstof. Zoals blijkt uit de legenda is er in het gehele plangebied sprake van een goede luchtkwaliteit. Op basis van het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect ‘luchtkwaliteit’ geen belemmering vormt voor de bedrijfsverplaatsing naar de Oudelanderweg ongenummerd. Er is een sprake van een goed woon- en leefklimaat, zowel binnen het plangebied als voor de omgekeerde werking naar de omliggende gevoelige objecten door de bedrijfsvestiging. GELUID Regels over geluid in het omgevingsplan moeten voldoen aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze instructieregels heeft het Rijk gesteld bij het beoordelen van geluid. De regels in het omgevingsplan gelden voor degene die een activiteit verricht. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de geluidregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer overgeheveld naar de Bruidsschat. 5.4.1

Geluid door wegen en spoorwegen

Afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving gaat in op het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Bij de toepassing van deze afdeling worden geluidgevoelige gebouwen in aanmerking genomen die zijn toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied liggen (artikel 3.18, lid 2). Onderhavig document voorziet in de BOPA-

34 

procedure en de beoogde bedrijfswoning is gelegen binnen een geluidaandachtsgebied, zoals bedoeld in artikel 3.20 Bkl, door de aanwezigheid van de gemeentelijke Oudelanderweg en de provinciale Alkmaarseweg. De standaard- en grenswaarden voor geluid gelden op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw (artikel 3.23, lid a, onder 2o). Verder is er een onderscheid te maken tussen wegen met en zonder een geluidproductieplafond (gpp), het gpp is de maximaal toegelaten hoeveelheid geluid op een referentiepunt nabij een geluidbron. Een provinciale weg, hier zijnde de Alkmaarseweg, is aangewezen als een bron met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (artikel 2.13a lid 1a, Omgevingswet). Gemeentewegen, hier zijnde de Oudelanderweg, zijn aangewezen als bron zonder gpp ( artikel 3.26 Bkl). Paragraaf 5.1.4.2a is van toepassing op een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dat geheel of gedeeltelijk ligt in een geluidaandachtsgebied van wegen met geluidproductieplafonds (artikel 5.78, lid 1, onder a). Het geluid bij wegen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden is het geluid bij volledige benutting van de geluidproductieplafonds (artikel 5.78a, lid 1 onder a).

Artikel 5.78t voorziet er in dat een omgevingsplan dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, voorziet erin dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde, bedoeld in de onderstaande tabel:

Tabel 5-3: standaardwaarde geluidgevoelige gebouwen (bron: tabel 5.78t, Bkl)

Zoals blijkt uit de bovenstaande tabel is de standaardwaarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan 50 Lden bij provinciale wegen en 53 Lden bij gemeentewegen (artikel 3.34, lid 1 en 5.78t, lid 1 Bkl). Beide typen wegen liggen nabij de planlocatie. Zoals blijkt uit de meest recente data van het RIVM is het geluid afkomstig van het wegverkeer 56 dB (Lden) bij de bedrijfswoning, hiermee wordt de standaardwaarde overschreden. Zie onderstaande figuur 5-3 voor de visualisatie:

 35

Figuur 5-3: geluid van wegverkeer op de bedrijfswoning (bron: RIVM, 2021 zoals in atlasleefomgeving.nl)

Binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), artikel 4.103, is geregeld dat een waarde van 33 dB in de woning als gevolg van omgevingslawaai moet zijn gewaarborgd. Dit kan worden geborgd door het gebruik van karakteristieke geluidwering van geveldelen, deze moeten een geluidwering van minstens 20 dB bedragen (artikel 4.102). Ter plaatse van de nieuw te realiseren bedrijfswoning is het mogelijk om een geluidwerende techniek toe te passen. Geluidbeperkende maatregelen als bedoeld in artikel 5.78u, eerste lid, worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78u, onder 3). Gezien de woning op eigen erf wordt gerealiseerd, en deze landschappelijk wordt ingepast en (middels onderhavig document) voldoet aan etfal, wordt er geconcludeerd dat er geen overwegende bezwaren gelden. Op basis van het voorgaande is het mogelijk om een planregel op te nemen welke voorziet in het gebruik van geluidwerende maatregelen, conform artikelen 4.102 en 4.103 Bbl, waarmee er wordt voldaan aan artikel 5.78u en artikel 3.53 Bkl. Hiermee wordt geborgd dat er zowel aan de gevel als in de bedrijfswoning sprake is van een geluidwaarde onder de standaardwaarde.

Ten behoeve van de bouwaanvraag wordt een akoestisch onderzoek opgesteld waarbij de geluidwerende maatregelen worden betrokken. 5.4.2

Geluid door industrieterreinen

De gemeente Hollands Kroon heeft enkele gezoneerde industrieterreinen, dit zijn bedrijventerreinen waar zware industrie wordt toegestaan. De regels die hiervoor in de Omgevingswet zijn opgesteld, zijn niet van toepassing omdat het plangebied niet in de invloedssfeer van een gezoneerd industrieterrein is gelegen.

36 

5.4.3

Geluid door activiteiten

Artikel 22.57 van de Bruidsschat stelt dat er vastgestelde waarden gelden voor het geluid door een activiteit bij een te realiseren geluidgevoelig gebouw, gemeten op de te realiseren gevel (lid b). Dit wordt onderschreven in artikel 5.60, lid a, Bkl. Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is de toegestane geluidsbelasting door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1 Bruidsschat behorend bij artikel 22.63, zowel als in artikel 5.65 Bkl en de bijbehorende tabellen. De tabel zoals in de Bruidsschat staat onderstaand afgebeeld in tabel 5-4:

Tabel 5-4: Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw (bron: Omgevingsplan gemeente Hollands Kroon, tabel 22.3.1)

Zoals reeds benoemd in deze GOFLO wordt er nabij de Oudelanderweg ongenummerd een motorcrossterrein gerealiseerd. Door samenvoeging van 3 motorcrossverenigingen uit Alkmaar, Den Helder en Nieuwe Niedorp in de Stichting NHGS Phoenix willen de motorcrossers uit Noord-Holland hun krachten bundelen om een permanente motorsportvoorziening te realiseren. De Stichting NHGS Phoenix heeft Exploitatiemaatschappij Sphinx BV opgericht, die verantwoordelijk zal zijn voor de aanleg van de crossbaan en de exploitatie. De Stichting NHGS Phoenix en de Exploitatiemaatschappij Motorsportfederatie Sphinx BV hebben gezamenlijk een businessplan opgesteld voor de realisatie op de locatie. Na jaren vooronderzoek en onderhandelen, is er gestart met de daadwerkelijke planologische regeling om dit nieuwe motorsportterrein mogelijk te maken. Hierbij is een mer-procedure doorlopen. Rondom de locatie is naar aanleiding van de mer een geluidszone bepaald, hier zal later in deze paragraaf verder op in worden gegaan. Activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken Artikel 5.78b Bkl wijst onder lid 1 de activiteiten aan die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet. Artikel 2.11a Ow gaat in op geluidproductieplafonds vastgesteld rondom industrieterreinen.

In artikel 5.78, eerste lid, onder a, wordt er verwezen naar Bijlage VIII Bal voor aanwijzing van activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken. Onder R. wordt “Autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan” aangewezen. de omschrijving hierbij is als volgt:

 37

“De activiteit, bedoeld in artikel 3.304, als de activiteit als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.305, en voor zover het gaat om het gedurende meer dan acht uur per week gebruiken van daarvoor opengestelde terreinen, geen openbare weg zijnde, voor het in wedstrijdverband, ter voorbereiding van wedstrijden of voor recreatieve doeleinden, rijden met bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen voorzien van verbrandingsmotoren, waarbij buiten beschouwing blijven terreinen die langer zijn opengesteld voor het houden van wedstrijden op die terreinen of het voorbereiden van zodanige wedstrijden gedurende ten hoogste drie weekeinden per kalenderjaar, waarbij tot het weekeinde worden gerekend daarop aansluitende dagen die bij of krachtens de Algemene termijnenwet zijn aangemerkt als algemeen erkende feestdagen.” Op basis van het bovenstaande is het motorcrossterrein Middenmeer een activiteit die in aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken, hiervoor zijn tevens regels opgesteld in het Bkl. De regels die hiervoor zijn opgesteld zijn echter niet relevant voor de beoogde ontwikkeling aan de Oudelanderweg ongenummerd. Wel wordt er verwezen naar tabel 5.65.1 Bkl, welke de standaardwaarden bevat voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw. Deze tabel sluit aan bij tabel 22.3.1 van de Bruidsschat, maar breidt deze enigszins uit:

Tabel 5-5: Standaardwaarde toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw (bron: tabel 5.65.1 Bkl)

Zoals gesteld in artikel 5.65, lid 1 onder a, bevat een omgevingsplan de bovenstaande standaardwaarden, alsmede het maximaal geluidniveau, voor het toelaatbare geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw. Het is relevant om te bepalen of er sprake is van een acceptabel geluidniveau ter plaatse van de gevel van de beoogde bedrijfswoning. Om dit te bepalen kan er worden gekeken naar de geluidzone van het motorcrossterrein. Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer Ten tijde van het schrijven van deze GOFLO ligt de partiële herziening van het bestemmingsplan Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer in voorontwerp (23 juli 2020). In dit plan zijn verscheidene situaties voor geluidbelasting opgenomen, echter is er een geluidcontour vastgesteld in het voorontwerp, deze is afgebeeld in de onderstaande figuur 5-4:

38 

Figuur 5-4: geluidzone motorcrossbaan (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Zoals blijkt uit voorgaande figuur 5-4, ligt een groot deel van het plangebied binnen de geluidzone van het motorcrossterrein. Zoals bepaald in artikel 4.1, lid a, van het bestemmingsplan Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer zijn de gronden binnen de zone bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting op nieuwe geluidgevoelige objecten als gevolg van een motorcrossterrein, alsemede voor de bescherming en instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van een inrichting (onder Ow: locatie) als bedoeld in artikel 41 van de Wet geluidhinder (oud recht). Lid b van artikel 4.1 stelt tevens dat geluidgevoelige objecten uitsluitend zijn toegestaan indien de geluidbelasting vanwege het motorcrossterrein op de gevels van deze geluidgevoelige objecten niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een vastgestelde hogere grenswaarde. De maximaal toegestane geluidbelasting door activiteiten op het te realiseren geluidgevoelige gebouw volgens het Bkl is omschreven in de voorgaande tabel 5-4. In de MER voor het motorcrossterrein zijn verscheidene geluidcontouren opgesteld voor verschillende situaties. In de voorkeursvariant, die voortkomt uit de mer, zijn meerdere keuzes gemaakt voor de inrichting van het terrein.

Deze keuzes zijn meegenomen in het uitgevoerde geluidsonderzoek en hierdoor ook meegenomen in de geluidcontour die met de partiële herziening van het bestemmingsplan wordt vastgelegd. De volgende keuzes zijn gemaakt:  Extra hoge springbulten.  Schermen in plaats van wallen.  Beperkt gebruik tijdens de aanlegfase

 39

De ruimtelijke, milieu-, en natuurprocedures voor de realisatie van het motorcrossterrein lopen naast onderhavige procedure voor het realiseren van de bedrijfsverplaatsing naar de Oudelanderweg ongenummerd, inclusief de realisatie van de bijbehorende bedrijfswoning. Om een zo goed mogelijk woon- en leefklimaat te realiseren, alsmede om de (bedrijfseconomische) belangen van alle partijen te behartigen, is er sprake van een nauwe samenwerking tussen het motorcrossterrein en initiatiefnemer. Zo worden er bijvoorbeeld geluidwerende maatregelen genomen om geluidbelasting op de bedrijfswoning te minimaliseren. In de onderstaande figuur 5-5 zijn de geluidcontouren van het motorcrossterrein opgenomen, in deze afbeelding zijn verder de omliggende geluidgevoelige objecten gevisualiseerd, waaronder de Oudelanderweg ongenummerd (hier: Oudelanderweg 55):

Figuur 5-5: geluidzone voorkeursvariant (bron: toelichting Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer); rood vlak = bedrijfslocatie (indicatief)

Uit de bovenstaande figuur blijkt dat de geluidsbelasting (Ldag) is gelegen binnen de contour van 40 dB(A), hiermee wordt er onder de toelaatbare waarden, zoals bedoeld in tabel 5.65.1 Bkl, gebleven. In de dagperiode (07:00-19:00) wordt het meeste geluid geproduceerd door de motorcross, hieruit kan worden afgeleid dat de geluidbelasting in de overige perioden lager zal liggen. Verder heeft het

40 

motorcrossterrein een geluidmeting uitgevoerd op de locatie van de meest dichtbijzijnde gevel van de beoogde bedrijfswoning aan de Oudelanderweg ongenummerd. De achtergrondbelasting van geluid, komend van de omliggende wegen, is tevens ook meegenomen. De uitkomsten zijn in de onderstaande figuur 5-6 afgebeeld:

Figuur 5-6: achtergrondgeluid op de Oudelanderweg ongenummerd

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur is het daggemiddelde vastgesteld op 45 dB(A) op de gevel van de bedrijfswoning, zoals benoemd betreft dit het geluid van het motorcrossterrein én de wegen. Bovendien is de maximale geluidbelasting vastgesteld op 58 dB(A) LAmax, waarmee er ruimschoots onder het toegestane maximum zoals bedoeld in tabel 5.56.1 Bkl wordt gebleven. Verder is uit de bovenstaande figuur op te merken dat de bijdrage van het weggeluid (Weg_Dag) een zeer significante bijdrage levert aan de geluidbelasting, hier kan uit worden afgeleid dat het weggeluid het geluid van de motorcross grotendeels overschaduwt. Verder worden er in de aanleg van de motorcrossterrein verscheidene geluidbeperkende maatregelen genomen, zoals geborgd in bijlage 1 van het ontwerpbestemmingsplan. Echter zijn hier veel verschillende opties opgenomen. Zodoende is er voor de realisatie van onderhavig initiatief overleg met de initiatiefnemers van het motorcrossterrein, hiermee worden de specifieke maatregelen ten behoeve van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning afgestemd. Zo wordt een acceptabel geluidniveau geborgd met de toepassing van

 41

een aardewal van 9,5 meter, zoals blijkt uit bijlage 1 van het ontwerpbestemmingsplan Geluidzone motorcrossterrein Middenmeer. Op basis van het bovenstaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect geluid door activiteiten geen belemmering vormt voor de realisatie van de bedrijfswoning ter plaatse van de Oudelanderweg ongenummerd (n.t.o.). BODEMKWALITEIT In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn gedragsregels en voorzieningen met het oog op de bescherming van de bodem voorgeschreven. Paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat voorschriften omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. Deze voorschriften hebben uitsluitend betrekking op een bodemgevoelig gebouw. Een bodemgevoelig gebouw wordt in artikel 5.89g van het Bkl beschreven als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Op basis van deze beschrijving valt de te realiseren bedrijfswoning onder een bodemgevoelig gebouw. Onder artikel 5.89i, lid 1, is bepaald dat een omgevingsplan waarden bevat voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Bij het vaststellen van deze waarden wordt er rekening gehouden met de interventiewaarden voor de bodemkwaliteit, zoals bedoeld in bijlage IIA Bal (artikel 5.89j, lid 1, Bkl). Een omgevingsplan kan echter hogere waarden bevatten dan deze waarden, zoals geborgd in artikel 5.89j, tweede lid. Artikel 5.89j, derde lid, bepaalt verder dat de grenswaarde voor de bodemkwaliteit per bodemgevoelige locatie moet worden berekend. Als in een omgevingsplan is bepaald dat het is verboden om zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen, worden in het omgevingsplan regels gesteld die ertoe strekken dat de omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie bij overschrijding van een waarde (zoals bedoeld in artikel 5.89i, eerste lid) alleen wordt verleend als aannemelijk is dat de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen. Verder bepaalt artikel 5.89ka, tweede lid onder a, dat er een voorafgaand bodemonderzoek, zoals bedoeld in paragraaf 5.2.2 Bal, moet worden bijgeleverd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw. Artikel 5.7a, eerste lid, Bal borgt bovendien dat, bij het verrichten van een activiteit zoals bedoeld in hoofdstuk 3 of 4 Bal, een vooronderzoek bodem moet worden verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

Het vooronderzoek moet voldoen aan NEN 5725 (artikel 5.7a, lid 2). Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is een vooronderzoek bodem conform NEN 5725 uitgevoerd, deze is bijgevoegd in bijlage 5 bij deze GOFLO. Het rapport concludeert het volgende: “De gemeten concentraties vormen geen gevaar voor de volksgezondheid en/of het milieu. Op basis van de onderzoeksresultaten bestaan er, onzes inziens, op milieuhygiënische gronden geen beperkingen tegen de voorgenomen realisatie…” Concluderend vormt het aspect ‘bodem’ geen belemmering voor onderhavig initiatief.

42 

KABELS EN LEIDINGEN In verband met onder andere graafschade moet er bij bouwprojecten worden vastgesteld of de aanwezigheid van kabels en / of (buis)leidingen risico’s met zich meebrengen. Ook zijn bijvoorbeeld elektriciteitskabels voor het hoog- en middenspanningsnet langs het spoor aangewezen (artikel 9.20 Bal). Om te bepalen of er sprake is van enige belemmering voor onderhavig initiatief, door de aanwezigheid van kabels en leidingen, moet de afstand tot de dichtstbijzijnde kabels en leidingen worden bepaald. In figuur 5-7 op de volgende pagina zijn deze kabels en leidingen ten opzichte van de Oudelanderweg ongenummerd gevisualiseerd. Onderhavig bedrijf is rood omkaderd.

Figuur 5-7: buisleidingen en kabels rondom het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = indicatief plangebied

De buisleidingen op deze kaart zijn weergegeven vanuit Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Het REV is bedoeld om burgers en bedrijven informatie te bieden, zodat zij zich een beeld kunnen vormen van de risico’s van activiteiten met externe veiligheidsrisico’s in hun omgeving. Naast het bieden van informatie aan derden is het register van belang voor een deugdelijke besluitvorming over vooral omgevingsvergunningen en omgevingsplannen. Voor graafwerkzaamheden geldt de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon). Voor onderhavig initiatief zullen er geen graafwerkzaamheden plaatsvinden bij de buisleiding, derhalve is de Wibon niet van toepassing. Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-7, ligt het plangebied in het aandachtsgebied en het risicocontour van de buisleiding in het oosten. De gemeente kan ter plaatse (van een deel) van het aandachtsgebied een voorschriftengebied aanwijzen in het omgevingsplan. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. In het omgevingsplan is geen voorschriftengebied aangewezen. Het risicocontour is primair relevant voor het aanleggen van buisleidingen, en is zodoende niet relevant voor onderhavig initiatief.

 43

De beoogde ontwikkeling ligt op zodanig grote afstand van de buisleidingen dat er voor het aspect (buis)leidingen geen belemmeringen zijn voor het initiatief. Zoals blijkt uit bovenstaande kaart in figuur 5-7, zijn er geen kabels in de buurt van het plangebied. Kabels en leidingen hinderen onderhavig plan concluderend niet. EXTERNE VEILIGHEID Met de invoering van de Omgevingswet is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) ingetrokken, omdat de inhoud van dit besluit is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen is gebaseerd op artikel 5.1 van de Wet milieubeheer, welke onder de Omgevingswet eveneens vervalt. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen zijn milieukwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid opgenomen, die moeten worden opgenomen in een bestemmingsplan en moeten worden meegenomen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. In het stelsel van de Omgevingswet komen deze milieukwaliteitseisen terug als instructieregels over externe veiligheid. Deze zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de regels voor externe veiligheid. Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt.

Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van branden, rampen of crises. Voor het plaatsgebonden risico van een activiteit geldt een grenswaarde van ten hoogste 1 op de 1.000.000 per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7 Bkl). Hier wordt, conform artikel 5.8 eerste lid Bkl, aan voldaan door het in acht nemen van de afstanden voor de activiteiten, aangegeven in de daarbij aangegeven onderdelen van bijlage VII van het Bkl. Hiervoor moet eerst worden bepaald welke omliggende activiteiten relevant zijn voor het plaatsgebonden risico aan de Oudelanderweg ongenummerd te Middenmeer. De facetten voor externe veiligheid in de omgeving zijn gevisualiseerd in de onderstaande figuur 5-8. De beoogde bedrijfslocatie is rood omlijnd. LEGENDA:

Figuur 5-8: externe veiligheid in de omgeving van het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = indicatief plangebied

44 

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-8, zijn er, naast de reeds besproken contouren en aandachtsgebieden van de buisleiding, geen relevante facetten voor externe veiligheid aanwezig in het plangebied. In de omgeving zijn verscheidene windturbines aanwezig met een risicocontour van een persoonsgebonden risico van 10-6. Ten oosten van het bedrijf ligt een opslagtank voor propaan en een opstelplaats voor een voertuig, beiden voorzien van een risicocontour van PR 10-6. Deze liggen op zodanig grote afstand dat deze onderhavig initiatief niet belemmeren. Op basis van het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de beoogde situatie. NATUURBESCHERMING De natuurbescherming bestaat uit twee onderdelen, namelijk de gebiedsbescherming en de soortenbescherming. Sinds 1 januari 2024 is de omgevingswet in werking getreden. Onder de omgevingswet is sprake van een vergunningplicht voor de ‘Natura 2000-activiteit’ (een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied) en een ‘Flora- & Fauna activiteit’ (een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten). Inhoudelijke gezien zijn er weinig wijzigingen ten opzichte van het oude recht.

Procedureel is er wel een wijziging doorgevoerd, er is geen sprake meer van onlosmakelijke samenhang tussen verschillende vergunningplichtige activiteiten. “In de Omgevingswet is de eis voor één aanvraag voor onlosmakelijk samenhangende activiteiten losgelaten (…). Onder de Omgevingswet is de aanvrager er dus zelf verantwoordelijk voor dat hij voor alle activiteiten die hij verricht beschikt over de vereiste vergunningen. Bovendien rust op grond van artikel 3:19 van de Awb op het bevoegd gezag de inspanningsverplichting om een aanvrager in kennis te stellen van eventuele andere op aanvraag te nemen besluiten die ook nodig zijn met het oog op de activiteiten die hij wil verrichten” (ingekort citaat uit Aanvullingsbesluit Natuur (3.3)). Voor de BOPA moet er sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) en hiervoor moet o.a. zijn voldaan aan rijks- en provinciale instructieregels (art. 8.0a, lid 2 en 8.0b-e Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). In hoofdstuk 5 van het Bkl staan geen instructieregels over natuur en in de Omgevingsverordening zijn deze ook niet opgenomen. Derhalve is het niet noodzakelijk om in de BOPA uit te werken of aan de voorwaarden voor een eventuele vergunning ‘Natura 2000-activiteit’ of Flora- & Fauna activiteit’ wordt voldaan, dit dient namelijk expliciet beoordeeld te worden bij de desbetreffende separate aanvraag.

Voor het onderdeel ‘Flora- & Fauna activiteit’ wordt geen aanvraag ingediend omdat hiervoor geen vergunning noodzakelijk is. Op basis van de uitgevoerde Quickscan Flora & Fauna, zie bijlage 6, heeft onderhavig initiatief geen effect op beschermende dieren en planten. De conclusie van de Quickscan Flora & Fauna luidt als volgt: “Voor de conclusies aangaande soorten verwijzen wij naar onderstaande tabel [zie tabel 5 in bijlage 6]. Voor de activiteit is geen Omgevingsvergunning voor een flora- en faunaactiviteit (voorheen ontheffing Wet natuurbescherming) nodig mits men rekening houdt met het broedseizoen.

 45

Wij adviseren wel om deze conclusie (het rapport) door het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning (Gemeente Hollands Kroon) te laten bevestigen. Eventueel kunt u het ook nog ter beoordeling aan de provincie voorleggen.” Conclusie Natuur Netwerk Nederland (NNN) “Er zijn geen effecten op de NNN-gebieden te verwachten” Conclusie Omgevingswet Natura 2000-activiteit “Er zijn geen effecten op de Natura 2000-gebieden te verwachten. We adviseren om deze conclusies ook aan het bevoegd gezag ter beoordeling voor te leggen.” NATUUR NETWERK NEDERLAND (NNN) De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is in 1990 in het leven geroepen om de achteruitgang van de natuur in Nederland een halt toe te roepen. De EHS wordt gedefinieerd als ‘het samenhangend netwerk van in (inter)nationaal opzicht belangrijke, duurzaam te behouden ecosystemen’. Uit deze definitie wordt duidelijk welk doel de EHS moet dienen, namelijk: het duurzaam behouden van ecosystemen die in nationaal of zelfs internationaal opzicht belangrijk zijn. Het middel om dat doel te bereiken is het tot stand brengen van een samenhangend netwerk van natuurgebieden met daartussen ecologische verbindingen. In juni 2013 kondigde staatssecretaris Dijksma aan dat de overheid de naam Natuur Netwerk Nederland (NNN) gaat gebruiken in plaats van Ecologische Hoofdstructuur. De provincie Noord-Holland staat voor de taak om het NNN in 2027 af te ronden.

Het netwerk beslaat 56.400 hectare. Dat is zo’n 15% van het oppervlak van de provincie. Daarvan is ruim 93% inmiddels ingericht. Provincie en vele maatschappelijke en private partners werken nu aan de resterende 4.400 hectare. Dat doen zij op drie manieren:  Het vergroten van de hoeveelheid natuur in het Natuurnetwerk met 4.700 hectare door de al in 1990 aangewezen gronden voor 2027 om te vormen naar natuur.  Het versterken van de kwaliteit van de bestaande natuurgebieden, met name de bijzondere Natura 2000-gebieden;  Het verbinden van de natuurgebieden via natuurbruggen, natuurstroken, bermen en watergangen. NNN-gebieden worden beschermd wanneer zij tevens zijn aangewezen op grond van natuurbeschermende regelgeving of wanneer in het gebied een activiteit wordt opgericht of uitgebreid. Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen geldt binnen het NNN het ‘nee, tenzij’-principe. Ook wanneer een activiteit of ontwikkeling plaatsvindt buiten het netwerk kan dit aantasting geven van de ecologische waarden binnen het NNN. Dit is in ieder geval aan de orde als een ontwikkeling een negatief effect heeft op de waarden van het NNN vanwege geluid, licht of betreding.

Deze opsomming is niet uitputtend bedoeld, ook schaduwwerking, windturbulentie of het oprichten van een afscheiding langs een natuurgebied – waardoor migratie niet langer mogelijk is – kan negatieve effecten hebben op de aanwezige waarden.

46 

In de omgeving van het plangebied zijn enkele natuurgebieden van het NNN gelegen, deze zijn gevisualiseerd in navolgende figuur 5-9. Het meest nabijgelegen NNN-gebied, op een afstand van ca. 1,6 kilometer, betreft de Weel- en Braakpolder, Kolk van Dussen en omgeving. Ten westen van het plangebied ligt verder het gebied Schagerwad en reservaten rond Kolhorn.

Figuur 5-9: NNN-gebieden nabij het plangebied (bron: Atlas Leefomgeving); rood vlak = plangebied

Zoals blijkt uit de kaart in figuur 5-9, vindt onderhavige ontwikkelingen buiten de voorgenoemde NNN-gebieden plaats en ontstaat er door het initiatief ook geen versnippering van het samenhangende natuurnetwerk. Hiermee wordt migratie van soorten niet gehinderd. De conclusie uit de Quickscan Flora & Fauna, zie bijlage 6, is dan ook dat effecten op het NNN zijn uitgesloten. Op basis van het voorgaande kan er worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief niet wordt belemmerd door het Natuur Netwerk Nederland. ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE 5.10.1

Archeologie

De Erfgoedwet uit 2016 bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor het behoud en het beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Bovendien zijn aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Het beschermingsniveau, zoals die in de oude wetten en regelingen gold, blijft gehandhaafd. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de

 47

Omgevingswet. Het laatstgenoemde gaat om zaken als de omgevingsvergunning voor Rijksmonumenten, het aanstellen van een monumentencommissie of rekening houden met cultureel erfgoed in omgevingsplannen. Gemeente Hollands Kroon heeft een archeologische beleidskaart opgesteld waarin de archeologische verwachtingswaarden worden aangegeven voor het grondgebied van de gemeente, alsmede de daarbij horende beleidsregels. In de navolgende figuur 5-10 is de planlocatie weergegeven binnen de archeologische beleidskaart. In 2021 is Archeologie West-Friesland gestart met het actualiseren van de beleidskaart van 2013 en heeft dit in 2022 afgerond. De archeologische beleidskaart voor de gemeente Hollands Kroon vormt de nadere onderbouwing van de in de gemeente aanwezige en te verwachten archeologische waarden en geeft hier een vlakdekkend inzicht in.

Figuur 5-10: archeologische beleidskaart (bron: Kaart Archeologisch gebied, gemeente Hollands Kroon); rood vlak = plangebied (indicatief)

Zoals blijkt uit de bovenstaande figuur 5-10, ligt het plangebied binnen een middelhoge verwachting: 2.500 m2 en 40 cm diep. De toelichting bij de beleidskaart stelt het volgende over deze verwachtingswaarde: “Gebieden met een middelhoge verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen. De grenzen van deze gebieden zijn overgenomen van de beleidskaart uit 2013, welke zijn gebaseerd op de IKAW. Het vervaardigen van een gedetailleerder verwachtingsmodel is op basis van geo(morfo)logische, bodemkundige en archeologische gegevens nog niet goed mogelijk. Bij beoogde ingrepen zal in eerste instantie een quickscan vervaardigd worden waarbij de archeologische verwachting nader wordt gespecificeerd voor een specifiek plangebied.” (Toelichting Beleidskaart Archeologie gemeente Hollands Kroon, 1 juni 2022) Er is een onderzoek naar de archeologische verwachtingswaarden in het plangebied uitgezet door MUG Ingenieursbureau b.v. Onderstaand zijn de conclusies en aanbevelingen van het archeologisch onderzoek overgenomen, het rapport is tevens bijgevoegd in bijlage 7:

48 

“Conclusie: Samenvattend blijkt uit de boringen dat het grootste deel van het onderzoeksgebied gekenmerkt wordt door slappe ongerijpe kleiafzettingen, deels op een ondergrond van matig grof zand. Deze afzettingen zijn kenmerkend voor geulen en meerbodems. In de boringen 7, 9, en 10 komen op een diepte van circa 1 meter siltige zanden voor die kenmerkend zijn voor oeverwalafzettingen. In de boringen 33 t/m 35 lopen deze sedimenten door tot aan het maaiveld. Binnen deze oeverwalsedimenten kunnen archeologische resten verwacht worden. In de boringen zijn echter geen archeologische indicatoren aangetroffen. De kans dat zich binnen het onderzoeksgebied een archeologische vindplaats bevindt is daardoor nihil. De vragen uit de inleiding kunnen als volgt beantwoord worden: 1. Wat is de geomorfologische en bodemkundige situatie in de onderzoekslocatie? Is er sprake van inversieruggen in de ondergrond? Binnen het onderzoeksgebied is op twee plaatsen sprake van mogelijke oeverwallen. Binnen de rest van het onderzoeksgebied bestaat de ondergrond uit slappe niet gerijpte kalkrijke klei. 2. Is er sprake van een intact bodemprofiel? Zijn er in dit verband kansrijke en kansarme zones aan te wijzen? De bodemopbouw is intact. De zones met mogelijke oeverwallen behoren tot de kansrijke gebieden. In de boringen zijn echter geen archeologische indicatoren of vegetatiehorizonten aangetroffen. 3.

Zijn er archeologisch indicatoren aanwezig? In de boringen zijn geen archeologisch indicatoren aangetroffen. Aanbeveling: Gezien de uitkomsten van het booronderzoek, waarbij geen indicaties voor archeologische vindplaatsen zijn aangetroffen, bevelen wij aan om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het onderzoeksgebied vrij te geven voor de geplande ingrepen. Dit betreft een aanbeveling, het selectiebesluit hierover is te allen tijde voorbehouden aan de bevoegde overheid, in deze gemeente Hollands Kroon. Mocht men tijdens de uitvoering van het grondwerk onverhoopt alsnog op archeologische resten stuiten dan dient de bevoegde overheid, de gemeente Hollands Kroon, hiervan meteen op de hoogte gebracht te worden.” Op basis van de bovenstaande conclusies en aanbeveling kan er worden geconcludeerd dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig initiatief. 5.10.2

Cultuurhistorie

Het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland bestaat uit monumentale panden, historische zichtlijnen, kenmerkende landschappen en waardevolle lijn- en/of vlakelementen. Het cultuurhistorisch erfgoed geeft een beeld van de geschiedenis van het landschap. Daarom is bescherming van deze elementen van belang.

 49

Cultuurhistorisch beleid Noord-Holland Mede dankzij de grote variëteit aan landschappen, dorpen en bijbehorende cultuurhistorie is NoordHolland een aantrekkelijk gebied om te wonen, werken en recreëren. Er zijn wadden, duinen, polders, heidevelden, veenweiden en droogmakerijen. De rijke historie is onder andere terug te vinden in de West-Friese Omringdijk en de Stelling van Amsterdam. De Provincie Noord-Holland heeft een Leidraad Landschap en Cultuurhistorie gemaakt voor het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. Noord-Holland is verdeeld in verschillende gebieden. Deze worden ensembles genoemd. Elk ensemble heeft een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis en de belangrijkste kernwaarden van dat gebied waar we rekening mee moeten houden. Binnen gemeente Hollandse Kroon zijn er 3 ensembles:  Wieringen – Wieringermeer;  Koegras – Annapaulownapolder;  West-Friesland-Midden. Het Leidraad is verankerd in artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening, zodoende moet de gemeente ook toetsen aan dit beleid. In toevoeging tot het Leidraad zijn er in Noord-Holland ook 32 gebieden aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Dit zijn landschappen met bijzondere eigenschappen en waarde voor mens en dier, waar extra zuinig mee wordt omgegaan. In gemeente Hollands Kroon zijn er de volgende BPL’s:  Wieringen;  Oude Veer;  Schagen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden moet er rekening mee worden gehouden dat het gebied extra bescherming krijgt. De ontwikkelingen mogen geen aantasting zijn van de kernkwaliteiten. Volgens de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie is het plangebied gelegen binnen het ensemble Wieringen – Wieringermeer. Het plangebied ligt niet binnen een BPL. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie Het Leidraad Landschap en Cultuurhistorie vond bij de vaststelling haar juridische gronding in de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV), artikel 15, echter is deze sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 niet langer in werking. In de Omgevingsverordening NH2022 vindt het Leidraad haar doorwerking in paragraaf 6.6.2 Ruimtelijke Toepassing in Landelijk Gebied. Zo stelt het bijbehorende artikel 6.70, eerste lid, het volgende: “Artikel 6.70 Ruimtelijke kwaliteitseis ingeval van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling in het landelijk gebied 1. Bij de inpassing van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling ter plaatse van het werkingsgebied Landelijk gebied, wordt in het omgevingsplan, gelet op de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie: a. rekening gehouden met: de ambities en ontwikkelprincipes van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren; b. bij de inpassing betrokken: de kansen zoals beschreven bij de ambities en ontwikkelprincipes; en c.

bij de inpassing betrokken: de ontstaansgeschiedenis en de kernwaarden van het toepasselijke ensemble en van de toepasselijke provinciale structuren.”

50 

Op basis van het voorgaande artikel moet er rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble, alsmede de toepasselijke provinciale structuren. ‘Rekening houden met’ betekent juridisch gezien dat de betrokken aspecten een verzwaarde status hebben in de belangenafweging. Er kan gemotiveerd van worden afgeweken. Bij de ontwikkelprincipes zijn ook ‘kansen’ opgenomen, deze zijn bedoeld ter inspiratie. Ook de ontstaansgeschiedenis en de beschrijving van de drie kernwaarden dienen ter inspiratie te worden betrokken in de uitwerking van de plannen. Juridisch gezien betekent dit ‘betrekken bij’ dat aan deze aspecten aandacht moet worden gegeven, maar dat er geen sprake is van een verzwaarde juridische status van deze aspecten. Zoals benoemd in artikel 6.70, lid 1, onder a, van de provinciale verordening, moet er rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes van het ensemble en de provinciale structuren. Het plangebied is gelegen binnen het ensemble Wieringen – Wieringermeer, als Kernwaarden worden onder andere de openheid van de polder in relatie tot de ruimtelijke dragers bebouwingslint, bomenlanen en dijken benoemd. Als handvaten voor de ontwikkeling van het ensemble Wieringen – Wieringermeer wordt nagestreefd het randen van de Wieringermeer te versterken tot landschappelijke, recreatieve zones.

Verder zijn er verscheidene provinciale structuren uiteengezet in de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie, voor onderhavig initiatief wordt er rekening gehouden met de structuur (agrarische) erven. De opzet en inpassing van het erf zijn afgestemd op het omringende (historische) landschap, verder is in paragraaf 3.1 en de bijbehorende bijlage 2 naar voren gekomen dat er rekening wordt gehouden met de bij de provinciale structuur horende ambities en ontwikkelprincipes:  bij te laten dragen aan het zichtbaar en herkenbaar houden van de landschappelijke karakteristiek;  bij te laten dragen aan het versterken van (de beleving van) openheid; en  helder te positioneren ten opzichte van de ruimtelijke dragers. Met het bovenstaande wordt er tevens invulling gegeven aan artikel 6.70, lid 1, onder b en c. Er kan worden geconcludeerd dat onderhavig initiatief rekening houdt met de cultuurhistorische landschapswaarden, behorend bij het toepasselijke ensemble en provinciale structuur. Op basis van het voorgaande kan er bovendien worden geconcludeerd dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. WATER In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze rekening wordt gehouden met het aspect water en de relevante watersystemen. In paragraaf 4.2 van deze GOFLO is er reeds ingegaan op het Rijksbeleid voor water en de waterschapsverordening.

Navolgend zal er worden ingegaan op hoe het planspecifieke watermanagement wordt uitgewerkt op basis van het beleid van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHN). 5.11.1

Weging van Waterbelang

Bij het vaststellen van omgevingsplannen moet er rekening worden gehouden met de waterbelangen. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Bkl.

 51

De weging van het waterbelang (voorheen: watertoets) geldt bij het vaststellen van het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.37 van het Bkl. Voor onderhavig plan is op 23 september 2024 een digitale watertoets doorlopen. De samenvatting is opgenomen als bijlage 8 bij deze GOFLO. Op het plan is de normale watertoetsprocedure van toepassing. Binnen het plangebied is sprake van een substantiële toename van bebouwing en/of verharding als gevolg van de gewenste ontwikkelingen. Momenteel is de locatie namelijk nog onbebouwd. Door deze toename aan verharding zal neerslag versneld worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Dit leidt tijdens extreme situaties tot pieken in de waterstand met mogelijke wateroverlast als gevolg. Om ervoor te zorgen dat de waterhuishoudkundige situatie niet verslechtert ten gevolge van de verhardingstoename, moeten er in het desbetreffende peilgebied compenserende maatregelen getroffen worden in de vorm van extra waterberging en/of infiltratie van hemelwater in de bodem. De verandering van het klimaat heeft gevolgen voor de veiligheid, de economie en de gezondheid van inwoners, hevige buien veroorzaken bijvoorbeeld schade en overlast. Langdurige droge periodes veroorzaken daarbij hittestress, met name in stedelijke gebieden. Een slim ingerichte ruimtelijke inrichting helpt deze steeds vaker voorkomende weersextremen het hoofd te bieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=e74a665c-bd7e-44d2-9561-5f1f9dcb4a5c