CConstaterende datHollandsKroon
Koppel je AI →
Document · PDF

1. GOFlo Heerenweg 264 Barsingerhorn

Raad 16 april 2026, gemeente HollandsKroonBij agendapunt: Raadsvoorstel bindend advies Heerenweg 264 Barsingerhorn11.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden beoordeeld of negatieve effecten kunnen optreden op beschermde plant- en diersoorten. 26

De ontwikkeling van de woning vindt plaats op een grasperceel dat in de huidige situatie intensief wordt beheerd, door frequent maaien of het laten grazen van enkele schapen. Door dit intensieve onderhoud is de verwachting zeer gering dat er beschermde plant- en/of diersoorten aanwezig zijn op het perceel. Daarnaast zijn er op het perceel geen bomen of struiken aanwezig die als verblijfplaats voor beschermde diersoorten kunnen dienen. Op basis van deze uitgangspunten is geen verkennend natuuronderzoek nodig in het kader van beschermde plant- en diersoorten. Het plan heeft naar verwachting dan ook geen negatieve effecten op de aanwezige flora en fauna. Conclusie: Het onderdeel flora en fauna staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.6

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteit wordt vooral gemonitord in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijnstof (PM10). In een aandachtsgebied moeten de omgevingswaarden in acht worden genomen wanneer er sprake is van een verhoging van concentraties binnen het aandachtsgebied. Wanneer er activiteiten worden toegestaan die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. In dit artikel zijn ook de aandachtsgebieden opgenomen. Het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van het aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over grote afstand effect hebben. Er wordt getoetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (P10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Bkl. De planlocatie is niet gelegen in of in de nabijheid van een aandachtsgebied, zodat de omgevingswaarden niet in acht hoeven te worden genomen.

De verkeersgeneratie van en naar de planlocatie neemt toe met 8,6 verkeersbewegingen per etmaal. Uit de NIBM-tool (bijlage 6) blijkt dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. Conclusie: Het onderdeel luchtkwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.7

Geluid

De regels in de Omgevingswet voor geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. In de Bruidsschat, onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan, is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In artikel 22.57 is bepaald waar de waarden gelden op een geluidgevoelig gebouw. 27

De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein. In artikel 3.18, lid Bkl is het toepassingsbereik aangegeven voor het geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Voor de realisatie van de nieuwe woning op de planlocatie is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 7). Hieruit blijkt dat: Kolhornerkade De verkeersintensiteit op de Kolhornerkade bedraagt minder dan 1.000 mvt/etmaal en daardoor heeft dit wegvak geen geluidaandachtsgebied en zijn de geluidnormen uit het Bkl niet van toepassing. Voor deze weg dient wel, op basis van artikel 4.2 Omgevingswet, aangetoond te worden dat er sprake is van acceptabel akoestisch woon- en leefklimaat. Heerenweg De geluidbelasting bedraagt ten hoogste 38 dB Lden en is daarmee, aansluiting zoekende bij de geluidnormen uit het Bkl lager dan de ‘standaardwaarde’ van 53 dB Lden. Het geluid van dit wegvak is daarmee aanvaardbaar. De geluidbelasting als gevolg van de Heerenweg, wegvak met geluidaandachtsgebied, bedraagt ten hoogste 56 dB Lden en overschrijdt daarmee de ‘standaardwaarde’ van 53 dB Lden voor de bronsoort ‘gemeentewegen’ uit het Bkl. Wel wordt ruimschoots voldaan aan de ‘grenswaarde’ van 70 dB Lden.

Voor de geluidbelasting(en) boven de ‘standaardwaarde' dient de gemeente onder de Omgevingswet een afweging te maken over de aanvaardbaarheid. Dit dient vastgelegd te worden in hetzelfde besluit als andere besluiten die moeten worden genomen om het (bouw)plan mogelijk te maken, het ‘omgevingsbesluit’. Op basis van de volgende argumenten wordt de gemeente verzocht de geluidbelasting(en) boven de standaardwaarde toe te staan: •

•

•

•

Bronmaatregelen: Het vervangen van het asfalt op de Heerenweg door een geluidredcuerend type is gelet op de omvang van het project, het realiseren van één woning, vanuit financieel oogpunt niet doelmatig. De kosten voor het vervangen van het asfalt staan niet in verhouding tot de kosten voor mogelijk benodigde gevelisolatie. Het beperken van de rijsnelheid of het terugdringen van de verkeersintensiteiten zal vanuit het oogpunt van het functioneren van het wegennet niet wenselijk zijn. Overdrachtsmaatregelen: Een geluidscherm of grondwal langs de Heerenweg is logischerwijs, door de benodigde ontsluiting van het perceel, geen optie. Een dergelijke maatregel zal, gelet op de omvang van het project, vanuit financieel oogpunt niet doelmatig zijn. Het is daarnaast vanuit landschappelijk en stedenbouwkundig oogpunt ongewenst om het uitzicht van de nieuwe woning en naastgelegen woningen door het plaatsen van een geluidscherm of grondwal te beperken. Gecumuleerd geluid: Alleen de Heerenweg heeft in deze casus een geluidaandachtsgebied dat zich strekt over het plangebied. Uit tabel 3 (gezamenlijk geluid) blijkt dat de cumulatie met de Kolhornerkade op de maatgevende noordgevel geen verhoging tot gevolg heeft. Gesteld kan dan ook worden dat cumulatie in deze casus geen relevante rol speelt.

Geluidluwe gevel: De woning beschikt over drie geluidluwe gevels (geluidbelasting lager dan standaardwaarde). Aan deze zijden is er voldoende ruimte voor het realiseren van een geluidluwe buitenruimte. 28

•

Karakteristieke geluidwering: De karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie, zijnde de scheiding tussen een verblijfsgebied en de buitenlucht, wordt zodanig uitgevoerd dat wordt voldaan aan het vereiste binnenniveau zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Voor de maatgevende noordgevel betekent dit dat een minimale geluidwering van 23 dB vereist is (uitgaande van een gevelbelasting van 56 dB en een binnenniveau-eis van 33 dB voor nieuwbouw). Deze waarde ligt slechts beperkt boven de basiseis van 20 dB zoals opgenomen in doorgaans een hogere isolatiewaarde gerealiseerd dan de wettelijke basiseis. De woning wordt uitgevoerd zonder ventilatieroosters en voorzien van ramen met drievoudig isolatieglas (triple glas). Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat de nieuwbouw, zonder verdere aanvullende geluidwerende maatregelen, zal voldoen aan de vereiste karakteristieke geluidwering van 23 dB.

Conclusie: Het onderdeel geluid staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.8

Geur

Er bestaan diverse sectoren waar geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. In de nabijheid van de planlocatie zijn geen bedrijven aanwezig waar geurhinder een rol speelt. Bij de ontwikkeling van een nieuwe woning is geen sprake van het optreden van geurhinder door milieubelastende activiteiten. Conclusie: Het onderdeel geur staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.9

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Het uitgangspunt van omgevingsveiligheid is dat voor risico’s van branden, rampen en crises rekening moet worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheid voor personen om zich in veiligheid te brengen en hulpverlening. Voor gebouwen en locaties zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. 5.9.1

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 2 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare 29

gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden tot te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl). 5.9.2

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekeningkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s. Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (artikel 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in het voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (artikel 4.90 tot en met 4.96 (Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen geldt altijd een voorschriftengebied en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning. Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel en niet meer verplicht om te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: • beperkingen in het belemmeringengebied van buisleidingen (paragraaf 5.1.2.3 Bkl); • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk (paragraaf 5.1.2.4 Bkl); • veiligheid rond bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (paragraaf 5.1.2.5 Bkl); • veiligheid rond luchthavens (paragraaf 5.1.2.6 Bkl). Op de planlocatie wordt een nieuwe woning gerealiseerd en dit is een kwetsbaar gebouw. Bij de beoordeling van de verschillende externe veiligheidsaspecten van het plan aan de Heerenweg 264 gaat het om de volgende risicobronnen: a.

bedrijven waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd; Er zijn in de directe omgeving van de planlocatie geen bedrijven gelegen, waar handelingen met gevaarlijke stoffen worden uitgevoerd, waarvan de risicocontouren zich uitstrekken over het plangebied; b. vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg;

30

De planlocatie bevindt zich niet binnen een invloedsgebied van een weg waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; c. transport van gevaarlijke stoffen door een buisleiding. De planlocatie bevindt zich niet in de nabijheid van een buisleiding waardoor vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Doordat de planlocatie niet is gelegen in een omgeving waar sprake is van handelingen met/ of vervoer van gevaarlijke stoffen betekent dit dat er geen wijziging optreedt in het Plaatsgebonden Risico en Groepsrisico. Conclusie: Het onderdeel omgevingskwaliteit staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.10 Activiteiten en milieuzonering Een goede omgevingskwaliteit vereist een zorgvuldige integratie van milieu- en ruimtelijke belangen. Ruimtelijke ontwikkelingen, zoals de voorgenomen realisatie van een nieuwe woning, zijn alleen toelaatbaar indien wordt voldaan aan relevante milieunormen en er geen onevenredige aantasting van de fysieke leefomgeving plaatsvindt. Voor de beoordeling van de milieuhygiënische aanvaardbaarheid wordt aangesloten bij de systematiek van de publicatie “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze publicatie geeft richtafstanden aan tussen milieubelastende en milieugevoelige functies (zoals woningen) om hinder te voorkomen en bestaande functies op zorgvuldige wijze op elkaar af te stemmen. In de directe omgeving van de planlocatie bevinden zich uitsluitend particuliere woningen; er zijn geen bedrijven gevestigd. De realisatie van de nieuwe woning heeft daardoor geen negatieve invloed op de milieuhygiënische situatie en beperkt de toekomstige ontwikkelmogelijkheden van omliggende woningen niet. Direct naast de planlocatie is een transformatorstation aanwezig. Op basis van aspecten als geluid en elektromagnetische straling vormt de aanwezigheid van dit station geen belemmering voor het voorgenomen plan.

Netbeheerder Liander heeft bevestigd dat voor dit type transformatorstation geen afstandseisen gelden ten opzichte van gevoelige functies, zoals wonen. De realisatie van de woning leidt derhalve niet tot beperkingen in het functioneren of de bereikbaarheid van het transformatorstation. Deze bevestiging is door Liander per e-mail aan de initiatiefnemer verstrekt (bijlage 8). Conclusie: De ontwikkeling van het plan heeft geen negatief effect op de activiteiten en milieuzonering van omringende woningen en het transformatorstation.

5.11 Trilling Het onderdeel trillingen is geregeld in paragraaf 22.35 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continu trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat. 31

Bij de ontwikkeling van het plan op de planlocatie is er geen sprake van het optreden van continu trillingen of herhaald voorkomende trillingen. Conclusie: Het onderdeel trilling staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.12 Archeologie, cultuurhistorie en landschap Op de Beleidskaart Archeologie gemeente Hollands Kroon 2022 is aangegeven waar bekende archeologische waarden aanwezig zijn en welke archeologische verwachtingen gelden. De planlocatie ligt in een gebied met een hoge archeologische verwachting, wat is vertaald naar een vrijstellingsgrens van 100 m² en een ontgravingsdiepte van 35 centimeter. Op het perceel wordt een woning met garage gerealiseerd met een totale oppervlakte van circa 108 m², waarmee nagenoeg wordt voldaan aan de vrijstellingsgrens. Vanwege de beperkte oppervlakte van het perceel is het niet mogelijk om meer bebouwing toe te voegen. Bovendien is het perceel bij eerdere werkzaamheden, zoals de aanleg van de tuin en het transformatorstation, al verstoord. Op basis hiervan wordt verwacht dat de voorgenomen ontwikkeling geen aantasting van archeologische waarden veroorzaakt. Bij de ontwikkeling van het plan vindt geen wijziging plaats van de bestaande verkaveling of waterlopen, waardoor de cultuurhistorische waarden behouden blijven. Rondom de woning wordt een groene tuin aangelegd die zorgt voor een zachte overgang tussen de bebouwing en de openbare ruimte. Het naastgelegen transformatorstation wordt landschappelijk ingepast door middel van beplanting in de tuin van de woning, waardoor het visueel verzacht wordt en beter opgaat in het dorpsbeeld.

Deze maatregelen versterken de ruimtelijke kwaliteit en dragen bij aan een verzorgde inrichting van de planlocatie. Conclusie: Het onderdeel archeologie, cultuurhistorie en landschap staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

5.13 Bodem Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89, onder i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89, onder k Bkl, artikel IIIa, onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem). Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit. Voor de ontwikkeling van de woning is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 9). Uit dit onderzoek blijkt dat: • Op basis van de onderzoeksresultaten dient de hypothese onverdachte locatie op het voorkomen van een bodemverontreiniging met gehalten boven de interventiewaarden formeel te worden aangenomen. In zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten aan de geanalyseerde parameters boven de interventiewaarden aangetoond. 32

• •

•

•

In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aan de geanalyseerde parameters aangetoond. Indien getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit voldoet de bovengrond indicatief aan kwaliteitsklasse wonen. De ondergrond voldoet indicatief aan kwaliteitsklasse landbouw/ natuur. Conform de CROW400 zijn bij eventuele graafwerkzaamheden geen aanvullende veiligheidsmaatregelen van toepassing. Onderzoek naar PFAS in de bodem is niet meegenomen in dit onderzoek. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt wordt geadviseerd om aanvullend een partijkeuring inclusief PFAS uit te voeren. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde bodemonderzoek is geen aanvullend of nader onderzoek noodzakelijk. Met dit onderzoek zijn milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen aangetroffen voor de voorgenomen nieuwbouw.

Conclusie: Het onderdeel bodem staat de ontwikkeling van het plan niet in de weg.

5.14 Weging van waterbelang Conform artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met de gevolgen van een ontwikkeling voor het beheer van watersystemen. De beoordeling van die gevolgen vindt mede plaats op basis van de inzichten van het daarvoor bevoegde bestuursorgaan. Voor het onderhavige plan is een wateradvies gevraagd (zie bijlage 10) bij het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Waterkwantiteit In de Waterschapsverordening is bepaald dat bij een toename van het verhard oppervlak met meer dan 230 m² een verplichting geldt tot het realiseren van compenserende waterberging. Deze maatregel is bedoeld om wateroverlast te voorkomen en de waterhuishouding in balans te houden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Bij de voorgenomen ontwikkeling is wel sprake van een toename van het verhard oppervlak als gevolg van nieuwbouw, maar dit betreft een kleinere oppervlakte van 230 m². Het perceel is ook dusdanig klein (405 m², inclusief deel van een waterloop) dat er geen oppervlakte van 230 m² kan worden verhard zonder dat een groene tuin mogelijk is. Dit betekent dat het niet nodig is om compenserende waterberging te realiseren. Waterkwaliteit Binnen de voorgenomen ontwikkeling is geen sprake van functies of activiteiten die een risico vormen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater.

Het afstromende hemelwater wordt als schoon beschouwd en kan daarom rechtstreeks worden geloosd op de omliggende watergangen, conform het geldende waterbeleid. Om indirecte verontreiniging van het hemelwater te voorkomen, wordt geadviseerd het gebruik van uitloogbare materialen zoals zink, koper en lood te vermijden bij de aanleg of uitbreiding van gebouwen en verhardingen. Hiermee wordt invulling gegeven aan het principe van schoon afkoppelen en wordt bijgedragen aan de bescherming van de waterkwaliteit.

33

Waterveiligheid De planlocatie is gelegen binnen beschermingszone A van de regionale waterkering langs de Heerenweg. De woning wordt gerealiseerd binnen een bestaand bebouwingslint, waarbij de voorzijde van de woning niet voorbij de bestaande gevellijn van de naastgelegen bebouwing wordt geplaatst. Daarnaast ligt de locatie op hoge gronden, aangezien de hoogte van de waterkering gelijk is aan het bestaande maaiveld. Dit betekent dat de bouw van de woning de waterkerende veiligheid niet negatief beïnvloedt. De planlocatie ligt tevens binnen het profiel van vrije ruimte. Bij een mogelijke toekomstige dijkversterking zal een maatwerkoplossing nodig zijn, omdat door de aanwezigheid van de bebouwing een standaard grondoplossing niet mogelijk is. Hierdoor leidt de ontwikkeling van de woning niet tot extra maatschappelijke kosten. Voor de realisatie van de woning zal een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij HHNK.

Legger HHNK

Conclusie: Bij de ontwikkeling van het plan wordt het waterbelang niet geschaad.

34

6.

Uitvoerbaarheid

6.1

Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de wijze van bekostiging. Hierbij wordt uitgegaan van de situatie waarin het omgevingsplan van rechtswege geldt (tijdelijk omgevingsplan). De ontwikkeling van het plan betreft een particulier initiatief. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten waarin de (financiële) afspraken over het plan worden vastgelegd, inclusief kostenverhaal. Wordt een omgevingsvergunning verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt? Zo ja, in dat geval is artikel 4.5 Awb van toepassing. In de overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer is bepaald dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer zal komen.

35

7.

Belangenafweging en conclusie

7.1

Is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Met andere woorden is er – na een zorgvuldige belangenafweging – met het toestaan van de activiteit nog steeds sprake van een evenwichtige toedeling? Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling bij de ontwikkeling van het plan, zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten nader onderzocht en afgewogen.

7.2

Participatie

De Omgevingswet stimuleert het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij planvorming en besluitvorming. Door vroegtijdige participatie kunnen belangen, zorgen, ideeën en suggesties van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden tijdig worden meegenomen. De wet omschrijft participatie als: “het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit." De Omgevingsregeling schrijft voor dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moet worden aangegeven of, en zo ja hoe, participatie heeft plaatsgevonden, en wat de uitkomsten daarvan zijn. Het bevoegd gezag betrekt deze informatie bij de integrale afweging van belangen. In het kader van het onderhavige initiatief – de bouw van een woning – is overleg gevoerd met de direct omwonenden. Opgemerkt wordt dat de initiatiefnemers direct naast de nieuwe woning wonen. Aan de andere zijde van de planlocatie zijn geen woningen aanwezig. Het plan is ook nog besproken met de bewoners van Heerenweg 262B, maar zij hebben geen bezwaar tegen het plan. Er is dan ook sprake van draagvlak in de directe omgeving.

7.3

Vaststellingsprocedure

De aanvraag om een omgevingsvergunning heeft mede betrekking op het toestaan van een gebruik in afwijking van het geldende omgevingsplan. Op grond van artikel 16.62 van de Omgevingswet is op deze aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing, zoals geregeld in titel 4.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat het bevoegd gezag in beginsel binnen een termijn van acht weken een besluit neemt op de aanvraag. Tegen het besluit op de aanvraag kan bezwaar worden gemaakt bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Indien een belanghebbende het niet eens is met de beslissing op het bezwaar, kan daartegen beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Vervolgens staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 36

7.4

Conclusie

Het onderhavige plan voorziet in de realisatie van een vrijstaande woning op het grasperceel aan de Heerenweg 264 te Barsingerhorn, inclusief een functiewijziging van agrarisch naar wonen. De ontwikkeling wordt zorgvuldig ingepast binnen het bestaande dorpslint en respecteert de bestaande verkavelings- en waterstructuren, waardoor de cultuurhistorische en landschappelijke kernkwaliteiten behouden blijven. De woning wordt gebouwd met aandacht voor duurzaamheid en klimaatadaptatie, waaronder gasloos bouwen, toepassing van een warmtepomp, zonnepanelen en een zonneboiler, evenals een klimaatadaptieve inrichting van het perceel. Ook de landschappelijke inpassing van de woning en het transformatorstation met groenbeplanting draagt bij aan een verzorgde ruimtelijke kwaliteit. Op het vlak van milieu, natuur en waterbeheer wordt voldaan aan de geldende regelgeving. Er is geen sprake van effecten op beschermde soorten, archeologische waarden, milieuhygiënische belangen of waterhuishouding die een nadere ingreep vereisen. Ook verkeersveiligheid en ontsluiting zijn adequaat geborgd via de bestaande uitrit. Het plan draagt bij aan de lokale woningvoorraad en ondersteunt de gemeentelijke en provinciale beleidsdoelen op het gebied van woningbouw, duurzame leefomgeving en leefbare dorpskernen.

Door de kleinschalige, zorgvuldige ontwikkeling is er sprake van evenwichtige ruimtebenutting, behoud van openheid en versterking van het dorpslint. Concluderend kan worden gesteld dat het plan ruimtelijk, landschappelijk, ecologisch en maatschappelijk zorgvuldig is ingepast en uitvoerbaar is binnen de geldende beleids- en regelgeving.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=HollandsKroon&id=f085b966-64dd-493f-b7b7-aa6d8b228a76